Geïntegreerd onderwijs

  • Het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften (‘M-decreet’) werd op 1 september 2015 volledig van kracht. Een van de maatregelen is de wijziging van de voorwaarden voor toelating tot het geïntegreerd onderwijs – gon (‘gemotiveerd verslag’) en voor toegang tot het buitengewoon onderwijs (‘verslag’).
  • Reeds in de loop van het eerste schooljaar van de implementatie (2015-2016) was er een impact van het decreet op de leerlingenaantallen in het geïntegreerd onderwijs en in het buitengewoon onderwijs. Daarom werden passende begeleidende maatregelen genomen.
  • Wat het geïntegreerd onderwijs betreft werd de ondersteuning voor het schooljaar 2015-2016 bevroren op het niveau van het schooljaar 2014-2015. Elke dienstverlenende school voor buitengewoon onderwijs kreeg de begeleidingseenheden van 2014-2015 opnieuw ter beschikking.
  • De ervaringen met de invoering van het M-decreet en de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek over gon en ion maken duidelijk dat we stapsgewijze moeten evolueren naar een nieuw ondersteuningsmodel voor het gewoon onderwijs om beter te kunnen inspelen op de onderwijsbehoeften van leerlingen en de ermee samenhangende ondersteuningsbehoeften van hun leraren.
  • Met de sociale partners werd in de stuurgroep gon afgesproken om het schooljaar 2016-2017 als een overgangsjaar te beschouwen naar een meer fundamentele hervorming van de toekenning van ondersteuning voor het omgaan met specifieke onderwijsbehoeften in het gewoon kleuteronderwijs, lager onderwijs, secundair onderwijs en hoger onderwijs v anaf 1 september 2017.
  • Op 25 maart 2016 werden die afspraken en voorstellen als mededeling op de agenda van de Vlaamse Regering geplaatst (VR 2016 2503 MED.0123/1) . Hierover werd op dat moment ook naar de scholen en centra voor leerlingenbegeleiding gecommuniceerd . Deze worden nu ook opgenomen in de omzendbrief.
  • De belangrijkste wijzigingen in het overgangsjaar zijn:
  • 1° Een aantal middelen wordt samengevoegd:
  • - het bevroren gon -pakket op basis van de telling van gon -leerlingen op 1 oktober 2014;
  • - de gon -afwijkingslestijden/lesuren en uren ASS;
  • - de lestijden/lesuren ion type 2 (situatie schooljaar 2015-2016).
  • 2° De toekenning van de gon- en ion-ondersteuning zal gebeuren via netgebonden commissies. Bij de toekenning wordt rekening gehouden met een bepaalde prioritering.
  • 3° De toekenning gebeurt in 2 schijven: een eerste schijf voor de gon- en ion-leerlingen die al gekend zijn voor eind juni 2016 en een tweede schijf voor leerlingen die pas na 1 juli 2016 en uiterlijk op de teldag van 3 oktober 2016 gekend zijn.
  • 4° Bij de effectieve aanwending kunnen gon en ion flexibel ingezet worden naar aantal eenheden per leerling, duur en intensiteit, focus van de ondersteuning (van leerling- naar meer leraargericht) ...
  • Het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 betreffende de inclusie van leerlingen met een verstandelijke beperking in het gewoon lager en secundair onderwijs wordt opgeheven. De ion -ondersteuning volgt de systematiek van het gon en de principes zijn in deze omzendbrief ingeschoven. De aparte omzendbrief over ion (NO/2008/05 Inclusie van leerlingen met een verstandelijke beperking in het gewoon lager en secundair onderwijs ( ion ) ’, wordt opgeheven.
  • Met Onderwijsdecreet XXV I werd de overgangsmaatregel voor het academiejaar 2015-2016 betreffende de toelating tot geïntegreerd hoger onderwijs bij ontstentenis van een gemotiveerd verslag, verlengd voor het academiejaar 2016-2017 . Deze wijziging werd ingevoegd in artikel II.11 8 , §1, 2°, derde lid van de Codex Hoger Onderwijs (zie verder punt 2.2.3.4.).

1. Toepassingsgebied.

Het geïntegreerd onderwijs is een samenwerking tussen het gefinancierd of gesubsidieerd gewoon en buitengewoon onderwijs.

Het is bedoeld om jongeren met een handicap en/of leer- en opvoedingsmoeilijkheden tijdelijk of permanent, gedeeltelijk of volledig de lessen of activiteiten te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs met hulp vanuit het buitengewoon onderwijs. Het gaat over jongeren met specifieke onderwijsbehoeften zoals omschreven in het ‘M-decreet’, nl. jongeren met langdurige en belangrijke participatieproblemen die te wijten zijn aan het samenspel tussen één of meerdere functiebeperkingen op mentaal, psychisch, lichamelijk of zintuiglijk vlak en beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en persoonlijke en externe factoren. Met deze omschrijving sluiten we aan bij de bepaling van het beschermd kenmerk ‘handicap’ in het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid en de omschrijving van personen met een handicap in het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap.

In deze omzendbrief wordt met “scholen” “gesubsidieerde of gefinancierde” scholen bedoeld.

Het geïntegreerd onderwijs kan georganiseerd worden op niveau van het kleuteronderwijs, lager onderwijs, secundair onderwijs en hoger, niet universitair, onderwijs.

Het hoger beroepsonderwijs, ingericht door instellingen voor voltijds secundair onderwijs, wordt vanaf 2010-2011 als hoger onderwijs gezien, waar dit tot nu toe niet het geval was voor de 4e graad BSO. D.w.z. dat de leerlingen van de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs opnieuw recht kunnen hebben op gon-begeleiding.

De situatie van de academische opleidingen die werden overgedragen naar de universiteit.

De student moet :

1/ in academiejaar 2012-2013 in een academische hogeschoolopleiding ingeschreven zijn die in academiejaar 2013-2014 werd overgedragen naar de universiteit;

2/ in academiejaar 2012-2013 binnen die opleiding gon-begeleiding krijgen of in academiejaar 2012-2013 recht hebben op gon in die opleiding;

3/ in academiejaar 2013-2014 (en de daaropvolgende jaren) ingeschreven zijn in één van die overgedragen opleidingen;

4/ in academiejaar 2013-2014 (en de daaropvolgende jaren) beantwoorden aan de (algemene) voorwaarden om in aanmerking te komen voor gon-begeleiding.

Studenten in deze overgedragen academische opleidingen die niet aan die vier voorwaarden beantwoorden (zoals bijvoorbeeld studenten die in het academiejaar 2012-2013 nog ingeschreven waren in het secundair onderwijs en pas in 2013-2014 of daarna ingeschreven zijn in deze overgedragen academische opleidingen), komen niet in aanmerking voor gon-begeleiding.

2. Toelatingsvoorwaarden.

2.1. Toelatingsvoorwaarden en vereiste documenten bij samenstelling gon-dossier :

- de leerlingen/studenten die geïntegreerd onderwijs volgen, voldoen aan de toelatings- en overgangsvoorwaarden die gelden in het gewoon onderwijs (zie BaO/2001/10 van 10/08/2001 en SO 64 van 25/06/1999).

- de gon-leerling/student beschikt ofwel over een gemotiveerd verslag voor toegang tot het geïntegreerd onderwijs (verder ‘gemotiveerd verslag’) ofwel over een verslag1 voor toegang tot het buitengewoon onderwijs (verder het ‘verslag’). Gon-leerlingen of studenten kunnen nog beschikken over een inschrijvingsverslag omdat ze vallen onder de toepassing van de overgangsmaatregel die in het M-decreet voor hen voorzien is, of in onderwijsdecreet XXVI voor het hoger onderwijs.

Voor leerlingen die in het schooljaar 2014-2015 gon-leerling waren op basis van een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs, geldt het principe van niet herattesteren wanneer zijn of haar situatie niet wijzigt. De overgangsmaatregel voor deze gon-leerlingen in het M-decreet staat dus voorop. Dit betekent dat deze leerlingen tot het einde van het onderwijsniveau waarin ze ingeschreven zijn, kunnen blijven vallen onder de condities van de gon-regeling zoals ze was voor het M-decreet. Wanneer voor een dergelijke leerling het onderwijsniveau2, het type, de aard van de integratie, of de aard en de ernst van de handicap wijzigt, moet er een ‘gemotiveerd verslag’ (of ‘verslag’) worden opgemaakt. Leerlingen die beschikken over een ‘verslag’ komen op dezelfde wijze als leerlingen met een ‘gemotiveerd verslag’ in aanmerking voor gon-ondersteuning indien zij ingeschreven worden of ingeschreven blijven in een school voor gewoon onderwijs;

- de gon-leerlingen die voldoen aan de criteria van het type basisaanbod moeten, om in aanmerking te kunnen komen voor gon-ondersteuning, het voorafgaand schooljaar minstens negen maanden voltijds, in het desbetreffende type, buitengewoon onderwijs gevolgd hebben. “In het desbetreffende type” betekent het type basisaanbod, type 1 of type 8. “Buitengewoon onderwijs” betekent voor het secundair onderwijs zowel buitengewoon basisonderwijs als buitengewoon secundair onderwijs;

- gon-leerlingen/studenten hebben (nog) recht op ondersteuning, rekening houdend met de criteria vermeld in de tabellen opgenomen in bijlage 1 bij deze omzendbrief en hebben ook effectief behoefte aan ondersteuning in het school-/academiejaar 2016-2017, bepaald door het CLB in overleg met de ouders en de school tijdens het handelingsgericht diagnostisch traject.

2.2. ’Gemotiveerd verslag’

2.2.1. Algemeen.

Een gon-leerling is in het bezit van een ‘gemotiveerd verslag’ (of een ‘verslag’).

Het ‘gemotiveerd verslag’ vervangt het inschrijvingsverslag (attest en protocol) en het integratieplan. De verschillende CLB-netten hebben netoverschrijdend en in overleg met de onderwijskoepels, de onderwijsinspectie en het kabinet en de administratie Onderwijs hiervoor een sjabloon en schrijfwijzer ontwikkeld.

Het ‘gemotiveerd verslag’ bevat ten minste de volgende gegevens:

1° de synthese van het handelingsgericht diagnostisch traject dat voor de leerling werd doorlopen (fase van uitbreiding van zorg) met ten minste de volgende elementen:

  • een beschrijving van de onderwijsbehoeften en sterktes van de leerling;
  • een beschrijving van de ondersteuningsbehoeften van de ouders die samengaan met de onderwijsbehoeften van de leerling;
  • een beschrijving van de ondersteuningsbehoeften van het schoolteam die samengaan met de specifieke onderwijsbehoeften van de leerling en die de school voor gewoon onderwijs formuleert in overleg met de leerling, de ouders, het schoolteam en het CLB;
  • een beschrijving van de maatregelen, met inbegrip van de compenserende of dispenserende maatregelen die voor de leerling al genomen zijn of nodig zijn;
  • de motivering dat de ondersteuning in het kader van het geïntegreerd onderwijs, in combinatie met compenserende of dispenserende maatregelen, nodig en voldoende geacht wordt om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen;

2° dat de leerling voldoet aan de criteria van een van de types voor buitengewoon onderwijs, met uitzondering van het type 5. Het CLB houdt de gegevens die de classificerende diagnose onderbouwen bij in het multidisciplinair dossier van de leerling. Voor de definities van de types verwijzen we naar artikel 10 van het decreet basisonderwijs of artikel 259 van de Codex Secundair Onderwijs;

3° dat bij oriëntering naar het type basisaanbod de leerling ten minste 9 maanden voltijds buitengewoon onderwijs in het betreffende type heeft gevolgd, onmiddellijk voorafgaand aan zijn toelating tot het geïntegreerd onderwijs. Een verblijf in type 1 of 8 wordt beschouwd als een verblijf in type basisaanbod. Voor de toelating tot geïntegreerd secundair onderwijs is een verblijf van ten minste 9 maanden in voltijds buitengewoon basisonderwijs type 1 of 8 ook geldig;

4° een beschrijving van de aard van de ondersteuning die de school voor buitengewoon onderwijs zal bieden op school-, leraar- of leerlingniveau als antwoord op de onderwijs- en ondersteuningsbehoeften, in termen van algemene of handicap-specifieke expertise die geboden zal worden;

5° een beschrijving van eventuele ondersteuning door onderwijsexterne diensten;

6° een beschrijving van de aard van de integratie;

7° de identificatiegegevens van de leerling, de ouders, de school gewoon onderwijs, het CLB van de school voor gewoon onderwijs dat het ‘gemotiveerd verslag’ opmaakt en van de school voor buitengewoon onderwijs. Deze partijen bevestigen hun engagement via een handtekening. Wanneer de ouders het ‘gemotiveerd verslag’ niet ondertekenen kan de gon-ondersteuning niet leerlinggericht, maar wel school-, leraar- of lerarenteam-gericht ingezet worden;

8° de datum van ondertekening en de ingangsdatum van het ‘gemotiveerd verslag’. De ingangsdatum kan zich niet situeren voor de datum van ondertekening. De gon-lestijden/lesuren- en uren worden voor een volledig schooljaar, dus vanaf 1 september, toegekend.

Een diagnose op zich bepaalt niet of er een ‘gemotiveerd verslag’ komt of niet, wel de onderwijsbehoeften van een leerling. Diagnostiek van externen is niet het startpunt om te bepalen of er sprake moet zijn van een ‘gemotiveerd verslag’ maar situeert zich eerder naar het einde toe van het handelingsgericht traject dat met alle betrokkenen werd gelopen. Deze manier van werken kan niet onmiddellijk gerealiseerd zijn, scholen en centra voor leerlingenbegeleiding krijgen de nodige tijd om zich deze werkwijze eigen te maken.

Wanneer voor een leerling die nog over een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs of over een ‘verslag’ voor toegang tot buitengewoon onderwijs beschikt, een ‘gemotiveerd verslag’ wordt opgemaakt dan vervalt het (inschrijvings-)verslag.

Bij wijziging van het onderwijsniveau3 , van het type, van de aard van de integratie of van de aard en ernst van de handicap, wordt een nieuw ‘gemotiveerd verslag’ opgesteld.

Indien de wijziging van type gaat over een wijziging naar het nieuwe type 9, dan kan een bestaande gon-leerling ASS op basis van die wijziging naar type 9 niet opnieuw in aanmerking komen voor 2 bijkomende schooljaren gon-ondersteuning.

Het M-decreet maakt een onderscheid tussen leerlingen met een ‘gemotiveerd verslag’ en leerlingen met een ‘verslag’. Voordien beschikten beide groepen over hetzelfde administratief document, nl. het inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs. Leerlingen met een ‘gemotiveerd verslag’ komen in aanmerking voor gon-ondersteuning. Het gemotiveerd verslag is gekoppeld aan het werken binnen het gemeenschappelijk curriculum. Om leerlingen met een ‘verslag’ die ingeschreven worden of ingeschreven blijven in een school voor gewoon onderwijs hun ondersteuning te continueren, komen deze leerlingen op dezelfde wijze als leerlingen met een ‘gemotiveerd verslag’ in aanmerking voor gon-ondersteuning. Dit betekent niet dat voor deze leerlingen bijkomend een ‘gemotiveerd verslag’ moet gemaakt worden, hun ‘verslag’ volstaat. Het verslag is gekoppeld aan het werken en studievoortgang op basis van een individueel aangepast curriculum.

2.2.2. Ernst van de handicap

Indien de leerling voldoet aan de criteria voor type 4, 6 of 7 moet ook de ernst van de handicap aangegeven worden.

In geval van type 4 betekent “ernstige” handicap: een handicap ten gevolge van een neuro-motorische stoornis sinds de geboorte, na ziekte of na ongeval (o.a. hersenverlamming, post traumatisch letsel), of syndromen of ziektes die een beenderige, musculaire of gewricht- aandoening veroorzaken (o.a. arthrogryposis multiplex congenita, ernstige kinderreuma), een spierziekte of spina-bifida, voor zover die handicap een zeer ernstige beperking in het schrijf- of spraakmotorisch functioneren veroorzaakt.

In geval van type 6 betekent “ernstige” handicap: een gezichtsscherpte, na optische correctie, van maximaal één tiende voor elk oog, en/of aangewezen zijn op brailleschrift.

In geval van type 7 betekent “ernstige” handicap: een gemiddeld hoorverlies van minstens 90 dB aan beide oren bepaald volgens de Fletcher-index en niet meer bereiken dan 40% foneemdiscriminatie in spraakaudiometrie, dat alles afgenomen zonder hoorapparatuur.

Matige handicap wordt omschreven als 'een handicap lichter dan een ernstige'.

Om te toetsen of voldaan is aan de kwalificatie ‘matig’ of ‘ernstig’ moet er medische informatie aangeleverd zijn. Het toekennen van de kwalificatie ‘matig’/’ernstig’ in kader van gon-ondersteuning is een beslissing die finaal door het CLB grondig onderbouwd en genomen wordt en waarvoor het bijgevolg een zekere beoordelingsmarge krijgt.

Om af te wijken van de strikte criteria bij ‘ernstig’ zijn er twee voorwaarden:

  • Medische informatie moet beschikbaar zijn;
  • Afwijking van de criteria moet grondig onderbouwd en gemotiveerd worden.

Vooral voor CVI stelden zich op dit punt problemen. Het bieden van marge heeft niet als bedoeling om elke leerling met CVI als ‘ernstig’ te gaan beschouwen. Bovendien spelen ook de onderwijsbehoeften nog een rol naast de medische problematiek.

In geval een leerling al gon-leerling was onder de kwalificatie “matige handicap” geeft de opmaak van een ‘gemotiveerd verslag’ of van een ‘verslag’ binnen hetzelfde type en met behoud van de kwalificatie “matige handicap” geen aanleiding tot opnieuw 2 jaar ondersteuning met 2 begeleidingseenheden.

2.2.3. Aard van de integratie

Bij de beschrijving van de aard van integratie wordt rekening gehouden met de volgende mogelijkheden:

1° Volledige en gedeeltelijke integratie.

Bij volledige integratie volgt de leerling alle lessen en activiteiten in het gewoon onderwijs.

Bij de gedeeltelijke integratie volgt de leerling minstens twee halve dagen per week gewoon onderwijs. Bij gedeeltelijke integratie worden het aantal lestijden/lesuren en de gevolgde leervakken en activiteiten in de gewone school vermeld. Zie ook de voorwaarden voor lesbijwoning in een andere school voor gewoon secundair onderwijs (omzendbrief SO/2011/03).

2° Permanente of tijdelijke integratie.

Men spreekt van permanente integratie wanneer de leerling ten minste vanaf 1 oktober tot en met 30 juni de lessen in het gewoon onderwijs volgt.

De integratie is tijdelijk wanneer dit niet het geval is.

2.2.4. ASS

2.2.4.1. De criteria uit het M-decreet voor ASS

Met het M-decreet werd een nieuw type 9 opgenomen in de structuur van het buitengewoon onderwijs. Het is bedoeld voor leerlingen met ASS, die niet voldoen aan de criteria van het type 2 (leerlingen met een verstandelijke beperking). Nieuwe gon leerlingen ASS en bestaande gon leerlingen ASS voor wie de situatie wijzigt zoals de overgang naar een ander onderwijsniveau4 moeten voldoen aan de criteria voor type 9 zoals bepaald in het M-decreet:

Kinderen of jongeren met een autismespectrumstoornis zijn kinderen of jongeren bij wie op basis van gespecialiseerde, door een multidisciplinair team aangeleverde diagnostiek, met inbegrip van psychiatrisch onderzoek, een van de volgende problematieken wordt vastgesteld:

a) de autistische stoornis;

b) een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet-anders-omschreven.

2.2.4.2. Verduidelijking over de multidisciplinaire diagnose

De verschillende CLB-netten werkten in overleg met de onderwijskoepels en de overheid richtlijnen uit over de vereiste multidisciplinaire diagnose. Deze richtlijnen werden naar de centra voor leerlingenbegeleiding gecommuniceerd.

Het multidisciplinair onderzoek met inbegrip van psychiatrisch onderzoek voor type 9 moet niet door een team gebeuren dat volledig extern is aan het CLB. Een multidisciplinair onderzoek door CLB in combinatie met psychiatrisch onderzoek volstaat, mits er overleg is geweest tussen CLB en psychiater in functie van een multidisciplinaire besluitvorming. Voor de classificerende diagnostiek voor type 9 worden diagnoses gesteld door een COS of een CAR als voldoende beschouwd.

Een diagnose op zich is echter niet voldoende. Als de onderwijsbehoeften niet van die aard zijn dat de inzet van de expertise type 9 vereist is, kan geen ‘gemotiveerd verslag’ of ‘verslag’ gemaakt worden.

Er is ook sprake van multidisciplinaire besluitvorming voor leerlingen die reeds beschikken over een kwaliteitsvolle monodisciplinaire diagnose wanneer de monodisciplinaire diagnose (op basis van psychiatrisch onderzoek) aangevuld kan worden met voldoende kwaliteitsvolle multidisciplinaire informatie vanuit het CLB-dossier en vanuit de begeleiding van de leerling en contacten met zijn ouders en het schoolteam en wanneer er heel duidelijke onderwijsbehoeften zijn die de inzet van expertise van type 9 vereisen. Het multidisciplinair CLB-team verrijkt de monodisciplinaire diagnose en op basis van alle informatie wordt multidisciplinair geoordeeld of een ‘gemotiveerd verslag’ of ‘verslag’ kan opgemaakt worden.

2.2.4.3. Leerlingen met ASS: kwalificatie matig/ernstig

Leerlingen in BuBaO en BuSO die beschikken over een ‘gemotiveerd verslag’ of ‘verslag’ type 9 (of in de overgangsperiode over een inschrijvingsverslag voor een ander type van buitengewoon onderwijs), kunnen voor hun ASS enkel de kwalificatie 'matig' krijgen. Leerlingen die een kwalificatie 'ernstig' hadden in het schooljaar 2005/2006 of eerder mogen deze kwalificatie behouden.

2.3. gon Hoger onderwijs

Om toegelaten te worden tot het geïntegreerd hoger onderwijs moet de student:

1° voldoen aan de toelatingsvoorwaarden die gelden voor het hoger onderwijs;

2° beschikken over een ‘gemotiveerd verslag’, opgesteld door een studentenbegeleidingsdienst,

  • waaruit blijkt dat de student reeds geïntegreerd secundair onderwijs of buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4 heeft gevolgd;
  • waarin een analyse gemaakt wordt van de remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, nodig om de student met functiebeperkingen toe te laten een hoger onderwijscurriculum te doorlopen;
  • waaruit blijkt dat de student voldoet aan de criteria van de types 3, 4, 6, 7 of 9 van buitengewoon secundair onderwijs;
  • met een beschrijving van de aard van de ondersteuning die de school voor buitengewoon onderwijs zal bieden als antwoord op de onderwijs- en ondersteuningsbehoeften, in termen van algemene of handicap-specifieke expertise die geboden zal worden;
  • met een beschrijving van eventuele ondersteuning door onderwijsexterne diensten;
  • met een beschrijving van de aard van de integratie;
  • met de identificatiegegevens van de student, de hogeschool, het CLB dat het ‘gemotiveerd verslag’ opmaakt en van de school voor buitengewoon onderwijs. Deze partijen bevestigen hun engagement via een handtekening;
  • met de datum van ondertekening en de ingangsdatum van het ‘gemotiveerd verslag’.

Leerlingen die nooit gon kregen in het secundair onderwijs of geen les volgden in OV4 kunnen geen aanspraak maken op gon in het hoger onderwijs. Leerlingen met volledig tijdelijke gon in het secundair onderwijs worden niet beschouwd als leerlingen die reeds “geïntegreerd secundair onderwijs” kregen.

Een student die reeds voor het academiejaar 2015-2016 toegelaten werd tot het geïntegreerd hoger onderwijs op basis van een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs blijft gon-student onder dezelfde voorwaarden als voor het M-decreet (overgangsmaatregel). Er wordt pas een ‘gemotiveerd verslag’ opgemaakt bij wijziging van aard en ernst van de functiebeperking. 

Opgelet: Vermits er in het academiejaar 2016-2017 nog geen ‘gemotiveerde verslagen’ opgesteld door een studentenbegeleidingsdienst voor het hoger onderwijs beschikbaar zijn, wordt de overgangsmaatregel die van kracht was tijdens het academiejaar 2015-2016 verlengd voor het academiejaar 2016-2017: als een leerling geïntegreerd secundair onderwijs of buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4 heeft gevolgd op basis van een gemotiveerd verslag, een verslag of inschrijvingsverslag, dan kan die student toegelaten worden tot het geïntegreerd hoger onderwijs. Hij moet nog wel voldoen aan de toelatingsvoorwaarden die gelden voor het hoger onderwijs.

Op het inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs van opleidingsvorm 4 van de leerlingen die les hebben gevolgd in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4 moet de kwalificatie matig/ernstig door het CLB toegevoegd worden in geval van de types 4, 6 en 7 (dit gebeurt best via een addendum).

Indien er een typewijziging nodig is in functie van het academiejaar 2016-2017, blijft het CLB bevoegd voor die wijziging. Indien een CLB een inhoudelijke wijziging wil doen in een reeds bestaand inschrijvingsverslag, of in een gemotiveerd verslag, (bvb. verandering type) voor het hoger onderwijs, kan ze dit enkel doen bij de overgang van het buitengewoon secundair onderwijs OV4 of gewoon secundair onderwijs naar het hoger onderwijs. In dat geval moet het CLB hiervoor een nieuw gemotiveerd verslag opstellen, cfr. de richtlijnen die gelden in het secundair onderwijs. Het CLB kan hierbij geen inschatting maken van de benodigde aanpassingen in het hoger onderwijs, maar ze moet wel een korte stand van zaken opmaken van hoe de leerling in het buitengewoon secundair onderwijs of gewoon secundair onderwijs is ondersteund geworden en de onderwijsnoden/nood aan aanpassingen van de leerling in het secundair onderwijs kaart brengen.

Er zijn geen wijzigingen van gemotiveerde verslagen, verslagen of inschrijvingsverslagen of opmaak van nieuwe gemotiveerde verslagen mogelijk door CLB als een student zijn loopbaan in het hoger onderwijs al gestart is. CLB’s zijn daarvoor niet bevoegd. Indien wijzigingen nodig zijn of de toevoeging van de kwalificatie matig/ernstig in geval van type 4, 6 en 7 of nieuwe gemotiveerde verslagen gemaakt moeten worden, kan dit enkel bij de overgang van het secundair onderwijs naar het hoger onderwijs.

3. De gon-ondersteuning

3.1. Waaruit bestaat de gon-ondersteuning?

Om gon-ondersteuning te kunnen geven in een school voor gewoon onderwijs, ontvangen scholen voor buitengewoon onderwijs gon-begeleidingseenheden. Die begeleidingseenheden kunnen, naargelang de aard van de ondersteuningsnoden van leerlingen, leraren en scholen, omgezet worden in lestijden en lesuren onderwijzend personeel of uren paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

Momenteel bestaan er in het kader van het gon/ion verschillende aparte financieringsstromen om ondersteuning aan scholen toe te kennen, elk met een eigen systematiek: gon-begeleidingseenheden, ion-lestijden en afwijkingslestijden, -lesuren en –uren gon ASS. Het bestaan van deze verschillende financieringsstromen vergroot de complexiteit voor scholen en staat synergiën in de weg. Daarom wordt er in het overgangsschooljaar 2016-2017 voor gekozen om de volgende bestaande middelen samen te voegen:

1° het bevroren gon-pakket, uitgedrukt in begeleidingseenheden, op basis van de telling van gon-leerlingen op 1 oktober 2014. De gon-zending van 1/10/2014 bevatte 13.382 gon-leerlingen (8.808 gon-leerlingen basisonderwijs en 4.574 gon-leerlingen secundair onderwijs) die een totaal pakket van 29.277 begeleidingseenheden genereerden (18.817 begeleidingseenheden voor basisonderwijs en 10.640 begeleidingseenheden voor secundair onderwijs).

2° de gon-afwijkingslestijden/lesuren en uren ASS (constant pakket): voor het buitengewoon basisonderwijs bedroegen de gon-afwijkingslestijden en –uren ASS: 861 lestijden en 795 uren, voor het buitengewoon secundair onderwijs 748 lesuren en 132 uren.

3° de lestijden/lesuren ion type 2 (situatie schooljaar 2015-2016): 141 leerlingen x 5,5 lestijden/lesuren = afgerond 776 lestijden/lesuren).

Het grootste pakket omkadering wordt momenteel al uitgedrukt in begeleidingseenheden (29.277 begeleidingseenheden gon). Omdat we de verschillende financieringsstromen integreren, drukken we de gon-afwijkingslestijden/lesuren en uren ASS en de ion-lestijden ook uit in begeleidingseenheden.

Dit betekent concreet dat de netgebonden commissies (zie punt 3.2.1. en 3.2.2.) over de volgende pakketten beschikken om te verdelen aan de scholen voor buitengewoon onderwijs:

1° voor het gesubsidieerd vrij onderwijs: 13.113 begeleidingseenheden voor het basisonderwijs en 8.193 begeleidingseenheden voor het secundair onderwijs;

2° voor het gesubsidieerd officieel onderwijs: 2.229 begeleidingseenheden voor het basisonderwijs en 1.374 begeleidingseenheden voor het secundair onderwijs;

3° voor het GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap: 5.707 begeleidingseenheden voor het basisonderwijs en 1.971 begeleidingseenheden voor het secundair onderwijs.

Bij tekorten aan begeleidingseenheden in het ene onderwijsniveau en overschotten in het andere, kunnen begeleidingseenheden niveau-overschrijdend gebruikt worden bij de verdeling.

De begeleidingseenheden worden teamgericht, leerkrachtgericht of leerlinggericht aangewend.

Via het werkingsbudget wordt een integratietoelage toegekend. Hiermee worden o.a. de verplaatsingen van de personeelsleden van het buitengewoon onderwijs naar het gewoon onderwijs betaald.

3.2. Criteria voor het berekenen en verdelen van de gon-begeleidingseenheden

3.2.1. Teldag.

Voor de berekening van de gon-ondersteuning (eenheden en integratietoelage) worden de regelmatige leerlingen van het geïntegreerd onderwijs in aanmerking genomen op de eerste schooldag van de maand oktober van het lopende schooljaar.

In afwijking hiervan werden voor het schooljaar 2015-2016 aan de dienstverlenende gon-scholen buitengewoon onderwijs dezelfde begeleidingseenheden toegekend als in het schooljaar 2014-2015 (bevriezing van de gon-ondersteuning). De punten voor de integratietoelage werden toen niet bevroren. De berekening van de integratietoelage werd decretaal niet aangepast omdat de scholen voor buitengewoon onderwijs in het schooljaar 2015-2016 integratietoelagen uitbetaald krijgen op basis van de gon-leerlingen van 1/10/2014 (die in het schooljaar 2014-2015 ook effectief werden begeleid). Voor het schooljaar 2016-2017 wordt wel een decretaal initiatief genomen om een correctie te kunnen doorvoeren op de integratietoelagen horende bij de bevroren gon-eenheden van 1 oktober 2014. Het leerlingenaantal in de gon-zending van 1/10/2015 lag lager dan 1/10/2014 maar door de bevriezing werden in het schooljaar 2015-2016 wel begeleidingen ‘a rato’ van de gon-populatie 2014-2015 uitgevoerd. Zonder decretale aanpassing van de toekenning van de integratietoelage zou deze voor de uitbetaling in het schooljaar 2016-2017 berekend worden op de gon-leerlingen van de zending van 1/10/2015, wat niet overeenkomt met de leerlingen die effectief begeleid werden in het schooljaar 2015-2016.

Ook voor het schooljaar 2016-2017 worden de gon-begeleidingseenheden, samengesteld vanuit de drie afzonderlijke financieringsstromen (zie 3.1.), bevroren. Dit gebeurt nu niet op niveau van de individuele gon-scholen buitengewoon onderwijs maar op niveau van het net.

Per onderwijsnet (GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, gesubsidieerd vrij onderwijs en gesubsidieerd officieel onderwijs) werd een commissie opgericht bestaande uit een gelijke vertegenwoordiging van leden van het onderwijsnet en de vakorganisaties.
De commissies verdelen de begeleidingseenheden in functie van het schooljaar 2016-2017, op verzoek van de scholen voor buitengewoon onderwijs voor de gon leerlingen/studenten die bij hen werden aangemeld en in het schooljaar/academiejaar 2016-2017 zullen begeleid worden, rekening houdend met de criteria, vermeld in de tabellen, opgenomen in bijlage 1 bij deze omzendbrief. De commissies moeten bij de verdeling rekening houden met een prioritering.

De overige informatie in deze omzendbrief moet in het kader van deze “bevriezing” gelezen worden.

De teldag voor de toekenning van gon-begeleidingseenheden aan individuele dienstverlenende scholen voor buitengewoon onderwijs voor het schooljaar 2016-2017, blijft de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar (= maandag 3 oktober 2016). De gon-zending van 3 oktober 2016 blijft voorwerp van verificatie.

De bevriezing van de globale pot aan te verdelen gon-begeleidingseenheden per net is op basis van de telling van 1 oktober 2014, zoals toegelicht onder punt 3.1..

3.2.2. Verdeling van de begeleidingseenheden door de netgebonden commissies

De commissies verdelen de begeleidingseenheden in twee schijven:

1° een eerste schijf vóór 30 juni 2016 voor de al geïdentificeerde gon-leerlingen en studenten;

2° een tweede schijf na 3 oktober 2016 voor leerlingen en studenten die na 30 juni 2016 en uiterlijk op 3 oktober 2016 geïdentificeerd zijn en aan al de voorwaarden vermeld onder punt 2.1. voldoen.

De commissies maken afspraken met de scholen voor buitengewoon onderwijs over de wijze waarop de gegevens van de gon-leerlingen en studenten op geaggregeerd niveau doorgegeven worden aan de commissies.

De commissies houden bij het verdelen van de begeleidingseenheden aan de scholen voor buitengewoon onderwijs rekening met de volgende prioritering:

1° bij de verdeling van de eerste schijf:

a) leerlingen en studenten die in het schooljaar 2015-2016 als gon-leerling of gon-student ondersteuning kregen op basis van een inschrijvingsverslag, een gemotiveerd verslag of een verslag type 4, 6 en 7 (auditieve beperking) volgens de criteria van de types zoals ingeschreven in het M-decreet;

b) leerlingen en studenten die in het schooljaar 2015-2016 als gon-leerling of gon-student ondersteuning kregen op basis van een ander inschrijvingsverslag, een ander gemotiveerd verslag of een ander verslag dan de verslagen, vermeld in punt a);

c) leerlingen die in het schooljaar 2015-2016 ondersteuning kregen in het gewoon lager of gewoon secundair onderwijs op basis van een inschrijvingsverslag of een verslag type 2;

d) leerlingen en studenten met een inschrijvingsverslag, een gemotiveerd verslag of een verslag, die niet beantwoorden aan de criteria, vermeld in punt a) tot en met c). Deze leerlingen en studenten worden door centra voor leerlingenbegeleiding aangemeld bij de school voor buitengewoon onderwijs die de begeleiding in het schooljaar 2016-2017 zal opnemen. Een aanmelding kan maar op voorwaarde dat er een traject van handelingsgerichte diagnostiek is doorlopen en een gemotiveerd verslag of een verslag kan worden afgeleverd. De centra registreren die leerlingen in het leerlingen administratie- en registratiesysteem in de rubriek formaliseren attest.

2° bij de verdeling van de tweede schijf:

e) leerlingen en studenten die voldoen aan de criteria, vermeld in punt 1°, a) tot en met d), maar die bij de eerste schijf niet werden doorgegeven;

f) nieuwe gon-leerlingen en studenten met een gemotiveerd verslag of een verslag type 4, 6 en 7 auditieve beperking, of, voor het hoger onderwijs, studenten met een inschrijvingsverslag type 4, 6 en 7 (auditieve beperking)

g) nieuwe leerlingen in het gewoon lager onderwijs of het gewoon secundair onderwijs met een verslag type 2;

h) nieuwe leerlingen en studenten met een gemotiveerd verslag of een verslag, die niet beantwoorden aan de criteria, vermeld in f) en g).

Als er na de verdeling van de twee schijven nog begeleidingseenheden overblijven kunnen die, na overleg in de stuurgroep gon, door de commissies verdeeld worden onder scholen voor buitengewoon onderwijs in functie van de ondersteuning van scholen voor gewoon onderwijs of instellingen van hoger onderwijs met leerlingen of studenten die niet meer beantwoorden aan de voorwaarden voor gon-ondersteuning.

De commissies houden bij de verdeling van de begeleidingseenheden maximaal rekening met:

1° de netoverschrijdende samenwerking tussen scholen voor buitengewoon onderwijs en gewoon onderwijs;

2° het clusteren van de begeleidingseenheden om de ondersteuning in een school voor gewoon onderwijs vanuit verschillende scholen voor buitengewoon onderwijs zo veel mogelijk te beperken, met inachtneming van de gevolgen van het clusteren van de begeleidingseenheden op de tewerkstelling van personeelsleden in scholen voor buitengewoon onderwijs die in het schooljaar 2015-2016 als ondersteuner in het gewoon onderwijs werden ingezet.

De definitieve toekenning van de begeleidingseenheden aan de dienstverlenende scholen voor buitengewoon onderwijs blijft gebeuren door AgODi door middel van een dienstbrief, na controle en verificatie van de GON-zending van 3 oktober 2016.

3.2.3. Het type en de ernst van de handicap.

Voor verdere toelichting, zie 2.2.1. en 2.2.2. en bijlage 1.

3.2.4. Aard van de integratie.

Voor verdere toelichting, zie 2.2.3. en bijlage 1.

3.2.5. De leeftijd.

Belangrijk voor type basisaanbod. Voor verdere toelichting, zie bijlage 1.

3.3. Begeleidende BO-school.

De gon-begeleiding wordt bij voorkeur gegeven door een school die het type van buitengewoon onderwijs organiseert waarnaar de leerling georiënteerd is. Vermits het bij de leerlingen met type basisaanbod gaat om reïntegratie, is het aangewezen dat de begeleiding van deze leerlingen gebeurt vanuit de school die de leerlingen voordien bezochten. De gon-begeleiding kan evenwel ook vanuit een andere school voor buitengewoon onderwijs komen.

De gon-begeleiding kan ook verstrekt worden vanuit een school behorend tot een ander net dan datgene waartoe de school voor gewoon onderwijs behoort en over de onderwijsniveaus heen.

Voor de leerlingen die Gedeeltelijk Tijdelijk of Gedeeltelijk Permanent geïntegreerd onderwijs volgen, wordt de gon-begeleiding bij voorkeur verleend door de school voor buitengewoon onderwijs waar de overige lessen en activiteiten worden gevolgd.

4. Waar telt de betrokken gon-leerling voor de berekening van de personeelsomkadering en werkingsmiddelen en heeft hij recht op leerlingenvervoer?

Dit is afhankelijk van de school waar de betrokken gon-leerling is ingeschreven en dit is op zijn beurt afhankelijk van de aard van de integratie.

4.1. Volledige Permanente integratie :

a) in de school voor gewoon onderwijs of in de instelling voor hoger onderwijs: voor de berekening van de personeelsomkadering, de werkingsmiddelen en alle andere voorzieningen, zoals alle andere regelmatige leerlingen of studenten;

b) in de school voor buitengewoon onderwijs: uitsluitend voor de integratietoelage en de begeleidingseenheden volgens de criteria van de tabellen in bijlage 1 bij de omzendbrief.

Deze leerlingen komen niet in aanmerking voor het leerlingenvervoer van het buitengewoon onderwijs.

4.2. Volledige Tijdelijke integratie :

a) de leerlingen worden tot hun overgang naar de school voor gewoon onderwijs op dezelfde wijze in rekening gebracht als de leerlingen die voltijds buitengewoon onderwijs volgen: voor de berekening van de personeelsomkadering, de werkingsmiddelen en de andere voorzieningen van de school voor buitengewoon onderwijs en voor het leerlingenvervoer;

b) de leerlingen worden, indien voldaan is aan de toelatings- en overgangsvoorwaarden, vanaf hun overgang naar de school voor gewoon onderwijs op dezelfde wijze en volgens dezelfde wettelijke en reglementaire bepalingen in rekening gebracht als de leerlingen van de school voor gewoon onderwijs voor de berekening van de personeelsomkadering, de werkingsmiddelen en de andere voorzieningen.

Uiteraard moet voor het voorafgaande steeds rekening gehouden worden met de respectieve teldata. Het is niet de bedoeling dat de leerling op twee plaatsen in rekening gebracht wordt.

Voorbeeld :

Een leerling volgt tot op 18 november 2014 alle lessen in een school voor buitengewoon onderwijs, waar hij ook het voorgaande schooljaar de lessen volgde. Vanaf 21 november volgt deze leerling de lessen volledig in het gewoon onderwijs.

Deze leerling is op 1 oktober 2014 in het buitengewoon onderwijs en komt er in aanmerking voor de rationalisatienormen.

Op 1 februari 2014 was de leerling in het buitengewoon onderwijs, hij wordt voor de personeelsomkadering, de werkingstoelagen... voor het schooljaar –2014-2015 in deze school verrekend.

Op 1 februari 2015 is de leerling in de school voor gewoon onderwijs, hij wordt voor de personeelsomkadering, de werkingstoelagen... voor het schooljaar –2015-2016 in de school voor gewoon onderwijs verrekend.

Voor de tijdelijke vormen van integratie (tijdelijk-gedeeltelijk en tijdelijk-volledig) worden geen gon-begeleidingseenheden toegekend.

4.3. Gedeeltelijke integratie :

Leerlingen die Gedeeltelijk geïntegreerd onderwijs volgen, hetzij Permanent, hetzij Tijdelijk :

a) worden in de school voor buitengewoon onderwijs in rekening gebracht zoals de andere regelmatige leerlingen van de school voor de berekening van de personeelsomkadering, de werkingsmiddelen en de andere voorzieningen.

Ze kunnen eveneens genieten van het recht op leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs behalve voor de verplaatsingen naar de school voor gewoon onderwijs.

b) komen in de school voor gewoon onderwijs niet in aanmerking voor de berekening van de personeelsomkadering en de werkingsmiddelen.

Bij permanent-gedeeltelijke integratie wordt alleen een integratietoelage toegekend. De puntengewichten bedragen voor het buitengewoon basisonderwijs: puntengewicht 1,1 en voor het BUSO: puntengewicht 2.

Gedeeltelijke integratie kan nooit gon-begeleidingseenheden genereren.

De betrokken scholen kunnen in het kader van een flexibele inzet van bestaande gon-begeleidingseenheden afspreken om eventueel ook voor deze leerlingen begeleiding te voorzien.

5. Aanwending gon-begeleidingseenheden.

5.1. gon-lestijden/lesuren of uren.

Het schoolbestuur beslist jaarlijks over de aanwending van de gon-begeleidingseenheden in lestijden/lesuren of uren.

De school voor buitengewoon onderwijs wendt haar toegekende gon-begeleidingseenheden aan voor de oprichting van een betrekking in een ambt van onderwijzend personeel of in een ambt van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

Bij de aanstelling in het betrokken ambt wordt de bestaande reglementering inzake de bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen toegepast. De personeelsleden worden aangesteld in scholen voor buitengewoon onderwijs.

De geldende personeelsregelgeving die van toepassing is in het buitengewoon onderwijs is volledig van toepassing op deze betrekkingen en op de personeelsleden die in de betrekking worden aangesteld.

De keuze voor een welbepaald ambt heeft dan ook bepaalde consequenties voor het schoolbestuur. Eéns gekozen over de wijze waarop de gon-lestijden/lesuren of uren uit de gon-begeleidingseenheden worden aangewend, moet het schoolbestuur de regels toepassen betreffende de verdeling van de betrekkingen onder de vastbenoemde titularissen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en de regels betreffende tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

Zo moet het schoolbestuur de gon-lestijden/lesuren of uren gebruiken om een terbeschikkingstelling te voorkomen of te verminderen van een personeelslid dat vast benoemd is in het gekozen ambt en geheel of gedeeltelijk ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking.

De gon-lestijden/lesuren of uren komen ook in aanmerking voor vacantverklaring met het oog op vaste benoeming. Meer informatie over deze procedure en over de vaste benoeming vindt u in de omzendbrief 13CC/VB/Ml van 29/11/1999 - Vaste benoeming - Procedure, voorwaarden en mededeling aan het Departement Onderwijs.

In de lestijden/lesuren voor ION en ASS was geen vaste benoeming mogelijk. Ingevolge de integratie met de gon-begeleidingseenheden vanaf 2016-2017, is vaste benoeming mogelijk in de totaliteit van de lestijden/lesuren of uren ingericht in de geïntegreerde gon-begeleidingseenheden.

5.2. Hoe worden de gon-begeleidingseenheden gedefinieerd?

De begeleidingseenheden worden gelijkgesteld met :

a) Indien de gon-begeleiding onderwijskundig is :

- in het buitengewoon basisonderwijs : alle ambten van het onderwijzend personeel;

- in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 1 : alle ambten van het onderwijzend personeel;

- in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvormen 2 en 3 : alle ambten van het onderwijzend personeel, ingeval van lesuren BGV wordt de specialiteit vermeld wanneer de leraar BGV een opdracht heeft in opleidingsvorm 3;

- in het buitengewoon secundair onderwijs van de opleidingsvorm 4 : alle ambten van het onderwijzend personeel.

b) Indien de gon-begeleiding niet onderwijskundig is :

- uren waaruit de disciplines van psycholoog, arts, verpleger, logopedist, kinesitherapeut, ergotherapeut, maatschappelijk werker, orthopedagoog of kinderverzorger geput kunnen worden.

5.3. Hoe wordt het gon-team samengesteld?

Het aantal eenheden dat voor een voltijdse betrekking dat in een bepaald ambt of discipline uit het pakket begeleidingseenheden moet worden geput bedraagt :

- voor een arts, psycholoog of orthopedagoog : 40 eenheden

- voor een kinesitherapeut, ergotherapeut, kinderverzorger, verpleger en maatschappelijk werker : 32 eenheden

- voor een logopedist : 30 eenheden

- voor een leerkracht ASV of levensbeschouwelijke vakken: 22 eenheden

- voor een leerkracht BGV : 24 eenheden

* In het buitengewoon secundair onderwijs (OV 4) geldt hetzelfde principe als in het gewoon secundair onderwijs :

- voor een leraar AV, TV en PV in de eerste graad : 22 eenheden

- voor een leraar AV en TV in de tweede graad en derde graad : 21 of 20 eenheden

- voor een leraar PV in de tweede en derde graad : 29 eenheden.

Voorbeeld :

Een BuBaO-school beschikt over een gon-pakket van 120 eenheden. In dit gon-pakket kan de school het volgende gon-team aanstellen :

Een voltijdse leerkracht (22 eenheden)

Een voltijdse logopedist (30 eenheden)

Een halftijdse kinesitherapeut (16 eenheden)

Drie halftijdse ergotherapeuten (48 eenheden)

Een deeltijdse orthopedagoog (4 eenheden)

5.4. Overdracht gon.

In het kader van de overdracht van lestijden en uren kunnen ook gon-lestijden/lesuren en uren overgedragen worden naar een andere BO-school van hetzelfde onderwijsniveau.

Raadpleeg in dit verband voor het basisonderwijs omzendbrief BaO/2005/10 van 29/06/2005 en voor het secundair onderwijs artikel 20 en artikel 313, §2 van de Codex Secundair Onderwijs. Voor het secundair is de overdracht enkel mogelijk naar een andere school van secundair onderwijs binnen hetzelfde net of binnen dezelfde scholengemeenschap.

Gon-lestijden/lesuren en uren overdragen naar een volgend schooljaar is onmogelijk.

De overdracht moet vóór 15 oktober van het lopende schooljaar gebeuren in het basisonderwijs en tot uiterlijk 1 november van het lopende schooljaar gebeuren in het secundair onderwijs.

5.5. Flexibiliteit van het gon-pakket.

Het gon-pakket wordt bepaald aan de hand van het aantal gon-leerlingen die de school voor buitengewoon onderwijs begeleidt op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. Dit gon-pakket dient zo efficiënt mogelijk ingezet te worden in het belang van en volgens de wisselende behoeften van de gon-leerlingen en hun scholen.

Om dit te bereiken kan, in overleg met de gon-partners, het gon-pakket flexibel worden aangewend.

De gon-scholen voor buitengewoon onderwijs kunnen bij de aanwending van de begeleidingseenheden afwijken van de toepassing van het aantal begeleidingseenheden per week per leerling of student zoals die vermeld zijn in de tabellen in bijlage 1 bij deze omzendbrief. Die afwijking kan op voorwaarde dat de scholen:

1° de flexibele aanwending kunnen motiveren vanuit de reële ondersteuningsbehoeften in scholen voor gewoon onderwijs;

2° tot de flexibele aanwending beslissen in overleg met al de volgende betrokken actoren: de ouders en de leerling, de school voor gewoon onderwijs, de personeelsleden die de ondersteuning bieden, en het CLB;

3° het maximale aantal begeleidingseenheden dat aan de school toegekend is, niet overschrijden.

De flexibele aanwending heeft betrekking op:

1° het aantal begeleidingseenheden in plus en min, dat per leerling in vergelijking met de criteria, vermeld in de tabellen van bijlage 1, wordt aangewend;

2° de intensiteit van de ondersteuning, die in de loop van het schooljaar op weekbasis kan verschillen.

6. Prestatieregeling.

Het aantal eenheden dat voor een voltijdse betrekking uit het pakket wordt geput, houdt verband met de loonkost maar staat los van de inhoud van hoofdopdracht.

De inhoud van deze hoofdopdracht is dezelfde als deze voor de andere personeelsleden in de scholen voor buitengewoon onderwijs.

Zie omzendbrieven :

- BaO/97/8 Prestatieregeling van 17/06/1997.

- PERS/2002/12 Maatregel vanaf het schooljaar 2002-2003 betreffende de oprichting van ambten in het paramedisch, medisch, orthopedagogisch, psychologisch en sociaal personeel in het buitengewoon secundair onderwijs van 10-07-2002.

- SO/2007/04(pers) Prestatieregeling van de personeelsleden aangesteld in een ambt in het buitengewoon secundair onderwijs.

7. Doorsturen van de gon - gegevens.

Scholen voor buitengewoon onderwijs sturen de gegevens van de gon-leerlingen, die zij begeleiden, via elektronische weg naar het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

De verschillende softwareleveranciers zijn verantwoordelijk voor het tijdig aanreiken van een aangepast programma dat voldoet aan de technische vereisten om een correcte zending te kunnen aanmaken.

Informatie in verband met de zending van de leerlingengegevens vindt u terug in volgende omzendbrieven :

Voor het basisonderwijs :

Zending van leerlingengegevens in het basisonderwijs ref : BaO/2008/03.

Voor het secundair onderwijs :

Ministeriële omzendbrief van 30 augustus 2007 betreffende de zendingen van leerlingengegevens in het secundair onderwijs en in de centra deeltijdse vorming ref : SO/2007/05

Tegen uiterlijk 9 oktober stuurt de BO-school zijn zending naar het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

Voor informatie in verband met de elektronische zending kunt u terecht bij :

Voor het basisonderwijs :

Agentschap voor Onderwijsdiensten

Afdeling Basisonderwijs, DKO en CLB – Scholen en Leerlingen

Koning Albert II-laan 15

1210 Brussel

Tel : 02 553 92 35

E-mail : leerlingenzendingen.basisonderwijs@vlaanderen.be

Voor het secundair onderwijs :

Agentschap voor Onderwijsdiensten

Afdeling Secundair Onderwijs - Scholen en Leerlingen

T.a.v. Mieke Van De Casteele

Koning Albert II-laan 15

1210 Brussel

Tel : 02/ 553 87 40

E-mail : Annemarie.vandecasteele@ond.vlaanderen.be

Vanaf begin september kunnen BO-scholen bezocht worden door de verificateur die de controle van de documenten uitvoert.

De commissies rapporteren eveneens tegen uiterlijk 9 oktober 2016, gedetailleerd aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten over de begeleidingseenheden die ze hebben toegekend aan elke school voor buitengewoon onderwijs.

Scholen die een beroep wensen te doen op de ondersteuning van de netcoördinatoren vinden in bijlage 2 hun adressen.

Controle van de documenten in de school

De verificatie zal de financierbaarheid of subsidieerbaarheid van gon-leerlingen nagaan in functie van de correcte berekening van de gon-lestijden/lesuren of uren en integratietoelage in het kader van het geïntegreerd onderwijs door het schoolbeheerteam.
Ze zal nagaan of er op de teldag een geldig ‘gemotiveerd verslag’, ‘verslag’ of inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs aanwezig is. Een aantal kenmerken (type en opleidingsvorm, aard van de integratie en ernst van de handicap) hebben een impact op de berekening van het gon-pakket begeleidingseenheden. Voor deze kenmerken zal de verificatie de gegevens zoals ze op het ‘gemotiveerd verslag’, ‘verslag’ of inschrijvingsverslag vermeld zijn door het CLB in aanmerking nemen. Het kwaliteitstoezicht op de verslaggeving door de centra voor leerlingenbegeleiding is met het M-decreet uitdrukkelijk toegewezen aan de onderwijsinspectie.

De onderwijsinspectie zal in het kader van haar reguliere doorlichtingen toezicht houden op de aanwending van de begeleidingseenheden. In overleg met de verificatie en de Onderwijsinspectie moeten volgende documenten aanwezig zijn :

a) In de school voor gewoon onderwijs :

Voor de verificatie (telling) : Geen specifieke gon-documenten

Voor de inspectie : Voor de kwaliteitscontrole door de onderwijsinspectie moet het ‘gemotiveerd verslag’, ‘verslag’ of inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs én een uurrooster van de gon-begeleider(s) aanwezig zijn.

b) In de school voor buitengewoon onderwijs :

Voor de verificatie :

- het ‘gemotiveerd verslag’, ‘verslag’ of inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs;

- het stamboekregister op de eerste schooldag van oktober

8. Melden van de gon-aanstellingen :

De gon-aanstellingen worden gemeld met de vakcode 595. Omdat de middelen voor ION en ASS in 2016-2017 samengevoegd worden met die van gon en omdat vaste benoeming mogelijk is in de totaliteit van de geïntegreerde gon-middelen, mag u vanaf 1 september 2016 de vakcodes 795 (ION) en 885 (GON-ASS) niet meer gebruiken.

Voorbeeld 1 (basisonderwijs) :

Een voltijds vastbenoemde onderwijzer ASV wordt voor 4 lestijden aangesteld in gon ; de elektronische zending ziet er als volgt uit :

U maakt één bericht met daarin twee opdrachten :

RL 1 / onderwijzer ASV / ATO 4 / 18 u / einddatum oneindig

RL 1 / onderwijzer ASV / ATO 4 / 4 u / gon (vakcode 595) / einddatum oneindig

Voorbeeld 2 ( geldig voor basis- en secundair onderwijs) :

Een voorrangsgerechtigde logopediste krijgt een tijdelijke aanstelling voor een voltijdse opdracht ; van deze 30u staat zij 15u ter vervanging van een vastbenoemde collega die met halftijdse loopbaanonderbreking is, 6u in een vacante betrekking gon en 9u in een gewone vacante betrekking; de elektronische zending ziet er als volgt uit :

U maakt één bericht met daarin :

RL 1 / logopedist / ATO 1 / 15 u / TADD / ter vervanging van mevr. X, afwezig wegens GLBO /einddatum 31.08.......

RL 1 / logopedist / ATO 2 / 6 u / gon (vakcode 595) / TADD / einddatum 31.08.......

RL 1 / logopedist / ATO 2 / 9 u / TADD / einddatum 31.08. ......

Merk op : vermits de gon-uren telkens voor één schooljaar worden toegekend, mag de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) slechts tot 31 augustus gemeld worden.

Voorbeeld 3 (secundair onderwijs) :

Een leraar BGV die voor 20 lesuren vastbenoemd is, wordt bijkomend benoemd voor 4 lesuren gon; de elektronische zending ziet er als volgt uit :

Eén bericht met daarin twee opdrachten :

RL 1 / leraar BGV / ATO 4 / 20 u / einddatum oneindig

RL 1 / leraar BGV / ATO 4 / 4 u / gon (vakcode 595) /einddatum oneindig

9. Bijlagen

- (1): Voor leerlingen die met een individueel aangepast curriculum in een gewone school les volgen

- (2): De overgang van kleuteronderwijs naar lager onderwijs wordt in dit verband niet beschouwd als een “wijziging van onderwijsniveau”

- (3): De overgang van kleuteronderwijs naar lager onderwijs wordt in dit verband niet beschouwd als een “wijziging van onderwijsniveau”

- (4): De overgang van kleuteronderwijs naar lager onderwijs wordt in dit verband niet beschouwd als een “wijziging van onderwijsniveau”