Tijdelijke aanstelling van doorlopende duur

  • Deze omzendbrief bevat de bepalingen m.b.t. de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, een voorrangsregeling die van kracht is in alle onderwijsniveaus, uitgezonderd het hoger onderwijs.
  • Een personeelslid dat voor een ambt het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) inroept, moet o.m. uiterlijk op 31 augustus van het schooljaar in het bezit zijn van een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt waarvoor hij het daaropvolgend schooljaar beroep wil doen op zijn recht op TADD. Met ingang van 1 juni 2015 wijzigt deze voorwaarde, zodat een personeelslid nu uiterlijk op 1 september van het schooljaar waarin hij beroep wil doen op zijn recht op TADD in het bezit moet zijn van een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs.
  • Een personeelslid dat de goedkeuring heeft gekregen om een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen op te nemen, kan geen uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling krijgen vergeleken met de toestand aan de vooravond van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen. Dit principe geldt eveneens voor een personeelslid dat met langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen is en het recht op tijdelijke aanstelling met doorlopende duur (TADD) heeft of tijdens zijn langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen het recht op TADD vergaart. Dit personeelslid kan dit recht op TADD slechts inroepen voor een tijdelijke aanstelling die beperkt is tot het volume van zijn tijdelijke aanstelling aan de vooravond van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen.
  • Deze maatregelen worden aangekondigd onder voorbehoud van de goedkeuring van het decreet betreffende het onderwijs-XXV door het Vlaams Parlement.
  • Om in aanmerking te komen voor een vaste benoeming moet een tijdelijk personeelslid o.m. op de vooravond van de benoeming aangesteld zijn voor doorlopende duur. Vanaf dit jaar wordt een vaste benoeming toegekend op 1 juli en eventueel op 1 oktober. Dit betekent dat een personeelslid uiterlijk op 30 juni of op 30 september voor doorlopende duur moet aangesteld zijn, om aan deze benoemingsvoorwaarde te voldoen.
  • Deze maatregelen worden aangekondigd onder voorbehoud van de goedkeuring van het decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015 door het Vlaams Parlement.

1. Inleiding

Sinds 1 september 2003 geldt een eenvormige voorrangsregeling voor alle onderwijsniveaus en alle netten: de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD).

Het begrip TADD kan in twee betekenissen worden gebruikt.

Recht op TADD (= een vorm van voorrangsregeling)

Personeelsleden kunnen het recht opbouwen om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te krijgen als ze aan een aantal specifieke voorwaarden voldoen. Deze personeelsleden krijgen bij voorrang een tijdelijke aanstelling t.o.v. andere personeelsleden die (nog) niet aan deze voorwaarden voldoen.

TADD = een vorm van tijdelijke aanstelling

Vanaf 1 september 2003 kan een tijdelijk personeelslid als volgt worden aangesteld:

  • Een personeelslid wordt aangesteld voor bepaalde duur.

Dit is een aanstelling voor maximum één schooljaar in een vacante of niet-vacante betrekking. Het personeelslid moet voldoen aan de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden. Verder worden geen bijkomende voorwaarden gesteld.

  • Een personeelslid wordt aangesteld voor doorlopende duur.

  • Om deze aanstelling te krijgen moet het personeelslid wel aan een aantal specifieke voorwaarden voldoen en zijn kandidatuur indienen op de voorgeschreven manier. Het begrip TADD verwijst hier naar een vorm van tijdelijke aanstelling. De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur loopt over de schooljaren heen en kan gebeuren in een vacante of niet-vacante betrekking.

Het begrip TADD kan dus twee betekenissen hebben. Het is zowel een vorm van tijdelijke aanstelling als een vorm van voorrangsregeling voor de tijdelijke aanstelling.

Deze omzendbrief behandelt TADD in deze twee betekenissen.

Daarnaast is TADD eveneens een voorwaarde voor vaste benoeming in een wervingsambt. De omzendbrief betreffende vaste benoeming van 29/11/1999 - 13CC/VB/ml- Vaste benoeming - Procedure , voorwaarden en mededeling aan het departement Onderwijs gaat hier dieper op in.

Deze omzendbrief is van toepassing op alle onderwijsniveaus, met uitzondering van het voltijds hoger onderwijs. Hij bevat in de eerste plaats een aantal bepalingen die gemeenschappelijk zijn. Toch is het nodig om in bepaalde delen van de omzendbrief een onderscheid te maken per onderwijsniveau. Dit komt vooral omdat de onderwijsniveaus verschillende structuren kennen (bijvoorbeeld de scholengemeenschappen in het gewoon secundair onderwijs en basisonderwijs).

Het begrip “scholen” moet ook als “instellingen” worden gelezen.

2. Recht op TADD

2.1. Toepassingsgebied

Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur is van toepassing op alle wervingsambten van de personeelscategorieën die vallen onder de decreten rechtspositie.

Zowel tijdelijke als deeltijds vastbenoemde personeelsleden uit één van deze categorieën kunnen het recht op een TADD laten gelden op elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, behalve als het personeelslid al als titularis is aangesteld voor een voltijdse betrekking in het ambt waarvoor hij het recht op een tijdelijke aanstelling heeft verworven.

Voorbeeld

Een personeelslid heeft een recht op TADD verworven voor het ambt van kleuteronderwijzer. Bij het begin van het schooljaar wordt het personeelslid aangesteld in de vervanging van onderwijzer die belast is met een voltijdse betrekking. In de loop van het schooljaar wordt een betrekking van kleuteronderwijzer vacant. Het personeelslid kan zijn recht op TADD laten gelden voor dit ambt van kleuteronderwijzer.

Een personeelslid dat de goedkeuring heeft gekregen om een langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen op te nemen, kan geen uitbreiding van zijn tijdelijke aanstelling krijgen vergeleken met de toestand aan de vooravond van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen. Dit principe geldt eveneens voor een personeelslid dat met langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen is en het recht op tijdelijke aanstelling met doorlopende duur (TADD) heeft of tijdens zijn langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen het recht op TADD vergaart. Dit personeelslid kan dit recht op TADD slechts inroepen voor een tijdelijke aanstelling die beperkt is tot het volume van zijn tijdelijke aanstelling aan de vooravond van het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen.

Meer informatie over dit verlof vindt u in de omzendbrief PERS/2007/07 van 21-09-2007 - Het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte, het langdurig verlof voor verminderde prestaties wegens medische redenen en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.

Voorbeeld

Een personeelslid oefent op 01.09.2015 een opdracht uit van 15/20: 10/20 vast benoemd en 5/20 TADD. Het personeelslid krijgt de goedkeuring voor een langdurig VVP medische redenen vanaf 01.10.2015 voor 5/20 en blijft 10/20 presteren.

Op 01.12.2015 is er een vacature van 5/20. In principe zou het personeelslid op deze vacature het recht op TADD kunnen laten gelden, maar het personeelslid kan deze 5/20 niet opnemen, omdat het totale volume van zijn opdracht (20/20) dan groter wordt dan het volume dat hij uitoefende aan de vooravond van het langdurig VVP medische redenen (15/20).

Een vastbenoemd personeelslid kan niet als TADD worden aangesteld in de opdracht die hij via het stelsel van TAO (tijdelijk andere opdracht)in een wervingsambt uitoefent. Het personeelslid verwerft wel dienstanciënniteit in het ambt dat hij op deze wijze tijdelijk uitoefent.

Voorbeeld

Een personeelslid is voltijds vastbenoemd in het ambt van leraar en neemt een verlof om tijdelijk belast te worden met een opdracht in het ambt van opvoeder (via TAO). Het personeelslid bouwt wel dienstanciënniteit op in het ambt van opvoeder maar kan via het stelsel TAO niet als TADD-personeelslid worden aangesteld in dit ambt.

2.2. Voorwaarde inzake dienstanciënniteit

Om het recht op TADD te kunnen laten gelden moet het personeelslid een dienstanciënniteit hebben van ten minste 720 dagen gespreid over ten minste drie schooljaren. Van deze 720 dagen moeten er 600 effectief gepresteerd zijn (zie 4.3).

2.3. Berekening van de dienstanciënniteit

Een personeelslid moet ten minste 720 dagen dienstanciënniteit hebben, gespreid over ten minste drie schooljaren, om een recht op TADD te verwerven. Van deze 720 dagen moeten er 600 effectief gepresteerd zijn. Hieronder gaan we dieper in op de principes die van toepassing zijn bij de berekening van de dienstanciënniteit.

De berekening van de dienstanciënniteit is relevant zowel voor 'het ambt' als voor 'het bekwaamheidsbewijs'.

2.3.1. Per ambt

De dienstanciënniteit wordt in aanmerking genomen per ambt. Om het recht op een TADD te verwerven voor een ambt, moet de dienstanciënniteit m.a.w. verworven zijn in dit specifieke ambt. De diensten die werden gepresteerd in verschillende ambten kunnen nooit worden samengeteld.

Op deze regel geldt vanaf 1 september 2007 een uitzondering in het deeltijds kunstonderwijs (DKO), waar diensten, gepresteerd in het ambt van studiemeester-opvoeder in het DKO, ook beschouwd worden als waren zij gepresteerd in het ambt van opsteller in het DKO.

2.3.1.1. Een ambt in het onderwijzend personeel in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds kunstonderwijs

De verworven anciënniteit komt voor het recht op een aanstelling van doorlopende duur in een ambt in het onderwijzend personeel in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds kunstonderwijs, op volgende wijze in aanmerking:

  • Aanstelling op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs.

Voor de berekening van de dienstanciënniteit voor een aanstelling in een vak of specialiteit op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs komen volgende diensten in aanmerking:

  • alle diensten gepresteerd in de vakken of specialiteiten waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs heeft ongeacht de rubricering (AV, TV, KV, PV) van deze vakken of specialiteiten.
  • alle diensten gepresteerd in een vak of specialiteit waarvoor hij een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs heeft, eveneens ongeacht de rubricering (AV, TV, KV, PV) van dit vak of deze specialiteit.

  • Aanstelling op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs.

Voor de berekening van de dienstanciënniteit voor een aanstelling in een vak of specialiteit op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs komen alleen de diensten in aanmerking die gepresteerd zijn in dit specifieke vak of specialiteit ongeacht de rubricering (AV, TV, KV, PV) van dit vak of deze specialiteit.

2.3.1.2. Een ambt in het onderwijzend personeel in het volwassenenonderwijs

Voor een ambt in het onderwijzend personeel in het volwassenenonderwijs komt de verworven dienstanciënniteit als volgt in aanmerking.

2.3.1.2.1. De leraar secundair volwassenenonderwijs

De leraar secundair volwassenenonderwijs is aangesteld in een opleiding die lineair of voorlopig modulair wordt georganiseerd:

- Aanstelling op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs

Voor de berekening van de dienstanciënniteit voor een aanstelling in een vak of specialiteit op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs komen volgende diensten in aanmerking:

- alle diensten gepresteerd in de vakken of specialiteiten waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs (VE of OM/VE) heeft ongeacht de rubricering (AV, TV, PV) van deze vakken of specialiteiten;

- alle diensten gepresteerd in een vak of specialiteit waarvoor hij een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) heeft, eveneens ongeacht de rubricering (AV, TV, PV) van dit vak of deze specialiteit;

- vanaf 1 september 2010 ook alle diensten gepresteerd in een opleiding of module in een definitief modulaire opleiding waarvoor hij het vereiste bekwaamheidsbewijs (VE of OM/VE);

- vanaf 1 september 2010 ook alle diensten gepresteerd in een opleiding of module in een definitief modulaire opleiding waarvoor hij het voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) heeft.

  • Aanstelling op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs

Voor de berekening van de dienstanciënniteit voor een aanstelling in een vak of specialiteit op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs komen alleen de diensten in aanmerking die gepresteerd zijn in dit specifieke vak of specialiteit ongeacht de rubricering (AV, TV, PV) van dit vak of deze specialiteit.

De leraar secundair volwassenenonderwijs is aangesteld in een opleiding die definitief modulair wordt georganiseerd:

  • Aanstelling op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs.

Voor de berekening van de dienstanciënniteit voor een aanstelling in een opleiding of een module op basis van een vereist bekwaamheidsbewijs komen volgende diensten in aanmerking:

- alle diensten gepresteerd in de opleidingen en modules waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs (VE of OM/VE) heeft;

- alle diensten gepresteerd in een opleiding of een module waarvoor hij een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) heeft;

- daarnaast ook alle diensten gepresteerd in een vak of een specialiteit in een lineaire of voorlopig modulaire opleiding waarvoor hij het vereiste bekwaamheidsbewijs (VE of OM/VE) heeft;

- daarnaast ook alle diensten gepresteerd in een vak of specialiteit in een lineaire of voorlopig modulaire opleiding waarvoor hij het voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) heeft.

- Aanstelling op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs.

Voor de berekening van de dienstanciënniteit voor een aanstelling in een opleiding of een module op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) komen alleen de diensten in aanmerking die gepresteerd zijn in die specifieke opleiding of module.

2.3.1.2.2. De lector

Voor het ambt van lector in het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding in een CVO worden vanaf 1 september 2010 enkel voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen ( en 'andere' bekwaamheidsbewijzen) vastgelegd.

De verworven dienstanciënniteit in het ambt van lector komt als volgt in aanmerking.

Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen vanaf 1 september 2010 voor een aanstelling in een vak (in een lineaire opleiding), in een opleiding of in een module (in een voorlopig of definitief modulaire opleiding) op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs alleen de diensten in aanmerking die gepresteerd zijn in dat vak, die specifieke opleiding of die specifieke module.

2.3.2. Bekwaamheidsbewijs

Het personeelslid kan het recht op TADD alleen maar doen gelden voor het ambt waarvoor het over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs beschikt en dit uiterlijk op 1 septembervan het schooljaarwaarin hij het recht wil laten gelden. Het recht op TADD kan bijgevolg niet gelden voor een ambt, en voor het ambt van leraar voor een vak of specialiteit of voor een opleiding of een module in het volwassenenonderwijs, waarvoor het personeelslid slechts over een "ander" bekwaamheidsbewijs beschikt of waarvoor het personeelslid nog in de loop van het schooljaar een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs verwerft.

2.3.2.1. Het ambt van leraar in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds kunstonderwijs

Voor de personeelsleden die het recht op TADD willen laten gelden voor het ambt van leraar in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en in het DKO geldt volgende regeling:

  • eens het recht op TADD werd verworven, geldt dit recht voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid als leraar over een vereist bekwaamheidsbewijs beschikt;

  • indien het recht op TADD werd verworven in een vak of specialiteit waarvoor het personeelslid over een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs beschikt, geldt dit recht niet alleen voor dit vak of deze specialiteit, maar ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid over een vereist bekwaamheidsbewijs beschikt.

Diensten verworven op basis van een “ander” bekwaamheidsbewijs kunnen wel meetellen indien het personeelslid ondertussen voor dit ambt, vak of specialiteit een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs verworven heeft.

2.3.2.2. Het ambt van leraar of lector in het volwassenenonderwijs

2.3.2.2.1. De leraar secundair volwassenenonderwijs

Voor het personeelslid dat het recht op TADD wil laten gelden voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in een opleiding die lineair of voorlopig modulair wordt georganiseerd, geldt volgende regeling:

- eens het recht op TADD werd verworven, geldt dit recht voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid als leraar secundair volwassenenonderwijs over een vereist bekwaamheidsbewijs (VE of OM/VE) beschikt;

- indien het recht op TADD werd verworven in een vak of specialiteit waarvoor het personeelslid over een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) beschikt, geldt dit recht niet alleen voor dit vak of deze specialiteit, maar ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid over een vereist bekwaamheidsbewijs (VE of OM/VE) beschikt.

Diensten verworven op basis van een “ander” bekwaamheidsbewijs kunnen wel meetellen indien het personeelslid ondertussen voor dit ambt, vak of specialiteit een vereist (VE of OM/VE) of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) verworven heeft.

Voor het personeelslid dat het recht op TADD wil laten gelden voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs in een opleiding die op basis van eendefinitief opleidingsprofiel (definitief modulaire opleiding) wordt georganiseerd, geldt volgende regeling:

- eens het recht op TADD werd verworven, geldt dit recht voor alle opleidingen en modules waarvoor het personeelslid als leraar secundair volwassenenonderwijs over een vereist bekwaamheidsbewijs (VE of OM/VE) beschikt;

- indien het recht op TADD werd verworven in een opleiding of module waarvoor het personeelslid over een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs (VO of OM/VO) beschikt, geldt dit recht niet alleen voor deze opleiding of die module, maar ook voor alle opleidingen en modules waarvoor het personeelslid over een vereist bekwaamheidsbewijs (VE of OM/VE) beschikt.

Diensten verworven op basis van een “ander” bekwaamheidsbewijs kunnen wel meetellen indien het personeelslid ondertussen voor dit ambt, de opleiding of de module een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs verworven heeft.

2.3.2.2.2. De lector

Voor het ambt van lector in het hoger beroepsonderwijs en de specifieke lerarenopleiding in een CVO worden vanaf 1 september 2010 enkel voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen (en 'andere' bekwaamheidsbewijzen) vastgelegd.

Voor het personeelslid dat vanaf 1 september 2010 het recht op TADD wil laten gelden voor het ambt van lector, geldt dit recht alleen voor dat vak, deze opleiding of die module waarin het personeelslid na 1 september 2010 het recht op TADD heeft opgebouwd.

2.3.3. Berekeningswijze

Het personeelslid moet gespreid over ten minste drie schooljaren 720 dagen dienstanciënniteit hebben waarvan er 600 effectief gepresteerd zijn.

720 dagen dienstanciënniteit

De 720 dagen dienstanciënniteit worden berekend volgens artikel 4 van het decreet rechtspositie voor het gemeenschapsonderwijs en artikel 6 van het decreet rechtspositie voor het gesubsidieerd onderwijs. Het aantal dagen wordt niet vermenigvuldigd met 1,2.

Diensten met onvolledige prestaties worden op dezelfde manier in aanmerking genomen als diensten met volledige prestaties, op voorwaarde dat de prestaties ten minste de helft bedragen van het aantal uren vereist voor een betrekking met volledige prestaties.

Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren, vereist voor een betrekking met volledige prestaties, wordt met de helft verminderd.

De diensten moeten gepresteerd zijn in hoofdambt. In het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs komen ook de diensten in bijbetrekking in aanmerking.

600 dagen effectief gepresteerd

Deze berekening verloopt op dezelfde wijze als de berekening van de 720 dagen dienstanciënniteit met dit verschil dat hier enkel de periodes in aanmerking worden genomen waarin het personeelslid effectieve prestaties verricht.

Onder effectieve prestaties wordt verstaan: alle kalenderdagen met inbegrip van zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties die binnen de periode van aanstelling vallen.

Ziekteverlof, omstandigheidsverlof, enz. ... komen bijgevolg niet in aanmerking voor de berekening van de effectieve prestaties.

Om het recht op TADD te bepalen, worden ook volgende periodes meegerekend voor de vaststelling van de 600 dagen effectieve prestaties en dit tot een maximum van 210 dagen:

  • het bevallingsverlof
  • de periode van verwijdering uit een risico in het kader van de bedreiging door een beroepsziekte
  • de periode van moederschapsbescherming

Uiteraard moeten deze dagen binnen de aanstellingsperiode vallen.

Personeelsleden die aangesteld zijn in de periode 1 september - 30 juni kunnen maximaal 303 (of 304 in een schrikkeljaar) dagen dienstanciënniteit per schooljaar verwerven. Tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn tot 31 augustus (bijvoorbeeld administratief personeel) kunnen maximaal 360 dagen dienstanciënniteit verwerven.

Voorbeeld 1

Een personeelslid oefent in het deeltijds kunstonderwijs m.i.v. 01.09.2001 volgende opdracht uit:

8/22 leraar 'Algemene muzikale vorming'

Op 30.06.2004 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 2 x 303 + 1x304 dagen: 2= 455 dagen. Prestaties die minder dan de helft bedragen van een volledige opdracht worden voor de berekening van de dienstanciënniteit met de helft verminderd.

Het personeelslid heeft geen recht op een aanstelling van doorlopende duur voor het ambt van leraar, want het beschikt niet over voldoende dienstanciënniteit voor dit ambt.

Voorbeeld 2

Een personeelslid oefent in het gewoon basisonderwijs m.i.v. 01.03.2003 tot 30.06.2005 volgende opdracht uit:

24/24 onderwijzer

Tijdens deze periode van 01.09.2003 tot 30.06.2005 heeft betrokkene 210 ( 2 bevallingsverloven) dagen bevallingsverlof en 92 dagen ouderschapsverlof genoten.

Op 30.06.2005 heeft het personeelslid voor het ambt van onderwijzer een dienstanciënniteit van 729 dagen (122 d + 304 d + 303 d ).

Het verwerft aldus m.i.v. 01.09.2004 meer dan 720 dagen dienstanciënniteit als onderwijzer

Dit personeelslid heeft 729 - 92 = 637 effectief gepresteerde dagen.

De 210 dagen bevallingsverlof komen in aanmerking voor de berekening van de 600 dagen effectieve prestaties.

Het personeelslid heeft op 1 september 2005 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor het ambt van onderwijzer, want het beschikt over ten minste 600 effectief gepresteerde dagen voor dit ambt.

Opmerking

  • In het gemeenschapsonderwijs komen alleen de diensten gepresteerd na 1 september 1988 in aanmerking.
  • In het gesubsidieerd onderwijs komen alleen de diensten gepresteerd na 1 september 1985 in aanmerking.

2.3.4. Berekeningsdatum

De dienstanciënniteit wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid het recht laat gelden.

Dit betekent dat, om op 1 september het recht op een TADD te kunnen laten gelden, de vereiste 720 en 600 dagen moeten behaald zijn op 30 juni van het voorgaande schooljaar.

2.4. In welke scholen, instellingen of centra moeten diensten gepresteerd zijn om in aanmerking te komen?

2.4.1. Het basisonderwijs

Niet alle gepresteerde diensten tellen mee om het recht op TADD te verwerven. Het is van belang in welke scholen of instellingen de diensten gepresteerd werden.

Vanaf 1 september 2005 hebben de scholengemeenschappen een invloed op de verwerving en draagwijdte van het recht op een TADD in een basisschool.

2.4.1.1. Gemeenschapsonderwijs

Bij de berekening van de dienstanciënniteit moet een onderscheid worden gemaakt tussen de diensten die vóór 1 september 2005 werden gepresteerd en de diensten die vanaf 1 september 2005 worden gepresteerd. Tevens moet er een onderscheid worden gemaakt tussen scholen die tot een scholengemeenschap behoren en scholen (en instellingen) die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Diensten gepresteerd vóór 1 september 2005

De dienstanciënniteit wordt als volgt berekend:

  • Voor instellingen die behoren tot een scholengemeenschap

De prestaties geleverd in instellingen die vanaf 1 september 2005 behoren tot dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net. De diensten die werden gepresteerd vóór deze datum tellen mee als ze werden gepresteerd in een instelling die vanaf 1 september 2005 tot de scholengemeenschap behoort. Ook alle diensten gepresteerd in de scholen die behoren tot dezelfde scholengroep komen in aanmerking. De diensten die werden gepresteerd vóór de datum van de oprichting van de scholengroep tellen mee als ze werden gepresteerd in een instelling die vanaf 1 april 1999 tot de scholengroep behoort of als ze werden gepresteerd binnen de lokale raad waaronder deze instelling ressorteerde.

  • Voor instellingen die niet behoren tot een scholengemeenschap

De prestaties geleverd in instellingen die vanaf 1 april 1999 behoren tot dezelfde scholengroep. De diensten die werden gepresteerd vóór de datum van de oprichting van de scholengroep (1 april 1999) tellen mee als ze werden gepresteerd in scholen die vanaf 1 april 1999 tot de scholengroep behoren of als ze werden gepresteerd binnen de lokale raad waaronder deze scholen of instellingen ressorteerden.

Diensten gepresteerd vanaf 1 september 2005

De dienstanciënniteit wordt als volgt berekend:

Voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren

  • De prestaties die het personeelslid heeft geleverd in instellingen die vanaf 1 september 2005 behoren tot dezelfde scholengemeenschap, ongeacht het net of als ze werden gepresteerd binnen dezelfde scholengroep.
  • Als een instelling in de loop van de zesjarige samenwerkingsperiode of bij aanvang van een nieuwe samenwerkingsperiode toetreedt tot een bestaande scholengemeenschap worden de prestaties die een personeelslid heeft geleverd in een ambt in de instelling die toetreedt tot een scholengemeenschap beschouwd als gepresteerd in dat ambt in deze scholengemeenschap.
  • Op deze wijze kan een personeelslid diensten die hij voorheen niet presteerde in de scholengemeenschap, ook in aanmerking laten komen als gepresteerd in de scholengemeenschap. Deze bepaling is voor de instellingen van het basisonderwijs van toepassing vanaf het schooljaar 2006-2007.

Voor instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren

  • De prestaties die geleverd werden in instellingen die behoren tot dezelfde scholengroep en die niet tot een scholengemeenschap behoren.
  • Als een instelling in de loop van een zesjarige samenwerkingsperiode of na de beëindiging van de samenwerkingsperiode uit een bestaande scholengemeenschap treedt en niet opnieuw tot een andere scholengemeenschap toetreedt, worden de prestaties die een personeelslid al heeft gepresteerd in een ambt in die instelling die uit de scholengemeenschap treedt, beschouwd als gepresteerd in dat ambt in een instelling die niet tot de scholengemeenschap behoort.
  • Op deze wijze kan een personeelslid diensten die hij voorheen presteerde in een instelling in een scholengemeenschap, ook in aanmerking nemen als gepresteerd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap. Deze bepaling is voor de instellingen van het basisonderwijs van toepassing vanaf het schooljaar 2006-2007.

2.4.1.2. Gesubsidieerd onderwijs

Bij de berekening van de dienstanciënniteit moet een onderscheid worden gemaakt tussen de diensten die vóór 1 september 2005 werden gepresteerd en de diensten die vanaf 1 september 2005 werden gepresteerd. Tevens moet er een onderscheid worden gemaakt tussen scholen die tot een scholengemeenschap behoren en scholen die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Diensten gepresteerd vóór 1 september 2005

  • Voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren

De prestaties die het personeelslid geleverd heeft in instellingen die vanaf 1 september 2005 behoren tot dezelfde scholengemeenschap maar ook alle diensten gepresteerd in de instellingen die behoren tot hetzelfde schoolbestuur.

  • Voor instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren

De prestaties die het personeelslid geleverd heeft in instellingen die behoren tot hetzelfde schoolbestuur.

Diensten gepresteerd vanaf 1 september 2005

Voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren

  • De prestaties in alle instellingen van de scholengemeenschap en dit ongeacht het net.
  • Als een instelling in de loop van de zesjarige samenwerkingsperiode of bij aanvang van een nieuwe samenwerkingsperiode toetreedt tot een bestaande scholengemeenschap, worden de prestaties die een personeelslid al heeft geleverd in een ambt in de instelling die toetreedt tot een scholengemeenschap, beschouwd als gepresteerd in dat ambt in deze scholengemeenschap.
  • Op deze wijze kan een personeelslid diensten die hij voorheen niet presteerde in de scholengemeenschap, ook in aanmerking laten komen als gepresteerd in de scholengemeenschap. Deze bepaling is voor de instellingen van het basisonderwijs van toepassing vanaf het schooljaar 2006-2007.

Voor instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren

  • De prestaties die een personeelslid heeft geleverd in instellingen van hetzelfde schoolbestuur en die niet tot een scholengemeenschap behoren.
  • Als een instelling in de loop van een zesjarige samenwerkingsperiode of na de beëindiging van de samenwerkingsperiode uit een bestaande scholengemeenschap treedt en niet opnieuw tot een andere scholengemeenschap toetreedt, worden de prestaties die een personeelslid al heeft geleverd in een ambt in de instelling die uit de scholengemeenschap treedt, beschouwd als gepresteerd in dat ambt in een instelling die niet tot de scholengemeenschap behoort.
  • Op deze wijze kan een personeelslid diensten die hij voorheen presteerde in een instelling in een scholengemeenschap, ook in aanmerking nemen als gepresteerd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap. Deze bepaling is voor de instellingen van het basisonderwijs van toepassing vanaf het schooljaar 2006-2007.

2.4.2. Secundair Onderwijs

Ook in het secundair onderwijs moet een onderscheid worden gemaakt tussen prestaties die worden gepresteerd in instellingen die behoren tot een scholengemeenschap en deze die worden gepresteerd in instellingen die niet behoren tot een scholengemeenschap.

2.4.2.1. Gemeenschapsonderwijs

De dienstanciënniteit wordt berekend als volgt:

- Voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren

De prestaties geleverd in instellingen die vanaf 1 september 1999 behoren tot dezelfde scholengemeenschap, ongeacht het net. De diensten die vóór deze datum werden gepresteerd, tellen mee als ze werden gepresteerd in een instelling die vanaf 1 september 1999 tot de scholengemeenschap behoort.

Daarenboven tellen ook de diensten mee die werden gepresteerd in instellingen die vanaf 1 april 1999 tot dezelfde scholengroep behoren. De diensten die werden gepresteerd vóór de datum van de oprichting van de scholengroep (1 april 1999) tellen mee als ze werden gepresteerd in een instelling die vanaf 1 april 1999 tot de scholengroep behoort of als ze werden gepresteerd binnen de lokale raad waaronder deze instelling ressorteerde.

Als een instelling in de loop van de zesjarige samenwerkingsperiode of bij aanvang van een nieuwe samenwerkingsperiode toetreedt tot een bestaande scholengemeenschap worden de prestaties die een personeelslid heeft geleverd in een ambt, vak of specialiteit in de instelling die toetreedt tot een scholengemeenschap, beschouwd als gepresteerd in dat ambt, dat vak of deze specialiteit in deze scholengemeenschap.

Op deze wijze kan een personeelslid diensten die hij voorheen niet presteerde in de scholengemeenschap, ook in aanmerking laten komen als gepresteerd in de scholengemeenschap.

- Voor instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren

De prestaties die vanaf 1 april 1999 worden geleverd in instellingen van dezelfde scholengroep. De diensten gepresteerd vóór 1 april 1999, tellen mee als ze werden gepresteerd in een instelling die vanaf 1 april 1999 tot de scholengroep behoort of als ze werden gepresteerd binnen de lokale raad waaronder deze instelling ressorteerde.

Als een instelling in de loop van een zesjarige samenwerkingsperiode of na de beëindiging van de samenwerkingsperiode uit een bestaande scholengemeenschap treedt en niet opnieuw tot een andere scholengemeenschap toetreedt, worden de prestaties die een personeelslid al heeft gepresteerd in een ambt, vak of specialiteit in die instelling die uit de scholengemeenschap treedt, beschouwd als gepresteerd in dat ambt, dat vak of deze specialiteit in een instelling die niet tot de scholengemeenschap behoort.

Op deze wijze kan een personeelslid diensten die hij voorheen presteerde in een instelling in een scholengemeenschap, ook in aanmerking nemen als gepresteerd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap.

2.4.2.2. Gesubsidieerd onderwijs

De dienstanciënniteit wordt berekend als volgt:

- Voor een instelling die tot een scholengemeenschap behoort

De prestaties die het personeelslid gepresteerd heeft in instellingen die vanaf 1 september 1999 behoren tot dezelfde scholengemeenschap en dit ongeacht het net.

Daarenboven tellen ook de diensten mee die het personeelslid vóór 1 september 1999 heeft gepresteerd in instellingen die vanaf 1 september 1999 tot dezelfde scholengemeenschap behoren, evenals de diensten die werden gepresteerd in andere instellingen van de inrichtende macht bij wie het personeelslid zijn kandidatuur voor TADD stelt.

Als een instelling in de loop van de zesjarige samenwerkingsperiode of bij aanvang van een nieuwe samenwerkingsperiode toetreedt tot een bestaande scholengemeenschap worden de prestaties die een personeelslid al heeft geleverd in een ambt, vak of specialiteit in de instelling die toetreedt tot een scholengemeenschap, beschouwd als gepresteerd in dat ambt, dat vak of deze specialiteit in deze scholengemeenschap.

Op deze wijze kan een personeelslid diensten die hij voorheen niet presteerde in de scholengemeenschap, ook in aanmerking laten komen als gepresteerd in de scholengemeenschap.

- Voor een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort

De prestaties die het personeelslid vanaf 1 september 1999 heeft geleverd in instellingen die behoren tot dezelfde inrichtende macht en die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Daarenboven tellen alle diensten mee die een personeelslid vóór 1 september 1999 heeft gepresteerd in instellingen van de inrichtende macht.

Als een instelling in de loop van een zesjarige samenwerkingsperiode of na de beëindiging van de samenwerkingsperiode uit een bestaande scholengemeenschap treedt en niet opnieuw tot een andere scholengemeenschap toetreedt, worden de prestaties die een personeelslid al heeft gepresteerd in een ambt, vak of specialiteit in een instelling die uit de scholengemeenschap treedt, beschouwd als gepresteerd in dat ambt, dat vak of deze specialiteit in een instelling die niet tot de scholengemeenschap behoort.

Op deze wijze kan een personeelslid diensten die hij voorheen presteerde in een instelling in een scholengemeenschap, ook in aanmerking nemen als gepresteerd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap.

2.4.3. Deeltijds kunstonderwijs

2.4.3.1. Gemeenschapsonderwijs

De dienstanciënniteit wordt berekend op basis van de prestaties geleverd in de instellingen die behoren tot dezelfde scholengroep. De diensten die werden gepresteerd vóór de datum van de oprichting van de scholengroep, tellen mee als ze werden gepresteerd in de instelling die vanaf 1 april 1999 tot de scholengroep behoort of als ze werden gepresteerd binnen de lokale raad waaronder deze instelling ressorteerde.

2.4.3.2. Gesubsidieerd onderwijs

De diensten die werden gepresteerd in de instellingen van dezelfde inrichtende macht komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

2.4.4. Volwassenenonderwijs

2.4.4.1. Gemeenschapsonderwijs

De dienstanciënniteit wordt berekend op basis van de prestaties geleverd in centra voor volwassenenonderwijs die behoren tot dezelfde scholengroep. De diensten die werden gepresteerd vóór de datum van de oprichting van de scholengroep (1 april 1999), tellen mee als ze werden gepresteerd in een centrum voor volwassenenonderwijs dat vanaf 1 april 1999 tot de scholengroep behoort of als ze werden gepresteerd binnen de lokale raad waaronder deze instelling ressorteerde.

De diensten gepresteerd in een centrum voor volwassenenonderwijs dat na 1 april 1999 door de scholengroep is overgenomen, tellen eveneens mee.

2.4.4.2. Gesubsidieerd onderwijs

De diensten die werden gepresteerd in de centra voor volwassenenonderwijs van hetzelfde bestuur komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

2.4.5. CLB's

2.4.5.1. Gemeenschapsonderwijs

De dienstanciënniteit wordt berekend op basis van de prestaties geleverd in de CLB's die behoren tot dezelfde scholengroep. De diensten die werden gepresteerd in een CLB vóór de datum van de oprichting van de scholengroep, tellen mee als ze werden gepresteerd in het CLB dat vanaf 1 september 2000 tot de scholengroep behoort. De diensten die werden gepresteerd in een PMS-centrum vóór de datum van de oprichting van de scholengroep, tellen mee als ze werden gepresteerd in de PMS-centra die vanaf 1 april 1999 tot de scholengroep behoren.

2.4.5.2. Gesubsidieerd onderwijs

De diensten die werden gepresteerd in de CLB's van dezelfde inrichtende macht komen in aanmerking voor de berekening van de

dienstanciënniteit voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

De dienstanciënniteit van de tijdelijke personeelsleden die namens de officieel gesubsidieerde centra of de vrij gesubsidieerde centra deel uitmaakten van de stuurgroep bedoeld in de artikelen 199 tot en met 204 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, wordt geacht te zijn verworven en effectief gepresteerd in alle CLB's van de inrichtende macht waar het personeelslid werd toegewezen vanaf 1 september 2000.

2.5. Waarvoor geldt het recht op een TADD?

Het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt t.a.v. elk ambt, en voor het ambt van leraar t.a.v. elke specialiteit of vak waarin het recht op een TADD is verworven (zie 4.3.) en dit voor volgende betrekkingen:

  • Voor elke vacante betrekking;

  • Voor elke niet-vacante betrekking;

  • Voor elke vacante of niet vacante betrekking die in de loop van het schooljaar ontstaat.

2.6. In welke scholen, instellingen of centra geldt het recht op aanstelling van doorlopende duur?

2.6.1. Basisonderwijs

2.6.1.1. Gemeenschapsonderwijs

Het recht op TADD geldt binnen de scholengroep waar het personeelslid zijn anciënniteit heeft verworven en kan in een bepaalde volgorde worden ingeroepen. Dit verschilt naargelang de school waar het personeelslid zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, al of niet behoort tot een scholengemeenschap.

De school behoort tot een scholengemeenschap

Het personeelslid kan zijn recht op TADD laten gelden in deze volgorde:

  • in de scholen van dezelfde scholengemeenschap.

Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, geldt dit zelfs in de scholen van het andere net;

  • in de scholen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep.

Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, is dit beperkt tot de scholen van deze scholengemeenschap die behoren tot het gemeenschapsonderwijs;

  • in de scholen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.

De school behoort niet tot een scholengemeenschap

Het personeelslid kan zijn recht op TADD laten gelden in onderstaande volgorde:

  • in de scholen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;

  • in de scholen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.

2.6.1.2. Gesubsidieerd onderwijs

Ook hier geldt een andere regeling naargelang de school al of niet behoort tot een scholengemeenschap.

  • De school behoort tot een scholengemeenschap

Het personeelslid heeft diensten gepresteerd in één of meer scholen die tot de scholengemeenschap behoren

Als het personeelslid het recht op TADD heeft verworven in één of meer scholen die tot de scholengemeenschap behoren, dan geldt dit recht in alle scholen van de scholengemeenschap, ongeacht het schoolbestuur waartoe de school behoort

Voorbeeld 1

Een personeelslid presteert als onderwijzer m.i.v. 01.09.2000 in scholen van een schoolbestuur.De scholen van dit schoolbestuur behoren vanaf 1.9.2005 tot een scholengemeenschap waarin scholen van een ander schoolbestuur zijn opgenomen.

Hierna een overzicht van het aantal effectief gepresteerde diensten in het ambt van onderwijzer.

 

Schoolbestuur X 

Schoolbestuur Y 

School A 

School B 

School C 

School D 

00-01 

1/9-24/12= 115 d 

 

 

 

01-02 

 

 

 

 

03-04 

 

1/9-30/6=303 d 

 

 

04-05 

 

1/9-30/6=303 d 

 

 

 

Scholengemeenschap 

Berekeningsdatum: 1.9.2005

Het personeelslid heeft recht op TADD in schoolbestuur X.

Totaal: 303 + 303 + 115 = 721 dagen

Dit houdt in dat dit personeelslid recht op TADD heeft als onderwijzer voor alle scholen van de scholengemeenschap ongeacht het schoolbestuur. Hij heeft dus ook recht op TADD in de scholen C en D, want de diensten zijn gepresteerd in scholen die tot de scholengemeenschap behoren.

Voorbeeld 2

Een personeelslid presteert als kleuteronderwijzer m.i.v. 01.09.2000 in een school A en school B van schoolbestuur X . School A behoort vanaf 01.09.2005 niet tot een scholengemeenschap.

Scholen B, C en D behoren vanaf 1.9.2005 tot dezelfde scholengemeenschap.

Hierna een overzicht van het aantal effectief gepresteerde diensten in het ambt van kleuteronderwijzer.

 

Schoolbestuur X 

Schoolbestuur Y 

School A 

School B 

School C 

School D 

00-01 

1/9-24/12= 115 d 

 

 

 

01-02 

 

 

 

 

03-04 

 

1/9-30/6=303 d 

 

 

04-05 

1/9-30/6=303 d 

 

 

 

 

 

Scholengemeenschap 

Berekeningsdatum: 1.9.2005

Het personeelslid heeft recht op TADD in schoolbestuur X

Totaal aantal dagen: 115 + 303 + 303 = 721 d

Het personeelslid heeft bijgevolg recht op TADD als kleuteronderwijzer bij schoolbestuur X, dus in school A en eveneens in school B die tot hetzelfde schoolbestuur behoort. School B behoort tot de scholengemeenschap. Bijgevolg heeft het personeelslid recht op TADD in de scholengemeenschap, dus ook in school C en D.

Het personeelslid heeft geen diensten gepresteerd in scholen van de scholengemeenschap

Als het personeelslid geen diensten heeft gepresteerd in scholen van de scholengemeenschap, dan kan het geen recht op TADD doen gelden.

Uitzondering:

Indien een personeelslid voor 1 september 2005 voldoende diensten heeft gepresteerd in een school van een schoolbestuur waarvan andere scholen tot een scholengemeenschap behoren, dan kan het personeelslid zijn recht op TADD toch laten gelden in die scholengemeenschap. In dat geval is het recht beperkt tot die scholen van de scholengemeenschap die afhangen van hetzelfde schoolbestuur als dit waar het personeelslid het recht op tijdelijke aanstelling met doorlopende duur heeft verworven.

Voorbeeld 3

Een personeelslid presteert m.i.v. 01.09.2000 in een school A van schoolbestuur X . School A behoort niet tot een scholengemeenschap.

Scholen B, C en D behoren tot dezelfde scholengemeenschap.

 

Schoolbestuur X 

Schoolbestuur Y 

School A 

School B 

School C 

School D 

00-01 

1/9-24/12= 115 d 

 

 

 

01-02 

 

 

 

 

03-04 

1/9-30/6=303 d 

 

 

 

04-05 

1/9-30/6=303 d 

 

 

 

 

 

Scholengemeenschap 

Berekeningsdatum: 1.9.2005

Het personeelslid heeft recht op TADD in schoolbestuur X

Totaal aantal dagen: 115 + 303 + 303 = 721 d

Het personeelslid heeft bijgevolg recht op TADD in school A en eveneens in school B die tot hetzelfde schoolbestuur behoort. School B behoort eveneens tot de scholengemeenschap. Het personeelslid heeft recht op TADD in school B van de scholengemeenschap. Het personeelslid heeft echter geen recht op TADD in de scholen C en D omdat het nog geen diensten heeft gepresteerd in de scholengemeenschap.

Zodra het personeelslid een effectieve aanstelling krijgt in een school van deze scholengemeenschap ( B, C of D), breidt het recht zich uit tot alle scholen van deze scholengemeenschap.

Zodra het personeelslid effectief een aanstelling krijgt in een school die tot de scholengemeenschap behoort, geldt het recht op TADD in alle scholen van die scholengemeenschap, ongeacht het schoolbestuur waartoe deze scholen behoren.

De school behoort niet tot een scholengemeenschap

Als het personeelslid het recht op TADD heeft verworven in één of meer scholen die niet behoren tot een scholengemeenschap, dan geldt dit recht in alle scholen van het schoolbestuur, weliswaar beperkt tot de scholen van dit schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Dit is echter niet van toepassing op de volgende uitzonderingssituatie: indien een personeelslid vóór 1 september 2005 voldoende diensten heeft gepresteerd in een school van een schoolbestuur waarvan andere scholen tot een scholengemeenschap behoren, dan kan het personeelslid zijn recht op TADD toch laten gelden in die scholengemeenschap. In dat geval is het recht beperkt tot die scholen van de scholengemeenschap die afhangen van hetzelfde schoolbestuur als dit waar het personeelslid het recht op tijdelijke aanstelling met doorlopende duur heeft verworven

2.6.1.3. Recht op TADD en TADD-aanstellingbij wijziging van scholengemeenschap

Het personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven en dat in een school tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur, behoudt ook bij wijziging van scholengemeenschap onder bepaalde omstandigheden zijn recht op TADD en de TADD-aanstelling.

2.6.1.3.1. De school treedt toe tot een scholengemeenschap

Als een school toetreedt tot een scholengemeenschap - voor de eerste keer of door wijziging van scholengemeenschap -behoudt het personeelslid, dat in die school in de loop van het schooljaar dat voorafgaat aan de toetreding tot de scholengemeenschap tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur, alle rechten die aan deze TADD verbonden zijn.

Dit betekent dat het personeelslid in eerste instantie zijn TADD behoudt in de school die tot de scholengemeenschap toetreedt, voor zover de school die betrekking bij de aanvang van het schooljaar opnieuw kan aanbieden aan dat personeelslid. Daarnaast verkrijgt het personeelslid bij de toetreding van de school tot de scholengemeenschap het recht op TADD in alle scholen van de scholengemeenschap, zoals vermeld in punt 2.6.1.1 en 2.6.1.2.

Het personeelslid dat vast benoemd is en geaffecteerd is in de school die toetreedt tot een scholengemeenschap, behoudt alle rechten en plichten die aan die vaste benoeming verbonden zijn en dit t.a.v. de volledige scholengemeenschap. Dit houdt o.m. in dat het personeelslid het recht op TADD verkrijgt in alle scholen van de scholengemeenschap waartoe de school is toegetreden, zoals vermeld in punt 2.6.1.1 en 2.6.1.2, net als het recht op een uitbreiding van zijn vaste benoeming.

Opmerking : Het personeelslid behoudt bij een toetreding van een school tot een scholengemeenschap ook de rechten die hij in zijn vroegere situatie heeft opgebouwd. Dit betekent dat als een school voor de eerste keer toetreedt tot een scholengemeenschap het personeelslid eveneens zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur behoudt in alle scholen van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of van het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap.

Als een school toetreedt tot een andere scholengemeenschap behoudt het personeelslid eveneens zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in alle scholen van de oorspronkelijke scholengemeenschap.

2.6.1.3.2. De school treedt uit een scholengemeenschap

Als een school uit een scholengemeenschap treedt, behoudt het personeelslid, dat in die school in de loop van het schooljaar dat voorafgaat aan de uittreding uit de scholengemeenschap tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur, alle rechten die aan deze TADD verbonden zijn.

Dit betekent dat het personeelslid in eerste instantie zijn TADD behoudt in de school die uit de scholengemeenschap treedt, voor zover de school die betrekking bij de aanvang van het schooljaar opnieuw kan aanbieden aan dat personeelslid. Daarnaast verkrijgt het personeelslid het recht op TADD in alle scholen van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of van het schoolbestuur (gesubsidieerd) die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap, zoals vermeld in punt 2.6.1.1 en 2.6.1.2.

Het personeelslid dat vast benoemd is en geaffecteerd is in de school die uit een scholengemeenschap treedt, behoudt alle rechten en plichten die aan die vaste benoeming verbonden zijn en dit t.a.v. alle scholen van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of van het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap. Dit houdt o.m. in dat het personeelslid het recht op TADD verkrijgt in alle scholen van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of van het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap, zoals vermeld in punt 2.6.1.1 en 2.6.1.2, net als het recht op een uitbreiding van zijn vaste benoeming.

Opmerking : Het personeelslid behoudt bij de uittreding van een school uit een scholengemeenschap ook de rechten die hij in zijn vroegere situatie heeft opgebouwd. Dit betekent dat het personeelslid eveneens zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur behoudt in alle scholen van de scholengemeenschap waar de school is uitgetreden.

2.6.2. Secundair onderwijs

2.6.2.1. Gemeenschapsonderwijs

Het recht op TADD geldt binnen de scholengroep waar het personeelslid zijn anciënniteit heeft verworven en kan in een bepaalde volgorde worden ingeroepen. Dit hangt af van het feit of de instelling waar het personeelslid zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, al of niet behoort tot een scholengemeenschap.

De instelling behoort tot een scholengemeenschap

Het personeelslid kan zijn recht op TADD laten gelden in volgende volgorde:

  • in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap.

Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, geldt dit zelfs in de instellingen van het andere net;

  • in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep.

Als het gaat om een netoverschrijdende scholengemeenschap, is dit beperkt tot de instellingen van deze scholengemeenschap die behoren tot het gemeenschapsonderwijs;

  • in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.

De instelling behoort niet tot een scholengemeenschap

Het personeelslid kan zijn recht op TADD laten gelden in volgende volgorde:

  • in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;

  • in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.

2.6.2.2. Gesubsidieerd onderwijs

Ook hier moet het onderscheid worden gemaakt tussen instellingen die behoren tot een scholengemeenschap en instellingen die niet behoren tot een scholengemeenschap.

De instelling behoort tot een scholengemeenschap

Als het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in één of meer instellingen die behoren tot een scholengemeenschap, dan geldt dit recht voor de betrekkingen in alle instellingen van de scholengemeenschap en dit ongeacht de inrichtende macht waartoe de school behoort.

Als het personeelslid echter geen diensten heeft gepresteerd in een instelling van de scholengemeenschap, kan het geen recht op TADD in de scholengemeenschap laten gelden. Het recht op TADD van het personeelslid is in dat geval beperkt tot de instellingen van de inrichtende macht bij wie het personeelslid daadwerkelijk diensten heeft gepresteerd.

De instelling behoort niet tot een scholengemeenschap

Als het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in één of meer instellingen die niet behoren tot een scholengemeenschap, dan geldt dit recht in alle instellingen van de inrichtende macht, weliswaar beperkt tot de instellingen van deze inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren.

2.6.2.3. Recht op TADD en TADD-aanstelling bij wijziging van scholengemeenschap

Het personeelslid dat het recht op TADD heeft verworven en dat in een instelling tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur, behoudt ook bij wijziging van scholengemeenschap onder bepaalde omstandigheden zijn recht op TADD en de TADD-aanstelling.

2.6.2.3.1. De instelling treedt toe tot een scholengemeenschap

Als een instelling toetreedt tot een scholengemeenschap - voor de eerste keer of door wijziging van scholengemeenschap -behoudt het personeelslid, dat in die instelling in de loop van het schooljaar dat voorafgaat aan de toetreding tot de scholengemeenschap tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur, alle rechten die aan deze TADD verbonden zijn.

Dit betekent dat het personeelslid in eerste instantie zijn TADD behoudt in de instelling die tot de scholengemeenschap toetreedt, voor zover de instelling die betrekking bij de aanvang van het schooljaar opnieuw kan aanbieden aan dat personeelslid. Daarnaast verkrijgt het personeelslid bij de toetreding van de instelling tot de scholengemeenschap het recht op TADD in alle instellingen van de scholengemeenschap, zoals vermeld in punt 2.6.2.1 en 2.6.2.2.

Het personeelslid dat vast benoemd is en geaffecteerd is in de instelling die toetreedt tot een scholengemeenschap, behoudt alle rechten en plichten die aan die vaste benoeming verbonden zijn en dit t.a.v. de volledige scholengemeenschap. Dit houdt o.m. in dat het personeelslid het recht op TADD verkrijgt in alle instellingen van de scholengemeenschap waartoe de instelling is toegetreden, zoals vermeld in punt 2.6.2.1 en 2.6.2.2, net als het recht op een uitbreiding van zijn vaste benoeming.

Opmerking : Het personeelslid behoudt bij een toetreding van een school tot een scholengemeenschap ook de rechten die hij in zijn vroegere situatie heeft opgebouwd. Dit betekent dat als een school voor de eerste keer toetreedt tot een scholengemeenschap het personeelslid eveneens zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur behoudt in alle scholen van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of van het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap.

Als een school toetreedt tot een andere scholengemeenschap behoudt het personeelslid eveneens zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in alle scholen van de oorspronkelijke scholengemeenschap.

2.6.2.3.2. De instelling treedt uit een scholengemeenschap

Als een instelling uit een scholengemeenschap treedt, behoudt het personeelslid, dat in die instelling in de loop van het schooljaar dat voorafgaat aan de uittreding uit de scholengemeenschap tijdelijk is aangesteld voor doorlopende duur, alle rechten die aan deze TADD verbonden zijn.

Dit betekent dat het personeelslid in eerste instantie zijn TADD behoudt in de instelling die uit de scholengemeenschap treedt, voor zover de instelling die betrekking bij de aanvang van het schooljaar opnieuw kan aanbieden aan dat personeelslid. Daarnaast verkrijgt het personeelslid het recht op TADD in alle instellingen van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of van de inrichtende macht(gesubsidieerd) die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap, zoals vermeld in punt 2.6.2.1 en 2.6.2.2.

Het personeelslid dat vast benoemd is en geaffecteerd is in de instelling die uit een scholengemeenschap treedt, behoudt alle rechten en plichten die aan die vaste benoeming verbonden zijn en dit t.a.v. alle instellingen van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of van het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap. Dit houdt o.m. in dat het personeelslid het recht op TADD verkrijgt in alle instellingen van de scholengroep(gemeenschapsonderwijs) of van het schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) die geen deel uitmaken van een scholengemeenschap, zoals vermeld in punt 2.6.2.1 en 2.6.2.2, net als het recht op een uitbreiding van zijn vaste benoeming.

Opmerking : Het personeelslid behoudt bij de uittreding van een school uit een scholengemeenschap ook de rechten die hij in zijn vroegere situatie heeft opgebouwd. Dit betekent dat het personeelslid eveneens zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur behoudt in alle scholen van de scholengemeenschap waar de school is uitgetreden.

2.6.3. Deeltijds kunstonderwijs

2.6.3.1. Gemeenschapsonderwijs

Als het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in één of meer scholen die behoren tot een scholengroep, dan geldt dit recht voor de betrekkingen in alle scholen van deze scholengroep.

2.6.3.2. Gesubsidieerd onderwijs

Als het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in één of meer scholen die behoren tot een inrichtende macht, dan geldt dit recht voor de betrekkingen in alle scholen van deze inrichtende macht.

2.6.4. Volwassenenonderwijs

2.6.4.1. Gemeenschapsonderwijs

Als het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in één of meer centra voor volwassenenonderwijs die behoren tot een scholengroep, dan geldt dit recht voor de betrekkingen in alle centra voor volwassenenonderwijs van deze scholengroep.

2.6.4.2. Gesubsidieerd onderwijs

Als het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in één of meer centra voor volwassenenonderwijs die behoren tot hetzelfde bestuur, dan geldt dit recht voor de betrekkingen in alle centra voor volwassenenonderwijs van dit bestuur.

2.6.5. CLB's

2.6.5.1. Gemeenschapsonderwijs

Als het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in één of meer CLB's die behoren tot een scholengroep, dan geldt dit recht voor de betrekkingen in alle CLB's van deze scholengroep.

2.6.5.2. Gesubsidieerd onderwijs

Als het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft verworven in één of meer CLB's die behoren tot een inrichtende macht, dan geldt dit recht voor de betrekkingen in alle CLB's van deze inrichtende macht.

2.7. Ingangsdatum van het recht en kandidaatstelling

Als het personeelslid vanaf 1 september het recht op TADD laat gelden, moet worden nagegaan of het personeelslid op 30 juni van het voorafgaande schooljaar aan de voorwaarde betreffende dienstanciënniteit voldoet (zie punt 2.2)en uiterlijk op 1 september van hetschooljaar waarin hij het recht wil laten gelden beschikt over een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt.

Om beroep te doen op zijn recht op TADD moet het personeelslid vóór 15 juni van het voorafgaande schooljaar kandideren via een aangetekende brief. Het personeelslid kan dan met ingang van 1 september het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden.

Een personeelslid van het gemeenschapsonderwijs kandideert bij de raad van bestuur van de scholengroep waar hij zijn recht op TADD wil laten gelden.

Een personeelslid van het gesubsidieerd onderwijs kandideert bij het schoolbestuur of de inrichtende macht waar hij zijn recht op TADD wil laten gelden.

Als de school tot een scholengemeenschap behoort, geldt de kandidatuur voor alle scholen van deze scholengemeenschap.

Deze kandidaatstelling geldt niet als een permanente kandidaatstelling en moet jaarlijks herhaald worden.

Als het personeelslid evenwel een eerste keer effectief is aangesteld voor doorlopende duur, dan geldt dit als een doorlopende kandidaatstelling over de schooljaren heen bij de scholengroep, het schoolbestuur of de inrichtende macht voor het ambt waarin hij effectief werd aangesteld.

Het personeelslid met een recht op TADD dat de betrekking niet effectief kan opnemen omwille van ziekte, arbeidsongeval of moederschapsrust, behoudt dit recht. Het personeelslid kan worden aangesteld en voor de duur van de afwezigheid volgens de geldende regels vervangen worden. Na de afwezigheid neemt het personeelslid de hem toegewezen betrekking effectief op.

Kandidaatstelling bij wijziging van de samenstelling van een scholengemeenschap

Bij het begin van het schooljaar kunnen zich wijzigingen in de samenstelling van een scholengemeenschap voordoen. Dit betekent niet dat het personeelslid dat bij de wijziging is betrokken, een nieuwe kandidaatstelling moet doen.

De volgende regeling is van toepassing:

  • een school of instelling van een scholengemeenschap stapt over naar een andere scholengemeenschap

Als een personeelslid van een school of instelling die van een scholengemeenschap overstapt naar een andere scholengemeenschap zich reeds kandidaat heeft gesteld bij de raad van bestuur van de scholengroep of een van de schoolbesturen of inrichtende machten van de scholengemeenschap waar de school of instelling weggaat, dan geldt dit ook als kandidaatstelling voor de scholengemeenschap waar de school of instelling toetreedt;

  • een school of instelling treedt toe tot een scholengemeenschap

Als een personeelslid van een school of instelling die toetreedt tot een scholengemeenschap zich reeds kandidaat heeft gesteld bij de raad van bestuur van de scholengroep, een schoolbestuur of inrichtende macht van de school of instelling die toetreedt tot een scholengemeenschap, dan geldt dit ook als kandidaatstelling voor deze scholengemeenschap;

  • een school stapt uit een scholengemeenschap en treedt niet opnieuw toe tot een scholengemeenschap

Als een personeelslid van een school of instelling die uit een scholengemeenschap stapt zich reeds kandidaat heeft gesteld bij de raad van bestuur van de scholengroep of een van de schoolbesturen of inrichtende machten van de scholengemeenschap, geldt dit ook als kandidaatstelling bij de betrokken raad van bestuur, bij het betrokken schoolbestuur of bij de betrokken inrichtende macht voor een aanstelling in een school of instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort.

Kandidaatstelling in het DKO van een studiemeester-opvoeder voor een betrekking in uren - opsteller.

Zoals hierboven in 2.3.1 vermeld, worden in het DKO vanaf 1 september 2007 diensten, gepresteerd als studiemeester-opvoeder in het DKO, ook beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van opsteller in het DKO. Een titularis van een onvolledige betrekking kan zo, op basis van zijn dienstanciënniteit opgebouwd als studiemeester-opvoeder in het DKO, aanspraak maken op een uitbreiding van zijn opdracht in uren - opsteller in het DKO. Een studiemeester-opvoeder in het DKO die zijn TADD - recht wil laten gelden voor een betrekking in uren - opsteller in het DKO en nog niet eerder in dat ambt tijdelijk aangesteld werd voor doorlopende duur, moet conform de bovenstaande bepalingen vóór 15 juni van het voorafgaande schooljaar kandideren met een ter post aangetekende brief.

2.8. Verlies van het recht

Bepaalde omstandigheden in de loop van de carrière in het onderwijs kunnen ertoe leiden dat een personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur verliest.

Dit verlies kan tijdelijk zijn, maar kan ook definitief zijn.

Het kan er ook toe leiden dat het personeelslid opnieuw de vereiste dienstanciënniteit moet verwerven (punten 1 en 2). Soms zal dit betekenen dat het personeelslid het recht voor de duur van een schooljaar verliest (punt 3) of tijdelijk het recht op een uitbreiding van zijn TADD verliest (punt 4).

Het personeelslid dat een recht op TADD heeft verworven:

1. verliest zijn recht op TADD als het vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de scholen of instellingen van het schoolbestuur, de inrichtende macht, de scholengemeenschap of de scholengroep.

a) Als de school behoort tot een scholengemeenschap, betekent dit dat het personeelslid zijn recht op TADD verliest als het gedurende vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de scholen van de scholengemeenschap. Deze termijn vangt voor het basisonderwijs aan op 1 september 2005. Voor het secundair onderwijs en het volwassenenonderwijs vangt deze termijn aan op 1 september 1999.

b) Als de school niet tot een scholengemeenschap behoort verliest het personeelslid zijn recht:

- Als het vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de scholen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.

- Als het vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de scholen of instellingen van het schoolbestuur of de inrichtende macht waar het recht werd verworven.

2. verliest zijn recht op TADD als het wordt ontslagen (zie punt 2.9)

3. verliest zijn recht op TADD voor de duur van het schooljaar als het zich niet tijdig kandidaat heeft gesteld.

4. verliest het recht op een uitbreiding van TADD als het een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” heeft gekregen voor het ambt waarvoor hij TADD is. Het personeelslid verliest tijdelijk het recht op een uitbreiding van zijn TADD in de instelling én voor het ambt waarvoor hij deze definitieve evaluatie heeft gekregen.

Meer informatie over evaluatie kan u terugvinden in de omzendbriefPERS/2007/09van 29-10-2007 - Functiebeschrijving en evaluatie.

2.9. Ontslag

Een personeelslid verliest zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als het ontslagen wordt.

Onder ontslag wordt hierbij verstaan:

  • ontslag met een opzeggingstermijn van 30 dagen;
  • ontslag om dringende reden;
  • ontslag als gevolg van een tuchtmaatregel
  • ontslag na een of meerdere definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende”.

2.9.1. Gevolgen van een ontslag

2.9.1.1. Ontslag met vooropzeg van 30 dagen

Een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en door de inrichtende macht met een vooropzeg van 30 dagen wordt ontslagen uit zijn ambt, kan voor dat ambt geen beroep meer doen op de diensten die hij in de instelling waar hij werd ontslagen, heeft verworven vóór dat ontslag.

De dienstanciënniteit die het personeelslid in de instelling en het ambt heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt dus niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Het personeelslid kan daarenboven in de instelling waar het werd ontslagen het recht op TADD ook niet inroepen via diensten die hij in andere instellingen van de inrichtende macht of van de scholengemeenschap heeft gepresteerd.

Aandacht
Als het personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in de instelling waar hij eerder werd ontslagen met een vooropzeg van 30 dagen in het desbetreffende ambt, kan hij voor dat ambt opnieuw een beroep doen op alle eerder gepresteerde diensten
Het ontslag wordt dan als niet bestaande beschouwd.

2.9.1.2. Ontslag wegens dringende redenen

Een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en door de inrichtende macht wegens dringende redenen wordt ontslagen uit zijn ambt, kan voor dat ambt geen beroep meer doen op de diensten die hij heeft verworven vóór dat ontslag.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft verworven tot op het ogenblik van het ontslag, komt dus niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van de scholengemeenschap niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Aandacht
Als het personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in de instelling waar het eerder werd ontslagen omwille van dringende redenen, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen om het recht op TADD te verkrijgen.

2.9.1.3. Ontslag als gevolg van een tuchtmaatregel

Een vastbenoemd personeelslid of een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur en door de inrichtende macht als gevolg van een tuchtmaatregel wordt ontslagen uit zijn ambt, kan voor dat ambt geen beroep meer doen op de diensten die hij vóór dat ontslag heeft verworven.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt dus niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die niet behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Als het ontslag gegeven werd in een instelling die behoort tot een scholengemeenschap, komt de dienstanciënniteit die het personeelslid in het ambt in kwestie heeft verworven in alle instellingen van de scholengemeenschap niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Aandacht
Als het personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in de instelling waar het eerder werd ontslagen omwille van een tuchtmaatregel, moet het personeelslid opnieuw alle vereiste dienstanciënniteit opbouwen om het recht op TADD te verkrijgen.

2.9.1.4. Ontslag na een of meerdere definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende”

Vanaf 1 september 2007 geldt in het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding een nieuw evaluatiesysteem.

Een of meerdere evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” kunnen leiden tot het ontslag van een personeelslid en dit ontslag zal ook gevolgen hebben voor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

Meer informatie over het nieuwe evaluatiesysteem kan u terugvinden in de omzendbrief PERS/2007/09 van 29-10-2007 -Functiebeschrijving en evaluatie.

2.9.1.4.1. Ontslag na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende”

Een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur en door de inrichtende macht na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” wordt ontslagen uit zijn ambt, kan voor dat ambt geen beroep meer doen op de diensten die hij in de instelling, waar hij werd ontslagen, heeft verworven vóór dat ontslag.

De dienstanciënniteit die het personeelslid heeft vergaard tot op het ogenblik van het ontslag, komt dus niet meer in aanmerking voor het recht op TADD.

Het personeelslid kan in de instelling waar het werd ontslagen het recht op TADD ook niet inroepen via diensten die hij in andere instellingen van de inrichtende macht of van de scholengemeenschap heeft gepresteerd.

Aandacht
Als het personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in de instelling waar het eerder werd ontslagen na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” in het desbetreffende ambt, kan hij voor dat ambt opnieuw een beroep doen op alle eerder gepresteerde diensten
Het ontslag wordt dan als niet bestaande beschouwd.

2.9.1.4.2. Ontslag na twee of drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende”

Een personeelslid dat vastbenoemd is of dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur en ontslagen wordt na twee of drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende”, verliest het recht op TADD in de instelling en voor het ambt waar het ontslag op slaat.

Het personeelslid kan daarenboven voor het recht op TADD in dat ambt ook geen beroep meer doen op de diensten die hij vóór dat ontslag heeft verworven in de instelling.

Het personeelslid kan in de instelling waar het werd ontslagen het recht op TADD ook niet inroepen via diensten die hij in andere instellingen van de inrichtende macht of van de scholengemeenschap heeft gepresteerd.

Aandacht

1. Het ontslag heeft enkel gevolgen t.a.v. het ambt en de instelling waar het personeelslid wordt ontslagen. Het ontslag heeft dus geen invloed op een aanstelling van doorlopende duur of vaste benoeming in andere instellingen van de inrichtende macht of scholengemeenschap.

2.Als het personeelslid na zijn ontslag opnieuw wordt aangesteld in de instelling waar het eerder werd ontslagen na een definitieve evaluatie met eindconclusie “onvoldoende” in het desbetreffende ambt, kan hij voor dat ambt opnieuw een beroep doen op alle eerder gepresteerde diensten.
Het ontslag wordt dan als niet bestaande beschouwd.

3. TADD -Administratieve en geldelijke bepalingen

3.1. Een nieuwe voorrangsregeling voor tijdelijke aanstellingen

3.1.1. Voorrang voor vacante betrekkingen

Bij de toewijzing van de betrekkingen is een inrichtende macht/schoolbestuur (gesubsidieerd onderwijs) of de directeur (gemeenschapsonderwijs) verplicht om bij voorrang de definitief vacante betrekkingen toe te wijzen aan de personeelsleden die het recht op een TADD tijdig hebben laten gelden.

Dit betekent voor het personeelslid dat:

  • het aangesteld is over de schooljaren heen;
  • het niet opnieuw moet aangesteld worden bij het begin van het volgend schooljaar.

Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de inrichtende macht of de directeur inzage van de administratieve documenten van het personeelslid van wie het de aanstelling betwist.

Het personeelslid dat zijn recht op TADD heeft laten gelden, moet de betrekking in haar geheel aanvaarden zoals ze wordt aangeboden. Deze bepaling is niet van toepassing als:

3.1.2. Volgorde in de voorrang

In de groep van personeelsleden die recht heeft op een TADD, blijft nog een volgorde in de voorrangsregeling bestaan.

Personeelsleden die vastbenoemd zijn en die een betrekking met onvolledige prestaties uitoefenen in één of meer instellingen van dezelfde inrichtende macht, van hetzelfde schoolbestuur of van dezelfde scholengroep, komen prioritair in aanmerking voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur t.o.v. personeelsleden die nog geen vaste benoeming hebben.

Voor de scholen die behoren tot dezelfde scholengemeenschap, geldt deze voorrangsregeling voor de vastbenoemde personeelsleden van dezelfde scholengemeenschap.

Dit betekent dat bij de toewijzing van de vacatures onderstaande volgorde moet worden gerespecteerd:

  • Groep 1

Vastbenoemde personeelsleden die een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt uitoefenen en die het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben laten gelden.

  • Groep 2

Tijdelijke personeelsleden die het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur hebben laten gelden.

  • Groep 3

Personeelsleden die het recht op een TADD nog niet hebben verworven of nieuwe personeelsleden.

3.2. Afwezigheid bij aanstelling

Het personeelslid met recht op TADD dat omwille van ziekte, een arbeidsongeval of moederschapsrust zijn betrekking niet kan opnemen, behoudt zijn recht op aanstelling in deze betrekking. Het schoolbestuur/inrichtende macht (gesubsidieerd onderwijs) of de directeur (gemeenschapsonderwijs) moet dit personeelslid aanstellen.

Tijdens de duur van de afwezigheid kan het personeelslid worden vervangen volgens de geldende regels.

Na de afwezigheid treedt het personeelslid effectief in dienst en neemt de hem toegewezen betrekking op.

Voorbeeld

Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur met ingang van 1.09.2005. Op dat ogenblik is betrokkene in bevallingsverlof dat loopt tot en met 24.10.2005.

Het personeelslid moet - als zij de enige kandidaat is - worden aangesteld met ingang van 1.09.2005 en kan voor de duur van het bevallingsverlof worden vervangen.

3.3. Bezoldiging

Een personeelslid dat aangesteld is voor doorlopende duur krijgt, net als het personeelslid dat niet is aangesteld voor doorlopende duur, in de maanden juli en augustus een uitgestelde bezoldiging. Het bedrag ervan wordt berekend op basis van de prestaties die verricht werden tijdens de periode van 1 september tot 30 juni, net zoals voor de personeelsleden die aangesteld zijn voor bepaalde duur.

3.4. Ziekteverlof

Voor personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur geldt dezelfde berekeningswijze als voor de gewone tijdelijke personeelsleden (Besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008 betreffende het ziekteverlof, het verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte en de terbeschikkingstelling wegens ziekte voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding).

Volgens artikel 11 van dit besluit krijgt een tijdelijk personeelslid bezoldigd ziekteverlof als het zijn dienst effectief heeft opgenomen. Het volstaat niet dat een personeelslid tijdelijk werd aangesteld; het moet ook werkelijk in dienst getreden zijn.

Een TADD loopt over de schooljaren heen. Voor tijdelijke personeelsleden met een recht op TADD is er in principe dan ook geen nieuwe aanstelling nodig op 1 september van het daaropvolgend jaar. In dat geval wordt het personeelslid met TADD beschouwd als zijnde effectief in dienst op deze datum. Dit betekent dat een personeelslid met TADD dat ziek wordt op 1 september effectief door het Ministerie van Onderwijs en Vorming wordt bezoldigd, tenzij het krediet aan bezoldigd ziekteverlof is uitgeput. In dat geval staat het ziekenfonds in voor de bezoldiging.

Voorbeeld

Een personeelslid wordt tijdens het schooljaar 2004-2005 aangesteld in een definitief vacante betrekking (ato 2) als tijdelijk aangesteld personeelslid van doorlopende duur. Het personeelslid wordt ziek op 1 september 2005 (volgend schooljaar). Dit ziekteverlof wordt bezoldigd op voorwaarde dat er nog genoeg krediet op bezoldigd ziekteverlof aanwezig is.

Het personeelslid wordt geacht voldaan te hebben aan de voorwaarde zijn dienst effectief te hebben opgenomen.

Indien het TADD-personeelslid op het einde van het vorig schooljaar door de inrichtende macht, schriftelijk en gemotiveerd, uit dienst werd gemeld en het personeelslid komt opnieuw in dienst bij dezelfde inrichtende macht, scholengroep of scholengemeenschap dan gelden ook hier voormelde regels.

Indien het TADD-personeelslid op het einde van het vorig schooljaar door de inrichtende macht, schriftelijk en gemotiveerd, uit dienst werd gemeld en het personeelslid komt niet opnieuw in dienst op 1 september daaropvolgend, dan gelden de regels voor een gewone tijdelijke aanstelling, en valt het personeelslid wanneer het ziek is bij een latere aanstelling in de loop van het schooljaar onmiddellijk ten laste van het ziekenfonds.

Voorbeeld

Een personeelslid was tijdens het schooljaar 2004-2005 aangesteld in een niet-vacante betrekking (ato 1) als TADD. Het personeelslid wordt op 30-6-2004 uit dienst gemeld. Op 1 november 2005 wordt het personeelslid opnieuw aangesteld voor doorlopende duur in een openstaande betrekking (ato 2). Het personeelslid wordt echter onmiddellijk ziek.

Dit ziekteverlof wordt niet bezoldigd.

3.5. Ontslag

De personeelsleden die zijn aangesteld als tijdelijke voor doorlopende duur, vallen voor wat de tuchtregeling betreft, onder dezelfde regels die gelden voor de vastbenoemde personeelsleden.

Het personeelslid kan ontslagen worden als gevolg van:

- een afdanking bij tuchtmaatregel

- twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” of drie definitieve evaluaties met eindconclusie “onvoldoende” die hij in zijn loopbaan binnen de scholengemeenschap, of, voor instellingen die niet behoren tot een scholengemeenschap, binnen de scholengroep of inrichtende macht heeft gekregen voor één bepaald ambt (zie ook punt 2.9).

Een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur kan ook om andere redenen dan ontslag worden beëindigd (bijvoorbeeld door het einde van een interim). In dat geval moet de directeur, het schoolbestuur of de inrichtende macht deze beëindiging steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.

Een tijdelijk personeelslid aangesteld voor doorlopende duur moet een opzeggingstermijn van 15 kalenderdagen in acht nemen wanneer het vrijwillig ontslag wenst te nemen.

Opgelet:
De gebruikelijke ontslagregeling voor tijdelijke personeelsleden (ontslag met een opzeggingstermijn van 30 dagen (gesubsidieerd onderwijs) of 15 dagen (gemeenschapsonderwijs), het ontslag om dringende redenen en het vrijwillige ontslag met een opzeggingstermijn van 7 kalenderdagen is niet van toepassing op personeelsleden die zijn aangesteld als TADD. Deze ontslagregeling blijft wel van toepassing op de gewone tijdelijke personeelsleden.

3.6. Gevolgen voor vaste benoeming

Eén van de voorwaarden voor vaste benoeming is dat het personeelslid uiterlijk op de vooravond van de vaste benoeming tijdelijk aangesteld moet zijn voor doorlopende duur in het ambt waarvoor het zich kandidaat stelt.

Als de vaste benoeming ingaat op 1 juli moet het personeelslid uiterlijk op 30 juni daarvoor voor doorlopende duur aangesteld zijn in het ambt waarvoor hij zich heeft kandidaat gesteld.

Als de vaste benoeming ingaat op 1 oktober moet het personeelslid uiterlijk op 30 september daarvoor voor doorlopende duur aangesteld zijn in het ambt waarvoor hij zich heeft kandidaat gesteld.

Als de instelling waar het personeelslid als TADD is aangesteld behoort tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen of scholen van deze scholengemeenschap.

Als de instelling waar het personeelslid als TADD is aangesteld niet behoort tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen of CLB's van de scholengroep, de inrichtende macht of het schoolbestuur die niet tot een scholengemeenschap behoren.

Voorbeeld 1

Een kleuteronderwijzer die zowel voor het ambt van onderwijzer als voor het ambt van kleuteronderwijzer recht heeft op TADD, kan maar op 1 juli 2015 als onderwijzer benoemd worden als het ook op 30 juni 2015 als TADD aangesteld is in een betrekking van onderwijzer.

Aangesteld zijn betekent echter niet dat het personeelslid deze betrekking effectief moet uitoefenen. Het personeelslid dat van een wettelijk verlofstelsel geniet (bijvoorbeeld loopbaanonderbreking)voldoet ook aan deze voorwaarde.

Voorbeeld 2

Een tijdelijk personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, heeft gekandideerd voor ambt van onderwijzer.

Op 07-09-2015 wordt dit personeelslid als onderwijzer tijdelijk aangesteld voor doorlopende duur in een niet-vacante betrekking tot 30-11-2015.

Kan dit personeelslid worden benoemd als onderwijzer op 01-10-2015 ?

Ja, want op 30-09-2015 is het personeelslid aangesteld als TADD in het ambt van onderwijzer.

Voor de personeelsleden die tijdelijk belast zijn met een andere opdracht of de personeelsleden die gereaffecteerd of wedertewerkgesteld zijn in een betrekking waarin ze een vaste benoeming willen, geldt deze voorwaarde niet.

Zij kunnen bijgevolg vast benoemd worden in een ambt zonder dat zij hiervoor tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur.

Meer informatie hierover is opgenomen in de omzendbrief betreffende vaste benoeming van 29/11/1999 - Vaste benoeming - Procedure, voorwaarden en mededeling aan het departement Onderwijs.

4. Mededeling aan het werkstation

Bij de melding van de opdrachten met een RL-1 aan het werkstation moet aangeduid worden of het om tijdelijke aanstelling van doorlopende duur gaat.

Indien het om een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een niet-vacante betrekking betreft, eindigt de opdracht uiterlijk de laatste dag van de dienstonderbreking van de titularis.

Tijdelijke aanstellingen van doorlopende duur in vacante betrekkingen kunnen oneindig (31.12.2999) als einddatum krijgen.

Voorbeeld TADD in vacante betrekking

Een onderwijzer krijgt vanaf 1 september 2015 een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een vacante betrekking voor 24 u.

RL-1 onderwijzer Ato 2 voor 24 u met als begindatum van de opdracht 1-9-2015 en als einddatum oneindig (31-12-2999). De tijdelijke opdracht wordt aangeduid als TADD-opdracht (waarde 01 in veld 30).

Voorbeeld TADD in niet-vacante betrekking

Een voltijds vastbenoemd personeelslid neemt een voltijdse loopbaanonderbreking van 1-9-2013 tot en met 31-8-2015.

Er wordt als vervanger een tijdelijke personeelslid aangesteld dat recht heeft op een TADD.

De vervanger wordt als volgt opgegeven :

RL-1 onderwijzer Ato 1 voor 24 u met als begindatum van de opdracht 1-9-2013 en als einddatum 31-8-2015 ter vervanging van het personeelslid met loopbaanonderbreking. De tijdelijke opdracht wordt aangeduid als TADD-opdracht (waarde 01 in veld 30).

5. Voorbeelden

5.1. Basisonderwijs

5.1.1. Dienstanciënniteit per ambt

Voorbeeld 1

Een personeelslid oefent in het gewoon basisonderwijs m.i.v. 01.09.2000 ononderbroken volgende opdracht uit:

24/24 onderwijzer

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van onderwijzer een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Het verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als onderwijzer omdat het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Voorbeeld 2

Een personeelslid oefent in het buitengewoon basisonderwijs volgende opdrachten:

01.09.1997 - 30.06.1998 22/22 onderwijzer ASV (303 d)

01.09.1998 - 30.06.1999 18/22 onderwijzer ASV (303 d)

01.09.2002 - 30.06.2003 11/22 onderwijzer ASV (303d)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van onderwijzer ASV een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen. De halftijdse opdracht telt mee voor de volledige duur.

Het verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een aanstelling van doorlopende duur als onderwijzer ASV omdat het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Voorbeeld 3: onderwijzer - onderwijzer ASV

Een personeelslid oefent m.i.v. 01.09.2000 volgende opdrachten uit:

01.09.2000 - 30.06.2001 24/24 onderwijzer (303 d)

01.09.2001 - 30.06.2002 18/22 onderwijzer ASV (303 d)

01.09.2002 - 30.06.2003 12/24 onderwijzer (303 d)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van onderwijzer een dienstanciënniteit van 2 x 303 dagen = 606 dagen (halftijdse opdracht telt voor volledige duur).

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van onderwijzer ASV een dienstanciënniteit van 1 x 303 dagen = 303 dagen (halftijdse opdracht telt mee voor de volledige duur).

Het verwerft dus GEEN recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als onderwijzer of als onderwijzer ASV, vermits het minder dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven.

Voorbeeld 4

Een personeelslid oefent in het buitengewoon basisonderwijs m.i.v. 01.09.1998 volgende opdrachten uit:

01.09.1998 - 30.06.1999 15/30 logopedist (303 d)

01.09.2001 - 30.06.2002 10/30 logopedist (303 d)01.09.2002 - 30.06.2003 20/30 logopedist (304 d)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van logopedist een dienstanciënniteit van 2 x 303 dagen = 606 dagen + 1 x 303:2 = 757,5 dagen.

Het verwerft dus een recht op een aanstelling van doorlopende duur als logopedist in het buitengewoon onderwijs, vermits het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven.

Voorbeeld 5

Een personeelslid oefent in het buitengewoon basisonderwijs m.i.v. 01.9.2000 volgende opdracht uit:

15/30 logopedist

Het personeelslid heeft volgende dienstonderbrekingen:

ziekteverlof van 1.10.2001 tot 18.10.2001 en

een volledige loopbaanonderbreking vanaf 1.09.2002 tot 30.6.

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van logopedist een dienstanciënniteit van 3x303= 909 dagen (halftijdse opdracht telt immers voor volledige duur).

Het heeft m.i.v. 01.09.2003 meer dan 720 dagen dienstanciënniteit

Er zijn slechts 606 - 18=588 dagen effectief gepresteerd.

Het personeelslid heeft geen recht op een aanstelling van doorlopende duur voor het ambt van logopedist, want het beschikt niet over 600 effectief gepresteerde dagen voor dit ambt.

Voorbeeld 6

Een personeelslid oefent in het gewoon basisonderwijs volgende opdrachten uit:

01.09.1997 - 30.06.1998 - 10/24 onderwijzer (303 d)

01.09.1998 - 30.06.1999 - 8/24 onderwijzer (303d)

01.09.1999 - 30.06.2000 - 11/24 onderwijzer (304 d)

01.09.2000 - 10.09.2000 - 11/24 onderwijzer (10 d)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van onderwijzer een dienstanciënniteit van 2 x 303 dagen + 304 + 10 = 920/2= 460 dagen. Een opdracht die niet tenminste halftijdse prestaties omvat komt maar voor de helft in aanmerking.

Het personeelslid heeft m.i.v. 01.09.2003 geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als onderwijzer, vermits het minder dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven en dus ook geen 600 effectieve dagen.

5.1.2. Volgens bekwaamheidsbewijs

Voorbeeld 7

Een personeelslid dat beschikt over het diploma van onderwijzer oefent in het basisonderwijs m.i.v. 01.09.2000 de volgende opdrachten uit:

12/24 kleuteronderwijzer (voldoend geacht bekwaamheidsbewijs)

12/24 onderwijzer (vereist bekwaamheidsbewijs)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van onderwijzer een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Het verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als onderwijzer vermits het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het verwerft m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als kleuteronderwijzer vermits het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht geldt voor het ambt van onderwijzer (VE) maar ook voor het ambt van kleuteronderwijzer (VO).

Voorbeeld 8

Een personeelslid heeft een diploma van logopedist (HOKT) en heeft m.i.v. 01.09.2000 volgende opdracht:

15/24 onderwijzer ASV

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van onderwijzer ASV een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Omdat het personeelslid op 30.06.2003 niet in het bezit is van het vereiste of voldoende geachte bekwaamheidsbewijs voor onderwijzer ASV, is het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur NIET verworven.

5.2. Secundair onderwijs

5.2.1. Dienstanciënniteit per ambt

Opmerking: Bij de voorbeelden waarvan sprake in het ambt van leraar moet steeds rekening worden gehouden met het bekwaamheidsbewijs!

Voorbeeld 1

Een personeelslid oefent in het gewoon secundair onderwijs m.i.v. 01.09.2000 volgende opdracht uit:

21/21 leraar

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Voorbeeld 2

Een personeelslid oefent in het buitengewoon secundair volgende opdrachten uit:

01.09.1997 - 30.06.1998 22/22 22/22 leraar ASV (303 dagen)

01.09.1999 - 30.06.2000 18/22 22/22 leraar ASV (304 dagen)

01.09.2002 - 30.06.2003 11/22 22/22 leraar ASV (303 dagen)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar ASV een dienstanciënniteit van 910 dagen.

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar ASV omdat hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Voorbeeld 3

Een personeelslid oefent in het gewoon secundair onderwijs volgende opdrachten uit:

01.09.1999 - 30.06.2000 11/22 leraar - 18/36 opvoeder (304 dagen)

01.09.2000 - 30.06.2001 14/22 leraar - 18/36 opvoeder (303 dagen)

01.09.2002 - 30.06.2003 11/22 leraar - 18/36 opvoeder (303 dagen)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 910 dagen (halftijdse opdracht telt immers voor volledige duur).

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van opvoeder een dienstanciënniteit van 910 dagen (halftijdse opdracht telt immers voor volledige duur).

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar en als opvoeder, vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Voorbeeld 4

Een personeelslid oefent in het gewoon secundair onderwijs volgende opdrachten uit:

01.09.1999 - 30.06.2000 11/22 leraar (304 dagen)

01.09.1999 - 31.08.2000 18/36 administratief medewerker (360 dagen)

01.09.2000 - 30.06.2001 14/22 leraar (303 dagen)

01.09.2000 - 31.08.2001 18/36 administratief medewerker (360 dagen)

01.09.2002 - 30.06.2003 11/22 leraar (303 dagen)

01.09.2002 - 30.06.2003 18/36 administratief medewerker (303 dagen)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 910 dagen (halftijdse opdracht telt immers voor volledige duur).

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van administratief medewerker een dienstanciënniteit van 1023 dagen (halftijdse opdracht telt immers voor volledige duur).

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar en als administratief medewerker, vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Voorbeeld 5

Een personeelslid oefent in het buitengewoon secundair onderwijs m.i.v. 01.09.2000 volgende opdracht uit:

15/30 logopedist

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van logopedist een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen (halftijdse opdracht telt immers voor volledige duur).

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als logopedist in het buitengewoon secundair onderwijs, vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Voorbeeld 6

Een personeelslid oefent in het gewoon secundair onderwijs m.i.v. 01.09.2000 volgende opdracht uit:

36/36 opvoeder

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van opvoeder een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als opvoeder, vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

5.2.2. Godsdienstleraar

In het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs

Voorbeeld 7

GLSO Nederlands-Geschiedenis-Godsdienst oefent in het gewoon secundair onderwijs m.i.v. 01.09.2000 volgende opdrachten uit:

10/22 leraar AV Nederlands

12/22 godsdienstleraar

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen : 2 = 454 dagen.

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van godsdienstleraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen (halftijdse opdracht telt immers voor volledige duur).

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als godsdienstleraar, vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het personeelslid heeft geen recht op een aanstelling van doorlopende duur voor het ambt van leraar, want hij beschikt niet over voldoende dienstanciënniteit voor dit ambt.

Voorbeeld 8

GLSO Nederlands-Geschiedenis-Godsdienst oefent in het gewoon secundair onderwijs m.i.v. 01.09.2000 volgende opdrachten uit:

13/22 leraar AV Geschiedenis

9/22 godsdienstleraar

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen (halftijdse opdracht telt immers voor volledige duur).

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van godsdienstleraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen : 2 = 454 dagen.

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar voor alle vakken waarvoor hij een vereist bekwaamheidsbewijs heeft (AV Nederlands en AV Geschiedenis), vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het personeelslid heeft geen recht op een aanstelling van doorlopende duur voor het ambt van godsdienstleraar, want hij beschikt niet over voldoende dienstanciënniteit voor dit ambt.

In het gesubsidieerd vrij onderwijs

Voorbeeld 9

GLSO Nederlands-Geschiedenis-Godsdienst oefent in het gewoon secundair onderwijs m.i.v. 01.09.2000 volgende opdrachten uit:

10/22 leraar AV Nederlands

12/22 godsdienstleraar

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen : 2 = 454 dagen.

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van godsdienstleraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen (halftijdse opdracht telt immers voor volledige duur).

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als godsdienstleraar, vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het personeelslid verwerft m.i.v. 01.09.2003 eveneens het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor het ambt van leraar voor alle vakken waarvoor hij een vereist bekwaamheidsbewijs bezit (AV Nederlands en AV Geschiedenis). In het gesubsidieerd vrij confessioneel onderwijs komen de diensten gepresteerd als godsdienstleraar eveneens in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in andere ambten, indien de onderwezen godsdienst deze is die voorkomt in het onderwijs verstrekt door de inrichtende macht. Als een personeelslid dus als godsdienstleraar het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft bereikt, kan hij dit recht eveneens opeisen voor andere ambten.

Deze bepaling geldt eveneens voor het buitengewoon secundair onderwijs. Als een personeelslid diensten gepresteerd heeft in het ambt van godsdienstleraar, komen deze diensten eveneens in aanmerking voor andere ambten. Als een personeelslid dus recht heeft op een aanstelling van doorlopende duur in het ambt van godsdienstleraar, kan hij dit recht ook opeisen voor bvb. het ambt van leraar ASV of leraar BGV.

Voorbeeld 10

GLSO Nederlands-Geschiedenis-Godsdienst oefent in het gewoon secundair onderwijs m.i.v. 01.09.2000 volgende opdrachten uit:

13/22 leraar AV Geschiedenis

9/22 godsdienstleraar

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen (meer dan een halftijdse opdracht telt immers voor volledige duur).

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van godsdienstleraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen : 2 = 454 dagen.

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar voor alle vakken waarvoor hij een vereist bekwaamheidsbewijs bezit (AV Nederlands en AV Geschiedenis), vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het personeelslid heeft geen recht op een aanstelling van doorlopende duur voor het ambt van godsdienstleraar, want hij beschikt niet over voldoende dienstanciënniteit voor dit ambt.

5.2.3. Volgens bekwaamheidsbewijs

Met vereist bekwaamheidsbewijs

Voorbeeld 11

GLSO Frans-Geschiedenis oefent in het gewoon secundair onderwijs het ambt van leraar uit voor volgende opdrachten:

01.09.1997 - 30.06.1998 10/22 AV Frans (VE) (303 dagen)

12/22 AV Geschiedenis (VE)(303 dagen)

01.09.1999 - 30.06.2000 8/22 AV Frans (VE) (304 dagen)

14/22 AV Geschiedenis (VE)(304 dagen)

01.09.2001 - 30.06.2002 11/22 AV Frans (VE) (303 dagen)

11/22 AV Geschiedenis (VE)(303 dagen)

Op 30.06.2002 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 910 dagen.

Het personeelslid heeft op 01.09.2002 (dus ook op 1.09.2003) recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht geldt voor alle vakken waar het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs voor heeft.

Voorbeeld 12

GLSO Frans-Geschiedenis oefent in het gewoon secundair onderwijs m.i.v. 01.09.2000 het ambt van leraar uit voor volgende opdracht:

17/22 AV Frans (VE)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht geldt voor alle vakken waar het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs voor heeft, dus ook voor AV Geschiedenis.

Voorbeeld 13

GLSO Mechanica oefent in het gewoon secundair onderwijs m.i.v. 01.09.2000 het ambt van leraar uit voor volgende opdracht:

17/21 TV Mechanica (VE)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht geldt voor alle vakken en specialiteiten waar het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs voor heeft, dus ook voor PV Mechanica.

Met voldoend geacht bekwaamheidsbewijs

Voorbeeld 14

GLSO Frans-Geschiedenis oefent in het gewoon secundair onderwijs m.i.v. 01.09.2000 het ambt van leraar uit voor volgende opdracht:

22/22 AV Aardrijkskunde (VO)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht is opgebouwd via een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs. Het recht geldt naast AV Aardrijkskunde dus ook voor het vereist bekwaamheidsbewijs, dus ook voor AV Frans en voor AV Geschiedenis.

Voorbeeld 15

Technisch ingenieur + GPB oefent in het gewoon secundair onderwijs m.i.v. 01.09.2000 het ambt van leraar uit voor volgende opdracht:

21/21 TV Mechanica (VO)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht is opgebouwd via een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs en geldt dus voor het vak of de specialiteit waarin de dienstanciënniteit is verworven met een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs. Dit personeelslid heeft dus ook recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur voor PV Mechanica, want het gaat om dezelfde specialiteit en het personeelslid heeft hiervoor ook een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs.

Met een vereist + voldoend geacht bekwaamheidsbewijs

Voorbeeld 16

GLSO Frans-Geschiedenis oefent in het gewoon secundair onderwijs m.i.v. 01.09.2000 het ambt van leraar uit voor volgende opdrachten:

10/22 AV Frans (VE)

12/22 AV Aardrijkskunde (VO)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Hij verwerft aldus het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar voor AV Aardrijkskunde vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht is opgebouwd via een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs. Het recht geldt echter ook voor het vereist bekwaamheidsbewijs, dus ook voor AV Frans en voor AV Geschiedenis.

Voorbeeld 17

GLSO Frans-Geschiedenis oefent in het gewoon secundair onderwijs m.i.v. 01.09.2000 het ambt van leraar uit voor volgende opdrachten:

01.09.1997 - 30.06.1998 13/22 AV Frans (VE) (303 dagen)

9/22 AV Aardrijkskunde (VO) (303 dagen)

01.09.1999 - 30.06.2000 14/22 AV Frans (VE) (304 dagen)

8/22 AV Aardrijkskunde (VO) (304 dagen)

01.09.2002 - 30.06.2003 16/22 AV Frans (VE) (303 dagen)

6/22 AV Aardrijkskunde (VO) (303 dagen)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 910 dagen.

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht is opgebouwd via het vereist bekwaamheidsbewijs. Het recht geldt dus voor AV Frans, evenals voor de andere vakken waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs bezit (AV Frans en AV Geschiedenis).

Voor AV Aardrijkskunde heeft het personeelslid slechts 910 dagen : 2 = 455 dagen dienstanciënniteit (opdracht is minder dan de helft, dus delen door twee!).

Dit personeelslid heeft dus geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor AV Aardrijkskunde!

Met een “ander” bekwaamheidsbewijs

Voorbeeld 18

Een personeelslid heeft een diploma HOKT Hout en heeft m.i.v. 01.09.2000 volgende opdrachten:

11/21 TV Hout (AND)

15/30 PV Hout (AND)

Tijdens het schooljaar 2002-2003 behaalt hij een bewijs van pedagogische bekwaamheid, zodat hij op 30.06.2003 in het bezit is van het vereist bekwaamheidsbewijs.

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Vermits het personeelslid in het bezit is van het vereiste bekwaamheidsbewijs en op 30.06.2003 de vereiste dienstanciënniteit heeft verworven, verwerft hij m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

Voorbeeld 19

Een personeelslid heeft een diploma HOKT Elektriciteit en heeft m.i.v. 01.09.2000 volgende opdracht:

21/21 AV Informatica (AND)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Vermits het personeelslid op 30.06.2003 niet in het bezit is van het vereiste of voldoende geachte bekwaamheidsbewijs voor AV Informatica, heeft hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur NIET verworven.

5.3. Deeltijds kunstonderwijs

5.3.1. Dienstanciënniteit per ambt

Opmerking: Bij de voorbeelden waar sprake is van het ambt van leraar moet steeds rekening worden gehouden met het bekwaamheidsbewijs! (zie voorbeelden onder punt 7.3.2).

Voorbeeld 1

Een personeelslid oefent in het deeltijds kunstonderwijs m.i.v. 01.09.2000 volgende opdracht uit:

22/22 leraar

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Het verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar vermits het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Voorbeeld 2

Een personeelslid oefent in het deeltijds kunstonderwijs volgende opdrachten uit:

01.09.1998 - 30.06.1999 - 11/22 leraar en 01.09.1998 - 31.08.1999 - 19/38 opsteller

01.09.1999 - 30.06.2000 - 11/22 leraar en 01.09.1999 - 31.08.2000 - 19/38 opsteller

01.09.2000- 30.06.2001 - 11/22 leraar en 01.09.2000 - 31.08.2001 - 19/38 opsteller

Het personeelslid wil het recht op TADD laten gelden vanaf 01.09.2003.

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van (2 x 303) + (1 x 304) dagen = 910 dagen (halftijdse opdracht telt immers voor volledige duur).

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van opsteller een dienstanciënniteit van (2 x 360) + (1 x 303)dagen = 1.023 dagen (halftijdse opdracht telt immers voor volledige duur).

Het verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar en als opsteller, vermits het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Voorbeeld 3

Een personeelslid oefent in het deeltijds kunstonderwijs m.i.v. 01.09.2000 volgende opdracht uit:

11/22 begeleider

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van begeleider een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen (halftijdse opdracht telt immers voor volledige duur).

Het verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als begeleider, vermits het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Voorbeeld 4

Een personeelslid oefent in het deeltijds kunstonderwijs m.i.v. 01.09.2000 volgende opdracht uit:

16/32 studiemeester - opvoeder

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van studiemeester - opvoeder een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Het verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als studiemeester - opvoeder, vermits het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Voorbeeld 5

Een personeelslid oefent in het deeltijds kunstonderwijs m.i.v. 01.09.2000 volgende opdracht uit:

8/22 leraar

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen: 2 = 454 dagen. Prestaties die minder dan de helft bedragen van een volledige opdracht worden voor de berekening van de dienstanciënniteit met de helft verminderd.

Het personeelslid heeft geen recht op een aanstelling van doorlopende duur voor het ambt van leraar, want het beschikt niet over voldoende dienstanciënniteit voor dit ambt.

Voorbeeld 6

Een personeelslid oefent in het deeltijds kunstonderwijs m.i.v. 01.09.2000 volgende opdracht uit:

12/22 leraar

10/22 begeleider

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen= 909 dagen. (Prestaties voor een halftijdse opdracht of meer tellen voor de volledige duur).

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van begeleider een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen: 2= 454 dagen. (Prestaties die minder dan de helft bedragen van een volledige opdracht worden voor de berekening van de dienstanciënniteit met de helft verminderd.)

Het personeelslid verwerft op 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor het ambt van leraar, vermits het voor dit ambt meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het personeelslid heeft op 01.09.2003 geen recht op een aanstelling van doorlopende duur voor het ambt van begeleider, want het beschikt niet over voldoende dienstanciënniteit voor dit ambt.

Voorbeeld 7

Een personeelslid oefent met ingang van 1 september 1989 de volgende opdracht uit:

18/32 studiemeester - opvoeder, vast benoemd

Op 1 september 2007 wijzigt de opdracht als volgt:

18/32 studiemeester - opvoeder, vast benoemd

6/38 opsteller, tijdelijke uren

Op 30 juni 2007 heeft het personeelslid in het ambt van studiemeester - opvoeder een dienstanciënniteit van 18 x 303 dagen = 5.454 dagen (n.v.d.r. schrikkeljaren niet verrekend), ruimschoots voldoende voor het recht op TADD.

Voor aanstellingen die ingaan op 1 september 2007 wordt de dienstanciënniteit, verworven in het ambt van studiemeester-opvoeder, ook beschouwd als zijnde verworven in het ambt van opsteller.

Met ingang van 1 september 2007 verwerft dit personeelslid hierdoor het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het ambt van opsteller, op voorwaarde dat hij daarvoor gekandideerd heeft met een ter post aangetekende brief vóór 15 juni 2007 aan de inrichtende macht of de raad van bestuur.

Op 1 september 2007 krijgt dit personeelslid in het ambt van opsteller een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor 6/38.

5.3.2. Volgens het bekwaamheidsbewijs

Met vereist bekwaamheidsbewijs

Voorbeeld 8

Een personeelslid met een diploma van meester in beeldende kunst, optie driedimensionale vormgeving en een bewijs van pedagogische bekwaamheid oefent in het deeltijds kunstonderwijs het ambt van leraar uit voor volgende opdrachten:

01.09.1998 - 30.06.1999 10/22 Algemeen beeldende

vorming) (VE)

12/22 Kleurstudie (VE)

01.09.1999 - 30.06.2000 10/22 Algemeen beeldende

vorming) (VE)

12/22 Kleurstudie (VE)

01.09.2002 - 30.06.2003 10/22 Algemeen beeldende

vorming) (VE)

12/22 Kleurstudie (VE)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van (2 x 303) + (1 x 304) dagen = 910 dagen.

Het verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar vermits het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht geldt voor alle vakken waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs heeft.

Voorbeeld 9

Een personeelslid met een diploma van laureaat zang en een bewijs van pedagogische bekwaamheid oefent in het deeltijds kunstonderwijs m.i.v. 01.09.2000 het ambt van leraar uit voor volgende opdracht:

17/22 Algemene muzikale vorming lagere graad (VE)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Het verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar vermits het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht geldt voor alle vakken waar het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs voor heeft, dus ook voor Samenzang, Zang en Stemvorming.

Voorbeeld 10

Een personeelslid met een diploma van meester in dramatische kunst optie toneel en een bewijs van pedagogische bekwaamheid oefent in het deeltijds kunstonderwijs m.i.v. 01.09.2000 het ambt van leraar uit voor volgende opdracht:

10/20 Toneel hogere graad (VE)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Het verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar vermits het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht geldt voor alle vakken en specialiteiten waar het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs voor heeft, dus ook voor Algemene verbale vorming, Drama, Toneel (middelbare graad), Verbale vorming en Repertoirestudie woordkunst.

Met voldoend geacht bekwaamheidsbewijs

Voorbeeld 11

Een personeelslid met een diploma van meester in de beeldende kunsten optie fotografie en een bewijs van pedagogische bekwaamheid oefent in het deeltijds kunstonderwijs m.i.v. 01.09.2000 het ambt van leraar uit voor volgende opdracht:

11/20 Tekenen (VO)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Het verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar, echter uitsluitend voor het vak Tekenen vermits het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht is opgebouwd via een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs. Het recht geldt daarom ook voor alle vakken waarvoor het personeelslid het vereist bekwaamheidsbewijs heeft, dus ook voor Algemeen beeldende vorming, Kunstinitiatie, Vormstudie, Waarnemingstekenen, Specifiek artistiek atelier fotokunst en Bijzondere kunstgeschiedenis.

Voorbeeld 12

Een personeelslid met een diploma meester instrument-zang voor saxofoon en een bewijs van pedagogische bekwaamheid oefent in het deeltijds kunstonderwijs m.i.v. 01.09.2000 het ambt van leraar uit voor volgende opdracht:

12/22 instrument saxofoon jazz en lichte muziek middelbare graad (VO)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Het verwerf aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar, echter uitsluitend voor het vak instrument saxofoon jazz en lichte muziek, vermits het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht is opgebouwd via een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs en geldt dus voor het vak of de specialiteit waarin de dienstanciënniteit is verworven. Dit personeelslid heeft dus ook recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur voor het vak instrument saxofoon jazz en lichte muziek hogere graad omdat het hier hetzelfde vak en dezelfde specialiteit betreft.

Het recht geldt ook voor alle vakken waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs heeft.

Met een vereist + voldoend geacht bekwaamheidsbewijs

Voorbeeld 13

Een personeelslid met een diploma van hoger kunstonderwijs derde graad grafiek en een bewijs van pedagogische bekwaamheid oefent in het deeltijds kunstonderwijs m.i.v. 01.09.2000 het ambt van leraar uit voor volgende opdrachten:

8/20 Specifiek artistiek atelier vrije grafiek (VE)

12/20 Kunstgeschiedenis (VO)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Het verwerft aldus het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar vermits het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht is opgebouwd via een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs en niet via het vereist bekwaamheidsbewijs (prestaties voor minder dan de helft van een voltijdse opdracht).

Het recht geldt echter ook voor alle vakken waarvoor het personeelslid het vereist bekwaamheidsbewijs heeft, dus naast Kunstgeschiedenis ook voor Specifiek artistiek atelier vrije grafiek, Kunstgeschiedenis, Kleurstudie, Kunstinitiatie, Vormstudie, Waarnemingstekenen, Specifiek artistiek atelier tekenkunst, Tekenen en Bijzondere kunstgeschiedenis.

Voorbeeld 14

Een personeelslid met een diploma van meester in dramatische kunst optie kleinkunst en een bewijs van pedagogische bekwaamheid oefent in het deeltijds kunstonderwijs m.i.v. 01.09.2000 het ambt van leraar uit voor volgende opdrachten:

13/20 Voordracht (VE)

7/20 Welsprekendheid (VO)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Het verwerft aldus m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar vermits het meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht is opgebouwd via het vereist bekwaamheidsbewijs.

Het recht geldt dus voor Voordracht en voor alle andere vakken waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs heeft.

Voor Welsprekendheid heeft het personeelslid slechts 3 x 303 dagen : 2 = 454 dagen dienstanciënniteit (opdracht is minder dan de helft, dus delen door twee!).

Dit personeelslid heeft dus geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor Welsprekendheid !!!

Met een “ander” bekwaamheidsbewijs

Voorbeeld 15

Een personeelslid heeft een diploma meester in muziek optie muziektheorie-schriftuur en heeft m.i.v. 01.09.2000 volgende opdrachten:

11/22 Algemene muzikale vorming (AND)

11/22 Algemene muziekcultuur (AND)

Tijdens het schooljaar 2002-2003 behaalt het een bewijs van pedagogische bekwaamheid, zodat het op 30.06.2003 in het bezit is van het vereist bekwaamheidsbewijs.

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Vermits het personeelslid in het bezit is van het vereiste bekwaamheidsbewijs en op 30.06.2003 de vereiste anciënniteit heeft verworven, verwerft het m.i.v. 01.09.2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor alle vakken waarvoor het een vereist bekwaamheidsbewijs heeft.

Voorbeeld 16

Een personeelslid heeft een diploma licentiaat musicologie en heeft m.i.v. 01.09.2000 volgende opdracht:

11/20 Muziektheorie (AND)

Op 30.06.2003 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar een dienstanciënniteit van 3 x 303 dagen = 909 dagen.

Vermits het personeelslid op 30.06.2003 niet in het bezit is van het vereiste of voldoende geachte bekwaamheidsbewijs voor Muziektheorie, heeft het het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur NIET verworven.

5.4. Volwassenenonderwijs

5.4.1. Dienstanciënniteit per ambt

Opmerking : Bij de voorbeelden waar sprake is van het ambt van leraar moet steeds rekening worden gehouden met het bekwaamheidsbewijs!!

Voorbeeld 1

Een personeelslid oefent in een centrum voor volwassenenonderwijs m.i.v. 01.09.2011, telkens voor een volledig schooljaar, volgende opdracht uit:

20/20 leraar secundair volwassenenonderwijs

Op 30.06.2014 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs een dienstanciënniteit van 2 x 303 dagen en 1 x 304 dagen (schrikkeljaar 2012) = 910 dagen.

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2014 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar secundair volwassenenonderwijs vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Voorbeeld 2

Een personeelslid oefent in een centrum voor volwassenenonderwijs m.i.v. 01.09.2011 volgende opdracht uit:

01.09.2011 tot 31.08.2012: 32/32 administratief medewerker

01.09.2012 tot 31.08.2013: 32/32 administratief medewerker

01.09.2013 tot 30.06.2014: 32/32 administratief medewerker

Op 30.06.2014 heeft het personeelslid voor het ambt van administratief medewerker een dienstanciënniteit van 2 x 360 dagen en 1 x 303 dagen (berekening TADD op 30.06.2014) = 1023 dagen.

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2014 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als administratief medewerker vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Voorbeeld 3

Een personeelslid oefent in een centrum voor volwassenenonderwijs m.i.v. 01.09.2011 volgende opdracht uit:

01.09.2011 tot 30.06.2012: 9/20 lector

01.09.2011 tot 31.08.2012: 16/32 administratief medewerker

01.09.2012 tot 30.06.2013: 9/20 lector

01.09.2012 tot 31.08.2013: 16/32 administratief medewerker

01.09.2013 tot 30.06.2014: 9/20 lector

01.09.2013 tot 30.06.2014: 16/32 administratief medewerker

Op 30.06.2014 heeft het personeelslid voor het ambt van administratief medewerker een dienstanciënniteit van 2 x 360 dagen en 1 x 303 dagen (berekening TADD op 30.06.2014) = 1023 dagen (een halftijdse opdracht telt immers voor volledige duur).

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2014 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als administratief medewerker vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Op 30.06.2014 heeft het personeelslid voor het ambt van lector een dienstanciënniteit van 2 x 151,5 dagen en 1 x 152 dagen (schrikkeljaar 2012) = 455 dagen (minder dan een halftijdse opdracht telt slechts voor de helft van de duur).

Hij verwerft aldus m.i.v. 01.09.2014 geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als lector, vermits hij minder dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven voor dit ambt, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Voorbeeld 4

Een personeelslid oefende in een centrum voor volwassenenonderwijs m.i.v. 01.09.2011 volgende opdrachten uit:

Van 01.09.2011 tot 31.12.2012: 20/20 leraar secundair volwassenenonderwijs

Van 01.09.2012 tot 30.06.2013: 20/20 leraar secundair volwassenenonderwijs

Van 01.09.2013 tot 30.06.2014: 20/20 leraar secundair volwassenenonderwijs

In de periode van 01.02.2014 tot 31.05.2014 nam het personeelslid een voltijdse loopbaanonderbreking ouderschapsverlof.

In de periode van 01.06.2014 tot 30.06.2014 was het personeelslid in ziekteverlof.

Op 30.06.2014 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs een dienstanciënniteit van 122 dagen en 2 x 303 dagen = 728 dagen.

Hij verwerft m.i.v. 01.09.2014 echter geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar secundair volwassenenonderwijs vermits hij slechts 578 dagen effectief heeft gepresteerd.

5.4.2. Volgens het bekwaamheidsbewijs

Ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs m et een vereist bekwaamheidsbewijs

Voorbeeld 5

Een personeelslid met als bekwaamheidsbewijs een ‘Master met Engels als hoofdtaal + BPB’ oefende in een centrum voor volwassenenonderwijs m.i.v. 01.09.2011 volgende opdrachten uit:

Van 01.09.2011 tot 30.06.2012: 12/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de opleiding Engels Richtgraad 2 (VE)

Van 01.09.2012 tot 30.06.2013: 6/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de opleiding Engels Richtgraad 1 (VE) en 3/20 in de opleiding Engels Richtgraad 2 (VE)

Van 01.09.2013 tot 30.06.2014: 12/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de opleiding Engels richtgraad 3 (VE)

De bekwaamheidsbewijzen voor de opleidingen Engels Richtgraad 1, 2 en 3 liggen op het niveau van de opleiding.

Op 30.06.2014 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs een dienstanciënniteit van 2 x 303 dagen en 1 x 152 dagen (schrikkeljaar 2012 en minder dan halftijdse opdracht) = 758 dagen.

Het personeelslid heeft op 01.09.2014 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar secundair volwassenenonderwijs vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht geldt voor alle opleidingen en modules waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs (VE) heeft.

Ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs met een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs

Voorbeeld 6

Een personeelslid met als bekwaamheidsbewijs een ‘Diploma technisch ingenieur + BPB’ oefende in een centrum voor volwassenenonderwijs m.i.v. 01.09.2011 volgende opdrachten uit:

Van 01.09.2011 tot 30.06.2012: 12/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de opleiding Informatica- toepassingssoftware (VO)

Van 01.09.2012 tot 30.06.2013: 9/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de opleiding Informatica- toepassingssoftware (VO)

Van 01.09.2013 tot 30.06.2014: 12/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de opleiding Informatica- toepassingssoftware (VO)

De bekwaamheidsbewijzen voor de opleiding Informatica-toepassingssoftware liggen op het niveau van de opleiding.

Op 30.06.2014 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs een dienstanciënniteit van 2 x 303 dagen en 1 x 152 dagen (schrikkeljaar 2012 en minder dan halftijdse opdracht) = 758 dagen.

Het personeelslid heeft op 01.09.2014 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar secundair volwassenenonderwijs vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht is opgebouwd via een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs en geldt bijgevolg enkel voor de opleiding of module waarin de dienstanciënniteit is verworven en eventueel de opleiding of module waarvoor het personeelslid over een vereist bekwaamheidsbewijs beschikt. Aangezien het personeelslid over geen vereiste bekwaamheidsbewijzen beschikt binnen het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, is de draagwijdte van zijn recht op TADD beperkt tot de opleiding Informatica-toepassingssoftware.

Voorbeeld 7

Een personeelslid met als bekwaamheidsbewijs ‘9 jaar nuttige ervaring + BPB’ oefende in een centrum voor volwassenenonderwijs m.i.v. 01.09.2011 volgende opdrachten uit:

Van 01.09.2011 tot 30.06.2012: 8/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de module ‘basis metaal’ van de opleiding plaatlasser (VO)

Van 01.09.2012 tot 30.06.2013: 11,5/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de module ‘basis metaal’ van de opleiding plaatlasser (VO)

Van 01.09.2013 tot 30.06.2014: 12/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de module ‘basis metaal’ van de opleiding plaatlasser (VO)

De bekwaamheidsbewijzen voor de opleiding Plaatlasser liggen op het niveau van de module.

Op 30.06.2014 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs een dienstanciënniteit van 1 x 151,5 dagen (minder dan halftijdse opdracht) en 1 x 303 dagen en 1 x 304 dagen (schrikkeljaar 2012) = 758,5 dagen.

Het personeelslid heeft op 01.09.2014 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar secundair volwassenenonderwijs vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht is opgebouwd via een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs en geldt bijgevolg enkel voor de opleiding of module waarin de dienstanciënniteit is verworven en eventueel de opleiding of module waarvoor het personeelslid over een vereist bekwaamheidsbewijs beschikt. Aangezien het personeelslid over geen vereiste bekwaamheidsbewijzen beschikt binnen het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs, is de draagwijdte van zijn recht op TADD beperkt tot de module ‘Basis metaal’.

Voorbeeld 8

Een personeelslid met als bekwaamheidsbewijs ‘Licentiaat in de taal-en letterkunde: Frans en Spaans + BPB’ oefende in een centrum voor volwassenenonderwijs m.i.v. 01.09.2011 volgende opdrachten uit:

Van 01.09.2011 tot 30.06.2012: 8/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de opleiding Engels Richtgraad 1 (VO)

Van 01.09.2012 tot 30.06.2013: 11,5/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de opleiding Engels Richtgraad 1 (VO)

Van 01.09.2013 tot 30.06.2014: 12/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de opleiding Engels Richtgraad 1 (VO)

De bekwaamheidsbewijzen voor Engels richtgraad 1 liggen op het niveau van de opleiding.

Op 30.06.2014 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs een dienstanciënniteit van 1 x 151,5 dagen (minder dan halftijdse opdracht) en 1 x 303 dagen en 1 x 304 dagen (schrikkeljaar 2012) = 758,5 dagen.

Het personeelslid heeft op 01.09.2014 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar secundair volwassenenonderwijs vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht is opgebouwd via een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs en geldt bijgevolg enkel voor de opleiding of module waarin de dienstanciënniteit is verworven en eventueel de opleiding of module waarvoor het personeelslid over een vereist bekwaamheidsbewijs beschikt. Het personeelslid beschikt over een vereist bekwaamheidsbewijs voor andere opleidingen (bv. Frans richtgraad 1, 2, 3 en 4 en Spaans richtgraad 1, 2, 3 en 4, …) van het secundair volwassenenonderwijs. De draagwijdte van zijn recht op TADD strekt zich dan ook uit tot de opleiding Engels Richtgraad 1 (VO) + alle opleidingen en modules waarvoor hij over een vereist bekwaamheidsbewijs beschikt binnen het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs.

Ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs met een vereist en een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs

Voorbeeld 9

Een personeelslid met als bekwaamheidsbewijs ‘Master in de taal- en letterkunde: Frans en Engels + BPB’ oefende in een centrum voor volwassenenonderwijs m.i.v. 01.09.2011 volgende opdrachten uit:

Van 01.09.2011 tot 30.06.2012:

12/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de opleiding Frans Richtgraad 2 (VE)

3/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de opleiding Spaans Richtgraad 1 (VO)

Van 01.09.2012 tot 30.06.2013:

10/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de opleiding Frans Richtgraad 2 (VE)

4/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de opleiding Spaans Richtgraad 1 (VO)

Van 01.09.2013 tot 30.06.2014:

12/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de opleiding Frans Richtgraad 2 (VE)

3/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de opleiding Spaans Richtgraad 1 (VO)

Op 30.06.2014 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs een dienstanciënniteit van 2 x 303 dagen en 1 x 304 dagen (schrikkeljaar 2012) = 910 dagen.

Het personeelslid heeft op 01.09.2014 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar SVWO vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht geldt voor alle opleidingen en modules waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs (VE) heeft.

Voor de opleiding Spaans Richtgraad 1 (VO) verwierf betrokkene echter slechts 2 x 151,5 dagen en 1 x 152 dagen (schrikkeljaar 2012 en minder dan halftijdse opdracht) = 455 dagen. Rechten opgebouwd via een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs gelden enkel voor de opleiding of module waarin de dienstanciënniteit is verworven. Bijgevolg heeft dit personeelslid geen recht op een aanstelling van doorlopende duur voor de opleiding Spaans Richtgraad 1.

Ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs met een ander bekwaamheidsbewijs

Voorbeeld 10

Een personeelslid met als bekwaamheidsbewijs ‘licentiaat wiskunde’ (zonder BPB) oefende in een centrum voor volwassenenonderwijs m.i.v. 01.09.2011 volgende opdrachten uit:

Van 01.09.2011 tot 30.06.2012: 10/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de module ‘AAV Wiskunde B1’ van de opleiding Aanvullende Algemene Vorming

Van 01.09.2012 tot 30.06.2013: 11/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de module ‘AAV Wiskunde B1’ van de opleiding Aanvullende Algemene Vorming

Van 01.09.2013 tot 30.06.2014: 10,5/20 leraar secundair volwassenenonderwijs in de module ‘AAV Wiskunde B1’ van de opleiding Aanvullende Algemene Vorming

Op 30.06.2014 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs een dienstanciënniteit van 2 x 303 dagen en 1 x 304 dagen (schrikkeljaar 2012) = 910 dagen.

Vermits het personeelslid op 30.06.2014 echter niet in het bezit is van het vereiste of voldoende geachte bekwaamheidsbewijs voor de opleiding Aanvullende Algemene Vorming, heeft hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar secundair volwassenenonderwijs NIET verworven.

Voorbeeld 11

Stel dat het personeelslid uit voorbeeld 10 op het einde van het schooljaar 2012-2013 een bewijs van pedagogische bekwaamheid behaald . Hij beschikt dan op 30.06.2014 over een vereist bekwaamheidsbewijs voor de module ‘AAV Wiskunde B1’.

Op 30.06.2014 heeft het personeelslid voor het ambt van leraar secundair volwassenenonderwijs een dienstanciënniteit van 2 x 303 dagen en 1 x 304 dagen (schrikkeljaar 2012) = 910 dagen.

Het personeelslid heeft op 01.09.2014 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als leraar secundair volwassenenonderwijs vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Het recht geldt voor alle opleidingen en modules waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs (VE) heeft.

Ambt van lector

Voorbeeld 12

Een personeelslid met als bekwaamheidsbewijs een ‘ Ten minste master + BPB’ oefende in een centrum voor volwassenenonderwijs m.i.v. 01.09.2011 volgende opdrachten uit:

Van 01.09.2011 tot 30.06.2012: 10/20 lector in de module ‘basis boekhouden’ van de opleiding boekhouden

Van 01.09.2012 tot 30.06.2013: 10/20 lector in de module ‘basis boekhouden’ van de opleiding boekhouden

Van 01.09.2013 tot 30.06.2014: 12/20 lector in de module ‘basis boekhouden’ van de opleiding boekhouden

Binnen het ambt van lector zijn er enkel voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen. Het centrumbestuur bepaalt of de aanstellingen van de personeelsleden gebeuren op het niveau van de module, dan wel op het niveau van de opleiding.

Op 30.06.2014 heeft het personeelslid voor het ambt van lector een dienstanciënniteit van 2 x 303 dagen en 1 x 304 dagen (schrikkeljaar 2012) = 910 dagen.

Het personeelslid heeft op 01.09.2014 recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als lector vermits hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan 600 effectief gepresteerd.

Indien het centrumbestuur de keuze maakte om de aanstellingen van de personeelsleden te doen op het niveau van de module, dan strekt de draagwijdte van zijn recht op TADD zich uit tot de module ‘basis boekhouden’.

Indien het centrumbestuur de keuze maakte om de aanstellingen van de personeelsleden te doen op het niveau van de opleiding, dan strekt de draagwijdte van zijn recht op TADD zich uit tot de volledige opleiding boekhouden.

Impact van concordanties op het recht op TADD

Voorbeeld 13

Een personeelslid had op 31.08.2010 een recht op TADD verworven als leraar SOSP voor het vak AV Geschiedenis. Op 01.09.2010 werd het vak AV Geschiedenis geconcordeerd naar verschillende opleidingen en modules in het secundair volwassenenonderwijs.

Een personeelslid dat een recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur had verworven voor een bepaald vak, heeft ook het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verworven voor de vanuit dat vak geconcordeerde opleiding(en) of module(s).

Het personeelslid met een recht op TADD voor het vak AV Geschiedenis verwierf dan ook op 01.09.2010 een recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor alle opleidingen en modules die geconcordeerd werden vanuit AV Geschiedenis.

Voor meer info i.v.m. ambtshalve en individuele concordanties in het volwassenenonderwijs: zie omzendbrief VWO/2010/02 ( cvo ).

Voorbeeld 14

Een personeelslid had op 31.01.2015 een recht op TADD verworven als leraar secundair volwassenenonderwijs voor de module ‘basis bakkerij’. Op 01.02.2015 werd de module ‘basis bakkerij’ geconcordeerd naar verschillende modules uit de vernieuwde opleidingsprofielen van het studiegebied voeding.

Een personeelslid dat een recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur had verworven voor een bepaalde opleiding of module, heeft ook het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verworven voor de vanuit die opleiding of module geconcordeerde opleiding(en) of module(s).

Het personeelslid met een recht op TADD voor de module ‘basis bakkerij’ verwierf dan ook op 01.02.2015 een recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor alle opleidingen en modules die geconcordeerd werden vanuit ‘basis bakkerij’.

Voor meer info i.v.m. ambtshalve en individuele concordanties in het volwassenenonderwijs: zie omzendbrief VWO/2010/02 ( cvo ).

5.5. Centra voor leerlingenbegeleiding

Voorbeeld 1

Een tijdelijk personeelslid oefent m.i.v. 1 september 2000 in een CLB de volgende opdracht uit:

38/38 maatschappelijk werker.

Op 30 juni 2003 heeft het personeelslid voor het ambt van maatschappelijk werker een dienstanciënniteit van 2x360 + 1x300 dagen = 1020 dagen.

Aangezien hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan er 600 effectief werden gepresteerd, verwerft hij m.i.v. 1 september 2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als maatschappelijk werker, in alle CLB's van die inrichtende macht.

Voorbeeld 2

Een personeelslid komt op 1 september 2000 in dienst als GESCO en oefent het volgende ambt uit:

38/38 psycho-pedagogisch werker.

Op 1 september 2002 stapt hij halftijds over naar het statuut van tijdelijke in een organiek ambt. Hij oefent vanaf dan het volgende ambt uit:

19/38 GESCO psycho-pedagogisch werker;

19/38 organieke psycho-pedagogisch werker.

Op 30 juni 2003 heeft het personeelslid voor het ambt van psycho-pedagogisch werker een dienstanciënniteit van 2x360 + 1x300 dagen = 1020 dagen.

Aangezien hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan er 600 effectief werden gepresteerd, verwerft hij m.i.v. 1 september 2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als psycho-pedagogisch werker, in alle CLB's van die inrichtende macht.

Voorbeeld 3

Een personeelslid komt op 1 september 2000 in dienst als GESCO en oefent het volgende ambt uit:

38/38 psycho-pedagogisch consulent.

Op 1 januari 2004 stapt hij halftijds over naar het statuut van tijdelijke in een organiek ambt. Hij oefent vanaf dan het volgende ambt uit:

19/38 GESCO psycho-pedagogisch consulent;

19/38 organieke psycho-pedagogisch consulent.

Op 30 juni 2004 heeft het personeelslid voor het ambt van psycho-pedagogisch consulent een dienstanciënniteit van 2x360 + 1x180 dagen = 900 dagen.

Aangezien hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan er 600 effectief werden gepresteerd, verwerft hij m.i.v. 1 september 2004 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur als psycho-pedagogisch consulent, in alle CLB's van die inrichtende macht.

Voorbeeld 4

Een personeelslid komt op 1 september 2000 halftijds in dienst als GESCO en halftijds als tijdelijke in een organiek ambt en oefent het volgende ambt uit:

19/38 GESCO administratief werker;

19/38 organieke paramedisch werker.

Op 1 januari 2003 stapt hij vanuit het GESCO-ambt over naar het statuut van tijdelijke in een organiek ambt (administratief werker). Hij oefent vanaf dan het volgende ambt uit:

19/38 organieke administratief werker;

19/38 organieke paramedisch werker.

Op 30 juni 2003 heeft het personeelslid zowel voor het ambt van administratief werker, als voor dat van paramedisch werker een dienstanciënniteit van 2x360 + 1x180 dagen = 900 dagen.

Aangezien hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan er 600 effectief werden gepresteerd, verwerft hij m.i.v. 1 september 2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het ambt van administratief werker en in het ambt van paramedisch werker, in alle CLB's van die inrichtende macht.

In dienst in PMS-centrum of equipe MST voor 1 september 2000

Gemeenschapsonderwijs

Voorbeeld 5

Een personeelslid oefende in een PMS-centrum de volgende opdrachten uit:

vanaf 1 september 1999: 38/38 GESCO maatschappelijk werker in het Vormingscentrum;

vanaf 1 september 2000: 38/38 GESCO maatschappelijk werker in een project dat betrekking had op een PMS-centrum;

vanaf 1 januari 2002: 38/38 GESCO maatschappelijk werker in een project dat geen betrekking had op een PMS-centrum.

Op 1 januari 2003 stapt hij vanuit het GESCO-ambt over naar het statuut van tijdelijke in een organiek CLB-ambt. Hij oefent vanaf dan het volgende ambt uit:

38/38 organiek maatschappelijk werker.

Op 30 juni 2003 heeft het personeelslid voor het ambt van maatschappelijk werker een dienstanciënniteit van 2x360 + 1x180 dagen = 900 dagen.

Aangezien hij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan er 600 effectief werden gepresteerd, verwerft hij m.i.v. 1 september 2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het ambt van maatschappelijk werker in alle CLB's van die inrichtende macht.

Gesubsidieerde centra

Voorbeeld 6

Een personeelslid oefende in een equipe-MST de volgende opdrachten uit:

vanaf 1 september 1998: halftijds personeelslid belast met verpleegkundige en sociaal-verpleegkundige taken;

vanaf 1 september 1999: 38/38 GESCO paramedisch werker in een project dat geen betrekking had op een PMS-centrum;

vanaf 1 januari 2002: 38/38 GESCO paramedisch werker in een project dat betrekking had op een PMS-centrum.

Op 1 januari 2003 stapt zij vanuit het GESCO-ambt over naar het statuut van tijdelijke in een organiek CLB-ambt in een CLB waarin het vroegere MST van het betrokken personeelslid is opgegaan. Zij oefent vanaf dan het volgende ambt uit:

38/38 organiek paramedisch werker.

Op 30 juni 2003 heeft het personeelslid voor het ambt van paramedisch werker een dienstanciënniteit van 2x360 + 1x180 dagen = 900 dagen.

Aangezien zij meer dan 720 dagen dienstanciënniteit heeft verworven, waarvan er 600 effectief werden gepresteerd, verwerft zij m.i.v. 1 september 2003 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het ambt van paramedisch werker in alle CLB's van die inrichtende macht.

6. Contact

- basisonderwijs & centra voor leerlingenbegeleiding: Jos Van Laer,jozef.vanlaer@ond.vlaanderen.be

- deeltijds kunstonderwijs: Mieke Quintens,mieke.quintens@ond.vlaanderen.be

- secundair onderwijs : Pascal Elet, pascal.elet@ond.vlaanderen.be

- volwassenenonderwijs: Dave Bonte, dave.bonte@ond.vlaanderen.be

...