Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de selectieve participatietoeslagen leerling

  • goedkeuringsdatum
    17/05/2019
  • publicatiedatum
    B.S. 15/07/2019 (pagina 71073)
  • bron

    Numac : 2019041301
  • datum laatste wijziging
    15/07/2019

Aanhef

DE VLAAMSE REGERING,

Gelet op het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, artikel 24, tweede en derde lid, artikel 38, § 3, artikel 43, § 2, artikel 69, § 3 en artikel 84;

Gelet op het akkoord van de minister van begroting, gegeven op 22 maart 2019;

Gelet op advies 65.942/1 van de Raad van State, gegeven op 7 mei 2019, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van onderwijs en de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. Definities

ART 1.

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° buitenland: het gebied buiten het grondgebied van het rijk;
2° decreet van 27 april 2018: het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;
3° kadastraal inkomen: het kadastraal inkomen, vastgesteld conform titel IX van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen;
4° kadastraal inkomen vreemd gebruik: het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die noch als eigen hoofdverblijfplaats, noch voor eigen beroepsdoeleinden worden gebruikt;
5° kadastraal inkomen voor eigen beroepsdoeleinden: het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die voor eigen beroepsdoeleinden gebruikt worden, vermeld op het aanslagbiljet van de personenbelasting;
6° kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december;
7° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen.

HOOFDSTUK 2. Nationaliteitsvoorwaarden

ART 2.

In afwijking van artikel 24, eerste lid, 1°, van het decreet van 27 april 2018 hebben de volgende leerlingen recht op een selectieve participatietoeslag:
1° de slachtoffers van mensenhandel- of smokkel, geattesteerd door een door de federale overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel of van slachtoffers van mensensmokkel die op het grondgebied verblijven met een attest van immatriculatie;
2° een niet-begeleide minderjarige die op het grondgebied verblijft met een attest van immatriculatie;
3° een pleegkind of pleeggast als vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, op voorwaarde dat het pleegkind of de pleeggast langer dan een jaar onafgebroken bij hetzelfde pleeggezin verblijft.

HOOFDSTUK 3. Gezinsbegrip

Afdeling 1. Algemene bepalingen

ART 3.

§ 1. Voor de berekening van de inkomsten van het gezin, vermeld in artikel 37, eerste lid, van het decreet van 27 april 2018, wordt rekening gehouden met de inkomsten van beide personen aan wie de selectieve participatietoeslagen worden uitbetaald voor een leerling, die dezelfde woonplaats hebben.

§ 2. In deze paragraaf wordt verstaan onder feitelijk gezin: een leefeenheid waarin twee personen die geen bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad zijn, samenwonen en samen een huishouden regelen, hetzij financieel, hetzij op een andere ondersteunende manier.

Er wordt rekening gehouden met de inkomsten van de persoon die dezelfde woonplaats heeft als een leerling en de persoon met wie die persoon een feitelijk gezin vormt als de selectieve participatietoeslagen worden uitbetaald aan één persoon alleen of aan twee personen die niet op hetzelfde adres wonen.

Als de selectieve participatietoeslagen worden uitbetaald aan het rechthebbende kind zelf conform artikel 73, § 1, eerste lid, van het decreet van 27 april 2018, wordt rekening gehouden met de inkomsten van het kind zelf en de persoon met wie het kind samenwoont.

Als de persoon, vermeld in het tweede en derde lid, samenwoont met verschillende niet-verwante personen tot en met de derde graad, wordt hij geacht een feitelijk gezin te vormen met de volgende personen, in afdalende volgorde:
1° de persoon met wie de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, getrouwd is als vermeld in artikel 3, § 1, 16°, van het decreet van 27 april 2018;
2° de andere ouder van het kind;
3° de persoon met wie hij samen de gezinswoning heeft gekocht of gebouwd;
4° de persoon met wie de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, verklaart samen de kinderen op te voeden;
5° de persoon met wie de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, het langst samenwoont.

Het samenwonen, vermeld in het eerste lid, blijkt uit een gemeenschappelijk domicilie volgens het Rijksregister en kan alleen weerlegd worden door een officieel document van een overheid of een overheidsinstelling dat gebaseerd is op de reële gezinssituatie.

De volgende documenten worden als officieel document als vermeld in het vijfde lid, aanvaard:
1° een ontvangstbewijs van de aangifte, vermeld in artikel 7, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister;
2° een attest van de politie dat vaststelt dat de toestand in het Rijksregister niet overeenstemt met de reële situatie;
3° een beschikking, vonnis of arrest van een rechtbank of hof;
4° een attest van een OCMW dat vaststelt dat de toestand in het Rijksregister niet overeenstemt met de reële situatie.

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, kan de lijst met officiële documenten die aanvaard worden om het Rijksregister te weerleggen, vermeld in het zesde lid, aanvullen.

Als het samenwonen, vermeld in het eerste lid, niet blijkt uit het Rijksregister, kan de vorming van een feitelijk gezin bewezen worden door:
1° een controle door de gezinsinspecteur;
2° een vaststelling van een andere overheidsdienst waaruit de feitelijke gezinssamenstelling blijkt;
3° een beschikking, vonnis of arrest van een rechtbank of hof;
4° een verklaring van feitelijke gezinsvorming van de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, of van de persoon met wie de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, samenwoont.

De vorming van een feitelijk gezin, vermeld in het achtste lid, kan weerlegd worden door:
1° een huurovereenkomst tussen de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, en de persoon met wie hij samenwoont;
2° een arbeidsovereenkomst met recht van inwoning;
3° een attest van detentie;
4° een registratieformulier van de mantelzorger, die niet een van de personen, vermeld in paragraaf 2, vierde lid, 1°, is;
5° een aanwezigheidsattest van het vluchthuis of sociaal huis;
6° een verklaring van feitelijke gezinsvorming van de niet-verwante persoon met een rechtgevend kind in het gezin;
7° een verklaring van feitelijke gezinsvorming van de niet-verwante persoon met een andere persoon dan de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, met dezelfde woonplaats;
8° een verklaring van geen feitelijke gezinsvorming van de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, en de niet-verwante persoon in zijn gezin;
9° het feit dat de niet-verwante persoon zelf nog rechtgevend is op gezinsbijslagen op het ogenblik dat hij in het gezin komt van de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald;
10° een bewijs dat het om een inschrijving op een referentieadres gaat;
11° een attest van de FOD Binnenlandse Zaken en een attest van immatriculatie, afgeleverd aan de asielzoeker tijdens de asielaanvraagprocedure;
12° een vaststelling van een andere overheidsdienst waaruit de feitelijke gezinssamenstelling blijkt;
13° een controle door de gezinsinspecteur.

In het negende lid wordt verstaan onder niet-verwante persoon: een persoon die geen bloed- of aanverwant tot en met de derde graad is.

Een gezinsinspecteur staaft de verklaringen, vermeld in het negende lid, 6°, 7° en 8°, altijd met een controle ter plaatse.

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, kan de lijst, van bewijsmiddelen om de vorming van een feitelijk gezin te bevestigen of te weerleggen vermeld in het negende lid, aanvullen.

De vorming van een feitelijk gezin kan niet weerlegd worden als de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, samenwoont met een persoon die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° een persoon met wie hij een gemeenschappelijk kind heeft;
2° een persoon met wie hij samen de gezinswoning heeft gekocht of gebouwd.

Afdeling 2. Gehuwde leerling

ART 4.

De leerling die als gehuwd kan worden beschouwd als vermeld in artikel 3, § 1, 16°, van het decreet van 27 april 2018, wordt beschouwd als een gehuwde leerling als vermeld in artikel 38, § 1, 3°, van het voormelde decreet.

Artikel 3, § 2, is van toepassing om de inkomsten te bepalen waarmee rekening wordt gehouden om het recht op een selectieve participatietoeslag vast te stellen.

Afdeling 3. Zelfstandige leerling

ART 5.

De leerling die ontvoogd is of de leeftijd van zestien jaar bereikt heeft, en zijn woonplaats niet bij zijn ouders of werkelijke opvoeders heeft, wordt beschouwd als zelfstandige leerling als vermeld in artikel 38, § 1, 4°, van het decreet van 27 april 2018, alsook de leerling die zelf begunstigde is voor een of meer van zijn kinderen.

De voorwaarde dat de leerling zijn woonplaats niet bij zijn ouders of werkelijke opvoeders heeft, vermeld in het eerste lid, is vervuld als de leerling beschikt over een afzonderlijke woonplaats, namelijk de plaats die als hoofdverblijf is ingeschreven in de bevolkingsregisters conform artikel 32, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, of als met officiële documenten wordt aangetoond dat de gegevens in de bevolkingsregisters niet of niet meer overeenstemmen met de realiteit.

Artikel 3, § 2, is van toepassing om de inkomsten te bepalen waarmee rekening wordt gehouden om het recht op een selectieve participatietoeslag vast te stellen.

Afdeling 4. Alleenstaande leerling

ART 6.

§ 1. De leerling die niet behoort tot de categorieën, vermeld in artikel 3 tot en met 5 van dit besluit, maar tot een van de volgende categorieën, wordt beschouwd als alleenstaande leerling als vermeld in artikel 38, § 1, 5°, van het decreet van 27 april 2018:
1° de leerling die zich bevindt in een van de gevallen, vermeld in artikel 15, § 2, van het decreet van 27 april 2018;
2° de leerling van wie de overlevende ouder ontzet is of beide ouders ontzet zijn uit het ouderlijke gezag;
3° de leerling die, uiterlijk 31 december van het lopende schooljaar in het kader van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade of de gecoördineerde decreten van 4 april 1990 inzake bijzondere jeugdbijstand opgenomen is in een erkende voorziening van categorie 1, 2 of 6 als vermeld in artikel 3 van het besluit van 13 juli 1994 en die zelfstandig woont en begeleid wordt door een erkende voorziening van categorie 1, 2 of 6 als vermeld in artikel 3 van het voormelde besluit;
4° de leerling die uiterlijk op 31 december van het schooljaar in kwestie verblijft in een organisatie voor bijzondere jeugdzorg, een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum of een centrum voor integrale gezinszorg, of contextbegeleiding krijgt in het kader van autonoom wonen als vermeld in artikel 53bis, 53duodecies en 53septiesdecies en bijlage 9 van het besluit van 13 juli 1994, met uitzondering van kortdurend crisisverblijf;
5° de leerling die voor 31 december van het schooljaar in kwestie opgenomen is in een erkende voorziening van categorie 1, 2, of 6 als vermeld in artikel 3 van het besluit van 13 juli 1994, maar door zijn meerderjarigheid niet meer onder de bevoegdheid valt van een comité voor bijzondere jeugdzorg of een jeugdrechtbank, of in het verleden het voorwerp was van voortgezette hulpverlening na meerderjarigheid met toepassing van artikel 30 van de gecoördineerde decreten van 4 april 1990 inzake bijzondere jeugdbijstand;
6° de leerling die in het verleden en uiterlijk op 31 december van het schooljaar in kwestie verbleef in een organisatie voor bijzondere jeugdzorg, een onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum of een centrum voor integrale gezinszorg, of contextbegeleiding kreeg in het kader van autonoom wonen als vermeld in artikel 53bis, 53duodecies en 53septiesdecies en bijlage 9 van het besluit van 13 juli 1994, met uitzondering van kortdurend crisisverblijf, of een pleegkind of een pleeggast is als vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;
7° de leerling die uiterlijk op 31 december van het schooljaar in kwestie als gevolg van een beslissing van een jeugdrechter of publiekrechtelijke overheid opgenomen wordt in een multifunctioneel centrum dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
8° de leerling die in het verleden en uiterlijk op 31 december van het schooljaar in kwestie door een beslissing van een jeugdrechter of publiekrechtelijke overheid opgenomen is in een multifunctioneel centrum dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
9° de leerling die uiterlijk op 31 december van het schooljaar in kwestie onder het project voor maatschappelijke integratie, vermeld in artikel 11, § 2, eerste lid, a), van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, valt en leefloon ontvangt conform artikel 14, § 1, 2°, 3° van de voormelde wet;
10° de leerling, vermeld in artikel 2, 1° en 2°, van dit besluit, en de leerling die vluchteling of subsidiair beschermde is conform respectievelijk artikel 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
11° de leerling voor wie met toepassing van artikel 68, § 3, van het decreet van 27 april 2018 de gezinsbijslagen worden uitbetaald op een rekeningnummer op naam van de leerling.

In het eerste lid wordt verstaan onder besluit van 13 juli 1994: het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand.

§ 2. De inkomsten waarmee rekening wordt gehouden om het recht op een selectieve participatietoeslag vast te stellen, worden vastgesteld conform artikel 3, § 2.

HOOFDSTUK 4. Inkomsten van het gezin

ART 7.

De inkomsten van het gezin, vermeld in artikel 37, eerste lid, van het decreet van 27 april 2018, bestaan uit al de volgende elementen samen:
1° de volgende belastbare inkomsten, voor aftrek van de aftrekbare bestedingen:
a) de beroepsinkomsten:
1) voor de beroepsinkomsten in loonverband: vóór de aftrek van beroepskosten;
2) voor de beroepsinkomsten als zelfstandige: na de aftrek van beroepskosten, vermenigvuldigd met een factor 100/80;
b) de uitkeringen in het kader van de ziekteverzekering;
c) de werkloosheidsuitkeringen;
d) de pensioenen;
2° 80% van de onderhoudsgelden die uitbetaald zijn aan de persoon of personen van wie de inkomsten voor de berekening van de toelage in aanmerking worden genomen;
3° drie keer het geïndexeerde kadastraal inkomen vreemd gebruik en één keer het geïndexeerde kadastraal inkomen voor eigen beroepsdoeleinden;
4° de inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend conform de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan personen met een handicap;
5° het leefloon, toegekend conform de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
6° het equivalent van leefloon, toegekend conform de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
7° alle inkomsten die voortvloeien uit de beroepsactiviteit, toegekend aan de personeelsleden van een Europese of andere internationale instelling, verminderd met de persoonlijke bijdragen voor de verzekering die de instelling organiseert om socialezekerheidsrisico's te dekken.

In afwijking van het eerste lid, 1°, wordt 80% van de onderhoudsgelden die betaald zijn door de persoon of personen van wie de inkomsten voor de berekening van de toeslag in aanmerking worden, wel afgetrokken van de belastbare inkomsten.

Voor de omrekening naar het inkomen van het gezin conform dit artikel, worden in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen geldende regels gevolgd.

ART 8.

Het inkomen dat in het buitenland of bij een Europese of andere internationale instelling verworven wordt, wordt voor de berekening van de toeslag vastgesteld op basis van attesten die de buitenlandse belastingdienst uitgereikt heeft, of, als die ontbreken, op basis van attesten die de werkgevers, diensten of instellingen uitgereikt hebben.

ART 9.

De leerling van wie de inkomsten van het gezin waartoe hij conform artikel 3 van dit besluit behoort, de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43 van het decreet van 27 april 2018, niet overschrijden, wordt voor de toepassing van dit besluit beschouwd als rechthebbende op een toeslag.

ART 10.

Het kadastraal inkomen van het gezin wordt gewogen conform het tweede lid om te bepalen of de leerling in aanmerking komt voor een selectieve participatietoeslag.

Als het geïndexeerde kadastraal inkomen vreemd gebruik van de personen van wie de inkomsten conform artikel 38 van het decreet van 27 april 2018 als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van de inkomsten, hoger is dan 1250 euro, heeft een leerling geen recht op een toeslag als het verdrievoudigde geïndexeerde kadastraal inkomen vreemd gebruik van de personen van wie de inkomsten van het gezin conform artikel 38 van het voormelde decreet als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van de gezinsinkomsten, hoger is dan 20% van de inkomsten, vermeld in artikel 7 van dit besluit, verminderd met drie keer het geïndexeerde kadastraal inkomen vreemd gebruik en één keer het geïndexeerde kadastraal inkomen voor eigen beroepsdoeleinden als vermeld in artikel 7, eerste lid, 3°, van dit besluit.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als de inkomsten van het gezin geheel of gedeeltelijk zijn samengesteld uit leefloon of het equivalent van leefloon, of voor minstens 70% bestaan uit alimentatiegelden, vervangingsinkomsten, een overlevingspensioen of een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het kader van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan personen met een handicap.

Het eerste en tweede lid zijn evenmin van toepassing op alleenstaande leerlingen als vermeld in artikel 38, § 1, 5°, van het decreet van 27 april 2018.

HOOFDSTUK 5. Automatische procedure

ART 11.

Een onderzoek tot toekenning van een selectieve participatietoeslag wordt op zijn vroegst op 1 augustus van het lopende schooljaar automatisch opgestart door een uitbetalingsactor.

De selectieve participatietoeslag wordt op zijn vroegst uitbetaald de laatste maandag die voorafgaat aan het schooljaar in kwestie.

ART 12.

§ 1. De inkomsten, vermeld in artikel 7 tot en met 10, zijn de inkomsten die blijken uit het aanslagbiljet dat betrekking heeft op de inkomsten van het kalenderjaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het schooljaar in kwestie begint.

Voor gezinnen die anders zijn samengesteld in het jaar waarop het aanslagbiljet betrekking heeft, wordt het inkomen gereconstrueerd op basis van de huidige gezinssamenstelling.

Als naar aanleiding van de latere verificatie de aanslag, vermeld in het eerste lid, herzien wordt, wordt met de herziene aanslag rekening gehouden.

§ 2. Het kadastraal inkomen en de niet-belastbare inkomsten worden vastgesteld op basis van het kalenderjaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het schooljaar in kwestie begint.

§ 3. Niet-belastbare inkomsten worden vastgesteld aan de hand van databanken of van attesten van werkgevers, diensten of instellingen.

§ 4. Attesten die de buitenlandse belastingdienst uitgereikt heeft, of, als die ontbreken, attesten die de werkgevers, diensten of instellingen uitgereikt hebben als de inkomsten in het buitenland of bij een Europese of een andere internationale instelling verworven zijn, en die betrekking hebben op dezelfde periode, worden gelijkgesteld met het aanslagbiljet.

ART 13.

Van het in aanmerking te nemen jaar, vermeld in artikel 12, § 1, eerste lid, en § 2, wordt afgeweken als er na het in aanmerking te nemen jaar, vermeld in artikel 12, § 1, eerste lid, en § 2, aan al de volgende voorwaarden samen voldaan wordt:
1° aan een van de personen op de inkomsten van wie de toeslag wordt berekend, wordt pas in de loop van of na het in aanmerking te nemen jaar, vermeld in artikel 12, § 1, eerste lid, en § 2, een van de volgende verblijfstitels verleend:
a) slachtoffer van mensenhandel, geattesteerd door een door de federale overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel;
b) persoon met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten is tot een verblijf van bepaalde duur in België conform artikel 49, § 1, of artikel 49/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
2° de inkomsten van een van de personen waarop de toeslag wordt berekend, kan niet bepaald worden aan de hand van de door de Federale Overheidsdienst Financiën gecontroleerde inkomsten, vermeld in artikel 12, § 1, eerste lid, en § 2, of aan de hand van de door een buitenlandse belastingdienst gecontroleerde inkomsten.

In het geval, vermeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de inkomsten van het eerste kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de verblijfstitel is verkregen.

ART 14.

Aan het begin van elk schooljaar wordt gecontroleerd of de beoordeling op basis van artikel 12 correct is voor het kalenderjaar waarvan de inkomsten worden beoordeeld bij het begin van het schooljaar in kwestie.

HOOFDSTUK 6. Alarmbelprocedure

ART 15.

De personen die geen selectieve participatietoeslagen ontvangen onder toepassing van de automatische procedure, vermeld in hoofdstuk 5, kunnen bewijzen dat hun gezinsinkomen voldoet aan de inkomensgrenzen door een verzoek tot toekenning of herziening te richten aan de uitbetalingsactor. Het verzoek tot toekenning of herziening bevat bewijsstukken van minstens zes maanden die aantonen dat het gezinsinkomen in het kalenderjaar waarin het schooljaar is gestart, onder de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 20, tweede lid, ligt.

ART 16.

Aan het begin van elk schooljaar wordt gecontroleerd of de beoordeling op basis van artikel 15 correct is voor het kalenderjaar waarvan de inkomsten worden beoordeeld bij het begin van het schooljaar in kwestie.

HOOFDSTUK 7. Procedurele voorwaarden

ART 17.

De meerderjarige leerling of de wettelijke vertegenwoordiger kan de uitbetalingsactor verzoeken de toeslag geheel of gedeeltelijk uit te betalen aan een openbare instelling die de persoon aan wie de selectieve participatietoeslag wordt uitbetaald, begeleidt ter bescherming van zijn financiële belangen.

ART 18.

Als een leerling aangeeft dat hij behoort tot een gezin als vermeld in artikel 38, § 1, 3°, 4° of 5°, van het decreet van 27 april 2018, maar conform artikel 38, § 4, van het voormelde decreet deel uitmaakt van een gezin als vermeld in artikel 38 1, 1° of 2°, van het voormelde decreet, worden de gegevens over de inkomsten bij de toekenning of afwijzing van het verzoek niet meegedeeld aan de leerling door de uitbetalingsactoren.

In afwijking van het eerste lid wordt het inkomen van het gezin, vermeld in artikel 38, § 1, 1° en 2°, van het voormelde decreet, in de beroepsbeslissing van de geschillencommissie meegedeeld aan de leerling die bij zijn verzoek heeft aangegeven dat hij behoort tot een gezin als vermeld in artikel 38, § 1, 3°, 4° of 5°, van het voormelde decreet, als dat inkomen met toepassing van artikel 38, § 4, van het voormelde decreet berekend is op basis van de inkomsten van de gezinnen, vermeld in artikel 38, § 1, 1° en 2°, van het voormelde decreet.

ART 19.

De aanvraag van een selectieve participatietoeslag kan op zijn vroegste op 1 augustus van het schooljaar in kwestie worden ingediend.

Het verzoek wordt ingediend met een formulier dat het agentschap ter beschikking stelt, en wordt met de post, op elektronische wijze of via neerlegging bezorgd aan de betrokken uitbetalingsactor. Als het verzoek met de post is verstuurd, geldt de poststempel als bewijs van de datum van indiening. Als het verzoek digitaal is bezorgd, geldt de datum van indiening die op het ontvangstbericht van de dienst vermeld is, als bewijs van de datum van indiening.

HOOFDSTUK 8. Inkomensgrenzen

ART 20.

De volgende minimuminkomensgrenzen gelden als minimuminkomensgrenzen als vermeld in artikel 43, § 1, 1°, van het decreet van 27 april 2018:
1° 11.808,74 euro voor een gezin met nul punten;
2° 20.465,08 euro voor een gezin met een punt;
3° 23.089,01 euro voor een gezin met twee punten;
4° 25.296,38 euro voor een gezin met drie punten;
5° 26.629,19 euro voor een gezin met vier punten;
6° 27.948,13 euro voor een gezin met vijf punten;
7° 29.266,99 euro voor een gezin met zes punten;
8° 30.585,88 euro voor een gezin met zeven punten;
9° 31.904,76 euro voor een gezin met acht punten;
10° 33.223,65 euro voor een gezin met negen punten;
11° 34.542,54 euro voor een gezin met tien punten;
12° 35.861,49 euro voor een gezin met elf punten;
13° 37.180,34 euro voor een gezin met twaalf punten;
14° 38.499,24 euro voor een gezin met dertien punten;
15° 39.818,18 euro voor een gezin met veertien punten;
16° 41.102,63 euro voor een gezin met vijftien punten;
17° 42.312,77 euro voor een gezin met zestien punten;
18° 43.522,91 euro voor een gezin met zeventien punten;
19° 44.733,01 euro voor een gezin met achttien punten;
20° 45.943,15 euro voor een gezin met negentien punten;
21° 47.153,27 euro voor een gezin met twintig punten.

De volgende maximuminkomensgrenzen gelden als maximuminkomensgrenzen als vermeld in artikel 43, § 1, 2°, van het voormelde decreet:
1° 24.153,07 euro voor een gezin met nul punten;
2° 33.916,35 euro voor een gezin met een punt;
3° 41.490,60 euro voor een gezin met twee punten;
4° 47.089,41 euro voor een gezin met drie punten;
5° 53.159,68 euro voor een gezin met vier punten;
6° 60.644,35 euro voor een gezin met vijf punten;
7° 65.712,70 euro voor een gezin met zes punten;
8° 68.426,73 euro voor een gezin met zeven punten;
9° 71.107,47 euro voor een gezin met acht punten;
10° 73.794,25 euro voor een gezin met negen punten;
11° 76.652,59 euro voor een gezin met tien punten;
12° 79.167,95 euro voor een gezin met elf punten;
13° 81.969,06 euro voor een gezin met twaalf punten;
14° 84.598,76 euro voor een gezin met dertien punten;
15° 87.285,60 euro voor een gezin met veertien punten;
16° 89.972,35 euro voor een gezin met vijftien punten;
17° 92.659,23 euro voor een gezin met zestien punten;
18° 95.346,02 euro voor een gezin met zeventien punten;
19° 98.032,81 euro voor een gezin met achttien punten;
20° 100.719,71 euro voor een gezin met negentien punten;
21° 103.406,48 euro voor een gezin met twintig punten.

HOOFDSTUK 9. Slotbepalingen

ART 21.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2019.

ART 22.

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.