Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de volledige tenlasteneming door de werkgever in de onderwijssector van de vervoerskosten voor het openbaar vervoer naar en van het werk en de toekenning van een fietsvergoeding voor het woon-werkverkeer

  • goedkeuringsdatum
    08 JULI 2011
  • publicatiedatum
    B.S.09/08/2011
  • datum laatste wijziging
    01/01/2018

COORDINATIE

Arr. nr. 230.083 dd. 3-2-2015 - B.S. 5-3-2015

B.Vl.R. 28-10-2016 - B.S. 29-12-2016

B.Vl.R. 8-12-2017 - B.S. 23-01-2018

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek, artikel XI.2 en XI.3;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende de tegemoetkoming van de werkgevers in de onderwijssector in de vervoerkosten van hun personeelsleden;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 22 april 2010;

Gelet op protocol nr. 724 van 16 juli 2010 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X en van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op protocol nr. 491 van 16 juli 2010 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in het overkoepelend onderhandelingscomité, vermeld in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op protocol nr. 31 van 16 juli 2010 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de vergadering van het Vlaams onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs;

Gelet op advies 48.592/1/V van de Raad van State, gegeven op 7 september 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° fiets :

a) een vervoermiddel met twee of meer wielen dat voortbewogen wordt door op pedalen te trappen;

b) een elektrische fiets;

c) een speedpedelec;

1° /1 elektrische fiets: een vervoermiddel met twee of meer wielen dat voortbewogen wordt door op pedalen te trappen en waarvan de trapondersteuning wegvalt boven de 25 kilometer per uur;

1° /2 speedpedelec: een vervoermiddel met twee of meer wielen dat voortbewogen wordt door op pedalen te trappen met een maximaal vermogen van 4 kW en een ondersteuning tot maximaal 45 kilometer per uur, waarbij de motor alleen werkt als je zelf trapt;

Deze verkrijgen een fietsvergoeding als ze in overeenstemming zijn zoals bepaald in het algemeen regelement op de politie van het wegverkeer.

2° woon-werkverkeer : de verplaatsing van en naar het werk met het openbaar vervoer en/of met de fiets vanaf de wettelijke woonplaats, maar ook vanaf de verblijfplaats als het personeelslid :

a) gedurende een bepaalde periode of op geregelde tijdstippen op een ander adres dan het domicilieadres verblijft, en;

b) de werkgever op de hoogte heeft gebracht van zijn verblijfplaats;

3° openbaar vervoer : trein, bus, tram en metro.

Art. 2.

Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden vermeld in [artikel V.60 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs].

B.Vl.R. 28-10-2016

HOOFDSTUK 2. - Openbaar vervoer

Art. 3.

De personeelsleden, vermeld in artikel 2, hebben recht op de volledige terugbetaling van de kosten verbonden aan het woon-werkverkeer onder de voorwaarden, vermeld in dit besluit.

Art. 4.

De terugbetaling is beperkt tot :

1° de prijs van het goedkoopste vervoerbewijs voor het woon-werktraject dat beschikbaar is bij het gebruikte openbaar vervoermiddel of bij de combinatie van deze vervoermiddelen;

2° een afstand per enkele rit van 250 kilometer tussen de wettelijke woonplaats of de verblijfplaats en de plaats van tewerkstelling.

Art. 5.

Tenzij in het bevoegd lokaal onderhandelingscomité een eerder tijdstip van uitbetaling is afgesproken, betaalt de werkgever de kosten verbonden aan het woon-werkverkeer uit op het einde van de maand die volgt op de maand waarin de geldigheidsduur van het vervoerbewijs verstrijkt.

De kosten voor het openbaar vervoer worden uitbetaald tegen afgifte van het vervoerbewijs dat uitgereikt wordt door de maatschappijen die het gemeenschappelijk openbaar vervoer organiseren.

HOOFDSTUK 3. - Fietsvergoeding

Art. 6.

De personeelsleden, vermeld in artikel 2, die het volledige traject van het woon-werkverkeer of een gedeelte ervan met de fiets afleggen, hebben per effectief gepresteerde dag recht op een fietsvergoeding op voorwaarde dat de afstand van een enkele rit ten minste één kilometer bedraagt.

Per dag wordt slechts één traject, heen en terug, vergoed per school, instelling of centrum waar het personeelslid werkt.

Per dag kan de fietsvergoeding voor het volledige traject niet gecumuleerd worden met de vergoeding voor de kosten van het openbaar vervoer.

Art. 7.

De fietsvergoeding bedraagt 0,15 euro per kilometer.

Art. 8.

Tenzij in het bevoegd lokaal onderhandelingscomité een eerder tijdstip van uitbetaling is afgesproken, betaalt de werkgever de kosten verbonden aan het woon-werkverkeer maandelijks uit. De fietsvergoeding wordt betaald op grond van een verklaring op erewoord.

HOOFDSTUK 4. - Terugbetalingsregeling tussen de school, de instelling of het centrum voor leerlingenbegeleiding en de Vlaamse Gemeenschap

(voetnoot 1)

Art. 9.

De werkgevers sturen de verklaring van schuldvordering voor de terugbetaling van de door hen gedragen vervoerskosten en fietsvergoedingen naar het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk op 28 februari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop de verklaring betrekking heeft. Als de verklaring van schuldvordering niet op tijd wordt ingediend, vervalt het recht op terugbetaling. De datum van de poststempel geldt als bewijs.

De vervoerskosten en de fietsvergoedingen, vermeld op de verklaring van schuldvordering, worden terugbetaald na controle.

Art. 10.

De werkgevers ontvangen jaarlijks in juni het bedrag van de afrekening van de vervoerskosten van het voorgaande jaar.

De werkgevers ontvangen jaarlijks, ten laatste in september, een voorschot van minimum 25 % op de middelen voor de vervoerskosten van hetzelfde jaar op basis van het totaalbedrag van vervoerskosten en fietsvergoedingen dat het voorgaande kalenderjaar werd uitgekeerd.

HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen

Art. 11.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende de tegemoetkoming van de werkgevers in de onderwijssector in de vervoerkosten van hun personeelsleden, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 1995, wordt opgeheven met ingang van 1 januari 2001.

Art. 12.

De vergoedingen voor woon-werkverkeer of de fietsvergoedingen toegekend tussen 1 januari 2001 en de datum waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, alsook de terugbetaling ervan aan de werkgever, worden geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van dit besluit.

Art. 13.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2010, met uitzondering van artikel 2 dat uitwerking heeft op 1 januari 2001.

Art. 14.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

- (1): 1. De Raad van State vernietigt de artikelen 9 en 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2011 'betreffende de volledige tenlasteneming door de werkgever in de onderwijssector van de vervoerskosten voor het openbaar vervoer naar en van het werk en de toekenning van een fietsvergoeding voor het woon-werkverkeer', doch enkel in zoverre die bepalingen van toepassing zijn op de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. 2. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 3. Voor de terugvorderingen die hun oorzaak vinden in de door de werkgevers-hogescholen gedragen of te dragen vervoerskosten en fietsvergoedingen tot het kalenderjaar 2014 en hun administratieve afwikkeling blijft de toepassing van de terugbetalingsregeling in de nietig verklaarde artikelen gehandhaafd. 4. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. 5. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 1.050 euro. (Arrest nr. 230.083, 3-2-2015 - B.S. 5-3-2015)