Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars.

  • goedkeuringsdatum
    26 SEPTEMBER 1990
  • publicatiedatum
    B.S.15/02/1991
  • datum laatste wijziging
    21/04/2017

(opschrift gewijzigd bij B.Vl.R. 9-11-2007)

COORDINATIE

B.Vl.R. 19-12-1991 - B.S. 24-6-1992

B.Vl.R. 15-7-1992 - B.S. 18-9-1992

B.Vl.R. 3-2-1993 - B.S. 30-4-1993

B.Vl.R. 7-7-1993 - B.S. 21-10-1993

B.Vl.R. 18-5-1994 - B.S. 4-8-1994

B.Vl.R. 14-12-1994 - B.S. 24-3-1995

B.Vl.R. 25-1-1995 - B.S. 8-9-1995

B.Vl.R. 31-1-1996 - B.S. 20-3-1996

B.Vl.R. 9-7-1996 - B.S. 29-8-1996

B.Vl.R. 15-4-1997 - B.S. 10-7-1997

B.Vl.R. 4-11-1997 - B.S. 9-3-1998

B.Vl.R. 11-1-2002 - B.S. 21-3-2002

B.Vl.R. 28-6-2002 - B.S. 13-12-2002

B.Vl.R. 21-11-2003 - B.S. 11-2-2004

B.Vl.R. 21-11-2003 - B.S. 25-5-2004

B.Vl.R. 1-9-2006 - B.S. 14-11-2006

B.Vl.R. 9-11-2007 - B.S. 25-1-2008

B.Vl.R. 24-4-2009 - B.S. 16-6-2009

B.Vl.R. 4-9-2009 - B.S. 7-12-2009

B.Vl.R. 17-9-2010 - B.S. 9-11-2010

B.Vl.R. 17-12-2010 - B.S. 24-6-2011

B.Vl.R. 7-9-2012 - B.S. 24-10-2012

B.Vl.R. 6-9-2013 - B.S. 4-10-2013

B.Vl.R. 4-9-2015 - B.S. 7-10-2015

B.Vl.R. 10-3-2017 - B.S. 14-4-2017

B.Vl.R. 10-3-2017 - B.S. 21-4-2017

De Vlaamse Regering,

Gelet op de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, inzonderheid op de artikelen 12bis, § 2, ingevoegd bij de wet van 11 juli 1973, en 29;

Gelet op de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij de wetten van 27 juli 1971, 11 juli 1973 en 19 december 1974 en bij het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986, en op de artikelen 4 en 5, gewijzigd bij de wet van 31 maart 1967;

Gelet op de wet van 11 juli 1973 houdende wijziging van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, inzonderheid, op artikel 26, 4° , gewijzigd bij het decreet van 5 juli 1989;

Gelet op het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, inzonderheid op artikel 55, § 1;

Gelet op het protocol van 26 juli 1990 houdende de conclusies van de onderhandelingen in het Gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten (Comité A);

Gelet op het akkoord van de Gemeenschapsminister van Begroting, gegeven op 20 juli 1990;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op de voordracht van de Gemeenschapsminister van Onderwijs;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

[De reglementaire bepalingen inzake bekwaamheidsbewijzen treden], wat de in artikel 2 bedoelde personeelsleden betreft, in werking op 1 september 1990.

B.Vl.R. 17-12-2010

Art. 2.

Dit besluit is van toepassing op de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars van de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde onderwijsinstellingen voor lager, basis-, buitengewoon, voltijds secundair [en deeltijds beroepssecundair onderwijs]² [...]¹.

[ ]¹ B.Vl.R. 9-7-1996; [ ]² B.Vl.R. 4-9-2009

Art. 3.

§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 7 van dit besluit, kan geen [salaris]³ noch [salaristoelage]³ worden verleend voor een personeelslid dat tewerkgesteld wordt in een door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling, tenzij het personeelslid in het bezit is van een van de bekwaamheidsbewijzen die in hoofdstuk II van dit besluit voor de onderscheiden ambten en vakken zijn bepaald.

Deze bekwaamheidsbewijzen worden ingedeeld in :

- vereiste bekwaamheidsbewijzen;

- voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen;

- andere bekwaamheidsbewijzen.

§ 2. Onder door de Vlaamse Regering nader te bepalen voorwaarden kan een personeelslid, dat een bekwaamheidsbewijs bezit dat is opgenomen in hoofdstuk II van dit besluit, een andere onderwijsbevoegdheid verwerven door een door de [Vlaams minister, bevoegd voor het onderwijs]² erkende navorming [of nascholing]¹ te volgen.

[ ]¹ B.Vl.R. 4-11-1997; [ ]² B.Vl.R. 1-9-2006; [ ]³ B.Vl.R. 9-11-2007

[Art. 3bis.

[[§ 1. Onder bewijs van pedagogische bekwaamheid wordt verstaan :

1° het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs;

2° het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs;

3° het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs;

4° het getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen;

5° het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid;

6° het getuigschrift van normaalleergangen;

7° het getuigschrift van pedagogische leergangen;

8° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs - groep 2;

9° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs - groep 1;

[[[10° het diploma van bachelor in het onderwijs : secundair onderwijs;

11° het diploma van leraar, uitgereikt door een specifieke lerarenopleiding, zoals bepaald in het decreet van 15 december 2006 betreffende de lerarenopleidingen in Vlaanderen, met uitzondering van het diploma van leraar dans.]]]

Voor de houder van het diploma van licentiaat die tevens houder is van het diploma van GLSO of GVSO-groep 1 wordt dit laatste gelijkgesteld met het diploma van GHSO of GVO.

§ 2. Bij de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen worden [[[het diploma van onderwijzer en van bachelor in het onderwijs : lager onderwijs, en het diploma van kleuteronderwijzer en van bachelor in het onderwijs : kleuteronderwijs]]] eveneens als een bewijs van pedagogische bekwaamheid beschouwd.]] ]

B.Vl.R. 4-11-1997; [[ ]] B.Vl.R. 21-11-2003; [[[ ]]] B.Vl.R. 9-11-2007

[§ 3. Voor de toepassing van dit besluit moet de onderwijscyclus voor de normaalleergangen, de pedagogische leergangen, het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie en de pedagogische getuigschriften, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs, ten minste 450 lestijden hebben omvat.]

B.Vl.R. 7-9-2012

Art. 4.

§ 1. De in de bijlagen vermelde diploma's en getuigschriften moeten uitgereikt zijn, hetzij door een Belgische universiteit of door een door een wet of decreet daarmee gelijkgestelde instelling of door een door de Staat of door de Gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling, [hetzij door een ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs,]² hetzij door een door de Staat of de Gemeenschap ingestelde examencommissie. [Ze kunnen eveneens uitgereikt zijn na het volgen van een opleiding die door wet of decreet gelijkgesteld is met een opleiding aan een Belgische universiteit of een door de staat of door de gemeenschap georganiseerde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling.]¹

[ ]¹ B.Vl.R. 21-11-2003; [ ]² B.Vl.R. 1-9-2006

§ 2. [Worden eveneens aangenomen de in overeenstemming met een buitenlandse regeling behaalde diploma's en studiegetuigschriften die gelijkwaardig worden verklaard met een van de diploma's of studiegetuigschriften, vermeld in dit besluit :

1° met ingang van 1 september 1990, krachtens verdragen of internationale overeenkomsten of;

2° met ingang van 1 september 1990, met toepassing [[, tot 31 augustus 2011,]]² van de procedure voor het verlenen van de gelijkwaardigheid, voorgeschreven bij de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften of;

3° met ingang van 1 september 1995, met toepassing van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap of;

4° met ingang van 1 oktober 1992, met toepassing van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap of;

5° met ingang van 1 januari 2003, met toepassing van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;

[[6° met ingang van 1 september 2011, met toepassing van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 , het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap en het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.]]²

[[Diploma's of getuigschriften die buiten België uitgereikt zijn, worden eveneens aangenomen indien ze vergezeld gaan van een conformiteitsattest zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 betreffende de omzetting van de Europese Richtlijn 2005/36 voor wervingsambten in het onderwijs en voor sommige functies in de basiseducatie [[[en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties voor gereglementeerde beroepen in het onderwijs in het kader van de Europese Richtlijn 2005/36]]].]]¹ ]

§ 3. In afwijking van de bepalingen van de §§ 1 en 2 hebben de hoofden van de betrokken erediensten of van andere organen de bevoegdheid om de hoedanigheid van bedienaar van de erkende eredienst te bevestigen of om aan sommige van de in de bijlagen opgenomen diploma's of getuigschriften goedkeuring te verlenen of om deze diploma's of getuigschriften uit te reiken.

B.Vl.R. 1-9-2006; [[ ]]¹ B.Vl.R. 24-4-2009; [[ ]]² B.Vl.R. 7-9-2012; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

Art. 5.

[ [[§ 1.]]² Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1°[[...]]5

2° GLSO :

1. het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs;

2. het diploma van geaggregeerde leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad van regentes voor de middelbare scholen;

3. het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;

4. het diploma van regent(es);

5. het diploma van de middelbare technische normaalschool;

6. het diploma van de technische normaalafdelingen met volledig leerplan gerangschikt in de categorie D.;

7. het diploma van geaggregeerde voor het godsdienstonderricht in het lager secundair onderwijs;

8. het diploma van gegradueerde voor het godsdienstonderricht in het lager secundair onderwijs;

9. het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs - groep 1;

2°bis GVSO-groep 1 :

- vanaf 1 september 2000 : het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs - groep 1;

- vanaf 1 september 2003 : eveneens het diploma van leraar dans;

3°[[...]]5

4°[[ten minste master]]6 :

1. de diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op de academische graden, en de diploma's van hoger onderwijs van het lange type of de diploma's van een basisopleiding van twee cycli;

2. de andere diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de staat of de gemeenschap opgerichte examencommissie, indien de duur van de studie ten minste vier jaar bedraagt, zelfs als een gedeelte van de studies niet in één van de voormelde onderwijsinstellingen werd volbracht;

[[2bis. het diploma van master;]]6

3. het diploma van hoger technisch onderwijs van de derde graad;

4. a) het diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad met volledig leerplan;

b) het diploma van voortgezet hoger kunstonderwijs met volledig leerplan;

c) het diploma van hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;

d) het laureaatsattest van het Nationaal Hoger Instituut van Antwerpen, verleend na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;

e) de prijs Lemmens-Tinel, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;

f) het diploma van meester, uitgereikt overeenkomstig de regelgeving op het hoger onderwijs;

5. het diploma van de officieren die vóór 1 januari 1965 met vrucht hun studie hebben volbracht aan de Oefenschool bij de Koninklijke Militaire School of aan de polytechnische afdeling van die school;

6. het diploma van architect, interieurarchitect of van industrieel ingenieur;

5° ten minste HSO :

1. de diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op de academische graden;

2. de andere diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de staat of de gemeenschap opgerichte examencommissie, indien de duur van de studie ten minste vier jaar bedraagt, zelfs als een gedeelte van de studie niet in een van de voormelde onderwijsinstellingen werd volbracht;

[[2bis. het diploma van master;]]6

3. het diploma van hoger technisch onderwijs van de derde graad;

4. het diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad met volledig leerplan;

5. het diploma van voortgezet hoger kunstonderwijs met volledig leerplan;

6. het diploma van hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;

7. het laureaatsattest van het Nationaal Hoger Instituut van Antwerpen, verleend na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;

8. de prijs Lemmens-Tinel, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;

9. het diploma van meester, uitgereikt overeenkomstig de regelgeving op het hoger onderwijs;

10. het diploma van de officieren die vóór 1 januari 1965 met vrucht hun studie hebben volbracht aan de Oefenschool bij de Koninklijke Militaire School of aan de polytechnische afdeling van die school;

11. het diploma van architect, interieurarchitect of van industrieel ingenieur;

12. het diploma van technisch ingenieur;

13. het universitair diploma van burgerlijk conducteur;

14. het diploma van een hogere technische school van de tweede graad;

15. het diploma van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad met volledig leerplan;

16. het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vier studiejaren;

17. het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, voor 1 september 1969 uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door een instelling voor de beeldende kunsten;

18. het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;

[[18bis. het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst in Antwerpen;]]²

19. het diploma van de tweede cyclus, uiterlijk in het academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium;

20. het diploma van binnenhuisontwerper, uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door het Provinciaal Hoger Instituut voor Architectuur en Toegepaste Kunsten in Hasselt, het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut in Hasselt-Diepenbeek en het Stedelijk Hoger Architectuurintituut "De Bijloke" in Gent;

21. het diploma van binnenhuisontwerper, behaald vóór het academiejaar 1964-1965 en uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedenbouw in Antwerpen;

22. het diploma van aspirant-officier ter lange omvaart;

23. het diploma van officier-werktuigkundige eerste klasse;

24. het diploma van hoger kunstonderwijs van de eerste graad met volledig leerplan;

25. het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste twee studiejaren;

26. het diploma van de eerste cyclus, uiterlijk in het academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium met uitzondering van het diploma van kandidaat;

27. het diploma van hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;

28. het diploma van een hogere technische school van de eerste graad;

29. het diploma van onderwijzer(es);

[[29bis. het diploma van bachelor in onderwijs : lager onderwijs;]]²

30. het diploma van kleuteronderwijzer(es);

[[30bis. het diploma van bachelor in onderwijs : kleuteronderwijs;]]²

31. het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs of het diploma van regent(es);

32. het diploma van geaggregeerd leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regent(es) voor de middelbare scholen;

33. het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;

34. het diploma van een basisopleiding van één cyclus;

[[34bis. het diploma van professioneel gerichte bachelor;

34ter. het diploma van academisch gerichte bachelor;]]6

35. het diploma van gegradueerde in de godsdienstwetenschappen;

[[35bis. het diploma van gegradueerde, uitgereikt in het hoger beroepsonderwijs;]]³

36. het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs - groep 1;

[[36bis. het diploma van bachelor in onderwijs : secundair onderwijs;]]²

37. het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 1 samen met het diploma van de voortgezette opleiding voor de bijkomende uitdieping van een opleidingseenheid;

38. het diploma van leraar dans;

39. a) de vergunning van lijnbestuurder, lijnvliegtuigbestuurder of lijnpiloot, uitgereikt of erkend door het Bestuur der Luchtvaart of door het Directoraat-generaal Luchtvaart, ongeacht de periode(s) waarvoor de vergunning geldt;

b) de vergunning van beroepsbestuurder of beroepsvliegtuigbestuurder met de bevoegdheidsverklaring instrumentvliegen voorzover de kandidaten geslaagd zijn voor de examens over de algemene kennis voor het verkrijgen van de vergunning van lijnbestuurder, lijnvliegtuigbestuurder of lijnpiloot, ongeacht de periode(s) waarvoor de vergunning geldt;

40. het diploma van virtuositeit en het hoger diploma, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;

41. het diploma van een hogere technische leergang van de tweede graad;

42. [[het diploma van het hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie of van een hogere technische leergang van de eerste graad of, met uitwerking van 1 september 2000, van hoger onderwijs voor sociale promotie of, met uitwerking van 1 september 2002, van hoger onderwijs, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs [[[...]]]¹;]]²

[[42.bis [[[...]]]²

42.ter [[[...]]]² ]]¹

43. het diploma van eerste prijs, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;

44. het diploma van kandidaat, uitgereikt krachtens de wet op het toekennen van de academische graden;

45. de andere diploma's van kandidaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of een door de Staat of de gemeenschap opgerichte examencommissie;

46. het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans;

47. het brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs met volledig leerplan of voor sociale promotie;

48. met uitwerking van 1 september 2001 met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2003 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : een studiebewijs van het volwassenenonderwijs, gerangschikt BSO4;

49. het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs;

50. het diploma in de psychiatrische verpleegkunde;

51. het diploma in de ziekenhuisverpleegkunde;

[[51.bis het diploma in de verpleegkunde, uitgereikt na de vierde graad van het beroepssecundair onderwijs;]]¹

52. het finaliteitsdiploma van het kunstonderwijs ingericht volgens beperkt leerplan;

53. het gehomologeerd getuigschrift van hoger secundair onderwijs;

54. het gehomologeerd getuigschrift van het middelbaar onderwijs van de hogere graad;

55. het gehomologeerd diploma van secundair onderwijs;

56. het diploma van secundair onderwijs;

[[56bis. een certificaat of diploma, uitgereikt na het volgen van een modulaire opleiding in het secundair volwassenenonderwijs, die ingevoerd is vanaf 1 september 2011 en niet gerangschikt is als bso2, bso3, bso4, tso2 of tso3;]]4

57. het brevet van een hogere secundaire beroepsschool of -leergang;

58. het studieattest of getuigschrift van het 6° leerjaar van het beroepssecundair onderwijs;

59. het studieattest of -getuigschrift van het 7° vervolmakings- of specialisatiejaar van het beroepssecundair onderwijs;

60. het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);

61. het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar;

62. het diploma van een hogere secundaire technische school of leergang;

63. het gehomologeerd of door een examencommissie van de Staat uitgereikt getuigschrift van hoger secundair technisch onderwijs;

64. het studieattest of -getuigschrift van het 7° vervolmakings- of specialisatiejaar van het technisch secundair onderwijs;

65. het diploma of getuigschrift van het hoger secundair kunstonderwijs met volledig leerplan of met beperkt leerplan;

66. het gehomologeerd of door een examencommissie van de staat uitgereikt getuigschrift van hoger secundair kunstonderwijs;

67. het studieattest of -getuigschrift van het 7° vervolmakings- of specialisatiejaar van het kunstsecundair onderwijs;

68. met uitwerking van 1 september 2001, met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2003 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : een studiebewijs van het volwassenenonderwijs, gerangschikt TSO3;

69. met uitwerking van 1 september 2001, met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2003 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging en de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : een studiebewijs van het volwassenenonderwijs, gerangschikt BSO3;

[[70. het certificaat van een opleiding secundair-na-secundair (Se-n-Se).]]4

Met "ten minste HSO" wordt niet bedoeld : de studiegetuigschriften, uitgereikt door het deeltijds kunstonderwijs zoals bedoeld in Titel V van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II;

6°[[...]]5

7° BPB : bewijs van pedagogische bekwaamheid;

8° OE : opleidingseenheid;

9° UOE : uitgediepte opleidingseenheid;

10°[[ten minste bachelor]]6 : een van de studiebewijzen vermeld onder 5°, 1. tot en met 42.

Met "[[ten minste bachelor]]6" wordt niet bedoeld : het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type van sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en, vanaf 1 september 2000, het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, en, vanaf 1 september 2002, het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs;

11°[[ten minste bachelor]]6 + BPB :

1. een van de studiebewijzen, vermeld onder [[ten minste bachelor]]6 samen met een bewijs van pedagogische bekwaamheid, vermeld in artikel 3bis;

2. GLSO;

3. GVSO-groep 1;

[[3bis. bachelor in het onderwijs: secundair onderwijs;]]6

4. het diploma van onderwijzer;

[[4bis. bachelor in het onderwijs: lager onderwijs;]]6

5. het diploma van kleuteronderwijzer;

[[5bis. bachelor in het onderwijs: kleuteronderwijs.]]6

Met "[[ten minste bachelor]]6 + BPB" : wordt niet bedoeld : het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type van sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, en, vanaf 1 september 2000 het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, en, vanaf 1 september 2002 het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs;

12° CICB : de pedagogische commissie van het Centraal Israëlitisch Consistorie van België;

13° EMB : Executieve van de Moslims van België;

14° (het diploma van) onderwijzer :

- het diploma of de akte van onderwijzer;

- het diploma of de akte van lager onderwijzer;

- met ingang van 1 september 1997, met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 1997 tot en met 31 augustus 2003 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : het diploma van een voortgezette opleiding voor het lager onderwijs;

15° (het diploma van) kleuteronderwijzer :

- het diploma van kleuteronderwijzer;

- het diploma van bewaarschoolonderwijzer;

- het diploma van kleuterleider;

- met ingang van 1 september 1997, met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 1997 tot en met 31 augustus 2003 geen gevolgen kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten met betrekking tot de bezoldiging, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling : het diploma van een voortgezette opleiding voor het kleuteronderwijs;]¹

[16° : HOKT + BPB :

1. een van de studiebewijzen, vermeld in [[artikel 7, § 1, 5]]5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de [[salarisschalen]]², het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, samen met een bewijs van pedagogische bekwaamheid, vermeld in artikel 3bis van dit besluit;

2. GLSO;

3. GVSO-groep 1;

4. het diploma van onderwijzer en van kleuteronderwijzer.

Met HOKT + BPB worden niet bedoeld : het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen, het diploma of getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs voor sociale promotie, en het pedagogisch getuigschrift, uitgereikt door een centrum voor volwassenenonderwijs.

17°[[...]]6

18°[[bachelor :

a) het diploma van professioneel gerichte bachelor;

b) het diploma van academisch gerichte bachelor;]]5

19° : [[...]]5 bachelor + BPB :

1. het diploma van [[...]]5 bachelor, zoals bepaald in 18°, samen met een bewijs van pedagogische bekwaamheid, zoals vermeld in artikel 3bis ;

2.

[[het diploma van [[[GLSO,]]]² GVSO-groep 1 en van bachelor in het onderwijs : secundair onderwijs;]]²

3.

[[het diploma van onderwijzer en van bachelor in het onderwijs : lager onderwijs, en het diploma van kleuteronderwijzer en van bachelor in het onderwijs : kleuteronderwijs.]]²

20°[[...]]5

21° : 1. HI : Hoger Instituut;

2. r-k : rooms-katholieke.]²

[ ]¹ B.Vl.R. 21-11-2003; [ ]² B.Vl.R. 1-9-2006; [[ ]]¹ B.Vl.R. 1-9-2006; [[ ]]² B.Vl.R. 9-11-2007; [[ ]]³ B.Vl.R. 17-9-2010; [[ ]]4 B.Vl.R. 7-9-2012; [[ ]]5 B.Vl.R. 6-9-2013; [[ ]]6 B.Vl.R. 4-9-2015; [[[ ]]]¹ B.Vl.R. 17-9-2010; [[[ ]]]² B.Vl.R. 4-9-2015

[§ 2. Voor de studiebewijzen "certificaat van de opleiding" en "diploma van secundair onderwijs", uitgereikt in het volwassenenonderwijs vanaf 1 september 2007, is de rangschikking zoals bedoeld in punt 5°, 48., 68. en 69. terug te vinden in bijlage II, gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs.]

B.Vl.R. 9-11-2007

[§ 3. Voor de toepassing van dit besluit moet de onderwijscyclus voor de basisdiploma's uitgereikt in het onderwijs voor sociale promotie of door een centrum voor volwassenenonderwijs ten minste 900 lestijden hebben omvat.]

B.Vl.R. 7-9-2012

Art. 6.

[§ 1. Worden gelijkgesteld met de in de artikels 3bis en 5 vermelde studiebewijzen : de studiebewijzen uitgereikt door de technische en beroepsscholen of -leergangen die ermee gelijkgesteld zijn zoals hierna bepaald :

1° met de hogere technische scholen van de 3e graad : de scholen gerangschikt A5;

2° met de hogere technische scholen van de 2e graad : de scholen voor technische ingenieurs gerangschikt A1, de scholen van architecten gerangschikt A7/A1;

3° met de hogere technische scholen van de 1° graad : de scholen gerangschikt A1, A6/A1, A7/A1, A8/A1, C1/A1;

4° met de hogere secundaire technische scholen : de scholen gerangschikt A2, A2A, A6/A2, A6/C1 - 2e cyclus, A7/A2, A8/A2, C1 - 2e cyclus, C1A, C5/C1 - 2e cyclus, C1/A6/A2, A7/C1 - 2e cyclus, A2/C1 (scholen voor verpleegaspiranten);

5° met de aanvullende secundaire beroepsscholen : de scholen gerangschikt C1D (voortgezette opleiding), C1/A2 (scholen voor verpleegassistenten);

6° met de hogere secundaire beroepsscholen : de 2e cyclus van de scholen gerangschikt A4, C3 en C5, de beroepsscholen gerangschikt A2 evenals de scholen gerangschikt C2 (scholen voor kinderverzorg(st)ers);

7° met de middelbare technische normaalscholen : de scholen gerangschikt A1D, A6/A1D, A7/A1D, A7/C1D, C1D, C5/C1D en C1An, alsmede de normaalafdelingen met volledig leerplan gerangschikt in de categorie D;

8° met de lagere technische normaalscholen : de scholen gerangschikt A2An;

9° met de hogere technische leergangen van de eerste graad : de scholen gerangschikt B1 en B3/B1, die bij de toelating van de leerlingen, een getuigschrift van volledig hoger secundair onderwijs eisen of die het voorwerp geweest zijn van een ministeriële dienstbrief waarbij ze opnieuw gerangschikt werden op het niveau van de hogere technische leergangen van de eerste graad.

Met de houder van een getuigschrift van het hoger niveau van de eerste graad worden eveneens gelijkgesteld :

a) de houder van een getuigschrift B1 en van een getuigschrift van het hoger secundair niveau;

b) de houder van een getuigschrift B1 en van een getuigschrift B2;

10° met de hogere secundaire technische leergangen : de scholen gerangschikt B1 en B3/B1 die niet aan de onder 11° hierboeven gestelde voorwaarde voldoen en de scholen gerangschikt B2 en B3/B2 die bij de toelating van de leerlingen een getuigschrift van volledig lager secundair onderwijs eisen of die het voorwerp geweest zijn van een ministeriële omzendbrief waarbij ze opnieuw gerangschikt worden op het niveau van de hogere secundaire technische leergangen.

Met de houder van een getuigschrift van het hoger secundair niveau wordt eveneens gelijkgesteld de houder van een getuigschrift B2 en van een getuigschrift van het lager secundair niveau;

11° met de hogere secundaire beroepsleergangen : de scholen gerangschikt B4/B1 en B6/B1 en gerangschikt BB4/B2 die bij de toelating een titel van volledige lagere studiën eisen;

12° met de middelbare technische normaalleergangen : de leergangen met beperkt leerplan gerangschikt D, die vooraleer het eindbekwaamheidsgetuigschrift uit te reiken, het bezit eisen van een titel van volledige studiën van het hoger secundair niveau van het technisch onderwijs ten minste, of die het voorwerp geweest zijn van een ministeriële dienstbrief waarbij ze opnieuw gerangschikt werden op het niveau van de middelbare technische normaalleergangen.

§ 2. De getuigschriften en diploma's die vóór de inwerkingtreding van de bevoegde homologatiecommissies uitgereikt werden door een hogere secundaire middelbare of technische school, die door de staat ingericht, gesubsidieerd of erkend was, worden geacht gehomologeerd te zijn.

§ 3. Wat het hoger kunstonderwijs betreft, worden gelijkgesteld :

1° met een diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad : het diploma van virtuositeit, het diploma van eerste prijs compositie of orkestdirectie, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;

2° met een diploma van hoger kunstonderwijs van de tweede graad : het hoger diploma, het diploma van eerste Prijs fuga of contrapunt, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;

3° met een diploma van hoger kunstonderwijs van de eerste graad :

a) het diploma van eerste Prijs, andere dan die bedoeld in § 3, 1° en 2°, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs, met uitzondering van het diploma van eerste Prijs notenleer;

b) de getuigschriften van de pedagogische leergangen, uitgereikt na een cyclus van ten minste twee studiejaren door een instelling of een afdeling van een instelling voor hoger kunstonderwijs.

Voor de toepassing van deze bepalingen worden de diploma's beeldende kunsten uitgereikt door instellingen voor hoger kunstonderwijs met volledig leerplan in de periode van 1 september 1981 tot en met het academiejaar 1993-1994, samen met het verklarend attest met vermelding van de specialiteit, gelijkgesteld met de diploma's, uitgereikt door instellingen voor hoger kunstonderwijs met volledig leerplan waarop de specialiteit vermeld staat.]

B.Vl.R.28-6-2002

[§ 4. Voor de toepassing van dit besluit worden de volgende studiebewijzen gelijkgesteld met het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans :

1° het getuigschrift van pedagogische leergang afdeling klassieke dans en bewegingsleer of dans en bewegingsleer, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;

2° het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van onderwijs in ballet of bewegingsleer, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;

3° het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van dansonderwijs, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;

4° het pedagogisch getuigschrift van hedendaagse dans of klassiek ballet, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;

5° het specialisatiegetuigschrift klassieke dans uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie.

§ 5. Het diploma van leraar muzikale opvoeding of zangleraar van de eerste graad en het diploma van leraar muzikale opvoeding of zangleraar van de tweede graad, uitgereikt door de daartoe samengestelde examencommissie worden gelijkgesteld met een diploma van GLSO muzikale opvoeding.]

B.Vl.R.21-11-2003

Art. 7.

§ 1. Onverminderd de verplichtingen opgelegd door de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling kan een inrichtende macht die een houder van een bekwaamheidsbewijs dat ingedeeld is als een "ander bekwaamheidsbewijs" aanwerft slechts een [salaris]² of een [salaristoelage]² voor dit personeelslid ontvangen indien :

a) in het Gemeenschapsonderwijs de hoofden van de betrokken erediensten, die de voordracht van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars doen bij de [Vlaams minister, bevoegd voor het onderwijs]¹, op eer verklaren in de onmogelijkheid te zijn geweest een houder van een voor dit ambt vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor te dragen.

b) in de andere officiële instellingen voor secundair onderwijs de hoofden van de betrokken erediensten, die de voordracht van de godsdienstleraars doen, op eer verklaren in de onmogelijkheid te zijn geweest een houder van een voor dit ambt vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor te dragen.

c) in de officiële lagere scholen, die niet zijn georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap, de bedienaars van de onderscheiden erediensten op eer verklaren in de onmogelijkheid te zijn geweest een houder van een voor dit ambt vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor te dragen.

d) in het vrij onderwijs zij na raadpleging van de hoofden van de betrokken erediensten op eer verklaart in de onmogelijkheid te zijn geweest een houder van een voor dit ambt vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aan te werven.

[ ]¹ B.Vl.R. 1-9-2006; [ ]² B.Vl.R. 9-11-2007

§ 2. In afwijking van § 1 moet deze verklaring niet worden afgelegd bij de aanwerving van een personeelslid door de inrichtende macht voor een periode die de duur van 97 dagen niet overschrijdt.

[Deze verklaring moet ook niet afgelegd worden bij de aanwerving van een personeelslid, indien het bekwaamheidsbewijs van dat personeelslid beschouwd zou worden als een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs indien de voorwaarde inzake het bezit van een bewijs van pedagogische bekwaamheid vervuld zou zijn. Deze bepaling kan slechts toegepast worden gedurende een periode gelijk aan de minimumduur die nodig is voor het behalen van een bewijs van pedagogische bekwaamheid zoals gedefinieerd in artikel 3bis , § 1, vermeerderd met één schooljaar.]¹

[De bedoelde periode loopt ononderbroken vanaf de eerste september die volgt op de eerste aanstelling van het personeelslid in het basis- of in het secundair onderwijs.]²

[ ]¹ B.Vl.R. 28-6-2002; [ ]² B.Vl.R. 21-11-2003

§ 3. 1. Behalve indien § 2 van toepassing is, kan de houder van een voor het ambt van leermeester godsdienst of godsdienstleraar vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs verhaal aantekenen bij de hierna vermelde instanties en eisen dat hij voor deze betrekking wordt voorgedragen of aangeworven wanneer dezen een personeelslid in de bedoelde ambten hebben voorgedragen of aangeworven dat slechts houder is van een bekwaamheidsbewijs dat op grond van artikel 2 is ingedeeld als een "ander bekwaamheidsbewijs".

De instanties bij wie verhaal kan worden aangetekend zijn :

a) in het Gemeenschapsonderwijs de hoofden van de betrokken erediensten;

b) in de andere officiële instellingen voor secundair onderwijs de hoofden van de betrokken erediensten;

c) in de officiële lagere scholen, die niet zijn georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap, de bedienaars van de onderscheiden erediensten;

d) in het vrij onderwijs de inrichtende macht.

Daarenboven kan in het vrij onderwijs slechts diegene een verhaal indienen die zich bij aangetekend schrijven kandidaat heeft gesteld bij de betrokken inrichtende macht of bij de representatieve vereniging van inrichtende machten van de betrokken inrichtende macht daar waar deze bestaat.

2. Indien geen akkoord wordt bereikt tussen de instantie waarbij het verhaal moet worden ingediend en de kandidaat, beschikt deze laatste over een termijn van 60 kalenderdagen om bij aangetekend schrijven bij de [Vlaams minister, bevoegd voor het onderwijs] verhaal in te dienen.

De bovenvermelde termijn van 60 kalenderdagen begint te lopen vanaf de dag waarop de kandidaat feitelijk kennis neemt van de aanstelling en voor zover deze datum valt binnen het schooljaar van de aanstelling.

Elk verhaal dat buiten deze termijn wordt ingediend is onontvankelijk.

3. De [Vlaams minister, bevoegd voor het onderwijs] of zijn afgevaardigde vraagt bij het ontvangen van het bedoelde verhaal onverwijld aan de instantie waarbij het verhaal werd ingediend de motivering mede te delen omtrent de voordracht of aanwerving.

Voor deze mededeling beschikt de instantie waarbij het verhaal werd ingediend over een termijn van 10 werkdagen. Deze termijn van 10 werkdagen begint te lopen vanaf de datum van verzending van de vraag tot motivering; de postdatum is bewijskrachtig.

4. Na ontvangst van het antwoord van de instantie waarbij het verhaal werd ingediend, onderzoekt de [Vlaams minister, bevoegd voor het onderwijs] of zijn afgevaardigde in hoever de aanwerving van het personeelslid, houder van een bekwaamheidsbewijs ingedeeld als een "ander bekwaamheidsbewijs", in overeenstemming is met de bepalingen van dit besluit en of een motivering werd gegeven waarom de verzoeker niet werd voorgedragen of aangeworven.

5. Indien de [Vlaams minister, bevoegd voor het onderwijs] of zijn afgevaardigde vaststelt dat de hiervoorvermelde procedure werd nageleefd en dat door de instantie waarbij het verhaal werd ingediend een motivering werd gegeven, worden de kandidaat die het verzoekschrift heeft ingediend en de hierboven bedoelde instanties hiervan onmiddellijk op de hoogte gesteld.

6. Indien de [Vlaams minister, bevoegd voor het onderwijs] of zijn afgevaardigde vaststelt dat de procedure niet werd nageleefd of dat door de instantie waarbij het verhaal werd ingediend geen motivering werd gegeven, wordt deze vastelling zowel aan de hierboven vermelde instantie als aan de kandidaat, die het verzoekschrift heeft ingediend, bij aangetekende brief medegedeeld.

7. Aangezien de voordracht of de aanwerving van een personeelslid, houder van een bekwaamheidsbewijs, ingedeeld als een "ander" bekwaamheidsbewijs beperkt is tot de duur van het lopende schooljaar, eindigt elke procedure die werd ingeleid op de wijze zoals hierboven uiteengezet van rechtswege op 30 juni van het lopende schooljaar.

B.Vl.R. 1-9-2006

[§ 4. Wie overgangsmaatregelen geniet, vermeld in artikel 10 tot en met 10bis, kan van de [[salarisschaal]] van de indeling "andere" bekwaamheidsbewijzen genieten zonder dat de § 1 tot en met § 3 van toepassing zijn. Dit geldt vanaf 1 september 1990.]

B.Vl.R. 1-9-2006; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007

HOOFDSTUK II. - Bekwaamheidsbewijzen, salarisschalen en bezoldigingsregeling

Art. 8.

Voor de toepassing van artikel 3 worden de bekwaamheidsbewijzen waarvan de personeelsleden bedoeld in artikel 2 van dit besluit houder moeten zijn, opgesomd in [bijlage 1]gevoegd bij dit besluit.

B.Vl.R. 4-9-2015

Art. 9.

[De personeelsleden bedoeld in artikel 2, van dit besluit worden bezoldigd overeenkomstig de salarisschalen die in de [[bijlage 1]] van dit besluit naast elk bekwaamheidsbewijs zijn vermeld.

Deze salarisschalen worden, met ingang van 1 december 2001, vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2003 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs.]

B.Vl.R. 21-11-2003; [[ ]] B.Vl.R. 4-9-2015

HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen

Art. 10.

§ 1. Overgangsbepalingen zijn van toepassing op :

1° de personeelsleden die ten laatste op 31 augustus 1990 op grond van de op deze datum geldende reglementering hetzij tot de stage toegelaten, hetzij vastbenoemd en als dusdanig erkend zijn, daar waar de erkenning bestaat, hetzij gelijkgesteld zijn met de vastbenoemde of definitief erkende personeelsleden;

2° de tijdelijke personeelsleden die sedert 1 september 1987 ononderbroken in dienst zijn gebleven.

Voor de toepassing van voormelde bepaling worden niet als dienstonderbreking beschouwd : de vakantieperioden, [de [[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]],]¹ de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte- of bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van [salaris(toelage)]² ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van [salaris(toelage)]² voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een periode van ten hoogste 30 kalenderdagen per schooljaar.

Voornoemde verloven en afwezigheden kunnen eveneens aanvangen op 1 september 1987.

§ 2. De overgangsbepalingen gelden :

1° voor de in § 1 bedoelde personeelsleden voor het ambt waarmede zij op 1 juni 1990 waren belast;

2° in het gewoon secundair onderwijs en in de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs :

- in de 1e en de 2e graad voor het ambt waarmee zij in het secundair onderwijs van de lagere cyclus op 1 juni 1990 belast waren;

- in [de 2e, 3e en 4e graad]³ voor het ambt waarmee zij in het secundair onderwijs van de hogere cyclus op 1 juni 1990 belast waren.

§ 3. De in § 1 bedoelde personeelsleden die :

1° op basis van de reglementering van kracht vóór 1 september 1990 in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en geen vereist bekwaamheidsbewijs meer bezitten bij toepassing van dit besluit, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs;

2° op basis van de reglementering van kracht vóór 1 september 1990 niet in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en geen vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs bezitten bij toepassing van dit besluit, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs;

3° op grond van artikel 5 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat hebben gefungeerd, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.

[ ]¹ B.Vl.R. 4-11-1997; [ ]² B.Vl.R. 9-11-2007; [ ]³ B.Vl.R. 4-9-2009

[Art. 10bis.

§ 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan :

1° alle personeelsleden die op 31 augustus 2006 vastbenoemd zijn voor het algemeen vak godsdienst of voor het ambt van leermeester godsdienst;

2° alle personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn in of tijdelijk belast geweest zijn met het algemeen vak godsdienst of met het ambt van leermeester godsdienst in de loop van de schooljaren 2003-2004, 2004-2005 en 2005-2006.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in § 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2006 van kracht was organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak godsdienst, en vanaf 1 september 2006 geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben in de betreffende graad en/of onderwijsvorm worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak godsdienst in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

De personeelsleden, vermeld in § 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2006 van kracht was organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak godsdienst, en vanaf 1 september 2006 geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben in de betreffende graad en/of onderwijsvorm worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemeen vak godsdienst in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

De personeelsleden, vermeld in § 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2006 van kracht was organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leermeester godsdienst, en vanaf 1 september 2006 geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het ambt van leermeester godsdienst, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leermeester godsdienst.

De personeelsleden, vermeld in § 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2006 van kracht was organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leermeester godsdienst, en vanaf 1 september 2006 geen voldoend geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het ambt van leermeester godsdienst, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leermeester godsdienst.

§ 3.De overgangsmaatregelen, vermeld in § 2, worden toegekend op 1 september 2006, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :

1° De personeelsleden, vermeld in § 1, 1°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd;

2° de personeelsleden, vermeld in § 1, 2°, behouden deze overgangsmaatregelen zolang zij ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.

Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

[[1° de vakantieperioden;

2° de [[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]]];

3° de militaire dienst;

4° de perioden van wederoproeping;

5° de ziekte- en bevallingsverloven;

6° de onbezoldigde ouderschapsverloven;

7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.]] ]

B.Vl.R. 1-9-2006; [[ ]] B.Vl.R. 4-9-2009; [[[ ]]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 10ter.

De overgangsbepalingen die volgens artikel 10 en 10bis gelden voor de vierde graad, gelden ook voor de HBO5-opleiding verpleegkunde.]

B.Vl.R. 4-9-2009

[Art. 10quater.

§ 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan de personeelsleden die tussen 1 september 2008 en 30 juni 2013 minimum 24 maanden ononderbroken in dienst geweest zijn in het ambt van :

1° leermeester anglicaanse godsdienst;

2° godsdienstleraar anglicaanse godsdienst.

Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

1° vakantieperioden;

[[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]];

3° militaire dienst;

4° perioden van wederoproeping;

5° ziekte- en bevallingsverloven;

6° onbezoldigde ouderschapsverloven;

7° perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

8° verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

9° verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

10° een onderbreking van een doorlopende periode van ten hoogste 30 kalenderdagen per schooljaar.

§ 2. De personeelsleden, bedoeld in § 1, eerste lid, 1,° die volgens de geldende regelgeving op 1 september 2013 geen bekwaamheidsbewijs hebben voor het ambt van leermeester anglicaanse godsdienst, worden geacht in het bezit te zijn van een « ander » bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leermeester anglicaanse godsdienst.

Vanaf de dag van het behalen van het bewijs van pedagogische bekwaamheid, zijn zij in het bezit van een "voldoende geacht" bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leermeester anglicaanse godsdienst.

§ 3. De personeelsleden, bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, die volgens de geldende regelgeving op 1 september 2013 geen bekwaamheidsbewijs hebben voor het ambt van godsdienstleraar anglicaanse godsdienst in de betreffende graad en/of onderwijsvorm, worden geacht in het bezit te zijn van een "ander" bekwaamheidsbewijs voor het ambt van godsdienstleraar anglicaanse godsdienst in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

Vanaf de dag van het behalen van het bewijs van pedagogische bekwaamheid, zijn zij in het bezit van een « voldoende geacht » bekwaamheidsbewijs voor het ambt van godsdienstleraar anglicaanse godsdienst in de betreffende graad en/of onderwijsvorm.

§ 4. De overgangsmaatregelen, bedoeld in § 2, eerste lid, en § 3, eerste lid, worden toegekend op 1 september 2013.

§ 5. De vastbenoemde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en de universiteiten uitgezonderd.

De tijdelijke personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken, in dienst blijven in het onderwijs, de hogescholen en de universiteiten uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.

Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

1° de perioden, vermeld in § 1, tweede lid, punt 1° tot en met 9°;

2° een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.]

B.Vl.R. 6-9-2013; [[ ]] B.Vl.R. 10-3-2017

[Art. 10quinquies.

§ 1. Er worden overgangsmaatregelen toegekend aan :

1° alle personeelsleden die op 31 augustus 2015 vastbenoemd zijn voor het algemene vak orthodoxe godsdienst of voor het ambt van leermeester orthodoxe godsdienst;

2° alle personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn in of tijdelijk belast zijn met het algemene vak orthodoxe godsdienst of met het ambt van leermeester orthodoxe godsdienst in de loop van het schooljaar 2012-2013, 2013-2014 of 2014-2015.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2015 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemene vak orthodoxe godsdienst, en vanaf 1 september 2015 geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben in de betreffende graad of onderwijsvorm, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het algemene vak orthodoxe godsdienst in de betreffende graad of onderwijsvorm.

De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2015 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemene vak orthodoxe godsdienst, en vanaf 1 september 2015 geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben in de betreffende graad of onderwijsvorm, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het algemene vak orthodoxe godsdienst in de betreffende graad of onderwijsvorm.

De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2015 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leermeester orthodoxe godsdienst, en vanaf 1 september 2015 geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben voor het ambt van leermeester orthodoxe godsdienst, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leermeester orthodoxe godsdienst.

De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, die op basis van de reglementering die voor 1 september 2015 van kracht was, organiek of via overgangsmaatregelen in het bezit waren van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leermeester orthodoxe godsdienst, en vanaf 1 september 2015 geen voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben voor het ambt van leermeester orthodoxe godsdienst, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt van leermeester orthodoxe godsdienst.

§ 3. De overgangsmaatregelen, vermeld in paragraaf 2, worden toegekend op 1 september 2015, rekening houdend met de onderstaande bepalingen :

1° de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, 1°, behouden de overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd;

2° de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, 2°, behouden de overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden niet als een onderbreking beschouwd :

a) de vakantieperioden;

b) de [[loopbaanonderbreking en zorgkrediet]];

c) de militaire dienst;

d) de perioden van wederoproeping;

e) de ziekte- en bevallingsverloven;

f) de onbezoldigde ouderschapsverloven;

g) de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;

h) de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;

i) de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;

j) een onderbreking van een doorlopende periode van maximaal twee kalenderjaren.]

B.Vl.R. 4-9-2015; [[ ]] B.Vl.R. 10-3-2017

Art. 11.

[§ 1. De personeelsleden, bedoeld in artikel 10, blijven de [[salarisschaal]]² genieten die hun op grond van de vóór 1 september 1990 geldende reglementering mocht verleend worden, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]]².

§ 2. De personeelsleden, bedoeld in artikel 10, die op basis van de reglementering van kracht vóór 1 september 1990 :

- niet in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en die bij toepassing van dit besluit in het bezit zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs;

- niet in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en die bij toepassing van dit besluit in het bezit zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs;

- in het bezit waren van een vereist bekwaamheidsbewijs en die bij toepassing van dit besluit in het bezit zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs,

blijven de [[salarisschaal]]² genieten die hun op grond van de vóór 1 september 1990 geldende reglementering mocht verleend worden, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]]².

§ 3. In het gewoon secundair onderwijs en in de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs genieten de in §§ 1 en 2 bedoelde personeelsleden in de eerste en in de tweede graad de [[salarisschaal]]² die hun op grond van de vóór 1 september 1990 geldende reglementering mocht verleend worden in het secundair onderwijs van de lagere cyclus, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]]².

§ 4. In het gewoon secundair onderwijs en in de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs genieten de in §§ 1 en 2 bedoelde personeelsleden [[in de tweede, derde en vierde graad]]³ de [[salarisschaal]]² die hun op grond van de vóór 1 september 1990 geldende reglementering mocht verleend worden in het secundair onderwijs van de hogere cyclus, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]]².

§ 5. Indien zowel de bepalingen van § 3 als § 4 van toepassing zijn op een personeelslid, wordt [[uitsluitend voor de tweede graad]]¹ aan dit personeelslid de voordeligste [[salarisschaal]]² toegekend.

§ 6. De bepalingen van artikel 11 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs zijn niet van toepassing.]

B.Vl.R. 19-12-1991; [[ ]]¹ B.Vl.R. 25-1-1995; [[ ]]² B.Vl.R. 9-11-2007; [[ ]]³ B.Vl.R. 4-9-2009

[Art. 11bis.

De personeelsleden, vermeld in artikel 10bis, genieten voor het algemeen vak godsdienst de [[salarisschaal]] die hen op grond van de reglementering die gold voor 1 september 2006 mocht worden verleend voor het algemeen vak godsdienst, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]].

De personeelsleden, vermeld in artikel 10bis, genieten als leermeester godsdienst de [[salarisschaal]] die hen op grond van de reglementering die gold voor 1 september 2006 mocht worden verleend als leermeester godsdienst, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere [[salarisschaal]].]

B.Vl.R. 1-9-2006; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007

[Art. 11ter.

De overgangsbepalingen die volgens artikel 11 en 11bis gelden voor de vierde graad, gelden ook voor de HBO5-opleiding verpleegkunde.]

B.Vl.R. 4-9-2009

[Art. 11quater.

§ 1. De personeelsleden, vermeld in artikel 10quater, § 2, hebben recht op de salarisschaal 121, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere salarisschaal.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in artikel 10quater, § 3, hebben, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover zij beschikken recht geeft op een hogere salarisschaal, recht op :

1° in de eerste graad en in de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs : salarisschaal 300;

2° in de tweede graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs en in de derde en vierde graad van het beroepssecundair onderwijs : salarisschaal 384;

3° in de derde graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs : salarisschaal 301;

4° in opleidingsvorm 1, 2 en 3 van het buitengewoon secundair onderwijs : salarisschaal 300;

5° in opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs : dezelfde salarisschaal als in de overeenkomende graad en onderwijsvorm van het gewoon secundair onderwijs.]

B.Vl.R. 6-9-2013

[Art. 11quinquies.

De personeelsleden, vermeld in artikel 10quinquies, genieten voor het algemene vak orthodoxe godsdienst de salarisschaal die hen op grond van de reglementering die gold voor 1 september 2015, mocht worden verleend voor het algemene vak orthodoxe godsdienst, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover ze beschikken, recht geeft op een hogere salarisschaal.

De personeelsleden, vermeld in artikel 10quinquies, genieten als leermeester orthodoxe godsdienst de salarisschaal die hen op grond van de reglementering die gold voor 1 september 2015, mocht worden verleend als leermeester orthodoxe godsdienst, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover ze beschikken, recht geeft op een hogere salarisschaal.]

B.Vl.R. 4-9-2015

Art. 12.

Voor de toepassing van onderhavig besluit worden in het secundair onderwijs van het type II beschouwd te behoren tot :

1° de eerste graad :

- de eerste twee leerjaren van de lagere secundaire cyclus van de onderwijsvormen : A.S.O. - T.S.O.- K.S.O. - B.S.O.;

2° de tweede graad A.S.O. - T.S.O. - K.S.O. :

- de derde en vierde leerjaren en de vijfde vervolmakings- en specialisatiejaren van de lagere secundaire cyclus van de onderwijsvormen T.S.O. - K.S.O.;

- het derde leerjaar van de lagere secundaire cyclus van de onderwijsvorm A.S.O.;

- het vierde leerjaar van de hogere secundaire cyclus van de onderwijsvormen A.S.O. - T.S.O. - K.S.O.;

3° de derde graad A.S.O. - T.S.O. - K.S.O. :

- de vijfde en zesde leerjaren van de hogere secundaire cyclus van de onderwijsvormen A.S.O. - T.S.O. - K.S.O., alsmede het voorbereidend jaar op het hoger onderwijs en de zevende vervolmakings- en specialisatiejaren van de onderwijsvormen T.S.O. - K.S.O.;

4° de tweede graad B.S.O. :

- de derde en vierde leerjaren en de vijfde vervolmakings- en specialisatiejaren van de lagere secundaire cyclus van de onderwijsvorm B.S.O.;

- het vierde leerjaar van de hogere secundaire cyclus van de onderwijsvorm B.S.O.;

5° de derde graad B.S.O. :

- de vijfde, zesde en zevende leerjaren van de hogere secundaire cyclus behorend tot de onderwijsvorm B.S.O.;

- de zevende vervolmakings- en specialisatiejaren van de onderwijsvorm B.S.O.

Art. 13.

[...]

B.Vl.R. 7-9-2012

HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen

Art. 14.

De hiernavermelde koninklijk besluiten worden, voor zover zij bekwaamheidsbewijzen vaststellen, opgeheven wat de instellingen en de personeelsleden betreft, waarop dit besluit van toepassing is :

1. het koninklijk besluit van 14 april 1964 houdende bepaling van de wijze waarop de weddentoelagen worden vastgesteld voor de personeelsleden van de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor middelbaar en normaalonderwijs, die houder zijn van bekwaamheidsbewijzen welke voldoende worden geacht, gewijzigd bij ...;

2. het koninklijk besluit van 17 maart 1967 tot vaststelling van de bevoegdheidsbewijzen die voldoende geacht worden voor de leden van het personeel der vrije inrichtingen voor middelbaar en normaalonderwijs, gewijzigd bij ...;

3. het koninklijk besluit van 16 januari 1968 houdende bepaling van de wijze waarop de weddentoelagen worden vastgesteld voor de personeelsleden van de vrije inrichtingen voor middelbaar onderwijs, die houder zijn van een bekwaamheidsgetuigschrift dat voldoende geacht wordt, gewijzigd bij ...;

4. het koninklijk besluit van 26 januari 1968 tot vaststelling van de titels vereist met het oog op de toekenning van toelagen aan de gesubsidieerde inrichtingen voor muziekonderwijs, gewijzigd bij ...;

5. het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat;

6. het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs georganiseerd in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor middelbaar onderwijs en in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor normaalonderwijs, gewijzigd bij ...;

7. het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs dat verstrekt wordt in de gesubsidieerde vrije inrichtingen voor middelbaar onderwijs of voor normaalonderwijs, met inbegrip van het postsecundair psychopedagogisch jaar, gewijzigd bij ...;

8. het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor secundair technisch en beroepsonderwijs met volledig leerplan en voor sociale promotie, gewijzigd bij ...;

9. het koninklijk besluit van 4 augustus 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde officiële inrichtingen die secundair onderwijs verstrekken overeenkomstig de wet van 19 juli 1971 betreffende de algemene structuur en de organisatie van het secundair onderwijs, gewijzigd bij ...;

10. het koninklijk besluit van 4 augustus 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde vrije inrichtingen die secundair onderwijs verstrekken overeenkomstig de wet van 19 juli 1971 betreffende de algemene structuur en de organisatie van het secundair onderwijs;

11. het koninklijk besluit van 4 augustus 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon secundair onderwijs;

12. het koninklijk besluit van 31 augustus 1978 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor kunstonderwijs, die secundair onderwijs verstrekken in de plastische kunsten, gewijzigd bij ...;

Art. 15.

Artikel 5 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat wordt, wat de instellingen en de personeelsleden betreft waarop dit besluit van toepassing is, opgeheven.

Art. 16.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 1990.

[Art. 16bis.

[[De bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen, vermeld in [[[bijlage 1]]] bij dit besluit, treden in werking op [[[1 september 2015]]].]] ]

B.Vl.R. 28-6-2002; [[ ]] B.Vl.R. 7-9-2012; [[[ ]]] B.Vl.R. 4-9-2015

[Art. 16ter.

[[De voetnoten, vermeld in [[[bijlage 1]]]², worden als volgt verklaard :

1° (1) : met seminarie wordt bedoeld : een seminarie, georganiseerd of als gelijkwaardig erkend door de bevoegde geestelijke overheid;

2° (2) : EMB : de Executieve van de Moslims van België. De bewijzen van pedagogische bekwaamheid, uitgereikt vanaf 1 september 2001, moeten behaald zijn aan één van de volgende door de EMB erkende instellingen :

a) [[[Centrum voor volwassenenonderwijs - Instituut voor volwassenenvorming van het Gemeenschapsonderwijs Gent/Instituut voor volwassenenvorming de Avondschool - 9000 Gent;]]]¹

b) [[[- Sint-Lucas - hogere leergangen - 1030 Schaarbeek;

- CVO Lethas - 1083 Ganshoren : voor bewijzen van pedagogische bekwaamheid, uitgereikt vanaf 1 september 2008;]]]¹

c) Centrum voor volwassenenonderwijs - hogere leergangen STEP [[[...]]]¹ - 3500 Hasselt.

Voor bewijzen van pedagogische bekwaamheid, behaald voor 1 september 2001, kan de EMB nog andere instellingen erkennen;

3° (3) : bij het uittreden blijven de onderwijsbevoegdheid en de salarisschaal behouden.]] ]

B.Vl.R. 1-9-2006; [[ ]] B.Vl.R. 9-11-2007; [[[ ]]]¹ B.Vl.R. 4-9-2009; [[[ ]]]² B.Vl.R. 4-9-2015

Art. 17.

De [Vlaams minister, bevoegd voor het onderwijs] is belast met de uitvoering van dit besluit.

B.Vl.R. 1-9-2006

BIJLAGE

De Bijlage wordt vervangen door de Bijlage bij het B.Vl.R. 7-11-2007.

De Bijlage wordt vervangen door de Bijlage bij het B.Vl.R. 4-9-2009 en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

De Bijlage wordt vervangen door de Bijlage 3 bij het B.Vl.R. 17-9-2010 en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

De Bijlage wordt vervangen door de Bijlage 3 bij het B.Vl.R. 7-9-2012 en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

De Bijlage wordt vervangen door de Bijlage bij het B.Vl.R. 6-9-2013 en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

De Bijlage wordt vervangen door de Bijlage bij het B.Vl.R. 4-9-2015 en is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad , waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

Ook te raadplegen via :

A: leermeesters godsdienst http://www.ond.vlaanderen.be/bekwaamheidsbewijzenBaO/default.asp

B: godsdienstleraren http://www.ond.vlaanderen.be/bekwaamheidsbewijzen/