Omkaderingsberekening en personeelsformatie in het deeltijds kunstonderwijs

  • referentie
    DKO/2018/04
  • publicatiedatum
    31/05/2018
  • datum laatste wijziging
    11/06/2018
  • wettelijke basis
    Decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs
  • wettelijke basis
    Besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2018 betreffende het opleidingsaanbod, de organisatie, de personeelsformatie, de inning van het inschrijvingsgeld en de certificering van het deeltijds kunstonderwijs (organisatiebesluit)
  • contactpersoon
    ,
  • Berekening administratieve omkaderingseenheden
  • Berekening directeursambt
  • Berekening lestijden onderwijzend personeel
  • Financierbare leerlingen
  • Herinstroom
  • Inzetten van lestijden
  • Leeractiviteiten op maat
  • Lestijden beleidsondersteuning kunstacademies
  • Muzikale begeleiding
  • Overzitten
  • Pedagogische coördinatie
  • Personeelsformatie
  • Solidariteitsfactor
  • Voordrachtgevers
  • Wegingsfactor Brussel
  • Wegingsfactor dunbevolkt
  • Wegingsfactor overzitters
  • Wegingsfactor vrijstelling van een vak

mailto:infolijnonderwijs@vlaanderen.be

Johan Krygelmans, 02 553 89 74

Ingrid Leys , 02 553 92 43

Jos Thys , 02 553 92 27

1. Berekening van de lestijden: omkadering onderwijzend personeel

1.1. Omkaderingsberekening voor het schooljaar 2018-2019

De berekening gebeurt net als vóór het niveaudecreet op basis van de leerlingen op 1 februari 2018 en maakt gebruik van de rekenregels die toen van toepassing waren: omkaderingscoëfficiënten, aanwendingspercentage.

Leerlingen die op die datum een opleiding in een tijdelijke project volgen, tellen ook mee. De specifieke regels die voor de omkadering van dat project gelden, zijn van toepassing.

De volgende tijdelijke projecten waarin academies samenwerken met scholen lopen nog door in het schooljaar 2018-2019:

- indimalimexchi.co;

- kunstinitiatie;

- muzische vorming;

- passe-partout.

De academie kan de lestijden die berekend zijn op basis van de leerlingen van de lagere en middelbare graad inzetten in de 1e, 2e en 3e graad. De lestijden die berekend zijn op basis van de leerlingen van de hogere graad en de specialisatiegraad kan ze inzetten in de 4e graad en de kortlopende studierichtingen. De regels over de aanwending van de lestijden, met daarin de

afbakening tussen de domeinen blijven geldig. Dat betekent:

  • lestijden van het domein beeldende en audiovisuele kunsten, kunnen enkel in dat domein ingezet worden.
  • lestijden die leerlingen van de domeinen dans, muziek en woordkunst-drama opleveren, kunnen onderling worden uitgewisseld, maar  niet in beeldende en audiovisuele kunsten worden ingezet.

1.2. Omkaderingsberekening vanaf het schooljaar 2019-2020

Elk schooljaar krijgt de academie een pakket lestijden waarmee ze leerkrachten kan aanstellen. Op 1 februari worden de leerlingen geteld om omkadering voor het volgende schooljaar te berekenen.

Een nieuwe academie vormt daarop een uitzondering. Zij krijgt lestijden op basis van de leerlingen die er op 1 oktober van het lopende schooljaar les volgen.

De Vlaamse Overheid gebruikt de volgende rekenfactoren om de lestijden te berekenen:

  • financierbare leerlingen,
  • wegingsfactoren,
  • omkaderingscoëfficiënten,
  • solidariteitsfactor.

Voor elke leerling krijgt een academie meer omkadering, er is geen aftopping of degressiviteit.

1.3. Welke leerlingen tellen mee voor de omkaderingsberekening?

1.3.1. Voorwaarden financierbare leerling

Leerling die aan al de volgende voorwaarden voldoen, tellen mee voor de omkaderingsberekening en zijn dus financierbaar.

De leerling:

  • volgt les in een graad van een domein of in de domeinoverschrijdende initiatieopleiding of in een kortlopende studierichting van een domein.

  • is een regelmatige leerling, want hij:
  • voldoet aan de toelatingsvoorwaarden (zie omzendbrief inschrijvingen en toelatingsvoorwaarden in het deeltijds kunstonderwijs);
  • heeft het inschrijvingsgeld betaald;

  • volgt alle vakken van het lessenrooster, dat de academie voor die opleiding heeft opgesteld, tenzij hij vrijgesteld is;

  • is in de periode van het begin het schooljaar tot 1 februari niet meer dan een derde van de lessen van het lessenrooster van zijn opleiding ongewettigd afwezig geweest. Het schoolbestuur bepaalt zelf de gewettigde redenen voor afwezigheid en neemt ze op in het academiereglement. De verificatie zal nagaan of de redenen die de leerling opgeeft, overeenstemmen met die gewettigde redenen in het academiereglement.

Voorbeelden van redenen voor gewettigde afwezigheid:

  • ziekte;
  • om een begrafenis- of huwelijksplechtigheid bij te wonen van een bloed- of aanverwant of van een persoon die onder hetzelfde dak woont;
  • om een familieraad bij te wonen;
  • om voor de rechtbank te verschijnen na een oproeping of dagvaarding;
  • omwille van maatregelen opgelegd in het kader van de bijzondere jeugdzorg of de jeugdbescherming;
  • om een feestdag die inherent is aan de door de grondwet erkende levensbeschouwelijke overtuiging van de leerling te beleven;
  • om een andere officiële aangelegenheid bij te wonen - met akkoord van de directeur;
  • om proeven af te leggen voor de examencommissie van de Vlaams gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs;
  • wegens school- of beroepsverplichtingen;
  • omwille van de onbereikbaarheid van de academie door overmacht.

  • heeft in zijn opleiding niet meer dan één leerjaar overgezeten. De opleiding stemt overeen met de optie die de leerling volgt in een graad of in een studierichting van de vierde graad. in het geval van muziek is dat sommige gevallen in combinatie met een bepaald muziekinstrument. Daardoor betekent een nieuwe instrument een nieuwe opleiding. (cf. definitie van opleiding in het niveaudecreet artikel 3 48°).

Als de leerling zich een schooljaar niet inschrijft, onderbreekt hij zijn leertraject. Dat is iets anders dan overzitten.

In het schooljaar 2018-2019 gaan de leerlingen over van de oude structuur naar de nieuwe structuur. Een leerling die overgaat naar hetzelfde of het volgende leerjaar van de overeenstemmende opleiding zijn financierbaar. Een leerling die in een lager leerjaar start is niet financierbaar. Of de leerling in de schooljaren daarvoor al heeft overgezeten speelt geen rol. Voor een overzicht van overeenstemmende opleidingen zie bijlage 1 concordantietabel opties en muziekinstrumenten.

Een uitzondering hierop vormen de leerlingen van de opties samenspel en stemvorming in de hogere graad. Omdat in de opties samenspel en stemvorming de doelen op maat van de leerling werden afgestemd, is het moeilijk om het ontwikkelingsniveau van die leerlingen eenduidig vast te leggen. In dat geval bepaalt de academie zelf in welk leerjaar van de vierde graad die leerling terecht komt. Een inschaling in hetzelfde of in een lager leerjaar van de vierde graad wordt niet beschouwd als een verlenging van het leertraject.

1.3.2. Hoe veel keer tellen leerlingen mee in omkaderingsberekening?

Financierbare leerlingen tellen mee voor elk domein dat ze volgen. Het aantal opties of muziekinstrumenten dat ze volgen in een domein maakt geen verschil. Ook leerlingen die meer opleidingen volgen in verschillende graden van hetzelfde domein, tellen maar één keer mee. In dat geval beslist de academie voor welke opleiding de leerling meetelt en dus financierbaar is en voor welke opleiding hij enkel regelmatig is.

Een uitzondering hierop vormen de leerlingen die een opleiding van de 4e graad combineren met een opleiding specialisatie in dat domein. Die leerlingen worden wel twee keer geteld in de omkaderingsberekening. De specifieke regels voor de omkaderingsberekening van de specialisatie zijn van toepassing (zie 1.3.7. leerlingen in de specialisatie).

Leerlingen die de domeinonverschrijdende initiatieopleiding combineren met een domeinspecifieke opleiding, bijvoorbeeld de 1e graad dans, tellen voor beide mee.

1.3.3. Aandachtspunt bij het veranderen van traject

In de tweede graad dans, de tweede graad woordkunst-drama, de derde graad muziek of de vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten kan de academie verschillende trajecten naast elkaar aanbieden. Leerlingen kunnen in dat geval kiezen om hun opleiding sneller of trager af te werken. Leerlingen kunnen ook veranderen van traject in de loop van de opleiding. De directeur kan daar al of niet toestemming voor geven.

Door te veranderen van traject mag de leerling in totaal niet meer lestijden volgen dan wat de globale studievang van de graad in dat domein vooropstelt.

Om te verzekeren dat de leerling ook na de overstap nog financierbaar is, telt de academie de lestijden die de leerling al in het eerste traject heeft gevolgd bij de lestijden die hij nog voor de boeg heeft in het nieuwe traject. Als die som de globale studieomvang van de graad overschrijdt, moet de leerling in een hoger leerjaar starten.

Voorbeeld 1: Een leerling in de 3e graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten heeft 3 schooljaren de optie fotokunst gevolgd in het vierjarige traject met 10 wekelijkse lestijden. Daardoor heeft hij 30 lestijden van de globale studievang van 40 lestijden van de globale studieomvang gevolgd. Vanaf het 4e schooljaar wil hij overstappen naar het vijfjarige traject met 8 wekelijkse lestijden. In het vijfde leerjaar volgt de leerling nog 8 lestijden. De som van 30 lestijden en 8 lestijden past in de globale studieomvang van 40 lestijden.

Voorbeeld 2: In de 3e graad muziek organiseert een academie een driejarig traject met 3 lestijden in elk van de drie leerjaren. Ze organiseert daarnaast ook een vierjarig traject met 3 leerjaren met telkens 2 lestijden en een 4e leerjaar met 3 lestijden. Een leerling die een schooljaar het driejarige traject heeft gevolgd, wil overstappen naar het vierjarige traject. Om de globale studieomvang niet te overschrijden, moet hij starten in het 3e leerjaar van het vierjarige traject. De directeur is er niet zeker van dat de leerling de einddoelen zal bereiken en keurt de overstap naar het vierjarige traject af.

In het schooljaar 2018-2019 gaan de leerlingen van de oude structuur over naar de nieuwe structuur. Een leerling die overgaat naar een sneller of trager traject dan voorheen is financierbaar als hij daardoor niet meer lestijden volgt dan de globale studieomvang van de graad.

1.3.4. Veranderen van optie of muziekinstrument

Als een leerling gedurende een graad overstapt naar een andere optie of een ander muziekinstrument of studierichting, kan hij opnieuw alle leerjaren van die graad volgen. De directeur en leerkrachten kunnen beslissen om zo nodig het leertraject te verlengen.

1.3.5. Herinstroom van afgestudeerden

1.3.5.1. Uitgangspunten voor herinstroom

Het nieuwe decreet geeft academies de opdracht om leerlingen te begeleiden in hun leerloopbaan en verworven competenties te beoordelen en certificeren. Een academie beoordeelt de herinstroom van afgestudeerde leerlingen tegen het licht van die bepaling. Een leerling kan niet herinstromen om zijn leertraject in een opleiding te verlengen. Dat druist in tegen de ambitie van het niveaudecreet om een beter studierendement in het dko te realiseren. De onderwijsinspectie kan in een doorlichting nagaan welk beleid de academie over herinstroom heeft ontwikkeld.

Afgestudeerden die een bewijs van competenties of een beroepskwalificatie behaald hebben, kunnen herinstromen in een andere optie of een ander muziekinstrument. Door met een nieuwe opleiding te starten vergroot de leerling het toepassingsgebied van zijn competenties (levenslang leren). Naarmate de nieuwe opleiding beter aansluit bij de vorige zal de leerling in een hoger leerjaar of graad starten.

Herinstroom van afgestudeerden in dezelfde opleiding is niet toegestaan. Leerlingen die tweemaal dezelfde optie in dezelfde studierichting en in het geval van muziek in combinatie met hetzelfde muziekinstrument volgen, zijn niet regelmatig en dus niet financierbaar. Of de leerlingen dezelfde of andere vakken volgt, maakt geen verschil.

Voorbeeld 1: Een afgestudeerde heeft klarinet in de optie klassiek van de studierichting vertolkend muzikant gevolgd. Hij start in de optie klassiek met het instrument basklarinet. Op basis van zijn eerder verworven competenties oordeelt het leerkrachtenteam dat hij meteen in de vierde graad zal starten.

Voorbeeld 2: Een leerling heeft in de derde graad de optie jazz-pop-rock gevolgd met het instrument trompet. Na verloop van tijd organiseert de academie een nieuw lessenrooster met vakken die de leerling nog niet eerder gevolgd heeft: arrangeren en muziektheorie. De leerling kan de derde graad niet opnieuw volgen met hetzelfde instrument. Uiteindelijk besluit de leerling twee opleidingen te volgen: trompet jazz-pop-rock in de studierichting vertolkend muzikant in de vierde graad en muziek schrijven in de derde graad. Voor de eerste opleiding is de leerling financierbaar, voor de tweede opleiding is hij enkel regelmatig.

Voor de kortlopende studierichtingen kan het schoolbestuur zelf de einddoelen selecteren uit de basiscompetenties of de competenties van de beroepskwalificaties van dat domein. Ook de toelatingsvoorwaarden bepaalt het schoolbestuur zelf. Een aantal kortlopende studierichtingen zijn ingedeeld in verschillende opties, bijvoorbeeld de specialisaties. De leerlingen kunnen achtereenvolgens verschillende opties volgen, voor zover dat strookt met de toelatingsvoorwaarden. In kortlopende studierichtingen die niet bestaan uit verschillende opties, bijvoorbeeld schrijver en muziekgeschiedenis, kan de leerling herinstromen, als hij door de herinstroom nieuwe competenties verwerft. Let wel competenties zijn iets anders dan leerinhouden.

Voorbeeld: “Leerlingen hebben aandacht voor muzikale genres, stijlen, componisten en muziekgeschiedkundige elementen” is een competentie die met verschillende leerinhouden kan verworven worden: oude muziek, klassieke muziek, filmmuziek enz. Als de leerling zelf bronnen leert raadplegen verwerft hij een bijkomende competentie “leerlingen verzamelen inspirerende bronnen vanuit kunst- en cultuurhistorisch inzicht”.

1.3.5.2. Herinstroom van afgestudeerden van vóór het niveaudecreet

Afgestudeerden die vanaf 2018-2019 starten met een optie of een muziekinstrument dat niet overeenstemt met de optie die ze in 2017-2018 gevolgd hebben, zijn financierbaar.

Naarmate de nieuwe opleiding beter aansluit bij de vorige zal de leerling in een hoger leerjaar of graad kunnen starten.

Afgestudeerden kunnen zich niet inschrijven voor de optie die overeenstemt met de optie die ze eerder gevolgd hebben. Ze zijn niet regelmatig en zijn dus niet financierbaar (zie bijlage 1 concordantietabel opties en muziekinstrumenten). In het domein muziek kunnen leerlingen wel herinstromen in dezelfde optie als ze een ander muziekinstrument kiezen.

Leerlingen die vóór het niveaudecreet de optie instrument en/of de optie samenspel gevolgd hebben in de hogere graad, kunnen in de vierde graad toch herinstromen in dezelfde optie met hetzelfde muziekinstrument als ze die optie in de studierichting creërend muzikant volgen. De studierichting creërend muzikant leidt tot een nieuw competentieprofiel dat daarvoor in het dko niet voor kwam. Uiteraard is een studierichting creërend muzikant enkel zinvol als de leerling ervoor geïnteresseerd is en er het potentieel voor heeft.

Leerlingen die afgestudeerd zijn in de optie instrument kunnen voor hetzelfde muziekinstrument en dezelfde optie niet herinstromen in de studierichting vertolkend muzikant omdat zij de competenties van die beroepskwalificatie verworven hebben. Leerlingen die daarentegen enkel de optie samenspel gevolgd hebben en daardoor bepaalde competenties nog niet verworven hebben, kunnen wel herinstromen in de studierichting vertolkend muzikant. De academie bepaalt in welk leerjaar de leerling moet terecht komen in functie van de te verwerven competenties.

Ook in woordkunst-drama en dans toepasbaar. Afgestudeerden die vóór het niveaudecreet een bepaalde optie gevolgd hebben, kunnen herinstromen in dezelfde optie van studierichting creërend acteur of creërend danser in de vierde graad.

Het domein beeldende en audiovisuele kunsten bevat geen indeling in creërende en vertolkende studierichtingen. Om bijkomende competenties te verwerven, kunnen afgestudeerden een andere studierichting volgen. Ze kunnen het toepassingsgebied van hun competenties ook vergroten door een andere optie te kiezen. Afgestudeerden kunnen zich niet inschrijven in de optie die overeenstemt met de optie die ze eerder gevolgd hebben. Die leerlingen zijn niet regelmatig en dus zijn ze ook niet financierbaar.

1.3.5.3. Samenvattende tabel

 

Nieuwe optie 

Indien van toepassing: nieuw muziekinstrument 

Nieuwe competenties*  

Herinstroom financierbaar? 

Leerling volgt… 

Ja 

Nee 

Nee 

Ja 

Nee 

Ja 

Nee 

Ja 

Nee 

Nee 

Ja 

Ja 

Nee 

Nee 

Nee 

Nee 

(* andere langlopende studierichting in 4e graad of andere selectie einddoelen in het geval van een kortlopende studierichting)

1.3.5.4. Certificeren van competenties zonder het volgen van een opleiding

Afgestudeerden van vóór het niveaudecreet hoeven hun opleiding niet opnieuw te volgen om een bewijs van beroepskwalificatie of een bewijs van competenties te verkrijgen. Door het niveaudecreet is een erkende academie bevoegd om verworven competenties te beoordelen en te certificeren met een bewijs van beroepskwalificatie, een bewijs van competenties of een leerbewijs. De academie kan de leerling vragen om een test af te leggen.

1.3.6. Gedeelde financiering van leerlingen die les volgen in meer academies

Leerlingen die de vakken van dezelfde opleiding in meer academies volgen, tellen in maximaal twee academies voor 50% mee in de omkaderingsberekening. Beide academies krijgen de helft van de omkadering.

Om de vakken van een opleiding te spreiden over meer academies is de toestemming van alle betrokken directeurs nodig.

Bijvoorbeeld:

Een leerling volgt in de 3e graad accordeon in de optie jazz-pop-rock

 

Vakken 

financierbaarheid 

Academie A 

Instrument: jazz-pop-rock 

 

50% 

Academie B 

Groepsmusiceren: jazz-pop-rock 

Arrangeren 

50% 

Leerlingen die de vakken van één opleiding in meer dan twee academies volgen, leveren geen omkadering op in de derde en volgende academies waar ze zich inschrijven.

Bijvoorbeeld:

Een leerling volgt in de 3e graad accordeon in de optie jazz-pop-rock

 

Vakken 

financierbaarheid 

Academie A 

Instrument: jazz-pop-rock 

 

50% 

Academie B 

Groepsmusiceren: jazz-pop-rock 

 

50% 

Academie C 

Singer-songwriter 

 

0% 

De gedeelde financiering loopt door zolang de leerling de opleiding in beide academies volgt. Als de leerling in de ene academie geen vak meer volgt, maar in de andere nog wel, wordt de leerling enkel meegeteld in de academie waar hij nog les volgt.

Bijvoorbeeld:

Een leerling volgt de derde graad klavecimbel in de optie oude muziek in academie A die een 3-jarig traject organiseert en in academie B die een vierjarig traject organiseert.

 

Vakken 1e leerjaar 

Vakken 2e leerjaar 

Vakken 3e leerjaar 

Vakken 4e leerjaar 

financierbaarheid 

4e leerjaar 

Academie A 

Instrument: oude muziek  

Instrument: oude muziek 

Instrument: oude muziek 

 

0% 

Academie B 

Groeps-musiceren  

Improvisatie 

Groeps-musiceren  

Improvisatie 

Improvisatie 

Improvisatie 

100% 

Bijvoorbeeld:

Een leerling volgt de vierde graad viool in de optie klassiek. De leerling krijgt een verlengd leertraject waarin hij het vak instrument: klassiek opnieuw volgt.

 

Vakken 1e leerjaar 

Vakken 2e leerjaar 

Vakken 3e leerjaar 

Vakken bisjaar 

Financierbaarheid in het bisjaar 

 

Academie A 

Instrument: klassiek 

Instrument: klassiek 

Instrument: klassiek 

Instrument: klassiek 

50% 

Academie B 

Groeps-musiceren: 

Klassiek 

Groeps-musiceren: 

klassiek 

Groeps-musiceren: 

klassiek 

0% 

1.3.7. Leerlingen in de specialisatie

De omkadering voor de specialisatie is begrensd. Ze wordt berekend in relatie tot het leerlingenaantal van de 4e graad. Als het leerlingenaantal in de specialisatie 25% of minder bedraagt van aantal leerlingen in de 4e graad, wordt de omkadering berekend op basis van het effectieve aantal gewogen financierbare leerlingen in de specialisatie.

Als het aantal leerlingen specialisatie hoger is dan 25% van het leerlingenaantal in de vierde graad, wordt de omkadering berekend door de gewogen financierbare leerlingen die les volgen in de 4e graad te delen door 4en de uitkomst te vermenigvuldigen met de omkaderingscoëfficiënt van de specialisatie.

Leerlingen die een opleiding van de 4e graad combineren met een opleiding specialisatie in dat domein, tellen twee keer mee in de omkaderingsberekening.

De academie bepaalt zelf hoeveel leerlingen zij toelaat op basis van de beschikbare omkaderingsruimte. De selectiecriteria staan in relatie tot doelstelling van de specialisatie, die het decreet vooropstelt: uitmuntende leerlingen een opleiding bieden waarin het geïndividualiseerde kunstenaarschap centraal staat.

1.4. Wegingsfactoren

Een aantal wegingsfactoren zorgen ervoor dat sommige leerlingen meer of minder doorwegen in de omkaderingsberekening.

Wegings-factor 

Toepassing 

Bijkomende informatie 

1,4 

Leerling die alle vakken van zijn opleiding in de 1e, 2e, 3e of 4e graad van domeinen dans, muziek, woordkunst-drama of de domeinoverschrijdende initiatieopleiding of een opleiding van 1e, 2e of 3e graad beeldende en audiovisuele kunsten volgt in een vestigingsplaats gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of in Voeren 

 

1,05 

Leerling die alle vakken van zijn opleiding volgt in een vestigingsplaats gelegen in een dunbevolkte gemeente  

 

In een dunbevolkte gemeente wonen minder dan 200 inwoners per km². De bevolkingsdichtheid van de gemeente is terug te vinden in de gemeente- en stadsmonitor van de Vlaamse overheid. De meest recente gegevens die over de bevolkingsdichtheid beschikbaar zijn, worden gebruikt. 

 

0,85 

Leerling die een vrijstelling heeft voor een of meer vakken in het domein beeldende en audiovisuele kunsten 

 

De academie bepaalt tot op zekere hoogte zelf welke vakken de leerlingen moeten volgen. Daardoor kan een vak in de ene academie wel tot het lessenrooster behoren en in een andere niet. De verificatie zal de vakken die leerling volgt, vergelijken met het lessenrooster dat de academie organiseert voor een opleiding. Leerlingen kunnen geen vrijstelling voor een vak afdwingen.  

 

Als de academie verschillende alternatieve lessenroosters aanbiedt, heeft de leerling de keuze welk lessenrooster hij volgt. Een academie kan een leerling die herinstroomt niet verplichten om een lessenrooster te kiezen met vakken die hij nog niet gevolgd heeft met het oog op een gunstigere omkaderingsberekening.  

 

Leerlingen met een individueel aangepast curriculum of gemeenschappelijk curriculum met aangepast lessenrooster volgen soms niet alle vakken. Dat wordt niet beschouwd als een vrijstelling. De wegingsfactor is niet van toepassing. 

 

Leerlingen die een bepaald vak niet in de academie volgen, maar de competenties verwerven in een alternatieve leercontext, zijn niet vrijgesteld. De wegingsfactor is niet van toepassing. 

 

0,7 

Leerling die een vrijstelling heeft voor een of meer vakken in de domeinen dans, muziek of woordkunst-drama  

 

Bijkomende informatie: zie wegingsfactor 0,85 

0,5 

Leerling die een leerjaar overzit in een opleiding van de vierde graad of in een kortlopende studierichting 

 

De wegingsfactor is van toepassing in het schooljaar waarin de leerling overzit.  

Als de leerling het volgende leerjaar doorstroomt naar het volgende leerjaar, is de wegingsfactor niet langer van toepassing. Als de leerling in de loop van zijn opleiding nog een leerjaar overzit is hij niet meer financierbaar. 

 

In het schooljaar 2018-2019 gaan de leerlingen van de oude structuur over naar de nieuwe structuur. De wegingsfactor is ook van toepassing op een leerling die in 2017-2018 les volgt in de hogere graad en overgaat naar hetzelfde leerjaar van de overeenstemmende opleiding in de nieuwe structuur. Of de leerling in de schooljaren daarvoor al heeft overgezeten speelt geen rol.  

 

Verschillende wegingsfactoren worden vaak samen toegepast:

  • de wegingsfactor 1,4 wordt altijd toegepast op de leerlingen die aan de voorwaarden voldoen, al dan niet in combinatie met andere wegingsfactoren;
  • de wegingsfactor 1,05 wordt altijd toegepast, al dan niet in combinatie met andere wegingsfactoren;
  • als de leerling les volgt in Voeren, geldt de wegingsfactor 1,4 en niet de wegingsfactor 1,05;
  • de wegingsfactor 0,5 wordt altijd toegepast als leerling aan de voorwaarden voldoet, al dan niet gecombineerd met andere wegingsfactoren.

Voorbeeld: een leerling volgt zijn volledige opleiding 4e graad muziek in een Brusselse vestigingsplaats, is vrijgesteld van een vak en zit over

1 x 1,4 x 0,7 x 0,5=0,49

1.5. Omkaderingscoëfficiënten

1.5.1. Toepassing van omkaderingscoëfficiënten

Het niveaudecreet legt voor elk structuuronderdeel een omkaderingscoëfficiënt op. Ale leerlingen van een graad van eenzelfde domein, worden vermenigvuldigd met dezelfde omkaderingscoëfficiënt. Elke kortlopende studierichting heeft een eigen omkaderingscoëfficiënt, net als de domeinoverschrijdende initiatieopleiding.

Een muziekopleiding volgen in twee graden (‘schuinzitten over de graad’) is niet langer mogelijk. Om naar de derde of vierde graad over te gaan moet een leerling de basiscompetenties van de vorige graad bereikt hebben. Een leerling is dus volledig geslaagd of niet geslaagd.

Als een leerling in het schooljaar 2017-2018 vakken van verschillende graden volgde, bepaalt de academie in welke graad hij vanaf het schooljaar 2018-2019 zijn opleiding voortzet. De omkaderingsberekening gaat uit van die beslissing.

1.5.2. Overzicht van de omkaderingscoëfficiënten per domein

domein beeldende en audiovisuele kunsten 

Omkaderingscoëfficiënt 

1e graad tweejarig traject 

0,14545 

2e graad vierjarig traject 

0,14545 

3e graad voor jongeren zesjarig traject 

0,29091 

3e graad voor jongeren zevenjarig traject 

0,24935 

3e graad voor volwassenen tweejarig traject 

0,29091 

4e graad tienjarig traject 

0,29818 

4e graad vijfjarig traject  

0,59636 

4e graad vierjarig traject 

0,74545 

specialisatie tweejarig traject 

0,59636 

beeldende en audiovisuele cultuur driejarig traject 

0,25625 

domein dans 

Omkaderingscoëfficiënt 

1e graad tweejarig traject 

0,12500 

2e graad vierjarig traject 

0,25000 

2e graad tweejarig traject 

0,50000 

3e graad driejarig traject 

0,31250 

4e graad driejarig traject 

0,38438 

specialisatie tweejarig traject 

0,38438 

danscultuur driejarig traject 

0,25625 

domein woordkunst-drama 

Omkaderingscoëfficiënt 

1e graad tweejarig traject 

0,06667 

2e graad vierjarig traject 

0,10782 

2e graad tweejarig traject 

0,21564 

3e graad driejarig traject 

0,42750  

4e graad driejarig traject 

0,76875 

specialisatie tweejarig traject 

0,76875 

schrijver driejarig traject 

0,76875 

woordkunst- en dramacultuur driejarig traject 

0,25625 

domein muziek 

Omkaderingscoëfficiënt 

1e graad tweejarig traject 

0,06667 

2e graad voor jongeren vierjarig traject 

0,44716 

2e graad voor volwassenen driejarig traject 

0,42750 

3e graad driejarig traject 

0,64400  

3e graad vierjarig traject 

0,48300 

4e graad driejarig traject 

1,12997 

specialisatie tweejarig traject 

1,12997 

muziekcultuur  

0,25625 

Muziekgeschiedenis 

 

0,25625 

De omkaderingscoëfficiënt voor het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding is 0,06667.

1.6. Solidariteitsfactor

1.6.1. Berekening en toepassingsgebied

Het niveaudecreet verlaat de programmatiestop en bijhorende afwijkingsprocedure waardoor schoolbesturen op een soepelere manier nieuw aanbod kunnen oprichten. De solidariteitsfactor vertraagt de impact van de nieuwe oprichtingen op de onderwijsbegroting van de Vlaamse Overheid.

De solidariteitsfactor is een variabele rekenfactor die de globale omkaderingsberekening voor een bepaald schooljaar bijstelt op basis van de lopende oprichtingen van structuuronderdelen, domeinen en academies. Dat betekent dat zowel academies die niets oprichten als diegene die dat wel doen er het effect van ondervinden.

De solidariteitsfactor wordt afzonderlijk berekend voor het geheel van de omkadering in het domein beeldende en audiovisuele kunsten enerzijds en de domeinen dans, muziek en woordkunst-drama anderzijds. Telkens wordt volgende formule gebruikt:

1-(A/B) = S

De leerlingentelling van 1 februari vormt de basis voor de berekening. De omkadering die leerlingen opleveren als ze minstens een vak volgen in een structuuronderdeel in oprichting, een domein of een academie in oprichting (A), wordt gedeeld door omkaderingsberekening op basis van de volledige telling (B). Zowel leerlingen die les volgen in het leerjaar dat in het schooljaar in kwestie wordt opgericht als de leerlingen die les volgen in de eerder opgerichte leerjaren worden meegeteld. Ook structuuronderdelen, domeinen en academies die zich in hun laatste oprichtingsjaar bevinden, worden meegeteld.

Het getal 1 wordt verminderd met die verhouding om tot een rekenfactor te komen . De solidariteitsfactor wordt toegepast op het lestijdenpakket dat elke academie krijgt voor het schooljaar dat volgt op 1 februari. Als de omkadering van alle structuuronderdelen in oprichting 1% bedraagt van de globale omkadering, vermindert het lestijdenpakket van elke academie met 1%. Elke academie draagt dus in gelijke mate bij tot de globale uitbreiding van het deeltijds kunstonderwijs (solidariteit).

Voorbeeld: In het schooljaar (x,x+1) worden 490 structuuronderdelen eerste graad muziek en woordkunst-drama opgericht. In elk vestigingsplaats volgen gemiddeld 15 leerlingen les, die in totaal 490 lestijden opleveren. De globale omkadering voor de domeinen dans, muziek en woordkunst-drama bedraagt 49 000 lestijden. De solidariteitsfactor voor de omkadering bedraagt 0,99 = 1-(490/49 000)

De solidariteitsfactor beïnvloedt de omkaderingsberekening met een schooljaar vertraging, omdat de omkadering berekend wordt op basis van het leerlingenaantal van het voorgaande schooljaar.

Voorbeeld : in het schooljaar (x , x+1) start een academie met de oprichting van het structuuronderdeel dans derde graad op een vestigingsplaats. De oprichting die leerjaar per leerjaar gebeurt, vindt plaats in de schooljaren (x,x+1), (x+1,x+2), (x+2,x+3). Het structuuronderdeel heeft een impact op de omkadering dko podiumkunsten van de schooljaren (x+1,x+2), (x+2,x+3) en (x+3,x+4).

1.6.2. Geen solidariteitsfactor

De actualisering van het opleidingsaanbod met nieuwe opties en muziekinstrumenten in bestaande structuuronderdelen en opties speelt geen rol in de berekening van de solidariteitsfactor.

Herstructureringen zoals de overheveling van structuuronderdelen, de verhuis van vestigingsplaatsen, een ingebruikname van een tijdelijk andere vestigingsplaats, de overname of de fusie van academies spelen evenmin een rol.

1.7. Bijkomende lestijden

1.7.1. Beleidsondersteuning voor kunstacademies

Een kunstacademie met minstens 400 gewogen financierbare leerlingen krijgt 20 lestijden voor beleidsondersteuning. Onder dat minimum krijgt de kunstacademie één lestijd per volledige schijf van 20 gewogen financierbare leerlingen.

De kunstacademie krijgt de lestijden vanaf het schooljaar dat ze tot stand komt. Ze kan de lestijden alleen gebruiken voor beleidsondersteuning.

Een betrekking in lestijden beleidsondersteuning, wordt gelijkgesteld met het ambt van leraar en een vak en graad, op basis van het bekwaamheidsbewijs van het personeelslid. De bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen voor dat ambt en vak zijn dan van toepassing.

De betrekking kan een prestatienoemer van 20en of 22en hebben. Ze valt onder de rechtspositieregeling. In tegenstelling tot vroeger, is vaste benoeming sinds het niveaudecreet wel mogelijk. Ook de regeling over ter beschikkingstelling, reaffectatie en wedertewerkstelling is voortaan van toepassing.

De academie gebruikt in de elektronische zending van het opdrachtenpakket (RL-1) voor beleidsondersteuning dko de code 971.

Academies die zich in de feiten organiseren als kunstacademie, maar administratief gezien twee instellingen vormen met afzonderlijke instellingsnummers, hebben geen recht op die lestijden.

1.7.2. Additionele lestijden in de schooljaren 2019-2020, 2020-2021 en 2021-2022

Academies die door het niveaudecreet minder lestijden krijgen dan dat ze op basis van de oude berekening zouden krijgen, kunnen in aanmerking komen voor additionele lestijden. AGODI gaat na of een academie in aanmerking komt en berekent hoeveel additionele lestijden erbij komen. De academie hoeft daarvoor zelf geen initiatief te nemen.

Voor het schooljaar 2019-2020 een globaal volume van 783 additionele lestijden voor de structuuronderdelen van de 1e, 2e en 3e graad beschikbaar en 775 additionele lestijden voor de structuuronderdelen van de 4e graad en de kortlopende studierichtingen. De twee volumes worden verdeeld in verhouding tot de omkaderingsverliezen. Academies met het grootste omkaderingsverlies zullen de meeste additionele lestijden krijgen.

In het schooljaar 2020-2021 krijgen academies nog 50 % van het aantal additionele lestijden van het schooljaar voordien. In het schooljaar 2021-2022 is dat 7 %.

2. Waarvoor kan een academie het lestijdenpakket inzetten?

2.1. Leeractiviteiten in langlopende en kortlopende studierichtingen van de verschillende domeinen

De academie verdeelt de lestijden over de verschillende vakken van de opleidingen en over de verschillende vestigingsplaatsen te verdelen. De academie deelt de klasgroepen in op basis van eigen pedagogische overwegingen. In tegenstelling tot het vóór het niveaudecreet hoeft ze geen rekening meer te houden met maximale groepsgroottes per vak.

Leraars worden per vak altijd aangesteld in volledige lestijden. Enkel in de vakken van het domein Dans in de derde graad is een aanstelling in halve lestijden mogelijk.

Daarbij respecteert ze de volgende bepalingen:

  • in het lokaal overlegcomité wordt het voorstel voorgelegd aan de vakbonden;
  • afbakening tussen de domeinen:
    • lestijden van het domein beeldende en audiovisuele kunsten, kunnen enkel in dat domein ingezet worden. Elke lestijd levert elke week van het schooljaar een leeractiviteit van minstens vijftig minuten op.
    • lestijden die leerlingen van de domeinen dans, muziek en woordkunst-drama opleveren, kunnen onderling worden uitgewisseld, maar niet in beeldende en audiovisuele kunsten worden ingezet. Elke lestijd levert elke week van het schooljaar een leeractiviteit van minstens zestig minuten op.
    • lestijden van de domeinoverschrijdende initiatieopleiding in de eerste graad kunnen enkel in dat structuuronderdeel ingezet worden. De academie kiest zelf of de leeractiviteiten op weekbasis vijftig of zestig minuten duren.

  • afbakening tussen de graden:
    • lestijden van de 4e graad kunnen in alle graden worden ingezet.
    • lestijden van de 1e, 2e of 3e graad kunnen onderling worden uitgewisseld, maar niet ingezet worden in de 4e graad of in de kortlopende studierichtingen.

  • afbakening tussen de langlopende en kortlopende studierichtingen:
    • lestijden van kortlopende studierichtingen kunnen niet overgedragen worden naar de langlopende en omgekeerd.
    • een uitzondering daarop vormen de kortlopende studierichtingen die in oprichting zijn. Tijdens de duur van de oprichting kan een academie wel lestijden van de 4e graad van langlopende studierichtingen ervoor inzetten.

  • lestijden specialisatie kunnen niet gebruikt worden om uitsluitend les te geven aan leerlingen 4e graad en omgekeerd. Dat neemt niet weg dat leerlingen die hetzelfde vak volgen in de vierde graad en de specialisatie samen les kunnen volgen. Bij gemengde groepen beslist de academie zelf of ze lestijden van de 4e graad of lestijden van kortlopende studierichtingen gebruikt.

2.2. Begeleiders

In de domeinen dans en muziek kan een academie lestijden besteden om betrekkingen in het ambt van begeleider te organiseren. De betrekkingen kunnen zowel met een prestatienoemer in 20en als in 22en georganiseerd worden.

De regelgeving bepaalt geen limiet over het aantal lestijden dat een academie op die manier besteedt.

Begeleiders worden altijd aangesteld in volledige lestijden. Enkel de begeleider die aangesteld is het domein Dans in de 3de graad kan in halve lestijden aangesteld worden.

2.3. Pedagogische coördinatie

Om een aantal coördinerende taken op te nemen of om de directeur beleidsmatig te ondersteunen, kan een academie drie procent van de lestijden besteden aan pedagogische coördinatie. Als het lokaal onderhandelingscomité daarmee akkoord gaat, zijn meer lestijden mogelijk.

Een betrekking die met deze lestijden georganiseerd wordt, wordt gelijkgesteld met het ambt van leraar en een vak en graad, in functie van de bekwaamheidsbewijzen waar het personeelslid over beschikt. De bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen voor dat ambt en vak zijn dan van toepassing, net als de voorrangsregels en regels rond vacantverklaring en terbeschikkingstelling. De onderliggende betrekking volgt dezelfde regels als andere reguliere betrekkingen.

De betrekking kan zowel met een prestatienoemer in 20en als in 22en georganiseerd worden.

2.4. Leeractiviteiten op maat

Een academie kan maximaal 5 percent van de lestijden inzetten voor leeractiviteiten op maat. Met die aanvullende lessenreeksen kan de academie het curriculum verdiepen en verbreden. Zowel voor de huidige leerlingen als voor afgestudeerden kan ze een aanbod ontwikkelen.

Met de leeractiviteiten op maat realiseert de academie minstens een van de volgende doelstellingen:

  • interdisciplinaire samenwerking: leerlingen uit verschillende domeinen werken samen aan één productie of leerkrachten met een expertise uit verschillende domeinen gaan samen les geven (co-teaching). In eenzelfde domein kunnen leerlingen en leerkrachten van verschillende studierichtingen samenwerken.
  • terugkommomenten: allerhande lezingenreeksen of masterclasses voor afgestudeerden.
  • innovatie: de academie kan inspelen op vernieuwingen in de kunstsector nieuwe technieken, stijldifferentiaties,…

De academie kan de leeractiviteiten op maat zeer flexibel inplannen. Het kan gaan om korte modules of lessenreeksen die gedurende enkele weken plaats vinden. Ten laatste twee weken vóór de leeractiviteiten van start gaan, maakt de academie de planning bekend. Ze bepaalt zelf ook de toelatingsvoorwaarden.

Alle leerkrachten komen in aanmerking om leeractiviteiten op maat te geven. Voor de aanstelling wordt een geheel van leeractiviteiten op maat gelijkgesteld met een of meerdere vakken in een bepaalde graad. Dat vak wordt gekozen op basis van de bekwaamheidsbewijzen van de leerkracht in kwestie. De inhoud van leeractiviteiten op maat kunnen aansluiten bij dat vak, maar dat hoeft niet noodzakelijk het geval te zijn.

De bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen voor dat ambt en vak zijn dan van toepassing, net als de voorrangsregels en regels rond vacantverklaring en terbeschikkingstelling. De onderliggende betrekking volgt dezelfde regels als andere reguliere betrekkingen.

Een lestijd die de academie inzet voor leeractiviteiten op maat levert 40 effectieve lestijden op. De academie kan die lesmomenten wekelijks organiseren of samenvoegen tot grotere clusters. De aanstelling van de leerkracht begint op het moment dat eerste leeractiviteit plaats vindt en stopt bij de laatste leeractiviteit.

Voorbeeld: een academie wil gedurende twee maanden een lessenreeks over auteursrechten organiseren. De leerlingen volgen 12 lestijden gespreid over 4 blokken van telkens 3 lestijden. Een leerkracht die beschikt over een master in de geschiedenis en een lerarenopleiding wordt aangesteld op basis van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs in het vak kunst- en cultuurfilosofie. De betrekking loopt van januari tot februari. De leerkracht wordt in de maand januari aangesteld voor 2 wekelijkse lestijden en in de maand februari voor 1 wekelijkse lestijd. Door de omzetting van een lestijd naar leeractiviteiten op maat beschikt de academie over 40 effectieve lestijden. Ze kan dus nog 28 effectieve lestijden aan ander lessenreeksen besteden in de loop van het schooljaar.

2.5. Voordrachtgevers

2.5.1. Berekening van het krediet

Voordrachtgevers zijn externe experten uit de professionele kunsten of de amateurkunsten die de academie een tijdlang wil inzetten in de academie, maar die ze niet wil of kan aanstellen als leerkracht.

Maximaal 5 percent van de omkadering kan de academie besteden aan voordrachtgevers. Als het lokaal onderhandelingscomité daarmee akkoord gaat, zijn meer lestijden mogelijk.

Voorbeeld 1: een academie die twee lestijden wil omzetten naar een krediet voor voordrachtgevers zal kunnen beschikken over het volgende bedrag:

58 x 40 x 2 = 4640 euro

In de loop van november ontvangt de academie 60% van het krediet. De rest van het bedrag wordt uitbetaald in februari. De academie moet het bedrag minstens voor de helft effectief gebruiken in de loop van dat schooljaar. Ze kan maximaal de helft doorschuiven naar een volgend schooljaar.

Voorbeeld 2: Een academie wil een voordrachtgever voor 10 lessen inzetten. Door een lestijd om te zetten ontvangt de academie 2320 euro. De academie betaalt aan de voordrachtgever 700 euro en schuift 1160 euro door naar het volgende schooljaar. Het restbedrag van 460 euro kan de academie niet meer inzetten.

2.5.2. Arbeidsvoorwaarden van voordrachtgevers

De academie bepaalt zelf de arbeidsvoorwaarden van de voordrachtgever op basis van de sociale wetgeving. De rechtspositieregeling onderwijs is niet van toepassing.

Het loon dat de academie met de voordrachtgever afspreekt, kan al dan niet gebaseerd zijn op de berekening van het krediet.

Er zijn verschillende stelsels waarin een voordrachtgever kan werken.

In het geval van een arbeidsovereenkomst wordt de academie werkgever van de voordrachtgever. De voordrachtgever staat onder leiding, toezicht en gezag van de academie. De arbeidsreglementering heeft dan volle uitwerking en de academie moet alle verplichtingen als werkgever nakomen. Naast het overeengekomen loon moet de academie onder meer de RSZ-bijdragen betalen.

In het geval van huur van diensten sluit de academie een contract af, bijvoorbeeld tegen een vaste prijs per uur. Dat kan zowel met de voordrachtgever zelf als met een organisatie waarvoor hij werkt, bijvoorbeeld een vzw. Zoals in het contract is vastgelegd, betaalt de academie huurgeld op basis van de prestaties, waarvoor de voordrachtgever een factuur voorlegt.

In dat geval staat de voordrachtgever niet onder leiding, toezicht en gezag van de academie. Er is geen sprake van tewerkstelling en RSZ-verplichting. De voordrachtgever of zijn werkgever betaalt zelf RSZ-bijdragen. De academie hoeft die bijdrage niet te betalen. De RSZ-bijdrage kan wel een rol spelen bij de voorwaarden die de academie met de voordrachtgever of zijn organisatie afspreekt.

3. Overdragen van lestijden

Een academie kan lestijden overdragen naar een volgend schooljaar of naar een academie van een ander schoolbestuur. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:

  • het aantal lestijden ligt vast op 1 november;
  • het aantal lestijden bedraagt maximaal 3% van het totaal aantal lestijden;
  • de academie zet de overgedragen lestijden effectief in dat schooljaar;
  • er ontstaat geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking (TBSOB).

De bepalingen over de uitwisseling van lestijden tussen domeinen, graden en studierichtingen blijven geldig (zie 2.1). Lestijden van een academie met de domeinen dans, muziek en woordkunst-drama kunnen niet naar een academie met het domein beeldende en audiovisuele kunsten gaan en omgekeerd.

Mocht in de loop van het schooljaar blijken dat (een deel van) de overgedragen lestijden toch beter tijdens het lopende schooljaar worden ingezet, kan dat alsnog. Het schoolbestuur bezorgt aan het schoolbeheerteam van AGODI een aanpassing van het document ‘Melding van de besteding van het lestijdenpakket’.

4. Omrekening van lestijden naar betrekkingen in ambten

Het prestatiestelsel van leerkrachten in het dko bepaalt dat leerkrachten met een voltijds opdracht in de eerste, tweede of derde graad 22 lestijden lesgeven. De lestijden die leerlingen van die graden opleveren eventueel aangevuld met de lestijden van de vierde graad of de overgedragen lestijden van een vorig schooljaar en de additionele lestijden worden daarom gedeeld door 22. De uitkomst van die deling is het aantal ambten onderwijzend personeel. De eenheid van het getal levert het aantal voltijdse betrekkingen op. De academie kan daarmee leerkrachten aanstellen maar ook begeleiders.

De berekening zal meestal geen geheel getal opleveren. Met de overblijvende lestijden kan de academie een deeltijdse betrekking inrichten.

In de vierde graad en de kortlopende studierichtingen presteren leerkrachten met een voltijdse opdracht 20 lestijden. Om het aantal betrekkingen te berekenen worden de lestijden gedeeld door 20. De berekening van het aantal voltijdse en deeltijdse betrekkingen verloopt op dezelfde manier.

In die betrekkingen kan de academie personeelsleden zowel in het ambt van leraar als in het ambt van begeleider aanstellen.

5. Administratief personeel

5.1. Ambten

Er zijn twee ambten: administratief medewerker en studiemeester opvoeder. Het eerdere wervingsambt van opsteller en het eerdere selectieambt van eerste opsteller worden door het niveaudecreet omgezet naar het ambt van administratief medewerker. Die aanpassing heeft geen invloed op de berekening noch op de arbeidsvoorwaarden van de personeelsleden in kwestie.

Betrekkingen in het ambt van studiemeester-opvoeder zijn net als vóór het niveaudecreet begrensd tot de omvang van de betrekking waarvan het personeelslid in kwestie titularis was op 30 juni 2007.

5.2. Berekening omkaderingseenheden op basis van het aantal gewogen financierbare leerlingen

De omkaderingseenheden worden berekend op basis van de volgende formule:

(a x 0,001 x 38) – (b x 38/32)

waarbij:

a = het aantal gewogen financierbare leerlingen, geteld op 1 februari van het voorgaande schooljaar;

b = het aantal uren van een betrekking studiemeester-opvoeder; beperkt tot de omvang van de betrekking op 30 juni 2007;

32 = het aantal uren van een voltijdse betrekking studiemeester-opvoeder;

38 = het aantal omkaderingseenheden voor een voltijdse betrekking administratief medewerker.

Als het eerste cijfer na de komma groter dan of gelijk aan 5 is, wordt de uitkomst van deze formule naar boven afgerond; als dit cijfer kleiner is dan 5 wordt de uitkomst naar beneden afgerond.

5.3. 'Overgangsformule' voor academies beeldende en audiovisuele kunsten

Voor sommige academies (zie bijlage 2) kan de formule van vóór 2007 op basis van het aantal lestijden meer administratieve omkadering opleveren dan 1 voltijds ambt per 1000 leerlingen.

Zij krijgen administratieve omkaderingseenheden toegekend op basis van de volgende formule:

[(15 x a + 16 x b + 13 x c) / 5000 – d/32] x 38

waarbij:

a = aantal lestijden van de structuuronderdelen van de eerste en tweede graad;

b = aantal lestijden van de structuuronderdelen van de derde graad;

c = aantal lestijden van de structuuronderdelen van de vierde graad en van de kortlopende studierichtingen;

d = het aantal uren van een betrekking studiemeester-opvoeder beperkt tot de omvang van de betrekking op 30 juni 2007;

32 = het aantal uren van een voltijdse betrekking studiemeester-opvoeder;

38 = het aantal omkaderingseenheden van een voltijds betrekking administratief medewerker.

De uitkomst van deze formule wordt afgerond naar de onmiddellijk lagere eenheid.

5.4. Besteding van administratieve omkaderingseenheden

5.4.1. Prestatieregeling administratief medewerker

5.4.1.1. Uitgangspunten

De arbeidsduur is in Cao X vastgelegd op 36 uren per week. De omkaderingseenheden worden wel in 38en worden berekend en vormen de prestatie-eenheden voor het personeelslid.

Een omrekeningstabel zet de prestatie-eenheden om naar effectieve prestaties in 36 klokuren. Voor elke mogelijke administratieve opdracht (in 38-sten) bevat de tabel een overeenstemmend aantal klokuren en minuten, afgerond tot op het kwartier.

5.4.1.2. Onderscheid tussen de administratieve opdracht en de effectieve wekelijkse prestaties

De rechten en plichten van het personeelslid zijn verbonden met zijn ‘administratieve opdracht’ De administratief medewerker in die opdracht tijdelijk aangesteld worden, het recht op TADD verwerven, vast benoemd worden, een verlofstelsel opnemen, vervangen worden, eventueel ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking en gereaffecteerd of weder tewerkgesteld worden.

De academie gebruikt de administratieve opdracht in de elektronische zending van het opdrachtenpakket (RL-1).

De bezoldiging van de administratief medewerker vloeit voort uit die administratieve opdracht. Een volledige opdracht in het ambt van administratief medewerker komt overeen met 38 prestatie-eenheden op weekbasis. Een onvolledige opdracht in het ambt van administratief medewerker wordt altijd uitgedrukt als een breuk met een geheel aantal prestatie-eenheden in de teller en 38 in de noemer. 

De ‘effectieve wekelijkse prestaties’ verwijzen naar de effectieve werktijd op weekbasis. Die ligt lager dan de administratieve opdracht; een volledige opdracht omvat 36 klokuren. Een onvolledige opdracht omvat het evenredige deel van die 36 klokuren. Een omrekeningstabel bepaalt dat evenredige deel (zie bijlage 3).

5.4.2. Prestatieregeling studiemeester-opvoeder

De prestatieregeling voor een studiemeester-opvoeder bepaalt dat een voltijdse betrekking 32 uren omvat.

6. Directeur

6.1. Eén directeur per academie

Iedere academie die op 1 februari 200 leerlingen telt, heeft in het daarop volgende schooljaar recht op een volledig directeursambt. Academies met minder leerlingen krijgen 1/20 directeursambt per volledige reeks van leerlingen.

Academies in oprichting verwerven een voltijds ambt op het moment dat ze 200 leerlingen bereikt hebben op 1 oktober. Zolang ze minder leerlingen tellen krijgen academies in oprichting 1/20 directeursambt per volledige reeks van leerlingen, geteld op 1 oktober. Ook in het oprichtingsjaar verwerft de academie al een gedeelte van of een volledig directeursambt.

6.2. Niet-organieke betrekking van directeur in een academie ontstaan door fusie

6.2.1. Algemene regeling

Om te vermijden dat de nieuwe academie minder bestuurspersoneel heeft dan voor de fusie, wordt één van de vastbenoemde directeurs ten persoonlijke titel tewerkgesteld in een bijkomende niet-organieke betrekking van directeur. De tewerkstelling wordt beschouwd als een reaffectatie en schort voor dat personeelslid alle verplichtingen over reaffectatie en wedertewerkstelling in een andere academie op.

De niet-organieke betrekking van directeur heeft dezelfde omvang als de organieke betrekking van directeur. De regeling is persoonsgebonden; de betrekking wordt toegekend zolang hetzelfde personeelslid erin tewerkgesteld blijft. Het personeelslid kan bij afwezigheid daardoor niet vervangen worden.

Als de titularis van de organieke betrekking van directeur tijdelijk afwezig is, bijvoorbeeld bij een dienstonderbreking, wordt de directeur van de niet-organieke betrekking gereaffecteerd naar de organieke betrekking. Tijdens de duur van die reaffectatie wordt er geen niet-organieke betrekking van directeur toegekend, maar komt de kunstacademie wel in aanmerking voor lestijden beleidsondersteuning (zie 2.7.1.).

Wanneer de organieke betrekking van directeur definitief vacant wordt, nl. bij de definitieve ambtsneerlegging van de directeur, wordt de directeur van de niet organieke betrekking vast benoemd titularis van het ambt van directeur van de kunstacademie en komt er een einde aan de terbeschikkingstelling en ook aan de niet-organieke betrekking van directeur. Vanaf dan krijgt de kunstacademie lestijden voor beleidsondersteuning.

6.2.2. Samenhang met lestijden beleidsondersteuning in het geval van een kunstacademie

Als een kunstacademie door fusie ontstaat, kan ze ook gebruik maken van de regeling in 6.2.1. De kunstacademie krijgt dan geen bijkomende lestijden voor beleidsondersteuning. Als de directeur in de organieke betrekking afwezig is, bijvoorbeeld bij een dienstonderbreking, vervangt de andere directeur hem. Die directeur wordt dan gereaffecteerd naar de organieke betrekking. Op dat moment heeft de kunstacademie geen recht meer op een niet-organieke betrekking van directeur, maar wel op de lestijden voor beleidsondersteuning (zie 1.7.1).

Wanneer de organieke betrekking van directeur van de kunstacademie definitief vacant wordt, nl. bij de definitieve ambtsneerlegging van de directeur, wordt de directeur van de niet organieke betrekking vast benoemd titularis van het ambt van directeur van de kunstacademie. De terbeschikkingstelling en de niet-organieke betrekking van directeur eindigen. Vanaf dan krijgt de kunstacademie lestijden voor beleidsondersteuning (zie 1.7.1).

7. Bijlagen