Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de personeelsformatie in het buitengewoon basisonderwijs

  • goedkeuringsdatum
    17/06/1997
  • publicatiedatum
    B.S. 27/08/1997 (pagina 21881)
  • bron

    Numac : 1997035953
  • datum laatste wijziging
    05/10/2018

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

ART. 1.

Dit besluit is van toepassing op het buitengewoon basisonderwijs gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.

ART. 2.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1° cursus: geheel van minimum twee tot maximum drie lestijden, bestemd voor het onderwijs in één van de erkende godsdiensten, de niet-confessionele zedenleer of de cultuurbeschouwing;

2° decreet: het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;

3° externe leerling: leerling die tijdens de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen, alleen revaliderende of therapeutische behandelingen ondergaat die verstrekt worden door personen van wie het ambt wordt gefinancierd of gesubsidieerd door het departement Onderwijs met uitzondering van de leerlingen die vallen onder de toepassing van het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982;

4° interne leerling: leerling die ingeschreven is in een internaat, de internaten van het gemeenschapsonderwijs uitgezonderd, waaraan verplegers, kinesitherapeuten, logopedisten en/of ergotherapeuten verbonden zijn;

5° interne leerling gelijkgesteld met een externe leerling: leerling die ingeschreven is in een internaat, de internaten van het gemeenschapsonderwijs uitgezonderd, waaraan geen verplegers, kinesitherapeuten, logopedisten en ergotherapeuten verbonden zijn;

6° leerling: leerling die voldoet aan de bepalingen van de artikelen 20 en 21 van het decreet of daar op grond van artikel 23 of 24 van afwijkt;

6°bis ...

7° semi-interne leerling: leerling die ingeschreven is in een semi-internaat, de semi-internaten van het gemeen-schapsonderwijs uitgezonderd, waaraan verplegers, kinesitherapeuten, logopedisten en/of ergotherapeuten verbonden zijn;

8° semi-interne leerling gelijkgesteld met een externe leerling: leerling die ingeschreven is in een semi-internaat, de semi-internaten van het gemeenschapsonderwijs uitgezonderd, waaraan geen verplegers, kinesitherapeuten, logopedisten en ergotherapeuten verbonden zijn;

9° teldag: dag waarop de leerlingen, met toepassing van het decreet, worden geteld;

10° telperiode: periode waarin de leerlingen, met toepassing van het decreet, worden geteld;

11° toetsnorm: norm uitgedrukt in uren waarmee de urenpakketten voor het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel in het internaat, semi-internaat en de school worden vergeleken;

HOOFDSTUK 2 DIRECTIE

AFDELING A BELEIDSONDERSTEUNING

ART. 3.

[... (opgeh. B.V.R. 23 februari 1999, art. 1, I: 1 september 1998) ]

AFDELING B DIRECTIE MET ONDERWIJSOPDRACHT

ART. 4.

 § 1. Met toepassing van artikel 130, § 2, van het decreet wordt de directeur belast met een onderwijsopdracht van:
1° 10 lestijden in scholen met minder dan 20 leerlingen;
2° 4 lestijden in scholen met 20 tot en met 39 leerlingen;

§ 2. Voor de toepassing van § 1 wordt rekening gehouden met de leerlingen uit het kleuteronderwijs en uit het lager onderwijs die in aanmerking komen voor de berekening van de lestijden volgens de schalen van het lopende schooljaar.

§ 3. ...

§ 4. De leerlingen die in het schooljaar 2014-2015 in het kader van het geïntegreerd onderwijs begeleid zijn, komen ook in aanmerking voor de toepassing van paragraaf 1, op voorwaarde dat de school op de eerste schooldag van oktober van het schooljaar 2014-2015 minimaal tien regelmatige leerlingen in het geïntegreerd onderwijs begeleid heeft.

 

AFDELING C BIJZONDERE BEPALINGEN INZAKE VRIJWILLIGE FUSIES

ART. 5.

§ 1. Met toepassing van artikel 130, § 2, van het decreet behoudt de adjunct-directeur van een school die ontstaan is uit vrijwillige fusie, zoals bedoeld in artikel 129 van het decreet, gedurende het schooljaar van de fusie en de drie daaropvolgende schooljaren, de onderwijsopdracht waarmee hij belast was tijdens het schooljaar voorafgaand aan de fusie.

Na die periode van vier schooljaren is de adjunct-directeur niet langer belast met een onderwijsopdracht, op voorwaarde dat de school op de teldag ten minste 60 leerlingen telt.

§ 2. Voor de toepassing van § 1, tweede lid wordt rekening gehouden met de leerlingen uit het kleuteronderwijs en uit het lager onderwijs die in aanmerking komen voor de berekening van de lestijden volgens de schalen voor het lopende schooljaar.

HOOFDSTUK 3 ONDERWIJZEND PERSONEEL

AFDELING A LESTIJDEN VOLGENS DE SCHALEN

ART. 6.

§ 1. Met toepassing van artikel 137ter van het decreet worden de lestijden volgens de schalen jaarlijks per type vastgesteld volgens de tabellen in de bijlagen 1, 2 en 3 bij dit besluit.

§ 2. Voor de berekening van het aantal lestijden bij een leerlingenaantal hoger dan voorzien in de respectieve tabellen, worden voor bijkomende leerlingen de drie laatste verhogingen van het aantal lestijden in die tabel telkens herhaald.

ART. 7.

Op de lestijden volgens de schalen wordt het aanwendingspercentage 94,5 % toegepast.

ART. 8.

§ 1. Uit de lestijden volgens de schalen verkregen conform de artikelen 6 en 7 worden de betrekkingen en opdrachten geput voor:

- de eventuele onderwijsopdracht van de directeur en de adjunct-directeur;

- het ambt van kleuteronderwijzer algemene en sociale vorming;

- het ambt van onderwijzer algemene en sociale vorming;

- het eventuele ambt van leermeester algemene en sociale vorming, specialiteit: lichamelijke opvoeding;

- het eventuele ambt van leermeester algemene en sociale vorming, compensatietechnieken braille, type 6;

- de lestijden voor de meest gekozen godsdienst, niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing.

§ 2. In elke school voor buitengewoon basisonderwijs wordt een lid van het onderwijzend personeel belast met het onthaal, de observatie en de tijdelijke begeleiding van de nieuwe leerlingen die tijdens het schooljaar worden ingeschreven, en/of de leerlingen die bijzondere individuele hulp nodig hebben.

§ 3. Als in een school voor buitengewoon basisonderwijs een lid van het onderwijzend personeel wordt belast met opvoedende activiteiten en/of het permanent onderwijs aan huis, dan kan de opdracht nooit meer bedragen dan een volledige betrekking. Bovendien mag het aantal lestijden nooit meer bedragen dan het aantal besteed aan de opdracht uit § 2.

§ 4. Bij de vergelijking van het aantal lestijden besteed aan de opdrachten uit § 2 en § 3 worden de lestijden voor perma-nent onderwijs aan huis niet in rekening gebracht.

ART. 9.

De omrekening van de lestijden volgens de schalen naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse of deeltijdse betrekkingen en opdrachten bepaald in artikel 8, gebeurt als volgt:

1° de lestijden volgens de schalen voor de types die de school organiseert, worden samengeteld;

2° op dit totaal wordt het aanwendingspercentage toegepast; het resultaat wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer achter de komma groter is dan 4;

3° het resultaat wordt verminderd met de eventuele lestijden onderwijsopdracht van de directeur en de adjunct-directeur;

4° de overblijvende lestijden worden toegekend aan het onderwijzend personeel met dien verstande dat elke lestijd besteed aan de lesopdracht uit de lestijden volgens de schalen wordt geput.

ART. 10.

Voor de toepassing van artikel 137bis, § 5 van het decreet is het gemiddeld aantal onderwijsdagen per kind gelijk aan 10.

ART. 11.

§ 1. Het aantal cursussen van de meest gekozen godsdienst, niet-confessionele zedenleer of cultuur-beschouwing wordt berekend door het aantal leerlingen van de meest gekozen godsdienst, niet-confessionele zedenleer of cultuurbeschouwing op de teldag of in de telperiode:

- voor de types 1, basisaanbod en 8 te delen door 9 voor de eerste 49 leerlingen, en door 10 vanaf de vijftigste leerling;

- voor de types 2, 3, 4, 5 en 9 te delen door 6 voor de eerste 34 leerlingen, en door 7 vanaf de vijfendertigste leerling;

- voor de types 6 en 7 te delen door 5 voor de eerste 34 leerlingen, en door 6 vanaf de vijfendertigste leerling.

§ 2. De aldus verkregen quotiënten worden opgeteld en het resultaat wordt steeds naar beneden afgerond. Het resultaat van deze berekening is het aantal te organiseren cursussen.

§ 3. Elke cursus omvat ten minste 2 en ten hoogste 3 lestijden.

AFDELING B AANVULLENDE LESTIJDEN

ONDERAFDELING 1 AANVULLENDE LESTIJDEN VOOR GODSDIENST EN NIET-CONFESSIONELE ZEDEN-LEER IN HET BUITENGEWOON LAGER ONDERWIJS

ART. 12.

§ 1. Met toepassing van artikel 138, § 1, 1° van het decreet worden op grond van het aantal re-gelmatige leerlingen op de teldag of in de telperiode, aanvullend bij de lestijden volgens de schalen, lestijden gefinancierd of gesubsidieerd voor de cursussen van de minder gekozen godsdienst of niet-confessionele zedenleer.

§ 2. Een cursus van een minder gekozen godsdienst of niet-confessionele zedenleer bedraagt evenwel lestijden als de cursus van de meest gekozen godsdienst of niet-confessionele zedenleer. De verschillende cursussen worden gelijktijdig georganiseerd.

§ 3. Het aantal cursussen van de minder gekozen godsdienst of niet-confessionele zedenleer kan ten hoogste gelijk zijn aan het aantal cursussen van de meest gekozen godsdienst of niet-confessionele zedenleer.

ART. 13.

§ 1. Zodra een leerling wordt ingeschreven voor een minder gevolgde cursus die niet gefinancierd of gesubsidieerd kon worden op grond van de schoolbevolking op de teldag of in de telperiode, wordt deze cursus toch onmiddellijk gefinancierd of gesubsidieerd op dezelfde wijze als bepaald in artikel 12 van dit besluit.

§ 2. Een minder gevolgde cursus die gefinancierd of gesubsidieerd kan worden op grond van het aantal leerlingen op de teldag of in de telperiode, maar waarvoor tijdens het lopende schooljaar geen leerlingen meer zijn ingeschreven, wordt niet langer gefinancierd of gesubsidieerd.

ONDERAFDELING 2 AANVULLENDE LESTIJDEN VOOR PERMANENT ONDERWIJS AAN HUIS IN HET BUITENGEWOON LAGER ONDERWIJS

ART. 14.

Met toepassing van artikel 138, § 1, 4° van het decreet worden, aanvullend bij de lestijden volgens de schalen, per leerling die voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 35 van het decreet, vier lestijden gefinancierd of gesubsidieerd voor het permanent onderwijs aan huis.

[Onderafdeling 3 ...]

ART. 14bis.

...

ART. 14ter.

...

ART. 14quater.

...

AFDELING C BIJZONDERE BEPALINGEN BIJ FUSIES

ART. 15.

...

ART. 16.

§ 1. Op basis van artikel 146 van het decreet krijgt de school, met uitzondering van scholen voor type 5, die ontstaan is uit vrijwillige fusie bij-komende lestijden. Deze lestijden worden als volgt berekend:

X: het lestijdenpakket op basis van de reglementering in de veronderstelling dat de structuur van vóór de fusie behouden blijft;

Y: het lestijdenpakket op basis van de reglementering vertrekkende van de nieuwe structuur na de fusie;

Z: het verschil tussen X en Y (X - Y = Z).

§ 2. Het pakket bijkomende lestijden wordt eenmaal berekend en gespreid in de tijd en afnemend van jaar tot jaar toegekend:
- het schooljaar van de fusie: 100 % van Z;
- het eerste schooljaar na de fusie: 75 % van Z;
- het tweede schooljaar na de fusie: 50 % van Z;
- het derde schooljaar na de fusie: 25 % van Z;
- vanaf het vierde schooljaar na de fusie: 0 % van Z.

§ 3. De bijkomende lestijden worden niet langer gefinancierd of gesubsidieerd zodra de school opsplitst.

HOOFDSTUK 4 PARAMEDISCH, MEDISCH, SOCIAAL, PSYCHOLOGISCH EN ORTHOPE-DAGOGISCH PERSONEEL

ART. 17.

§ 1. Met toepassing van artikel 148 van het decreet worden de uren volgens de richtgetallen bepaald door het aantal regelmatige leerlingen, de leerlingen die vallen onder de toepassing van het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982 uitgezonderd, per type te vermenigvuldigen met de volgende richtgetallen:
- type 1: 1;
- type basisaanbod : 1
- type 2: 3,9;
- type 3: 2,1; 
- type 4: 5;
- type 6: 2,1; 
- type 7: 2,9;
- type 8: 1;
- type 9 : 2,1.

§ 2. De som van de producten verkregen op grond van § 1 wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer achter de komma groter is dan vier.

ART. 18.

§ 1. Met toepassing van artikel 149 van het decreet is het urenpakket voor het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel van scholen van het gesubsidieerd onderwijs waar interne en/of semi-interne leerlingen zijn ingeschreven, afhankelijk van de personeelsbezetting in het internaat en/of semi-internaat.

§ 2. Het urenpakket voor deze scholen wordt afzonderlijk berekend voor leerlingen met een inschrijvingsverslag voor bui-tengewoon onderwijs van type 4, en de interne en semi-interne leerlingen met een inschrijvingsverslag voor de types 1, 2, 3, 6, 7 of 8, zoals bepaald in artikel 15 van het decreet.

ART. 19.

§ 1. Voor de leerlingen met een inschrijvingsverslag voor buitengewoon onderwijs van type 4 wordt het urenpakket berekend door het aantal interne, semi-interne en externe of ermee gelijkgestelde interne en semi-interne leerlingen uit het gesubsidieerd onderwijs op de teldag te vermenigvuldigen met richtgetal 5. [... (geschr. B.V.R. 8 november 2002, art. 3, I: 1 september 2002) ]

§ 2. Het urenpakket wordt bovendien begrensd tot het urenpakket dat het voorgaande schooljaar voor deze leerlingen werd gesubsidieerd.

ART. 20.

§ 1. Voor de interne en semi-interne leerlingen uit het gesubsidieerd onderwijs met een in-schrijvingsverslag voor buitengewoon onderwijs van type 1, 2, 3, 6, 7 of 8 wordt eerst een toetsnorm berekend door het aantal leerlingen per type op de teldag te vermenigvuldigen met de volgende factor:

- type 1, 3 en 8: 1,60

- type 2: 3,20

- type 6 en 7: 6,72

Het resultaat van deze berekening wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer achter de komma groter is dan vier.

§ 2. Het urenpakket voor de schoolgaande internen en semi-internen in het internaat en semi-internaat wordt bepaald door het aantal schoolgaande internen en semi-internen op de teldag te vermenigvuldigen met de personeelsbezetting uitgedrukt in uren per week voor verplegers, kinesitherapeuten, logopedisten en ergotherapeuten verbonden aan het internaat en het semi-internaat. Dit product wordt gedeeld door het totaal aantal internen en semi-internen in het internaat en semi-internaat, zowel schoolgaanden als niet-schoolgaanden. Het resultaat wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer achter de komma groter is dan vier.

§ 3. Het urenpakket voor de interne en semi-interne leerlingen in de school wordt berekend door het totale urenpakket paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel te verminderen met het urenpakket voor de externe leerlingen en met het urenpakket voor de leerlingen met een inschrijvingsattest type 4. Het betreft de urenpakketten die tijdens het voorgaande schooljaar werden gesubsidieerd.

§ 4. De totale personeelsbezetting voor de interne en semi-interne leerlingen in de school, het internaat en het semi-internaat is de som van de urenpakketten zoals bepaald in § 2 en § 3.

ART. 21.

§ 1. Als de totale personeelsbezetting, zoals bepaald in artikel 20, § 4, groter is dan de toetsnorm, dan is het urenpakket voor de interne en semi-interne leerlingen dat door Onderwijs wordt gesubsidieerd gelijk aan de toetsnorm verminderd met het urenpakket zoals bepaald in artikel 20, § 2.

§ 2. Is de totale personeelsbezetting zoals bepaald in artikel 20, § 4 kleiner of gelijk aan de toetsnorm, dan wordt voor de interne en semi-interne leerlingen met een inschrijvingsverslag voor de types 1, 2, 3, 6, 7 of 8 een urenpakket berekend zoals bepaald in de artikelen 17 en 22.

§ 3. Als de som van de urenpakketten, zoals berekend in artikel 20, § 2 en artikel 21, § 2 groter is dan de toetsnorm, dan is het urenpakket voor de interne en semi-interne leerlingen dat door Onderwijs wordt gesubsidieerd gelijk aan de toetsnorm verminderd met het urenpakket bepaald in artikel 20, § 2. Is de som kleiner of gelijk aan de toetsnorm, dan is het uren-pakket gelijk aan dat bepaald in § 2 van dit artikel.

ART. 22.

[... (opgeh. B.V.R. 8 november 2002, art. 4, I: 1 september 2002) ]

ART. 23.

Uit de uren volgens de richtgetallen worden de betrekkingen geput voor:

- het ambt van logopedist;

- het ambt van kinesitherapeut;

- het ambt van ergotherapeut;

- het ambt van verpleger;

- het ambt van maatschappelijk werker;

- het ambt van kinderverzorger;

- het ambt van arts;

- het ambt van psycholoog;

- het ambt van orthopedagoog.

ART. 24.

Met toepassing van artikel 150, § 2 van het decreet worden uit het urenpakket zoals bepaald volgens de artikelen 17 tot 22:

- voor een voltijdse opdracht van arts, psycholoog of orthopedagoog 40 eenheden geput;

- voor een voltijdse opdracht van maatschappelijk werker, kinderverzorger, ergotherapeut, kinesitherapeut en verpleger 32 eenheden geput;

- voor een voltijdse opdracht van logopedist 30 eenheden geput.

ART. 25.

§ 1. Met toepassing van artikel 149 komen de leerlingen die vóór type 5 verbonden aan een preven-torium al ingeschreven waren in een school voor buitengewoon onderwijs van type 1, basisaanbod, 2, 3, 4, 6, 7, 8 of 9 in aanmerking voor de berekening van een urenpakket logopedie.

§ 2. Het urenpakket wordt bepaald door per type de gemiddelde aanwezigheid van deze leerlingen tijdens de telperiode te berekenen.

§ 3. De gemiddelde aanwezigheid wordt vermenigvuldigd met de richtgetallen bepaald in artikel 17, § 1. De som van de producten wordt afgerond naar de hogere eenheid als het eerste cijfer achter de komma groter is dan vier.

[HOOFDSTUK IVBIS BELEIDS- EN ONDERSTEUNEND PERSONEEL (ing. B.V.R. 5 maart 2004, art. 1) ]

ART. 25bis.

Met toepassing van artikel 153novies van het decreet wordt aan iedere school voor buitengewoon basisonderwijs een puntenenveloppe voor administratief personeel toegekend. (ing. B.V.R. 5 maart 2004, art. 1, I: 1 september 2003) ]

ART. 25ter.

§ 1. De totale puntenenveloppe voor het gesubsidieerd buitengewoon basisonderwijs wordt per schooljaar berekend door het binnen de begrotingskredieten beschikbare budget voor administratief personeel in het gesubsidieerd buitengewoon basisonderwijs te delen door de geldwaarde per punt. De geldwaarde per punt wordt bepaald door de gemiddelde loonkost van een full-time betrekking te delen door 82.

§ 2. Elke school, met uitzondering van de type 5 scholen, heeft recht op een basisenveloppe van 9 punten.

§ 3. Per school, met uitzondering van de type 5 scholen, wordt een bijkomende puntenenveloppe toegekend die berekend wordt door het gewogen aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de teldag of het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de telperiode die van toepassing is voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, te vermenigvuldigen met de puntenwaarde per leerling en waarbij:

- de wegingcoëfficiënt voor een leerling lager onderwijs gelijk is aan 1 en de wegingscoëfficiënt voor een kleuter gelijk is aan 0,6636;

- de puntenwaarde per leerling het resultaat is van de volgende bewerking:

totale puntenveloppe - (9 x aantal scholen van het gesubsidieerd buitengewoon basisonderwijs met uitzondering van de type 5 scholen) / totaal gewogen aantal leerlingen gesubsidieerd buitengewoon basisonderwijs met uitzondering van de leerlingen in de type 5 scholen;

- het resultaat van de berekening van deze bijkomende puntenenveloppe wordt afgerond naar de hogere eenheid indien het eerste cijfer na de komma groter is dan 4.

§ 4. Elke type 5 school in het buitengewoon basisonderwijs heeft recht op een basisenveloppe van 53 punten. Daarnaast wordt een bijkomende puntenenveloppe toegekend van 41 punten per bijkomende vestigingsplaats.

ART. 25quater.

§ 1. De totale puntenenveloppe voor het buitengewoon basisonderwijs van het gemeen-schapsonderwijs wordt per schooljaar berekend door het binnen de begrotingskredieten beschikbare budget voor admi-nistratief personeel in het gewoon basisonderwijs van het gemeenschapsonderwijs te delen door de geldwaarde per punt. De geldwaarde per punt wordt bepaald door de gemiddelde loonkost van een full-time betrekking te delen door 82.

§ 2. Elke school heeft recht op een basisenveloppe van 9 punten.

§ 3. Per school wordt een bijkomende puntenenveloppe toegekend die berekend wordt door het gewogen aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de teldag of het gemiddeld aantal regelmatige leerlingen tijdens de telperiode die van toepassing is voor de berekening van de lestijden volgens de schalen, te vermenigvuldigen met de puntenwaarde per leerling en waarbij:

- de wegingscoëfficiënt voor een leerling lager onderwijs gelijk is aan 1 en de wegingscoëfficiënt voor een kleuter gelijk is aan 0,6636;

- de puntenwaarde per leerling wordt bepaald door de volgende bewerking:

totale puntenveloppe - (9 x aantal gemeenschapsscholen buitengewoon basisonderwijs) / totaal gewogen aantal leerlingen buitengewoon basisonderwijs van het gemeenschapsonderwijs;

- het resultaat van de berekening van deze bijkomende puntenenveloppe wordt afgerond naar de hogere eenheid indien het eerste cijfer na de komma groter is dan 4. (ing. B.V.R. 5 maart 2004, art. 1, I: 1 september 2003) ]

ART. 25quinquies.

Uit de puntenenveloppe, verkregen volgens artikel 25ter of artikel 25quater, kan het ambt van administratief medewerker worden ingericht uit de categorie van beleids- en ondersteunend personeel. (ing.B.V.R. 5 maart 2004, art. 1, I: 1 september 2003) ]

ART. 25sexies.

Puntenwaarde § 1. De omrekening van punten naar de gefinancierde of gesubsidieerde voltijdse betrekkingen gebeurt als volgt:

1° indien een betrekking wordt ingericht die de weddenschaal 202 genereert, wordt voor een voltijdse betrekking 63 punten in rekening gebracht;

2° indien een betrekking wordt ingericht die de weddenschaal 158 genereert, wordt voor een voltijdse betrekking 82 punten in rekening gebracht;

3° indien een betrekking wordt ingericht die de weddenschaal 542 genereert, wordt voor een voltijdse betrekking 120 punten in rekening gebracht;

4° indien een betrekking wordt ingenomen door een personeelslid dat ingevolge een beslissing van de administratieve gezondheidsdienst ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en wedertewerkgesteld wordt als administratieve medewerker, worden voor een voltijdse betrekking 63 punten in rekening gebracht.

§ 2. Voor de aanwending in uren wordt de toegekende puntenenveloppe omgezet volgens de onderstaande tabel:

Puntenwaarde

 

63

82

120

Aantal uren

 

Punten

Punten

Punten

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

17

18

19

20

21

22

23

24

25

26

27

28

29

30

31

32

33

34

35

36

(ing.B.V.R. 5 maar 2004, art. 1, I: 1 september 2003)]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

18

19

21

23

25

26

28

30

32

33

35

37

39

40

42

44

46

47

49

51

53

54

56

58

60

61

63

2

4

5

7

9

11

12

14

16

23

25

27

30

32

34

36

39

41

43

46

48

50

52

55

57

59

62

64

66

68

71

73

75

77

80

82

 

 

 

 

 

2

5

7

9

11

14

16

18

21

33

37

40

43

47

50

53

57

60

63

67

70

73

77

80

83

87

90

93

97

100

103

107

110

113

117

120

 

3

7

10

13

17

20

23

27

30

 

HOOFDSTUK 5 SANCTIES

ART. 26.

Onverminderd de bepalingen van artikel 174 van het decreet, worden met toepassing van artikel 177, § 1, 9° en 10° van het decreet de misbruiken bij het tellen van de regelmatige leerlingen voor het lestijden- en urenpakket, en de misbruiken bij het berekenen en aanwenden van het lestijden- en urenpakket die vastgesteld worden door het Agentschap voor Onderwijsdiensten, bij aangetekend schrijven meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. De mededeling verwijst naar de mogelijke sancties.

ART. 27.

§ 1. Binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de betekening van het aangetekend schrijven kan het schoolbestuur bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten een verweerschrift indienen. De betekening wordt geacht te gebeuren de derde werkdag na het versturen van het aangetekend schrijven. De herfstvakantie, kerstvakantie, krokusvakantie, paasvakantie en zomervakantie schorten de termijn van 30 kalenderdagen op.

§ 2. Na ontvangst van het verweerschrift, en uiterlijk 60 kalenderdagen na de betekening van het aangetekend schrijven, legt het Agentschap voor Onderwijsdiensten eventueel een dossier met een voorstel tot sanctie voor aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs.

ART. 28.

Binnen een termijn van drie maanden na de betekening van de in artikel 26 bedoelde aangetekende brief, neemt de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs, een beslissing omtrent een sanctie. Die beslissing wordt bij aangetekend schrijven meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. Na de termijn van 3 maanden kan er geen sanctie meer worden opgelegd.

HOOFDSTUK 6 OPHEFFINGSBEPALINGEN

ART. 29.

(niet opgenomen)

(Heft de artikelen 2, § 2, 7, § 3, 8, 11, 12 en 13 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon basisonderwijs en de artikelen 3, § 2 en § 3 en 8 van het koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch personeel worden bepaald in de inrichtingen voor het buitengewoon onderwijs, met uitzondering van de internaten of semi-internaten op)

HOOFDSTUK 7 SLOTBEPALINGEN

ART. 30.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 1997 behalve artikel 5 en 16 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1995 en artikel 10 dat in werking treedt op 1 september 1998.

ART. 31.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.