Het ondersteuningsmodel in het basis- en secundair onderwijs en in het hoger onderwijs

  • Vanaf het schooljaar en academiejaar 2017-2018 treedt een nieuw ondersteuningsmodel in werking om scholen en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en instellingen hoger onderwijs te ondersteunen in het omgaan met leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en studenten met een functiebeperking. Samenwerkingsverbanden tussen scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs en ondersteuningsnetwerken komen in de plaats van het geïntegreerd onderwijs. Het hoger onderwijs kan een eigen vorm van ondersteuning uitbouwen. De decretale basis werd via Onderwijsdecreet XXVII ingeschreven in het decreet basisonderwijs, de codex secundair onderwijs en de codex hoger onderwijs.

1. Inleiding

Vanaf het school- en academiejaar 2017-2018 treedt een nieuw ondersteuningsmodel in werking om scholen en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (verder steeds samen vernoemd als scholen) en instellingen hoger onderwijs te ondersteunen in het omgaan met leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en studenten met een functiebeperking.

Een nieuw model van ondersteuning invoeren veroorzaakt onvermijdelijk verschuivingen. We willen deze verschuivingen zowel voor de betrokken personeelsleden als voor de betrokken leerlingen en hun ouders met zorg doorvoeren. We starten daarom vanaf 1 september 2017 met een transitieperiode van drie schooljaren om de hoger genoemde effecten geleidelijk te laten gebeuren.

Met het decreet betreffende het onderwijs XXVII werd daarvoor de noodzakelijke decretale basis ingeschreven in:

  • het decreet basisonderwijs (artikel II.13/1 van Onderwijsdecreet XXVII voegt een artikel 172quinquies toe in het decreet basisonderwijs);
  • in de codex secundair onderwijs (artikel III.16/1 van Onderwijsdecreet XXVII voegt een artikel 314/8 toe in de codex secundair onderwijs);
  • in de codex hoger onderwijs (de artikelen VI.3/1, VI.5/1 tot VI.5/5, artikel VI.11/1 en artikel VI.20/1 van Onderwijsdecreet XXVII brengen wijzigingen aan de artikelen II.73, II.117 tot II.120, II.276 en artikel III.67 van de codex hoger onderwijs).

Het nieuwe ondersteuningsmodel komt in de plaats van wat we vandaag kennen als GON, ION en waarborgregeling. De middelen die vandaag voor deze ondersteuningsvormen bestaan, blijven behouden. Het gaat over:

  • de begeleidingseenheden GON, ION en afwijkingslestijden/-lesuren en -uren GON autismespectrumstoornis (ASS): 32.587 begeleidingseenheden, waarvan 21.029 voor het basisonderwijs en 11.558 voor het secundair onderwijs;
  • de waarborglestijden, -lesuren en –uren die jaarlijks fluctueren naargelang de evolutie van de leerlingenaantallen in het buitengewoon onderwijs. Voor het schooljaar 2017-2018 gaat het over 5.433 waarborglestijden en 6.730 waarborguren voor het basisonderwijs en 291 waarborglesuren en 1.099 waarborguren voor het secundair onderwijs;
  • een extra budget van 15,2 miljoen euro. Hiervan is 11,2 miljoen euro voorzien voor het ondersteuningsmodel in het basis- en secundair onderwijs, o.a. voor de ondersteuning in het gewoon onderwijs van kleuters met een verstandelijke beperking (type 2) en leerlingen met een gedrags- of emotionele stoornis (type 3). Dit komt overeen met 2.120 lestijden en 1.302 uren voor het basisonderwijs en 1.410 lesuren en 886 uren voor het secundair onderwijs. 4 miljoen euro is voorzien voor de uitbouw van een eigen ondersteuningsmodel voor het hoger onderwijs ter vervanging van GON in het hoger onderwijs. De GON-begeleidingseenheden die gepresteerd werden in het hoger onderwijs komen hierdoor beschikbaar voor aanwending in het basisonderwijs en secundair onderwijs.

Deze middelen vormen jaarlijks de budgettaire ruimte waarbinnen het ondersteuningsmodel in het basis- en secundair onderwijs en in het hoger onderwijs uitvoering krijgt.

2. Ondersteuning in basisonderwijs en secundair onderwijs

In het basisonderwijs en secundair onderwijs is er een verschillende uitwerking van het ondersteuningsmodel voor:

1° de ondersteuning van scholen voor gewoon onderwijs met leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag voor type 2 (verstandelijke beperking), type 4 (motorische beperking), type 6 (visuele beperking) of type 7 (auditieve beperking) en;

2° de ondersteuning van scholen voor gewoon onderwijs met leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag voor type basisaanbod (type 1 en 8, uitdovend), type 3 (emotionele of gedragsstoornis), type 7 (spraak- of taalstoornis) en type 9 (ASS).

2.1. Samenwerking tussen scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs (type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking)

2.1.1. Hoe wordt de samenwerking georganiseerd?

Scholen voor gewoon onderwijs met leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag voor type 2 (verstandelijke beperking), type 4 (motorische beperking), type 6 (visuele beperking) of type 7 (auditieve beperking) kunnen beroep blijven doen op handicap-specifieke ondersteuning. Daartoe zorgen scholen voor buitengewoon onderwijs met een ondersteuningsaanbod voor type 2, 4, 6 of 7 (auditieve beperking) ervoor dat er ondersteuning voorzien wordt. De scholen voor buitengewoon onderwijs die tot nu toe GON of ION begeleiding voor de desbetreffende types gaven in gewone scholen, kunnen ondersteuning blijven bieden in het schooljaar 2017-2018 en volgende schooljaren.

Gewone scholen kiezen, in samenspraak met ouders en CLB, aan welke school/scholen voor buitengewoon onderwijs ze ondersteuning vragen. Bij deze keuze streven ze samen met de school/scholen voor buitengewoon onderwijs naar een efficiënte inzet van middelen en minder versnippering van ondersteuning door verschillende scholen voor buitengewoon onderwijs voor vergelijkbare ondersteuningsvragen. De verschillende scholen voor buitengewoon onderwijs van een bepaald type moeten net- en niveau-overschrijdend samenwerken om alle ondersteuningsvragen vanuit scholen voor gewoon onderwijs met betrekking tot de vermelde doelgroepen te beantwoorden.

Voor deze types 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) moeten er geen aparte ondersteuningsnetwerken gemeld worden aan de overheid (zie NO/2017/01). Wel zullen scholen voor buitengewoon onderwijs die ondersteuning voor een van deze types samen met ondersteuning voor het type basisaanbod, type 3, type 9 of type 7 (spraak- of taalstoornis) aanbieden, deel uitmaken van een ondersteuningsnetwerk (zie punt 2.2.).

Scholen die uitsluitend één van de types 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking aanbieden, kunnen aansluiten bij een ondersteuningsnetwerk, maar zijn daartoe niet verplicht. Doen ze het wel, dan moeten ze ook beschikbaar blijven voor ondersteuningsvragen van gewone scholen van buiten het ondersteuningsnetwerk waarbij ze zich hebben aangesloten.

2.1.2. Hoe worden de middelen voor de samenwerking gegenereerd?

De middelen voor samenwerking tussen scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs (type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking) worden gegenereerd door:

  • leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking, die voldoen aan de criteria van die types zoals gedefinieerd in artikel 10 van het decreet basisonderwijs of artikel 259 van de codex secundair onderwijs;
  • leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking, waarover ze beschikken omdat ze vallen onder de overgangsmaatregel in het M-decreet (toepassing van artikel 16, §2 van het decreet basisonderwijs of artikel 352, §2 van de codex secundair onderwijs). Dit zijn de leerlingen die in het schooljaar 2014-2015 GON-leerling waren op basis van een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs, voor wie het principe geldt dat er geen herattestering moet gebeuren wanneer zijn of haar situatie niet wijzigt. Wanneer voor een dergelijke leerling het onderwijsniveau of het type wijzigt, moet er wel een gemotiveerd verslag of verslag worden opgemaakt.

Bij de opmaak van een gemotiveerd verslag of verslag is het niet langer vereist om de aard van de integratie en de ernst van de handicap aan te geven. De ondersteuningsnoden van de leerling worden wel opgenomen in het gemotiveerd verslag of verslag. De formulering matig-ernstig wordt nog meegenomen in de generieke verhoudingsgewijze berekening van de omkadering maar wordt niet langer per individuele leerling vastgelegd. Het aantal leerlingen met een (gemotiveerd) verslag wordt geteld.

Voor het schooljaar 2017-2018 ontvangen de scholen voor buitengewoon onderwijs de begeleidingseenheden die ze voor deze doelgroepen (ION type 2 lager en secundair, type 4, type 6 en type 7 auditieve beperking) hadden in het schooljaar 2016-2017. In totaal bedraagt dat pakket 14.567,5 begeleidingseenheden. Die moeten voor het schooljaar 2017-2018 nog aangevuld worden met begeleidingseenheden voor kleuters met een verslag type 2, die in 2016-2017 nog niet in aanmerking kwamen voor ondersteuning. Die aanvulling en verdeling naar scholen voor buitengewoon onderwijs type 2 moet gebeuren vanuit het extra budget dat werd voorzien (zie punt 1) en éénmalig toegekend door de commissies die ook een rol spelen in de toewijzing van de omkadering aan de ondersteuningsnetwerken (zie punt 2.2.2.2.2). Nadien maken de begeleidingseenheden voor kleuters type 2 deel uit van het totaal pakket van 14.804 begeleidingseenheden die decretaal voorzien zijn voor de doelgroep van type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking).

Voor de volgende schooljaren evolueert dit pakket van 14.804 begeleidingseenheden mee met de evolutie van het aantal leerlingen van de genoemde types in de scholen voor gewoon onderwijs. Die leerlingen worden geteld op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar in de scholen voor gewoon onderwijs. Stijgt dat aantal leerlingen in vergelijking met deze van de eerste schooldag van oktober 2016 dan leidt dit tot een verhoudingsgewijze toename van het pakket begeleidingseenheden. Daalt het aantal leerlingen dan daalt ook het pakket aan begeleidingseenheden verhoudingsgewijs en komen meer middelen beschikbaar voor de ondersteuningsnetwerken. Op het totaal van de middelen, vermeld in het overzicht in punt 1, wordt op die wijze jaarlijks een voorafname gedaan van een pakket aan begeleidingseenheden voor de ondersteuning in het gewoon basis- of secundair onderwijs van leerlingen met een inschrijvingsverslag, verslag of gemotiveerd verslag type 2, 4, 6 of 7 (auditieve beperking). Deze werkwijze hanteren we zowel in de transitieperiode van 3 schooljaren als na de transitieperiode.

2.1.3. Hoe kunnen de middelen worden aangewend?

De middelen voor ondersteuning worden toegekend aan de scholen voor buitengewoon onderwijs. Ze blijven uitgedrukt in begeleidingseenheden. Begeleidingseenheden kunnen naargelang de aard van de ondersteuning die nodig is, omgezet worden in lestijden, lesuren en uren. Deze lestijden, lesuren en uren, worden voor scholen buitengewoon basisonderwijs beschouwd als extra lestijden en extra uren en voor scholen buitengewoon secundair onderwijs als extra lesuren en uren.

Ze zijn bedoeld om ondersteuningsvragen vanuit scholen voor gewoon onderwijs voor leerlingen die voldoen aan de criteria zoals in punt 2.1.2 beschreven, te beantwoorden. Elke ondersteuningsvraag van een gewone school omtrent begeleiding van een leerling die voldoet aan de vereisten zoals in 2.1.2 opgesomd, moet worden opgenomen. Dit geldt ook voor ondersteuningsvragen die worden gesteld in de loop van het schooljaar.

Wat verandert er ten opzichte van de werkwijze bij GON?

De overheid bepaalt niet langer een vast aantal uren begeleiding per week per leerling. Scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs krijgen meer flexibiliteit om de beschikbare middelen in te zetten op basis van de ondersteuningsnood die er is. Voor de leerlingen type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) blijft leerlinggebonden financiering bestaan, maar deze wordt flexibeler aangewend. Het zijn de scholen voor buitengewoon onderwijs die hier het best geplaatst zijn vanuit hun handicap specifieke expertise om in samenspraak met gewone scholen, ouders en het CLB te kijken hoe en in welke mate ondersteuning wordt geboden. Die ondersteuning kan leerling-, leerkracht- of teamgericht zijn. Belangrijk is dat de ondersteuning voelbaar is tot op de klasvloer. Op die manier kan er meer op maat ondersteund worden, steeds binnen het totaalpakket aan middelen dat voorhanden is. Er wordt ook afgestapt van de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar als teldag om in aanmerking te komen voor ondersteuning. Ondersteuning kan ook doorheen het schooljaar worden opgestart.

2.2. Ondersteuningsnetwerken van scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs type basisaanbod, 3, 7 (spraak- of taalstoornis) of 9.

2.2.1. Hoe worden de ondersteuningsnetwerken georganiseerd?

Voor de ondersteuning van leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag voor type basisaanbod (type 1, 8 in afbouw), type 3 (emotionele of gedragsstoornis), type 7 (spraak- of taalstoornis), type 9 (ASS), worden ondersteuningsnetwerken gevormd. Scholen voor gewoon onderwijs vormen ondersteuningsnetwerken met scholen voor buitengewoon onderwijs die deze types aanbieden. In deze ondersteuningsnetwerken zet men in op het delen van expertise op het gebied van type basisaanbod (1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalstoornis) en 9.

Scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs brengen op gelijkwaardige basis en in co-creatie de expertise samen om leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en de leraren(teams) die met deze leerlingen werken, te ondersteunen. De scholen buitengewoon onderwijs in een ondersteuningsnetwerk zijn gelijkwaardig. Zij spreken af op welke manier ze zich organiseren (onder meer interne regie, penvoering,…).

De huidige samenwerkingsverbanden tussen gewoon en buitengewoon onderwijs in het kader van GON en de waarborgregeling zijn een vertrekpunt voor de vorming van ondersteuningsnetwerken. De CLB’s en de PBD’s zijn ook partners in de ondersteuningsnetwerken. De ondersteuningsnetwerken zijn:

  • bij voorkeur niveau-overschrijdend (op niveau van het kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs) samengesteld;
  • best zo efficiënt mogelijk georganiseerd zodat de reistijd van ondersteuners zoveel mogelijk beperkt kan worden en opdrachten zo min mogelijk versnipperd zijn.

Voor de vorming van de ondersteuningsnetwerken wordt maximaal ingezet op samenwerking met scholen van andere netten. Deze samenwerking kan minimaal volgende vormen aannemen:

  • scholen kunnen, indien ze dit wensen, opteren voor ondersteuning door een ondersteuningsnetwerk van een ander net;
  • het versterken van de internettensamenwerking.

Elke gewone school kan kiezen binnen welk netwerk ze met scholen voor buitengewoon onderwijs en andere scholen voor gewoon onderwijs wil samenwerken. Het borgen van bestaande goede praktijken is belangrijk. Dit wil zeggen dat bestaande samenwerkingen kunnen gecontinueerd worden.

Voor het gesubsidieerd officieel onderwijs (OGO) en het GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (GO!) maken de inrichtende machten tegen 1 januari 2018 sluitende afspraken over logische regionale gebieden waarbinnen er slechts een ondersteuningsnetwerk actief is en waarbij binnen de regio alle officiële scholen zich aansluiten en die over ondersteuning en begeleiding in het kader van ondersteuning van kinderen met specifieke onderwijsbehoeften, afspraken kunnen maken met eender welk ander ondersteuningsnetwerk. In het kader van die afspraken kunnen scholen voor buitengewoon onderwijs middelen overdragen aan scholen voor buitengewoon onderwijs van een ondersteuningsnetwerk dat behoort tot een ander onderwijsnet. Ook scholen van andere netten kunnen tot dit ondersteuningsnetwerk van het officieel onderwijs toetreden.

De afspraken over logische regionale gebieden tegen 1 januari 2018, gebeurt met het oog op de melding aan de overheid van een eventuele gewijzigde samenstelling van de ondersteuningsnetwerken tegen uiterlijk 1 maart 2018 en inwerkingtreding op 1 september 2018.

Netgebonden ondersteuningsnetwerken kunnen ook over de netten heen samenwerken, zodat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden ingezet.

Iedere school voor gewoon onderwijs moet deel uitmaken van één netwerk van type basisaanbod (1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalstoornis) en 9. Deel uitmaken van meerdere netwerken is niet toegestaan. De scholen voor gewoon onderwijs werken voor type basisaanbod (1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalstoornis) en 9 samen met de school of scholen voor buitengewoon onderwijs uit hun ondersteuningsnetwerk. Op het niveau van het ondersteuningsnetwerk kunnen scholen wel afspraken maken met een ander ondersteuningsnetwerk. In dat kader kunnen scholen voor buitengewoon onderwijs middelen overdragen aan scholen voor buitengewoon onderwijs van een ondersteuningsnetwerk dat behoort tot een ander onderwijsnet (zie punt 5).

Een school die geen deel uitmaakt van een ondersteuningsnetwerk, kan geen ondersteuning krijgen. Een buitengewone school type basisaanbod (1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalstoornis en 9) die geen deel uitmaakt van een ondersteuningsnetwerk, kan geen ondersteuning geven.

Scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs melden aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten bij welk ondersteuningsnetwerk van type basisaanbod (1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalstoornis) en 9 ze voor het schooljaar 2017-2018 aansluiten (zie NO/2017/01).

Daarna moeten wijzigingen aan de samenstelling jaarlijks meegedeeld worden uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande schooljaar.

2.2.2. Hoe worden de middelen voor de ondersteuningsnetwerken gegenereerd?

In het schooljaar 2017-2018 gaan de ondersteuningsnetwerken van start. Op het gebied van omkadering en personeel is er een transitie over een periode van 3 schooljaren (2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020) om van de huidige situatie van omkadering van GON, ION en waarborg te evolueren naar de nieuwe situatie van de ondersteuningsnetwerken.

2.2.2.1. De situatie na de transitieperiode (vanaf schooljaar 2020-2021)

De middelen die beschikbaar zijn voor het ondersteuningsmodel zullen na de voorafname voor type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking), aan ondersteuningsnetwerken verdeeld worden. Het gaat concreet over de begeleidingseenheden GON/ION exclusief type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) die dan zijn omgezet naar lestijden/lesuren en uren, de middelen van de waarborg (jaarlijks te bepalen) en de middelen van het extra budget.

De verdeling gebeurt voor 70% op basis van het aantal leerlingen van de gewone scholen in een ondersteuningsnetwerk en voor 30% op basis van het gemiddeld aantal leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag gedurende de laatste 6 schooljaren in de gewone scholen binnen een netwerk. Voor scholen die nog geen zes schooljaren bestaan, tellen voor de berekening van de 30% alleen de jaren van bestaan.

Het gaat voor de 70% over de regelmatige en financierbare of subsidieerbare leerlingen die op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar voldoen aan de toelatings- en overgangsvoorwaarden die gelden in het gewoon onderwijs (zie BaO/2001/10 van 10/08/2001 en SO 64 van 25/06/1999 en (voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs) SO/2008/08 van 11/05/2017).

Het gaat voor de 30% over de leerlingen type basisaanbod (1, 8 in afbouw), 2, 3, 4, 6, 7 en 9 die op de eerste schooldag van februari van de zes voorafgaande schooljaren ofwel over een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag beschikken en ingeschreven zijn als regelmatige financierbare of subsidieerbare leerlingen in het gewoon basisonderwijs, voltijds secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs en voldoen aan de toelatings- en overgangsvoorwaarden die gelden in het gewoon onderwijs (zie BaO/2001/10 van 10/08/2001 en SO 64 van 25/06/1999 en (voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs) SO/2008/08 van 11/05/2017).

Voor de 30% berekening gelden als teldag, in afwijking van de eerste schooldag van februari van de zes voorafgaande schooljaren:

  • Voor het schooljaar 2017-2018: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2011-2012 tot en met 2016-2017;
  • Voor het schooljaar 2018-2019: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van het schooljaar 2017-2018;
  • Voor het schooljaar 2019-2020: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019.
  • Voor het schooljaar 2020-2021: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2014-2015 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 tot en met 2019-2020.
  • De schooljaren nadien schuift deze periode verder op.

Voor de leerlingen die geteld werden op de eerste schooldag van oktober betreft het de rechthebbende GON-leerlingen.

Het 70/30 verdelingsmechanisme wordt voor het basis- en secundair onderwijs afzonderlijk toegepast op het totale budget dat per onderwijsniveau voor ondersteuning (exclusief type 2, 4, 6 en 7 auditieve beperking) beschikbaar is. Dit betekent dat de commissies de lestijden en uren gegenereerd door basisscholen moeten toewijzen aan scholen buitengewoon basisonderwijs in de ondersteuningsnetwerken en lesuren en uren gegenereerd door secundaire scholen aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs in de ondersteuningsnetwerken. De personeelsleden aangesteld in deze toegewezen lestijden/lesuren en uren kunnen wel niveau-overschrijdend worden ingezet om ondersteuningsvragen van scholen voor gewoon basisonderwijs en gewoon secundair onderwijs te beantwoorden.

Omwille van de impact van dit 70/30 verdelingsmechanisme in vergelijking met de toekenning in GON en waarborg wordt een transitieperiode voorzien gedurende drie schooljaren.

2.2.2.2. Tijdens de transitieperiode (2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020)

Op het 70/30 verdelingsmechanisme worden gedurende de transitieperiode 2 correcties toegepast:

1° een garantiefonds om het verlies aan omkadering op niveau van onderwijsnet te compenseren;

2° een geleidelijke toevoeging van GON begeleidingseenheden exclusief type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) schooljaar 2016-2017 aan het pakket lestijden/lesuren en uren te verdelen door de commissies.

2.2.2.2.1. Het garantiefonds

Dit garantiefonds, bedoeld om het verlies aan omkadering op niveau van onderwijsnet te compenseren, wordt bekomen door het 70/30 verdelingsmechanisme toe te passen op het totale budget voor ondersteuning (exclusief type 2, 4, 6 en 7 auditieve beperking) per net, en dit per schooljaar te vergelijken met de som van de lestijden, lesuren en uren van waarborg en begeleidingseenheden GON in het schooljaar 2016-2017 per net (exclusief type 2, 4, 6 en 7 auditieve beperking). De compensatie gebeurt dan naar rato van het globale verlies van een of meerdere netten door het aandeel van de scholen van het (de) stijgende net(ten) procentueel te verminderen en het aandeel van de scholen van het (de) dalende onderwijsnet(ten) procentueel te vermeerderen.

De middelen die het dalende onderwijsnet op die wijze ontvangt, vallen onder de regie van dat onderwijsnet om de verliezen in het buitengewoon onderwijs te compenseren zodat er geen verlies is aan tewerkstelling en ondersteuning die vandaag bestaat. Deze middelen worden tijdens de transitieperiode ingezet voor de verdere ondersteuning van scholen en centra in het gewoon onderwijs van de onderwijsnetten.

2.2.2.2.2. Voorstel omkadering door commissies

Op basis van het 70/30 verdelingsmechanisme met correctie (zie punt 2.2.2.2.1) kunnen voor elke gewone school lestijden/lesuren en uren berekend worden die ze genereren voor het ondersteuningsnetwerk waar ze deel van uitmaken. Het zijn echter de commissies die zullen instaan voor een voorstel aan de Vlaamse regering voor de toewijzing van omkadering aan de ondersteuningsnetwerken. De ondersteuningsnetwerken zorgen in het verlengde daarvan voor een verdeling tussen de scholen voor buitengewoon onderwijs binnen het netwerk. Deze uiteindelijke verdeling stemt dus niet noodzakelijk overeen met het totaal aantal gegenereerde lestijden/lesuren en uren van de gewone scholen in het ondersteuningsnetwerk. De gegenereerde lestijden/lesuren en uren per gewone school zijn de bouwstenen voor de berekening, maar betekenen niet dat hetzelfde aantal ook aan ondersteuning zal worden geboden in elke desbetreffende gewone school. Dit zal afhankelijk zijn van de ondersteuningsnoden binnen elke school (volgens de principes zoals beschreven in punt 2.2.3).

Zoals in punt 2.1.2 vermeld zullen de commissies voor het schooljaar 2017-2018 de begeleidingseenheden verdelen naar de scholen voor buitengewoon onderwijs type 2, voor de ondersteuning van kleuters met een verslag type 2 die in 2016-2017 nog niet in aanmerking kwamen.

Voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, wordt telkens een commissie opgericht. Deze zijn in een gelijke vertegenwoordiging samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden.

Voor ondersteuningsnetwerken die netoverstijgend zijn samengesteld fungeert, naargelang de betrokken partijen, ofwel de gemeenschappelijke vergadering (die wordt opgericht in de schoot van deze gemeenschappelijke vergadering van het Sectorcomité X – Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten – afdeling 2 – onderafdeling ‘Vlaamse Gemeenschap’ en het Overkoepelend onderhandelingscomité gesubsidieerd vrij onderwijs) als commissie, ofwel het netoverstijgend officieel comité als commissie, ofwel het comité van het gesubsidieerd vrij onderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs als commissie, ofwel het comité van het gesubsidieerd vrij onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap als commissie.

Bij hun voorstellen voor de toewijzing van omkadering aan de ondersteuningsnetwerken, en vervolgens aan de scholen voor buitengewoon onderwijs in deze ondersteuningsnetwerken, houden de commissies rekening met de volgende criteria:

  • er mag geen verlies aan tewerkstelling en bestaande ondersteuning zijn zodat de verschuivingen zo maximaal mogelijk op een natuurlijke manier tot stand komen;
  • de beoogde ondersteuning van de ondersteuningsnetwerken zoals die na de transitieperiode zal zijn, d.w.z. de omkadering van ondersteuningsnetwerken op basis van het 70/30 verdelingsmechanisme, zonder correctie.

2.2.2.2.3. De geleidelijke toevoeging van GON begeleidingseenheden exclusief type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) aan het pakket toe te wijzen lestijden/lesuren en uren door de commissies

In afwijking op 2.2.2.2.2 zullen de begeleidingseenheden GON exclusief type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) zoals toegekend in het schooljaar 2016-2017 nog rechtstreeks worden toegekend aan de scholen voor buitengewoon onderwijs, naar rato van

  • 100% in schooljaar 2017-2018
  • 66% in schooljaar 2018-2019
  • 33% in schooljaar 2019-2020

waardoor de lestijden/lesuren en uren te verdelen door de commissies jaar na jaar toenemen.

Dit betekent dat:

  • in het schooljaar 2017-2018 de begeleidingseenheden GON exclusief type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) van het schooljaar 2016-2017 voor 100% teruggaan naar de scholen voor buitengewoon onderwijs. De commissies verdelen de resterende lestijden/lesuren en uren waar een ondersteuningsnetwerk recht op heeft in schooljaar 2017-18, gegenereerd op basis van het 70/30 verdelingsmechanisme met correctie zoals vermeld in 2.2.2.2.1;
  • in het schooljaar 2018-2019 nog 66% van de begeleidingseenheden GON exclusief type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) van het schooljaar 2016-2017 teruggaan naar de scholen voor buitengewoon onderwijs. De commissies verdelen de resterende lestijden/lesuren en uren waar een ondersteuningsnetwerk recht op heeft in schooljaar 2018-19, gegenereerd op basis van het 70/30 verdelingsmechanisme met correctie zoals vermeld in 2.2.2.2.1;
  • in het schooljaar 2019-2020 nog 33% van de begeleidingseenheden GON exclusief type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) van het schooljaar 2016-2017 teruggaan naar de scholen voor buitengewoon onderwijs. De commissies verdelen de resterende lestijden/lesuren en uren waar een ondersteuningsnetwerk recht op heeft in schooljaar 2019-20, gegenereerd op basis van het 70/30 verdelingsmechanisme met correctie zoals vermeld in 2.2.2.2.1.

De omzetting van begeleidingseenheden naar lestijden/lesuren en uren die bijkomend door de commissies verdeeld zullen worden, gebeurt op basis van de effectieve inzet van de begeleidingseenheden.

2.2.3. Hoe kunnen de middelen worden aangewend?

Een ondersteuningsnetwerk heeft tot doel om, door middel van expertisedeling in co-creatie, kinderen en jongeren met een ondersteuningsnood maximaal en effectief ondersteuning te bieden in de klas en de betrokken leerkracht(en) te ondersteunen en competent te maken met en voor deze ondersteuningsnood. Het betreft:

  • leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type basisaanbod, 3, 7 (spraak- of taalstoornis) of 9, die voldoen aan de criteria van die types zoals gedefinieerd in artikel 10 van het decreet basisonderwijs of artikel 259 van de codex secundair onderwijs;
  • leerlingen met een inschrijvingsverslag type 1, 8, 3 of 7 (taal- of spraakstoornis) omdat ze vallen onder de overgangsmaatregel in het M-decreet (toepassing van artikel 16, §2 van het decreet basisonderwijs of artikel 352, §2 van de codex secundair onderwijs).

Met leerlingen met een inschrijvingsverslag worden de leerlingen bedoeld die in het schooljaar 2014-2015 GON-leerling waren op basis van een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs, voor wie het principe geldt dat er geen herattestering moet gebeuren wanneer zijn of haar situatie niet wijzigt. Wanneer voor een dergelijke leerling het onderwijsniveau of het type wijzigt, moet er wel een gemotiveerd verslag of verslag worden opgemaakt.

Voor de leerlingen type basisaanbod (en type 1, 8 in afbouw) blijft de voorwaarde gelden dat om in aanmerking te kunnen komen voor een gemotiveerd verslag, de leerling het voorafgaand schooljaar minstens negen maanden voltijds buitengewoon onderwijs moet gevolgd hebben, in het desbetreffende type. “In het desbetreffende type” betekent het type basisaanbod, type 1 of type 8. “Buitengewoon onderwijs” betekent voor het secundair onderwijs zowel buitengewoon basisonderwijs als buitengewoon secundair onderwijs.

Scholen met leerlingen met gedrags- en emotionele problemen kunnen in het kader van de aanwending van de middelen binnen het ondersteuningsnetwerk ook ondersteund worden, ook al is er (nog) geen (gemotiveerd) verslag afgeleverd en werd er (nog) geen psychiatrisch onderzoek uitgevoerd. Voor die leerlingen moet dan aan de volgende voorwaarden voldaan zijn:

  • Er werd in het voorafgaande schooljaar al een handelingsgericht diagnostisch traject opgestart;
  • De fase van verhoogde zorg werd in de school kwaliteitsvol doorlopen;
  • Het CLB heeft een handelingsgericht diagnostisch traject afgerond en oordeelt dat de onderwijsbehoeften van de leerling en de ondersteuningsnoden van de leerkracht(en) de expertise en ondersteuning vanuit het buitengewoon onderwijs vereist bovenop de maatregelen van verhoogde zorg door de school. De onderwijs- en ondersteuningsbehoeften zijn geformuleerd en vastgelegd in een multidisciplinaire teambespreking met een advies. Dit wordt geregistreerd in LARS als “formaliseren attest”. LARS is het elektronisch ‘Leerling Activiteiten en Registratie Systeem’ dat alle centra voor leerlingenbegeleiding gebruiken.

Scholen voor gewoon onderwijs bepalen, samen met CLB en ouders, de ondersteuningsnoden. Scholen leggen op basis daarvan de ondersteuningsvragen bij hun ondersteuningsnetwerk. Binnen de ondersteuningsnetwerken wordt dan afgesproken waar welke ondersteuning, door wie, in welk volume, wordt ingezet. Ondersteuning kan flexibel en op maat worden ingezet, naargelang de noden.

Elke ondersteuningsvraag van een gewone school omtrent begeleiding van een leerling van de hoger genoemde doelgroepen die voldoet aan de vereisten zoals hierboven opgesomd, moet worden opgenomen door het ondersteuningsnetwerk. Dit geldt ook voor ondersteuningsvragen die worden gesteld in de loop van het schooljaar.

Elk ondersteuningsnetwerk voorziet in een laagdrempelig aanspreekpunt voor ouders. Ouders kunnen op die manier doorheen het hele schooljaar bij het ondersteuningsnetwerk terecht met algemene vragen rond ondersteuning en specifieke vragen rond ondersteuning binnen de school van hun kind.

De omkadering van de ondersteuningsnetwerken om op de ondersteuningsvragen van scholen gewoon onderwijs in te gaan, wordt toegekend aan de scholen voor buitengewoon onderwijs als extra lestijden, lesuren en uren. De lestijden, respectievelijk de lesuren, en uren, worden voor scholen buitengewoon basisonderwijs beschouwd als extra lestijden en extra uren en voor scholen buitengewoon secundair onderwijs als extra lesuren en uren.

De ondersteuning in de scholen voor gewoon onderwijs gebeurt door personeel van de scholen voor buitengewoon onderwijs, met expertise in de desbetreffende types. De begeleiding kan leraar- en teamgericht of leerlinggericht zijn. Belangrijk is dat de ondersteuning voelbaar is tot op de klasvloer.

Middelen die binnen een ondersteuningsnetwerk niet rechtstreeks worden aangewend voor leerkracht- of leerlinggerichte ondersteuning (bv. coördinatietaken) moeten worden verantwoord en goedgekeurd door alle lokale onderhandelingscomités van de betrokken scholen.

3. Ondersteuning in het hoger onderwijs

3.1. Hoe wordt het georganiseerd?

Voor ondersteuning in het hoger onderwijs werd een budget van 4 miljoen euro vrijgemaakt waarmee een eigen ondersteuningsmodel, los van de werkwijze van GON in het verleden of de uitwerking van het ondersteuningsmodel in het basisonderwijs en secundair onderwijs, vorm gegeven kan worden. Het equivalent van de omkadering die vroeger, in het kader van GON, via personeelsleden buitengewoon onderwijs naar het hoger onderwijs ging (jaarlijks ca. 2.000 begeleidingseenheden) werd omgezet in middelen (4 miljoen euro). Dat budget wordt voortaan rechtstreeks ingezet in het hoger onderwijs (zowel in hogescholen als in universiteiten).

3.2. Hoe worden middelen gegenereerd?

Het budget van 4 miljoen euro wordt verdeeld tussen de universiteiten en de hogescholen, respectievelijk voor 30% en 70%, gebaseerd op de huidige spreiding van studenten met een functiebeperking zoals die in aanmerking komen voor de extra weging in het kader van de bepaling van de werkingsmiddelen van de instellingen hoger onderwijs.

De middelen voor het hoger onderwijs zijn bedoeld als aanvullend op het zorgbeleid ten aanzien van studenten met functiebeperkingen dat zowel hogescholen als universiteiten momenteel al voeren, hierin begeleid door het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs (SIHO).

3.3. Hoe kunnen middelen worden aangewend?

Indien een student bij de overstap van secundair naar hoger onderwijs of in de loop van zijn studieperiode in het hoger onderwijs van ondersteuning gebruik wenst te maken, neemt hij/zij contact op met het aanspreekpunt zorg van de instelling die te vinden is op de website van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs (SIHO).

4. Personeel

4.1. Oprichten van betrekkingen

4.1.1. School voor buitengewoon basisonderwijs

Met de extra lestijden, extra lesuren en extra uren, kan de school bij het begin van het schooljaar naar keuze en in functie van de noden van het ondersteuningsnetwerk betrekkingen oprichten in een ambt van het onderwijzend personeel of in een ambt van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

Het gaat over de volgende ambten:

  • voor het onderwijzend personeel: kleuteronderwijzer ASV, onderwijzer ASV, leermeester ASV: LO, leermeester godsdienst, leermeester NC zedenleer en leermeester ASV: compensatietechniek Braille in type 6
  • voor het paramedisch personeel: logopedist, kinesitherapeut, ergotherapeut, kinderverzorger, verpleger.
  • voor het medisch personeel: arts.
  • voor het sociaal personeel: maatschappelijk werker.
  • voor het psychologisch personeel: psycholoog.
  • voor het orthopedagogisch personeel: orthopedagoog.

Die keuze geldt voor de duur van het volledige schooljaar. Dat betekent dat eens een school (schoolbestuur) de keuze voor een welbepaald ambt heeft gemaakt, die keuze in de loop van het schooljaar niet kan worden gewijzigd.

4.1.2. School voor buitengewoon secundair onderwijs

Met de extra lestijden, extra lesuren en extra uren kan de school bij het begin van het schooljaar naar keuze en in functie van de noden van het ondersteuningsnetwerk betrekkingen oprichten in een ambt van het onderwijzend personeel of in een ambt van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

Het gaat over de volgende ambten:

  • voor het onderwijzend personeel: leraar ASV, leraar BGV, godsdienstleraar, leraar NC zedenleer, leraar ASV LO, leraar ASV compensatietechniek Braille en – voor OV4 – leraar secundair onderwijs (AV, TV en PV).
  • voor het paramedisch personeel: logopedist, kinesitherapeut, ergotherapeut, kinderverzorger, verpleger.
  • voor het medisch personeel: arts.
  • voor het sociaal personeel: maatschappelijk werker.
  • voor het psychologisch personeel: psycholoog.
  • voor het orthopedagogisch personeel: orthopedagoog.

Deze keuze geldt voor de duur van het volledige schooljaar.

Dit betekent dat eens een school (schoolbestuur) de keuze voor een welbepaald ambt heeft gemaakt, deze keuze in de loop van het schooljaar niet kan worden gewijzigd.

4.2. Invullen van de betrekkingen

De lestijden of lesuren en uren die een school ontvangt in het kader van een ondersteuningsnetwerk of voor de ondersteuning van de types 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) zijn extra lestijden, extra lesuren en extra uren en hebben bijgevolg een tijdelijk karakter.

Dat betekent dat:

De school de extra lestijden, extra lesuren en extra uren bij het begin van het schooljaar niet kan aanwenden in het kader van de verdeling van betrekkingen en voorafgaande maatregelen in het kader van de regels betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling.

De school heeft t.a.v. de betrekkingen die ze met deze middelen opricht ook geen verplichtingen betreffende reaffectatie of wedertewerkstelling.
Dat geldt ook voor de verplichtingen betreffende TADD.

Concreet betekent het dat:

- de school deze middelen niet kan gebruiken om op 1 september aan vastbenoemde personeelsleden die tijdens het schooljaar 2016-2017 een GON-opdracht hadden, die opdracht rechtstreeks terug te geven. Dat kan leiden tot TBSOB van die personeelsleden of van andere personeelsleden van de betrokken school met een kleinere dienstanciënniteit.

- de school die behoort tot een scholengemeenschap t.a.v. die betrekkingen geen verplichting heeft tot reaffectatie of wedertewerkstelling van TBSOB-personeelsleden van de eigen school, uit een andere school van het schoolbestuur of van de scholengemeenschap.

- de school die niet behoort tot een scholengemeenschap, t.a.v. die betrekkingen geen verplichting heeft tot reaffectatie of wedertewerkstelling van TBSOB-personeelsleden van de eigen school, van een andere school/schoolbestuur of t.a.v. de reaffectatiecommissie van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of de Vlaamse reaffectatiecommissie.

- de school geen verplichtingen heeft t.a.v. tijdelijke personeelsleden met het recht op een aanstelling van doorlopende duur (TADD) van de eigen school, van andere scholen van het schoolbestuur of van scholen uit de scholengemeenschap (als de school daartoe behoort).

De aanstelling van een personeelslid in de opgerichte betrekking gebeurt steeds via een tijdelijke aanstelling voor de duur van maximum één schooljaar.

Het personeelslid kan het daaropvolgende schooljaar wel opnieuw aangesteld worden, maar dat is geen verplichting.

De school kiest dus vrij wie ze aanstelt in de betrekking. Op die wijze kan de school maximaal personeelsleden met de gewenste expertise voor de ondersteuningstaken aanstellen. Uiteraard kan de school vastbenoemde personeelsleden of personeelsleden met het recht op TADD aanstellen als ondersteuner, als die daartoe over de nodige expertise beschikken. De regelgeving voorziet daartoe volgende mogelijkheden.

De school kan in een betrekking op de volgende wijze een vastbenoemd of een (al of niet nieuw) tijdelijk personeelslid als ondersteuner aanstellen:

Een vastbenoemd personeelslid:

  • via een vrijwillige reaffectatie, wedertewerkstelling of een tewerkstelling
    • de school kan op vrijwillige basis een reaffectatie, wedertewerkstelling of tewerkstelling als ondersteuner aanbieden aan een vastbenoemd personeelslid dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking (TBSOB).
    • die reaffectatie, wedertewerkstelling of tewerkstelling is beperkt tot de duur van het schooljaar, maar kan op vrijwillige basis (in onderling overleg tussen schoolbestuur en personeelslid) het daaropvolgende schooljaar worden verlengd. Er geldt dus geen bestendigheid bij dergelijke reaffectatie, wedertewerkstelling of tewerkstelling.
    • meer informatie over de begrippen reaffectatie, wedertewerkstelling of tewerkstelling vindt u in de omzendbrief: De reaffectatie- en wedertewerkstellingsregeling voor de inrichtende machten en de personeelsleden tewerkgesteld in het niet-tertiair onderwijs - PERS/2003/08 (28/07/2003).
  • via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen tot aan het einde van het schooljaar (31 augustus) (verlof TAO)
    • een vastbenoemd personeelslid kan aan zijn schoolbestuur een verlof vragen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen en kan vervolgens als tijdelijk personeelslid aangesteld worden als ondersteuner.
    • meer informatie over het verlof TAO vindt u in de omzendbrief: Administratieve en geldelijke toestand van vast benoemde personeelsleden die tijdelijk belast worden met een andere opdracht – TAO - PERS/2014/01 (22/01/2014).
  • via een afwezigheid voor verminderde prestaties (AVP)
    • een vastbenoemd personeelslid kan voor (een deel van) zijn opdracht een afwezigheid voor verminderde prestaties nemen en dan kandideren voor een aanstelling als ondersteuner. Die aanstelling is tijdelijk.
    • meer informatie over die vorm van afwezigheid vindt u in de omzendbrief: Afwezigheid voor verminderde prestaties - Pers/2017/01 (08/03/2017).

Een tijdelijk personeelslid:

  • via de werving van een (nieuw) tijdelijk personeelslid dat voor beperkte duur wordt aangesteld (TABD).
  • via de aanstelling van een personeelslid met het recht op TADD. Dat is een keuze die de school kan maken, maar die aanstelling is alleszins beperkt tot het lopende schooljaar. De TADD-aanstelling kan het daaropvolgende schooljaar op vrijwillige basis (in onderling overleg tussen schoolbestuur en personeelslid) worden verlengd, maar dat is geen verplichting (het personeelslid kan de TADD dus niet opeisen).
  • via een afwezigheid voor verminderde prestaties (AVP)
    • een tijdelijk personeelslid kan voor (een deel van) zijn opdracht een afwezigheid voor verminderde prestaties nemen en dan kandideren voor een aanstelling als ondersteuner.
    • meer informatie over die vorm van afwezigheid vindt u in de omzendbrief: Afwezigheid voor verminderde prestaties - Pers/2017/01 (08/03/2017).

Uiteraard blijven t.a.v. de gewone omkadering – die naast de extra lestijden, extra lesuren of extra uren van het ondersteuningsnetwerk – aan de school wordt toegekend, de gewone regels met betrekking tot reaffectatie en wedertewerkstelling volledig gelden. Meer informatie daarover vindt u in de omzendbrief: De reaffectatie- en wedertewerkstellingsregeling voor de inrichtende machten en de personeelsleden tewerkgesteld in het niet-tertiair onderwijs - PERS/2003/08 (28/07/2003).

Voorbeeld 1
In school A (buitengewoon basisonderwijs) wordt een vastbenoemde onderwijzer ASV TBSOB gesteld op 1 september. Binnen hetzelfde schoolbestuur neemt in school B (gewoon basisonderwijs) een onderwijzer een volledige AVP van 1 september tot en met 31 augustus. De onderwijzer ASV die in het bezit is van het vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer moet weder tewerkgesteld worden als onderwijzer in het gewoon basisonderwijs.

Voorbeeld 2
In school A (buitengewoon secundair onderwijs) wordt een vastbenoemde leraar ASV TBSOB gesteld op 1 september. Binnen dezelfde scholengemeenschap neemt in school B (buitengewoon secundair onderwijs) een vastbenoemde leraar ASV een verlof TAO om tijdelijk een opdracht (TAO) als ondersteuner uit te oefenen. De leraar ASV uit school A moet gereaffecteerd worden naar school B.

4.3. Geen vacantverklaring en geen vaste benoeming

De extra lestijden, extra lesuren en extra uren voor het ondersteuningsnetwerk en voor type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) hebben een tijdelijk karakter omwille van de transitieperiode tot en met het schooljaar 2019-2020. Daarna volgt een definitieve regeling.

De betrekkingen die een school inricht met die extra lestijden, extra lesuren en extra uren komen dan ook niet in aanmerking voor vacantverklaring en kunnen in de transitieperiode niet worden toegewezen via een vaste benoeming, een mutatie of een definitieve affectatie.

4.4. Administratieve en geldelijke toestand personeelslid

De tijdelijke aanstelling is een statutaire aanstelling volgens de regels van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

Tijdens deze tijdelijke aanstelling verwerft een personeelslid dan ook de rechten die aan dergelijke aanstelling zijn verbonden. Het personeelslid kan die verworven rechten tijdens of na de transitieperiode aanwenden bij het schoolbestuur of in de scholengemeenschap waar deze rechten zijn verworven.

Voorbeeld

Een kinesitherapeut presteert sinds 01/09/2015 als tijdelijk personeelslid in de school: eerst als kinesitherapeut binnen de GON-begeleiding en vanaf 01/09/2017 als ondersteuner in het ambt van kinesitherapeut. Een vastbenoemde collega-kinesitherapeut gaat op 1 oktober 2018 met pensioen. Op basis van de vacantverklaring op 01/03/2019 komt de tijdelijke kinesitherapeut in aanmerking om op 01/07/2019 vastbenoemd te worden.

4.4.1. Dienstanciënniteit, sociale anciënniteit en geldelijke anciënniteit

De tijdelijke aanstelling is een statutaire aanstelling volgens het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

Het personeelslid bouwt dus dienst-, sociale en geldelijke anciënniteit op in het ambt van tewerkstelling.

4.4.2. Bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen

De gebruikelijke bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen voor het ambt van het buitengewoon onderwijs waarin het personeelslid wordt aangesteld, zijn van toepassing: zie http://www.ond.vlaanderen.be/bekwaamheidsbewijzen/

4.4.3. Prestatieregeling en opdracht

Voor het personeelslid dat is aangesteld in een betrekking als ondersteuner geldt een specifieke prestatieregeling. Die prestatieregeling is dezelfde voor elk ambt uit het buitengewoon onderwijs waarin een betrekking kan worden opgericht (zie punt 4.1).

De opdracht van het personeelslid bestaat uit het bieden van leerkrachtgerichte en leerlinggerichte ondersteuning in de scholen voor gewoon basis- en secundair onderwijs. Dat gebeurt op basis van de concrete afspraken die zijn gemaakt, zowel over de wijze waarop een antwoord zal worden geboden op de reële ondersteuningsvragen in de participerende scholen als voor welke leerlingen specifieke ondersteuning zal worden geboden. Er wordt daarbij alleszins gewaakt over een overwogen evenwicht tussen leerkrachtgerichte en leerlinggerichte ondersteuning.

Het personeelslid begeleidt dus hoofdzakelijk leerkrachten(teams) en daarnaast eventueel leerlingen met specifieke noden van én in scholen voor gewoon onderwijs. Deze ondersteuning kan dus ook niveau-overschrijdend zijn. Zo kan een personeelslid dat als ondersteuner is aangesteld in een school voor buitengewoon basisonderwijs, ondersteuning bieden in een gewone secundaire school. Omgekeerd kan een personeelslid dat als ondersteuner is aangesteld in een school voor buitengewoon secundair onderwijs, ook ondersteuning bieden in een gewone basisschool.

Er kan ook een andere invulling aan de opdracht van een personeelslid worden gegeven (bv. coördinatietaken voor het ondersteuningsnetwerk), maar dat hangt af van de keuze die binnen het ondersteuningsnetwerk is gemaakt (zie ook punt 2.2.3, laatste paragraaf).

4.4.3.1. Prestatieregeling in het buitengewoon basisonderwijs

Het personeelslid oefent bij een voltijdse aanstelling een hoofdopdracht uit van 22 lestijden en een schoolopdracht van 26 klokuren.

De hoofdopdracht van 22 lestijden bestaat uit de ondersteuning van leerkrachten (onderwijzend personeel) in de scholen voor het gewoon basisonderwijs en secundair onderwijs en indien nodig ook leerlinggebonden ondersteuning.

De tijd die nodig is voor professionalisering, overleg en samenwerking, coördinatietaken en dienstverplaatsingen maakt deel uit van de schoolopdracht van 26 klokuren.

Oudercontacten en personeelsvergaderingen vallen buiten de 26 klokuren van de schoolopdracht. Die opdrachten vallen niet noodzakelijk binnen de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen.

Bij een deeltijdse aanstelling worden voormelde prestaties pro rata aangepast.

Opgelet:
De administratieve noemer en de bezoldigingsnoemer blijven wel ongewijzigd gelden voor deze ambten.

Voorbeeld:
Een personeelslid wordt in het ambt van kinesitherapeut aangesteld als ondersteuner. Zij valt onder de specifieke prestatieregeling van ondersteuner: zij heeft een hoofdopdracht van 22 lestijden en een schoolopdracht van 26 klokuren.
Voor haar aanstelling moeten er echter 32 eenheden uit het urenpakket worden genomen. Ook de berekening van haar salaris gebeurt op basis van de noemer 32.

4.4.3.2. Prestatieregeling in het buitengewoon secundair onderwijs

De wekelijkse prestaties van een personeelslid dat aangesteld is in een voltijdse betrekking bedragen 26 klokuren. Binnen die 26 klokuren presteert het personeelslid:

  • een opdracht van 22 lesuren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het onderwijzend personeel of in een ambt van het paramedisch personeel;
  • een opdracht van 22 uren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

De opdracht van 22 lesuren of 22 uren bestaat uit de ondersteuning van leerkrachten (onderwijzend personeel) in scholen voor het gewoon basisonderwijs en secundair onderwijs en indien nodig ook leerlinggebonden ondersteuning.

De tijd die nodig is voor professionalisering, overleg en samenwerking, coördinatietaken en dienstverplaatsingen, maakt deel uit van de opdracht van 26 klokuren.

De deelname aan oudercontacten en aan personeelsvergaderingen vallen buiten deze wekelijkse opdracht van 26 klokuren. Deze opdrachten vallen niet noodzakelijk binnen de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen.

Bij een deeltijdse aanstelling worden voormelde prestaties pro rata aangepast.

Opgelet:
De administratieve noemer en de bezoldigingsnoemer blijven wel ongewijzigd gelden voor deze ambten.

Voorbeeld:
Een personeelslid wordt in het ambt van orthopedagoog aangesteld als ondersteuner. Hij valt onder de specifieke prestatieregeling van ondersteuner: hij heeft een hoofdopdracht van 22 lesuren en een schoolopdracht van 26 klokuren.
Voor zijn aanstelling moeten er echter 40 eenheden uit het urenpakket worden genomen. De berekening van zijn salaris gebeurt dan weer op basis van de noemer 32.

4.4.4. Mededeling aan de onderwijsadministratie

Alle personeelsleden die aangesteld worden op basis van de extra lestijden, extra lesuren en extra uren in het kader van een ondersteuningsnetwerk of voor de ondersteuning van de types 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) meldt u via de nieuwe vakcode 1365. De vakcodes voor GON (595) en voor de waarborgregeling (1361) mag u niet meer gebruiken vanaf 1 september 2017.

Voorbeeld 1

Een voltijds vastbenoemde onderwijzer ASV die voor 7/22 TBSOB is, wordt op vrijwillige basis voor 7/22 gereaffecteerd als ondersteuner (ON)Voor de elektronische zending maakt u één bericht met daarin twee opdrachten:

RL1 / onderwijzer ASV / ATO 4 / 22 lestijden, waarvan 7 lestijden TBSOB

RL1 / onderwijzer ASV / ON (vakcode 1365) / ATO 2 / 7 lestijden met aanduiding REA / einddatum 31/08/20xx

Voorbeeld 2

Een voltijds vastbenoemde leraar ASV wordt voor 22/22 aangesteld als ondersteuner (ON) via TAO. Voor de elektronische zending maakt u één bericht met daarin twee opdrachten:

RL1 / leraar ASV / ATO 4 / 22 lesuren, waarvan 22 lestijden verlof TAO met einddatum 31/08/20xx

RL1 / leraar ASV / ON (vakcode 1365) / ATO 2 / 22 lesuren met aanduiding TAO / einddatum 31/08/20xx

Voorbeeld 3

Een kinesitherapeut wordt tijdelijk voltijds aangesteld: 16/32 in vacante uren uit het organiek urenpakket en 16/32 als ondersteuner (ON). Voor de elektronische zending maakt u één bericht met twee opdrachten:

RL1 / kinesitherapeut / ATO 2 / 16/32 / einddatum 30/06/20xx

RL1 / kinesitherapeut / ATO 2 / ON (vakcode 1365) / 16/32 / einddatum 30/06/20xx

4.5. Inzet van personeel in het hoger onderwijs

4.5.1. Tijdelijke tewerkstelling in het hoger onderwijs

Een personeelslid dat in het verleden GON-ondersteuning bood aan een of meer studenten in een hogeschool of universiteit kan – op vraag van de hogeschool of de universiteit – die ondersteuning ook gedurende de transitieperiode blijven aanbieden. Het personeelslid wordt in dat geval altijd als tijdelijk personeelslid tewerkgesteld in de hogeschool of aan de universiteit en valt dan volledig onder de daar geldende rechtspositieregeling.

Een vastbenoemd personeelslid kan een tijdelijke aanstelling in een hogeschool opnemen via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen (verlof TAO).

Een vastbenoemd personeelslid kan aan zijn schoolbestuur een verlof vragen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen en kan vervolgens als tijdelijk personeelslid aangesteld worden in een betrekking in de hogeschool.

Meer informatie over het verlof TAO vind je in de omzendbrief: Administratieve en geldelijke toestand van vast benoemde personeelsleden die tijdelijk belast worden met een andere opdracht – TAO - PERS/2014/01 (22/01/2014).

Een vastbenoemd personeelslid of een tijdelijk personeelslid kan een tijdelijke aanstelling in een hogeschool of in een universiteit ook opnemen:

  • Via een afwezigheid voor verminderde prestaties (AVP):

Een vastbenoemd of tijdelijk personeelslid kan voor (een deel van) zijn opdracht een afwezigheid voor verminderde prestaties nemen en dan als tijdelijk personeelslid kandideren voor een aanstelling in de hogeschool of universiteit.

Meer informatie over deze vorm van afwezigheid vind je in de omzendbrief: Afwezigheid voor verminderde prestaties - Pers/2017/01 (08/03/2017).

  • Via een verlof wegens opdracht:

Meer informatie hierover vind je op: http://onderwijs.vlaanderen.be/nl/verlof-wegens-opdracht-van-je-personeel

4.5.2. Definitieve tewerkstelling in het hoger onderwijs

Een vastbenoemd of een tijdelijk personeelslid kan ook kiezen om een loopbaan op te bouwen in het hoger onderwijs in het kader van de ondersteuning van studenten met een beperking.

Het personeelslid kan dan solliciteren voor een functie in een hogeschool of in een universiteit.

4.5.3. Ondersteuning vanuit het buitengewoon basisonderwijs of buitengewoon secundair onderwijs

Een personeelslid kan ook aangesteld of geaffecteerd blijven in de school van het buitengewoon basisonderwijs of secundair onderwijs, en zoals vandaag ondersteuning bieden aan een of meer studenten in een hogeschool of universiteit.

De school voor buitengewoon onderwijs maakt hierover afspraken met de betrokken hogeschool of universiteit. In het kader van deze afspraken kan de hogeschool of universiteit middelen overdragen aan de school voor buitengewoon onderwijs. Op basis van deze afspraak richt de school, in functie van de noden van het ondersteuningsnetwerk, een betrekking in zoals vermeld in 4.1.1 en 4.1.2. op basis van haar werkingsbudget. Zie hiervoor de regeling omzendbrief Aanwending van het werkingsbudget voor aanwerving van personeel – PERS/2012/08 (15/10/2012).

5. Overdracht

Wanneer in het kader van een efficiënte aanwending binnen het ondersteuningsmodel het nodig is om lestijden/lesuren en uren over te dragen, dan kunnen de extra lestijden/lesuren en uren ook overgedragen worden naar een andere BO-school van hetzelfde onderwijsniveau.

Raadpleeg in dit verband voor het basisonderwijs omzendbrief BaO/2005/10 van 29/06/2005 en voor het secundair onderwijs omzendbrief SO/2011/01(buso) van 01/02/2011.

Extra lestijden/lesuren en uren overdragen naar een volgend schooljaar is onmogelijk.

De overdracht moet vóór 15 oktober van het lopende schooljaar gebeuren in het basisonderwijs en tot uiterlijk 1 november van het lopende schooljaar gebeuren in het secundair onderwijs.

In afwijking van het bovenstaande is er in de transitieperiode ook overdracht mogelijk naar een ander net in het kader van afspraken tussen ondersteuningsnetwerken (zie 2.2.1). De uiterste data, hierboven vermeld, moeten wel gerespecteerd worden.

6. Professionalisering van de ondersteuners

De middelen voor prioritaire nascholingen zullen vanaf 1/9/2018 voorbehouden worden voor de professionalisering van ondersteuners.

Tijdens het schooljaar 2017-18 kunnen de ondersteuners aansluiten bij de prioritaire nascholingsprojecten die lopen voor de scholen.

De competentiebegeleiders die in het kader van het M-decreet toegevoegd werden aan de pedagogische begeleidingsdiensten zullen effectief ingezet worden om in de ondersteuningsnetwerken te werken aan expertiseontwikkeling.

7. Gegevens van de leerlingen met gemotiveerde verslagen en verslagen.

Voor de melding van de leerlingengegevens zal nog verdere informatie volgen.

Controle van de documenten in de school voor gewoon onderwijs:

De verificatie zal de financierbaarheid of subsidieerbaarheid van leerlingen nagaan in functie van de correcte berekening van de omkadering voor de ondersteuningsnetwerken. Ze zal nagaan of er op de teldag een geldig ‘gemotiveerd verslag’, ‘verslag’ of ‘inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs’ aanwezig is.

Voor deze kenmerken zal de verificatie de gegevens zoals ze op het ‘gemotiveerd verslag’, ‘verslag’ of ‘inschrijvingsverslag’ vermeld zijn door het CLB in aanmerking nemen.

8. Monitoring en evaluatie in basis- en secundair onderwijs

Er staat een grondige monitoring en evaluatie van het nieuwe ondersteuningsmodel gepland (resultaten evaluatie: september 2019).

De monitoring gebeurt door de stuurgroep die wordt opgericht in de schoot van deze gemeenschappelijke vergadering van het Sectorcomité X – Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten – afdeling 2 – onderafdeling ‘Vlaamse Gemeenschap’ en het Overkoepelend onderhandelingscomité gesubsidieerd vrij onderwijs. Die stuurgroep staat in voor de voorbereiding, opvolging en aansturing van de invoering van ondersteuningsnetwerken.

De onderwijsinspectie en administratie zullen ook toezicht houden op de toekenning en aanwending van de middelen voor personeelsomkadering, op de werking van de ondersteuningsnetwerken, de coördinatie en de aansturing van de teams en op de kwaliteit van de ondersteuning voor leraren, lerarenteams en leerlingen.

In de evaluatie gaat speciale aandacht naar het 70/30 verdelingsmechanisme, het effect op personeel, de verschuivingen van leerlingen, de effecten op klasvloer (de ondersteuning in de klas voor de leerling en de leerkracht) en de doelmatige aanwending van de middelen.

9. Werkingsmiddelen

De overheid zal een nieuw decretaal kader uitwerken voor de toekenning van werkingsmiddelen aan scholen voor buitengewoon onderwijs die actief zijn in het kader van ondersteuning in het gewoon onderwijs. Dit ter vervanging van het systeem van integratietoelagen en de waarborg werkingsmiddelen. Deze middelen zijn ondermeer bedoeld om de verplaatsingskosten van de ondersteuners te betalen.

10. Bijlage