Het ondersteuningsmodel in het basis- en secundair onderwijs en in het hoger onderwijs

  • De aanpassingen aan de omzendbrief vloeien voort uit:
  • Verduidelijkingen van een aantal aspecten die te maken hebben met de uitrol van het ondersteuningsmodel ;
  • Decretale maatregelen die genomen werden om het M-decreet en het nieuwe ondersteuningsmodel verder uit te voeren , o.a. naar aanleiding van de conceptnota van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 :http://docs.vlaamsparlement.be/pfile?id=1412279.

1. Inleiding

Vanaf het school- en academiejaar 2017-2018 trad een nieuw ondersteuningsmodel in werking om scholen en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (verder steeds samen vernoemd als scholen) en instellingen hoger onderwijs te ondersteunen in het omgaan met leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en studenten met een functiebeperking.

Een nieuw model van ondersteuning invoeren veroorzaakt onvermijdelijk verschuivingen. Om deze verschuivingen zowel voor de betrokken personeelsleden als voor de betrokken leerlingen en hun ouders met zorg door te voeren werd op 1 september 2017 gestart met een transitieperiode van drie schooljaren. Die is bedoeld om de hoger genoemde effecten geleidelijk te laten gebeuren.

Met het decreet betreffende het onderwijs XXVII werd de noodzakelijke decretale basis ingeschreven in:

  • het decreet basisonderwijs: artikel 172quinquies werd toegevoegd;
  • de codex secundair onderwijs: artikel 314/8 werd toegevoegd;
  • de codex hoger onderwijs: er werden wijzigingen aangebracht aan de artikelen II.73, II.117 tot II.120, II.276 en artikel III.67.

H et decreet van 6 juli 2018 wijzigt deze regelgeving voor het basisonderwijs en het secundair onderwijs.

Het nieuwe ondersteuningsmodel vervangt het GON, ION en de waarborgregeling. De middelen die voor deze ondersteuningsvormen bestonden, zijn behouden gebleven. Het gaat over:

  • de begeleidingseenheden GON, ION en afwijkingslestijden/-lesuren en -uren GON autismespectrumstoornis (ASS): 32.587 begeleidingseenheden, waarvan 21.029 voor het basisonderwijs en 11.558 voor het secundair onderwijs;
  • de waarborglestijden, -lesuren en –uren die jaarlijks fluctueren naargelang de evolutie van de leerlingenaantallen in het buitengewoon onderwijs. Voor het schooljaar 2018-2019 gaat het over 4.897 waarborglestijden en 6.885 waarborguren voor het basisonderwijs en 1.049 waarborguren voor het secundair onderwijs. Voor het secundair onderwijs zijn er geen waarborglesuren beschikbaar;
  • een extra budget van 15,2 miljoen euro. Hiervan werd 11,2 miljoen euro voorzien voor het ondersteuningsmodel in het basis- en secundair onderwijs, o.a. voor de ondersteuning in het gewoon onderwijs van kleuters met een verstandelijke beperking (type 2) en leerlingen met een gedrags- of emotionele stoornis (type 3). Dit komt overeen met 2.120 lestijden en 1.302 uren voor het basisonderwijs en 1.410 lesuren en 886 uren voor het secundair onderwijs. 4 miljoen euro werd voorzien voor de uitbouw van een eigen ondersteuningsmodel voor het hoger onderwijs ter vervanging van GON in het hoger onderwijs. De GON-begeleidingseenheden die gepresteerd werden in het hoger onderwijs kwamen hierdoor beschikbaar voor aanwending in het basisonderwijs en secundair onderwijs.

De som van deze drie deelbudgetten vormt jaarlijks de budgettaire ruimte waarbinnen het ondersteuningsmodel in het basis- en secundair onderwijs uitvoering krijgt.

2. Ondersteuning in basisonderwijs en secundair onderwijs

2.1. Voor wie is de ondersteuning bedoeld?

De middelen van het ondersteuningsmodel zijn bedoeld om scholen voor gewoon onderwijs te ondersteunen voor leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag en voor leerlingen met een inschrijvingsverslag die vallen onder de overgangsmaatregel van het M-decreet. Die overgangsmaatregel komt er op neer dat het inschrijvingsverslag niet moet omgezet worden in een gemotiveerd verslag of een verslag als het type (en in geval van verslag voor secundair onderwijs ook de opleidingsvorm) of het onderwijsniveau van de leerling niet wijzigen.

Het bovenstaande betekent dat een school voor gewoon onderwijs geen ondersteuning kan vragen vanuit het ondersteuningsmodel :

- voor noden die zich situeren in de fase van basiszorg 2 of verhoogde zorg 3 . Van scholen wordt verwacht dat ze een zorgcontinuüm uitbouwen en verantwoordelijkheid opnemen voor een kwaliteitsvolle invulling van de basiszorg en verhoogde zorg. Daartoe wendt de school haar reguliere middelen aan en de middelen die ze in het kader van het zorg- en gelijke kansenbeleid ontvangt. De school kan zich ook laten ondersteunen door de pedagogische begeleiding (schoolondersteuning) en het CLB (bv. in het kader van consultatieve leerlingenbegeleiding);

- wanneer er voor een leerling nog geen handelingsgericht diagnostisch traject werd doorlopen dat is uitgemond in de opmaak van een gemotiveerd verslag of verslag (fase van uitbreiding van zorg 4 en fase van individueel aangepast curriculum).

De school voor gewoon onderwijs speelt een belangrijke rol tijdens het handelingsgericht diagnostisch traject .

Wanneer de basiszorg en verhoogde zorg voor een leerling ontoereikend is en de school voor gewoon onderwijs een beroep wil doen op ondersteuning vanuit het ondersteuningsmodel, zal er door het CLB, samen met de school, de ouders en de leerling een handelingsgericht diagnostisch traject doorlopen worden.

Het is essentieel dat de school voor gewoon onderwijs tijdens dat traject en op basis van het leerlingendossier of leerlingvolgsysteem, een synthese geeft van de maatregelen die ze tijdens de fase van basiszorg en verhoogde zorg heeft genomen. Dit moet bijdragen tot het in beeld brengen van de onderwijsbehoeften van de leerlingen en de ondersteuningsnoden van de leerkracht(en).

Het handelingsgericht diagnostisch traject kan aanleiding geven tot:

  • Het advies dat verder maatregelen op niveau van basiszorg of verhoogde zorg genomen kunnen worden en dat er (nog) geen gemotiveerd verslag of verslag wordt opgemaakt . De school kan zich daarbij laten ondersteunen door de pedagogische begeleiding;
  • De opmaak van een gemotiveerd verslag;
  • De opmaak van een verslag ;
  • De opmaak van een voorlopig verslag voor type 3 . Hierover volgt in punt 2.2.2. nog meer toelichting.

Voor de types 2, 3, 4, 6, 7 en 9 is er voor de opmaak van een verslag ook een diagnose nodig. Soms moet die diagnose komen van een externe multidisciplinaire dienst omdat het CLB de vereiste diagnose niet zelf kan stellen. Voor de opmaak van een gemotiveerd verslag is een diagnose geen noodzakelijke voorwaarde meer (zie 2.2).

Bij de start van het ondersteuningsmodel op 1 september 2017 werd er een uitzondering voorzien. Voor leerlingen met gedrags- of emotionele problemen kon een school voor gewoon onderwijs toch ondersteuning vragen, ook al was er nog geen gemotiveerd verslag of verslag opgemaakt of nog geen diagnose van een gedrags- of emotionele stoornis gesteld. V oor deze leerlingen werden een aantal andere voorwaarden gesteld . Deze uitzonderingsmaatregel vervalt vanaf schooljaar 2018-2019 . Leerlingen met gedrags- of emotionele problemen die tijdens het schooljaar 2017-2018 ondersteund werden ook al beschikten ze niet over een gemotiveerd verslag of verslag, zullen daar ten laatste tegen 1 januari 2019 over moeten beschikken, als scholen voor gewoon onderwijs in het schooljaar 2018-2019 nog ondersteuning nodig hebben voor die leerlingen.

Het de creet van 6 juli 20 18 brengt een aantal belangrijke wijzigingen aan die gevolgen hebben voor de doelgroep van het ondersteuningsmodel:

  • Wijzigingen aan de voorwaarden voor de opmaak van een gemotiveerd verslag ;
  • Wijzigingen aan de criteria voor type 2;
  • Het voorlopig verslag type 3.

2.2. Wat wijzigt er aan de opmaak van een gemotiveerd verslag?

2.2.1. Het verlaten van de diagnose als noodzakelijke voorwaarde voor ondersteuning

De voorwaarde van een diagnose om toegang te krijgen tot ondersteuning op basis van een gemotiveerd verslag , wordt verlaten voor alle types. CLB’s zullen op het gemotiveerd verslag wel een type blijven aanduiden. Dit staat dan niet meer voor het feit dat de leerling een diagnose heeft, maar wel dat er voor de ondersteuning van een leerling behoefte is aan specifieke deskundigheid uit één of meer types van buitengewoon onderwijs zoals omschreven in het M-decreet. Die specifieke deskundigheid die nodig is, zal in het gemotiveerd verslag omschreven moeten worden. Een wijziging van type slaat dan niet meer op een wijziging van diagnose, maar een wijziging van deskundigheid die nodig is uit dat andere type .

Indien deskundigheid vanuit meerdere types nodig is wordt dit omschreven in het gemotiveerd verslag en wordt op het gemotiveerd verslag het meest doorslaggevende type aangeduid.

Opgelet :

  • De maatregel is alleen van toepassing in geval van een gemotiveerd verslag. Bij de opmaak van een verslag blijft een diagnose wel een voorwaarde. In geval van type 3, 4, 6, 7 en 9 wordt die afgeleverd door een externe (multidisciplinaire) dienst. Voor type 2 kan het CLB zelf de diagnose van verstandelijke beperking stellen. Het decreet van 6 juli 201 8 heeft wijzigingen aangebracht aan de criteria van type 2 . We komen daar verder in deze omzendbrief nog op terug (punt 2. 3 .1.) .

  • Het feit dat voor het gemotiveerd verslag de voorwaarde van een diagnose verlaten wordt om toegang te krijgen tot ondersteuning, doet geen afbreuk aan de waarde die diagnostiek van externe instanties kan hebben in het kader van het handelingsgericht diagnostisch traject en de beeldvorming over de leerling. Diagnostiek blijft van belang om de onderwijsbehoeften uit te klaren. Daarom kan het zijn dat het CLB in een aantal gevallen nog niet zal overgaan tot de opmaak van een gemotiveerd verslag, omdat er nog meer informatie nodig is om de onderwijsbehoeften van leerlingen goed te kunnen omschrijven en mee te bepalen welke deskundigheid aanvullend bij de ondersteuning door de school nodig is.

Het kwaliteitsvol doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject blijft in alle gevallen een noodzakelijke voorwaarde.

Het gemotiveerd verslag dient ook een algemene omschrijving te bevatten van de ondersteuning die de school voor gewoon onderwijs nodig heeft en de wijze waarop de school voor buitengewoon onderwijs daaraan tegemoet kan komen. Deze informatie wordt bekomen in dialoog tussen de school voor gewoon onderwijs, de ouders, het CLB en de school voor buitengewoon onderwijs of het ondersteuningsnetwerk.

Daarnaast wordt de eventuele ondersteuning door onderwijsexterne diensten ook beschreven.

2.2.2. Opheffing van de voorwaarde van 9 maanden verblijf in buitengewoon onderwijs

De voorwaarde dat een leerling ten minste negen maanden voltijds buitengewoon onderwijs in het type basisaanbod moet gevolgd hebben, onmiddellijk voorafgaand aan de opmaak van het gemotiveerd verslag om in aanmerking te komen voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsnetwerk, wordt opgeheven. Scholen zouden deze maatregel kunnen aangrijpen om alle leerlingen met leerproblemen aan te melden bij hun CLB voor de opmaak van een gemotiveerd verslag. Dat is uiteraard niet de bedoeling. De school is in de eerste plaats verantwoordelijk om haar basiszorg en verhoogde zorg voor deze leerlingen kwaliteitsvol in te vullen. Als ondersteuning een verschil kan maken om de school voor gewoon onderwijs in staat te stellen een leerling binnen het gemeenschappelijk curriculum te houden in plaats van over te gaan tot een individueel aangepast curriculum, kan de gewone school ondersteuning vragen aan het ondersteuningsnetwerk . Voor de betrokken leerling moet in elk geval een handelingsgericht diagnostisch traject doorlopen zijn dat resulteerde in een gemotiveerd verslag. Voor leerlingen met een verslag type basisaanbod in een school voor gewoon onderwijs was ondersteuning in het schooljaar 2017-2018 al mogelijk.

De ondersteuning voor deze leerlingen zal moeten geboden worden binnen de budgettaire ruimte voor het ondersteuningsmodel. Er worden geen extra middelen toegevoegd naar aanleiding van het verlaten van de voorwaarde van 9 maanden verblijf in het buitengewoon onderwijs.

2.2.3. Opheffen van een gemotiveerd verslag

Wanneer niet meer voldaan is aan de voorwaarden van een gemotiveerd verslag, moet het CLB het gemotiveerd verslag opheffen. Dit is het geval wanneer het inzetten van ondersteuning, in combinatie met compenserende of dispenserende maatregelen, niet meer nodig is om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen, of wanneer specifieke deskundigheid vanuit één of meer van de types niet meer vereist is.

Eenzelfde regel bestond al voor het opheffen van een verslag.

Wanneer het inzetten van ondersteuning in combinatie met compenserende of dispenserende maatregelen niet meer voldoende wordt geacht om de leerling het gemeenschappelijk curriculum te laten volgen en er wordt beslist tot de opmaak van een verslag, vervalt het gemotiveerd verslag automatisch .

2.2.4. Ondertekening door directeur CLB en ouders

Een gemotiveerd verslag moet ondertekend worden door de directeur van het CLB van de school voor gewoon onderwijs en de ouders. Daarmee bevestigen ze hun engagement. De ondertekening door de bekwame leerling, de directeur van de school voor gewoon onderwijs en van de school voor buitengewoon onderwijs zijn niet meer vereist.

Als de ouders niet ondertekenen, kan ondersteuning niet leerlinggericht ingezet worden. De ondersteuning kan wel ingezet worden in functie van de school, de leraar of het lerarenteam.

2.3. Gewijzigde criteria type 2 en voorlopig verslag type 3

2.3.1. Gewijzigde definitie van type 2

In de definitie van type 2 , zoals ingeschreven in het M-decreet, was een precieze IQ-grens “kleiner of gelijk aan 60” opgenomen . Die IQ-grens verhindert in sommige gevallen dat leerlingen met een verstandelijke beperking maar met een IQ hoger dan 60 , gepaste ondersteuning krijgen.

De IQ-grens van 60 wordt vervangen door “twee of meer standaarddeviaties beneden het gemiddelde ten opzichte van een normgroep van leeftijdsgenoten”. Dit houdt in dat de voorwaarde dat leerlingen significante beperkingen hebben in het intellectueel functioneren wat blijkt uit een psychodiagnostisch onderzoek , wel behouden blijft.

Daarnaast wordt de term sociaal aanpassingsgedrag vervangen door het meer gebruikelijke begrip “adaptief gedrag” en de voorwaarde omtrent adaptief gedrag wordt gewijzigd van “minstens drie” naar “twee of meer standaarddeviaties beneden het gemiddelde ten opzichte van een normgroep van leeftijdgenoten”.

2.3.2. Voorlopig verslag type 3

In uitzonderlijke situaties van ernstige gedrags- of emotionele problemen kan er bij een vermoeden van een emotionele of gedragsstoornis en na het doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject, een voorlopig verslag worden opgemaakt om naar het buitengewoon onderwijs type 3 te kunnen overgaan . Voorlopig, omdat de diagnose van de gedrags- of emotionele stoornis nog niet is gesteld. Een voorlopig verslag dient enkel om ouders in de mogelijkheid te stellen om een inschrijving te bekomen in een school voor buitengewoon onderwijs type 3. Een voorlopig verslag doet geen afbreuk aan het inschrijvingsrecht van de leerling in het gewoon onderwijs, noch opent het een recht op ondersteuning in het gewoon onderwijs in het kader van het ondersteuningsmodel. Voor meer informatie over het voorlopig verslag zie omzendbrief BaO/2007/2 “Toelatingsvoorwaarden en verslag voor leerlingen in het buitengewoon basisonderwijs” en omzendbrief SO/2011/03 “Structuur en organisatie van het buitengewoon secundair onderwijs” .

2.4. De uitrol van het ondersteuningsmodel langs twee sporen

Het ondersteuningsmodel is georganiseerd volgens twee sporen:

(1) Ondersteuning van scholen voor gewoon onderwijs met leerlingen met een gemotiveerd verslag, verslag of inschrijvingsverslag type 2 (verstandelijke beperking) , 4 (motorische beperking) , 6 (visuele beperking) of 7 (auditieve beperking) .

(2) Ondersteuning van scholen voor gewoon onderwijs met leerlingen met een gemotiveerd verslag, verslag of inschrijvingsverslag type basisaanbod (type 1 en 8 in afbouw), 3 (emotionele of gedragsstoornis) , 7 (spraak- of taalontwikkelingsstoornis) of 9 (autismespectrumstoornis) .

2.4.1. Ondersteuning van scholen voor gewoon onderwijs met leerlingen met een gemotiveerd verslag, verslag of inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7 (auditieve beperking)

Om ondersteuning voor deze types te bekomen kan de school voor gewoon onderwijs een bilaterale samenwerking aangaan met een school of scholen voor buitengewoon onderwijs . Die kiest ze samen met de ouders.

Ook al hebben vrijwel alle scholen voor buitengewoon onderwijs met een aanbod voor type 2, 4, 6 of 7 (auditieve beperking) zich aangesloten bij een ondersteuningsnetwerk, toch moet een school voor gewoon onderwijs zich voor de bilaterale samenwerking niet noodzakelijk richten tot een school met dergelijk aanbod van het eigen ondersteuningsnetwerk. De school voor gewoon onderwijs mag zich ook richten tot een school voor buitengewoon onderwijs die niet tot het eigen ondersteuningsnetwerk behoort. Scholen voor buitengewoon onderwijs met een aanbod voor de genoemde types mogen zich niet beperken tot ondersteuningsvragen van scholen voor gewoon onderwijs van het eigen ondersteuningsnetwerk. Ze moeten ook ondersteuningsvragen opnemen van scholen voor gewoon onderwijs die niet tot het eigen ondersteuningsnetwerk behoren. De regelgeving voorziet tevens dat scholen voor buitengewoon onderwijs met een aanbod voor type 2, 4, 6 of 7 (auditieve beperking) netoverschrijdend moeten samenwerken om de ondersteuningsvragen van gewone scholen op te vangen.

In die vrije keuze van school of scholen buitengewoon onderwijs blijft het van belang dat de school voor gewoon onderwijs, waar mogelijk, ondersteuningsvragen voor eenzelfde doelgroep of over doelgroepen heen clustert en aan dezelfde scho(o)l(en) voor buitengewoon onderwijs stelt. Op deze wijze kan het aantal ondersteuners dat vanuit verschillende scholen buitengewoon onderwijs in een school voor gewoon onderwijs ondersteuning biedt, beperkt worden.

Een open end omkaderingsmechanisme voor type 2, 4, 6 en 7

In het decreet van 6 juli 2018 is ingeschreven dat er voor de ondersteuning voor type 2, 4, 6 en 7 opnieuw een open end omkaderingssysteem zal worden uitgewerkt. Elke leerling die aan de voorwaarden voldoet zal middelen genereren. De middelen moeten voor die leerlingen worden ingezet en zullen bij wijziging van school de leerling volgen.

Het nieuwe omkaderingsmechanisme komt in de plaats van de huidige voorafname. Die heeft momenteel bij een stijgend aantal leerlingen een negatieve impact op de omkadering van de ondersteuningsnetwerken. Het nieuwe omkaderingsmechanisme zal dus los gekoppeld worden van het omkaderingsmechanisme van de ondersteuningsnetwerken.

Voor dit nieuwe omkaderingsmechanisme is op het niveau van de Vlaamse Regering afgesproken dat de positionering van leerlingen met DCD en leerlingen met een spraak- of taalontwikkelingsstoornis zal worden uitgeklaard en verfijnd. Dit wil zeggen dat er onderzocht zal worden of deze doelgroepen opgenomen worden in het nieuwe omkaderingsmechanisme voor type 2, 4, 6 en 7 of opgenomen worden of blijven in de ondersteuningsnetwerken. Omdat het nieuwe omkaderingsmechanisme in voorbereiding is , zal hierover pas later uitsluitsel komen.

Het nieuwe omkaderingsmechanisme voor type 2, 4, 6, 7 treedt in werking vanaf het schooljaar 2019-2020, o.b.v. de telling van 1 februari 2019.

De Vlaamse Regering heeft in aanloop naar het nieuwe omkaderingsmechanisme op 20 juli 2018 een overgangsmaatregel getroffen voor het schooljaar 2018-2019 . Die voorziet in bijkomende begeleidingseenheden voor de ondersteuning v an type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) . Concreet worden er 769 begeleidingseenheden voor type 2, 4106 begeleidingseenheden voor type 4, 291 begeleidingseenheden voor type 6 en 2092 begeleidingseenheden voor type 7 bijkomend toegekend. Leerlingen in het gewoon basisonderwijs die beschikken over een verslag type 7, spraak- of taalontwikkelingsstoornis kunnen met de bijkomende begeleidingseenheden type 7 ondersteund worden.

De bijkomende begeleidingseenheden worden over scholen voor buitengewoon onderwijs verdeeld, volgens het aandeel dat ze al hebben bekomen in de begeleidingseenheden van de voorafname voor het schooljaar 2018-2019.

De scholen voor buitengewoon onderwijs moeten voor de ondersteuning van gewone scholen met ondersteuningsvragen rond type 2, 4, 6 en 7 netoverschrijdend samenwerken.

2.4.2. Ondersteuning van scholen voor gewoon onderwijs met leerlingen met een gemotiveerd verslag, verslag of inschrijvingsverslag type basisaanbod (type 1 en 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalontwikkelingsstoornis) of 9.

Om ondersteuning te bekomen richt de school voor gewoon onderwijs zich tot het eigen ondersteuningsnetwerk . Dat zal bekijken welke scho(o)l(en) voor buitengewoon onderwijs de ondersteuning zal (zullen) bieden. Elk ondersteuningsnetwerk moet ervoor zorgen de nodige expertise te kunnen bieden voor ondersteuningsvragen van gewone scholen rond de genoemde types. Als expertise voor een ondersteuningsvraag ontbreekt kunnen ondersteuningsnetwerken met elkaar samenwerken door inzet van personeel of overdracht van omkadering.

Met het decreet van 6 juli 2018 is voor de ondersteuningsnetwerken een gegarandeerde jaarlijkse omkadering ingeschreven, gebaseerd op de telling van 1/2/2018. Dit betekent dat de omkadering van de ondersteuningsnetwerken jaarlijks nooit lager kan zijn dan 13.623 lestijden en 12.985 uren voor basisonderwijs en 7.747 lesuren en 2.605 uren voor secundair onderwijs. Als het aantal leerlingen in het buitengewoon onderwijs zou toenemen, levert de waarborgregeling minder middelen op en dat heeft een negatieve impact op de omkadering van de ondersteuningsnetwerken. D oor de gegarandeerde omkadering zal de omkadering voor de ondersteuningsnetwerken ech ter nooit lager kunnen zijn dan de omkadering van schooljaar 2018-2019. Wanneer het aantal leerlingen in buitengewoon onderwijs daalt en de middelen van de waarborgregeling stijgen , zal de omkadering voor de ondersteuningsnetwerken uiteraard ook nog steeds stijgen.

De toepassing van deze maatregel zal over een periode van 5 schooljaren gemonitord worden en indien nodig in het schooljaar 2022-2023 bijgestuurd.

Aan de ondersteuningsnetwerken worden vanaf 1/9/2018 ook middelen voor coördinatie toegekend. Het gaat over 506 extra lestijden of extra lesuren die over 23 van de 24 ondersteuningsnetwerken van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het openbaar onderwijs (gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap) worden verdeeld. Het ondersteuningsnetwerk van OKO wordt in deze verdeling niet meegenomen omdat in het verleden de middelen voor competentiebegeleiding , waarop de coördinatie wordt aangerekend, op een andere manier werden toegekend dan voor de overige onderwijsverstrekkers . De verdeling van de extra lestijden/lesuren voor coördinatie gebeurt naar rato van het aantal leerlingen van de scholen voor gewoon onderwijs in de ondersteuningsnetwerken op 1 februari 2018 (zie ook hoofdstuk 4 over personeel) .

De middelen worden toegekend aan één school voor buitengewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk , aangeduid door het ondersteuningsnetwerk . Gaat het om een school voor buitengewoon basisonderwijs, dan gebeurt dit in de vorm van extra lestijden. Gaat het om een school voor buitengewoon secundair onderwijs, dan gebeurt dit in de vorm van extra lesuren.

De middelen voor coördinatie worden geput uit het contingent van de competentiebegeleiders.

In punt 2.5 en 2.6 gaan we nog uitgebreider in op beide sporen.

2.5. Samenwerking tussen scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs (type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking)

2.5.1. Hoe wordt de samenwerking georganiseerd?

Scholen voor gewoon onderwijs met leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag voor type 2 (verstandelijke beperking), type 4 (motorische beperking), type 6 (visuele beperking) of type 7 (auditieve beperking) kunnen beroep blijven doen op handicap-specifieke ondersteuning. Daartoe zorgen scholen voor buitengewoon onderwijs met een ondersteuningsaanbod voor type 2, 4, 6 of 7 (auditieve beperking) ervoor dat er ondersteuning voorzien wordt. De scholen voor buitengewoon onderwijs die voorheen GON of ION begeleiding voor de desbetreffende types gaven in gewone scholen, kunnen ondersteuning blijven bieden in het schooljaar 2017-2018 en volgende schooljaren.

Gewone scholen kiezen, in samenspraak met ouders en CLB, aan welke school/scholen voor buitengewoon onderwijs ze ondersteuning vragen. Bij deze keuze streven ze samen met de school/scholen voor buitengewoon onderwijs naar een efficiënte inzet van middelen en minder versnippering van ondersteuning door verschillende scholen voor buitengewoon onderwijs voor vergelijkbare ondersteuningsvragen. De verschillende scholen voor buitengewoon onderwijs van een bepaald type moeten net- en niveau-overschrijdend samenwerken om alle ondersteuningsvragen vanuit scholen voor gewoon onderwijs met betrekking tot de vermelde doelgroepen te beantwoorden.

De school voor gewoon onderwijs heeft een belangrijke regierol bij het formuleren van ondersteuningsvragen.

Wanneer wordt beslist tot de opmaak van een gemotiveerd verslag of verslag zodat de school een beroep kan doen op ondersteuning, is het essentieel dat de school voor gewoon onderwijs de ondersteuningsvragen die ze heeft met betrekking tot de leerling met specifieke onderwijsbehoeften, formuleert en verduidelijkt.

Het formuleren en verduidelijken van ondersteuningsvragen is niet alleen noodzakelijk voor nieuwe leerlingen met een gemotiveerd verslag of verslag. Ook voor reeds gekende leerlingen met een gemotiveerd verslag, verslag of inschrijvingsverslag voor wie ondersteuning loopt en die het volgende schooljaar ook nog op school zullen zijn, is het van belang om de ondersteuningsvragen met betrekking tot deze leerlingen, te blijven scherpstellen. Ze vormen immers de basis om, op initiatief van de school voor gewoon onderwijs, tijdig met de ouders, met (betrokkenheid van) de leerling en desgevallend de ondersteuner(s) en het CLB, in gesprek te gaan over de ondersteuning. Dat gebeurt bij voorkeur al in de loop van het derde trimester zodat de start van het nieuwe schooljaar op een goede wijze kan gebeuren. In dit overleg kan ook bekeken worden of de aard, intensiteit of duur van bestaande ondersteuning moet wijzigen, of er ondersteuning is die stopgezet kan worden, of waarbij de focus van leerlingenniveau naar leerkracht- of teamniveau moet verschuiven of omgekeerd… Ook wanneer ondersteuning alleen of vooral leerkracht- of teamgericht wordt ingezet, is het van belang dit aan de betrokken ouders en leerlingen te duiden.

De school voor gewoon onderwijs zal haar ondersteuningsvragen met betrekking tot type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) dan aanmelden bij een school of scholen voor buitengewoon onderwijs . Het is van belang dat scholen voor buitengewoon onderwijs verduidelijken op welke wijze ondersteuningsvragen aangemeld kunnen worden.

De werkwijze tijdens de opstart van het ondersteuningsmodel op 1 september 2017 waarbij lijsten van leerlingen werden opgemaakt en aangemeld bij scholen voor buitengewoon onderwijs, wordt best niet meer gehanteerd. Het is van belang voor een vlotte opstart dat de ondersteuningsvragen al geconcretiseerd zijn bij de aanmelding, zodat ondersteuners daarmee aan de slag kunnen.

Scholen die uitsluitend één van de types 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking aanbieden, kunnen aansluiten bij een ondersteuningsnetwerk, maar zijn daartoe niet verplicht. Doen ze het wel, dan moeten ze ook beschikbaar blijven voor ondersteuningsvragen van gewone scholen van buiten het ondersteuningsnetwerk waarbij ze zich hebben aangesloten.

Voor meer informatie over de vorming van ondersteuningsnetwerken (zie NO/2017/01).

2.5.2. Hoe worden de middelen voor de samenwerking gegenereerd?

De middelen voor samenwerking tussen scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs (type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking) worden gegenereerd door:

  • leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking, die voldoen aan de criteria van die types zoals gedefinieerd in artikel 10 van het decreet basisonderwijs of artikel 259 van de codex secundair onderwijs. Zoals hoger al toegelicht zal “type” op het gemotiveerd verslagniet meer verwijzen naar het beschikken over een diagnose, maar wel dat er voor de leerling behoefte is aan specifieke deskundigheid uit één of meer types van buitengewoon onderwijs zoals omschreven in het M-decreet;
  • leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking, waarover ze beschikken omdat ze vallen onder de overgangsmaatregel in het M-decreet (toepassing van artikel 16, §2 van het decreet basisonderwijs of artikel 352, §2 van de codex secundair onderwijs). Dit zijn de leerlingen die in het schooljaar 2014-2015 GON-leerling waren op basis van een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs, voor wie het principe geldt dat er geen herattestering moet gebeuren wanneer zijn of haar situatie niet wijzigt. Wanneer voor een dergelijke leerling het onderwijsniveau of het type (en in geval van verslag voor secundair onderwijs ook de opleidingsvorm) wijzigt, moet er wel een gemotiveerd verslag of verslag worden opgemaakt.

Bij de opmaak van een gemotiveerd verslag of verslag is het niet langer vereist om de aard van de integratie en de ernst van de handicap aan te geven. De ondersteuningsnoden van de leerling worden wel opgenomen in het gemotiveerd verslag of verslag. De kwalificatie matig-ernstig wordt meegenomen in de generieke verhoudingsgewijze berekening van de omkadering (de voorafname) maar wordt niet langer per individuele leerling vastgelegd.

Voor het schooljaar 2017-2018 ontvingen de scholen voor buitengewoon onderwijs de begeleidingseenheden die ze voor deze doelgroepen (ION type 2 lager en secundair, type 4, type 6 en type 7 auditieve beperking) hadden in het schooljaar 2016-2017. In totaal bedroeg dat pakket 14.567,5 begeleidingseenheden. Die werden voor het schooljaar 2017-2018 nog aangevuld met begeleidingseenheden voor kleuters met een verslag type 2, die in 2016-2017 nog niet in aanmerking kwamen voor ondersteuning. Die aanvulling en verdeling naar scholen voor buitengewoon onderwijs type 2 gebeurde vanuit het extra budget dat werd voorzien (zie punt 1) en éénmalig toegekend door de paritaire commissies die ook een rol spelen in de toewijzing van de omkadering aan de ondersteuningsnetwerken. De begeleidingseenheden voor kleuters type 2 maken vanaf het schooljaar 2018-2019 deel uit van het pakket begeleidingseenheden dat voorzien is voor de doelgroep van type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking).

Het principe van de voorafname was om e lk schoolja a r het pakket begeleidingseenheden mee te laten evolueren met de evolutie van het aantal leerlingen van de genoemde types in de scholen voor gewoon onderwijs. Die leerlingen worden geteld op basis van de informatie die in de databanken over de leerlingen op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar in de scholen voor gewoon onderwijs beschikbaar is . Stijgt dat aantal leerlingen in vergelijking met deze van de eerste schooldag van oktober 2016 dan leidt dit tot een verhoudingsgewijze toename van het pakket begeleidingseenheden. Daalt het aantal leerlingen dan daalt ook het pakket aan begeleidingseenheden verhoudingsgewijs en komen meer middelen beschikbaar voor de ondersteuningsnetwerken. Op het totaal van de middelen dat jaarlijks beschikbaar is voor het ondersteuningsmodel zou op die wijze jaarlijks een voorafname gedaan worden van een pakket aan begeleidingseenheden voor de ondersteuning in het gewoon basis- of secundair onderwijs van leerlingen met een inschrijvingsverslag, verslag of gemotiveerd verslag type 2, 4, 6 of 7 (auditieve beperking). Deze werkwijze zou gehanteerd worden zowel in de transitieperiode van 3 schooljaren als na de transitieperiode.

Met toepassing van dit berekeningsmechanisme ontvingen scholen voor buitengewoon onderwijs al een dienstbrief met de omkadering voor het schooljaar 2018-2019. Hierbij is gebleken dat die omkadering niet in verhouding staat met het aantal ondersteuningsvragen die scholen voor gewoon onderwijs stellen voor leerlingen met een gemotiveerd verslag, verslag of inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 en 7 auditieve beperking.

Omdat een hogere voorafname een negatieve impact heeft op de omkadering van de ondersteuningsnetwerken werden twee maatregelen genomen die al eerder in deze omzendbrief aan bod kwamen:

  • de uitwerking tegen 1/9/2019 van een nieuw open end omkaderingsmechanisme voor ondersteuning type 2, 4, 6 en 7 en een overgangsmaatregel voor het schooljaar 2018-2019 waarbij nog bijkomende begeleidingseenheden zullen worden toegekend. De voorbereiding van het open end omkaderingsmechanisme loopt nog. De overgangsmaatregel is door de Vlaamse Regering goedgekeurd op 20 juli 2018 ;
  • het vastleggen van een gegarandeerde omkadering voor de ondersteuningsnetwerken. Dit is vastgelegd in het decreet van 6 juli 2018.

2.5.3. Hoe kunnen de middelen worden aangewend?

De middelen voor ondersteuning worden toegekend aan de scholen voor buitengewoon onderwijs. Ze blijven uitgedrukt in begeleidingseenheden. Begeleidingseenheden kunnen naargelang de aard van de ondersteuning die nodig is, omgezet worden in lestijden, lesuren en uren. Deze lestijden, lesuren en uren, worden voor scholen buitengewoon basisonderwijs beschouwd als extra lestijden en extra uren en voor scholen buitengewoon secundair onderwijs als extra lesuren en extra uren.

Ze zijn bedoeld om ondersteuningsvragen vanuit scholen voor gewoon onderwijs voor leerlingen die voldoen aan de criteria zoals in punt 2.5.1 beschreven, te beantwoorden. Elke ondersteuningsvraag van een gewone school omtrent begeleiding van een leerling die voldoet aan de vereisten zoals in 2.5.1 opgesomd, moet worden opgenomen. Dit geldt ook voor ondersteuningsvragen die worden gesteld in de loop van het schooljaar.

Wat verandert er ten opzichte van de werkwijze bij GON?

De overheid bepaalt niet langer een vast aantal uren begeleiding per week per leerling. Scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs krijgen meer flexibiliteit om de beschikbare middelen in te zetten op basis van de ondersteuningsnood die er is. Voor de leerlingen type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) blijft leerlinggebonden financiering bestaan, maar deze wordt flexibeler aangewend. Het zijn de scholen voor buitengewoon onderwijs die hier het best geplaatst zijn vanuit hun handicap specifieke expertise om in samenspraak met gewone scholen, ouders en het CLB te kijken hoe en in welke mate ondersteuning wordt geboden. Die ondersteuning kan leerling-, leerkracht- of teamgericht zijn. Belangrijk is dat de ondersteuning voelbaar is tot op de klasvloer. Op die manier kan er meer op maat ondersteund worden, steeds binnen het totaalpakket aan middelen dat voorhanden is. Er wordt ook afgestapt van de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar als teldag om in aanmerking te komen voor ondersteuning. Ondersteuning kan ook doorheen het schooljaar worden opgestart.

Vanaf het schooljaar 2018-2019 stappen we af van de continuering van de GON-begeleiding.

Bij de opstart van het ondersteuningsmodel op 1 september 2017 waren er veel vragen over de continuering van de GON/ION-ondersteuning voor leerlingen voor wie die begeleiding al liep tijdens de voorbije jaren. Bij het begin van het schooljaar werden door de onderwijskoepels en het GO! engagementen genomen over hoe bestaande ondersteuningen gecontinueerd konden worden in het schooljaar 2017-2018.

Toch moet de overgang naar het nieuwe ondersteuningsmodel gemaakt worden. Dit betekent ook het loskomen van de vertrouwde begeleider.

Hoe zien we dit naar het schooljaar 2018-2019?

Voor ondersteuningsvragen met betrekking tot type 2, 4, 6 of 7 (auditieve beperking) kunnen scholen voor gewoon onderwijs een beroep blijven doen op de school of scholen voor buitengewoon onderwijs die ze samen met ouders kiezen. Bij het inzetten van expertise moet er ook rekening gehouden worden met een efficiënte organisatie van de ondersteuning. Het is essentieel dat verplaatsingstijd van ondersteuners beperkt kan worden. De netoverschrijdende samenwerking die scholen type 2, 4, 6 en 7 moeten aangaan, moet hiertoe ook bijdragen.

2.6. Ondersteuningsnetwerken van scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs type basisaanbod, 3, 7 (spraak- of taalontwikkelingsstoornis) en 9.

2.6.1. Hoe worden de ondersteuningsnetwerken georganiseerd?

Voor de ondersteuning van leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag voor type basisaanbod (type 1, 8 in afbouw), type 3, type 7 (spraak- of taalontwikkelingsstoornis) en type 9 zijn ondersteuningsnetwerken gevormd. Scholen voor gewoon onderwijs vormen ondersteuningsnetwerken met scholen voor buitengewoon onderwijs die deze types aanbieden. Voor meer informatie over de vorming van ondersteuningsnetwerken zie NO/2017/01. In deze ondersteuningsnetwerken zet men in op het delen van expertise op het gebied van type basisaanbod (1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalontwikkelingsstoornis) en 9.

Scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs brengen op gelijkwaardige basis en in co-creatie de expertise samen om leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en de leraren(teams) die met deze leerlingen werken, te ondersteunen. De scholen buitengewoon onderwijs in een ondersteuningsnetwerk zijn gelijkwaardig. Zij spreken af op welke manier ze zich organiseren (onder meer interne regie, penvoering,…).

De samenwerkingsverbanden tussen gewoon en buitengewoon onderwijs in het kader van GON en de waarborgregeling zijn een vertrekpunt voor de vorming van ondersteuningsnetwerken. De CLB’s en de PBD’s zijn ook partners in de ondersteuningsnetwerken. De ondersteuningsnetwerken zijn:

  • bij voorkeur niveau-overschrijdend (op niveau van het kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs) samengesteld;
  • zo efficiënt mogelijk georganiseerd zodat de reistijd van ondersteuners zoveel mogelijk beperkt kan worden en opdrachten zo min mogelijk versnipperd zijn.

Voor de vorming van de ondersteuningsnetwerken wordt maximaal ingezet op samenwerking met scholen van andere netten. Deze samenwerking kan minimaal volgende vormen aannemen:

  • scholen kunnen, indien ze dit wensen, opteren voor ondersteuning door een ondersteuningsnetwerk van een ander net;
  • het versterken van de internettensamenwerking.

Elke gewone school kan kiezen binnen welk netwerk ze met scholen voor buitengewoon onderwijs en andere scholen voor gewoon onderwijs wil samenwerken. Het borgen van bestaande goede praktijken is belangrijk. Dit wil zeggen dat eerdere samenwerkingen (bv. ten tijde van GON) kunnen gecontinueerd worden.

Voor het gesubsidieerd officieel onderwijs (OGO) en het GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (GO!) hebben de inrichtende machten tegen 1 januari 2018 sluitende afspraken gemaakt over logische regionale gebieden waarbinnen er slechts een ondersteuningsnetwerk actief is en waarbij binnen de regio alle officiële scholen zich aansluiten en die over ondersteuning en begeleiding in het kader van ondersteuning van kinderen met specifieke onderwijsbehoeften, afspraken kunnen maken met eender welk ander ondersteuningsnetwerk. In het kader van die afspraken kunnen scholen voor buitengewoon onderwijs middelen overdragen aan scholen voor buitengewoon onderwijs van een ondersteuningsnetwerk dat behoort tot een ander onderwijsnet. Ook scholen van andere netten kunnen tot dit ondersteuningsnetwerk van het officieel onderwijs toetreden.

Door het vormen van ondersteuningsnetwerken van het officieel onderwijs zijn de 30 ondersteuningsnetwerken va n het schooljaar 2017-2018 herschikt tot 24 ondersteuningsnetwerken in het schooljaar 2018-2019.

Netgebonden ondersteuningsnetwerken kunnen ook over de netten heen samenwerken, zodat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden ingezet.

Iedere school voor gewoon onderwijs moet deel uitmaken van één netwerk van type basisaanbod (1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalontwikkelingsstoornis) en 9. Deel uitmaken van meerdere netwerken is niet toegestaan. De scholen voor gewoon onderwijs werken voor type basisaanbod (1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalontwikkelingsstoornis) en 9 samen met de school of scholen voor buitengewoon onderwijs uit hun ondersteuningsnetwerk. Op het niveau van het ondersteuningsnetwerk kunnen scholen wel afspraken maken met een ander ondersteuningsnetwerk. In dat kader kunnen scholen voor buitengewoon onderwijs middelen overdragen aan scholen voor buitengewoon onderwijs van een ondersteuningsnetwerk dat behoort tot een ander onderwijsnet (zie punt 5).

Een school die geen deel uitmaakt van een ondersteuningsnetwerk, kan geen ondersteuning krijgen. Een buitengewone school type basisaanbod (1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalontwikkelingsstoornis en 9) die geen deel uitmaakt van een ondersteuningsnetwerk, kan geen ondersteuning geven.

Scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs melden aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten bij welk ondersteuningsnetwerk van type basisaanbod (1, 8 in afbouw), 3, 7 (spraak- of taalontwikkelingsstoornis) en 9 ze aansluiten (zie NO/2017/01).

Wijzigingen aan de samenstelling van een ondersteuningsnetwerk moeten jaarlijks meegedeeld worden uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande schooljaar.

2.6.2. Hoe worden de middelen voor de ondersteuningsnetwerken gegenereerd?

In het schooljaar 2017-2018 zijn de ondersteuningsnetwerken van start gegaan. Voor omkadering en personeel is er een transitie over een periode van 3 schooljaren (2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020) om van de vroegere situatie van omkadering van GON, ION en waarborg te evolueren naar de nieuwe situatie van de ondersteuningsnetwerken.

2.6.2.1. De situatie na de transitieperiode (vanaf schooljaar 2020-2021)

De beschikbare middelen om over de ondersteuningsnetwerken te verdelen, bestaan uit de begeleidingseenheden GON/ION exclusief type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) die zijn omgezet naar lestijden/lesuren en uren, de middelen van de waarborg (jaarlijks te bepalen) en de middelen van het extra budget.

De verdeling gebeurt voor 70% op basis van het aantal leerlingen van de gewone scholen in een ondersteuningsnetwerk en voor 30% op basis van het gemiddeld aantal leerlingen met een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag gedurende de laatste 6 schooljaren in de gewone scholen binnen een netwerk. Voor scholen die nog geen zes schooljaren bestaan, tellen voor de berekening van de 30% alleen de jaren van bestaan.

Het gaat voor de 70% over de regelmatige en financierbare of subsidieerbare leerlingen die op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar voldoen aan de toelatings- en overgangsvoorwaarden die gelden in het gewoon onderwijs (zie BaO/2001/10 van 10/08/2001 en SO 64 van 25/06/1999 en (voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs) SO/2008/08 van 11/05/2017).

Het gaat voor de 30% over de leerlingen type basisaanbod (1, 8 in afbouw), 2, 3, 4, 6, 7 en 9 die op de eerste schooldag van februari van de zes voorafgaande schooljaren ofwel over een (inschrijvings)verslag of gemotiveerd verslag beschikken en ingeschreven zijn als regelmatige financierbare of subsidieerbare leerlingen in het gewoon basisonderwijs, voltijds secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs en voldoen aan de toelatings- en overgangsvoorwaarden die gelden in het gewoon onderwijs (zie BaO/2001/10 van 10/08/2001 en SO 64 van 25/06/1999 en (voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs) SO/2008/08 van 11/05/2017).

Voor de 30% berekening gelden als teldag, in afwijking van de eerste schooldag van februari van de zes voorafgaande schooljaren:

  • Voor het schooljaar 2018-2019: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van het schooljaar 2017-2018;
  • Voor het schooljaar 2019-2020: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019.
  • Voor het schooljaar 2020-2021: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2014-2015 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 tot en met 2019-2020.
  • De schooljaren nadien schuift deze periode verder op.

Voor de leerlingen die geteld werden op de eerste schooldag van oktober betreft het de rechthebbende GON-leerlingen.

Het 70/30 verdelingsmechanisme wordt voor het basis- en secundair onderwijs afzonderlijk toegepast op het totale budget dat per onderwijsniveau voor ondersteuning vanuit de ondersteuningsnetwerken beschikbaar is. Dit betekent dat de commissies de lestijden en uren gegenereerd door basisscholen moeten toewijzen aan scholen buitengewoon basisonderwijs in de ondersteuningsnetwerken en lesuren en uren gegenereerd door secundaire scholen aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs in de ondersteuningsnetwerken. De personeelsleden aangesteld in deze toegewezen lestijden/lesuren en uren kunnen wel niveau-overschrijdend worden ingezet om ondersteuningsvragen van scholen voor gewoon basisonderwijs en gewoon secundair onderwijs te beantwoorden.

Omwille van de impact van dit 70/30 verdelingsmechanisme in vergelijking met de toekenning in GON en waarborg wordt een transitieperiode voorzien gedurende drie schooljaren.

2.6.2.2. Tijdens de transitieperiode (2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020)

Op het 70/30 verdelingsmechanisme worden gedurende de transitieperiode 2 correcties toegepast:

1° een garantiefonds om het verlies aan omkadering op niveau van onderwijsnet te compenseren;

2° een geleidelijke toevoeging van GON begeleidingseenheden exclusief type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) schooljaar 2016-2017 aan het pakket lestijden/lesuren en uren te verdelen door de commissies.

2.6.2.2.1. Het garantiefonds

Dit garantiefonds, bedoeld om het verlies aan omkadering op niveau van onderwijsnet te compenseren, wordt bekomen door het 70/30 verdelingsmechanisme toe te passen op het totale budget dat beschikbaar is voor ondersteuning vanuit de ondersteuningsnetwerken per net, en dit per schooljaar te vergelijken met de som van de lestijden, lesuren en uren van waarborg en begeleidingseenheden GON in het schooljaar 2016-2017 per net (exclusief type 2, 4, 6 en 7 auditieve beperking). De compensatie gebeurt dan naar rato van het globale verlies van een of meerdere netten door het aandeel van de scholen van het (de) stijgende net(ten) procentueel te verminderen en het aandeel van de scholen van het (de) dalende onderwijsnet(ten) procentueel te vermeerderen.

De middelen die het dalende onderwijsnet op die wijze ontvangt, vallen onder de regie van dat onderwijsnet om de verliezen in het buitengewoon onderwijs te compenseren zodat er geen verlies is aan tewerkstelling en ondersteuning die vandaag bestaat. Deze middelen worden tijdens de transitieperiode ingezet voor de verdere ondersteuning van scholen en centra in het gewoon onderwijs van de onderwijsnetten.

2.6.2.2.2. Voorstel omkadering door commissies

Op basis van het 70/30 verdelingsmechanisme met correctie (zie punt 2.6.2.2.1) kunnen voor elke gewone school lestijden/lesuren en uren berekend worden die ze genereren voor het ondersteuningsnetwerk waar ze deel van uitmaken. Het zijn echter de commissies die zullen instaan voor een voorstel aan de Vlaamse regering voor de toewijzing van omkadering aan de ondersteuningsnetwerken. De ondersteuningsnetwerken zorgen in het verlengde daarvan voor een verdeling tussen de scholen voor buitengewoon onderwijs binnen het netwerk. Deze uiteindelijke verdeling stemt dus niet noodzakelijk overeen met het totaal aantal gegenereerde lestijden/lesuren en uren van de gewone scholen in het ondersteuningsnetwerk. De gegenereerde lestijden/lesuren en uren per gewone school zijn de bouwstenen voor de berekening, maar betekenen niet dat hetzelfde aantal ook aan ondersteuning zal worden geboden in elke desbetreffende gewone school. Dit zal afhankelijk zijn van de ondersteuningsnoden binnen elke school.

Voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, wordt telkens een commissie opgericht. Deze zijn in een gelijke vertegenwoordiging samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden.

Voor ondersteuningsnetwerken die netoverstijgend zijn samengesteld fungeert, naargelang de betrokken partijen, ofwel de gemeenschappelijke vergadering (die wordt opgericht in de schoot van deze gemeenschappelijke vergadering van het Sectorcomité X – Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten – afdeling 2 – onderafdeling ‘Vlaamse Gemeenschap’ en het Overkoepelend onderhandelingscomité gesubsidieerd vrij onderwijs) als commissie, ofwel het netoverstijgend officieel comité als commissie, ofwel het comité van het gesubsidieerd vrij onderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs als commissie, ofwel het comité van het gesubsidieerd vrij onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap als commissie.

Bij hun voorstellen voor de toewijzing van omkadering aan de ondersteuningsnetwerken, en vervolgens aan de scholen voor buitengewoon onderwijs in deze ondersteuningsnetwerken, houden de commissies rekening met de volgende criteria:

  • er mag geen verlies aan tewerkstelling en bestaande ondersteuning zijn zodat de verschuivingen zo maximaal mogelijk op een natuurlijke manier tot stand komen;
  • de beoogde ondersteuning van de ondersteuningsnetwerken zoals die na de transitieperiode zal zijn, d.w.z. de omkadering van ondersteuningsnetwerken op basis van het 70/30 verdelingsmechanisme, zonder correctie.

2.6.2.2.3. De geleidelijke toevoeging van GON begeleidingseenheden exclusief type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) aan het pakket toe te wijzen lestijden/lesuren en uren door de commissies

In afwijking op het 70/30 mechanisme zullen de begeleidingseenheden GON exclusief type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) zoals toegekend in het schooljaar 2016-2017 nog rechtstreeks worden toegekend aan de scholen voor buitengewoon onderwijs, naar rato van

  • 100% in schooljaar 2017-2018
  • 66% in schooljaar 2018-2019
  • 33% in schooljaar 2019-2020

waardoor de lestijden/lesuren en uren te verdelen door de commissies jaar na jaar toenemen.

Dit betekent dat:

  • in het schooljaar 2017-2018 de begeleidingseenheden GON exclusief type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) van het schooljaar 2016-2017 voor 100% teruggaan naar de scholen voor buitengewoon onderwijs. De commissies verdelen de resterende lestijden/lesuren en uren waar een ondersteuningsnetwerk recht op heeft in schooljaar 2017-18, gegenereerd op basis van het 70/30 verdelingsmechanisme met correctie zoals vermeld in 2.6.2.2.1;
  • in het schooljaar 2018-2019 nog 66% van de begeleidingseenheden GON exclusief type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) van het schooljaar 2016-2017 teruggaan naar de scholen voor buitengewoon onderwijs. De commissies verdelen de resterende lestijden/lesuren en uren waar een ondersteuningsnetwerk recht op heeft in schooljaar 2018-19, gegenereerd op basis van het 70/30 verdelingsmechanisme met correctie zoals vermeld in 2.6.2.2.1;
  • in het schooljaar 2019-2020 nog 33% van de begeleidingseenheden GON exclusief type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) van het schooljaar 2016-2017 teruggaan naar de scholen voor buitengewoon onderwijs. De commissies verdelen de resterende lestijden/lesuren en uren waar een ondersteuningsnetwerk recht op heeft in schooljaar 2019-20, gegenereerd op basis van het 70/30 verdelingsmechanisme met correctie zoals vermeld in 2.6.2.2.1.

De omzetting van begeleidingseenheden naar lestijden/lesuren en uren die bijkomend door de commissies verdeeld zullen worden, gebeurt als volgt: voor het basisonderwijs worden de begeleidingseenheden voor 57,9% omgezet naar lestijden en voor 42,1 % naar uren. Voor het secundair onderwijs 90,4% naar lesuren en 9,6% naar uren.

2.6.3. Hoe kunnen de middelen worden aangewend?

Een ondersteuningsnetwerk heeft tot doel om, door middel van expertisedeling in co-creatie, kinderen en jongeren met een ondersteuningsnood maximaal en effectief ondersteuning te bieden in de klas en de betrokken leerkracht(en) te ondersteunen en competent te maken met en voor deze ondersteuningsnood. Het betreft:

  • leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type basisaanbod, 3, 7 (spraak- of taalontwikkelingsstoornis) of 9, die voldoen aan de criteria van die types zoals gedefinieerd in artikel 10 van het decreet basisonderwijs of artikel 259 van de codex secundair onderwijs;
  • leerlingen met een inschrijvingsverslag type 1, 8, 3 of 7 (taal- of spraakstoornis) omdat ze vallen onder de overgangsmaatregel in het M-decreet (toepassing van artikel 16, §2 van het decreet basisonderwijs of artikel 352, §2 van de codex secundair onderwijs).

Met leerlingen met een inschrijvingsverslag worden de leerlingen bedoeld die in het schooljaar 2014-2015 GON-leerling waren op basis van een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs, voor wie het principe geldt dat er geen herattestering moet gebeuren wanneer zijn of haar situatie niet wijzigt. Wanneer voor een dergelijke leerling het onderwijsniveau of het type wijzigt, moet er wel een gemotiveerd verslag of verslag worden opgemaakt.

Scholen voor gewoon onderwijs bepalen, samen met CLB en ouders, de ondersteuningsnoden.

We herinneren hier nogmaals aan de belangrijke regierol die scholen voor gewoon onderwijs hebben bij het formuleren van ondersteuningsvragen . Ondersteuningsvragen met betrekking tot type basisaanbod, 3, 7 (spraak- of taalontwikkelingsstoornis) en 9 zal de school voor gewoon onderwijs aanmelden bij het ondersteuningsnetwerk . Het ondersteuningsnetwerk zal bekijken welke scho(o)l(en) voor buitengewoon onderwijs de vragen kunnen opnemen. Binnen de ondersteuningsnetwerken wordt dan afgesproken waar welke ondersteuning, door wie, in welk volume, wordt ingezet. Ondersteuning kan flexibel en op maat worden ingezet, naargelang de noden. Het is van belang dat ondersteuningsnetwerken verduidelijken op welke wijze ondersteuningsvragen aangemeld kunnen worden.

De werkwijze tijdens de opstart van het ondersteuningsmodel op 1 september 2017 waarbij lijsten van leerlingen werden opgemaakt en aangemeld bij scholen voor buitengewoon onderwijs, wordt best niet meer gehanteerd. Het is van belang voor een vlotte opstart dat de ondersteuningsvragen al geconcretiseerd zijn bij de aanmelding, zodat ondersteuners daarmee aan de slag kunnen.

Elke ondersteuningsvraag van een gewone school omtrent begeleiding van een leerling van de hoger genoemde doelgroepen die voldoet aan de vereisten zoals hierboven opgesomd, moet worden opgenomen door het ondersteuningsnetwerk. Dit geldt ook voor ondersteuningsvragen die worden gesteld in de loop van het schooljaar.

Vanaf het schooljaar 2018-2019 stappen we af van de continuering van de GON-begeleiding.

Bij de opstart van het ondersteuningsmodel op 1 september 2017 waren er veel vragen over de continuering van de GON/ION-ondersteuning voor leerlingen voor wie die begeleiding al liep tijdens de voorbije jaren. Bij het begin van het schooljaar werden door de onderwijskoepels en het GO! engagementen genomen over hoe bestaande ondersteuningen gecontinueerd konden worden in het schooljaar 2017-2018.

Toch moet de overgang naar het nieuwe ondersteuningsmodel gemaakt worden. Dit betekent ook het loskomen van de vertrouwde begeleider.

Hoe zien we dit naar het schooljaar 2018-2019?

Voor ondersteuningsvragen met betrekking tot type basisaanbod, 3, 7 (spraak- of taalontwikkelingsstoornis) of 9 moeten scholen zich richten tot het eigen ondersteuningsnetwerk. Elk netwerk moet met haar scholen voor buitengewoon onderwijs in staat zijn de expertise voor de genoemde types te bieden. Dit betekent dat de ondersteuning in regel door het eigen ondersteuningsnetwerk wordt opgenomen.

Wanneer er toch nog nood zou zijn aan ondersteuning vanuit een ander ondersteuningsnetwerk, omwille van ontbrekende expertise of omwille van een onevenwicht in de toegekende omkadering (bv. doordat in het schooljaar 2018-2019 nog 66% van de historische GON-begeleidingseenheden zullen terug gegeven worden aan de scholen voor buitengewoon onderwijs), kunnen onderling de nodige afspraken gemaakt worden rond overdracht van middelen en/of inzet van personeel.

Elk ondersteuningsnetwerk voorziet in een laagdrempelig aanspreekpunt voor ouders. Ouders kunnen op die manier doorheen het hele schooljaar bij het ondersteuningsnetwerk terecht met algemene vragen rond ondersteuning en specifieke vragen rond ondersteuning binnen de school van hun kind.

De omkadering van de ondersteuningsnetwerken om op de ondersteuningsvragen van scholen gewoon onderwijs in te gaan, wordt toegekend aan de scholen voor buitengewoon onderwijs als extra lestijden, lesuren en uren. De lestijden, respectievelijk de lesuren, en uren, worden voor scholen buitengewoon basisonderwijs beschouwd als extra lestijden en extra uren en voor scholen buitengewoon secundair onderwijs als extra lesuren en extra uren.

De ondersteuning in de scholen voor gewoon onderwijs gebeurt door personeel van de scholen voor buitengewoon onderwijs, met expertise in de desbetreffende types. De begeleiding kan leraar- en teamgericht of leerlinggericht zijn. Belangrijk is dat de ondersteuning voelbaar is tot op de klasvloer.

Middelen die binnen een ondersteuningsnetwerk niet rechtstreeks worden aangewend voor leerkracht- of leerlinggerichte ondersteuning (bv. coördinatietaken) moeten worden verantwoord en goedgekeurd door alle lokale onderhandelingscomités van de betrokken scholen.

3. Ondersteuning in het hoger onderwijs

3.1. Hoe wordt het georganiseerd?

Voor ondersteuning in het hoger onderwijs werd een budget van 4 miljoen euro vrijgemaakt waarmee een eigen ondersteuningsmodel, los van de werkwijze van GON in het verleden of de uitwerking van het ondersteuningsmodel in het basisonderwijs en secundair onderwijs, vorm gegeven kan worden. Het equivalent van de omkadering die vroeger, in het kader van GON, via personeelsleden buitengewoon onderwijs naar het hoger onderwijs ging (jaarlijks ca. 2.000 begeleidingseenheden) werd omgezet in middelen (4 miljoen euro). Dat budget wordt voortaan rechtstreeks ingezet in het hoger onderwijs (zowel in hogescholen als in universiteiten).

3.2. Hoe worden middelen gegenereerd?

Het budget van 4 miljoen euro wordt verdeeld tussen de universiteiten en de hogescholen, respectievelijk voor 30% en 70%, gebaseerd op de huidige spreiding van studenten met een functiebeperking zoals die in aanmerking komen voor de extra weging in het kader van de bepaling van de werkingsmiddelen van de instellingen hoger onderwijs.

De middelen voor het hoger onderwijs zijn bedoeld als aanvullend op het zorgbeleid ten aanzien van studenten met functiebeperkingen dat zowel hogescholen als universiteiten momenteel al voeren, hierin begeleid door het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs (SIHO).

3.3. Hoe kunnen middelen worden aangewend?

Indien een student bij de overstap van secundair naar hoger onderwijs of in de loop van zijn studieperiode in het hoger onderwijs van ondersteuning gebruik wenst te maken, neemt hij/zij contact op met het aanspreekpunt zorg van de instelling die te vinden is op de website van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs (SIHO).

4. Personeel

Dit hoofdstuk is van toepassing op zowel de personeelsleden die aangesteld zijn voor het bieden van ondersteuning binnen een ondersteuningsnetwerk, als de personeelsleden die instaan voor de ondersteuning in het kader van de types 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking).

4.1. Oprichten van betrekkingen

4.1.1. School voor buitengewoon basisonderwijs

Met de extra lestijden en extra uren kan de school, bij het begin van het schooljaar naar keuze en in functie van de noden, betrekkingen oprichten in een wervingsambt van het onderwijzend personeel of in een ambt van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

Het gaat over de volgende ambten:

  • voor het onderwijzend personeel: kleuteronderwijzer ASV, onderwijzer ASV, leermeester ASV: LO, leermeester godsdienst, leermeester NC zedenleer en leermeester ASV: compensatietechniek Braille in type 6
  • voor het paramedisch personeel: logopedist, kinesitherapeut, ergotherapeut, kinderverzorger, verpleger.
  • voor het medisch personeel: arts.
  • voor het sociaal personeel: maatschappelijk werker.
  • voor het psychologisch personeel: psycholoog.
  • voor het orthopedagogisch personeel: orthopedagoog.

Die keuze geldt voor de duur van het volledige schooljaar. Dat betekent dat eens een school (schoolbestuur) de keuze voor een welbepaald ambt heeft gemaakt, die keuze in de loop van het schooljaar niet kan worden gewijzigd.

Specifiek voor de ondersteuningsnetwerken: het oprichten van betrekkingen voor coördinatie

De ondersteuningsnetwerken krijgen ook middelen voor coördinatie (zie ook 2.4.2, laatste paragraaf). Deze middelen zijn er niet voor de coördinatie van ondersteuning in het kader van de types 2, 4, 6 of 7 (auditieve beperking). Dit deel van het hoofdstuk is dan ook niet van toepassing op deze laatste groep.

In het buitengewoon basisonderwijs worden de middelen voor coördinatie toegekend in de vorm van extra lestijden (en geen extra uren). Dit wil niet zeggen dat alleen onderwijzend personeel coördinerende taken kan opnemen. De extra lestijden voor coördinatie en de extra lestijden en uren voor ondersteuning kunnen immers onderling omgewisseld worden om zo, in functie van de noden van het ondersteuningsnetwerk, betrekkingen op te richten zoals hierboven uitgeschreven. Als een ondersteuningsnetwerk er bijvoorbeeld voor opteert om een lid van het medisch, paramedisch, sociaal, psychologisch of orthopedagogisch personeel al s coördinator aan te stellen, kan het de ontvangen lestijden voor coördinatie aanwenden voor ondersteuning en deze omwisselen met eenzelfde aantal uren dat het in mindering brengt van de uren die het toegekend kreeg voor de ondersteuning van scholen voor gewoon onderwijs.

Om een coördinatieopdracht toe te kennen aan een personeelslid zijn er twee scenario’s mogelijk:

  • Een school werft een “nieuw” personeelslid aan als coördinator in een ambt van onderwijzend personeel of houdt de ondersteuner (aangesteld in een ambt van onderwijzend personeel) in dienst die het jaar ervoor coördinerende taken opnam:

De school gebruikt in dit scenario de lestijden die toegekend werden voor coördinatie (zie 2.4.2, laatste paragraaf) om dit personeelslid aan te stellen of in dienst te houden . Indien nodig vult zij aan met andere lestijden van de beschikbare ondersteuningsmiddelen. In dit laatste geval is een akkoord nodig van de lokale onderhandelingscomités van alle betrokken scholen.

  • Een school werft een “nieuw” personeelslid aan als coördinator in een ambt van medisch, paramedisch, sociaal, psychologisch of orthopedagogisch personeel of houdt de ondersteuner (aangesteld in één van deze ambten) in dienst die het jaar ervoor coördinerende taken opnam :

Hiervoor neemt de school het nodige aantal uren uit de beschikbare ondersteuningsmiddelen. De lestijden die toegekend werden voor coördinatie (zie 2.4.2, laatste paragraaf) kunnen vervolgens gebruikt worden om een ondersteuner aan te werven in een am bt van onderwijzend personeel. Is het nodig om méér uren te gebruiken voor coördinatie dan er lestijden voorzien zijn voor coördinatie, dan is een akkoord nodig van de lokale onderhandelingscomités van alle betrokken scholen.

4.1.2. School voor buitengewoon secundair onderwijs

Met de extra lesuren en extra uren kan de school bij het begin van het schooljaar, naar keuze en in functie van de noden, betrekkingen oprichten in een wervingsambt van het onderwijzend personeel of in een ambt van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

Het gaat over de volgende ambten:

  • voor het onderwijzend personeel: leraar ASV, leraar BGV, godsdienstleraar, leraar NC zedenleer, leraar ASV LO, leraar ASV compensatietechniek Braille en – voor OV4 – leraar secundair onderwijs (AV, TV en PV).
  • voor het paramedisch personeel: logopedist, kinesitherapeut, ergotherapeut, kinderverzorger, verpleger.
  • voor het medisch personeel: arts.
  • voor het sociaal personeel: maatschappelijk werker.
  • voor het psychologisch personeel: psycholoog.
  • voor het orthopedagogisch personeel: orthopedagoog.

Deze keuze geldt voor de duur van het volledige schooljaar.

Dit betekent dat eens een school (schoolbestuur) de keuze voor een welbepaald ambt heeft gemaakt, deze keuze in de loop van het schooljaar niet kan worden gewijzigd.

Specifiek voor de ondersteuningsnetwerken: het oprichten van betrekkingen voor coördinatie

De ondersteuningsnetwerken krijgen ook middelen voor coördinatie (zie ook 2.4.2, laatste paragraaf). Deze middelen zijn er niet voor de coördinatie van ondersteuning in het kader van de types 2, 4, 6 of 7 (auditieve beperking). Dit deel van het hoofdstuk is dan ook niet van toepassing op deze laatste groep.

In het buitengewoon secundair onderwijs worden de middelen voor coördinatie toegekend in de vorm van extra lesuren (en geen extra uren). Dit wil niet zeggen dat alleen onderwijzend personeel coördinerende taken k an opnemen. De extra les uren voor coördinatie en de extra les uren en uren voor ondersteuning kunnen immers onderling omge wisseld worden om zo, in functie van de noden van het ondersteuningsnetwerk, betrekkingen op te richten zoals hierboven uitgeschreven. Als een ondersteuningsnetwerk er bijvoorbeeld voor opteert om een lid van het medisch, paramedisch, soc iaal, psychologisch of orthopedagogisch personeel als coördinator aan te stellen, kan het de ontvangen lesuren voor coördinatie aanwenden voor ondersteuning en deze omwisselen met eenzelfde aantal uren dat het in mindering brengt van de uren die het toegekend kreeg voor de ondersteuning van scholen voor gewoon onderwijs.

Om een coördinatieopdracht toe te kennen aan een personeelslid zijn er twee scenario’s mogelijk:

  • Een school werft een “nieuw” personeelslid aan als coördinator in een ambt van onderwijzend personeel of houdt de ondersteuner (aangesteld in een ambt van onderwijzend personeel) in dienst die het jaar ervoor coördinerende taken opnam:

De school gebruikt in dit scenario de lesuren die toegekend werden voor coördinatie (zie 2.4.2, laatste paragraaf) om dit personeelslid aan te stellen of in dienst te houden . Indien nodig vult zij aan met andere lesuren van de beschikbare ondersteuningsmiddelen. In dit laatste geval is een akkoord nodig van de lokale onderhandelingscomités van alle betrokken scholen .

  • Een school werft een “nieuw” personeelslid aan als coördinator in een ambt van medisch, paramedisch, sociaal, psychologisch of orthopedagogisch personeel of houdt de ondersteuner (aangesteld in één van deze ambten) in dienst die het jaar ervoor coördinerende taken opnam :

Hiervoor neemt de school het nodige aantal uren uit de beschikbare ondersteuningsmiddelen. De lesuren die toegekend werden voor coördinatie (zie 2.4.2, laat ste paragraaf) kunnen vervolgens gebruikt worden om een ondersteuner aan te werven in een ambt van onderwijzend personeel. Is het nodig om méér uren te gebruiken voor coördinatie dan er lesuren voorzien waren voor coördinatie, dan is een akkoord nodig van de lokale onderhandelingscomités van alle betrokken scholen.

4.2. Invullen van de betrekkingen

De lestijden of lesuren en uren die een school ontvangt in het kader van een ondersteuningsnetwerk (inclusief de middelen voor coördinatie waarvan sprake in 2.4.2, laatste paragraaf) of voor de ondersteuning van de types 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) zijn extra lestijden, extra lesuren en extra uren en hebben bijgevolg een tijdelijk karakter.

Dat betekent dat:

De school de extra lestijden, extra lesuren en extra uren bij het begin van het schooljaar niet kan aanwenden in het kader van de verdeling van betrekkingen en voorafgaande maatregelen in het kader van de regels betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling.


De school heeft t.a.v. de betrekkingen die ze met deze middelen opricht ook geen verplichtingen betreffende reaffectatie of wedertewerkstelling.

Dat geldt ook voor de verplichtingen betreffende TADD.


Concreet betekent het dat:

- de school deze betrekkingen bij de start van het schooljaar niet kan gebruiken bij de verdeling van betrekkingen onder haar vastbenoemde titularissen of bij de maatregelen voorafgaand aan de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking. Ze kan deze betrekkingen met andere woorden niet rechtstreeks toekennen aan de vastbenoemde personeelsleden van de eigen school of van het schoolbestuur.


- de school die behoort tot een scholengemeenschap t.a.v. die betrekkingen geen verplichting heeft tot reaffectatie of wedertewerkstelling van TBSOB-personeelsleden van de eigen school, uit een andere school van het schoolbestuur of van de scholengemeenschap.


- de school die niet behoort tot een scholengemeenschap, t.a.v. die betrekkingen geen verplichting heeft tot reaffectatie of wedertewerkstelling van TBSOB-personeelsleden van de eigen school, van een andere school/schoolbestuur of t.a.v. de reaffectatiecommissie van de scholengroep (gemeenschapsonderwijs) of de Vlaamse reaffectatiecommissie.


- de school geen verplichtingen heeft t.a.v. tijdelijke personeelsleden met het recht op een aanstelling van doorlopende duur (TADD) van de eigen school, van andere scholen van het schoolbestuur of van scholen uit de scholengemeenschap (als de school daartoe behoort).

De aanstelling van een personeelslid in de opgerichte betrekking gebeurt steeds via een tijdelijke aanstelling voor de duur van maximum één schooljaar.

Het personeelslid kan het daaropvolgende schooljaar wel opnieuw aangesteld worden, maar dat is geen verplichting.

De school kiest dus vrij wie ze aanstelt in de betrekking. Op die wijze kan de school maximaal personeelsleden met de gewenste expertise voor de ondersteuningstaken aanstellen. Uiteraard kan de school vastbenoemde personeelsleden of personeelsleden met het recht op TADD aanstellen als ondersteuner, als die daartoe over de nodige expertise beschikken. De regelgeving voorziet daartoe volgende mogelijkheden.

De school kan in een betrekking op de volgende wijze een vastbenoemd of een (al of niet nieuw) tijdelijk personeelslid als ondersteuner aanstellen:

Een vastbenoemd personeelslid:

  • via een vrijwillige reaffectatie, wedertewerkstelling of een tewerkstelling
    • de school kan op vrijwillige basis een reaffectatie, wedertewerkstelling of tewerkstelling als ondersteuner aanbieden aan een vastbenoemd personeelslid dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking (TBSOB).
    • die reaffectatie, wedertewerkstelling of tewerkstelling is beperkt tot de duur van het schooljaar, maar kan op vrijwillige basis (in onderling overleg tussen schoolbestuur en personeelslid) het daaropvolgende schooljaar worden verlengd. Er geldt dus geen bestendigheid bij dergelijke reaffectatie, wedertewerkstelling of tewerkstelling.
    • meer informatie over de begrippen reaffectatie, wedertewerkstelling of tewerkstelling vindt u in de omzendbrief: De reaffectatie- en wedertewerkstellingsregeling voor de inrichtende machten en de personeelsleden tewerkgesteld in het niet-tertiair onderwijs - PERS/2003/08 (28/07/2003).
  • via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen tot aan het einde van het schooljaar (31 augustus) (verlof TAO)
    • een vastbenoemd personeelslid kan aan zijn schoolbestuur een verlof vragen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen en kan vervolgens als tijdelijk personeelslid aangesteld worden als ondersteuner.
    • meer informatie over het verlof TAO vindt u in de omzendbrief: Administratieve en geldelijke toestand van vast benoemde personeelsleden die tijdelijk belast worden met een andere opdracht – TAO - PERS/2014/01 (22/01/2014).
  • via een afwezigheid voor verminderde prestaties (AVP)
    • een vastbenoemd personeelslid kan voor (een deel van) zijn opdracht een afwezigheid voor verminderde prestaties nemen en dan kandideren voor een aanstelling als ondersteuner. Die aanstelling is tijdelijk.
    • meer informatie over die vorm van afwezigheid vindt u in de omzendbrief: Afwezigheid voor verminderde prestaties - Pers/2017/01 (08/03/2017).

Een tijdelijk personeelslid:

  • via de werving van een (nieuw) tijdelijk personeelslid dat voor beperkte duur wordt aangesteld (TABD).
  • via de aanstelling van een personeelslid met het recht op TADD. Dat is een keuze die de school kan maken, maar die aanstelling is alleszins beperkt tot het lopende schooljaar. De TADD-aanstelling kan het daaropvolgende schooljaar op vrijwillige basis (in onderling overleg tussen schoolbestuur en personeelslid) worden verlengd, maar dat is geen verplichting (het personeelslid kan de TADD dus niet opeisen).
  • via een afwezigheid voor verminderde prestaties (AVP)
    • een tijdelijk personeelslid kan voor (een deel van) zijn opdracht een afwezigheid voor verminderde prestaties nemen en dan kandideren voor een aanstelling als ondersteuner.
    • meer informatie over die vorm van afwezigheid vindt u in de omzendbrief: Afwezigheid voor verminderde prestaties - Pers/2017/01 (08/03/2017).

Uiteraard blijven t.a.v. de gewone omkadering – die naast de extra lestijden, extra lesuren of extra uren van het ondersteuningsnetwerk – aan de school wordt toegekend, de gewone regels met betrekking tot reaffectatie en wedertewerkstelling volledig gelden. Meer informatie daarover vindt u in de omzendbrief: De reaffectatie- en wedertewerkstellingsregeling voor de inrichtende machten en de personeelsleden tewerkgesteld in het niet-tertiair onderwijs - PERS/2003/08 (28/07/2003) .

Voorbeeld 1
In school A (buitengewoon basisonderwijs) wordt een vastbenoemde onderwijzer ASV TBSOB gesteld op 1 september. Binnen hetzelfde schoolbestuur neemt in school B (gewoon basisonderwijs) een onderwijzer een volledige AVP van 1 september tot en met 31 augustus. De onderwijzer ASV die in het bezit is van het vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer moet weder tewerkgesteld worden als onderwijzer in het gewoon basisonderwijs.

Voorbeeld 2
In school A (buitengewoon secundair onderwijs) wordt een vastbenoemde leraar ASV TBSOB gesteld op 1 september. Binnen dezelfde scholengemeenschap neemt in school B (buitengewoon secundair onderwijs) een vastbenoemde leraar ASV een verlof TAO om tijdelijk een opdracht (TAO) als ondersteuner uit te oefenen. De leraar ASV uit school A moet gereaffecteerd worden naar school B.

4.3. Geen vacantverklaring en geen vaste benoeming

De extra lestijden, extra lesuren en extra uren voor het ondersteuningsnetwerk (inclusief de middelen voor coördinatie waarvan sprake in 2.4.2, laatste paragraaf) en voor type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) hebben een tijdelijk karakter omwille van de transitieperiode tot en met het schooljaar 2019-2020. Daarna volgt een definitieve regeling.

De betrekkingen die een school inricht met die extra lestijden, extra lesuren en extra uren komen dan ook niet in aanmerking voor vacantverklaring en kunnen in de transitieperiode niet worden toegewezen via een vaste benoeming, een mutatie of een definitieve affectatie.

4.4. Administratieve en geldelijke toestand personeelslid

De tijdelijke aanstelling is een statutaire aanstelling volgens de regels van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

Tijdens deze tijdelijke aanstelling verwerft een personeelslid dan ook de rechten die aan dergelijke aanstelling zijn verbonden. Het personeelslid kan die verworven rechten tijdens of na de transitieperiode aanwenden bij het schoolbestuur of in de scholengemeenschap waar deze rechten zijn verworven.

Voorbeeld

Een kinesitherapeut presteert sinds 01/09/2015 als tijdelijk personeelslid in de school: eerst als kinesitherapeut binnen de GON-begeleiding en vanaf 01/09/2017 als ondersteuner in het ambt van kinesitherapeut. Een vastbenoemde collega-kinesitherapeut gaat op 1 oktober 2018 met pensioen. Op basis van de vacantverklaring op 01/03/2019 komt de tijdelijke kinesitherapeut in aanmerking om op 01/07/2019 vastbenoemd te worden.

4.4.1. Dienstanciënniteit, sociale anciënniteit en geldelijke anciënniteit

De tijdelijke aanstelling is een statutaire aanstelling volgens het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.

Het personeelslid bouwt dus dienst-, sociale en geldelijke anciënniteit op in het ambt van tewerkstelling.

4.4.2. Bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen

De gebruikelijke bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen voor het ambt van het buitengewoon onderwijs waarin het personeelslid wordt aangesteld, zijn van toepassing: zie http://www.ond.vlaanderen.be/bekwaamheidsbewijzen/

4.4.3. Prestatieregeling en opdracht

Voor het personeelslid dat is aangesteld in een betrekking als ondersteuner geldt een specifieke prestatieregeling. Die prestatieregeling is dezelfde voor elk ambt uit het buitengewoon onderwijs waarin een betrekking kan worden opgericht (zie punt 4.1).

De opdracht van het personeelslid bestaat uit het bieden van leerkrachtgerichte en leerlinggerichte ondersteuning in de scholen voor gewoon basis- en secundair onderwijs. Dat gebeurt op basis van de concrete afspraken die zijn gemaakt, zowel over de wijze waarop een antwoord zal worden geboden op de reële ondersteuningsvragen in de participerende scholen als voor welke leerlingen specifieke ondersteuning zal worden geboden. Er wordt daarbij alleszins gewaakt over een overwogen evenwicht tussen leerkrachtgerichte en leerlinggerichte ondersteuning.

Het personeelslid begeleidt dus hoofdzakelijk leerkrachten(teams) en daarnaast eventueel leerlingen met specifieke noden van én in scholen voor gewoon onderwijs. Deze ondersteuning kan dus ook niveau-overschrijdend zijn. Zo kan een personeelslid dat als ondersteuner is aangesteld in een school voor buitengewoon basisonderwijs, ondersteuning bieden in een gewone secundaire school. Omgekeerd kan een personeelslid dat als ondersteuner is aangesteld in een school voor buitengewoon secundair onderwijs, ook ondersteuning bieden in een gewone basisschool.

Daarnaast stelt elk ondersteuningsnetwerk ten minste één personeelslid aan in een school voor buitengewoon onderwijs, dat belast wordt met coördinerende taken (zie ook 2.4.2, laatste paragraaf).

Wil een ondersteuningsnetwerk, naast de extra middelen die het ontvangt voor coördinatie (zie ook 2.4.2, laatste paragraaf), ook nog middelen uit de ondersteuningsenveloppe gebruiken voor opdrachten die geen leerling- of leerkrachtgerichte ondersteuning zijn, dan is een goedkeuring nodig van alle lokale onderhandelingscomités van de betrokken scholen.

4.4.3.1. Prestatieregeling in het buitengewoon basisonderwijs

Het personeelslid oefent bij een voltijdse aanstelling een hoofdopdracht uit van 22 lestijden en een schoolopdracht van 26 klokuren.

De hoofdopdracht van 22 lestijden bestaat uit de ondersteuning van leerkrachten (onderwijzend personeel) in de scholen voor het gewoon basisonderwijs en secundair onderwijs en indien nodig ook leerlinggebonden ondersteuning.

De tijd die nodig is voor professionalisering, overleg en samenwerking, coördinatietaken en dienstverplaatsingen maakt deel uit van de schoolopdracht van 26 klokuren.

Oudercontacten en personeelsvergaderingen vallen buiten de 26 klokuren van de schoolopdracht. Die opdrachten vallen niet noodzakelijk binnen de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen.

Bij een deeltijdse aanstelling worden voormelde prestaties pro rata aangepast.

Opgelet:
De administratieve noemer en de bezoldigingsnoemer blijven wel ongewijzigd gelden voor deze ambten.


Voorbeeld:
Een personeelslid wordt in het ambt van kinesitherapeut aangesteld als ondersteuner. Zij valt onder de specifieke prestatieregeling van ondersteuner: zij heeft een hoofdopdracht van 22 lestijden en een schoolopdracht van 26 klokuren.
Voor haar aanstelling moeten er echter 32 eenheden uit het urenpakket worden genomen. Ook de berekening van haar salaris gebeurt op basis van de noemer 32.

4.4.3.2. Prestatieregeling in het buitengewoon secundair onderwijs

De wekelijkse prestaties van een personeelslid dat aangesteld is in een voltijdse betrekking bedragen 26 klokuren. Binnen die 26 klokuren presteert het personeelslid:

  • een opdracht van 22 lesuren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het onderwijzend personeel of in een ambt van het paramedisch personeel;
  • een opdracht van 22 uren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.

De opdracht van 22 lesuren of 22 uren bestaat uit de ondersteuning van leerkrachten (onderwijzend personeel) in scholen voor het gewoon basisonderwijs en secundair onderwijs en indien nodig ook leerlinggebonden ondersteuning.

De tijd die nodig is voor professionalisering, overleg en samenwerking, coördinatietaken en dienstverplaatsingen, maakt deel uit van de opdracht van 26 klokuren.

De deelname aan oudercontacten en aan personeelsvergaderingen vallen buiten deze wekelijkse opdracht van 26 klokuren. Deze opdrachten vallen niet noodzakelijk binnen de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen.

Bij een deeltijdse aanstelling worden voormelde prestaties pro rata aangepast.

Opgelet:
De administratieve noemer en de bezoldigingsnoemer blijven wel ongewijzigd gelden voor deze ambten.


Voorbeeld:
Een personeelslid wordt in het ambt van orthopedagoog aangesteld als ondersteuner. Hij valt onder de specifieke prestatieregeling van ondersteuner: hij heeft een hoofdopdracht van 22 lesuren en een schoolopdracht van 26 klokuren.
Voor zijn aanstelling moeten er echter 40 eenheden uit het urenpakket worden genomen. De berekening van zijn salaris gebeurt dan weer op basis van de noemer 32.

4.4.4. Mededeling aan de onderwijsadministratie

Alle personeelsleden die aangesteld worden op basis van de extra lestijden, extra lesuren en extra uren in het kader van een ondersteuningsnetwerk of voor de ondersteuning van de types 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) meldt u via de nieuwe vakcode 1365. De vakcodes voor GON (595) en voor de waarborgregeling (1361) mag u niet meer gebruiken vanaf 1 september 2017.

Voorbeeld 1

Een voltijds vastbenoemde onderwijzer ASV die voor 7/22 TBSOB is, wordt op vrijwillige basis voor 7/22 gereaffecteerd als ondersteuner (ON)Voor de elektronische zending maakt u één bericht met daarin twee opdrachten:

RL1 / onderwijzer ASV / ATO 4 / 22 lestijden, waarvan 7 lestijden TBSOB

RL1 / onderwijzer ASV / ON (vakcode 1365) / ATO 2 / 7 lestijden met aanduiding REA / einddatum 31/08/20xx

Voorbeeld 2

Een voltijds vastbenoemde leraar ASV wordt voor 22/22 aangesteld als ondersteuner (ON) via TAO. Voor de elektronische zending maakt u één bericht met daarin twee opdrachten:

RL1 / leraar ASV / ATO 4 / 22 lesuren, waarvan 22 lestijden verlof TAO met einddatum 31/08/20xx

RL1 / leraar ASV / ON (vakcode 1365) / ATO 2 / 22 lesuren met aanduiding TAO / einddatum 31/08/20xx

Voorbeeld 3

Een kinesitherapeut wordt tijdelijk voltijds aangesteld: 16/32 in vacante uren uit het organiek urenpakket en 16/32 als ondersteuner (ON). Voor de elektronische zending maakt u één bericht met twee opdrachten:

RL1 / kinesitherapeut / ATO 2 / 16/32 / einddatum 30/06/20xx

RL1 / kinesitherapeut / ATO 2 / ON (vakcode 1365) / 16/32 / einddatum 30/06/20xx

4.5. Inzet van personeel in het hoger onderwijs

4.5.1. Tijdelijke tewerkstelling in het hoger onderwijs

Een personeelslid dat in het verleden GON-ondersteuning bood aan een of meer studenten in een hogeschool of universiteit kan – op vraag van de hogeschool of de universiteit – die ondersteuning ook gedurende de transitieperiode blijven aanbieden. Het personeelslid wordt in dat geval altijd als tijdelijk personeelslid tewerkgesteld in de hogeschool of aan de universiteit en valt dan volledig onder de daar geldende rechtspositieregeling.

Een vastbenoemd personeelslid kan een tijdelijke aanstelling in een hogeschool opnemen via een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen (verlof TAO).

Een vastbenoemd personeelslid kan aan zijn schoolbestuur een verlof vragen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen en kan vervolgens als tijdelijk personeelslid aangesteld worden in een betrekking in de hogeschool.

Meer informatie over het verlof TAO vind je in de omzendbrief: Administratieve en geldelijke toestand van vast benoemde personeelsleden die tijdelijk belast worden met een andere opdracht – TAO - PERS/2014/01 (22/01/2014).

Een vastbenoemd personeelslid of een tijdelijk personeelslid kan een tijdelijke aanstelling in een hogeschool of in een universiteit ook opnemen:

  • Via een afwezigheid voor verminderde prestaties (AVP):

Een vastbenoemd of tijdelijk personeelslid kan voor (een deel van) zijn opdracht een afwezigheid voor verminderde prestaties nemen en dan als tijdelijk personeelslid kandideren voor een aanstelling in de hogeschool of universiteit.

Meer informatie over deze vorm van afwezigheid vind je in de omzendbrief: Afwezigheid voor verminderde prestaties - Pers/2017/01 (08/03/2017).

  • Via een verlof wegens opdracht:

Meer informatie hierover vind je op: http://onderwijs.vlaanderen.be/nl/verlof-wegens-opdracht-van-je-personeel

4.5.2. Definitieve tewerkstelling in het hoger onderwijs

Een vastbenoemd of een tijdelijk personeelslid kan ook kiezen om een loopbaan op te bouwen in het hoger onderwijs in het kader van de ondersteuning van studenten met een beperking.

Het personeelslid kan dan solliciteren voor een functie in een hogeschool of in een universiteit.

4.5.3. Ondersteuning vanuit het buitengewoon basisonderwijs of buitengewoon secundair onderwijs

Een personeelslid kan ook aangesteld of geaffecteerd blijven in de school van het buitengewoon basisonderwijs of secundair onderwijs, en zoals vandaag ondersteuning bieden aan een of meer studenten in een hogeschool of universiteit.

De school voor buitengewoon onderwijs maakt hierover afspraken met de betrokken hogeschool of universiteit. In het kader van deze afspraken kan de hogeschool of universiteit middelen overdragen aan de school voor buitengewoon onderwijs. Op basis van deze afspraak richt de school, in functie van de noden van het ondersteuningsnetwerk, een betrekking in zoals vermeld in 4.1.1 en 4.1.2. op basis van haar werkingsbudget. Zie hiervoor de regeling omzendbrief Aanwending van het werkingsbudget voor aanwerving van personeel – PERS/2012/08 (15/10/2012).

5. Overdracht

Wanneer in het kader van een efficiënte aanwending binnen het ondersteuningsmodel het nodig is om lestijden/lesuren en uren over te dragen, dan kunnen de extra lestijden/lesuren en uren ook overgedragen worden naar een andere BO-school van hetzelfde onderwijsniveau.

Raadpleeg in dit verband voor het basisonderwijs omzendbrief BaO/2005/10 van 29/06/2005 en voor het secundair onderwijs omzendbrief SO/2011/01(buso) van 01/02/2011.

Extra lestijden/lesuren en uren overdragen naar een volgend schooljaar is onmogelijk.

De overdracht moet vóór 15 oktober van het lopende schooljaar gebeuren in het basisonderwijs en tot uiterlijk 1 november van het lopende schooljaar gebeuren in het secundair onderwijs.

In afwijking van het bovenstaande is er in de transitieperiode ook overdracht mogelijk naar een ander net in het kader van afspraken tussen ondersteuningsnetwerken. De uiterste data, hierboven vermeld, moeten wel gerespecteerd worden.

6. Professionalisering van de ondersteuners

De middelen voor prioritaire nascholingen zullen vanaf 1/9/2018 voorbehouden worden voor de professionalisering van ondersteuners.

De competentiebegeleiders die in het kader van het M-decreet toegevoegd werden aan de pedagogische begeleidingsdiensten worden ingezet om in de ondersteuningsnetwerken te werken aan expertiseontwikkeling.

7. Gegevens van de leerlingen met gemotiveerde verslagen en verslagen.

Voor de berekening van de omkadering in het kader van het ondersteuningsmodel bezorgen scholen voor gewoon onderwijs, scholen voor buitengewoon onderwijs en CLB’s geen extra gegevens aan AGODI. Hiervoor gebruikt AGODI immers de gegevens die beschikbaar zijn in de databanken (via Discimus, de vroegere GON-zendingen en LARS (het softwarepakket van de CLB’s)).

Scholen registreren zoals steeds de inschrijvingen in Discimus, maar doen geen extra registratie voor de leerlingen die ondersteuning krijgen of hiervoor in aanmerking komen. Scholen voor buitengewoon onderwijs die ondersteuning geven, sturen evenmin informatie daarover door. CLB’s registreren de (gemotiveerde) verslagen in LARS.

De verificateurs vragen geen documenten (inschrijvingsverslagen, gemotiveerde verslagen en verslagen) op in de scholen in het kader van het ondersteuningsmodel. 

8. Monitoring en evaluatie in basis- en secundair onderwijs

Er staat een monitoring en evaluatie van het nieuwe ondersteuningsmodel gepland (resultaten evaluatie: september 2019).

De monitoring gebeurt door de stuurgroep die werd opgericht in de schoot van de gemeenschappelijke vergadering van het Sectorcomité X – Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten – afdeling 2 – onderafdeling ‘Vlaamse Gemeenschap’ en het Overkoepelend onderhandelingscomité gesubsidieerd vrij onderwijs. Die stuurgroep, met een vertegenwoordiging van de onderwijskoepels, het GO!, de onderwijsvakbonden, CLB en de overheid, staat in voor de voorbereiding, opvolging en aansturing van de invoering van het nieuwe ondersteuningsmodel. Het VN-Verdrag beklemtoont de betrokkenheid van personen met een handicap en organisaties die hen vertegenwoordigen bij materies die hen aanbelangen. Het M-decreet en het ondersteuningsmodel is zo’n materie. De overheid voorziet dat een vertegenwoordiging vanuit de erkende ouderverenigingen en vanuit belangenorganisaties van ouders van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften kan worden uitgenodigd door de stuurgroep om de betrokkenheid bij beleidsvoorbereiding en -uitvoering te verhogen.

De onderwijsinspectie en administratie zullen ook toezicht houden op de toekenning en aanwending van de middelen voor personeelsomkadering, op de werking van de ondersteuningsnetwerken, de coördinatie en de aansturing van de teams en op de kwaliteit van de ondersteuning voor leraren, lerarenteams en leerlingen.

In de evaluatie gaat speciale aandacht naar het 70/30 verdelingsmechanisme, het effect op personeel, de verschuivingen van leerlingen, de effecten op klasvloer (de ondersteuning in de klas voor de leerling en de leerkracht) en de doelmatige aanwending van de middelen.

9. Werkingsmiddelen

De toekenning van integratietoelagen op basis van GON-leerlingen gebeurde voor de laatste keer eind 2017 voor het schooljaar 2016-2017.

Er komt vanaf het schooljaar 2017-2018 een nieuw mechanisme voor het toekennen van werkingsmiddelen aan de scholen voor buitengewoon onderwijs die actief zijn in het ondersteuningsmodel.

Dat mechanisme is gekoppeld aan de omkadering die in het kader van het ondersteuningsmodel aan scholen voor buitengewoon onderwijs wordt toegekend onder de vorm van begeleidingseenheden, lestijden/lesuren en uren. We noemen dat omkaderingseenheden. Daarbij wordt rekening gehouden met overdrachten van omkadering tussen scholen. De werkingsmiddelen volgen de omkadering.

Op de onderwijsbegroting 2018 is een totaal budget van 8.363.000 euro voorzien om werkingsmiddelen toe te kennen. In totaal werden 51.858 omkaderingseenheden toegekend voor het schooljaar 2017-2018. Dat maakt een bedrag van 161,267 euro per omkaderingseenheid.

Indien op basis van monitoring blijkt dat er een objectief te verklaren verschil is tussen één of meer van de types 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) en de ondersteuningsnetwerken op het gebied van ondersteuningsmiddelen en verplaatsingen, kunnen er binnen het beschikbare budget, nog aanpassingen gedaan worden aan het mechanisme voor toekenning van werkingsmiddelen. Bij de monitoring moet ook worden aangetoond dat maximaal netoverschrijdend wordt samengewerkt in functie van een zo effici ë nt mogelijke organisatie van de ondersteuning type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking), met respect voor de keuze van de scholen en de ouders.

Ook van de scholen buitengewoon onderwijs in de ondersteuningsnetwerken wordt verwacht dat ze inzetten op efficiëntie aanwending van de werkingsmiddelen.

De werkingsmiddelen voor het ondersteuningsmodel voor het schooljaar 2017-2018 zullen nog in 2018 worden uitbetaald aan de schoolbesturen van de scholen voor buitengewoon onderwijs. De werkingsmiddelen uitbetaald in het kader van ondersteuning voor type 2, 4, 6 en 7 (auditieve beperking) moeten voor die doelgroep worden aangewend.

10. Bijlage

- (2): brede basiszorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school vanuit een visie op zorg de ontwikkeling van alle leerlingen stimuleert en problemen tracht te voorkomen door een krachtige leeromgeving te bieden, de leerlingen systematisch op te volgen en actief te werken aan het verminderen van risicofactoren en aan het versterken van beschermende factoren;

- (3): verhoogde zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school extra zorg voorziet onder de vorm van remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, afgestemd op de specifieke onderwijsbehoeften van bepaalde leerlingen, en voorafgaand aan de fase van uitbreiding van zorg;

- (4): uitbreiding van zorg: fase in het zorgcontinuüm waarbij de school de maatregelen uit de fase van verhoogde zorg onverkort verderzet en het CLB een proces van handelingsgerichte diagnostiek opstart. Het CLB richt zich daarbij op een uitgebreide analyse van de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerling en op de ondersteuningsbehoeften van de leerkracht(en) en ouders met het oog op het formuleren van adviezen voor het optimaliseren van het proces van afstemming van het onderwijs- en opvoedingsaanbod op de zorgvraag van de leerling. Het CLB bepaalt in samenspraak met de school en de ouders welke bijkomende inzet van middelen, hulp of expertise, hetzij ten aanzien van de school of de leerling, al dan niet in zijn context, wenselijk is alsook de omvang en de duur daarvan.