Decreet tot bekrachtiging van het reglement tot bepaling van de bestuursbeginselen die van toepassing zijn bij de besluitvorming door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie inzake het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap en houdende andere bepalingen inzake kwaliteitszorg en accreditatie in het hoger onderwijs

  • goedkeuringsdatum
    25 november 2016
  • publicatiedatum
    B.S.27/01/2017
  • datum laatste wijziging
    27/01/2017

Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt :

Decreet tot bekrachtiging van het reglement tot bepaling van de bestuursbeginselen die van toepassing zijn bij de besluitvorming door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie inzake het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap en houdende andere bepalingen inzake kwaliteitszorg en accreditatie in het hoger onderwijs

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2.

Het reglement tot bepaling van de bestuursbeginselen die van toepassing zijn bij de besluitvorming door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie inzake het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap, goedgekeurd door het algemeen bestuur van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie op 14 december 2015, dat als bijlage bij dit decreet is gevoegd, wordt bekrachtigd.

Art. 3.

In artikel II.128, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° in het tweede lid wordt de volzin "De meerderheid van de leden is werkzaam in het buitenland." vervangen door wat volgt : "De meerderheid van de leden is werkzaam of is recent werkzaam geweest in het buitenland.";

2° in het derde lid wordt er na de eerste zin een nieuwe tweede zin ingevoegd die luidt als volgt : "Voor wat de student betreft geldt de voorwaarde dat de student minstens sedert één jaar geen band meer heeft met de betrokken instelling.".

Art. 4.

Artikel 3 heeft uitwerking met ingang van 16 december 2014.

BIJLAGE

Bijlage bij het decreet van 25 november 2016 tot bekrachtiging van het reglement tot bepaling van de bestuursbeginselen die van toepassing zijn bij de besluitvorming door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie inzake het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap en houdende andere bepalingen inzake kwaliteitszorg en accreditatie in het hoger onderwijs

Reglement tot bepaling van de bestuursbeginselen die van toepassing zijn bij de besluitvorming door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie inzake het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap

Inhoud

Hoofdstuk I. - Algemene bepalingen

Hoofdstuk II. - Onafhankelijkheid en onpartijdigheid

Hoofdstuk III. - Zorgvuldigheid en redelijkheid

Hoofdstuk IV. - Formele motivering

Hoofdstuk V. - Openbaarheid

Hoofdstuk VI. - Opvragen van aanvullende informatie, toelichtingen en/of verduidelijkingen

Hoofdstuk VII. - Toekennen van een accreditatie voor een periode van ten hoogste drie jaar

Hoofdstuk VIII. - Verdedigingsbeginsel en bezwaarprocedure

Hoofdstuk IX. - Intrekbaarheid van beslissing

Hoofdstuk X. - Slotbepalingen

De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie,

Gelet op de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, inzonderheid op artikel II.27, II.129, § 1, tweede lid en § 3, II.132, tweede lid, II.142, § 4, II.143, § 2, tweede lid, II.145, § 2, II.146, § 2, tweede lid, II.148, tweede lid, II.153, § 7, derde lid en II.384, § 3;

Gelet op het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, inzonderheid op artikel 13;

Gelet op het reglement van 19 februari 2005 tot bepaling van bestuursbeginselen die van toepassing zijn bij de besluitvorming inzake accreditatie en toets nieuwe opleiding ten aanzien van opleidingen van het hoger onderwijs en het hoger beroepsonderwijs in de Vlaamse Gemeenschap;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

De begrippen die in dit reglement worden gehanteerd, moeten worden gelezen in de zin die eraan wordt gegeven in :

1° het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 3 september 2003 (1);

2° de gecoördineerde decreten betreffende het hoger onderwijs van 11 oktober 2013 (Codex Hoger Onderwijs);

3° het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs (HBO5-decreet);

4° Kader Instellingsreview - Vlaanderen 2015-2017 (Reviewkader);

5° Kader Opleidingsaccreditatie - Vlaanderen 2015-2021 (Accreditatiekader);

6° Kader Toets Nieuwe Opleiding - Vlaanderen 2015-2021 (Toetsingskader);

7° Operationeel kader uitbreiding studieomvang masteropleidingen (Kader studieomvang);

8° Toetsingskader Nieuwe om te vormen en nieuwe HBO5-opleiding (Beoordelingskader HBO5).

Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder :

1° instelling: een ambtshalve geregistreerde instelling, een geregistreerde instelling, een instelling die via een toets nieuwe opleiding een geregistreerde instelling wenst te worden, een instelling voor voltijds secundair onderwijs, dan wel een centrum voor volwassenenonderwijs in de Vlaamse Gemeenschap;

2° NVAO: het orgaan van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie dat bij of krachtens verdrag is aangewezen om de in dit reglement opgenomen bevoegdheden uit te oefenen;

3° commissie: de Reviewcommissie die de instellingsreview uitvoert of de Visitatiecommissie die belast is met een externe beoordeling;

4° Adviescollege: de adviserende instantie inzake bezwaren met betrekking tot ontwerpbesluiten en -rapporten van de NVAO inzake hogeronderwijsopleidingen in de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 2.

Dit reglement is van toepassing op de volgende aanvragen die uitgaan van een bestuur van een instelling :

1° accreditatieaanvragen;

2° aanvragen voor een instellingsreview;

3° aanvragen voor een toets nieuwe opleiding;

4° aanvragen voor een toets nieuwe HBO5-opleiding;

5° aanvragen voor uitbreiding studieomvang van masteropleidingen.

HOOFDSTUK II. - Onafhankelijkheid en onpartijdigheid

Afdeling 1. - NVAO

Art. 3.

De vaststelling van een accreditatierapport en -besluit, een toetsingsrapport en -besluit, een adviesrapport, dan wel een rapport en besluit dat een instellingsreview afrondt gebeurt op onafhankelijke en onpartijdige wijze.

Art. 4.

§ 1. Een bestuurslid van de NVAO onthoudt zich van de deelname aan de beraadslagingen en beslissingen over een aanvraag zoals bepaald in art. 2 van dit reglement indien sprake is van :

1° een (vroeger) lidmaatschap van :

a) het personeel van de betrokken instelling, ongeacht de aard van de tewerkstelling of de herkomst van de bezoldiging;

b) een bestuursorgaan van de betrokken instelling;

c) een bestuursorgaan van een rechtspersoon waarin de instelling deelneemt;

d) een bestuursorgaan van het ziekenhuis verbonden aan de instelling;

2° het (vroeger) lidmaatschap of de (vroegere) vertegenwoordigingsfunctie in de associatie waartoe de instelling behoort;

3° het (vroeger) verstrekken van adviezen of het (vroeger) uitvoeren van opdrachten ten behoeve van de betrokken instelling;

4° de (vroegere) echtverbintenis of (vroegere) samenwoning of het hebben van familiale banden tot in de tweede graad met een onder 1° bedoelde persoon.

Er is geen onverenigbaarheid meer indien het lidmaatschap, de vertegenwoordigingsfunctie, de echtverbintenis of de samenwoning eerder werd beëindigd, of het advies of de opdracht eerder werd opgeleverd, dan in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag.

Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, d), wordt het Universitair Ziekenhuis Gent, dan wel het Universitair Ziekenhuis Antwerpen beschouwd als verbonden met de Universiteit Gent, respectievelijk de Universiteit Antwerpen.

§ 2. Een bestuurslid van de NVAO kan zich, naast de in § 1 bedoelde gevallen, op gemotiveerde wijze vrijwillig onthouden van deelname aan de beraadslagingen en beslissingen over een aanvraagdossier.

Art. 5.

§ 1. EIk instellingsbestuur kan bij de in art. 2 vermelde aanvragen een wrakingsverzoek indienen als het meent dat een bestuurslid zich in één van de in artikel 4, § 1, genoemde gevallen van onverenigbaarheid bevindt. Het wrakingsverzoek kan naderhand worden ingediend, indien de reden tot wraking later is ontstaan of het instellingsbestuur pas later kennis heeft genomen van deze reden.

§ 2. Over het wrakingsverzoek wordt onverwijld een beslissing genomen door het bestuur van de NVAO, zetelend zonder het bestuurslid waarop het wrakingsverzoek betrekking heeft.

Afdeling 2. - Commissie

Art. 6.

§ 1. De NVAO stelt de Reviewcommissie samen volgens de principes zoals vermeld in artikel II.128 van de Codex Hoger Onderwijs en in hoofdstuk 4 van het Reviewkader.

De Visitatiecommissie wordt samengesteld volgens de principes vermeld in artikel II.137, § 2, tweede lid, 1° van de Codex Hoger Onderwijs, in artikel 27 § 2 van het HBO5-decreet, in hoofdstuk 4 van het Toetsingskader, in hoofdstuk 4 van het Accreditatiekader, in hoofdstuk 3 van het Kader studieomvang en in hoofdstuk 3 van het Beoordelingskader HBO5.

§ 2. Het lidmaatschap van de commissie is onverenigbaar met :

1° een (vroeger) lidmaatschap van :

a) het personeel van de betrokken instelling, ongeacht de aard van de tewerkstelling of de herkomst van de bezoldiging,

b) een bestuursorgaan van de betrokken instelling,

c) een bestuursorgaan van een rechtspersoon waarin de instelling deelneemt,

d) een bestuursorgaan van het ziekenhuis verbonden aan de instelling;

2° het (vroeger) lidmaatschap of de (vroegere) vertegenwoordigingsfunctie in de associatie waartoe de instelling behoort;

3° het (vroeger) verstrekken van adviezen of het (vroeger) uitvoeren van opdrachten ten behoeve van de betrokken instelling dan wel opleiding;

4° de (vroegere) echtverbintenis of (vroegere) samenwoning of het hebben van familiale banden tot in de tweede graad met een onder 1° bedoelde persoon.

Er is geen onverenigbaarheid meer indien het lidmaatschap, de vertegenwoordigingsfunctie, de echtverbintenis of de samenleving eerder werd beëindigd, of het advies of de opdracht eerder werd opgeleverd, dan in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag.

Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, d), wordt het Universitair Ziekenhuis Gent, dan wel het Universitair Ziekenhuis Antwerpen beschouwd als verbonden met de Universiteit Gent, respectievelijk de Universiteit Antwerpen.

§ 3. De leden van de commissie ondertekenen een verklaring op eer waarin bevestigd wordt dat zij zich niet in een toestand van onverenigbaarheid bevinden zoals vermeld in § 2. De verklaring op eer wordt aan het dossier toegevoegd. Indien de onverenigbaarheid ontstaat na de ondertekening van de verklaring, meldt de betrokken persoon dit aan de NVAO en trekt hij zich onmiddellijk en volledig uit de zaak terug.

Art. 7.

Indien de NVAO een besluit neemt ten aanzien van de samenstelling van de commissie dan wordt deze samenstelling schriftelijk medegedeeld aan het instellingsbestuur.

Art. 8.

§ 1. Het betrokken instellingsbestuur kan de NVAO verzoeken een lid van de commissie te wraken indien het instellingsbestuur meent dat deze persoon zich in één van de in artikel 6, § 2, genoemde gevallen van onverenigbaarheid bevindt.

Het wrakingsverzoek moet worden ingediend binnen een termijn van 15 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van de kennisgeving van de samenstelling van de commissie. Later ingediende wrakingsverzoeken zijn onontvankelijk, tenzij de reden voor wraking na bedoelde kennisgeving is ontstaan of indien het instellingsbestuur pas later kennis heeft genomen van deze reden.

§ 2. De NVAO onderzoekt de zaak onverwijld en wraakt de persoon indien hij daadwerkelijk een onverenigbaarheid vaststelt.

Art. 9.

§ 1. Indien een lid van de commissie in de loop van het beoordelingsproces wegvalt, wordt dit lid enkel vervangen indien dit onontbeerlijk is voor het nemen van een rechtsgeldige beslissing, meer bepaald wanneer :

1° deskundigheden verdwijnen die onmisbaar zijn om een valabel evaluatierapport af te leveren;

2° geen enkel lid nog een voldoende kennis heeft van het Vlaamse hoger onderwijs.

§ 2. De NVAO kan plaatsvervangers ad hoc aanduiden.

§ 3. Een lid van de commissie kan te allen tijde vervangen worden, ongeacht de stand van de procedure.

§ 4. Bij de vervanging van een commissielid wordt de nieuwe samenstelling van de commissie ter kennis gebracht van het instellingsbestuur overeenkomstig artikel 7, behoudens wanneer de vervanger een reeds aangekondigde plaatsvervanger is met toepassing van § 2, eerste lid. In voorkomend geval geldt opnieuw de mogelijkheid tot wraking ten aanzien van het nieuwe lid overeenkomstig artikel 8.

HOOFDSTUK III. - Zorgvuldigheid en redelijkheid

Afdeling 1. - Hoger onderwijs

Onderafdeling 1. - Accreditatieaanvraag

Art. 10.

Bij de totstandkoming van een accreditatierapport en -besluit worden de beslisregels gevolgd zoals vermeld in artikel II.147 van de Codex Hoger Onderwijs, in artikel 41-42 van het HBO5-decreet en in hoofdstuk 5 van het Accreditatiekader.

Art. 11.

Wanneer er sprake is van verschillende opleidingsvarianten zoals vermeld in artikel II.144 van de Codex Hoger Onderwijs dan wel artikel 40 van het HBO5-decreet, dan is voor een positieve beoordeling van de in artikel II. 140 van de Codex Hoger Onderwijs dan wel artikel 5 van het HBO5-decreet genoemde generieke kwaliteitswaarborgen vereist dat dit gunstige oordeel geldt ten aanzien van de verschillende opleidingsvarianten afzonderlijk. Onder `positieve beoordeling' moet worden verstaan een beoordeling die geen onvoldoende is.

Onderafdeling 2. - Aanvraag voor een Instellingsreview

Art. 12.

Bij de totstandkoming van een evaluatierapport en -besluit worden de beslisregels gevolgd zoals vermeld in het Reviewkader.

Onderafdeling 3. - Aanvraag voor een Toets nieuwe opleiding

Art. 13.

Bij de totstandkoming van een toetsingsrapport en -besluit worden de beslisregels gevolgd zoals vermeld in artikel II.153 van de Codex Hoger Onderwijs en in het Toetsingskader.

De bepalingen van artikel 11 zijn op overeenkomstige wijze van toepassing.

Onderafdeling 4. Aanvraag voor een toets nieuwe HBO5-opleiding

Art. 14.

Een HBO5-toetsingsrapport is positief indien alle samenvattende oordelen over de in het Beoordelingskader HBO5 genoemde onderwerpen voldoende is.

Onderafdeling 5. - Aanvraag voor uitbreiding studieomvang van masteropleidingen

Art. 15.

Bij de totstandkoming van een adviesrapport en het advies van de NVAO worden de motiveringscriteria gevolgd zoals vermeld in het Kader studieomvang.

Afdeling 2. - Interne kwaliteitszorg

Art. 16.

De NVAO ontwikkelt en hanteert een interne procedure van kwaliteitszorg van de NVAO, die inzonderheid rekening houdt met de consistentie in de besluitvorming.

HOOFDSTUK IV. - Formele motivering

Art. 17.

§ 1. De NVAO vermeldt bij elke uitvoerbare beslissing die voorafgaat aan het uitbrengen van een besluit en/of rapport :

1° de concrete feiten die aan de grondslag liggen van de beslissing;

2° de toepasselijke gronden waarop de beslissing steunt;

3° hoe en waarom die gronden, uitgaande van de vermelde feiten, tot de beslissing leiden.

De motivering moet een voldoende grondslag zijn voor alle onderdelen van de beslissing.

De motivering wordt uiteengezet in de beslissing zelf of in een aan de beslissing toegevoegde nota.

§ 2. De formele motivering kan geheel of gedeeltelijk volstaan met een verwijzing naar een uitgebracht advies indien :

1° het advies zelf geheel of gedeeltelijk de motivering van de beslissing bevat;

2° het advies aan de beslissing wordt toegevoegd;

3° voorafgaand aan de verwijzing blijk wordt gegeven van het feit dat over het geheel of gedeeltelijk navolgen van het advies is gedelibereerd.

Art. 18.

Accreditatierapporten geven uitdrukkelijk aan op welke wijze de verschillende in de Codex Hoger Onderwijs, in het HBO5-decreet en in het overeenkomstige Accreditatiekader opgenomen beslisregels op het visitatierapport en op de opleiding zijn toegepast.

Alle rapporten geven uitdrukkelijk aan op welke wijze de verschillende relevante in de Codex Hoger Onderwijs, in het HBO5-decreet en in het overeenkomstige kader opgenomen beslisregels zijn toegepast.

HOOFDSTUK V. - Openbaarheid

Art. 19.

De NVAO bezorgt een weerslag van alle besluiten en onderliggende rapporten ten gevolg van de aanvragen vermeld in art. 2 aan de betrokken instelling of instellingen en aan de minister.

Art. 20.

Alle besluiten en onderliggende rapporten worden bekendgemaakt op de website van de NVAO.

Art. 21.

Als de Vlaamse Regering heeft beslist om een voorgestelde opleiding als nieuwe opleiding te erkennen wordt het aan de erkenningsbeslissing voorafgaande toetsingsrapport onmiddellijk bekendgemaakt op de website van de NVAO.

Art. 22.

De NVAO vermeldt bij elk uitvoerbare en te betekenen beslissing de mogelijkheden inzake bezwaar en beroep.

HOOFDSTUK VI. - Opvragen van aanvullende informatie, toelichtingen en/of verduidelijkingen

Art. 23.

De bepalingen van dit hoofdstuk betreffen de mogelijkheid van de NVAO om aanvullende informatie, toelichtingen en/of verduidelijkingen te vragen bij de aanvragen vermeld in art. 2 van dit reglement.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op vragen vanwege de NVAO die betrekking hebben op onduidelijkheden aangaande de feitelijke opleidingsgegevens zoals daar zijn de benaming, de eventuele opleidingsvarianten, en dergelijke. Daartoe kan de NVAO steeds, en eventueel ook telefonisch, het evaluatieorgaan en/of het instellingsbestuur raadplegen.

Art. 24.

De NVAO gaat over tot het opvragen van aanvullende informatie, toelichtingen en/of verduidelijkingen :

1° wanneer er twijfel bestaat over (de interpretatie van) de in rapporten verwoorde beoordelingen;

2° wanneer er, op basis van het voorgelegde rapport, twijfel bestaat over de aanwezigheid van voldoende generieke kwaliteitswaarborgen.

De NVAO kan eveneens aanvullende informatie, toelichtingen en/of verduidelijken opvragen wanneer zij dit in het licht van het zorgvuldigheidsbeginsel nodig of nuttig acht.

Art. 25.

§ 1. Een verzoek tot het verstrekken van aanvullende informatie, toelichtingen en/of verduidelijkingen door de NVAO gebeurt steeds schriftelijk.

§ 2. Een verzoek zoals bedoeld in § 1 vermeldt :

1° de motivering voor het opvragen van aanvullende informatie, toelichtingen en/of verduidelijkingen;

2° voldoende duidelijk welke aanvullende informatie, toelichtingen en/of verduidelijkingen moeten worden verstrekt;

3° of het verzoek schriftelijk en/of mondeling, in het raam van een gesprek, moet worden beantwoord;

4° in het geval van een schriftelijke beantwoording: de termijn waarbinnen het gevraagde moet worden aangeleverd; deze termijn mag niet korter zijn dan 15 kalenderdagen en houdt desgevallend rekening met vakantieperiodes.

Een gesprek, zoals bedoeld in het eerste lid, 3°, wordt georganiseerd in onderling overleg met het instellingsbestuur en desgevallend het evaluatieorgaan. Het staat het instellingsbestuur en desgevallend evaluatieorgaan vrij om tijdens het gesprek een relevante schriftelijke notitie over te maken. Alleszins wordt van het gesprek door de NVAO een verslag opgemaakt dat, voorafgaand aan de definitieve vaststelling ervan, voor commentaar wordt voorgelegd aan alle gesprekspartners.

Art. 26.

De NVAO betrekt de aanvullende informatie, toelichtingen en/of verduidelijkingen bij haar besluitvorming. Zij maakt dit inzichtelijk door in het accreditatierapport, dan wel het evaluatierapport te vermelden welke bijkomende informatie, toelichtingen en/of verduidelijkingen zijn opgevraagd, alsook de resultaten van die opvraging.

HOOFDSTUK VII. - Toekennen van een accreditatie voor een periode van ten hoogste drie jaar

Afdeling 1. - Algemeen

Art. 27.

De NVAO neemt een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een periode van ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar wanneer zij op grond van het visitatierapport besluit dat de opleiding of één of meerdere opleidingsvarianten slechts voldoen aan één of twee generieke kwaliteitswaarborgen.

Afdeling 2. - Herstelplan

Art. 28.

§ 1. Een accreditatieaanvraag die gestoeld is op een visitatierapport dat aangeeft dat de opleiding of één of meerdere opleidingsvarianten slechts voldoen aan één of twee generieke kwaliteitswaarborgen is voorzien van een herstelplan dat betrekking heeft op de als onvoldoende beoordeelde generieke kwaliteitswaarborgen voor de betrokken opleiding(svariant)(en). Het herstelplan omvat een beknopte, doch heldere weergave van de voorziene acties, middelen en indicatoren, gesitueerd binnen een realistisch tijdskader dat de in artikel 27 bedoelde maximale termijn van drie jaar niet mag overschrijden.

§ 2. Het herstelplan kan door de NVAO ter beoordeling worden voorgelegd aan de commissie die het visitatierapport heeft opgesteld, dan wel aan een beperktere of andere commissie, bestaande uit ten minste drie leden, waaronder ten minste één vakdeskundige en één onderwijsdeskundige. Indien er voor de herstelplanbeoordeling nieuwe commissieleden worden ingeschakeld die niet betrokken waren bij de totstandkoming van het visitatierapport, dan zijn de bepalingen van artikel 6, § 2 en § 3, op overeenkomstige wijze van toepassing.

In voorkomend geval bezorgt de commissie de NVAO binnen een bepaalde termijn een schriftelijk advies aangaande het voorgelegde herstelplan.

§ 3. De NVAO beoordeelt, desgevallend op basis van het commissieadvies zoals bedoeld in § 2, tweede lid, het aanvraagdossier met inachtneming van het voorgelegde herstelplan.

Een herstelplan dat afdoende wordt bevonden heeft tot gevolg dat de NVAO een besluit neemt in de zin van artikel 27. De NVAO houdt bij de toekenning van de duurtijd van de accreditatie rekening met het tijdskader dat in het als afdoende beoordeelde herstelplan is uitgewerkt.

Een herstelplan dat niet afdoende wordt bevonden, heeft tot gevolg dat de NVAO haar bevindingen omtrent het herstelplan, desgevallend voorzien van het commissieadvies zoals bedoeld in § 2, tweede lid, overmaakt aan het instellingsbestuur met het verzoek om het herstelplan binnen een bepaalde termijn te herzien. Het bijgestelde herstelplan wordt opnieuw beoordeeld conform de bepalingen van dit artikel.

Afdeling 3. - Vrijwillige stopzetting van één of meer opleidingsvarianten

Art. 29.

Indien het accreditatiebesluit, zoals bedoeld in artikel 27, gestoeld is op het feit dat in één of meerdere opleidingsvarianten onvoldoende generieke kwaliteitswaarborgen aanwezig zijn, dan kan het instellingsbestuur besluiten tot de stopzetting van deze variant(en). Het instellingsbestuur bericht in voorkomend geval de NVAO van deze stopzetting schriftelijk en voorafgaand aan de definitieve vaststelling van het accreditatierapport en -besluit. In het geval van stopzetting van de betreffende variant(en) kent de NVAO een accreditatietermijn toe, conform de bepalingen van artikel II.147, § 2 van de Codex Hoger onderwijs, dan wel artikel 41, § 3 van het HBO -decreet.

Afdeling 4. - Accreditatieprocedure na tijdelijke accreditatie

Art. 30.

Het instellingsbestuur dient uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in artikel 27 van dit Reglement bedoelde accreditatie een nieuwe accreditatieaanvraag in op basis van een nieuw visitatierapport dat minimaal betrekking heeft op de generieke kwaliteitswaarborgen die in het initiële visitatierapport niet met een voldoende zijn beoordeeld.

De accreditatieaanvraag wordt ingediend binnen een periode van twee maanden na de publicatie van het nieuwe visitatierapport.

Indien het accreditatiebesluit, zoals bedoeld in artikel 27 van dit Reglement, gestoeld is op het feit dat in één of meerdere opleidingsvarianten onvoldoende generieke kwaliteitswaarborgen aanwezig zijn en het instellingsbestuur heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot stopzetting van de variant(en), dan heeft het nieuwe visitatierapport enkel betrekking op de als onvoldoende beoordeelde generieke kwaliteitswaarborgen voor de betreffende variant(en).

Art. 31.

De NVAO neemt op basis van de accreditatieaanvraag zoals bedoeld in artikel 30 een nieuw accreditatiebesluit :

1° voor wat betreft een aanvraag, gesteund op een nieuw visitatierapport dat betrekking heeft op een volledige opleiding :

a) indien de opleiding voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen wordt een positief accreditatiebesluit genomen dat, conform de bepalingen van artikel II.147, § 2, van de Codex Hoger Onderwijs, geldt voor een termijn van acht jaar, dan wel conform de bepalingen van artikel 41, § 3 van het HBO5-decreet voor een termijn zes jaar, verminderd met de termijn van de accreditatie, bedoeld in artikel 27 van dit Reglement;

b) indien de opleiding niet voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen wordt een negatief accreditatiebesluit genomen waardoor de instelling de opleiding moet stopzetten. Vanaf het academiejaar, volgend op het academiejaar waarin de negatieve accreditatiebeslissing is genomen mogen geen nieuwe studenten dan wel cursisten meer worden ingeschreven;

2° voor wat betreft een aanvraag, gesteund op een nieuw visitatierapport dat betrekking heeft op één of meerdere opleidingsvarianten :

a) indien de opleidingsvariant(en) voldoe(t)(n) aan alle generieke kwaliteitswaarborgen wordt een positief accreditatiebesluit genomen dat, conform de bepalingen van artikel II.147, § 2, van de Codex Hoger Onderwijs, geldt voor een termijn van acht jaar, dan wel conform de bepalingen van artikel 41, § 3 van het HBO5-decreet voor een termijn zes jaar, verminderd met de termijn van de accreditatie, bedoeld in artikel 27 van dit Reglement;

b) indien de opleidingsvariant(en) niet voldoe(t)(n) aan alle generieke kwaliteitswaarborgen wordt een positief accreditatiebesluit genomen voor wat betreft de opleiding, doch met uitsluiting van de als onvoldoende beoordeelde variant(en), waardoor de instelling de betreffende variant(en) moet stopzetten. Vanaf het academiejaar, volgend op het academiejaar waarin de nieuwe accreditatiebeslissing is genomen, mogen geen nieuwe studenten dan wel cursisten meer worden ingeschreven voor de uitgesloten variant(en). De accreditatie geldt, conform de bepalingen van artikel II.147, § 2, van de Codex Hoger Onderwijs, voor een termijn van acht jaar, dan wel conform de bepalingen van artikel 41, § 3 van het HBO5-decreet voor een termijn zes jaar, verminderd met de termijn van de accreditatie, bedoeld in artikel 27 van dit Reglement.

HOOFDSTUK VIII. - Verdedigingsbeginsel en bezwaarprocedure

Afdeling 1. - Algemeen

Art. 32.

De bepalingen van dit hoofdstuk betreffen het recht van instellingsbesturen om bezwaren en/of opmerkingen te formuleren bij :

1° de samenstelling van de Reviewcommissie, zoals vermeld in artikel II.128, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs;

2° een ontwerp van besluit tot verlenging van de lopende accreditatie met ten hoogste 1 jaar wanneer de NVAO op grond van een accreditatieaanvraag, voorzien van een visitatierapport dan wel een opleidingsdossier, niet tot een positief accreditatierapport en -besluit kan komen, zoals vermeld in artikel II.142, § 5, dan wel artikel II.145, § 4, van de Codex Hoger Onderwijs;

3° een ontwerp van accreditatierapport en -besluit, zoals vermeld in artikel II.143, § 2, tweede lid, dan wel artikel II.146, § 2, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs;

4° een ontwerp van accreditatierapport en -besluit, zoals vermeld in artikel 37 van het HBO5-decreet;

5° een ontwerp van toetsingsrapport, zoals vermeld in artikel II.153, § 7, derde lid, van de Codex Hoger Onderwijs;

6° een ontwerp van rapport en besluit dat een instellingsreview afrondt, zoals vermeld in artikel II.129, § 2, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs;

7° een ontwerp van toetsingsrapport, zoals vermeld in artikel 23, § 2, van het HBO5- decreet.

Art. 33.

§ 1. Opmerkingen aangaande een ontwerp kunnen steeds worden overgemaakt aan de NVAO in welke vorm ook. Deze opmerkingen zijn van technische aard.

§ 2. Bezwaren aangaande een ontwerp worden aan de NVAO overgemaakt met inachtneming van de beginselen zoals vermeld in dit hoofdstuk. Deze bezwaren betreffen de grond van het ontwerp.

Een instellingsbestuur geeft telkens duidelijk aan of een overgemaakte bedenking een opmerking of een bezwaar betreft.

Afdeling 2. - Samenstelling, organisatie en werking van het Adviescollege

Onderafdeling 1. - Oprichting en samenstelling

Art. 34.

Het Adviescollege wordt opgericht bij de NVAO.

Art. 35.

§ 1. Het Adviescollege is samengesteld als volgt :

1° drie stemgerechtigde collegeleden, zijnde :

a. een jurist-voorzitter,

b. twee deskundigen met aantoonbare ervaring in het hoger onderwijs of als lid van één of meerdere visitatiecommissies;

2° een secretaris zonder stemrecht.

§ 2. Het Adviescollege kan naargelang het dossier aangevuld met een of twee stemgerechtigde inhoudelijke collegeleden :

1° een domeindeskundige met aantoonbare ervaring als lid van één of meerdere Visitatiecommissies, of

2° een onderwijsdeskundige met aantoonbare ervaring als lid van één of meerdere Visitatiecommissies.

De NVAO kan voor de collegeleden en de secretaris een plaatsvervanger aanduiden.

§ 3. De collegeleden en de secretaris kunnen geen personeelslid van de NVAO zijn.

§ 4. De collegeleden en de secretaris onthouden zich van de deelname aan de werkzaamheden omtrent een bezwarendossier, indien zij op het ogenblik van de registratie van het bezwaar :

1° deel uitmaken van het administratief, academisch of onderwijzend personeel van de instelling die bezwaar maakt, en/of

2° lid zijn van één der bestuursorganen van de instelling die bezwaar maakt.

§ 5. De collegeleden en de secretaris worden benoemd door de NVAO voor een periode van 5 jaar en zijn herbenoembaar. Hij/Zij kan door de NVAO slechts worden ontslagen in geval van grove nalatigheid of kennelijk wangedrag. Een ontslag door de NVAO kan niet worden gegrond op de inhoud van de adviespraktijk van het Adviescollege.

De collegeleden en de secretaris kunnen zelf per aangetekend schrijven, gericht aan de NVAO, ontslag nemen, in welk geval hij/zij in functie blijft tot er een nieuw collegelid of secretaris is benoemd.

Onderafdeling 2. - Zetel

Art. 36.

Het Adviescollege heeft zijn zetel in de gebouwen van de NVAO, Parkstraat 28, 2514 JK Den Haag. Het correspondentieadres voor het Adviescollege is Postbus 85498, 2508 CD Den Haag.

Onderafdeling 3. - Aanwezigheden

Art. 37.

Het Adviescollege kan alleen geldig horen, beraadslagen, stemmen en besluiten wanneer alle collegeleden, of hun plaatsvervangers en de secretaris of zijn plaatsvervanger aanwezig zijn.

Onderafdeling 4. - Ondersteuning

Art. 38.

Het Adviescollege wordt voor alle taken van (praktische en administratieve) ondersteuning, dewelke in dit reglement niet nadrukkelijk aan de secretaris zijn toegewezen, bijgestaan door de NVAO. Het betreft inzonderheid de eventuele reservatie van vergaderzalen en (lunch- en hotel-)voorzieningen voor de collegeleden en de secretaris.

Afdeling 3. - Procedureverloop

Onderafdeling 1. - Indienen van bezwaren

Art. 39.

§ 1. Een instellingsbestuur bezorgt zijn bezwaren aan het Adviescollege in een bezwaarschrift.

Dit bezwaarschrift moet ingediend worden binnen een vervaltermijn van :

1° 10 kalenderdagen in het geval bedoeld in artikel 32, tweede lid, 5° van dit Reglement;

2° 15 kalenderdagen in de gevallen bedoeld in artikel 32, tweede lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 6° en 7° van dit Reglement.

De vervaltermijn neemt een aanvang de dag na deze van ontvangst van het ontwerprapport en/of -besluit. De poststempel geldt als datum van het bezwaarschrift.

§ 2. Het bezwaarschrift omvat ten minste alle hiernavolgende vermeldingen :

1° de naam en het postadres van het instellingsbestuur en de bijhorende contactgegevens, te weten een telefoonnummer en een e-mailadres;

2° de ontwerpbeslissing van de NVAO waarop het bezwaarschrift betrekking heeft;

3° een omschrijving van de geschonden geachte regel(s) en/ of behoorlijkheidsnorm(en) en de wijze waarop die regel(s) en/of behoorlijkheidsnorm(en) naar het oordeel van het instellingsbestuur door het ontwerp geschonden word(t)en.

Het instellingsbestuur kan overtuigingsstukken aan het bezwaarschrift toevoegen indien het dit nodig acht. Deze bijgevoegde stukken worden gebundeld aangeboden en zijn op een inventaris ingeschreven.

Het bezwaarschrift wordt gedagtekend en ondertekend door het instellingsbestuur of door zijn raadsman.

Art. 40.

Elk bezwaarschrift wordt door de NVAO bij ontvangst geregistreerd. Deze registratie omvat :

1° de identiteit van het instellingsbestuur;

2° de datum van poststempel;

3° de ontwerpbeslissing van de NVAO waarop het bezwaarschrift betrekking heeft.

Onderafdeling 2. - Ontvankelijkheidstoets

Art. 41.

§ 1. Het Adviescollege toetst de ontvankelijkheid van elk inkomend bezwaarschrift.

Een bezwaarschrift is onontvankelijk als ten minste één van de hieronder genoemde voorwaarden is vervuld :

1° het bezwaarschrift is niet ingediend door of namens het instellingsbestuur;

2° het bezwaarschrift is niet ingediend binnen de overeenkomstige vervaltermijn vermeld in artikel 39, § 1, tweede lid;

3° het bezwaarschrift voldoet manifest niet aan artikel 39, § 2, eerste lid.

Indien het oordeel van het Adviescollege niet binnen een termijn van 30 dagen wordt meegedeeld, wordt het bezwaarschrift geacht ontvankelijk te zijn.

§ 2. Zo het Adviescollege vaststelt dat een bezwaarschrift niet ontvankelijk is, eindigt de bezwaarprocedure zonder verder gevolg. De NVAO brengt in voorkomend geval de instelling schriftelijk op de hoogte van de onontvankelijkheid van het bezwaar.

§ 3. Zo het Adviescollege vaststelt dat het bezwaarschrift op ontvankelijke wijze is ingediend, kan zij desgewenst overgaan tot de aanduiding van aanvullende inhoudelijke collegeleden.

§ 4. De NVAO bezorgt een kopie van het ontvankelijke bezwaarschrift aan alle collegeleden en de secretaris.

Onderafdeling 3. - Hoorzitting

Art. 42.

§ 1. Het instellingsbestuur en de NVAO worden door de secretaris, op aangeven van de collegeleden, schriftelijk uitgenodigd voor een hoorzitting. De oproeping omvat ten minste alle hiernavolgende vermeldingen :

1° de datum, de plaats en het tijdstip van de hoorzitting;

2° het recht om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman; elke vertrouwenspersoon kan optreden als raadsman; in geval van vertegenwoordiging is een schriftelijke machtiging vereist, behoudens wanneer de raadsman is ingeschreven als advocaat of advocaat-stagiair;

3° het recht om ter zitting een pleitnota over te maken.

§ 2. De hoorzitting kan niet eerder plaatsvinden dan 14 kalenderdagen na de verzending van de oproeping.

Art. 43.

§ 1. De jurist-voorzitter beslist over ieder verzoek tot uitstel, verplaatsing of opschorting van de hoorzitting.

§ 2. De hoorzitting is niet openbaar.

§ 3. De jurist-voorzitter leidt de hoorzitting.

De partijen worden in elkaars aanwezigheid gehoord.

De secretaris staat in voor de opmaak van een zittingsblad van de hoorzitting.

Onderafdeling 4. - Beraadslaging en adviesverstrekking

Art. 44. § 1. Het Adviescollege beraadslaagt en beslist over het uit te brengen advies achter gesloten deuren. Het Adviescollege gaat over tot stemming wanneer geen consensus kan worden bereikt. Een voorstel van advies is goedgekeurd wanneer ten minste de helft plus één van de collegeleden met het voorstel instemt.

§ 2. Het advies spreekt zich uit over de gegrondheid of de ongegrondheid van de bezwaren.

Het advies behandelt, ter motivering ervan, puntsgewijs de juridische en inhoudelijke aspecten van de bezwaren, in het licht van de normen en beginselen die van toepassing zijn op de werking van de NVAO.

§ 3. Het advies wordt opgesteld door de secretaris volgens de richtlijnen gegeven door de collegeleden.

Het advies wordt ondertekend door de secretaris.

§ 4. Het advies wordt binnen een ordetermijn van 14 kalenderdagen door de secretaris overgemaakt aan de instelling en aan de NVAO.

Afdeling 4. - Eindbeslissing

Art. 45.

De NVAO neemt op grond van het advies van het Adviescollege een beslissing aangaande de geuite bezwaren in het licht van het vervolg van de procedure.

Art. 46.

Bij het uitbrengen van een eindbeslissing over een ontvankelijk bezwaarschrift wordt aangegeven op welke wijze gevolg werd gegeven aan de verschillende door het instellingsbestuur aangevoerde bezwaren.

De NVAO neemt een bijzondere motiveringsplicht in acht in geval het advies van het Adviescollege niet wordt gevolgd.

Art. 47.

Het instellingsbestuur heeft het recht om zich bij de in dit hoofdstuk bedoelde bezwarenprocedure te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman. Elke vertrouwenspersoon kan optreden als raadsman.

De NVAO kan van een raadsman een schriftelijke machtiging verlangen, behoudens in het geval deze raadsman ingeschreven is als advocaat of als advocaat-stagiair.

HOOFDSTUK IX. - Intrekbaarheid van beslissing

Art. 48.

§ 1. De NVAO kan een onregelmatig genomen negatief besluit en het bijhorende rapport betreffende een accreditatieaanvraag, dan wel een aanvraag voor een instellingsreview intrekken gedurende de termijn waarbinnen de vernietiging ervan kan worden gevraagd aan de Vlaamse Regering.

Na een intrekking herformuleert de NVAO het ingetrokken rapport en besluit rekening houdend met het recht van het instellingsbestuur om aangaande het nieuwe ontwerp bezwaren en opmerkingen te maken, zoals bedoeld in hoofdstuk VIII.

§ 2. De NVAO kan toetsingsrapporten niet intrekken. Zo de NVAO een gebrek in een toetsingsrapport vaststelt, meldt zij dit onverwijld aan de Vlaamse Regering.

§ 3. De NVAO kan onregelmatig genomen beslissingen voorafgaand aan het uitbrengen van een accreditatierapport en -besluit, een rapport en besluit dat een instellingsreview afrondt dan wel een toetsingsrapport, gemotiveerd intrekken totdat het betrokken rapport en/of besluit definitief is uitgebracht. Als die intrekking niet tijdig gebeurt en het rapport en/of besluit wordt door de beslissing aangetast, dan zijn de bepalingen van § 1, dan wel § 2 van toepassing.

HOOFDSTUK X. - Slotbepalingen

Art. 49.

§ 1. Het reglement aangenomen door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie op 13 mei 2013, gewijzigd na het advies van de Raad van State op 28 november 2013, en bekrachtigd bij decreet van 21 februari 2014, tot bepaling van bestuursbeginselen die van toepassing zijn bij de besluitvorming inzake accreditatie en toets nieuwe opleiding ten aanzien van opleidingen van het hoger onderwijs en het hoger beroepsonderwijs in de Vlaamse Gemeenschap wordt opgeheven.

§ 2. Het procedurereglement houdende bezwaren met betrekking tot ontwerpbesluiten en -rapporten van de NVAO inzake hogeronderwijsopleidingen in de Vlaamse Gemeenschap wordt opgeheven.

Art. 50.

Dit reglement en elke wijziging daarvan worden voor opname in het Belgisch Staatsblad aangeboden.

Zij worden tevens bekendgemaakt op de website van de NVAO.

Art. 51.

Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2016.

________________________

(1) Zoals gewijzigd bij het Protocol van 16 januari 2013 tot wijziging van dit Verdrag met inwerkingtreding op 1 april 2013.