Tijdelijk project "schoolbank op de werkplek" rond duaal leren in het secundair onderwijs

  • referentie
    SO/2016/02
  • publicatiedatum
    31/05/2016
  • datum laatste wijziging
    28/11/2017
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse Regering van 22 april 2016 betreffende het tijdelijke project "schoolbank op de werkplek rond duaal leren in het secundair onderwijs
  • contactpersoon
  • contactpersoon
    Chris Dockx (redactie), 02/553.96.01
  • Toelichting bij het tijdelijk onderwijsproject "schoolbank op de werkplek" met betrekking tot het duale leren dat op 1 september 2016 in het voltijds en deeltijds secundair onderwijs van start is gegaan en op 1 september 2017 met scholen en opleidingen uitbreidt.

1. Inleiding

In het secundair onderwijs worden reeds langer diverse vormen van leren op de werkvloer georganiseerd. In het voltijds onderwijs zijn er onder meer alternerende stages en blokstages op basis van leerlingenstage-overeenkomsten, in het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan voor leerlingen de werkplekcomponent worden ingevuld via diverse types van reguliere overeenkomsten.

Binnen haar beleidsprioriteiten onderwijs/werk zet de Vlaamse overheid sterk in op het duale leren. Deze vorm van leren bestaat uit een schoolcomponent en een werkplekcomponent die inhoudelijk op elkaar moeten zijn afgestemd en waar de werkplekcomponent substantieel aan bod komt. De invulling van deze vorm van leren reikt, zowel voor de onderwijsverstrekker als voor de leerling, verder dan het voltijds "engagement" dat het huidig deeltijds onderwijs kenmerkt. Met aandacht voor de autonomie van de onderwijsverstrekkers en voor de noodzaak om ook op maat van individuele leerlingen te kunnen werken, voert de overheid in het duale leren een aantal vernieuwingen door waarin competentiegericht handelen en kwalificatiegericht denken via een hechte samenwerking tussen de onderwijs- en de ondernemingswereld centraal staan.

Duaal leren heeft tal van implicaties voor scholen, personeel, ouders en leerlingen maar tevens voor ondernemingen die er bij betrokken zijn. Ook de van kracht zijnde decreet- en regelgeving, zowel wat het beleidsdomein onderwijs als wat het beleidsdomein werk betreft, moet in functie van het duale leren worden bijgestuurd.

Vanuit het beleidsdomein werk zijn intussen een aantal decretale en reglementaire initiatieven genomen die enerzijds betrekking hebben op nieuwe contractvormen die voor de invulling van de werkplekcomponent in aanmerking komen; door de zesde Staatshervorming is Vlaanderen hiervoor immers bevoegd geworden. Anderzijds houden die initiatieven ook verband met de kwaliteitsvoorwaarden waaraan de ondernemingen in kwestie moeten voldoen.

Voor het beleidsdomein onderwijs is de introductie van het duale leren dermate innoverend dat beslist werd om in een eerste fase een aantal proefprojecten van start te laten gaan. In dit verband laat een onderwijsdecreet van 9 december 2005 toe om tijdelijk, op beperkte schaal, op grond van vrijwilligheid én goed ondersteund en opgevolgd, onderwijsvernieuwingen uit te proberen in proefprojecten. Binnen een dergelijk project zijn tal van afwijkingen op de vigerende decreet- en regelgeving toegelaten.

Het project dat hierop aansluit, specifiek voor het duale leren, heet "schoolbank op de werkplek" en start op 1 september 2016. Deze omzendbrief geeft concrete uitleg bij dat project. Naar sommige technische uitvoeringsaspecten van het duale leren wordt in deze omzendbrief wel verwezen maar niet dieper op ingegaan; de desbetreffende informatie wordt rechtstreeks ter beschikking gesteld van de scholen die aan het project deelnemen.

2. Opzet

Uit elk project moeten na afloop beleidsconclusies kunnen worden getrokken met het oog op een al dan niet organieke implementatie (lees: omzetting in een structurele regeling). Die eventuele structurele regeling zal niet per se identiek zijn aan de projectregeling, alleen al omdat uit het project verbeterpunten kunnen worden gehaald. Het project is dan ook een testcase in het veld waarvan de ervaringen (positief of negatief) zullen meegenomen worden in het toekomstig beleid rond duaal leren.

Voor "schoolbank op de werkplek" houden die beleidsconclusies verband met volgende items (waarvan sommige verder in deze omzendbrief nader aan bod komen):

1° de implementatie van standaardtrajecten binnen een schoolse context én een ondernemingscontext;

2° de studiekeuzebegeleiding, toeleiding en screening van de leerling binnen de school, naargelang van hun quasi arbeidsrijpheid of arbeidsrijpheid, naar opleidingen binnen het tijdelijke project;

3° de match van de leerling met de werkplek met het oog op het duale leren;

4° de diverse vormen van begeleiding van de leerling en de onderlinge afstemming tussen die begeleidingsvormen;

5° het proces van evaluatie van de leerling, zowel door de klassenraad als door de onderneming, met het oog op de studiebekrachtiging;

6° de ontwikkeling van het competentiegericht handelen ten aanzien van leerlingen binnen de onderneming;

7° de aanwending van de omkaderingsmiddelen voor het duale leren;

8° de organisatie van het personeelsbeleid van de school en daaruit voortvloeiend de taakomschrijving en inzetbaarheid van personeelsleden binnen het duale leren;

9° de professionalisering en ondersteuning van de leraar, de trajectbegeleider en de mentor met het oog op het duale leren;

10° de inhoud en werkwijze van kwaliteitstoezicht in het duale leren;

11° het maatschappelijk draagvlak voor duaal leren;

12° de omgang binnen het duale leren met kwetsbare leerlingen.

3. Looptijd

Hoewel tijdens het schooljaar 2015-2016 al voorbereidingen in het onderwijsveld plaatsvinden, loopt het project officieel in de schooljaren 2016-2017 tot en met 2018-2019.

4. Organisatie van het schooljaar

Een opleidingsdag is elke kalenderdag waarop opleiding onder vorm van lessen of ermee gelijkgestelde activiteiten (extramuros activiteiten, evaluatie …) of opleiding op de werkplek wordt georganiseerd. De duur van een opleidingsuur varieert, nl. 50 minuten voor een les of ermee gelijkgestelde activiteit en 60 minuten bij opleiding op de werkplek. Om het totaal aantal uren vast te stellen wordt geen omrekening naar minuten gemaakt, waardoor een uur van 50 minuten en een uur van 60 minuten fictief aan elkaar gelijkgesteld worden.

Van de gebruikelijke regeling (cfr. omzendbrief SO 74 betreffende de organisatie van het schooljaar) dat de schoolweek loopt van maandag tot en met vrijdag, kan worden afgeweken. Ook zijn de toegelaten leerlingenstage-periodes niet van toepassing omdat duaal leren geen leerlingenstages omvat (het werkplekleren binnen duaal leren is van een andere orde dan leerlingenstages). Uiteraard zijn de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake arbeidstijd (die ruimer is dan de gefinancierde of gesubsidieerde onderwijstijd) wel van toepassing; het gaat dan o.m. over het principieel verbod op arbeid op zon- en feestdagen en op nachtarbeid behoudens afwijkingen, de verplichte rusttijden … . Hieruit volgt dat het totaal aantal opleidingsuren per week hoger kan en mag uitvallen dan in niet-duale opleidingen.

Enerzijds wordt in het kader van het proefproject niet geraakt aan de duur van het schooljaar, nl. van 1 september tot en met 31 augustus daaropvolgend, en aan het totaal aantal vakantie- en verlofdagen per schooljaar. Dit laatste betekent dat het aantal vakantie- en verlofdagen in duale opleidingen van het voltijds respectievelijk deeltijds secundair onderwijs niet hoger of lager kan liggen dan in niet-duale opleidingen, zodat er op dat vlak niets verandert t.o.v. het schooljaar 2015-2016. Wel kunnen die vakantie- en verlofdagen naar andere dan de gebruikelijke periodes worden verschoven. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat een leerling op de werkplek is tijdens de schoolvakantie, maar die dagen gecompenseerd krijgt op een ander moment in het schooljaar.

Anderzijds is het aantal vakantie- en verlofdagen dat voorzien is in de overeenkomst die gebruikt wordt in het duaal leren lager dan in onderwijs. Om te vermijden dat het aantal vakantie- en verlofdagen van de jongeren in het proefproject lager uitvalt dan in onderwijs, wordt zo nodig de overeenkomst tijdelijk opgeschort of wordt er bij de vastlegging van de looptijd van die overeenkomst rekening mee gehouden. Decretaal is het namelijk niet toegelaten dat leerlingen in een verkennend onderwijsproject minder vakantie en verlof hebben dan andere leerlingen.

5. Studieaanbod

In het project zijn het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd (Syntra) betrokken. In deze omzendbrief moet onder de term "school" dus ook een centrum deeltijds beroepssecundair onderwijs worden verstaan. De leertijd valt buiten het bestek van de omzendbrief.

Duaal leren is per definitie arbeidsmarktgericht onderwijs, vandaar dat het zich beperkt tot het technisch en beroepsonderwijs. Hoewel de opleidingen in het project zich op de derde graad (of vergelijkbaar) situeren, zijn op termijn duale opleidingen ook in de tweede graad (of vergelijkbaar) mogelijk. Merk op dat in elke opleidingsbenaming het begrip "duaal" voorkomt, om duidelijk het onderscheid te maken met de niet-duale tegenhanger.

In het project worden de volgende opleidingen opgenomen vanaf het schooljaar 2016-2017:

1° in het voltijds gewoon secundair onderwijs:

- chemische procestechnieken duaal (eenjarig): te organiseren als een Se-n-Se in het derde leerjaar van de derde graad technisch secundair onderwijs, studiegebied chemie (administratief groepsnummer: 38489)

- elektromechanische technieken duaal (tweejarig): te organiseren in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad technisch secundair onderwijs, studiegebied mechanica-elektriciteit (administratief groepsnummer eerste leerjaar: 38490, administratief groepsnummer tweede leerjaar: 38491)

- elektrische installaties duaal (tweejarig): te organiseren in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied mechanica-elektriciteit (administratief groepsnummer eerste leerjaar: 38492, administratief groepsnummer tweede leerjaar: 38493)

- haarverzorging duaal (tweejarig): te organiseren in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied lichaamsverzorging (administratief groepsnummer eerste leerjaar: 38494, administratief groepsnummer tweede leerjaar: 38495)

- ruwbouw duaal (tweejarig): te organiseren in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied bouw (administratief groepsnummer eerste leerjaar: 38496, administratief groepsnummer tweede leerjaar: 38497)

- zorgkundige duaal (eenjarig): te organiseren als een specialisatiejaar in het derde leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied personenzorg (administratief groepsnummer: 38498)

2° in het buitengewoon secundair onderwijs:

groen- en tuinbeheer duaal: te organiseren in opleidingsvorm 3, kwalificatiefase (tweejarig) (administratief groepsnummer eerste leerjaar: 38499, administratief groepsnummer tweede leerjaar: 38500)

3° in het deeltijds beroepssecundair onderwijs:

- elektrische installaties duaal (tweejarig) (administratief groepsnummer: 38501)

- haarverzorging duaal (tweejarig) (administratief groepsnummer: 38502)

- ruwbouw duaal (tweejarig) (administratief groepsnummer: 38503)

- zorgkundige duaal (eenjarig) (administratief groepsnummer: 38504)

Vanaf het schooljaar 2017-2018 worden bijkomend de volgende opleidingen opgenomen in het project:

1° in het voltijds gewoon secundair onderwijs:

- afwerking bouw duaal (tweejarig): te organiseren in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied bouw (administratief groepsnummer eerste leerjaar: 38558, administratief groepsnummer tweede leerjaar: 38559)

- binnenvaart en beperkte kustvaart duaal (tweejarig): te organiseren in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied maritieme opleidingen(administratief groepsnummer eerste leerjaar: 38566, administratief groepsnummer tweede leerjaar:38567)

- brood- en banketbakkerij duaal (tweejarig): te organiseren in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied voeding(administratief groepsnummer eerste leerjaar: 38562, administratief groepsnummer tweede leerjaar: 38563)

- chocolatier duaal (eenjarig): te organiseren als een specialisatiejaar in het derde leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied voeding (administratief groepsnummer: 38573)

- dakwerker duaal (eenjarig): te organiseren als een specialisatiejaar in het derde leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied bouw (administratief groepsnummer: 38575)

- decoratie en schilderwerken duaal (tweejarig): te organiseren in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied bouw(administratief groepsnummer eerste leerjaar: 38570, administratief groepsnummer tweede leerjaar:38571)

- fitnessbegeleider duaal (eenjarig): te organiseren als een Se-n-Se in het derde leerjaar van de derde graad technisch secundair onderwijs, studiegebied sport (administratief groepsnummer: 38578)

- hotelreceptionist duaal (eenjarig): te organiseren als een specialisatiejaar in het derde leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied voeding (administratief groepsnummer: 38574)

- kinderbegeleider duaal (eenjarig): te organiseren als een specialisatiejaar in het derde leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied personenzorg (administratief groepsnummer: 38572)

- lassen-constructie duaal (tweejarig): te organiseren in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied mechanica-elektriciteit(administratief groepsnummer eerste leerjaar: 38568, administratief groepsnummer tweede leerjaar: 38569)

- onderhoudsmechanica auto duaal (tweejarig): te organiseren in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied auto(administratief groepsnummer eerste leerjaar: 38560, administratief groepsnummer tweede leerjaar: 38561)

- ontwikkelaar patronen kleding- en confectieartikelen duaal (eenjarig): te organiseren als een Se-n-Se in het derde leerjaar van de derde graad technisch secundair onderwijs, studiegebied mode (administratief groepsnummer: 38577)

- slagerij duaal (tweejarig): te organiseren in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied voeding (administratief groepsnummer eerste leerjaar: 38564, administratief groepsnummer tweede leerjaar: 38565)

- tuinaanlegger-groenbeheerder duaal (eenjarig): te organiseren als een specialisatiejaar in het derde leerjaar van de derde graad beroepssecundair onderwijs, studiegebied land- en tuinbouw (administratief groepsnummer: 38576)

2° in het deeltijds beroepssecundair onderwijs:

- afwerking bouw duaal (tweejarig) (administratief groepsnummer: 38579)

- binnenvaart en beperkte kustvaart duaal (tweejarig) (administratief groepsnummer: 38583)

- brood- en banketbakkerij duaal (tweejarig) (administratief groepsnummer: 38581)

- chocolatier duaal (eenjarig) (administratief groepsnummer: 38587)

- dakwerker duaal (eenjarig) (administratief groepsnummer: 38589)

- decoratie en schilderwerken duaal (tweejarig) (administratief groepsnummer: 38585)

- hotelreceptionist duaal (eenjarig) (administratief groepsnummer: 38588)

- kinderbegeleider duaal (eenjarig) (administratief groepsnummer: 38586)

- lassen-constructie duaal (tweejarig) (administratief groepsnummer: 38584)

- onderhoudsmechanica auto duaal (tweejarig) (administratief groepsnummer: 38580)

- slagerij duaal (tweejarig) (administratief groepsnummer: 38582)

- tuinaanlegger-groenbeheerder duaal (eenjarig) (administratief groepsnummer: 38590)

Voor de oprichting van een van deze opleidingen gelden enkel volgende vereisten:

1° de niet-duale gelijknamige opleiding of, als een dergelijke opleiding niet voorkomt in het Vlaamse studieaanbod, een nauw verwante niet-duale opleiding moet in de school in kwestie tijdens het schooljaar 2015-2016 worden georganiseerd. Voor scholen die vanaf 1 september 2017 instappen, kan dit ook 2016-2017 zijn;

2° de oprichting moet in overeenstemming zijn met de afspraken inzake studieaanbod die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;

3° de oprichting (= opstart met leerlingen) kan enkel in het schooljaar 2016-2017 (uiterlijk de eerste lesdag van oktober) of in het schooljaar 2017-2018 (uiterlijk de eerste lesdag van oktober). In het schooljaar 2018-2019 kan bijgevolg geen nieuwe groep leerlingen starten in een duale opleiding in het project.

Tijdens de looptijd van het project kan de niet-duale gelijknamige opleiding verder lopen of worden onderbroken. De heroprichting ervan uiterlijk in het schooljaar 2019-2020 is geen programmatie.

Deze bepalingen inzake (her)oprichting zijn een afwijking van de programmatiebepalingen voor het voltijds gewoon secundair onderwijs van de omzendbrief SO 61 en de programmatiebepalingen voor het buitengewoon secundair onderwijs van de omzendbrief SO/2006/03/BuSO.

6. Deelnemende scholen

Voor de opstart van het project vanaf 1 september 2016, waren er voor de 7 initiële opleidingen, maximaal 35 plaatsen voorzien voor scholen voltijds onderwijs en centra voor deeltijds onderwijs. Het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs selecteren gezamenlijk, in overleg met de betrokken bedrijfs- of beroepssectoren, de participerende scholen (waaronder ook al dan niet autonome centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs worden verstaan) en de opleidingen die er worden georganiseerd. Ze streven daarbij naar de volgende verdeelsleutel: 14 keer in het officieel onderwijs en 21 keer in het vrij onderwijs. Als er aan elke school 1 opleiding wordt toegewezen, kan het maximaal om 35 scholen gaan, die zo evenwichtig mogelijk over Vlaanderen en Brussel moeten zijn gespreid. De aldus opgestelde lijst van geselecteerde scholen wordt goedgekeurd gezamenlijk door de ministers die bevoegd zijn voor onderwijs en werk.

Voor de uitbreiding van het project vanaf 1 september 2017, waren er 100 bijkomende plaatsen voor scholen voltijds onderwijs en centra deeltijds onderwijs Het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs selecteren gezamenlijk, in overleg met de betrokken bedrijfs- of beroepssectoren, de participerende scholen en centra, en de opleidingen die er worden georganiseerd. Er werd hierbij gestreefd naar een zo evenwichtig mogelijke verdeling over Vlaanderen en Brussel.De aldus opgestelde lijst van geselecteerde scholen wordt goedgekeurd gezamenlijk door de ministers die bevoegd zijn voor onderwijs en werk.

Deelname aan een project betekent in eerste instantie altijd bereidwilligheid van het schoolbestuur, na lokale inspraak op drie niveaus, nl.:

1° afspraken binnen de scholengemeenschap;

2° overleg in de schoolraad op basis van de regelgevende tekst over het project;

3° onderhandelingen in het lokaal onderhandelingscomité op basis van de regelgevende tekst over het project. Deze onderhandelingen moeten tot een protocol van akkoord hebben geleid.

Inspraak moet waarborgen dat er binnen de schoolgemeenschap een breed draagvlak is voor de projectmatige implementatie van het duale leren, wat essentieel is voor de slaagkansen ervan.

7. Standaardtrajecten

Ook in duale opleidingen is er algemene vorming en beroepsgerichte vorming. Voor algemene vorming zijn, in voorkomend geval, eindtermen of (voor het buitengewoon onderwijs) ontwikkelingsdoelen het referentiekader; voor beroepsgerichte vorming zijn uitsluitend beroepskwalificaties het referentiekader. Hiervan uitgaande wordt per duale opleiding een standaardtraject ontwikkeld dat per opleiding een zekere gelijkgerichtheid moet verzekeren, ongeacht de onderwijsverstrekker. Hoewel de overheid de regie waarneemt en de ministers die bevoegd zijn voor onderwijs en werk de standaardtrajecten gezamenlijk moeten goedkeuren, gebeurt de ontwikkeling in overleg met het Gemeenschapsonderwijs, de verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerde onderwijs, de betrokken sectoren, Syntra Vlaanderen en VDAB.

Bij de ontwikkeling van de standaardtrajecten is met het volgende rekening gehouden:

1° de levensbeschouwelijke vakken en het vak lichamelijke opvoeding, in voorkomend geval, worden onderwezen in dezelfde vorm als in het niet-duale leren;

2° elk standaardtraject bevat het aandeel van de werkplekcomponent per opleiding, uitgedrukt in een gemiddeld aantal uren per week op schooljaarbasis;

3° elk standaardtraject is een bundeling van algemeenvormende competenties en beroepsgerichte competenties die gebaseerd zijn op de toepasbare eindtermen of ontwikkelingsdoelen en op een of meer beroepskwalificaties;

4° voor de vakken van de basisvorming binnen de standaardtrajecten gelden de door de overheid goedgekeurde leerplannen; voor het overige kunnen standaardtrajecten, voor schoolintern gebruik, evenzeer vertaald worden naar leerplannen die evenwel geen overheidsgoedkeuring behoeven;

5° het standaardtraject bepaalt welke cluster van competenties of welke combinatie van clusters van competenties die een leerling met vrucht beëindigt, recht geeft op een certificaat (dit is een nieuw studiebewijs). Een "cluster" is een samenhangend geheel van algemeenvormende competenties en/of beroepsgerichte competenties;

6° het standaardtraject laat ruimte voor eigen inbreng door de onderwijsverstrekker.

Standaardtrajecten worden, onder verantwoordelijkheid van de onderwijsverstrekkers, vertaald naar voor de projectscholen toepasbare leerprogramma’s. De standaardtrajecten worden rechtstreeks ter beschikking gesteld van de deelnemende scholen.

8. Doelgroep en toeleiding

Het tijdelijke project richt zich tot de volgende doelgroep:

1° quasi arbeidsrijpe leerlingen;

2° arbeidsrijpe leerlingen.

Voor quasi arbeidsrijpe leerlingen wordt in een aanloopfase gewerkt aan de verbetering van arbeidsattitudes. Hierbij kan beroep worden gedaan op het project Intensieve Begeleiding Alternerend Leren (IBAL). Binnen dit project krijgen jongeren maximaal 20 uur begeleiding, gespreid over ten hoogste 6 maanden. Een dergelijk begeleidingstraject is bedoeld om de jongere te ondersteunen bij het vinden van een werkplek of tijdens zijn tewerkstelling; op deze manier kan de jongere geholpen worden bij de verbetering van zijn arbeidsattitudes. De IBAL-begeleiding wordt voorzien door derdenorganisaties (vzw, OCMW, gemeentebestuur, maatwerkbedrijf, lokale diensteneconomie) die door de overheid gesubsidieerd zijn.

Om de doelgroep vast te stellen, moeten de leerling en zijn ouders die een toetreding tot het duale leren overwegen voorafgaand een advies hebben gekregen over de quasi arbeidsrijpheid of arbeidsrijpheid van de jongere. Het advies is niet-bindend en geen formele toelatingsvoorwaarde tot het duale leren, maar het spreekt voor zich dat de essentiële "match" tussen leerling en onderneming weinig waarschijnlijk zal zijn indien de (quasi) arbeidsrijpheid van de jongere er niet is.

Het vermelde advies komt tot stand op basis van een screening (waarvan de regeling en het instrumentarium vrij worden gelaten) en gaat uit van de twee volgende instanties samen:

1° de voltallige klassenraad van het laatste structuuronderdeel dat door de leerling in kwestie is gevolgd;

2° de trajectbegeleider van de opleiding en de school binnen het tijdelijke project die door de betrokken personen worden gekozen. De trajectbegeleider is de leraar van de duale opleiding die door de school is belast met de begeleiding en opvolging van de persoonlijke ontwikkeling en vorming van de leerling.

Indien het niet mogelijk is om beroep te doen op de klassenraad van het laatste structuuronderdeel dat de leerling volgde, kan de trajectbegeleider van de duale opleiding een alternatieve werkwijze vastleggen om het advies te geven.

Het is dus niet uitgesloten dat ook een school die niet aan het tijdelijke project deelneemt een advies moet verstrekken, vermits de keuze voor het duale leren tot schoolverandering kan leiden. Het initiatief hiertoe zal dan uitgaan van de leerling/ouders en de trajectbegeleider van de nieuwe school.

Het advies wordt gegeven in de loop van het voorafgaand schooljaar en staat los van de delibererende klassenraadsbeslissing in dat schooljaar. Het gaat om een schriftelijk advies (zonder opgelegde vormvereisten), dat in het administratief leerlingendossier wordt opgenomen.

9. Schoolreglement

Een aantal aspecten van duaal leren zijn innovatief en bijgevolg niet vanzelfsprekend voor ouders en leerlingen. Ze moeten dan ook in het schoolreglement (lees voor het deeltijds onderwijs: centrumreglement) worden opgenomen door middel van een addendum. Ook indien het geen nieuwe inschrijving betreft, moeten de ouders (of de meerderjarige leerling) schriftelijk akkoord gaan met het gewijzigd reglement.

De verplichte nieuwe onderdelen van het schoolreglement zijn:

1° de vermelding dat de leerling zich moet onderwerpen aan screening, intakegesprek(ken) en trajectbegeleiding;

2° de vermelding dat het niet-sluiten van een overeenkomst binnen de vastgelegde termijn tot de verplichte vroegtijdige beëindiging van de opleiding zal leiden;

3° de verduidelijking van het orgaan "klassenraad", met de expliciete vermelding dat de trajectbegeleider en mentor er stemgerechtigd deel van uitmaken;

4° de vermelding, afhankelijk van de duale opleiding die de school organiseert, dat in een duale opleiding overzitten uitgesloten is, uitgezonderd het overzitten in een eenjarige opleiding tijdens het schooljaar 2017-2018 en het overzitten in het tweede jaar van een tweejarige opleiding tijdens het schooljaar 2018-2019.

Deze toevoeging aan het schoolreglement vormt een afwijking op de onderrichtingen inzake het schoolreglement van de omzendbrieven SO 64, SO/2008/08 en SO/2011/03/BuSO betreffende de organisatie van respectievelijk het voltijds gewoon, het deeltijds en het buitengewoon secundair onderwijs.

10. Toelatings- en overgangsvoorwaarden

De voorwaarden om bij de start van een opleiding als regelmatige leerling te worden toegelaten zijn:

1° voor de opleidingen elektrische installaties duaal, haarverzorging duaal, ruwbouw duaal, afwerking bouw duaal, binnenvaart en beperkte kustvaart duaal, brood- en banketbakkerij duaal, decoratie en schilderwerken duaal, lassen-constructie duaal, onderhoudsmechanica auto duaal en slagerij duaal:

- houder zijn van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, of

- gunstige beslissing van de klassenraad over een leerling die aan de voltijdse leerplicht heeft voldaan. De klassenraad bestaat ten minste uit de voorzitter en 3 leraars. De reden waarom niemand in een duale opleiding (met werkplekcomponent) kan stappen zolang hij voltijds leerplichtig is, is dat het wettelijk onmogelijk is voor een voltijds leerplichtige om toe te treden tot de arbeidsmarkt.

Deze instapmogelijkheid is een afwijking van de toelatingsvoorwaarden van de omzendbrief SO 64 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs;

- bovendien geldt als bijzondere toelatingsvoorwaarde voor de opleiding binnenvaart en beperkte kustvaart duaal dat de leerling medisch geschikt moet zijn bevonden voor de uitoefening van het beroep. Die geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de duur van de opleiding.

- voor brood en banketbakkerij duaal en slagerij duaal, als opleidingen waarin de leerling rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komt en die waren kan verontreinigen of besmetten, geldt de bijzonder toelatingsvoorwaarde dat de leerling medisch geschikt moet zijn bevonden. Die geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de duur van de opleiding, tenzij er een aanleiding is om de geschiktheid te herevalueren. Een ongeschiktheidsverklaring in de loop van het schooljaar impliceert de beslissing van de betrokken personen om de leerling uiterlijk op het einde van dat schooljaar de opleiding te laten stopzetten.

2° voor de opleiding elektromechanische technieken duaal:

- houder zijn van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt in het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs, of

- gunstige beslissing van de klassenraad over een leerling die aan de voltijdse leerplicht heeft voldaan. De klassenraad bestaat ten minste uit de voorzitter en 3 leraars. De reden waarom dat niemand in een duale opleiding (met werkplekcomponent) kan stappen zolang hij voltijds leerplichtig is, is dat het wettelijk onmogelijk is voor een voltijds leerplichtige om toe te treden tot de arbeidsmarkt.

Deze instapmogelijkheid is een afwijking van de toelatingsvoorwaarden van de omzendbrief SO 64 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs;

3° voor de opleiding zorgkundige duaal (rekening houdend met de federale regelgeving op de beroepsuitoefening):

- houder zijn van een diploma van secundair onderwijs, uitgereikt binnen een opleiding van het studiegebied personenzorg van het technisch secundair onderwijs, of

- houder zijn van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, uitgereikt binnen een opleiding van het studiegebied personenzorg van het beroepssecundair onderwijs of uitgereikt op basis van een certificaat van verzorgende in het deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd;

4° voor de opleidingen chocolatier duaal, dakwerker duaal, hotelreceptionist duaal, kinderbegeleider duaal en tuinaanlegger-groenbeheerder duaal:

- houder zijn van een diploma van secundair onderwijs, uitgereikt binnen een opleiding van hetzelfde studiegebied als de desbetreffende duale opleiding, of

- houder zijn van een diploma van secundair onderwijs, uitgereikt in het deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd op basis van een certificaat van een opleiding die verwant is met het studiegebied van de desbetreffende duale opleiding, of

- houder zijn van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, uitgereikt binnen een opleiding van hetzelfde studiegebied als de desbetreffende duale opleiding, of

- houder zijn van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, uitgereikt in het deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd op basis van een certificaat van een opleiding die verwant is met het studiegebied van de desbetreffende duale opleiding, of

- én houder zijn van één van de in a) tot en met d) vermelde studiebewijzen, uitgereikt binnen een opleiding van een ander studiegebied dan dat van de duale opleiding of binnen een opleiding die niet verwant is met het studiegebied van de duale opleiding, én beschikken over een gunstige beslissing van de klassenraad of het begeleidingsteam.

- bovendien geldt als bijzondere toelatingsvoorwaarde voor de opleiding dakwerker duaal dat de leerling medisch geschikt moet zijn bevonden voor de uitoefening van het beroep. Die geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de duur van de opleiding.

- voor chocolatier duaal, als opleiding waarin de leerling rechtstreeks met voedingswaren of -stoffen in aanraking komt en die waren kan verontreinigen of besmetten, geldt de bijzonder toelatingsvoorwaarde dat de leerling medisch geschikt moet zijn bevonden. Die geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de duur van de opleiding, tenzij er een aanleiding is om de geschiktheid te herevalueren. Een ongeschiktheidsverklaring in de loop van het schooljaar impliceert de beslissing van de betrokken personen om de leerling uiterlijk op het einde van dat schooljaar de opleiding te laten stopzetten.

- voor de opleiding kinderbegeleider duaal, gelden de volgende bijzondere toelatingsvoorwaarden:

a) medisch geschikt zijn bevonden voor de uitoefening van het beroep. Die geschiktheidsverklaring is eenmalig en geldt voor de duur van de opleiding;

b) van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan drie maanden voor de effectieve start van de opleiding door de betrokken leerling werd afgegeven;

c) uiterlijk op 30 september van het betrokken schooljaar in het bezit zijn van een attest van kennis van levensreddend handelen bij kinderen;

d) minimaal 18 jaar zijn.

5° voor de opleidingen chemische procestechnieken duaal, fitnessbegeleider duaal, en ontwikkelaar patronen kleding- en confectieartikelen duaal: de gebruikelijke toelatingsvoorwaarden tot een TSO-opleiding Se-n-Se (cfr. omzendbrief SO 64, rubriek 9);

6° voor de opleiding groen- en tuinbeheer duaal: de gebruikelijke toelatingsvoorwaarden tot de kwalificatiefase van BuSO-opleidingsvorm 3 (cfr. omzendbrief SO/2011/03/BuSO, rubriek 3).

Voor een leerling die pas NA de start van een duale opleiding instapt, blijven uiteraard de hiervoor vermelde toelatingsvoorwaarden van kracht, maar geldt bovendien als voorwaarde dat de klassenraad akkoord moet gaan met de laattijdigheid van die instap. De klassenraad bestaat ten minste uit de voorzitter en 3 leraars.

Duale opleidingen zijn, ook ten opzichte van hun niet-duale tegenhangers, aparte structuuronderdelen. Voor een leerling die van een duale naar een niet-duale opleiding overgaat bij het begin of in de loop van een schooljaar, gelden de gebruikelijke toelatings- en overgangsvoorwaarden. Er kunnen diverse, al dan niet dwingende, redenen zijn voor de leerling om toch uit het experiment te treden, zonder dat de rechtsbescherming in het gedrang mag komen. Dit betekent dat de leerling altijd ergens terecht moet kunnen. Daarom is voorzien dat:

1° bij vrijwillige overstap (met in acht name van de toelatingsvoorwaarden) van een duale naar een niet-duale opleiding in dezelfde school of een andere school van dezelfde scholengemeenschap, nooit een eventuele volzetverklaring of capaciteitsoverschrijding kan worden ingeroepen;

2° bij gedwongen overstap (met in acht name van de toelatingsvoorwaarden) van een duale naar een niet-duale opleiding in dezelfde school of een andere school nooit een eventuele volzetverklaring of capaciteitsoverschrijding kan worden ingeroepen.

Dit is een afwijking van de weigeringsgronden van de omzendbrief SO/2012/01 betreffende het inschrijvingsrecht.

11. Kiezen van onderneming, intakegesprek en matching, contract

In het vinden van een onderneming worden drie stappen onderscheiden.

Stap 1: de school en de leerling kiezen samen een geschikte onderneming. Ze kunnen daarbij een beroep doen op bemiddeling door de sector en, zo nodig, het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen en de VDAB. De onderneming is een bedrijf of organisatie uit de publieke of private profit- of non-profitsector die namens de Vlaamse overheid is erkend als leerbedrijf in het kader van het duale leren. Die erkenning kan als een kwaliteitslabel worden opgevat, is beperkt in duur en kan steeds worden opgeheven.

Stap 2: tussen de onderneming en de leerling vindt vóór of tijdens het schooljaar een intakegesprek plaats, waarbij de match (= kan men zich "vinden") tussen leerling en werkplek wordt onderzocht met het oog op het duale leren. De trajectbegeleider kan de leerling ondersteunen in de voorbereiding of nabeschouwing van dit gesprek en kan indien nodig ook betrokken worden tijdens het gesprek.

Stap 3: de partijen komen wel of niet tot een overeenkomst. Dit is essentieel om de duale opleiding te kunnen verder zetten. Immers als er binnen 20 opleidingsdagen, te rekenen vanaf het tijdstip dat de leerling opgeleid moet kunnen worden op de werkvloer, geen overeenkomst is gesloten, moet de duale opleiding worden stopgezet. Ook als een overeenkomst wordt beëindigd, wordt eenzelfde termijn van 20 opleidingsdagen gehanteerd om een nieuwe overeenkomst af te sluiten; indien dit niet lukt, moet de duale opleiding worden stopgezet.

Om tot een eenvoudig contractenstelsel voor jongeren in opleiding te komen, zijn er 2 types van overeenkomsten:

1° de "overeenkomst alternerende opleiding": als de werkplekcomponent van de opleiding op schooljaarbasis gemiddeld ten minste 20 (klok)uren per week op de reële werkplek bedraagt. "Gemiddeld" betekent dat de werkplekcomponent niet noodzakelijk het ganse schooljaar door moet aanwezig zijn of dat het volume van de werkplekcomponent doorheen het schooljaar kan wijzigen;

2° de "stageovereenkomst alternerende opleiding":

- als de werkplekcomponent van de opleiding op schooljaarbasis gemiddeld minder dan 20 (klok)uren per week bedraagt, of

- als de werkplek altijd een gesimuleerde (en geen reële) werkplek is. Een gesimuleerde werkplek komt enkel in aanmerking voor zover ze eigen is aan de sector of de onderneming of ook door werknemers binnen een sector of onderneming gebruikt dient te worden. Een gesimuleerde werkplek kan dus nooit een werkplaats of praktijklokaal van een school zijn, maar bv. wel een sectoraal opleidingscentrum.

In afwijking op wat voorafgaat wordt voor de opleiding zorgkundige duaal ook de bezoldigde contractvorm "deeltijdse arbeidsovereenkomst" in aanmerking genomen (omwille van de sociale maribel-regeling).

Rekening houdend met het aandeel van de werkplekcomponent, zoals vastgelegd in de diverse standaardtrajecten, betekent het voorgaande dat met volgende types van overeenkomsten wordt gewerkt:

1° chemische procestechnieken duaal: stageovereenkomst alternerende opleiding;

2° elektromechanische technieken duaal:

- eerste jaar: stageovereenkomst alternerende opleiding;

- tweede jaar: stageovereenkomst alternerende opleiding;

3° elektrische installaties duaal:

- eerste jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

- tweede jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

4° groen- en tuinbeheer duaal:

- eerste jaar: stageovereenkomst alternerende opleiding;

- tweede jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

5° haarverzorging duaal:

- eerste jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

- tweede jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

6° ruwbouw duaal:

- eerste jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

- tweede jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

7° zorgkundige duaal: deeltijdse arbeidsovereenkomst of overeenkomst alternerende opleiding;

8° afwerking bouw duaal:

- eerste jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

- tweede jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

9° binnenvaart en beperkte kustvaart duaal:

- eerste jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

- tweede jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

10° brood- en banketbakkerij duaal:

- eerste jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

- tweede jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

11° chocolatier duaal: overeenkomst alternerende opleiding;

12° dakwerker duaal: overeenkomst alternerende opleiding;

13° decoratie en schilderwerken duaal:

- eerste jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

- tweede jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

14° fitnessbegeleider duaal: overeenkomst alternerende opleiding;

15° hotelreceptionist duaal: overeenkomst alternerende opleiding;

16° kinderbegeleider duaal: overeenkomst alternerende opleiding;

17° lassen-constructie duaal:

- eerste jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

- tweede jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

18° onderhoudsmechanica auto duaal:

- eerste jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

- tweede jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

19° ontwikkelaar patronen kleding- en confectieartikelen duaal:overeenkomst alternerende opleiding;

20° slagerij duaal:

- eerste jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

- tweede jaar: overeenkomst alternerende opleiding;

21° tuinaanlegger-groenbeheerder duaal: overeenkomst alternerende opleiding.

Het is niet uitgesloten dat door overmacht of onvoorziene omstandigheden voor één of meer leerlingen van een opleiding met een werkplekcomponent van ten minste 20 (klok)uren op de reële werkplek (cfr. standaardtraject), dit aantal uren finaal niet wordt bereikt, zij het met geringe afwijking. In deze uitzonderlijke situatie wordt geen afbreuk gedaan aan de rechtsgeldigheid van de bezoldigde overeenkomst.

Zowel de overeenkomst alternerende opleiding als de stageovereenkomst alternerende opleiding is een overeenkomst van bepaalde duur en is een voltijdse overeenkomst die betrekking heeft zowel op de schoolcomponent als op de werkplekcomponent. In tegenstelling tot de overeenkomst alternerende opleiding (waar een in hoogte variërende leervergoeding ten laste van de onderneming tegenover staat), is de stageovereenkomst alternerende opleiding onbezoldigd. Bij een overeenkomst, ongeacht het type, wordt een opleidingsplan gevoegd. Beide overeenkomsten worden tripartiet ondertekend door de volgende contractanten:

1° de school;

2° de onderneming;

3° de leerling en, indien minderjarig, zijn wettige vertegenwoordiger.

De modellen van deze overeenkomsten en alle nodige randinformatie worden rechtstreeks ter beschikking gesteld van de scholen die deelnemen aan het project.

Een leerling kan nooit gelijktijdig door meer dan één overeenkomst (en dus aan meer dan één onderneming) zijn verbonden. Opeenvolgende overeenkomsten zijn wel mogelijk, met dien verstande dat bij beëindiging van de opleiding ook de laatste overeenkomst van rechtswege wordt beëindigd. Een overeenkomst kan schooljaar-overschrijdend zijn, op voorwaarde dat in beide schooljaren de contractvoorwaarden dezelfde zijn. Bijvoorbeeld: als een tweejarige duale opleiding zowel in het eerste als in het tweede opleidingsjaar een werkplekcomponent heeft van gemiddeld ten minste 20 (klok)uren per week op de reële werkplek, dan is een schooljaar-overschrijdende overeenkomst alternerende opleiding toegelaten; stijgt echter het volume werkplekcomponent van gemiddeld minder dan 20 (klok)uren per week in het eerste jaar naar gemiddeld ten minste 20 (klok)uren per week op de reële werkplek in het tweede jaar, dan moet in het eerste jaar een stageovereenkomst alternerende opleiding en in het tweede een overeenkomst alternerende opleiding worden aangegaan. Of dat dan met dezelfde of een andere onderneming gebeurt, doet er niet toe.

In de bijlage 1 bij deze omzendbrief gaat een overzicht van de arbeids- en sociaalrechtelijke implicaties van voormelde overeenkomsten.

Aandacht: de lancering van deze nieuwe vormen van overeenkomst heeft ook gevolgen voor de opleidingen van het deeltijds beroepssecundair onderwijs die buiten het tijdelijke project vallen, nl. de niet-duale opleidingen. Met uitzondering van overeenkomsten die vóór 1 september 2016 zijn afgesloten en verder lopen tot hun einddatum, zijn vanaf 1 september 2016 nog enkel de volgende (bezoldigde) overeenkomsten toegelaten:

1° de overeenkomst alternerende opleiding als het volume werkplekcomponent gemiddeld op jaarbasis ten minste 20 (klok) uren per week op de reële werkplek bedraagt;

2° de deeltijdse arbeidsovereenkomst:

- als het volume werkplekcomponent gemiddeld op jaarbasis minder dan 20 (klok)uren per week bedraagt;

- als het een onderneming uit de non-profit sector betreft waarop de sociale maribel-regeling van toepassing is.

Voor leerlingen van de niet-duale opleidingen die ingeschaald zijn in de fase "arbeidsdeelname" betekent dit ook dat hun werkplekcomponent nog altijd kan ingevuld worden op een alternatieve wijze, meer bepaald door:

1° het volgen van een sport-gerelateerde opleiding;

2° het verrichten van vrijwilligerswerk;

3° het tijdelijk volgen van een bijkomende opleiding of cursus die specifiek gericht is op het verhogen van de tewerkstellingsperspectieven of inzetbaarheid op de arbeidsmarkt;

4° het verrichten van culturele, sociale of sportactiviteiten georganiseerd door een instantie van de overheid of erkend door of namens een overheid.

Voor leerlingen van de niet-duale opleidingen die ingeschaald zijn in de fase "persoonlijk ontwikkelingstraject", "voortraject" of "brugproject", verandert er hoegenaamd niets.

Zie in dit verband ook de omzendbrief SO/2008/08.

12. Opleidingsplan en begeleiding van de leerling

Het opleidingsplan, als bijlage bij de overeenkomst, wordt uitgetekend door de trajectbegeleider in overleg met de leerling en de onderneming. Het opleidingsplan heeft betrekking op het individuele leertraject, dat wordt afgeleid van het standaardtraject. Het opleidingsplan slaat zowel op de schoolcomponent als op de werkplekcomponent en is afgestemd op de specifieke behoeften en mogelijkheden van de leerling. Het houdt in elk geval rekening met de ondernemingscontext en het feit of de leerling quasi arbeidsrijp dan wel arbeidsrijp is. Zo nodig kan het opleidingsplan ook worden geactualiseerd. De realisatie van het opleidingsplan kan niet los worden gezien van de begeleiding en opvolging van de leerling in kwestie. Daar waar dat in eerst instantie gebeurt door de leraar-trajectbegeleider (en bij uitbreiding de voltallige klassenraad die de trajectvoortgang bewaakt), kan een degelijke begeleiding en opvolging niet zonder regelmatig overleg met de mentor.

De mentor is de persoon (personeelslid of zaakvoerder) die binnen de onderneming wordt aangeduid om de opleiding van de leerling op de werkplek te begeleiden en op te volgen. Deze rol vergt de nodige competenties, wat één van de voorwaarden is binnen de erkenningscriteria voor ondernemingen die meewerken aan het duale leren.

Begeleiding van de leerling veronderstelt ook dat de jongere tijdens de periodes dat hij/zij de werkplekcomponent effectief invult, een vertegenwoordiger van de school moet kunnen bereiken (zelfs indien dit in een vakantieperiode of weekend valt). Aandacht: als de contactpersoon een personeelslid is (wat niet per se hoeft), dan mag deze opdracht geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van individuele personeelsleden. Als de uitvoering van deze bepaling voor personeelsleden verplichtingen met zich meebrengt die er anders niet geweest zouden zijn, moet het schoolbestuur in een passende compensatieregeling voorzien. In voorkomend geval wordt erover onderhandeld in het bevoegde lokaal comité. Die regeling vergt het uitdrukkelijke, schriftelijke en voorafgaande akkoord van het betrokken personeelslid.

13. Regelmatige leerling

Ook in duaal leren is een leerling enkel "regelmatige leerling" als hij aan twee basisvoorwaarden beantwoordt:

1° de toelatings- en overgangsvoorwaarden (cfr. rubriek 10);

2° de regelmatige lesbijwoning: hieronder wordt de verplichte aanwezigheid verstaan zowel tijdens de schoolcomponent (op school, op een extramuros activiteit …) als tijdens de werkplekcomponent (op de werkvloer), uitgezonderd gewettigde afwezigheden.

Zolang de werkplekcomponent niet is gestart, wordt de opleiding volledig georganiseerd via de schoolcomponent, d.w.z. dat de leerling voltijds aanwezig is op school (dit geldt zowel voor het voltijds als het deeltijds onderwijs !).

Een leerling kan echter om diverse redenen afwezig zijn. De omzendbrieven SO/2005/04 en SO/2002/05/buso betreffende de afwezigheden in het secundair onderwijs geven een overzicht van de "van rechtswege" gewettigde afwezigheden, de afwezigheden die door de school kunnen worden gewettigd en de problematische afwezigheden. In afwijking van deze omzendbrieven wordt ook de afwezigheid van de leerling tijdens de opleidingsuren waarop intakegesprekken zijn gepland (met inbegrip van de verplaatsingen die daarbij horen), beschouwd als een van rechtswege gewettigde afwezigheid.

In het aanwezigheidsregister worden de aan- en afwezigheden van de leerling, per halve dag, aangeduid met de codes en symbolen van de omzendbrieven SO 70 en BUSO 04 betreffende de registratie van leerlingen. In afwijking op de onderrichtingen van deze omzendbrieven worden voor wat de werkplekcomponent betreft:

1° in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs:

- de aan- en afwezigheden geregistreerd voor de periode van 1 september tot en met 30 juni (voor de maanden juli en augustus is er geen enkele vorm van registratie);

- de aanwezigheid geregistreerd met de code "W";

- de afwezigheid geregistreerd, naargelang van het geval, met een van de bestaande codes voor al dan niet gewettigd verlet;

- de dagen waarop (ook door de werknemers van de onderneming) niet gewerkt wordt in het register blanco gelaten;

2° in het deeltijds secundair onderwijs:

- de problematische afwezigheid geregistreerd met de code "F" (voor de maanden juli en augustus is er geen enkele vorm van registratie);

- alle overige aan- en afwezigheden blanco gelaten.

Verwittiging door de ouders of meerderjarige leerling en staving van afwezigheid tijdens de schoolcomponent gebeurt volgens de gebruikelijke weg. Hoe verwittiging en staving van afwezigheid tijdens de werkplekcomponent gebeurt, wordt onderling afgesproken tussen de school en de onderneming.

14. Evaluatie

In duale opleidingen staat het competentiegericht denken en handelen vanuit een kwalificatiestructuur centraal. Deze opstelling beïnvloedt de wijze van leerlingenevaluatie.

De onderwijsverstrekkers zijn autonoom in het uitstippelen van hun evaluatiebeleid. Wel is het zo dat, ongeacht de resultaten van tussentijdse evaluaties, de leerling niet kan worden verplicht om de opleiding vroegtijdig stop te zetten; de klassenraad kan in deze hoogstens adviserend optreden. Zo wordt in de tweejarige duale opleidingen van het voltijds gewoon secundair onderwijs, op het vlak van leerlingenevaluatie, gebroken met het systeem van leerjaren en oriënteringsattesten, waarbij de leerling in het onderliggend leerjaar moet geslaagd zijn (A- of B-attest) om naar het hoger leerjaar te kunnen doorstromen. (Bij wijze van uitzondering wordt nog enkel aan een leerling die vroegtijdig uit een tweejarige duale opleiding stapt maar het eerste jaar heeft voltooid, een oriënteringsattest voor het eerste leerjaar van de derde graad door de klassenraad toegekend).

Behoudens in Se-n-Se, waar deze proef niet meer bestaat, wordt de organisatie van een geïntegreerde proef bij het einde van de opleiding facultatief (op het niveau van de voltallige groep, niet op het niveau van de individuele leerling). Het eventueel niet voorzien van een aparte praktijkgerichte proef met externe juryleden (= GIP) wordt dan ondervangen door het feit dat de permanente evaluatie van de leerling door de mentor al voldoende informatie genereert over de vorderingen van de leerling binnen de werkplekcomponent.

Als de evaluatie van de leerling door de klassenraad bij het einde van de opleiding niet tot de meest gunstige studiebekrachtiging (d.w.z. één van de studiebewijzen vermeld in punt 1° of punt 2° van rubriek 15 hierna) leidt, kan die leerling overzitten; overzitten gaat niettemin enkel tijdens het schooljaar 2017-2018 in een eenjarige opleiding en tijdens het schooljaar 2018-2019 in het tweede jaar van een tweejarige opleiding. In de andere gevallen moet de leerling zijn onderwijstraject verder zetten buiten het project.

Het voorgaande betekent concreet dat de evaluatie met aansluitende studiebekrachtiging plaats vindt op:

1° voor eenjarige duale opleidingen: 30 juni 2017 of 30 juni 2018;

2° voor tweejarige duale opleidingen: 30 juni 2018 of 30 juni 2019.

In het voltijds secundair onderwijs blijft de mogelijkheid gehandhaafd tot uitstel van beslissing tot de eerste lesdag van het daaropvolgend schooljaar voor uitzonderlijke en individuele gevallen.

Bovenstaande bepalingen inzake evaluatie zijn een afwijking op de onderrichtingen van de omzendbrieven SO 64, SO/2008/08 en SO/2011/03/BuSO betreffende de organisatie van respectievelijk het voltijds gewoon, het deeltijds en het buitengewoon secundair onderwijs.

15. Studiebekrachtiging

Het competentiegericht denken en handelen vanuit een kwalificatiestructuur laat zich ook voelen in de wijze van studiebekrachtiging.

De volgende studiebewijzen kunnen in duale opleidingen worden toegekend:

1° een diploma van secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad, een certificaat van Se-n-Se of een studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad (als specialisatiejaar), naargelang van het geval. Het betrokken studiebewijs wordt uitgereikt als de leerling het geheel van de competenties van de algemene vorming en van de beroepskwalificatie heeft verworven.

Dit studiebewijs is een onderwijskwalificatie, wat expliciet op het model wordt vermeld, samen met het niveau van de onderwijskwalificatie binnen de Vlaamse kwalificatiestructuur en het Europese kwalificatiekader;

2° een getuigschrift van de opleiding (buitengewoon secundair onderwijs). Het getuigschrift van de opleiding wordt uitgereikt als de leerling al de competenties van de beroepskwalificatie heeft verworven.

Dit studiebewijs is een beroepskwalificatie, wat expliciet op het model wordt vermeld, samen met de benaming van de beroepskwalificatie en het niveau ervan binnen de Vlaamse kwalificatiestructuur en het Europese kwalificatiekader;

3° een certificaat. Het certificaat wordt uitgereikt als de leerling al de competenties van de beroepskwalificatie heeft verworven maar niet die van de algemene vorming.

Dit studiebewijs is een beroepskwalificatie, wat expliciet op het model wordt vermeld, samen met de benaming van de beroepskwalificatie en het niveau ervan binnen de Vlaamse kwalificatiestructuur en het Europese kwalificatiekader;

Aandacht: de opleidingen chemische procestechnieken duaal en groen- en tuinbeheer duaal vormen wat dat betreft een uitzondering vermits bedoeld certificaat er niet wordt uitgereikt. Het standaardtraject chemische procestechnieken duaal bevat immers enkel beroepsgerichte vorming, waardoor het succesvol beëindigen van de opleiding rechtstreeks leidt tot het certificaat van Se-n-Se als onderwijskwalificatie (zie punt 1°). Het getuigschrift van de opleiding groen- en tuinbeheer duaal is sowieso een beroepskwalificatie (zie punt 2°), waardoor toekenning van een afzonderlijk certificaat overbodig is;

4° een attest van verworven competenties.

Dit studiebewijs wordt altijd (dus ook bij vroegtijdige stopzetting van de opleiding) toegekend als de leerling niet in aanmerking komt voor een van de studiebewijzen, vermeld in punt 1° t/m 3°. Concreet houdt dit in dat het attest wordt toegekend als de leerling niet al de competenties van de beroepskwalificatie heeft verworven.

Aandacht: de opleiding ruwbouw duaal vormt wat dat betreft een uitzondering vermits de competenties van het standaardtraject zijn gebaseerd op drie beroepskwalificaties: metselaar, ijzervlechter en bekister-betonneerder. Over de beroepskwalificatie metselaar wordt, naargelang van het evaluatieresultaat van de leerling, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad, een certificaat of een attest van verworven competenties toegekend; over de beroepskwalificaties ijzervlechter en bekister-betonneerder samen wordt, gezien het beheersingsniveau van de competenties ervan, enkel een attest van verworven competenties uitgereikt.

In elk van de studiebewijzen, vermeld in punt 1° t/m 3°, is een studiebewijssupplement geïntegreerd dat de inhoud van de opleiding en de structuur van het onderwijs in het land waar de leerling zijn opleiding heeft gevolgd, verduidelijkt.

De modellen van de studiebewijzen worden rechtstreeks ter beschikking gesteld van de deelnemende scholen, en kunnen in bijlage 2 en 3 aan deze omzendbrief teruggevonden worden.

Bovenstaande bepalingen inzake studiebewijzen zijn een afwijking op de onderrichtingen van de omzendbrieven SO 64, SO/2008/08 en SO/2011/03/BuSO betreffende de organisatie van respectievelijk het voltijds gewoon, het deeltijds en het buitengewoon secundair onderwijs.

Onder de voorwaarden vermeld in de omzendbrief SO/2008/01 kan een getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer nog steeds uitgereikt worden.

16. Klassenraad

De klassenraad wordt met uiteenlopende functies belast, gaande van eventuele toelating van de leerling over begeleiding en ondersteuning van het leerproces tot eindevaluatie en aansluitende studiebekrachtiging. De voorzitter (directeur of afgevaardigde) en de leraars zijn stemgerechtigd, terwijl andere personen die bij het onderwijs van de leerling zijn betrokken kunnen normaliter enkel adviserend worden toegevoegd. In het duale leren is de werkplekcomponent substantieel aanwezig. Naast de overige leraars, zijn de trajectbegeleider en de mentor spilfiguren in het duale leren. Daarom zijn de trajectbegeleider (ook als hij aan de betrokken leerling geen les geeft binnen de schoolcomponent) en de mentor ambtshalve stemgerechtigde leden van de klassenraad, met die uitzondering dat de mentor geen lid is van de klassenraad als die beslist over toelating van leerlingen.

Tussen de school en de onderneming worden praktische afspraken gemaakt over het functioneren van de mentor in de klassenraad, met inbegrip van het al dan niet aanwezig zijn van de mentor op klassenraadsvergaderingen. De mentor kan zo dus ook afwezig zijn zonder dat er sprake hoeft te zijn van overmacht.

Gedurende een schooljaar kunnen voor eenzelfde leerling, weliswaar niet gelijktijdig, verschillende mentoren worden aangesteld. Een leerling kan immers in de loop van het schooljaar van onderneming (en contract) veranderen of binnen dezelfde onderneming kan een mentor (bv. door ziekte) door een andere worden vervangen. Als het tot stemming komt, kan het mentorschap echter maar één stem binnen het geheel van de stemmen van de klassenraadsleden uitbrengen. Dit kan er toe leiden, zeker bij evaluatie van de leerling, dat de mentoren onderling tot één stem moeten komen; bij staking van stemmen van die mentoren (d.w.z. een gelijk aantal pro en contra) stemt de trajectbegeleider namens die mentoren, onverminderd de eigen stem (de trajectbegeleider heeft dan dus een dubbele stem).

Deze samenstelling en bevoegdheid van de klassenraad zijn een afwijking op de onderrichtingen van de omzendbrieven SO 64, SO/2008/08 en SO/2011/03/BuSO betreffende de organisatie van respectievelijk het voltijds gewoon, het deeltijds en het buitengewoon secundair onderwijs.

17. Financiering

De regelmatige leerlingen van duale opleidingen genereren, zoals regelmatige leerlingen van andere structuuronderdelen, de basisfinanciering onder vorm van personeelsomkadering en werkingsbudgetten. Bovenop wordt binnen het project evenwel ook een incentive toegekend in de vorm van extra uren-leraar (gewoon secundair onderwijs) of lesuren (buitengewoon secundair onderwijs), of een forfait in de vorm van werkingsmiddelen dat kan omgezet worden naar omkadering.

Voor de basis-lerarenomkadering blijven de bestaande berekeningsmechanismen (leerlingencoëfficiënten, minimumpakketten, richtgetallen of splitsingsnormen, naargelang van het geval) onverkort van toepassing.

Eén bijkomende maatregel diende te worden genomen: omdat leerlingencoëfficiënten in het voltijds gewoon secundair onderwijs gelinkt zijn aan disciplines, wordt elke duale opleiding als volgt in een bepaalde discipline ondergebracht:

1° chemische procestechnieken duaal: discipline chemie (tso);

2° elektromechanische technieken duaal: discipline elektriciteit (tso);

3° elektrische installaties duaal: discipline elektriciteit (bso);

4° haarverzorging duaal: discipline verzorgingstechnieken (bso);

5° ruwbouw duaal: discipline hout en bouw (bso);

6° zorgkundige duaal: discipline personenzorg (bso);

7° afwerking bouw duaal: discipline hout en bouw (bso);

8° binnenvaart en beperkte kustvaart duaal: discipline rijn- en binnenvaart (bso);

9° brood- en banketbakkerij duaal: discipline hotel (bso);

10° chocolatier duaal: discipline hotel (bso);

11° dakwerker duaal: discipline hout en bouw (bso);

12° decoratie en schilderwerken duaal: discipline decoratieve technieken (bso);

13° fitnessbegeleider duaal: discipline sport (tso);

14° hotelreceptionist duaal: discipline hotel (bso);

15° kinderbegeleider duaal: discipline personenzorg (bso);

16° lassen-constructie duaal: discipline metaal (bso);

17° onderhoudsmechanica auto duaal: discipline metaal (bso);

18° ontwikkelaar patronen kleding- en confectieartikelen duaal: discipline kleding

en confectie (tso);

19° slagerij duaal: discipline hotel (bso);

20° tuinaanlegger-groenbeheerder duaal: discipline land- en tuinbouw (bso).

Deze koppeling is een afwijking van de omzendbrief SO 55 betreffende de vaststelling van het pakket uren-leraar in het voltijds gewoon secundair onderwijs.

Aan alle scholen die in het project meedoen, wordt er bovenop de reguliere omkadering een incentive gegeven. Wat deze incentive inhoudt, verschilt tussen de scholen die betrokken waren bij de opstart van het project in schooljaar 2016-2017, en de scholen die vanaf schooljaar 2017-2018 betrokken zijn in de uitbreiding van het project.

De scholen die betrokken zijn in de uitbreiding vanaf schooljaar 2017-2018, krijgen gedurende elk projectjaar een forfait van € 10.000 toegekend als het aantal regelmatige leerlingen op de eerste lesdag van oktober minimum 1 bedraagt. Indien het beschikbare budget niet uitgeput is, kan het restbedrag gelijkmatig verdeeld worden over de deelnemende scholen en centra, tot een maximum van € 12.500. De concrete werkwijze die scholen kunnen toepassen om personeel tewerk te stellen met deze incentive staat beschreven in omzendbrief PERS 2012/08 over de aanwending van het werkingsbudget voor aanwerving van personeel.

De scholen die bij de opstart van het project in schooljaar 2016-2017 betrokken waren, inclusief de scholen die in dat schooljaar nog geen leerlingen in het project hadden (al de groen gemarkeerde scholen en centra voor deeltijds onderwijs in dit bestand), genereren extra uren-leraar of lesuren die als volgt worden vastgesteld:

1° in het eerste jaar dat scholen met leerlingen opstarten, wordt aan elke deelnemende school forfaitair 12 uren-leraar of lesuren toegekend als het aantal regelmatige leerlingen op de eerste lesdag van oktober minimum 1 bedraagt;

2° voor het schooljaar 2016-2017, 2017-2018 respectievelijk 2018-2019 worden aan elke deelnemende school, per ingerichte eenjarige duale opleiding of per ingericht jaar van een tweejarige duale opleiding:

- 6 uren-leraar of lesuren toegekend als het aantal regelmatige leerlingen op de eerste lesdag van oktober minimum 1 en maximum 6 bedraagt;

- 11 uren-leraar of lesuren toegekend als het aantal regelmatige leerlingen op de eerste lesdag van oktober minimum 7 bedraagt.

Als een of meer deelnemende scholen geen regelmatige leerlingen hebben op de eerste lesdag van oktober in de duale opleiding, kunnen de uren die hierdoor vrijkomen door de Vlaamse ministers van onderwijs en werk worden herverdeeld over de andere scholen.

Voor de BuSO-scholen die deelnemen aan het project geldt dat de leerlingen uit de opleiding groen- en tuinbeheer worden bijgeteld bij de leerlingen van de opleiding tuinbouwarbeider van opleidingsvorm 3 met het oog op het bereiken van de norm van 40 leerlingen voor toekenning van een teeltleider.

AgODi is belast met de vaststelling van het aantal regelmatige leerlingen en de berekening van de hieruit voortvloeiende middelen.

Op het vlak van aanwending van uren-leraar of lesuren moet, naast de gebruikelijke beperkingen, met volgende bijkomende voorwaarden rekening worden gehouden:

1° uit het globaal pakket uren-leraar of lesuren (basis + extra) moeten in elk geval een evenwichtig aantal uren in trajectbegeleiding worden geïnvesteerd;

2° in de extra uren kunnen in het gewoon onderwijs enkel betrekkingen in het ambt van leraar secundair onderwijs en in het buitengewoon onderwijs enkel betrekkingen in het ambt van leraar algemene sociale vorming of leraar beroepsgerichte vorming worden ingericht. Deze extra uren kunnen enkel voor de duale opleidingen worden aangewend;

3° als gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om in het gewoon voltijds of deeltijds secundair onderwijs, ter vervanging van leraars, voordrachtgevers uit het bedrijfsleven in te zetten, kan dat uitsluitend binnen de schoolcomponent.

Bovenstaande onderrichtingen zijn in afwijking van de omkaderingsrichtlijnen van de omzendbrieven SO 55, SO/2008/08 en SO/2011/03/BuSO.

18. Personeel

De betrekking die de school inricht met de extra uren-leraar of lesuren, toegekend als incentive, zoals bedoeld onder punt 17 hiervoor, is een organieke betrekking en is onderhevig aan de geldende regelgeving.

Het personeelslid dat in deze betrekking wordt aangesteld, wordt altijd aangesteld conform de bepalingen van de decreten rechtspositie.

19. Evaluatie en kwaliteitstoezicht

Duale opleidingen zijn onderwijskwalificerende trajecten met een beroepskwalificerende component. Vanuit dat uitgangspunt zal een team, samengesteld uit leden van de onderwijsinspectie, afgevaardigden van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen en afgevaardigden van de VDAB-Regie, een proeftoezicht uitoefenen op de kwaliteit van de opleidingstrajecten, die zowel in de school als op de werkvloer lopen. Dit proeftoezicht zal gebeuren in een steekproef van scholen en ondernemingen. In tegenstelling tot de schooldoorlichting die in een advies over het behoud van erkenning of financiering uitmondt, heeft het proeftoezicht op de opleidingstrajecten een andere, dubbele doelstelling:

1° als samengesteld team van toezichthouders uit het project leren naar de toekomst over de methodiek van toezicht in een dubbele opleidingssetting;

2° zo nodig een advies geven over de lokale projectbijsturing.

Voor de evaluatie van het project "Schoolbank op de werkplek" wordt een ad hoc expertenpanel opgericht, bestaande uit afgevaardigden van de overheid, afgevaardigden van de sociale partners (werkgevers en werknemers) uit de onderwijssector en uit de bedrijfssectoren, de voorzitter van het Vlaams Partnerschap duaal leren en wetenschappelijke experten. Het panel volgt het project op, zonder enige vorm van sturing of inmenging, en kan daarvoor ter plaatse in opleidingssites (scholen en ondernemingen) afstappen. Het panel rekent ten allen tijde op de medewerking van de projectscholen en hun besturen en op de medewerking van de ondernemingen.

De opvolging resulteert in tussentijdse evaluaties van het tijdelijke project en, in het schooljaar 2018-2019, in een eindevaluatie. Ook de verdere uitrol van het duale leren zal worden besproken in het panel. De bevindingen van het panel moeten toelaten om beleidsconclusies te trekken naar organieke implementatie.

20. Bijlagen