Programmatie, rationalisatie en onderwijsbevoegdheid in het deeltijds kunstonderwijs

  • referentie
    Dko/2018/01
  • publicatiedatum
    16/maart/2018
  • datum laatste wijziging
    28/05/2018
  • wettelijke basis
    Decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2018 betreffende het opleidingsaanbod, de organisatie, de personeelsformatie, de inning van het inschrijvingsgeld en de certificering van het deeltijds kunstonderwijs (organisatiebesluit)
  • oprichting en behoud van structuuronderdeel
  • oprichting en behoud van domein
  • oprichting en behoud van academie
  • onderwijsbevoegdheid voor opties en muziekinstrumenten
  • fusie van academies
  • overname van academie door ander schoolbestuur
  • overheveling van een vestigingsplaats
  • kunstacademie

mailto:infolijnonderwijs@vlaanderen.be

Johan Krygelmans, 02 553 89 74

Ingrid Leys , 02 553 92 43

Jos Thys , 02 553 92 27

1. Programmatie en rationalisatie

1.1. Begrippenkader

De programmatie- en rationalisatieregelgeving regelt de plekken waar leerlingen dko deeltijds kunstonderwijs (dko) kunnen volgen. Ieder postadres waar de academie lessen organiseert is een vestigingsplaats. Een vestigingsplaats waar een academie een bepaald structuuronderdeel organiseert, vormt daarbij het ankerpunt.

Elke graad van een domein vormt een afzonderlijk structuuronderdeel. Daarnaast bevat elk domein ook nog afzonderlijke kortlopende studierichtingen, die elk op zich een structuuronderdeel vormen. Naast de domeingebonden structuuronderdelen is er een domeinoverschrijdend structuuronderdeel : de eerste graad domeinoverschrijdende initiatieopleiding. Elk structuuronderdeel heeft een globale studieomvang uitgedrukt in wekelijkse lestijden en een aantal leerjaren. Voor de meeste structuuronderdelen is maar één traject, voor sommige structuuronderdelen kan het schoolbestuur kiezen uit verschillende trajecten.

Tijdens de oprichtingsperiode tellen de leerlingen die op 1 februari les volgen in het nieuwe structuuronderdeel of domein mee voor de berekening van het lestijdenpakket van het volgende schooljaar. Dat betekent dat het schoolbestuur telkens met een jaar vertraging omkadering krijgt voor de opgerichte leerjaren.

Om de leeractiviteiten van het meest recent opgerichte schooljaar te organiseren, moet het schoolbestuur ofwel eigen middelen voorzien ofwel putten uit het toegekende lestijdenpakket door lestijden van het bestaande aanbod te verschuiven. Als alle leerjaren eenmaal opgericht zijn, dan tellen alle leerlingen mee.

De oprichting van een volledig nieuwe academie bestaat uit de oprichting van één of meer domeinen. Allereerst moet een schoolbestuur erkenning vragen van de nieuwe onderwijsinstelling. De erkenningsprocedure bestaat uit een voorlopige erkenning, een erkenningsonderzoek door de onderwijsinspectie ter plekke in de vorm van een doorlichting en een beslissing over de definitieve erkenning door de Vlaamse Regering. Leerlingen die in een volledig nieuwe academie les volgen, leveren wel meteen lestijden op voor het lopende schooljaar.

De meeste structuuronderdelen worden inhoudelijk ingevuld met opties. In het domein muziek kiezen de leerlingen daarenboven meestal ook een muziekinstrument. De opties al dan niet in combinatie met een muziekinstrument vormen de opleidingen die leerlingen in een academie kunnen volgen. Om het opleidingsaanbod van een academie uit te breiden, moet een schoolbestuur bijkomende onderwijsbevoegdheid aanvragen.

1.2. Verworven studieaanbod

Alle domeinen en de meeste structuuronderdelen hebben een tegenhanger in de structuur vóór het niveaudecreet (zie 12. tabel 5 concordantietabel domeinen en structuuronderdelen). Het aanbod dat de academie in het schooljaar vóór de inwerkingtreding organiseerde, wordt beschouwd als verworven. Het schoolbestuur hoeft daarvoor geen programmatieaanvraag in te dienen. Voor opties en muziekinstrumenten die de academie in het schooljaar vóór de inwerkingtreding aanbood, hoeft het schoolbestuur geen onderwijsbevoegdheid aan te vragen. De bijlage Concordantietabel opties en muziekinstrumenten biedt een overzicht van de overeenstemming tussen het studieaanbod dat loopt tot 31 augustus 2018 en het nieuwe studieaanbod dat geldt vanaf 1 september 2018. De leeswijzer van het document geeft toelichting bij de inhoud van de tabellen.

2. Oprichten en in stand houden van structuuronderdelen

2.1. De oprichting van een nieuw structuuronderdeel

2.1.1. Aanvraagprocedure

Om een bijkomend structuuronderdeel te organiseren, bijvoorbeeld de vierde graad van een domein, moet een academie dat structuuronderdeel programmeren. Het schoolbestuur mailt het formulier Aanvraag tot erkenning en financiering of subsidiëring van een nieuw structuuronderdeel in een nieuwe of bestaande vestigingsplaats van een academie voor deeltijds kunstonderwijs uiterlijk op 1 april voor het schooljaar waarin de oprichting start aan het schoolbeheerteam van AGODI deeltijdskunstonderwijs.agodi@vlaanderen.be. Voor oprichtingen die in het schooljaar 2018-2019 van start gaan is de uiterste indiendatum uitzonderlijk 30 april 2018.

Er gelden enkel programmatievoorwaarden. Het is overbodig om een inhoudelijke motivering bij de aanvraag te voegen.

Het schoolbestuur kan het nieuwe structuuronderdeel oprichten op één of meer vestigingsplaatsen. Dat kunnen vestigingsplaatsen zijn waar de academie al dko-lessen organiseert of een nieuwe vestigingsplaats. Het schoolbestuur kan een onbeperkt aantal aanvraagformulieren voor verschillende nieuwe structuuronderdelen gelijktijdig indienen.

Voor een aantal structuuronderdelen is het mogelijk om langere en korteretrajecten aan te bieden. Het schoolbestuur beslist autonoom om één of meer trajecten aan te bieden.

Een schoolbestuur kan in het nieuwe structuuronderdeel alleen de clusters van opties, de clusters van muziekinstrumenten, de unieke opties of de unieke instrumenten aanbieden waarvoor de academie al onderwijsbevoegdheid heeft verworven. Voor alle nieuwe clusters en voor alle unieke opties die de academie in het nieuwe structuuronderdeel wil aanbieden, moet het schoolbestuur onderwijsbevoegdheid aanvragen (zie 10.4).

2.1.2. Voorwaarden bij de start van de oprichting

2.1.2.1. Erkenning, financierings- of subsidiëringsvoorwaarden

Enkel erkende, gefinancierde of gesubsidieerde academies kunnen een nieuw structuuronderdeel oprichten. Een nieuwe academie kan dat vanaf haar tweede bestaansjaar. Als het structuuronderdeel opgericht wordt in een nieuwe vestigingsplaats gelden ook daar de erkenningsvoorwaarden voor academies zoals onder meer de voorwaarden inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid, het beschikken over voldoende didactisch materiaal en een aangepaste schooluitrusting enz. (zie 4.1.2.). De onderwijsinspectie controleert die voorwaarden tijdens de doorlichting, niet vóór de oprichting. Enkel als de oprichting gepaard gaat met de aanvraag tot bijkomende onderwijsbevoegdheid voor opties die de academie tot dan toe nog niet aanbood, zal de onderwijsinspectie op voorhand nagaan of de infrastructuur voldoet.

Alle domeinen en structuuronderdelen die de academie organiseert, moeten op 1 februari voorafgaand aan het schooljaar van de oprichting de rationalisatienormen bereiken (zie 12. tabellen 1,2,3 en 4). De rationalisatienormen worden voor het eerst toegepast op basis van de telling van 1 februari 2019.

Een academie kan enkel bijkomende structuuronderdelen oprichten van een domein dat de academie al organiseert of waarvan de oprichting in het voorgaande schooljaar of eerder gestart is. Als het domein waartoe het structuuronderdeel behoort nog niet is opgericht, moet het schoolbestuur eerst dat domein programmeren (zie 3.1.). Het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding behoort niet tot een bepaald domein waardoor elke academie het kan programmeren.

2.1.2.2. Programmatienorm

Op 1 oktober moeten er voldoende leerlingen les volgen in elke vestigingsplaats waar de oprichting van het nieuwe structuuronderdeel plaats vindt. Een leerling telt mee als hij minstens één vak volgt in de vestigingsplaats in kwestie.

Bijvoorbeeld: een academie richt de 4e graad van het domein woordkunst-drama op in twee locaties. Op de ene locatie volgen de leerlingen het vak dramalab en op de andere locatie het vak radiomaken. De 12 leerlingen die zich ervoor inschrijven, worden in beide locaties meegeteld voor het behalen van de programmatienorm.

Per structuuronderdeel zijn programmatienormen (zie tabellen 3 en 4) bepaald. Er gelden verschillen normen naargelang de vestigingsplaats gelegen is in een dichtbevolkte gemeente in het Vlaamse gewest of in een dunbevolkte gemeente in het Vlaamse gewest of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Een dunbevolkte gemeente heeft een bevolkingsdichtheid van minder dan 200 inwoners per km². De bevolkingsdichtheid van de gemeente is terug te vinden in de gemeente- en stadsmonitor van de Vlaamse overheid.

Het minimale leerlingenaantal wordt berekend door de programmatienorm te delen door het aantal leerjaren van dat structuuronderdeel en te vermenigvuldigen met het aantal leerjaren dat in het schooljaar is opgericht. Voor structuuronderdelen met meerdere trajecten, wordt gerekend met het theoretisch langste traject, ongeacht het traject dat het schoolbestuur effectief organiseert.

Bijvoorbeeld: een academie richt op vestigingsplaats x in een dichtbevolkte Vlaamse gemeente de derde graad muziek het driejarige traject op en start in het eerste oprichtingsjaar met het eerste leerjaar.

Het minimale leerlingenaantal bedraagt 8 : 4 x 1 = 2 leerlingen

Waarbij:

programmatienorm dichtbevolkte gemeente = 8

langste traject derde graad muziek = 4

aantal opgerichte leerjaren = 1

De afronding gebeurt naar het dichtstbijzijnde lagere geheel getal.

2.1.3. Voorwaarden tijdens de oprichtingsperiode

Ieder structuuronderdeel is opgebouwd uit een aantal leerjaren. De oprichting gebeurt leerjaar per leerjaar, maar de leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kan het schoolbestuur wel gelijktijdig oprichten.

Ieder schooljaar moeten er voldoende leerlingen les volgen in elke vestigingsplaats waar het nieuwe structuuronderdeel wordt opgericht. Net als in het oprichtingsjaar wordt het minimale leerlingenaantal berekend door de programmatienorm te delen door het aantal leerjaren van dat structuuronderdeel en te vermenigvuldigen met het aantal leerjaren dat in het schooljaar in kwestie al is opgericht.

Bijvoorbeeld: een academie richt op vestigingsplaats x in een dichtbevolkte Vlaamse gemeente de derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor jongeren op en heeft in het vierde oprichtingsjaar 4 leerjaren opgericht.

Het minimale leerlingenaantal bedraagt 21 : 7 x 4 = 12 leerlingen

Waarbij:

programmatienorm dichtbevolkte gemeente = 21

langste traject derde graad beeldende en audiovisuele kunsten jongeren = 7

aantal opgerichte leerjaren = 4

De afronding gebeurt naar het dichtstbijzijnde lagere geheel getal.

Als het structuuronderdeel in een bepaalde vestigingsplaats de norm niet haalt, kan de oprichting toch doorgaan als het structuuronderdeel in het voorgaande schooljaar de norm die toen van toepassing was wel gehaald heeft. Die regeling wordt ook wel het genadejaar genoemd. Als een structuuronderdeel twee schooljaren op rij de norm niet haalt, worden de leerlingen die er les volgen, niet langer meegeteld in de omkaderingsberekening voor het volgende schooljaar.

Op 1 oktober van het schooljaar waarin het schoolbestuur voor het eerst het hoogste leerjaar organiseert, moet de volledige programmatienorm van het structuuronderdeel behaald worden. De programmatie is dan voltooid.

Vanaf het schooljaar daarna gelden de rationalisatienormen (zie 2.3.)

2.1.4. Specifieke voorwaarden voor de oprichting van een structuuronderdeel specialisatie

In elk domein kunnen leerlingen een kortlopende studierichting specialisatie volgen. Enkel erkende of voorlopig erkende academies (zie 4.1.2.) die de vierde graad van het domein organiseren of oprichten kunnen dat structuuronderdeel oprichten.

Net als bij de oprichting van andere structuuronderdelen bereikt de academie in elk van de domeinen die ze al organiseert, de rationalisatienorm van die domeinen op 1 februari voorafgaand aan de oprichting van het structuuronderdeel specialisatie. De rationalisatienormen worden voor het eerst toegepast op basis van de telling van 1 februari 2019.

Op de structuuronderdelen specialisatie zijn geen programmatienormen van toepassing.

2.1.5. Specifieke overgangsmaatregelen: vrijstelling van programmatievoorwaarden

2.1.5.1. Behoud van het aanbod vóór het niveaudecreet

Voor het aanbod dat de academie al in het schooljaar 2017-2018 organiseerde, hoeft een schoolbestuur geen programmatieaanvraag in te dienen. Dat geldt zowel voor de vestgingsplaatsen als voor de structuuronderdelen die de academie er organiseert. Verbind de structuuronderdelen met de opleidingenstructuur van vóór het niveaudecreet via de concordantietabel domeinen en structuuronderdelen (zie 12. tabel 5).

De rationalisatienormen worden voor het eerst toegepast op basis van de telling van 1 februari 2019.

2.1.5.2. Vrijstelling voor het schooljaar 2018-2019

Omdat de rationalisatienorm als programmatievoorwaarde pas geldt vanaf 1 februari 2019, hoeven alle aanvragen voor het schooljaar 2018-2019 in het eerste jaar van oprichting niet te voldoen aan deze programmatievoorwaarde.

2.1.5.3. Oprichting van de structuuronderdelen beeldende en audiovisuele cultuur, danscultuur, muziekcultuur, muziekgeschiedenis, woordkunst-dramacultuur

Elke academie die in het schooljaar 2017-2018 een hogere graad beeldende kunst, dans, muziek of woordkunst organiseerde, kan vanaf 1 september 2018 op één vestigingsplaats waar ze die graad organiseert, van start gaan met een kortlopende studierichting in het overeenkomstige domein. Hiervoor gelden geen programmatievoorwaarden.

graad van studierichting vóór 1 september 2018 

vrijstelling programmatieregelgeving voor vanaf 1 september 2018 voor één vestigingsplaats 

hogere graad beeldende kunst 

beeldende en audiovisuele cultuur 

hogere graad dans 

danscultuur 

hogere graad muziekgeschiedenis 

muziekcultuur, muziekgeschiedenis 

hogere graad woordkunst 

woordkunst-dramacultuur 

Het schoolbestuur moet de start ervan melden aan het schoolbeheerteam van AGODI via het formulier Melding van de oprichting van een kortlopende studierichting beeldende en audiovisuele cultuur, danscultuur, muziekcultuur, muziekgeschiedenis of woordkunst-dramacultuur in één vestigingsplaats van het deeltijds kunstonderwijs waarop slechts een vestigingsplaats wordt aangegeven.

De programmatieregelgeving is niet van toepassing op die eerste vestigingsplaats. Het structuuronderdeel moet wel voldoen aan de rationalisatienormen (zie 12. tabellen 3 en 4). De rationalisatienormen worden voor het eerst toegepast op de telling van 1 februari 2019.

Als het schoolbestuur het structuuronderdeel gelijktijdig of vervolgens op een of meer bijkomende vestigingsplaatsen wil oprichten, geldt de programmatieregelgeving wel, nl. de uitbreiding van een bestaand structuuronderdeel naar een nieuwe vestigingsplaats (zie 2.2.)

In het geval van beeldende en audiovisuele cultuur, danscultuur of woordkunst-dramacultuur moet het schoolbestuur wel steeds onderwijsbevoegdheid aanvragen (zie 10.4) omdat de opties van die studierichtingen geen tegenhanger hebben in de oude structuur.

Een academie die in het schooljaar 2017-2018 de optie algemene muziekcultuur van de middelbare graad of de optie muziekgeschiedenis van de hogere graad organiseerde, heeft onderwijsbevoegdheid verworven voor zowel de kortlopende studierichting muziekgeschiedenis als alle opties van de kortlopende studierichting muziekcultuur.

2.2. De uitbreiding van een bestaand structuuronderdeel naar een nieuwe vestigingsplaats

2.2.1. Aanvraagprocedure

Om een structuuronderdeel op een bijkomende vestigingsplaats op te richten moet een academie dat structuuronderdeel programmeren. Het schoolbestuur mailt het formulier Aanvraag tot erkenning en financiering of subsidiëring van een bestaand structuuronderdeel in een nieuwe vestigingsplaats van een academie voor deeltijds kunstonderwijs uiterlijk op 1 april voor het schooljaar waarin de oprichting start aan het schoolbeheerteam van AGODI deeltijdskunstonderwijs.agodi@vlaanderen.be. Voor oprichtingen die in het schooljaar 2018-2019 van start gaan is de uiterste indiendatum uitzonderlijk 30 april 2018.

Er gelden enkel programmatievoorwaarden. Het is overbodig om een inhoudelijke motivering bij de aanvraag te voegen.

Het schoolbestuur kan het structuuronderdeel oprichten op één of meer nieuwe vestigingsplaatsen. Dat kunnen vestigingsplaatsen zijn waar de academie al dko organiseert of nieuwe vestigingsplaatsen. Anders dan vóór het niveaudecreet speelt het geen enkele rol of die vestigingsplaats gelegen is in een gemeente waar de academie al dan niet al vestigingsplaatsen heeft. Het schoolbestuur kan per structuuronderdeel een onbeperkt aantal aanvragen voor verschillende nieuwe vestigingsplaatsen gelijktijdig indienen via hetzelfde aanvraagformulier.

Ieder structuuronderdeel is opgebouwd uit een aantal leerjaren. De oprichting gebeurt leerjaar per leerjaar, maar de leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kan het schoolbestuur wel gelijktijdig oprichten. Voor een aantal structuuronderdelen is het mogelijk om kortere of langere trajecten aan te bieden. Het schoolbestuur beslist autonoom om één of meer trajecten aan te bieden.

2.2.2. Voorwaarden bij de start van de oprichting

2.2.2.1. Erkenning, financierings- of subsidiëringsvoorwaarden

Enkel erkende, gefinancierde of gesubsidieerde academies kunnen een structuuronderdeel oprichten in een nieuwe vestigingsplaats. Een nieuwe academie kan dat vanaf haar tweede bestaansjaar. De erkenningsvoorwaarden voor academies zoals onder meer de voorwaarden inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid, het beschikken over voldoende didactisch materiaal en een aangepaste schooluitrusting enz. gelden ook meteen voor de nieuwe vestigingsplaats (zie 4.1.2.). De onderwijsinspectie controleert die voorwaarden tijdens de doorlichting. Bij een oprichting van een structuuronderdeel in nieuwe vestigingsplaats vindt er dus geen voorafgaandelijk onderzoek door de inspectie plaats.

Alle domeinen en structuuronderdelen die de academie organiseert, moeten op 1 februari voorafgaand aan het schooljaar van de oprichting de rationalisatienormen bereiken (zie 12. tabellen 1,2,3 en 4). De rationalisatienormen worden voor het eerst toegepast op basis van de telling van 1 februari 2019.

2.2.2.2. Programmatienorm

Op 1 oktober moeten er voldoende leerlingen les volgen in elke vestigingsplaats waar de oprichting van het structuuronderdeel plaats vindt. Een leerling telt mee als hij minstens één vak volgt in de vestigingsplaats in kwestie. Per structuuronderdeel zijn programmatienormen bepaald (zie tabellen 1,2,3 en 4).

Er gelden verschillen normen naargelang de vestigingsplaats gelegen is in een dichtbevolkte gemeente in het Vlaamse gewest of in een dunbevolkte gemeente in het Vlaamse gewest of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Een dunbevolkte gemeente heeft een bevolkingsdichtheid van minder dan 200 inwoners per km². De bevolkingsdichtheid van de gemeente is terug te vinden in de gemeente- en stadsmonitor van de Vlaamse overheid.

Het minimale leerlingenaantal wordt berekend door de programmatienorm te delen door het aantal leerjaren van dat structuuronderdeel en te vermenigvuldigen met het aantal leerjaren dat in het schooljaar in kwestie wordt opgericht.

Voor structuuronderdelen met meerdere trajecten, wordt gerekend met het theoretisch langste traject, ongeacht het traject dat het schoolbestuur effectief organiseert.

Bijvoorbeeld: een academie richt op vestigingsplaats x in een dichtbevolkte Vlaamse gemeente de derde graad het driejarige traject muziek op en start in het eerste oprichtingsjaar met het eerste leerjaar.

Het minimale leerlingenaantal bedraagt 8 : 4 x 1 = 2 leerlingen

Waarbij:

programmatienorm dichtbevolkte gemeente = 8

langste traject derde graad muziek = 4

aantal opgerichte leerjaren = 1

De afronding gebeurt naar het dichtstbijzijnde lagere geheel getal.

2.2.3. Voorwaarden tijdens de oprichtingsperiode

Ieder schooljaar moeten er voldoende leerlingen les volgen in elke vestigingsplaats waar het nieuwe structuuronderdeel wordt opgericht. Net als in het oprichtingsjaar wordt het minimale leerlingenaantal berekend door de programmatienorm te delen door het aantal leerjaren van dat structuuronderdeel en te vermenigvuldigen met het aantal leerjaren dat in het schooljaar in kwestie wordt opgericht.

Bijvoorbeeld: een academie richt op vestigingsplaats x in een dichtbevolkte Vlaamse gemeente de derde graad beeldende en audiovisuele kunsten het zesjarige traject voor jongeren op en heeft in het tweede oprichtingsjaar 2 leerjaren opgericht.

Het minimale leerlingenaantal bedraagt 21 : 7 x 2 = 6 leerlingen

Waarbij:

programmatienorm dichtbevolkte gemeente = 21

langste traject derde graad beeldende en audiovisuele kunsten jongeren = 7

aantal opgerichte leerjaren = 2

De afronding gebeurt naar het dichtstbijzijnde lagere geheel getal.

Als het structuuronderdeel in een bepaalde vestigingsplaats de norm niet haalt, kan de oprichting toch doorgaan als het structuuronderdeel in het voorgaande schooljaar de norm die toen van toepassing was wel gehaald heeft. Die regeling wordt ook wel het genadejaar genoemd. Als een structuuronderdeel twee schooljaren op rij de norm niet haalt, worden de leerlingen die er les volgen, niet langer meegeteld in de omkaderingsberekening voor het volgende schooljaar.

Op 1 oktober van het schooljaar waarin het schoolbestuur voor het eerst het hoogste leerjaar organiseert, moet de volledige programmatienorm van het structuuronderdeel behaald worden. De programmatie is dan voltooid.

Vanaf het schooljaar daarna gelden de rationalisatienormen (cf. 2.3.)

2.2.4. Vrijstelling van programmatie- en rationalisatienormen voor een bijzondere vestigingsplaats

De muziekinstrumenten orgel en beiaard worden vaak georganiseerd in een kerkgebouw, belfort of een ander historische gebouw waar het instrument niet verplaatst kan worden. In dergelijke atypische lesplaatsen volgen meestal maar enkele leerlingen les, waardoor het onmogelijk zou zijn om de programmatienorm te bereiken. Voor dergelijke vestigingsplaatsen gelden geen programmatie- en rationalisatienormen, op voorwaarde dat in die vestigingsplaats enkel de lessen orgel of beiaard gegeven worden. Orgel of beiaard zijn instrumentkeuzes die leerlingen kunnen maken in het vak instrument: klassiek of het vak instrument: oude muziek.

De aanvraagprocedure bij oprichting verloopt op dezelfde manier als de uitbreiding van een bestaand structuuronderdeel naar een bijkomende vestigingsplaats (zie 2.2.).

Het is niet uitgesloten dat een academie op die vestigingsplaats toch nog andere opleidingen wil organiseren. Dan verliest de vestigingsplaats de status van ‘bijzondere vestigingsplaats’ en zijn de programmatie- rationalisatienormen wel van toepassing. Het schoolbestuur moet de structuuronderdelen waartoe die opleiding behoort programmeren op die vestigingsplaats via de gangbare procedure (zie 2.1. of 2.2.).

2.3. Het behoud van structuuronderdelen

2.3.1. Erkenningsvoorwaarden en rationalisatienorm

De erkenningsvoorwaarden voor academies zoals onder meer de voorwaarden inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid, het beschikken over voldoende didactisch materiaal en een aangepaste schooluitrusting enz. blijven altijd en overal gelden: voor elk structuuronderdeel en elke vestigingsplaats (zie 4.1.2.). De onderwijsinspectie controleert die voorwaarden tijdens de doorlichting. Als er niet voldaan is aan de voorwaarden kan de inspectie de procedure tot opheffing van de erkenning starten en uiteindelijk aan de Vlaamse Regering adviseren om het structuuronderdeel in een of meer vestigingsplaatsen te sluiten.

Ieder schooljaar moet de academie op 1 februari een gemiddelde rationalisatienorm per structuuronderdeel over de vestigingsplaatsen heen halen, waar het structuuronderdeel volledig is opgericht. De rationalisatienormen zullen voor het eerst op 1 februari 2019 gecontroleerd worden.

Ook voor rationalisatienormen krijgt de academie een genadejaar. Indien de norm niet gehaald wordt, kan het structuuronderdeel op alle vestigingsplaatsen blijven bestaan, als de norm in het voorgaande schooljaar wel gehaald is. Als de academie de norm twee schooljaren op rij niet haalt, moet het schoolbestuur het structuuronderdeel stopzetten in een of meer vestigingsplaatsen. Het schoolbestuur beslist zelf in welke vestigingsplaats het structuuronderdeel verdwijnt.

Bijvoorbeeld de rationalisatienorm van het structuuronderdeel 2e graad beeldende en audiovisuele kunsten bedraagt 14 leerlingen. In academie X volgen in vestigingsplaats a 25 leerlingen les in dat structuuronderdeel, in vestigingsplaats b zijn er 5 leerlingen ingeschreven en in vestigingsplaats c 9 leerlingen. Het totaal van 39 wordt gedeeld door het aantal vestigingsplaatsen. 39: 3 =13. Het schoolbestuur heeft de keuze om een van de vestigingsplaatsen te sluiten zodat het met de overige vestigingsplaatsen de rationalisatienorm bereikt.

Als het schoolbestuur een of meer vestigingsplaatsen moet sluiten, kunnen de leerlingen er blijven les volgen tot het einde van het schooljaar. De leerlingen worden niet langer meegeteld in de telling van 1 februari voor de omkaderingsberekening voor het volgende schooljaar. AGODI brengt het schoolbestuur op de hoogte als een bepaald structuuronderdeel de norm niet haalt. Het schoolbestuur meldt in zijn antwoord in welke vestigingsplaatsen het structuuronderdeel volgend schooljaar niet langer georganiseerd zal worden.

2.3.2. Vrijstelling van rationalisatienormen voor structuuronderdelen dans, specialisatie, en structuuronderdelen van een academie in Voeren

In tegenstelling tot de andere domeinen organiseren academies het domein dans vaak maar op één locatie. Dans vergt een specifieke schoolinfrastructuur en uitrusting. Om te vermijden dat er blinde vlekken ontstaan zijn vestigingsplaatsen dans vrijgesteld van rationalisatienormen als zij op 15 km afstand liggen van het naburige dansaanbod. Die vestigingsplaats wordt niet meegenomen in de berekening van de rationalisatienorm van de overige vestigingsplaatsen.

Voor de structuuronderdelen specialisatie zijn er geen rationalisatienormen van toepassing.

Academies met hoofdvestigingsplaats in de gemeente Voeren zijn voor al hun vestigingsplaatsen vrijgesteld van de rationalisatie.

3. Oprichten en in stand houden van domeinen

3.1. De oprichting van een nieuw domein

3.1.1. Aanvraagprocedure

Om een nieuw domein op te richten, moet een academie dat domein programmeren. Het schoolbestuur mailt het formulier Aanvraag tot erkenning en financiering of subsidiëring van een nieuw domein in een academie voor deeltijds kunstonderwijs uiterlijk op 1 april voor het schooljaar waarin de oprichting start aan het schoolbeheerteam van AGODI deeltijdskunstonderwijs.agodi@vlaanderen.be. Voor oprichtingen die in het schooljaar 2018-2019 van start gaan, is de uiterste indiendatum uitzonderlijk 30 april 2018.

Het schoolbestuur kan het nieuwe domein oprichten op één of meer vestigingsplaatsen. Dat kunnen vestigingsplaatsen zijn waar de academie al dko organiseert of nieuwe vestigingsplaatsen. Het schoolbestuur kan de aanvraag voor een nieuw domein onbeperkt combineren met andere aanvragen, bijvoorbeeld nieuwe structuuronderdelen in de bestaande domeinen.

Een domein is opgebouwd uit structuuronderdelen. Het schoolbestuur moet minstens de eerste en tweede graad van een nieuw domein oprichten. Dat kan een domeinspecifieke eerste graad zijn of de domeinoverschrijdende initiatieopleiding of beide. Het schoolbestuur kan bovendien meteen ook de derde en vierde graad beginnen op te richten. De oprichting van de verschillende structuuronderdelen kan in hetzelfde schooljaar starten of elkaar opvolgen in verschillende schooljaren. In totaal duurt de oprichting van een nieuw domein maximaal zes schooljaren.

Ieder structuuronderdeel is opgebouwd uit een aantal leerjaren. Met uitzondering van de eerste graad, gebeurt de oprichting van elk structuuronderdeel leerjaar per leerjaar. Dat neemt niet weg dat de eerste graad ook leerjaar per leerjaar kan opgericht geworden.

Voor een aantal structuuronderdelen is het mogelijk om kortere of langere trajecten aan te bieden. Het schoolbestuur beslist autonoom om één of meer trajecten aan te bieden.

Voor de opties, en in het geval muziek muziekinstrumenten, die de leerlingen in het nieuwe domein zullen kunnen volgen, moet het schoolbestuur gelijktijdig met de programmatieaanvraag onderwijsbevoegdheid aanvragen (zie 10.4).

3.1.2. Bij de start van de oprichting

3.1.2.1. Erkenning, financierings- of subsidiëringsvoorwaarden

Enkel erkende, gefinancierde of gesubsidieerde academies kunnen een domein oprichten. Een nieuwe academie in oprichting kan dat vanaf haar tweede bestaansjaar. De erkenningsvoorwaarden voor academies zoals onder meer de voorwaarden inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid, het beschikken over voldoende didactisch materiaal en een aangepaste schooluitrusting enz. gelden ook meteen voor het nieuwe domein (zie 4.1.2.). De onderwijsinspectie controleert die voorwaarden tijdens de doorlichting.

Alle domeinen die de academie al organiseert, moeten op 1 februari voorafgaand aan het schooljaar van de oprichting de rationalisatienormen (zie 12. tabellen 1 en 2) bereiken. Voor een academie in oprichting is de teldag voor die rationalisatienorm 1 oktober.

De oprichting van een nieuw domein gaat steeds gepaard met de aanvraag tot onderwijsbevoegdheid van één of meer clusters van opties (zie 10.4).

3.1.2.2. Programmatienorm

Op 1 oktober moeten er voldoende leerlingen les volgen in het nieuwe domein. Per domein zijn programmatienormen bepaald (zie 12. tabellen 1 en 2). Er gelden verschillen normen naargelang de ligging van de academie. Een academie met minstens één vestigingsplaats in het Vlaamse gewest moet een hogere norm halen dan een academie waarvan alle vestigingsplaatsen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gelegen zijn.

Alle structuuronderdelen die het schoolbestuur in de oprichtingsperiode opstart, tellen mee voor het behalen van de programmatienorm.

Het minimale leerlingenaantal dat het nieuwe domein in een bepaald leerjaar moet tellen wordt berekend door de programmatienorm te delen door de som van het aantal leerjaren van de theoretisch langste trajecten van de verschillende structuuronderdelen in oprichting en dat getal vervolgens te vermenigvuldigen met het aantal leerjaren dat in het schooljaar in kwestie wordt opgericht.

De uitkomst wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde lagere geheel getal.

Domein 

som van langste trajecten bij oprichting van 4 structuuronderdelen 

leerlingen per leerjaar in Vlaams gewest 

leerlingen per leerjaar in tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad 

Beeldende en audiovisuele kunsten 

2+4+7+10 = 23 

300 : 23 = 13 

120 : 23 = 5 

Dans 

2+4+3+3= 12 

30 : 12 = 2 

12 : 12 = 1 

Muziek 

2+4+4+3= 13 

300 : 13 = 23 

120 : 13 = 9 

Woordkunst-drama 

2+4+3+3= 12 

80 : 12 = 6 

32 : 12 = 2 

Domein 

som van langste trajecten bij oprichting van 3 structuuronderdelen 

leerlingen per leerjaar in Vlaams gewest 

leerlingen per leerjaar in tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad 

Beeldende en audiovisuele kunsten 

2+4+7 = 13 

300 : 13 = 23 

120 : 13 = 9 

Dans 

2+4+3 = 9 

30 : 9 = 3 

12 : 9 = 1 

Muziek 

2+4+4 = 10 

300 : 10 = 30 

120 : 10 = 12 

Woordkunst-drama 

2+4+3 = 9 

80 : 9 = 8 

32 : 9 = 3  

Domein 

som van langste trajecten bij oprichting van 2 structuuronderdelen 

leerlingen per leerjaar in Vlaams gewest 

leerlingen per leerjaar in tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad 

beeldende en audiovisuele kunsten 

2+4 = 6 

300 : 6 = 50 

120 : 6 = 20 

Dans 

2+4 = 6 

30 : 6 = 5 

12 : 6 = 2 

Muziek 

2+4 = 6 

300 : 6 = 30 

120 : 6 =20 

Woordkunst-drama 

2+4 = 6 

80 : 6 = 15 

32 : 6 = 5 

Bijvoorbeeld: een academie gelegen in het Vlaams gewest richt in het eerste oprichtingsjaar de volgende leerjaren van de structuuronderdelen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten op:

  • eerste graad 1 leerjaar
  • tweede graad 1 leerjaar
  • derde graad 1 leerjaar
  • vierde graad 1 leerjaar

Het minimumaantal leerlingen bedraagt (300 : 23) x 4 = 52 leerlingen.

Waarbij:

programmatienorm domein beeldende en audiovisuele kunsten = 300

som van de langste trajecten van de structuuronderdelen = 2+4+7+10 = 23

aantal leerjaren in oprichting = 1+1+1+1 = 4

De berekening van de jaarlijkse programmatienorm op basis van het langste traject, heeft geen belang voor het traject dat het schoolbestuur effectief organiseert. Dat bepaalt het schoolbestuur zelf.

De programmatienorm is een globaal aantal. Het heeft geen belang of er in het ene opgerichte leerjaar meer leerlingen zitten dan in het andere.

3.1.3. Voorwaarden tijdens de oprichtingsperiode

Ieder schooljaar moeten er voldoende leerlingen les volgen in het nieuwe domein. Net als in het oprichtingsjaar wordt het minimale leerlingenaantal berekend door de programmatienorm te delen door de som van het aantal leerjaren van de theoretisch langste trajecten van de verschillende structuuronderdelen en dat getal vervolgens te vermenigvuldigen met het aantal leerjaren dat in het schooljaar in kwestie wordt opgericht.

Bijvoorbeeld: een academie gelegen in het Vlaams gewest richt in het derde oprichtingsjaar de volgende leerjaren van de structuuronderdelen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten op:

  • eerste graad 2 leerjaren
  • tweede graad 3 leerjaren
  • vierde graad 3 leerjaren

Het minimumaantal leerlingen bedraagt (300 : 16) x 8 =150 leerlingen.

Waarbij:

programmatienorm domein beeldende en audiovisuele kunsten = 300

som van de langste trajecten van de structuuronderdelen = 2+4+10 = 16

aantal leerjaren in oprichting = 2+3+3 = 8

Als het domein de norm niet haalt, kan de oprichting toch doorgaan als het domein in het voorgaande schooljaar de norm die toen van toepassing was wel gehaald heeft. Die regeling wordt ook wel het genadejaar genoemd. Als een domein in oprichting twee schooljaren op rij de norm niet haalt, worden de leerlingen die er les volgen, niet langer meegeteld in de omkaderingsberekening.

Op 1 oktober van het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode moet de volledige programmatienorm van het domein behaald worden. Het laatste schooljaar van oprichtingsperiode is het zesde schooljaar . Op dat moment moet d e academie minstens de volledige eerste graad en de volledige tweede graad organiseren . De programmatie is dan voltooid ongeacht of er nog andere structuuronderdelen van het domein in opbouw zijn.

3.1.4. De combinatie van oprichting van domeinen en de oprichting van structuuronderdelen

Alle structuuronderdelen op een of meer vestigingsplaatsen die een schoolbestuur in de oprichtingsperiode van het domein begint uit te bouwen, behoren tot de programmatie van het domein. De leerlingen die er les volgen, tellen mee voor het bereiken van de programmatienorm van het domein.

Structuuronderdelen waarvan nog niet alle leerjaren zijn opgericht op het einde van de oprichtingsperiode van het domein, worden beschouwd als structuuronderdelen in oprichting. Hiervoor gelden de programmatienormen voor structuuronderdelen. Als een schoolbestuur na het beëindigen van de oprichtingsperiode nog andere structuuronderdelen van het domein wil oprichten geldt de programmatieprocedure voor nieuwe structuuronderdelen (zie 2.1.). Als het schoolbestuur de structuuronderdelen in oprichting na het beëindigen van de oprichtingsperiode wil uitbreiden naar andere vestigingsplaatsen geldt de procedure voor de uitbreiding van een bestaand structuuronderdeel naar een nieuwe vestigingsplaats (zie 2.2.).

3.2. Het behoud van een domein: erkenningsvoorwaarden en rationalisatienorm

De erkenningsvoorwaarden voor academies zoals onder meer de voorwaarden inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid, het beschikken over voldoende didactisch materiaal en een aangepaste schooluitrusting enz. blijven altijd en overal gelden: voor elk domein en elke vestigingsplaats (zie 4.1.2.). De onderwijsinspectie controleert die voorwaarden tijdens de doorlichting. Als er niet voldaan is aan de voorwaarden kan de inspectie de procedure tot opheffing van de erkenning starten en uiteindelijk aan de Vlaamse Regering adviseren om het domein in een of meer vestigingsplaatsen te sluiten.

Na de oprichting moeten er voldoende leerlingen les blijven volgen in het domein. Ieder schooljaar moet de academie op 1 februari de rationalisatienorm van het domein over de vestigingsplaatsen heen halen.

Er gelden verschillen normen naargelang de ligging van de academie. Een academie met minstens één vestigingsplaats in het Vlaamse gewest moet een hogere norm halen dan een academie waarvan alle vestigingsplaatsen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gelegen zijn (zie 12. tabellen 1 en 2).

Ook voor rationalisatienorm van een domein krijgt de academie een genadejaar. Indien de norm niet gehaald wordt, kan het domein blijven bestaan, als de norm in het voorgaande schooljaar wel gehaald is. Als de academie de norm twee schooljaren op rij niet haalt, worden de leerlingen ervan niet meer meegeteld in de omkaderingsberekening voor het volgende schooljaar.

4. Oprichten en in stand houden van een academie

4.1. De oprichting van een nieuwe academie

4.1.1. Verschillende aspecten

Een erkende academie kan studiebewijzen uitreiken die door de Vlaamse Overheid erkend worden: bewijs van competenties, bewijs van beroepskwalificatie of een leerbewijs. Om ook personeels- en werkingsmiddelen te krijgen, moet de nieuwe academie voldoen aan de programmatievoorwaarden. Hoewel het juridisch gezien mogelijk is om enkel erkenning aan te vragen en de academie met eigen middelen te financieren, zullen de meeste schoolbesturen ervoor kiezen om de nieuwe academie zowel te laten erkennen als te laten financieren of subsidiëren door de Vlaamse Overheid. De omzendbrief gaat daarom uit van de meest voorkomende keuze.

De oprichtingsprocedure van een nieuwe academie combineert in dat geval de toets van de onderwijskwaliteit via een erkenningsprocedure met de programmatieprocedure van minstens één domein. Om in aanmerking te komen voor financiering of subsidiëring moet het schoolbestuur minstens al structuuronderdelen van het domein muziek of beeldende een audiovisuele kunsten oprichten, met uitzondering van de kortlopende studierichtingen en voldoende leerlingen halen, nl. de programmatienorm van het domein in kwestie (zie 12. tabellen 1 en 2).

Tegelijk moet de academie ook onderwijsbevoegdheid verwerven voor één of meer clusters van opties en in het geval van de optie klassiek in het domein muziek één of meer clusters van klassieke muziekinstrumenten (zie 10.4).

4.1.2. Erkenning

4.1.2.1. Aanvraagprocedure voorlopige erkenning

Bij de start van een nieuwe academie onderzoekt de onderwijsinspectie of de nieuwe academie voldoet aan de erkenningsvoorwaarden. Een aantal erkenningsvoorwaarden kan de inspectie maar beoordelen als de academie effectief operationeel is. Daarom verloopt de erkenning van een nieuwe academie in twee fasen: een voorlopige erkenning en een definitieve erkenning.

Om een voorlopige erkenning van een nieuwe academie aan te vragen, mailt het schoolbestuur het formulier Aanvraag tot voorlopige erkenning als academie voor deeltijds kunstonderwijs uiterlijk op 1 april voor het schooljaar waarin de oprichting start aan het schoolbeheerteam van AGODI deeltijdskunstonderwijs.agodi@vlaanderen.be. Voor oprichtingen die in het schooljaar 2018-2019 van start gaan is de uiterste indiendatum uitzonderlijk 30 april 2018.

Bij de start moet de academie meteen aan een aantal erkenningsvoorwaarden voldoen. De onderwijsinspectie controleert of de nieuw academie:

  • wordt georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur;
  • gevestigd is in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden voor de hygiëne, de veiligheid en de bewoonbaarheid, voldoen;
  • haar onderwijsaanbod organiseert volgens de structuur van het deeltijds kunstonderwijs zoals bepaald in hoofdstuk 3 van het niveaudecreet;
  • controle van de onderwijsinspectie toelaat;
  • in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de Rechten van de Mens en van het Kind in het bijzonder eerbiedigt.

De onderwijsinspectie zal aan de Vlaamse Regering een advies voorleggen om de nieuwe academie al dan niet voorlopige te erkennen. Een voorlopige erkenning geldt voor één schooljaar. De academie kan dan effectief van start gaan en verkrijgt ook financiering of subsidiëring. Voor de omkadering zullen de leerlingen op 1 oktober geteld worden.

4.1.2.2. Definitieve erkenning

Uiterlijk zes maanden na de start van het schooljaar waarin de academie voorlopig erkend wordt, voert de onderwijsinspectie een doorlichting uit. Naast de voorwaarden vermeld in 4.1.2.1. gaat de onderwijsinspectie ook na of de nieuwe academie:

  • een pedagogisch geheel vormt;
  • over voldoende didactisch materiaal en over een aangepaste schooluitrusting beschikt;
  • de taalregeling in het onderwijs en de taalkennis van het personeel naleeft;
  • het schooljaar organiseert zoals bepaald in het organisatiebesluit (afdeling 7 van hoofdstuk 3);
  • de einddoelen- en leerplannenregeling zoals bepaald in hoofdstuk 2 van het niveaudecreet naleeft;
  • een doeltreffend beleid inzake het rookverbod voert.

Om na te gaan of het didactische materiaal en de schooluitrusting voldoen om kwaliteitsvol onderwijs te organiseren, baseert de onderwijsinspectie zich op de leidraad schoolinfrastructuur en -uitrusting voor het deeltijds kunstonderwijs.

Voor het beleid inzake het rookverbod moet de academie voldoen aan de normen vermeld in artikel 4 van in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding. De academie zorgt ervoor dat alle personeelsleden en leerlingen en andere personen die de academie bezoeken, weten dat ze er niet mogen roken. De academie controleert of iedereen het verbod naleeft en legt overtreders sancties op. De mogelijke sancties zijn vermeld in het academie- en arbeidsreglement.

De doorlichting resulteert in een advies aan de Vlaamse Regering. De onderwijsinspectie kan adviseren om de nieuwe academie vanaf het volgende schooljaar te erkennen of niet te erkennen.

Van zodra het schoolbestuur op de hoogte is van de beslissing informeert het onmiddellijk de leerlingen en andere betrokken personen zoals de ouders.

4.1.3. Financiering of subsidiëring

4.1.3.1. Financiering of subsidiëringsvoorwaarden

Om in aanmerking te komen voor financiering en subsidiëring moet de nieuwe academie naast de erkenningsvoorwaarden (zie 4.1.2.) voldoen aan de programmatievoorwaarden (zie 4.1.3.2.) en beschikken over een inspraakbeleid rond de afstemming van het opleidingsaanbod en de werking van de academie op haar lokale culturele omgeving, in het bijzonder de amateurkunstbeoefening.

De academie kan zelf beslissen hoe zij die inspraak vorm geeft. Dat kan door het oprichten van een participatie-orgaan waaraan naast leerlingen en ouders ook andere geïnteresseerden van de lokale gemeenschap deelnemen. Maar er zijn ook andere mogelijkheden om signalen van de lokale kunstbeoefenaars op te vangen: een online platform, een enquête bij de inwoners van gemeenten waar de academie een vestigingsplaats wil organiseren.

4.1.3.2. Programmatieprocedure

De programmatieprocedure van een domein is van toepassing (zie 3.1.). De nieuwe academie kan enkel de opleidingen organiseren die in de gemeente waar de oprichting plaats vindt nog niet georganiseerd worden. Daardoor is ook niet mogelijk om vestigingsplaatsen te verzelfstandigen tot een academie of om een academie op te splitsen in twee afzonderlijke instellingen.

Om de financiering of subsidiëring van een nieuwe academie aan te vragen, mailt het schoolbestuur het formulier Aanvraag tot financiering of subsidiëring van een academie voor deeltijds kunstonderwijs uiterlijk op 1 april voor het schooljaar waarin de oprichting start aan het schoolbeheerteam van AGODI deeltijdskunstonderwijs.agodi@vlaanderen.be. Voor oprichtingen die in het schooljaar 2018-2019 van start gaan is de uiterste indiendatum uitzonderlijk 30 april 2018.

Ook de aanvraag van onderwijsbevoegdheid voor opties en muziekinstrumenten is van toepassing (zie 10.4).

In tegenstelling tot de programmatie van een bijkomend domein in een bestaande academie moet het schoolbestuur van een nieuwe academie alle graden van het domein oprichten. Het minimale leerlingenaantal dat de nieuwe academie jaarlijks op 1 oktober moet halen, wordt bijgevolg berekend op basis van een oprichting met 4 structuuronderdelen. De oprichtingsperiode waarin de academie jaarlijks een programmatienorm moet halen, duurt 12 schooljaren. Daarna geldt de rationalisatienorm.

In tegenstelling tot de overige programmaties geldt voor een nieuwe academie geen prefinanciering. De leerlingen die op 1 oktober geteld worden, leveren meteen omkadering op voor het lopende schooljaar als de academie minstens de tweede graad van het domein opricht in het oprichtingsjaar. Zolang de academie niet definitief erkend is, kunnen personeelsleden niet vast benoemd worden of geaffecteerd of gemuteerd worden naar de academie.

4.2. Behoud van een academie

De erkenningsvoorwaarden voor academies zoals onder meer de voorwaarden inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid, het beschikken over voldoende didactisch materiaal en een aangepaste schooluitrusting enz. blijven altijd en overal gelden: voor elk domein en elke vestigingsplaats (zie 4.1.2.). De onderwijsinspectie controleert die voorwaarden tijdens de doorlichting. Als er niet voldaan is aan de voorwaarden kan de inspectie de procedure tot opheffing van de erkenning starten en uiteindelijk aan de Vlaamse Regering adviseren om de academie geheel of gedeeltelijk te sluiten te sluiten.

Om verdere financiering of subsidiëring te genieten, moeten er na de oprichting voldoende leerlingen les blijven volgen in elk domein dat de academie organiseert. Ieder schooljaar moet de academie op 1 februari de rationalisatienorm van het domein (zie 12. tabellen 1 en 2) over de vestigingsplaatsen heen halen. Een leerling die in verschillende vestigingsplaatsen is ingeschreven, wordt maar één keer meegeteld.

Ook de voorwaarde inzake het inspraakbeleid (4.1.3.1.). De inspectie controleert die voorwaarde tijdens de doorlichting.

5. Overname van een academie door een ander of nieuw schoolbestuur

Bij een overname draagt een schoolbestuur al zijn bevoegdheden als inrichtende macht volledig over aan een ander schoolbestuur.

Noch voor de personeelsleden, noch voor de leerlingen mag de wijziging van schoolbestuur enige impact hebben. Alle beslissingen die het vorige schoolbestuur genomen heeft en hun gevolgen voor de rechten van personeelsleden en leerlingen, blijven geldig op het moment dat het nieuwe schoolbestuur zijn bevoegdheid opneemt.

Een overname kan volgens de regelgeving op elk moment van het schooljaar gebeuren. In het belang van de leerlingen en personeelsleden vindt de overdracht van bevoegdheden tussen de schoolbesturen het best plaats bij het begin van het schooljaar.

Gemeentes kiezen er soms voor om de bevoegdheden van een schoolbestuur samen uit te oefenen en creëren daarvoor een nieuwe rechtspersoon onder de vorm van een intergemeentelijke onderwijsvereniging of een opdrachthoudende vereniging. Het ministerie van Onderwijs en Vorming doet geen enkele uitspraak over de opportuniteit van die keuze, noch spreekt het zich uit over de juridische afhandeling ervan. Het ministerie gaat ervan uit dat de betrokken gemeentebesturen zich houden aan de bepalingen in de regelgeving over intergemeentelijke samenwerking.

Om een overname te melden, mailt het schoolbestuur het formulier Melding van een overname van een academie in het deeltijds kunstonderwijs uiterlijk op 28 februari voor het schooljaar waarin de overname plaats vindt aan het schoolbeheerteam van AGODI deeltijdskunstonderwijs.agodi@vlaanderen.be. Voor overnames die in het schooljaar 2018-2019 plaats vinden is de uiterste indiendatum uitzonderlijk 30 april 2018.

Meldingen zonder ondertekend protocol van het lokaal comité van zowel het schoolbestuur dat dat de academie overdraagt als het ontvangende schoolbestuur zijn niet ontvankelijk. Als een schoolbestuur door omstandigheden (geen samenstelling lokaal comité mogelijk, afgevaardigden komen niet opdagen, …) geen protocol van onderhandeling kan bezorgen, dan bevat de melding hiervoor een motivering gestaafd met bewijsstukken.

Alle personeelsleden behouden hun statuut en eerder verworven rechten die ze hebben opgebouwd bij het vorige schoolbestuur (cf. artikel 74 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding en de artikelen55vicies/8 en 56 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs)

6. Fusie van academies

Bij een fusie worden twee of meer academies samengevoegd tot één academie. Zowel academies van hetzelfde schoolbestuur als van verschillende schoolbesturen kunnen fusioneren. Een fusie kan een nieuwe academie opleveren met een nieuw instellingsnummer. Ofwel kan één van de academies de andere academie(s) opnemen. Dan blijft er één instellingsnummer over. Een fusie is geen programmatie; de betrokken schoolbesturen moeten de fusie enkel melden. De onderwijsbevoegdheid van de voormalige academies, blijft verworven voor de gefuseerde academie.

Om een fusie te melden, mailt het schoolbestuur het formulier Melding van een fusie in het deeltijds kunstonderwijs uiterlijk op 28 februari voor het schooljaar waarin de fusie plaats vindt aan het schoolbeheerteam van AGODI deeltijdskunstonderwijs.agodi@vlaanderen.be. Voor fusies die in het schooljaar 2018-2019 plaats vinden is de uiterste indiendatum uitzonderlijk 30 april 2018.

Meldingen zonder ondertekend protocol van het lokaal comité van de betrokken schoolbesturen zijn niet ontvankelijk. Als een schoolbestuur door omstandigheden (geen samenstelling lokaal comité mogelijk, afgevaardigden komen niet opdagen, …) geen protocol van onderhandeling kan bezorgen, dan bevat de melding hiervoor een motivering gestaafd met bewijsstukken.

De gefuseerde academie heeft recht op de som van de lestijdenpakketten van de academies waaruit ze ontstaan is.

De gefuseerde academie behoudt tijdelijk twee directeursambten. Een vastbenoemde directeur zal het organieke ambt van directeur bekleden, de andere directeur wordt aangesteld in een niet-organieke betrekking in het ambt van directeur. De reaffectatie- en wedertewerkstellingsverplichtingen vervallen voor deze niet-organieke betrekking. De niet-organieke betrekking van directeur kan enkel ingevuld worden door de persoon die directeur was op het moment van de fusie. Als die persoon de betrekking verlaat, verdwijnt het tweede directeursambt.

7. Overheveling van structuuronderdelen

7.1. Overhevelingsprocedure

Bij een overheveling draagt het schoolbestuur van de ene academie een of meer structuuronderdelen over naar een andere academie. Meestal zijn dat alle structuuronderdelen die op een bepaalde vestigingsplaats gelegen zijn, maar dat hoeft niet. Een schoolbestuur kan er even goed voor kiezen om maar een structuuronderdeel over te dragen en de overige zelf te behouden. De betrokken schoolbesturen bewaken wel de studiecontinuïteit van de leerlingen zodat er geen hiaat ontstaat in het leertraject. Een overheveling is geen programmatie; een van de betrokken schoolbesturen moet enkel melden dat de overheveling zal plaats vinden.

Om een overheveling te melden, mailt het schoolbestuur het formulier Melding van een overheveling in het deeltijds kunstonderwijs uiterlijk op 28 februari voor het schooljaar waarin de overheveling plaats vindt aan het schoolbeheerteam van AGODI deeltijdskunstonderwijs.agodi@vlaanderen.be. Voor een overheveling die in het schooljaar 2018-2019 plaats vindt, is de uiterste indiendatum uitzonderlijk 30 april 2018.

Meldingen zonder ondertekend protocol van het lokaal comité van zowel het schoolbestuur dat dat de structuuronderdelen overdraagt als het ontvangende schoolbestuur zijn niet ontvankelijk. Als een schoolbestuur door omstandigheden (geen samenstelling lokaal comité mogelijk, afgevaardigden komen niet opdagen, …) geen protocol van onderhandeling kan bezorgen, dan bevat de melding hiervoor een motivering gestaafd met bewijsstukken.

Als in het overgehevelde structuuronderdeel opties of muziekinstrumenten voorkomen, waarvoor de ontvangende academie geen onderwijsbevoegdheid heeft, moet het schoolbestuur van die academie daarvoor onderwijsbevoegdheid verwerven. Op basis van de indeling in clusters (zie bijlage 1) kan het schoolbestuur nagaan tot welke clusters het aanwezige opleidingsaanbod behoort. Daarvoor volgt het schoolbestuur de procedure aanvragen van onderwijsbevoegdheid (zie 10.4). Aangezien het gaat over een bestaand aanbod kan het schoolbestuur op basis daarvan de aanvraag opmaken.

Als een schoolbestuur structuuronderdelen overneemt van een domein dat het daarvoor niet organiseerde, is meteen de rationalisatienorm (zie 12. tabellen 1 en 2) voor dat domein van toepassing.

7.2. Overeenkomst tussen schoolbesturen in zake personeelsleden

Bij de overheveling van een vestigingsplaats sluiten de betrokken schoolbesturen een overeenkomst waarin zij opnemen wat er met de betrokken personeelsleden zal gebeuren (cf. artikel 56/1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en artikel 74bis 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding).

De schriftelijke overeenkomst houdt in dat het 'nieuwe' schoolbestuur al of niet bereid is om personeelsleden over te nemen. Als het bereid is om personeelsleden over te nemen, moeten de personeelsleden een keuze maken: overgaan of niet. Alleen personeelsleden die ermee instemmen, gaan dan mee over naar het andere schoolbestuur. Van de personeelsleden die overgenomen worden, worden de eerder verworven rechten gewaarborgd. De overeenkomst houdt minstens rekening met:

- de personeelsleden die in de vestigingsplaats tewerkgesteld zijn in het schooljaar voorafgaand aan de overheveling met de omvang van die tewerkstelling;

- de omvang van de omkadering die bij de overheveling betrokken is.

8. Verhuis

Een volledige academie of een of meer van haar vestigingsplaatsen kunnen definitief van adres wijzigen als alle leerlingen op hetzelfde moment naar het nieuwe adres verhuizen. Die beweging wordt niet beschouwd als een programmatie. Als een deel van de leerlingen op de oorspronkelijke locatie les blijven volgen, geldt wel de procedure voor uitbreiding van een structuuronderdeel naar een nieuwe vestigingsplaats.

Om een verhuis te melden, mailt het schoolbestuur het formulier Melding van een verhuizing of van het tijdelijk onderbrengen van leerlingen in een andere vestigingsplaats van het deeltijds kunstonderwijs aan het schoolbeheerteam van AGODI deeltijdskunstonderwijs.agodi@vlaanderen.be. uiterlijk op het tijdstip waarop het schoolbestuur de nieuwe vestigingsplaatsen in gebruik neemt.

Na de verhuis zijn de structuuronderdelen op de nieuwe vestigingsplaatsen even goed onderhevig aan de rationalisatienormen tenzij het structuuronderdeel nog in oprichting is. Dan gelden de programmatievoorwaarden (zie 12. tabellen 3 en 4).

9. Tijdelijk andere vestigingsplaats

Omwille van uitzonderlijke omstandigheden van tijdelijke aard zoals verbouwingswerken kan de Vlaamse Regering toelating geven om de leerlingen tijdelijk buiten de oorspronkelijke vestigingsplaats(en) onder te brengen.

Een tijdelijke huisvesting blijft beperkt in de tijd en kan nooit aanleiding geven om de locatie als een definitieve vestigingsplaats te beschouwen. Het gaat hierbij niet om een programmatie.

Om een tijdelijke onderbrenging te melden, mailt het schoolbestuur het formulier Melding van een verhuizing of van het tijdelijk onderbrengen van leerlingen in een andere vestigingsplaats van het deeltijds kunstonderwijs aan het schoolbeheerteam van AGODI deeltijdskunstonderwijs.agodi@vlaanderen.be uiterlijk op het tijdstip waarop het schoolbestuur de tijdelijke vestigingsplaats(en) in gebruik neemt.

10. Onderwijsbevoegdheid

10.1. Wat is het?

In de langlopende en de kortlopende studierichtingen voorziet het organisatiebesluit een ruime waaier van opleidingsmogelijkheden. Een opleiding is een bepaalde optie of in het geval van muziek de combinatie van een optie met een bepaald muziekinstrument. Onderwijsbevoegdheid is het recht voor een academie om een opleiding aan te bieden.

10.2. Hoe werkt het?

Om haar opleidingsaanbod uit te breiden moet een academie bijkomende onderwijsbevoegdheid verwerven. Om de planlast te beperken hoeft een schoolbestuur niet voor elke optie afzonderlijk een aanvraag in te dienen. Een academie verwerft onderwijsbevoegdheid voor clusters van opties (zie bijlage 1Clusters in functie van het aanvragen van onderwijsbevoegdheid). Clusters zijn groepen van inhoudelijk verwante opties. Binnen de cluster kan het schoolbestuur autonoom beslissen welke opties het aanbiedt of stopzet.

Een aantal opties worden beschouwd als unieke opties omdat er maar weinig leerlingen een dergelijke opleiding volgen. Daarvoor gelden bijkomende criteria om onderwijsbevoegdheid toe te staan.

De onderwijsbevoegdheid voor muziekinstrumenten is gekoppeld aan de onderwijsbevoegdheid voor de stijlgebonden opties. Als een academie onderwijsbevoegdheid verwerft voor de niet-klassieke opties zoals folk- en wereldmuziek, jazz-pop-rock of oude muziek heeft ze meteen ook onderwijsbevoegdheid voor het bijhorende instrumentarium met inbegrip van zang. Aan de optie klassiek zijn verschillende instrumentgroepen verbonden: snaarinstrumenten, toetseninstrumenten, blaasinstrumenten, slagwerk en zang. Een academie verwerft onderwijsbevoegdheid voor elk van die instrumentengroepen afzonderlijk.. De academie mag de instrumenten of zang waarvoor ze onderwijsbevoegdheid heeft verworven ook in de stijloverschrijdende opties van de eerste en tweede graad aanbieden.

Om cross-overs in de muziekopleiding mogelijk te maken kan een schoolbestuur onderwijsbevoegdheid aanvragen voor een afzonderlijk muziekinstrument van een andere optie of andere cluster van klassieke muziekinstrumenten. Op die manier kan een academie onderwijsbevoegdheid verwerven voor maximaal drie muziekinstrumenten van dezelfde cluster. Vanaf het vierde muziekinstrument moet het onderwijsbevoegdheid voor de hele cluster verwerven.

10.3. Verworven onderwijsbevoegdheid

10.3.1. Opties en muziekinstrumenten van de oude structuur

Het aanbod van opties en muziekinstrumenten dat een academie tijdens het schooljaar 2017-2018 organiseerde, wordt beschouwd als verworven. Daardoor hoeft het schoolbestuur geen onderwijsbevoegdheid aan te vragen voor de clusters waarvan de academie in het schooljaar 2017-2018 al minstens één optie organiseerde. Voor de instrumentgroepen die aan de optie klassiek zijn verbonden (snaarinstrumenten, toetseninstrumenten, blaasinstrumenten, slagwerk en zang) geldt hetzelfde principe: als de academie al één of meer instrumenten van een instrumentgroep organiseerde, heeft ze die instrumentgroep verworven. Academies melden de opties en instrumenten die ze effectief organiseren in een bepaald schooljaar via het document G – studieaanbod en vestigingsplaatsen. Dat is het laatste document van het dossier jaarlijkse inlichtingen en wordt in de loop van de maand juni bezorgd via de portaalsite Mijn Onderwijs.

Voorbeeld: een academie organiseerde in het schooljaar 2017-2018 de optie fotokunst. Ze heeft in 2018-2019 automatisch onderwijsbevoegdheid voor alle opties van cluster 4 van het domein beeldende en audiovisuele kunsten: animatiefilm, beeldverhaalatelier, digitaal beeldatelier, digitale beeldende kunst, fotokunst en video- en filmkunst. In de praktijk organiseert de academie in 2018-2019 de opties animatiefilm, fotokunst en video- en filmkunst. Die aanvulling van het studieaanbod meldt de academie op het document G van juni 2018. Vanaf het schooljaar 2019-2020 organiseert ze daarnaast ook nog digitaal beeldatelier en digitale beeldende kunst. De optie video- en filmkunst blijkt geen succes en wordt niet langer aangeboden. Die wijzigingen van het studieaanbod meldt de academie op het document G van juni 2019.

Een academie die in het schooljaar 2017-2018 een aantal muziekinstrumenten die tot het instrumentarium behoren van een bepaalde optie organiseerde, maar de tegenhanger van die optie in de oude structuur niet als dusdanig organiseerde heeft enkel onderwijsbevoegdheid voor de instrumenten in kwestie. Als de academie het instrumentarium wil uitbreiden, moet ze onderwijsbevoegdheid voor die optie vragen.

Voorbeeld: een academie organiseerde in het schooljaar 2017-2018 de instrumenten piano, alt saxofoon en trompet. Als zij de optie jazz-pop-rock wil organiseren en de bijhorende instrumenten, moet zij onderwijsbevoegdheid voor die optie verwerven. 

Oude muziek vormt hierop een uitzondering. Een academie die minstens vier barokinstrumenten organiseerde in het schooljaar 2017-2018 heeft wel onderwijsbevoegdheid verworven voor de optie oude muziek en het volledige instrumentarium ervan.

10.3.2. Domeinoverschrijdende initiatieopleiding

Voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding hoeft de academie geen aanvraag- en beslissingsprocedure te doorlopen. In het formulier Aanvraag tot erkenning en financiering of subsidiëring van een nieuw structuuronderdeel in een nieuwe of bestaande vestigingsplaats van een academie voor deeltijds kunstonderwijs meldt het schoolbestuur welke domeinen aan bod zullen komen. Dat kunnen domeinen zijn die de academie al organiseert of andere. Minstens twee domeinen moeten aan bod komen.

In een domeinoverschrijdende initiatieopleiding komen de verschillende domeinen op een gelijkwaardige manier aan bod (cf. artikel 3 19° van het niveaudecreet). Door het formulier voor de oprichting in te dienen, verbindt het schoolbestuur zich er toe om dat principe na te leven.

10.4. Aanvraagprocedure

Om onderwijsbevoegdheid voor een cluster van opties, en desgevallend bijhorende muziekinstrumenten, aan te vragen mailt het schoolbestuur het formulier Aanvraag van onderwijsbevoegdheid voor een cluster van opties of een unieke optie uiterlijk op 1 maart voor het schooljaar waarin de nieuwe opties of muziekinstrumenten van start gaan aan het schoolbeheerteam van AGODI deeltijdskunstonderwijs.agodi@vlaanderen.be. Voor oprichtingen die in het schooljaar 2018-2019 van start gaan is de uiterste indiendatum uitzonderlijk 30 april 2018.

Om onderwijsbevoegdheid voor een afzonderlijk muziekinstrument uit een andere optie of voor een bijkomende cluster klassieke muziekinstrumenten aan te vragen mailt het schoolbestuur het formulier Aanvraag van onderwijsbevoegdheid voor een cluster van klassieke muziekinstrumenten of een muziekinstrument uiterlijk op 1 maart voor het schooljaar waarin de nieuwe opties of muziekinstrumenten van start gaan aan het schoolbeheerteam van AGODI deeltijdskunstonderwijs.agodi@vlaanderen.be. Voor oprichtingen die in het schooljaar 2018-2019 van start gaan is de uiterste indiendatum uitzonderlijk 30 april 2018.

In principe bespreekt het schoolbestuur elke aanvraag tot onderwijsbevoegdheid met het betrokken onderwijspersoneel in het lokaal overlegcomité. Het resultaat van de bespreking wordt vastgelegd in een protocol van onderhandeling. Dat document is een onderdeel van de aanvraag en moet voldaan aan formele vereisten. Een correct protocol is gedagtekend, bevat een duidelijk standpunt en is ondertekend door de afvaardiging van de vakorganisaties en de afvaardiging van het schoolbestuur.

Aanvragen zonder ondertekend protocol van het lokaal comité van het aanvragende schoolbestuur zijn niet ontvankelijk. Als een schoolbestuur door omstandigheden (geen samenstelling lokaal comité mogelijk, afgevaardigden komen niet opdagen, …) geen protocol van onderhandeling kan bezorgen, dan bevat de aanvraag hiervoor een motivering gestaafd met bewijsstukken.

Een schoolbestuur kan verschillende aanvragen gelijktijdig indienen.

10.5. Inhoudelijke motivering van de aanvraag

10.5.1. Alle aanvragen

Een schoolbestuur verkrijgt onderwijsbevoegdheid op basis van een inhoudelijke kwaliteitstoets. Het aanvraagformulier bevat een veld om die inhoudelijke motivering beknopt uit te werken. Bij de beoordeling hanteren de verschillende adviesverleners de set criteria onderwijsbevoegdheid (zie 10.6.1.). Het is aangewezen om in de motivering vooral daarop te focussen. De aanvrager zelf kiezen of hij elk criterium afzonderlijk benadert, dan wel een globale motivering uitwerkt.

De volgende elementen moeten in elke aanvraag terug komen:

  • de visie van het schoolbestuur over vernieuwing en verbreding van het aanbod;

De adviesverleners gaan na of de aanvraag aansluit bij de visie van het schoolbestuur over de actualisering van het aanbod. Daarbij doen ze geen uitspraak over die visie op zich. Het schoolbestuur bepaalt zelf zijn doelstellingen en de manier waarop het die wil bereiken in relatie tot de sterktes en kansen in de werking van de academie.

  • een indicatie dat er een leerlingenpotentieel is voor de aangevraagde onderwijsbevoegdheid;

Nieuwe leerbehoeften kunnen zowel bij de leerlingen die al les volgen ontstaan als erbuiten, de amateurkunsten, de professionele kunsten. Ook hier bepaalt het schoolbestuur zelf hoe het die signalen capteert en in kaart brengt;

  • op de ingangsdatum voldoen aan de vereisten voor de infrastructuur en de leermiddelen;

Om kwaliteitsvol onderwijs te organiseren is een geschikte infrastuur nodig. Voor heel wat opties is bovendien een specifieke uitrusting nodig (bv. een zwevende dansvloer) of gelden er specifieke veiligheidsvoorschriften (bv. opslag van giftige stoffen).

Hoewel de opties van een cluster inhoudelijk verwant zijn, kan de specifieke uitrusting verschillen van optie tot optie. Het schoolbestuur focust in de aanvraag op de opties die het effectief gaat organiseren. De onderwijsinspectie kan met het oog op haar advies een onderzoek ter plekke voeren. In dat geval neemt de onderwijsinspectie zelf contact op met de academie;

Als het schoolbestuur beslist om later het aanbod te vervolledigen, moet het ook de schoolinfrastructuur en –uitrusting daarop afstemmen. De onderwijsinspectie controleert die voorwaarden tijdens de doorlichting.

10.5.2. Aanvragen voor een unieke optie

Naast de hierboven vermelde elementen in 10.5.1. bevat de motivering ook een onderzoek naar de aansluitingsmogelijkheden tussen de unieke en het lokale of regionale culturele erfgoed. De optie kan verband houden met een bepaalde nijverheid die in een stad of streek aanwezig was of muziekbeoefening die kenmerkend is voor een bepaalde streek.

Voor unieke opties die verwijzen naar meer recente kunstuitingen kan de aanvrager de lokale verankering aantonen door te verwijzen naar de actuele amateurkunstbeoefening in de stad of regio waar de academie gelegen is.

10.5.3. Aanvragen voor een nog niet bestaande optie of muziekinstrument

Een schoolbestuur kan soepel inspelen op nieuwe opleidingsbehoeften door onderwijsbevoegdheid aan te vragen voor een optie of muziekinstrument dat tot dan toe nog niet voorkomt in het organisatiebesluit. Die werkwijze vervangt de omslachtige procedure van de tijdelijke projecten van vóór het niveaudecreet.

Als de Vlaamse Regering de aanvraag goedkeurt, is de nieuwe optie of het nieuwe instrument meteen definitief verworven voor de academie in kwestie. Of de nieuwe optie of het nieuwe muziekinstrument vervolgens ingeschreven wordt in het organisatiebesluit is een beslissing van de Vlaamse Regering.

Naast de hierboven vermelde elementen in 10.5.1. speelt de motivering in op minstens drie beslissingscriteria die de adviescommissie zal hanteren.

  • de nieuwe optie of het nieuwe muziekinstrument verschilt wezenlijk van het bestaande aanbod

Het schoolbestuur toont aan dat de inhoud die het voor ogen heeft niet kan ondergebracht worden in een van de bestaande opties of muziekinstrumenten. Een inhoudelijke variant van een bestaande optie of een verwant muziekinstrument wordt niet beschouwd als een nieuwe optie of muziekinstrument. De nieuwe optie moet uiteraard passen in de decretale opdracht van het deeltijds kunstonderwijs zoals vermeld in artikel 4 van het niveaudecreet. De inhoud moet ook voldoende ruim zijn om een volledige opleiding te bestrijken. Heel wat nieuwe artistieke of technologische evoluties kunnen perfect in de bestaande vakken van de bestaande opties aan bod komen.

  • de leerbehoefte die werd vastgesteld met het oog op hetzij vervolgonderwijs, hetzij kunstbeoefening in de vrije tijd of op de arbeidsmarkt;

De nieuwe optie of het nieuwe instrument speelt in op opleidingsbehoeften die zich manifesteren in maatschappelijke sectoren waar dko-afgestudeerden terecht komen zoals noden in de creatieve industrie, nieuwe tendensen in de amateurkunsten of de professionele kunsten, het hoger kunstonderwijs;

  • de nieuwe optie, vak of muziekinstrument heeft een potentieel om nieuwe doelgroepen te bereiken;

De mate waarin een nieuwe optie of muziekinstrument erin slaagt om een nieuw publiek te bereiken, vormt een element om de maatschappelijke relevantie ervan te beoordelen. Bepaalde groepen jongeren en volwassenen volgen vandaag geen dko-opleiding omdat ze zich te weinig herkennen in het bestaande aanbod. Opleidingen en keuzemogelijkheden die aansluiten bij niet-westerse cultuuruitingen of bij jongeren(sub)culturen kunnen bijdragen tot een meer divers leerlingenpubliek.

  • de mate waarin de aangevraagde optie of het aangevraagde vak of muziekinstrument inspeelt op een actuele tendens in de kunsten of bijdraagt tot het bewaren van het immaterieel cultureel erfgoed in Vlaanderen door nieuwe restauratietechnieken of inzichten over de uitvoeringspraktijk.

De nieuwe optie of het nieuwe muziekinstrument heeft een innovatief karakter. Ze houdt verband met kunstactualiteit in Vlaanderen of ze speelt in op nieuwe inzichten om het Vlaamse culturele erfgoed te bewaren en levendig te houden. In het geval van de beeldende en audiovisuele kunsten speelt de nieuwe optie in op bijvoorbeeld nieuwe restauratietechnieken. In het geval van de podiumkunsten kunnen bijvoorbeeld nieuwe uitvoeringspraktijken aan de basis liggen van de nieuwe optie of het nieuwe muziekinstrument.

10.6. Beslissingsprocedure

10.6.1. Bestaande opties en muziekinstrumenten

Zowel de Vlaamse Onderwijsraad als een adviescommissie bestaande uit ambtenaren van het Departement Onderwijs en Vorming en AGODI en de onderwijsinspectie geven aan de minister een advies om de gevraagde onderwijsbevoegdheid al dan niet te verlenen. Over aanvragen voor bestaande clusters door Brusselse academies verleent ook het samenwerkingsforum Brussel een advies.

De adviescommissie hanteert de volgende criteria:

  • de nieuw aangevraagde onderwijsbevoegdheid sluit aan bij de visie van het schoolbestuur over vernieuwing en verbreding van het aanbod;
  • er is een indicatie dat er een potentieel aan leerlingen bestaat voor de nieuw aangevraagde onderwijsbevoegdheid;
  • de academie beschikt op de ingangsdatum over de nodige infrastructuur en expertise voor de organisatie van de nieuw aangevraagde onderwijsbevoegdheid.

De Vlaamse Onderwijsraad en het Samenwerkingsforum kunnen hun eigen set beoordelingscriteria uitwerken.

In het geval van een unieke optie bewaakt de adviescommissie de rationele spreiding. Er kunnen maximaal 5 academies in één provincie een unieke optie organiseren. De minister kan wel een afwijking verlenen.

Op basis van al die adviezen neemt de minister een beslissing vóór 15 mei. Voor aanvragen met ingangsdatum 1 september 2018 is dat ten laatste 30 augustus 2018.

10.6.2. Nieuwe opties en muziekinstrumenten

Zowel de Vlaamse Onderwijsraad als een adviescommissie bestaande uit ambtenaren van het Departement Onderwijs en Vorming en AGODI en de onderwijsinspectie geven aan de minister een advies om de gevraagde onderwijsbevoegdheid al dan niet te verlenen.

  • De adviescommissie hanteert de volgende criteria:
  • de mate waarin de aangevraagde optie of het aangevraagde vak of muziekinstrument zich onderscheidt van het bestaande aanbod;
  • de leerbehoefte die werd vastgesteld met het oog op hetzij vervolgonderwijs, hetzij kunstbeoefening in de vrije tijd of op de arbeidsmarkt;
  • de mate waarin de aangevraagde optie of het aangevraagde vak of muziekinstrument het potentieel heeft om nieuwe doelgroepen te bereiken;
  • de mate waarin de aangevraagde optie of het aangevraagde vak of muziekinstrument inspeelt op een actuele tendens in de kunsten of bijdraagt tot het bewaren van het immaterieel cultureel erfgoed in Vlaanderen door nieuwe restauratietechnieken of inzichten over de uitvoeringspraktijk.

Als aan minstens drie van de vier criteria werd voldaan, kan de adviescommissie een gunstig advies verlenen.

De Vlaamse Onderwijsraad kan zijn eigen set beoordelingscriteria uitwerken.

Op basis van de beide adviezen neemt de Vlaamse Regering een beslissing. Daarvoor is er geen deadline voorzien in de regelgeving.

10.7. Draagwijdte en verlies van onderwijsbevoegdheid

Een schoolbestuur kan de onderwijsbevoegdheid uitsluitend uitoefenen in de structuuronderdelen op vestigingsplaatsen die het al eerder heeft opgericht of waarvan de programmatie gestart is. Die structuuronderdelen moeten voldoen aan de rationalisatienorm of de programmatienormen, als ze nog in oprichting zijn.

Dat geldt ook voor clusters die opties bevatten die in meer graden georganiseerd kunnen worden of zowel in langlopende als kortlopende studierichtingen voorkomen.

Bijvoorbeeld: alle opties van de 4e graad muziek kunnen ook in de kortlopende studierichting specialisatie muziek aangeboden worden. Een academie die nog geen kortlopende studierichting specialisatie heeft opgericht, kan de cluster enkel in de 4e graad organiseren.

Als een academie onderwijsbevoegdheid heeft verworven, moet het één of meer opties of muziekinstrumenten die tot die cluster behoren ook effectief organiseren.

Een academie die gedurende twee opeenvolgende schooljaren geen enkele optie organiseert van een bepaalde cluster van opties of unieke opties of klassieke muziekinstrumenten, verliest vanaf het daaropvolgende schooljaar de onderwijsbevoegdheid voor die cluster van opties of unieke opties.

11. Kunstacademie

Een kunstacademie organiseert minstens drie domeinen waaronder beeldende en audiovisuele kunsten en muziek. De voorwaarden om een kunstacademie te vormen zijn versoepeld in het niveaudecreet: de startnormen inzake bevolkingsaantal en aantal leerplichtige inwoners zijn verlaten. Ook de procedure wordt minder omslachtig. Het schoolbestuur hoeft niet langer een inhoudelijke motivering uit te werken.

Kunstacademies kunnen op verschillende manier tot stand komen:

  • oprichting van een domein, vrijwel altijd beeldende en audiovisuele kunsten in een academie met het domein muziek;
  • fusie van bestaande academies podiumkunsten en beeldende en audiovisuele kunsten;
  • overheveling van structuuronderdelen van een complementair domein;
  • oprichting van een nieuwe academie met de domeinen muziek, beeldende en audiovisuele kunsten in combinatie met dans en/of woordkunst-drama.

Al naargelang de manier waarop de kunstacademie tot stand komt, is er een andere meldings- of programmatieprocedure van toepassing. Hieronder een overzicht:

  • oprichting van domein: programmatie van een domein (zie 3.1.) + aanvraag van onderwijsbevoegdheid (zie 10.4.);
  • fusie: melding (zie 6.);
  • overheveling van structuuronderdelen: melding (zie 7.) + aanvraag van onderwijsbevoegdheid (zie 10.4.);
  • oprichting van een nieuwe academie: erkenning (zie 4.1.2. + programmatie van een nieuwe academie (zie 4.1.3.) + programmatie van twee domeinen (zie 3.1.) + aanvraag onderwijsbevoegdheid (zie 10.4.).

Vóór het niveaudecreet konden kunstacademies ook ontstaan door de verzelfstandiging van complementaire filialen die zich van de hoofdinstelling hadden afgescheurd. Die mogelijkheid is niet langer voorzien.

Een kunstacademie, die niet ontstaan is door fusie of die in geval van fusie maar een vastbenoemde directeur behoudt, heeft recht op 20 extra lestijden voor beleidsondersteuning als ze in haar geheel minstens 400 leerlingen telt. Onder dat minimum krijgt de kunstacademie 1 lestijd per volledige schijf van 20 leerlingen. Die lestijden worden onmiddellijk bij de start van de kunstacademie toegekend. Een betrekking die met deze lestijden voor beleidsondersteuning opgericht wordt, moet gelijkgesteld worden met het ambt leraar en een vak, in functie van de bekwaamheidsbewijzen waar het personeelslid over beschikt. De bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen voor dat ambt en vak zijn dan van toepassing.


12. Tabellen

  • Tabel 1: Overzicht van programmatienormen en rationalisatienormen per domein in het Vlaamse gewest

 

programmatienorm 

rationalisatienorm 

Beeldende en audiovisuele kunsten 

300 

150 

Dans 

30 

15 

Muziek 

300 

150 

Woordkunst-drama 

80 

40 

Tabel 2:Overzicht van programmatienormen en rationalisatienormen per domein in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad

 

programmatienorm 

rationalisatienorm 

Beeldende en audiovisuele kunsten 

120 

60 

Dans 

12 

Muziek 

120 

60 

Woordkunst-drama 

32 

16 

Tabel 3: Overzicht van programmatienormen, rationalisatienormen per structuuronderdeel gelegen in een vestigingsplaats in een dichtbevolkte gemeente in het Vlaamse gewest

 

programmatienorm 

rationalisatienorm 

1e graad domeinoverschrijdende initiatieopleiding: 2 leerjaren 

15 

15 

Beeldende en audiovisuele kunsten 

programmatienorm 

rationalisatienorm 

1e graad: 2 leerjaren 

14 

14 

2e graad: 4 leerjaren 

21 

14 

3e graad voor jongeren: 6 leerjaren 

21 

14 

3e graad voor volwassenen: 2 leerjaren 

21 

14 

4e graad: 10, 5 of 4 leerjaren 

42 

14 

specialisatie: 2 leerjaren 

niet van toepassing 

niet van toepassing 

beeldende en audiovisuele cultuur: 3 leerjaren 

24 

Dans 

programmatienorm 

rationalisatienorm 

1e graad: 2 leerjaren 

2e graad: 4 of 2 leerjaren 

12 

3e graad: 3 leerjaren 

12 

4e graad: 3 leerjaren 

12 

specialisatie: 2 leerjaren 

niet van toepassing 

niet van toepassing 

danscultuur: 3 leerjaren 

24 

Muziek 

programmatienorm 

rationalisatienorm 

1e graad: 2 leerjaren 

15 

15 

2e graad: 4 leerjaren 

11 

3e graad: 4 of 3 leerjaren 

4e graad: 3 leerjaren 

specialisatie: 2 leerjaren 

niet van toepassing 

niet van toepassing 

muziekcultuur: 3 leerjaren 

24 

muziekgeschiedens: 3 leerjaren 

24 

Woordkunst-drama 

programmatienorm 

rationalisatienorm 

1e graad: 2 leerjaren 

15 

15 

2e graad: 4 of 2 leerjaren 

21 

14 

3e graad: 3 leerjaren 

11 

4e graad: 3 leerjaren 

specialisatie: 2 leerjaren 

niet van toepassing 

niet van toepassing 

woordkunst- en dramacultuur: 3 leerjaren 

24 

schrijver : 3 leerjaren 

Tabel 4:Overzicht van programmatienormen, rationalisatienormen per structuuronderdeel gelegen in een vestigingsplaats in een dunbevolkte gemeente in het Vlaamse gewest of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad

 

programmatienorm 

rationalisatienorm 

1e graad domeinoverschrijdende initiatieopleiding: 2 leerjaren 

11 

11 

Beeldende en audiovisuele kunsten 

programmatienorm 

rationalisatienorm 

1e graad: 2 leerjaren 

10 

10 

2e graad: 4 leerjaren 

15 

10 

3e graad voor jongeren: 6 leerjaren 

15 

10 

3e graad voor volwassenen: 2 leerjaren 

15 

10 

4e graad: 10, 5 of 4 leerjaren 

29 

10 

specialisatie: 2 leerjaren 

niet van toepassing 

niet van toepassing 

beeldende en audiovisuele cultuur: 3 leerjaren 

 

17 

Dans 

programmatienorm 

rationalisatienorm 

1e graad: 2 leerjaren 

2e graad: 4 of 2 leerjaren 

3e graad: 3 leerjaren 

4e graad: 3 leerjaren 

specialisatie: : 2 leerjaren 

niet van toepassing 

niet van toepassing 

danscultuur: 3 leerjaren 

17 

Muziek 

programmatienorm 

rationalisatienorm 

1e graad: 2 leerjaren 

11 

11 

2e graad: 4 leerjaren 

3e graad: 4 of 3 leerjaren 

4e graad: 3 leerjaren 

specialisatie: 2 leerjaren 

niet van toepassing 

niet van toepassing 

muziekcultuur: 3 leerjaren 

17 

muziekgeschiedens: 3 leerjaren 

17 

Woordkunst-drama 

programmatienorm 

rationalisatienorm 

1e graad: 2 leerjaren 

11 

11 

2e graad: 4 of 2 leerjaren 

15 

10 

3e graad: 3 leerjaren 

4e graad: 3 leerjaren 

specialisatie: 2 leerjaren 

niet van toepassing 

niet van toepassing 

woordkunst- en dramacultuur: 3 leerjaren 

schrijver : 3 leerjaren 


Tabel 5: concordantie domeinen en structuuronderdelen

Vóór het niveaudecreet 

Niveaudecreet 

studierichting beeldende kunst 

domein beeldende en audiovisuele kunsten 

lagere graad 1e en 2e leerjaar 

eerste graad beeldende en audiovisuele kunsten 

lagere graad 3e t.e.m. 6e leerjaar 

tweede graad beeldende en audiovisuele kunsten 

middelbare graad 1e t.e.m. 6e leerjaar 

derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor jongeren 

middelbare graad 5e en 6e leerjaar 

derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen 

hogere graad 1e t.e.m. 4e of 5e leerjaar 

vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten 

specialisatiegraad 1e en 2e leerjaar 

specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten 

beeldende en audiovisuele cultuur 

Vóór het niveaudecreet 

Niveaudecreet 

studierichting dans 

domein dans 

lagere graad 1e en 2e leerjaar 

eerste graad dans 

lagere graad 3e t.e.m. 6e leerjaar 

tweede graad dans 

middelbare graad 1e t.e.m. 3e leerjaar 

derde graad dans 

hogere graad 1e t.e.m. 3e leerjaar 

vierde graad dans 

specialisatie dans 

danscultuur 

Vóór het niveaudecreet 

Niveaudecreet 

studierichting muziek 

domein muziek 

eerste graad muziek 

lagere graad sectie jongeren 1e t.e.m. 4e leerjaar 

tweede graad muziek voor jongeren 

lagere graad sectie volwassenen 1e t.e.m. 3e leerjaar 

tweede graad muziek voor volwassenen 

middelbare graad 1e t.e.m. 3e leerjaar 

derde graad muziek 

hogere graad 1e t.e.m. 3e leerjaar 

vierde graad muziek 

specialisatie muziek 

middelbare graad optie algemene muziekcultuur/ luisterpraktijk 1e t.e.m. 3e leerjaar 

muziekcultuur 

hogere graad optie muziekgeschiedenis 1e t.e.m. 3e leerjaar 

muziekgeschiedenis 

Vóór het niveaudecreet 

Niveaudecreet 

studierichting woordkunst 

domein woordkunst-drama 

eerste graad woordkunst-drama 

lagere graad 1e t.e.m. 4e leerjaar 

tweede graad woordkunst-drama 

middelbare graad 1e t.e.m. 3e leerjaar 

derde graad woordkunst-drama 

hogere graad 1e t.e.m. 3e leerjaar 

vierde graad woordkunst-drama 

specialisatie woordkunst-drama 

woordkunst-dramacultuur 

hogere graad optie literaire creatie 1e t.e.m. 3e leerjaar 

schrijver 

13. Bijlagen

Bijlage 1 - Concordantietabel opties en muziekinstrumenten

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11197 (doc. nr. 11197)

Bijlage 2 - Clusters in functie van het aanvragen van onderwijsbevoegdheid

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11198 (doc. nr. 11198)

Bijlage 3 - Aanvraag tot voorlopige erkenning als academie voor deeltijds kunstonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11210 (doc. nr. 11210)

Bijlage 4 - Aanvraag tot erkenning en financiering of subsidiëring van een academie voor deeltijds kunstonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11209 (doc. nr. 11209)

Bijlage 5 - Aanvraag tot erkenning en financiering of subsidiëring van een nieuw domein in een academie voor deeltijds kunstonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11208 (doc. nr. 11208)

Bijlage 6 - Aanvraag tot erkenning en financiering of subsidiëring van een nieuw structuuronderdeel in een of meer nieuwe of bestaande vestigingsplaatsen van een academie voor deeltijds kunstonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11207 (doc. nr. 11207)

Bijlage 7 - Aanvraag tot erkenning en financiering of subsidiëring van een bestaand structuuronderdeel in een of meer nieuwe vestigingsplaatsen van een academie voor deeltijds kunstonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11206 (doc. nr. 11206)

Bijlage 8 - Aanvraag van onderwijsbevoegdheid voor een cluster van opties of een unieke optie

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11205 (doc. nr. 11205)

Bijlage 9 - Aanvraag van onderwijsbevoegdheid voor een cluster van klassieke muziekinstrumenten of een muziekinstrument

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11204 (doc. nr. 11204)

Bijlage 10 - Melding van een fusie in het deeltijds kunstonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11203 (doc. nr. 11203)

Bijlage 11 - Melding van een overheveling in het deeltijds kunstonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11202 (doc. nr. 11202)

Bijlage 12 - Melding van een verhuizing of van het tijdelijk onderbrengen van leerlingen in een andere vestigingsplaats van het deeltijds kunstonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11201 (doc. nr. 11201)

Bijlage 13 - Melding van de overname van een academie in het deeltijds kunstonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11200 (doc. nr. 11200)

Bijlage 14 - Melding van de oprichting van een kortlopende studierichting beeldende en audiovisuele cultuur, danscultuur, muziekcultuur, muziekgeschiedenis of woordkunst-dramacultuur in één vestigingsplaats van een academie voor deeltijds kunstonderwijs

http://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestand.ashx?nr=11199 (doc. nr. 11199)