Decreet tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen

  • goedkeuringsdatum
    10 juni 2016
  • publicatiedatum
    B.S.17/08/2016
  • datum laatste wijziging
    13/02/2017

COORDINATIE

Decr. 23-12-2016 - B.S. 13-2-2017

Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Decreet tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen

HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.

Art. 2.

In dit decreet wordt verstaan onder :

1° agentschap: het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen";

2° alternerende opleiding: elke opleiding van het voltijds secundair onderwijs, met uitzondering van de integratiefase van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs, die door de Vlaamse Regering als duaal wordt aangeduid en elke opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs en in de leertijd. In dergelijke opleiding worden contactonderwijs bij een opleidingsverstrekker en opleiding op de werkplek gecombineerd. Beide componenten beogen samen de uitvoering van één enkel opleidingsplan en zijn daarom inhoudelijk en organisatorisch op elkaar afgestemd;

3° mentor: de persoon die binnen de onderneming wordt aangeduid om de opleiding van de leerling op de werkplek te begeleiden en op te volgen;

4° onderneming: elke natuurlijke persoon, privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon die een leerling opleidt met een overeenkomst tot uitvoering van een alternerende opleiding;

5° opleidingsplan: een plan dat het individuele leertraject van de leerling bevat;

6° opleidingsverstrekker: een opleidings- of onderwijsinstelling die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap;

7° sectoraal partnerschap: het orgaan, vermeld in artikel 17 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen";

8° trajectbegeleider: de door de opleidingsverstrekker gemandateerde persoon of het aangeduid personeelslid belast met de opvolging en begeleiding van de leerling met het oog op de volledige realisatie van het opleidingsplan;

9° trajectbegeleiding: een continu proces van begeleiding en opvolging van de persoonlijke ontwikkeling en de vorming van de leerling zowel tijdens het onderwijs op school als in het centrum, als tijdens de opleiding op de werkplek;

10° Vlaams Partnerschap Duaal Leren: het orgaan, vermeld in artikel 13 tot en met 18 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen";

11° werkplek: een reële werkplek of een gesimuleerde werkplek buiten de school. Gesimuleerde werkplekken komen enkel in aanmerking voor zover ze eigen zijn aan de sector of de onderneming en ook door werknemers binnen een sector of onderneming gebruikt dienen te worden.

HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen

Art. 3.

Voor de uitvoering van de alternerende opleiding, voor zover de opleiding op de werkplek via een reguliere tewerkstelling wordt ingevuld, sluit de leerling met een opleidingsverstrekker en een onderneming :

1° een overeenkomst van alternerende opleiding als de opleiding gemiddeld op jaarbasis minstens 20 uur per week opleiding op een reële werkplek omvat, zonder rekening te houden met de wettelijke feest- en vakantiedagen;

2° een stageovereenkomst alternerende opleiding :

a) als de opleiding door de Vlaamse Regering als duaal is aangeduid en op de werkplek gemiddeld op jaarbasis minder dan 20 uur per week bedraagt, zonder rekening te houden met de wettelijke feest- en vakantiedagen;

b) als de opleiding uitsluitend plaatsvindt op een gesimuleerde werkplek.

In afwijking van het eerste lid kan een leerling voor de uitvoering van zijn alternerende opleiding een deeltijdse arbeidsovereenkomst sluiten waarvoor de bepalingen van dit hoofdstuk en de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten gelden, [als de onderneming valt onder het toepassingsgebied van] artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector [...].

In afwijking van het eerste lid sluit een leerling voor de uitvoering van zijn alternerende opleiding een deeltijdse arbeidsovereenkomst waarvoor de bepalingen van dit hoofdstuk en de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten gelden, als het een opleiding betreft van het deeltijds beroepssecundair onderwijs die niet door de Vlaamse Regering als duaal is aangeduid en op de werkplek gemiddeld op jaarbasis minder dan 20 uur per week bedraagt, zonder rekening te houden met de wettelijke feest- en vakantiedagen, en uiterlijk tot een datum bepaald door de Vlaamse Regering.

Decr. 23-12-2016

Art. 4.

De overeenkomsten, vermeld in artikel 3, kunnen enkel worden gesloten door :

1° een leerling die overeenkomstig de vigerende onderwijsdecreten of -regelgeving een regelmatige leerling is of zijn wettelijke vertegenwoordiger;

2° een overeenkomstig artikel 7, §§ 1 tot en met 3, erkende onderneming;

3° een opleidingsverstrekker.

Art. 5.

De overeenkomst tot uitvoering van de alternerende opleiding moet voor elke leerling afzonderlijk schriftelijk worden vastgesteld uiterlijk op het tijdstip waarop de leerling zijn alternerende opleiding in de onderneming aanvat.

De stageovereenkomst alternerende opleiding en de overeenkomst van alternerende opleiding moeten worden opgesteld volgens het model dat vastgelegd is door de Vlaamse Regering.

Art. 6.

De overeenkomst tot uitvoering van de alternerende opleiding is een overeenkomst van bepaalde duur die schooljaaroverschrijdend kan zijn.

De leerling kan om zijn opleidingsplan uit te voeren, opeenvolgende overeenkomsten met verschillende ondernemingen sluiten.

De duur van alle overeenkomsten samen mag niet meer bedragen dan de duur van de alternerende opleiding waarop de overeenkomsten betrekking hebben en dit vanaf het moment dat de alternerende opleiding voor de leerling ingevuld is met een werkplekcomponent.

Art. 7.

§ 1. Om erkend te kunnen worden, moet de onderneming minimaal voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° zij moet binnen de onderneming een mentor aanduiden die :

a) van onberispelijk gedrag is;

b) ten volle 25 jaar oud is en ten minste vijf jaar praktijkervaring heeft in het beroep;

2° zij moet op het vlak van de organisatie en de bedrijfsuitrusting voldoen om de opleiding op de werkplek van een leerling mogelijk te maken overeenkomstig het opleidingsplan;

3° zij moet voldoende financiële draagkracht hebben om de continuïteit van de onderneming te waarborgen;

4° zij mag geen veroordelingen hebben opgelopen.

In afwijking van het eerste lid kan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren :

1° de leeftijd terugbrengen tot 23 jaar als de mentor een bewijs van vooropleiding in het beroep voorlegt;

2° een afwijking verlenen van de vereiste praktijkervaring in het beroep als de mentor een bewijs van vooropleiding in het beroep voorlegt;

3° beslissen dat de veroordeling niet relevant is om de erkenning van de onderneming te weigeren.

De Vlaamse Regering zal de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, nader bepalen en zal voorwaarden opleggen om de kwaliteit van de opleiding en van het mentorschap in de onderneming te garanderen.

§ 2. De onderneming moet een aanvraag tot erkenning indienen bij het Vlaams Partnerschap Duaal Leren.

De aanvraag tot erkenning moet gebeuren voor elke alternerende opleiding waarvoor de onderneming een overeenkomst wil sluiten en voor elke vestiging waar zij leerlingen wil opleiden.

Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren neemt binnen veertien dagen na de ontvangst van de aanvraag, vermeld in het eerste lid, een beslissing over de erkenning van de onderneming.

§ 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 4 geldt de erkenning van de onderneming voor een duur van vijf jaar vanaf de datum van de beslissing tot erkenning.

§ 4. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan de erkenning van de onderneming opheffen als de onderneming niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden of als de onderneming haar verbintenissen en plichten niet naleeft.

Opheffing van de erkenning van de onderneming houdt in dat de onderneming geen overeenkomsten tot uitvoering van de alternerende overeenkomst kan sluiten zolang zij niet opnieuw erkend is.

§ 5. De onderneming kan tegen de niet-erkenning of tegen de opheffing van de erkenning een beroep aantekenen.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het beroep.

§ 6. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan bij de opheffing van de erkenning van de onderneming beslissen tot uitsluiting van de onderneming als zij haar verbintenissen of verplichtingen niet naleeft. De uitsluiting kan tijdelijk of definitief zijn.

Uitsluiting van de onderneming houdt in dat zij geen nieuwe erkenning kan aanvragen.

De onderneming kan beroep aantekenen tegen de uitsluiting.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het beroep.

Art. 8.

Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan voor de uitvoering van zijn opdrachten betreffende de overeenkomsten tot uitvoering van de alternerende opleiding een samenwerkingsakkoord sluiten met een sectoraal partnerschap.

Het samenwerkingsakkoord bepaalt de opleidingen waarop de samenwerking slaat.

Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren kan voor de uitvoering van zijn opdrachten in het kader van de overeenkomsten tot uitvoering van de alternerende opleiding waarvoor geen samenwerkingsakkoord met een sector is gesloten, een delegatie van bevoegdheid verlenen aan personeelsleden van het agentschap.

HOOFDSTUK 3. - De overeenkomst van alternerende opleiding

Afdeling 1. - Kenmerken van de overeenkomst van alternerende opleiding

Art. 9.

De overeenkomst van alternerende opleiding is een voltijdse overeenkomst en heeft betrekking op het volledige leertraject, zowel de lescomponent als de werkplekcomponent. Voor de berekening van het aantal uren binnen de overeenkomst telt een les of een activiteit die gelijkgesteld is met een les, mee voor zestig minuten.

Art. 10.

De overeenkomst van alternerende opleiding moet de volgende vermeldingen en bepalingen omvatten :

1° de datum van de inwerkingtreding, de einddatum en het voorwerp van de overeenkomst;

2° de naam van de onderneming en van de persoon die de onderneming vertegenwoordigt;

3° de naam van de mentor in de onderneming;

4° de identiteit van de leerling;

5° de naam van de opleidingsverstrekker waar de leerling de lessen volgt en van de trajectbegeleider van de opleidingsverstrekker;

6° het bedrag van de leervergoeding, vermeld in artikel 17, § 1, eerste lid;

7° het uurrooster, waarin enerzijds de tijdstippen worden vermeld waarop de leerling de opleiding volgt in de onderneming, en anderzijds de tijdstippen waarop de leerling de lessen en de activiteiten die gelijkgesteld zijn met lessen, volgt bij de opleidingsverstrekker;

8° de plaats van de uitvoering van de opleiding op de werkplek;

9° de verwijzing naar alle wettelijke, reglementerende en conventionele bepalingen, inzonderheid met betrekking tot voorzieningen van sociale zekerheid, arbeidswetgeving, welzijnswetgeving en verzekeringen, die van toepassing zijn op de onderneming;

10° de beperkte aansprakelijkheid van de leerling bij schade ten aanzien van de onderneming of derden.

Maken integraal deel uit van de overeenkomst van alternerende opleiding :

1° het opleidingsplan opgesteld door de opleidingsverstrekker in overleg met de onderneming;

2° de rechten en plichten van de leerling, de onderneming en de opleidingsverstrekker;

3° de integrale tekst van de artikelen van dit decreet met betrekking tot de schorsing en de beëindiging van de overeenkomst van alternerende opleiding;

4° het arbeidsreglement.

De overeenkomst mag geen bedingen bevatten die de rechten van de leerling beperken of zijn verplichtingen verzwaren.

Afdeling 2. - Verbintenissen, rechten en plichten van de partijen

Art. 11.

De onderneming :

1° verbindt zich ertoe de leerling competenties van de opleiding op een werkplek aan te leren overeenkomstig de decreet- of regelgeving die op de invulling van de opleiding in kwestie van toepassing is;

2° verbindt zich ertoe de professionalisering van de mentor te bevorderen;

3° bezorgt een exemplaar van de overeenkomst van alternerende opleiding aan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren;

4° betaalt aan de leerling een leervergoeding conform artikel 17, § 1;

5° zorgt ervoor dat de leerling de lessen kan volgen die noodzakelijk zijn voor zijn opleiding, en dat de leerling aan de activiteiten kan deelnemen die gelijkgesteld zijn met lessen;

6° waakt over het verloop van het opleidingstraject, volgt de vorderingen van de leerling op en is betrokken bij de evaluatie van de leerling;

7° geeft aan de trajectbegeleider alle nodige informatie over het verloop van de opleiding en de vorderingen van de leerling;

8° verbindt zich ertoe de vigerende wetgeving op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens na te leven;

9° waakt erover dat de mentor die uit hoofde van zijn opdracht toegang heeft tot persoonsgegevens van leerlingen, deze enkel zal aanwenden met betrekking tot de correcte uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding en zowel tijdens de duur van de overeenkomst als na de beëindiging ervan geen enkele vertrouwelijke informatie met betrekking tot de leerling op welke wijze dan ook zal bekendmaken aan derden;

10° zorgt er als een goed huisvader voor dat de opleiding op de werkplek plaatsvindt in omstandigheden die voldoen aan de vereisten van de wetgeving over welzijn op het werk;

11° stelt aan de leerling de nodige hulp, gereedschappen, grondstoffen, werkkledij, collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking en staat in voor het onderhoud ervan zonder dat dat beschouwd mag worden als een voordeel in natura;

12° besteedt de nodige aandacht aan het onthaal, de opvang en de integratie van de leerling op de werkplek;

13° zorgt te allen tijde voor een aanspreekpunt voor de jongere;

14° laat de leerling geen taken verrichten die niets te maken hebben met het opleidingsplan, die gevaarlijk of schadelijk kunnen zijn of die krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen verboden zijn;

15° meldt elke wijziging van de beroepsactiviteit of de uitbatingszetel, die gevolgen heeft voor de opleiding van de leerling, binnen tien dagen aan de trajectbegeleider;

16° legt de problemen die rijzen tijdens de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding onmiddellijk voor aan de trajectbegeleider.

Art. 12.

De leerling :

1° verbindt zich ertoe om als regelmatige leerling met het oog op het behalen van de studiebekrachtiging :

a) het contactonderwijs bij de opleidingsverstrekker te volgen;

b) de opleiding op de werkplek onder het gezag en toezicht van de mentor te volgen;

2° sluit de overeenkomst en voert de overeenkomst uit met de bedoeling het opleidingstraject te voleindigen;

3° volgt zijn vorderingen op overeenkomstig de richtlijnen van de opleidingsverstrekker en de mentor;

4° verricht de opgedragen taken zorgvuldig, eerlijk en nauwgezet op de tijd, plaats en wijze die is overeengekomen;

5° handelt op de werkplek volgens de richtlijnen van de mentor;

6° onthoudt zich van al wat schade kan berokkenen aan de eigen veiligheid, de veiligheid van de collega's, de onderneming of derden;

7° geeft het toevertrouwde gereedschap, de werkkledij en de ongebruikte grondstoffen in goede staat aan de onderneming terug;

8° maakt geen fabrieksgeheimen, zakengeheimen en geheimen over persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden bekend, noch tijdens de uitvoering, noch na de beëindiging van de overeenkomst;

9° stelt geen daden van oneerlijke concurrentie of werkt daaraan niet mee, noch tijdens de uitvoering, noch na de beëindiging van de overeenkomst;

10° legt de problemen die rijzen tijdens de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding onmiddellijk voor aan de trajectbegeleider en de mentor.

Art. 13.

De opleidingsverstrekker :

1° verbindt zich ertoe de leerling competenties van de opleiding in de vorm van lessen of activiteiten die daarmee gelijkgesteld zijn, aan te leren overeenkomstig de decreet- of regelgeving die op de invulling van de opleiding van toepassing is;

2° onderhandelt over de overeenkomst, maakt de overeenkomst op en begeleidt de toepassing ervan;

3° voorziet in trajectbegeleiding voor de leerling over het hele opleidingstraject;

4° bewaakt de competentieverwerving in samenspraak met de mentor;

5° houdt tijdens de periodes waarin de leerling de werkplekcomponent effectief invult, een vertegenwoordiger van de opleidingsverstrekker bij wie de leerling is ingeschreven, voor de leerling bereikbaar. Die verplichting kan echter geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden;

6° levert maximale inspanningen om na de beëindiging van een overeenkomst van alternerende opleiding voor de leerling een nieuwe overeenkomst van alternerende opleiding te sluiten;

7° bezorgt aan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren de gevraagde gegevens voor zijn jaarlijks monitoringsrapport over de stand van zaken van het duale leren in Vlaanderen.

Art. 14.

De onderneming moet zich schikken naar alle wettelijke, reglementerende en conventionele bepalingen, inzonderheid met betrekking tot voorzieningen van sociale zekerheid, arbeidswetgeving, welzijnswetgeving en verzekeringen, die van toepassing zijn op de onderneming.

Art. 15.

De tijd die de leerling moet besteden aan de uitvoering van zijn overeenkomst van alternerende opleiding in haar totaliteit, overeenkomstig het uurrooster, vermeld in artikel 10, eerste lid, 7°, van dit decreet, mag niet meer bedragen dan de maximale arbeidsduur, vermeld in de Arbeidswet van 16 maart 1971, of, krachtens die wet, in de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of het toepasselijke arbeidsreglement.

Art. 16.

§ 1. Als de leerling bij de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding de onderneming of derden schade berokkent of gebrekkig werk levert, is hij alleen aansprakelijk in geval van bedrog of zware schuld.

Voor lichte schuld is hij alleen aansprakelijk als die schuld eerder gewoonlijk dan toevallig bij hem voorkomt.

De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek geldt enkel wanneer de minderjarige leerling overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.

De onderneming is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Alle met de bepalingen van deze paragraaf strijdige bedingen zijn nietig.

§ 2. De leerling is niet verantwoordelijk voor de beschadigingen of de sleet die toe te schrijven zijn aan het regelmatige gebruik van het voorwerp, noch voor het toevallige verlies ervan.

Art. 17.

§ 1. De leerling ontvangt maandelijks een leervergoeding van de onderneming.

De Vlaamse Regering bepaalt de hoogte, de wijze van toekenning en de berekeningswijze van de leervergoeding.

§ 2. De leervergoeding is door de onderneming verschuldigd, zowel voor de opleiding in de onderneming als voor het volgen van de lessen en de activiteiten die gelijkgesteld zijn met lessen.

§ 3. De bepalingen van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers zijn van toepassing op de leervergoeding.

§ 4. De onderneming die de overeenkomst beëindigt op een wijze die strijdig is met de bepalingen van dit decreet, is een vergoeding verschuldigd die overeenstemt met een leervergoeding voor een maand.

Afdeling 3. - Schorsing van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding

Art. 18.

De uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding wordt geschorst onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde gevallen, vermeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Gedurende de schorsing van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding behoudt de leerling de leervergoeding onder dezelfde waarborgen als die welke gelden voor het loon van een werknemer met een arbeidsovereenkomst.

Art. 19.

De leerling heeft, naast de gewone regeling voor het recht op betaalde vakantie, ook recht op twintig niet-betaalde vakantiedagen.

Alle vakantiedagen moeten in overleg tussen de leerling en de onderneming opgenomen worden.

De niet-betaalde vakantiedagen moeten opgenomen worden in de schoolvakanties.

De betaalde vakantiedagen mogen niet worden opgenomen op de lesdagen of op dagen met activiteiten die met lessen gelijkgesteld zijn.

Art. 20.

In afwijking van artikel 18, tweede lid, is de onderneming geen leervergoeding verschuldigd bij arbeidsongeschiktheid wegens arbeidsongeval en beroepsziekte.

Art. 21.

De uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding wordt geschorst :

1° als de leerling overeenkomstig artikel 123/10, § 1, 1°, of artikel 123/11, § 1, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 tijdelijk uitgesloten wordt door de opleidingsverstrekker;

2° als de leerling overeenkomstig artikel 123/10, § 1, 2°, of artikel 123/11, § 1, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 definitief uitgesloten wordt door de opleidingsverstrekker en de leerling tegen deze uitsluiting een ontvankelijk beroep heeft ingesteld;

3° als de leerling overeenkomstig artikel 123/10, § 2, of artikel 123/11, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 door de opleidingsverstrekker preventief geschorst wordt.

Gedurende de schorsing van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding in de gevallen vermeld in het eerste lid, is de onderneming geen leervergoeding verschuldigd aan de leerling.

Art. 22.

Als de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding meer dan veertien dagen geschorst wordt, moet de onderneming de trajectbegeleider op de hoogte brengen.

Als na een schorsing van meer dan veertien dagen de uitvoering van de overeenkomst wordt hervat, moet de onderneming uiterlijk drie dagen na de hervatting de trajectbegeleider op de hoogte brengen.

Afdeling 4. - Beëindiging van de overeenkomst van alternerende opleiding

Art. 23.

Met behoud van de toepassing van de wijzen waarop verbintenissen in het algemeen eindigen, neemt de uitvoering van de overeenkomst een einde :

1° als de termijn verstreken is;

2° als de leerling de opleiding met vrucht heeft beëindigd;

3° als de mentor overlijdt en geen andere mentor kan worden aangesteld;

4° als er overmacht is, die tot gevolg heeft dat de uitvoering van de overeenkomst definitief onmogelijk wordt;

5° op verzoek van de leerling in geval van faillissement of na overname van de onderneming, tenzij de overeenkomst door het overnemende bedrijf overgenomen wordt. Dat laatste is alleen mogelijk als ook het overnemende bedrijf aan alle voorwaarden voldoet;

6° als de schorsing van de uitvoering van de overeenkomst langer dan zestig dagen aanhoudt en de ondernemer of de leerling de wens uit de overeenkomst niet verder uit te voeren;

7° bij definitieve uitsluiting als tuchtmaatregel van de onderwijs- of opleidingsverstrekker, in voorkomend geval na de uitputting van het beroep, vermeld in artikel 123/12 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;

8° bij vroegtijdige stopzetting van de opleiding;

9° als de erkenning van de onderneming wordt opgeheven.

Art. 24.

Bij een vroegtijdige beëindiging brengt de trajectbegeleider het Vlaams Partnerschap Duaal Leren hiervan op de hoogte.

Art. 25.

Tijdens de eerste dertig dagen van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding kan de onderneming of de leerling de overeenkomst van alternerende opleiding opzeggen. Er moet wel een opzegtermijn van zeven dagen in acht worden genomen, die ingaat de dag na de ontvangst van de schriftelijke opzegging.

Als de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding wordt geschorst tijdens de eerste dertig dagen van de uitvoering van de overeenkomst, wordt de periode van de eerste dertig dagen van de uitvoering van de overeenkomst verlengd met de duur van de schorsing.

Een schorsing van de uitvoering van de overeenkomst voor of tijdens de opzegtermijn schorst de opzegtermijn niet.

Art. 26.

§ 1. De onderneming of de leerling of zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen het bestaan van een reden inroepen die de verbreking van de uitvoering van de overeenkomst wettigt, als de leerling, respectievelijk onderneming, ernstig tekortschiet in de verplichtingen met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst, als er omstandigheden zijn die het goede verloop van de opleiding op de werkplek ernstig belemmeren of als de leerling wil overschakelen naar een andere opleiding.

§ 2. De onderneming of de leerling of zijn wettelijke vertegenwoordiger moeten de reden, vermeld in paragraaf 1, schriftelijk mededelen aan de trajectbegeleider. De trajectbegeleider bemiddelt en probeert de partijen te verzoenen. Daarvoor beschikt de trajectbegeleider over een termijn van maximaal drie weken. Die termijn neemt een aanvang vanaf de ontvangst van de schriftelijke mededeling. Een schorsing van de uitvoering van de overeenkomst tijdens de verzoeningstermijn schorst de verzoeningstermijn niet.

Tijdens de verzoeningstermijn moeten de partijen de uitvoering van de overeenkomst voortzetten.

Als de partijen tot een verzoening komen, wordt de uitvoering van de overeenkomst voortgezet.

Als de partijen niet tot een verzoening komen, kan de partij die de wens tot beëindiging heeft geuit, ook effectief overgaan tot de beëindiging van de overeenkomst. De beëindiging gaat in de dag na de ontvangst van de schriftelijke mededeling.

§ 3. De onderneming of de leerling of zijn wettelijke vertegenwoordiger, naargelang het geval, kan beroep aantekenen bij het Vlaams Partnerschap Duaal Leren als hij van oordeel is dat de ingeroepen reden de beëindiging van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding niet wettigt.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het beroep.

Als het Vlaams Partnerschap Duaal Leren oordeelt dat de ingeroepen reden de beëindiging van de uitvoering van de overeenkomst van alternerende opleiding door de onderneming niet wettigt, is aan de leerling die beroep heeft aangetekend een schadevergoeding verschuldigd conform artikel 17, § 4.

Art. 27.

De opleidingsverstrekker kan de overeenkomst tot uitvoering van de alternerende opleiding schriftelijk en gemotiveerd beëindigen :

1° bij zware inbreuken van de onderneming of de leerling tegen de uitvoering van de overeenkomst;

2° wanneer de fysieke of geestelijke gezondheid van de leerling gevaar loopt;

3° als er omstandigheden zijn die het goede verloop van de opleiding op de werkplek ernstig belemmeren.

De opleidingsverstrekker kan aan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren voorstellen om de erkenning van de onderneming op te heffen.

HOOFDSTUK 4. - De stageovereenkomst alternerende opleiding

Art. 28.

Alle bepalingen van hoofdstuk 3 zijn van toepassing op de stageovereenkomst alternerende opleiding met uitzondering van artikel 11, 4°, artikel 17, artikel 18, tweede lid, artikel 19, artikel 20, en artikel 26, § 3, derde lid.

Art. 29.

De leerling volgt de schoolvakantieregeling.

HOOFDSTUK 5. - Toezicht

Art. 30.

Onverminderd de vigerende decretale en reglementaire bepalingen met betrekking tot het toezicht in het onderwijs, met inbegrip van de leertijd door de onderwijsinspectie en de bevoegde onderwijsadministratie, wordt het toezicht op de uitvoering van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan uitgeoefend door het agentschap.

Het agentschap stelt voor de uitoefening van het toezicht een werkingscode op en maakt die bekend bij degenen bij wie toezicht wordt uitgeoefend.

HOOFDSTUK 6. - Wijzigingsbepalingen

...

Afdeling 4. - Wijzigingen van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken

...

Afdeling 5. - Wijzigingen van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010

...

HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen

Art. 63.

De overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van dit decreet gesloten zijn met lesvolging in het stelsel leren en werken, blijven lopen tot de einddatum ervan.

Art. 64.

De wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, het laatst gewijzigd bij het decreet van 24 april 2015, wordt opgeheven.

In afwijking van het eerste lid blijft dezelfde wet van 19 juli 1983 van kracht voor de overeenkomsten die met toepassing van deze wet zijn gesloten vóór 1 september 2016 en tot hun einddatum. Op die overeenkomsten zijn de bepalingen van dit decreet niet van toepassing.

Art. 65.

In afwijking van artikel 7, §§ 1 en 2, worden de ondernemingen die bij de inwerkingtreding van dit decreet erkend waren in het stelsel leren en werken of in het schooljaar 2015-2016 verbonden waren door een overeenkomst met een leerling in het stelsel leren en werken erkend voor één jaar vanaf de inwerkingtreding van dit decreet.

Art. 66.

Dit decreet treedt in werking op 1 september 2016, met uitzondering van de artikelen 2, 7, 8, 33, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 55, 57, 59, 60, 61 en 62, die in werking treden op 1 juli 2016.