Koninklijk besluit betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk.

  • goedkeuringsdatum
    24 JANUARI 1969
  • publicatiedatum
    B.S.08/02/1969
  • datum laatste wijziging
    10/03/2017

(opschrift gewijzigd bij K.B. 21-11-1991)

COORDINATIE

K.B. 10-6-1970 - B.S. 21-11-1970

K.B. 25-8-1971 - B.S. 23-9-1971

K.B. 8-11-1971 - B.S. 18-11-1971

K.B. 19-1-1972 - B.S. 11-3-1972

K.B. 13-11-1973 - B.S. 24-11-1973

K.B. 6-6-1975 - B.S. 21-8-1975

K.B. 16-5-1977 - B.S. 20-7-1977

K.B. 24-3-1986 - B.S. 29-4-1986

K.B. nr. 419, 16-7-1986 - B.S. 30-7-1986

K.B. 28-6-1990 - B.S. 4-8-1990

K.B. 21-11-1991 - B.S. 12-12-1991

K.B. 6-3-1998 - B.S. 31-3-1998

K.B. 20-9-1998 - B.S. 9-10-1998

K.B. 7-6-2007 - B.S. 19-6-2007

K.B. 26-11-2012 - B.S. 13-12-2012

K.B. 1-12-2013 - B.S. 13-12-2013

K.B. 8-5-2014 - B.S. 6-6-2014

K.B. 25-2-2017 - B.S. 10-3-2017

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de artikelen 29, 66, tweede en derde lid, en 67 van de Grondwet;

Gelet op de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector;

Gelet op de wet betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen;

Gelet op de besluitwet van 13 december 1945 betreffende de vergoeding van de schade voortspruitende uit ongevallen die zich op de weg naar en van het werk voordoen;

Gelet op het advies van de Algemene Syndicale Raad van Advies;

Gelet op het advies van het Comité tot regeling van de gerechtelijke politie bij de parketten;

Gelet op het advies van de Syndicale Raad van Advies van de gerechtelijke politie bij de parketten;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van het Openbaar Ambt en van Onze Minister van Begroting en op het advies van Onze in raad vergaderde Ministers,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.

[De regeling ingesteld bij de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector wordt, wat betreft de schadevergoeding voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, toepasselijk verklaard op de leden van het vastbenoemd, het stagedoend, het tijdelijk personeel en het hulppersoneel en op de personeelsleden die bij een arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen, die behoren tot :

1° de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten, in de zin van het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende oprichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst en aan de diensten die ervan afhangen;

2° de besturen en andere diensten van de federale ministeries, zolang er geen toepassing wordt gemaakt van artikel 19 van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 houdende diverse bepalingen betreffende de inwerkingstelling van de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten;

3° de andere Rijksdiensten, met inbegrip van de rechterlijke macht;

4° de Raad van State;

5° de besturen en andere diensten van de Regeringen van de Gemeenschappen en Gewesten, met inbegrip van de inrichtingen van onderwijs georganiseerd door of namens de Gemeenschappen, alsook de besturen en andere diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van het College van de Franse Gemeenschapscommissie, met inbegrip van de inrichtingen van onderwijs georganiseerd door of namens de Franse Gemeenschapscommissie;

6° de onderwijsinrichtingen die door één van de Gemeenschappen of door de Franse Gemeenschapscommissie gesubsidieerd worden;

7° de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, centra voor leerlingenbegeleiding, diensten voor studie- en beroepsoriëntering en pedagogische begeleidingsdiensten;]¹

[8° de Vlaamse bestuursrechtscolleges.]²

[ ]¹ K.B. 7-6-2007; [ ]² K.B. 25-2-2017

Art. 2.

[Dit besluit is niet toepasselijk op :

1° de leden en het personeel van het Arbitragehof, van het Rekenhof, alsmede het personeel van de Kamer van volksvertegenwoordigers, van de Senaat, van de Gemeenschaps- of Gewestraden, van de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van de Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie;

2° de personeelsleden van de coöperatie die onderworpen zijn aan het koninklijk besluit van 10 april 1967 houdende het statuut van het personeel van de coöperatie met de ontwikkelingslanden;

3° de leden van het personeel der gesubsidieerde onderwijsinrichtingen die niet het voordeel van een weddetoelage of van een loon ten laste van een Gemeenschap of een Gemeenschapscommissie genieten;

4° de leden van het personeel der gesubsidieerde onderwijsinrichtingen die van een loon ten laste van een Gemeenschap of een Gemeenschapscommissie genieten en die in dienst genomen zijn met een arbeidsovereenkomst, waarop de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing is;

5°[[de leden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra, van de diensten voor studie- en beroepsoriëntering, van de pedagogische begeleidingsdiensten en van de centra voor leerlingenbegeleiding die niet het voordeel van een weddetoelage ten laste van een Gemeenschap of een Gemeenschapscommissie genieten.]] ]

K.B. 20-9-1998; [[ ]] K.B. 7-6-2007

Art. 3.

[Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder :

1°[["de wet" : de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector;]]

2° "de Minister" :

a) [[wat de personeelsleden van de federale overheidsdiensten, van de programmatorische federale overheidsdiensten, van de overheidsdiensten die ervan afhangen, van de besturen en andere diensten van de federale ministeries betreft : de minister onder wie het personeelslid ressorteert;]]

b) [[wat de personeelsleden van de diensten van de Regeringen van de Gemeenschappen en de Gewesten, van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van het College van de Franse Gemeenschapscommissie betreft : de Regering of het College waaronder het personeelslid ressorteert;]]

c) wat de leden en het personeel van de rechterlijke orde betreft : de minister tot wiens bevoegdheid Justitie behoort;

d) wat de leden en het personeel van de Raad van State betreft : de minister tot wiens bevoegheid Binnenlandse Zaken behoort;

e) wat de leden van het onderwijzend personeel betreft : de Regering of het College waaronder zij ressorteren;

f) [[wat de personeelsleden van de psycho-medisch-sociale centra, van de diensten voor studie- en beroepsoriëntering, van de pedagogische begeleidingsdiensten en van de centra voor leerlingenbegeleiding betreft : de Regering waaronder zij ressorteren.]] ]

K.B. 20-9-1998; [[ ]] K.B. 7-6-2007

Art. 4.

[De getroffene heeft recht op de vergoeding :

1° van de kosten voor dokter, chirurg, apotheker en verpleging binnen de grenzen van het tarief door de Koning vastgesteld ter uitvoering van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 of van enige andere wetsbepaling tot wijziging of tot vervanging ervan;

2° van de kosten voor prothesen en orthopedische toestellen waarvan het gebruik op geneeskundig gebied, als noodzakelijk is erkend;

3° van de kosten voor herstelling en vervanging van de bij 2° , bedoelde prothesen en orthopedische toestellen.]

K.B.13-11-1973

[Art. 4bis.

§ 1. De getroffene heeft recht op vergoeding van de verplaatsingskosten [[en overnachtingskosten]]² die het gevolg zijn van het ongeval, telkens als hij zich moet verplaatsen :

1° op verzoek van de Minister of enige andere administratieve overheid, met inbegrip van [[[het Bestuur van de medische expertise]]];

2° op verzoek van de rechtbank of van de door de rechter aangeduide expert;

3° op zijn verzoek, met toestemming van [[[het Bestuur van de medische expertise]]];

4° [[om medische redenen.]]¹

Op de getroffene zijn van toepassing de bepalingen van artikel 36, tweede tot en met zesde lid, van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 of van enige andere bepaling tot wijziging of vervanging ervan.

§ 2. De echtgenoot, de kinderen en de ouders van de getroffene hebben recht op vergoeding van de verplaatsingskosten [[en overnachtingskosten]]² die het gevolg zijn van het ongeval, onder de voorwaarden en binnen de perken bepaald bij artikel 37 van het voormeld koninklijk besluit van 21 december 1971 of van enige andere bepaling tot wijziging of vervanging ervan.

In afwijking van het voormelde artikel 37, § 4, wordt evenwel de toestemming van de verzekeraar vervangen door de toestemming van [[het Bestuur van de medische expertise]]³.]

K.B. 13-11-1973; [[ ]]¹ K.B. 24-3-1986; [[ ]]² K.B. 7-6-2007; [[ ]]³ K.B. 1-12-2013; [[[ ]]] K.B. 1-12-2013

Art. 5.

[De vergoeding wegens begrafeniskosten wordt toegekend overeenkomstig de artikelen 2, 3 en 4 van het koninklijk besluit van 8 juli 2005 tot regeling van de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van een personeelslid van een federale overheidsdienst.

De laatste bruto-activiteitsbezoldiging, bedoeld in artikel 3, § 1, van voornoemd koninklijk besluit is die welke de getroffene laatstelijk heeft verkregen in het bestuur, de dienst of de inrichting waartoe hij behoorde.

De federale overheidsdienst of het ministerie waaronder de dienst ressorteert waarbij het ongeval moet worden aangegeven zorgt voor de overbrenging van het stoffelijk overschot naar de plaats van de begrafenis alsmede voor de vervulling van de administratieve formaliteiten; de kosten voor de overbrenging vallen te zijnen laste.]

K.B. 7-6-2007

[Art. 5bis.

(voetnoot 2)

§ 1. Op aanvraag van het slachtoffer wordt hem een jaarlijkse bijslag wegens verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid toegekend, telkens wanneer zijn toestand, die het gevolg is van het arbeidsongeval, op een blijvende manier verergert na het aflopen van de in artikel 10, § 1, bedoelde termijn, voor zover de graad van arbeidsongeschiktheid, na deze verergering, ten minste 10 percent bedraagt.

§ 2. Het bedrag van de bijslag is gelijk aan het verschil tussen :

1° het product dat men bekomt door de nieuwe graad van blijvende arbeidsongeschiktheid te vermenigvuldigen met het met deze graad overeenstemmend bedrag, zoals bepaald in § 3, en

2° het bedrag van de oorspronkelijke of herziene rente, vóór iedere uitkering in kapitaal.

Het bedrag van de bijslag wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01.

Indien het overeenkomstig 1° bekomen product gelijk of lager ligt dan het bedrag van de rente, is geen bijslag verschuldigd.

§ 3. [[De in § 2, 1°, bedoelde bedragen zijn de volgende :

- 70,49 euro per percent blijvende ongeschiktheid, wanneer deze is vastgesteld op ten minste 10 percent en ten hoogste 35 percent;

- 93,91 euro per percent blijvende ongeschiktheid, wanneer deze is vastgesteld op meer dan 35 percent en ten hoogste 65 percent;

- 119,19 euro per percent blijvende ongeschiktheid, wanneer deze is vastgesteld op meer dan 65 percent;

- 59,63 euro per percent blijvende ongeschiktheid, wanneer de in artikel 4, § 2, eerste lid, van de wet bedoelde bijkomende vergoeding wordt berekend met een maximum van 100 percent; het bedrag wordt opgetrokken tot 119,19 euro als die in artikel 4, § 2 bedoelde bijkomende vergoeding berekend wordt met een maximum van 50 percent overeenkomstig artikel 4, § 1, vijfde lid, van de wet, zoals het van toepassing was voor 25 november 1998.]]¹

§ 4. De bijslag is verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het indienen van de aanvraag. Bij elke verergering wordt zij herberekend vanaf deze datum. De bijslag wordt vanaf de datum van toekenning tegelijk met de rente betaald.

§ 5. [[Het slachtoffer dient bij een ter post aangetekende brief, bij de in artikel 6 bedoelde dienst, zijn aanvraag in, vergezeld van al de bewijsstukken. De dienst meldt onmiddellijk de ontvangst van de aanvraag bij een ter post aangetekende brief en bezorgt de aanvraag binnen de achtenveertig uur aan het Bestuur van de medische expertise. Dat onderzoekt het slachtoffer uiterlijk drie maanden na het indienen van de aanvraag.

Het Bestuur van de medische expertisebehoudt of wijzigt het percentage van de blijvende ongeschiktheid. Het stelt de bevoegde dienst onverwijld in kennis van zijn beslissing. Die beslissing wordt neergelegd in een ministerieel besluit en, bij een ter post aangetekende brief, ter kennis gebracht van het slachtoffer.

Artikel 11, § 2, is van toepassing op de procedure voor de aanvraag tot erkenning van een verergering.]]²

§ 6. In het in § 1 bedoeld geval, wordt desgevallend de in artikel 4, § 2, eerste lid, van de wet bedoelde bijkomende vergoeding toegekend of aangepast.]

K.B. 7-6-2007; [[ ]]¹ K.B. 26-11-2012; [[ ]]² K.B. 1-12-2013

[Art. 5ter.

(voetnoot 3)

§ 1. Aan de in de artikelen 8 tot 10 van de wet bedoelde rechthebbenden wordt een jaarlijkse overlijdensbijslag toegekend als het bewijs wordt geleverd dat het slachtoffer overleden is ten gevolge van een arbeidsongeval, na het aflopen van de in artikel 10, § 1, bedoelde herzieningstermijn.

§ 2. De toekenningsvoorwaarden voor de in § 1 bedoelde bijslag zijn deze die in de artikelen 19, 20 en 20bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 beschreven zijn.

§ 3. [[Het bedrag voor de bijslag is gelijk aan :

2.625,79 euro voor de overlevende echtgenoot;

2.625,79 euro voor de in artikel 8, tweede lid, van de wet bedoelde overlevende echtgenoot; het bedrag mag evenwel niet hoger zijn dan het onderhoudsgeld;

1.750,52 euro voor rechthebbenden die een rente zouden hebben genoten die gelijk is aan 20 percent van de basisbezoldiging;

1.312,86 euro voor rechthebbenden die een rente zouden hebben genoten die gelijk is aan 15 percent van de basisbezoldiging;

875,26 euro voor rechthebbenden die een rente zouden hebben genoten die gelijk is aan 10 percent van de basisbezoldiging.

Deze bedragen worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.]]¹

§ 4. De in § 3 bedoelde bedragen blijven ongewijzigd als de rente, in toepassing van artikel 9, § 5, van de wet, wordt verlaagd.

§ 5. [[De rechthebbenden van het slachtoffer dienen, bij een ter post aangetekende brief, bij de in artikel 6 bedoelde dienst, een aanvraag in, vergezeld van al de bewijsstukken.

De dienst meldt onmiddellijk de ontvangst van de aanvraag bij een ter post aangetekende brief en bezorgt de aanvraag binnen de achtenveertig uur aan het Bestuur van de medische expertise. Dat beslist op grond van de elementen in het dossier uiterlijk drie maanden na het indienen van de aanvraag. Het stelt de minister of zijn afgevaardigde onverwijld in kennis van zijn beslissing.

Die beslissing wordt neergelegd in een ministerieel besluit en bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de rechthebbenden.]]²

§ 6. [[De bijslag is opeisbaar op de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving van het ministerieel besluit.]]¹ ]

K.B. 7-6-2007; [[ ]]¹ K.B. 26-11-2012; [[ ]]² K.B. 1-12-2013

Art. 6.

De Minister duidt de dienst aan waarbij ieder ongeval moet worden aangegeven dat als arbeidsongeval of als ongeval op de weg naar en van het werk kan worden beschouwd.

De personeelsleden worden in kennis gesteld van deze dienst.

Art. 7.

Aangifte van het ongeval wordt gedaan door de getroffene, zijn rechtverkrijgenden, zijn chef of enig ander belanghebbende.

De aangifte wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk gedaan door middel van een in tweevoud opgemaakt formulier "aangifte van ongeval".

Het formulier, waarbij een doktersattest moet worden gevoegd indien het ongeval een arbeidsongeschiktheid van meer dan één dag heeft veroorzaakt of kan veroorzaken, moet aan de in artikel 6 bedoelde dienst worden gezonden. Binnen de 48 uren doet die dienst een exemplaar ervan toekomen aan [[het Bestuur van de medische expertise]].

[Het model van het formulier en van het doktersattest wordt vastgesteld door de minister tot wiens bevoegdheid het [[federale]]¹ Openbaar Ambt behoort.]

K.B. 21-11-1991; [[ ]]¹ K.B. 20-9-1998; [[ ]]² K.B. 1-12-2013

Art. 8.

[Het Bestuur van de medische expertise wordt aangeduid :

- om het causaliteitsverband na te gaan tussen het arbeidsongeval en de letsels;

- om het causaliteitsverband vast te stellen tussen het arbeidsongeval en de periodes van arbeidsongeschiktheid;

- om de consolidatiedatum, de percentage van blijvende arbeidsongeschiktheid en de percentage van hulp van derden vast te stellen.

Het vaststellen van het causaliteitsverband tussen de periodes van arbeidsongeschiktheid en het arbeidsongeval omvat de afwezigheidscontrole niet.]

K.B. 8-5-2014

[Art 8bis.

Indien in het kader van opdrachten die door artikel 8 van dit besluit worden toevertrouwd aan het Bestuur van de medische expertise het slachtoffer zich niet aanbiedt bij het Bestuur van de medische expertise zonder geldige reden in te roepen, na twee keer in gebreke te zijn gesteld per aangetekend schrijven, deelt de minister of zijn gemachtigde hem zijn beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid mee.]

K.B. 8-5-2014

Art. 9.

[§ 1. Indien de tijdelijke arbeidsongeschiktheid 30 kalenderdagen of langer duurt, wordt het slachtoffer ambtshalve opgeroepen bij het Bestuur van de medische expertise om het percentage van blijvende ongeschiktheid te bepalen en, in voorkomend geval het percentage van de hulp van derden.

§ 2. Indien de tijdelijke arbeidsongeschiktheid minder lang duurt dan 30 kalenderdagen en indien het slachtoffer een medisch attest van genezing zonder blijvende arbeidsongeschiktheid verstrekt, deelt de minister of zijn gemachtigde per aangetekend schrijven een beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid mee. Het medisch attest van genezing wordt opgemaakt volgens het model bepaald in bijlage bij dit besluit, door de geneesheer geraadpleegd door het slachtoffer.

Indien het slachtoffer het in het eerste lid bedoelde medisch attest van genezing niet verstrekt, omdat het op grond van een medisch verslag opgemaakt door de geneesheer die het heeft geraadpleegd meent te lijden aan een blijvende ongeschiktheid, wordt het opgeroepen bij het Bestuur van de medische expertise.

§ 3. Het Bestuur van de medische expertise deelt de minister of zijn gemachtigde zijn beslissing mee, die hetzij bestaat uit de toekenning van een percentage van blijvende ongeschiktheid, hetzij uit een genezing zonder blijvende arbeidsongeschiktheid.

Wanneer het ongeval een percentage van blijvende ongeschiktheid met zich meebrengt, gaat de minister of zijn gemachtigde na of de toekenningsvoorwaarden van de vergoedingen vervuld zijn; hij onderzoekt de bestanddelen van de geleden schade en stelt het slachtoffer of zijn rechthebbenden de betaling van een rente voor. In dat voorstel worden de bezoldiging waarop de rente wordt berekend, de aard van het letsel, de verminderde geschiktheid en de datum van de consolidatie vermeld.

Wanneer het ongeval geen percentage van blijvende ongeschiktheid met zich meebrengt, deelt de minister of zijn gemachtigde per aangetekend schrijven een beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid mee.

§ 4. Indien het slachtoffer of zijn rechthebbenden akkoord gaan, wordt het in § 3, tweede lid bedoelde voorstel opgenomen in een ministerieel besluit dat wordt meegedeeld aan het slachtoffer of aan zijn rechthebbenden.]

K.B. 8-5-2014

[Art. 9bis.

[[In geval van subrogatie van rechtswege, zoals bepaald in de artikelen 14, § 3, en 14bis van de wet, kan de Minister een beroep doen op de geneeskundige medewerking van het Bestuur van de medische expertise. Dit is in iedere procedure, zowel in der minne als in een geschil, verplicht daaraan gevolg te geven, behoudens hetgeen vereist is ter bewaring van het medisch beroepsgeheim.]] ]

K.B. 24-3-1986; [[ ]] K.B. 1-12-2013

Art. 10.

§ 1. [De aanvraag tot herziening van de vergoedingen op grond van een verergering of van een vermindering van de ongeschiktheid van het slachtoffer of wegens het overlijden van het slachtoffer te wijten aan de gevolgen van het ongeval, of op grond van een wijziging van de noodzakelijkheid van de geregelde hulp van een ander persoon, mag gedaan worden gedurende drie jaar, te rekenen, hetzij

- van de kennisgeving van de beslissing bedoeld in artikel 9, § 2, eerste lid of § 3, derde lid;

- van de kennisgeving van het in artikel 9, § 4 bedoelde ministerieel besluit;

- van de beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan.

De herziening heeft uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op het indienen van de aanvraag.]

K.B. 8-5-2014

§ 2. De gerechtigde richt zijn aanvraag tot herziening vergezeld van al de bewijsstukken, bij een bij de post aangetekende brief, aan de in artikel 6 bedoelde dienst.

[§ 3. De minister zendt aan de gerechtigde, bij een bij de post aangetekende brief, zijn aanvraag tot herziening. De in artikel 6 bedoelde dienst zendt, binnen achtenveertig uur, een exemplaar van de aanvraag tot herziening aan [[het Bestuur van de medische expertise]].]

K.B. 13-11-1973; [[ ]] K.B. 1-12-2013

[§ 4. [[...]] ]

K.B. 24-3-1986; [[ ]] K.B. 7-6-2007

Art. 11.

[§ 1. Het Bestuur van de medische expertise onderzoekt de getroffene uiterlijk drie maanden na het indienen van de aanvraag tot herziening.

Het Bestuur van de medische expertisebehoudt of wijzigt het percentage van de blijvende ongeschiktheid.

Het stelt de Minister onverwijld in kennis van zijn beslissing.

De beslissing van het Bestuur van de medische expertise wordt neergelegd in een ministerieel besluit en ter kennis gebracht van de getroffene.

§ 2. Ingeval de getroffene zich zonder geldige reden en na twee opeenvolgende bij de post aangetekende oproepingsbrieven niet aanmeldt bij het Bestuur van de medische expertise ten gevolge van de aanvraag tot herziening die in artikel 10, § 3 wordt bedoeld, wordt de uitkering van de vergoedingen en renten geschorst vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van de tweede oproeping.

Het Bestuur van de medische expertise beoordeelt de relevantie van de motieven waarom het slachtoffer niet verschenen is, voor zover het een schriftelijke rechtvaardiging geeft.

De uitbetaling wordt, zonder terugwerkende kracht, hervat de eerste dag van de maand die volgt op de datum van verschijning van het slachtoffer, die zonder geldig motief niet was verschenen, bij het Bestuur van de medische expertise.]

K.B. 1-12-2013

Art. 12.

De artikelen 10 en 11 zijn niet toepasselijk op een ongeval dat zich vóór 1 januari 1964 heeft voorgedaan.

Art. 13.

Voor de vaststelling van het bedrag der renten [in geval van blijvende ongeschiktheid]² of overlijden moet onder jaarlijkse bezoldingen worden verstaan enige wedde, enig loon of enige als wedde of loon geldende vergoeding, door de getroffene op het tijdstip van het ongeval verkregen, vermeerderd met de toelage of vergoedingen die geen werkelijke lasten dekken en op grond van de arbeidsovereenkomst of het wettelijk of reglementair statuut zijn verschuldigd.

[Voor de vaststelling der in het eerste lid bedoelde jaarlijkse bezoldiging wordt geen rekening gehouden met enige vermindering van de bezoldiging uit hoofde van de leeftijd van de getroffene.]¹

[]¹ K.B. 13-11-1973; [ ]² K.B. 7-6-2007

Art. 14.

§ 1. Wanneer het ongeval zich vóór 1 juli 1962 heeft voorgedaan, wordt de in artikel 13 bedoelde jaarlijkse bezoldiging vermenigvuldigd met een coëfficiënt om ze aan te passen aan de schommelingen van de kosten voor levensonderhoud tussen de datum van het ongeval en 1 juli 1962; deze coëfficiënt wordt, in ieder geval, bepaald door de minister tot wiens bevoegdheid het Openbaar Ambt behoort.

§ 2. Wanneer het ongeval zich heeft voorgedaan na 30 juni 1962, omvat de in artikel 13 bedoelde jaarlijkse bezoldiging niet de verhoging als gevolg van de koppeling ervan aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer der kleinhandelsprijzen van het Rijk op het tijdstip van het ongeval.

Art. 15.

[In geval van cumulatie van betrekkingen, ambten of functies in één of meer besturen, diensten of inrichtingen bedoeld in artikel 1 van de wet, wordt de rente, onverminderd het bepaalde [[in artikel 4, § 1, tweede, derde en vierde lid]] van de wet, berekend op de samengevoegde jaarlijkse bezoldigingen welke betrekking hebben op die verschillende bezigheden en welke verschuldigd zijn overeenkomstig de cumulatiewetgeving die erop van toepassing is.]

(voetnoot 1) K.B. 24-3-1986; [[ ]] K.B. nr. 419,16-7-1986

Art. 16.

[...]

(voetnoot 1) K.B.24-3-1986

Art. 17.

[Indien de arbeidsduur van de getroffene in één of meer besturen, diensten of inrichtingen bedoeld in artikel 1 van de wet op het tijdstip van het ongeval minder beloopt dan de normale jaarlijkse duur van een ambt met volledige prestaties, wordt de eventueel volgens artikel 15 vastgestelde jaarlijkse bezoldiging vermeerderd met een hypothetische bezoldiging die betrekking heeft op de periode zonder prestatie.]

(voetnoot 1) K.B.24-3-1986

Die hypothetische bezoldiging wordt berekend met inachtneming van de bezoldiging of de bezoldigingen welke aan de getroffene worden uitbetaald en binnen de grenzen welke vereist zijn om tot de normale jaarlijkse duur van een ambt met volledige prestaties te komen.

Art. 18.

(voetnoot 1)

[De uitdrukking "ambt met volledige prestaties" bedoeld in artikel 17, duidt de betrekking, het ambt of de functie aan welke zodanige prestaties omvatten dat zij een normale beroepsactiviteit volkomen in beslag nemen.]

K.B.24-3-1986

Art. 19.

[Voor de toepassing van artikel 13 van de wet worden de rente, de verergeringsbijslag, de overlijdensbijslag en de in artikel 5bis, § 3, bedoelde bedragen gekoppeld aan de spilindex 138,01 en schommelen zij overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.]

K.B. 7-6-2007

Art. 20.

Onverminderd artikel 25 van de wet zijn de renten verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand tijdens welke de consolidatie of het overlijden plaats vindt.

[Te rekenen van de dag waarop de renten zijn verkregen, worden zij de eerste dag van iedere maand van het kalenderjaar per twaalfde vooraf uitbetaald. Bereikt de graad van de blijvende ongeschiktheid evenwel geen 16 %, dan wordt de rente éénmaal per jaar in de loop van het vierde trimester uitbetaald.]

K.B.20-9-1998

Art. 21.

[De waarde van de rente die krachtens artikel 12 van de wet in kapitaal wordt uitbetaald, wordt berekend op grond van de rente waarop vooraf de verhoging ingevolge de koppeling aan het indexcijfer der kleinhandelsprijzen toegepast is, overeenkomstig de regeling bepaald in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

De in aanmerking te nemen leeftijd voor de omzetting van de rente in kapitaal is die welke de gerechtigde heeft op het ogenblik waarop de aanvraag tot omzetting uitwerking heeft.]

K.B. nr. 419, 16-7-1986

Art. 22.

Indien de gerechtigde gebruik maakt van het recht bepaald in [artikel 12, § 1, eerste lid], van de wet wordt het deel van de rente dat als kapitaal betaalbaar is, vastgesteld op grond van de totale rente berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 4 van de wet;

1° wanneer, bij toepassing van artikel 6 van de wet, de rente beperkt is tot 25 pct. van de bezoldiging op grond waarvan zij vastgesteld is;

2° wanneer bij toepassing van artikel 7 van de wet, de rente slechts tot 100 pct. of tot 150 pct. van de laatste bezoldiging met het rustpensioen mag gecumuleerd worden.

K.B.24-3-1986

In geen geval mag het in kapitaal omgezette deel van de rente, eventueel vermeerderd met het overblijvende deel van de rente, de in de artikelen 6, § 1, en 7, § 1, van de wet bedoelde percentages overschrijden.

Art. 23.

[Het kapitaal wordt uitgekeerd binnen zestig dagen volgend op de bij artikel 12, § 2, van de wet bepaalde datum.]

K.B. nr. 419,16-7-1986

Art. 24.

[...]

K.B. 7-6-2007

Art. 25.

[De kosten van dokter, chirurg, apotheker, verpleging, prothese en orthopedie worden betaald door [[het Bestuur van de medische expertise]] en zijn ten laste van de Schatkist.]

K.B. 6-3-1998; [[ ]] K.B. 1-12-2013

Art. 26.

[Onverminderd artikel 5, derde lid, worden de begrafeniskosten betaald door de zorg van het ministerie waaronder de dienst ressorteert waarbij het ongeval moet worden aangegeven. Zij worden echter betaald door de zorg van de Administratie der Pensioenen indien de getroffene een pensioen heeft genoten ten laste van de Staatskas [[...]] ]

K.B. 13-11-1973; [[ ]] K.B. 21-11-1991

Art. 27.

[De renten, de vergergeringsbijslagen en de overlijdensbijslagen worden betaald door de Pensioendienst voor de Overheidssector.]

K.B.7-6-2007

Art. 28.

[§ 1. De kosten van de administratieve procedure en de niet in § 2 bedoelde gerechtskosten en -uitgaven worden betaald door het ministerie of de federale overheidsdienst waaronder de dienst ressorteert waarbij het ongeval moet worden aangegeven.

Onder administratieve procedurekosten moet onder meer worden verstaan de kosten van alle ter post aangetekende zendingen, de administratieve kosten die verbonden zijn aan het opstellen en afleveren van medische verslagen, het drukken van de formulieren voor aangifte van ongeval, de erelonen van de arts die het slachtoffer bijstaat tijdens de procedure bij de administratieve gezondheidsdienst.

§ 2. De verplaatsingskosten en de overnachtingskosten, bedoeld in artikel 4bis, § 1, worden betaald door :

1° het ministerie of de federale overheidsdienst waaronder de dienst ressorteert waarbij het ongeval moet worden aangegeven voor de kosten die uit een geneeskundige expertise voortvloeien, ongeacht of ze door [[het Bestuur van de medische expertise]] of bij gerechtelijke beslissing vereist wordt;

2° [[het Bestuur van de medische expertise]] wanneer zij volgen uit een door de geneesheer van het slachtoffer voorgeschreven behandeling.

§ 3. De in artikel 4bis, § 2, bedoelde verplaatsingskosten en overnachtingskosten worden betaald door het ministerie of de federale overheidsdienst waaronder de dienst ressorteert waarbij het ongeval moet worden aangegeven.]

K.B. 7-6-2007; [[ ]] K.B. 1-12-2013

Art. 29.

§ 1. Voor de toepassing van [artikel 14, § 1, 4° ]¹ van de wet worden [alle besturen, diensten en inrichtingen [[bedoeld in artikel 1, 1°, 2° en 3°]] ]² van dit besluit, geacht een en dezelfde rechtspersoon te zijn.

Al hun personeelsleden worden geacht daartoe te behoren.

[ ]¹ K.B. 13-11-1973; [ ]² K.B. 21-11-1991; [[ ]] K.B. 7-6-2007

[§ 1. bis. Voor de toepassing van artikel 14, § 1, 4° , van de wet komen alle diensten in aanmerking die zijn verricht in de besturen, diensten en verrichtingen [[bedoeld in artikel 1, 5°]] .]

K.B. 21-11-1991; [[ ]] K.B. 7-6-2007

§ 2. Voor de toepassing van [artikel 14, § 1, 4° ]¹ van de wet, worden [de [[in artikel 1, 6°]] van dit besluit bedoelde gesubsidieerde onderwijsinrichtingen]² die onder eenzelfde inrichtende macht ressorteren, geacht een en dezelfde inrichting te zijn.

Tot het personeel van de gesubsidieerde onderwijsinrichting waaronder de getroffene ressorteert, worden geacht te behoren alle personeelsleden die onder eenzelfde inrichtende macht ressorteren.

[ ]¹ K.B. 13-11-1973; [ ]² K.B. 21-11-1991; [[ ]] K.B. 7-6-2007

[§ 3. Voor de toepassing van artikel 14, § 1, 4° van de wet, worden de [[in artikel 1, 7°]] van dit besluit bedoelde gesubsidieerde centra en diensten die onder eenzelfde inrichtende overheid ressorteren, geacht een en dezelfde inrichting te zijn.

Tot het personeel van het gesubsidieerd centrum of de gesubsidieerde dienst waaronder de getroffene ressorteert, worden geacht te behoren alle personeelsleden die onder eenzelfde inrichtende overheid ressorteren.]

K.B. 6-6-1975; [[ ]] K.B. 7-6-2007

Art. 30.

[...]

K.B.13-11-1973

Art. 31.

Voor de ongevallen overkomen vóór of na de inwerkingtreding van dit besluit blijven uitwerking hebben de verzekeringsovereenkomsten, de administratieve reglementen of welke andere maatregelen ook genomen ten gunste van de getroffenen of van hun rechthebbenden, die vóór de datum dezer inwerkingtreding zijn beginnen te lopen.

De getroffenen of hun rechthebbenden verkrijgen echter, alleszins, het voordeel van een vergoeding gelijkwaardig aan die welke de toepassing van de wet tot gevolg zou hebben.

Art. 32.

[De personeelsleden onderworpen aan dit besluit behouden tijdens de periode van tijdelijke ongeschiktheid de bezoldiging verschuldigd op grond van hun arbeidsovereenkomst of hun wettelijk of reglementair statuut.]

K.B.24-3-1986

[Art. 32bis.

Indien [[het Bestuur van de medische expertise]]² de getroffene geschikt acht om zijn ambt weder op te nemen met verminderde prestaties, zowel tijdens de periode van tijdelijke ongeschiktheid als na de consolidatie, mag [[...]]¹ de getroffene zonder tijdsbeperking en volgens de verdeling bepaald door [[het Bestuur van de medische expertise]]² zijn ambt uitoefenen, onder voorbehoud nochtans dat de getroffene tenminste de helft van de normale duur van een ambt met volledige prestaties kan volbrengen.]

K.B. 24-3-1986; [[ ]]¹ K.B. 7-6-2007; [[ ]]² K.B. 1-12-2013

Art. 33.

§ 1. Opgeheven worden :

1° [...];

K.B. 13-11-1973

2° Artikel 11 van het besluit van de Regent van 30 april 1947 houdende vaststelling van het statuut van het tijdelijk personeel;

3° Artikel 10 van het besluit van de Regent van 10 april 1948 houdende statuut van het tijdelijk werkliedenpersoneel;

4° Het koninklijk besluit van 22 april 1952 betreffende de vergoeding van de kosten van dokter, chirurg, apotheker, ziekenhuis, prothese en orthopedie, voortspruitend uit arbeidsongevallen aan vastaangestelde en stagedoende personeelsleden, overkomen in dienst of op de weg naar en van het werk;

5° Artikel 32 van het koninklijk besluit van 11 maart 1954 houdende statuut van het Korps burgerlijke bescherming;

6° Het koninklijk besluit van 22 april 1959 waarbij de bepalingen van het koninklijk besluit van 22 april 1952 toepasselijk worden verklaard op de leden van het wetenschappelijk personeel van de wetenschappelijke en artistieke inrichtingen van de Staat en op het personeel van het Rijksonderwijs;

7° Het koninklijk besluit van 3 mei 1960 waarbij het bepaalde in het koninklijk besluit van 22 april 1952 toepasselijk wordt verklaard op de leden van het burgerlijk wetenschappelijk en het burgerlijk onderwijzend personeel van het Ministerie van Landsverdediging;

8° [...];

K.B. 13-11-1973

9° Het koninklijk besluit van 4 januari 1961 betreffende de vergoeding van de kosten van dokter, chirurg, apotheker, ziekenhuis, prothese en orthopedie voortspruitende uit de arbeidsongevallen aan vastaangestelde en stagedoende gerechtelijke officieren en agenten overkomen in dienst of op de weg naar of van het werk;

10° Het koninklijk besluit van 22 juli 1964 waarbij de bepalingen van het koninklijk besluit van 22 april 1952 toepasselijk worden verklaard op de leden van het personeel der rijksuniversiteiten en der met de universiteiten gelijkgestelde rijksinstellingen;

11° Het koninklijk besluit van 10 juni 1966 tot uitbreiding van het voordeel van de bepalingen van het koninklijk besluit van 22 april 1952 betreffende de vergoeding van de kosten van dokter, chirurg, apotheker, ziekenhuis, prothese en orthopedie voortspruitende uit arbeidsongevallen overkomen in dienst of op de weg naar of van het werk tot het administratief, vastaangesteld, stagedoend, tijdelijk en hulppersoneel van de griffies van de parketten;

12° Het koninklijk besluit van 29 januari 1968 houdende toekenning aan de personeelsleden van het Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudiën van dezelfde voordelen toegekend aan de vastaangestelde en stagedoende rijkspersoneelsleden bij het koninklijk besluit van 22 april 1952;

[13° Artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1951 tot machtiging van de Minister van Landsverdediging om voor een bepaald aantal betrekkingen bestemd voor militairen van lagere graad aanvullingspersoneel aan te werven en tot vaststelling van dezes statuut.]

K.B. 13-11-1973

§ 2. Het koninklijk besluit van 3 maart 1953 tot regeling van de tussenkomst van de Staat in de kosten van consult bij wijze van beroep tegen een beslissing van [het Bestuur van de medische expertise] is niet toepasselijk op de aan dit besluit onderworpen personeelsleden bij arbeidsongeval of bij ongeval op de weg naar en van het werk.

K.B. 1-12-2013

Art. 34.

Onze Ministers zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE

Medisch attest van genezing zonder blijvende arbeidsongeschiktheid

De bijlage is raadpleegbaar via het Belgisch Staatsblad, waar u bij de wettekst rechts onderaan "beeld" aanklikt.

- (2): Voor elke verergering na de herzieningstermijn en vóór de inwerkingtreding van dit besluit dd. 7-6-2007, is de verergeringsbijslag verschuldigd ten vroegste vanaf 1 januari 2006. Voor de toepassing hiervan, wordt de verergeringsdatum bewezen door alle rechtsmiddelen. (K.B. 7-6-2007; Art. 19)

- (3): De bedoelde overlijdensbijslag is verschuldigd voor elk overlijden dat gebeurd is na 31 december 2005. (K.B. 7-6-2007; Art. 19)

- (1): evenwel niet van toepassing op de arbeidsongevallen, op de ongevallen op de weg naar en van het werk en de beroepsziekten indien de datum van de consolidatie of het tijdstip waarop de ongeschiktheid een blijvend karakter gaat vertonen, vóór 1 mei 1986 ligt.

- (1): evenwel niet van toepassing op de arbeidsongevallen, op de ongevallen op de weg naar en van het werk en de beroepsziekten indien de datum van de consolidatie of het tijdstip waarop de ongeschiktheid een blijvend karakter gaat vertonen, vóór 1 mei 1986 ligt.

- (1): evenwel niet van toepassing op de arbeidsongevallen, op de ongevallen op de weg naar en van het werk en de beroepsziekten indien de datum van de consolidatie of het tijdstip waarop de ongeschiktheid een blijvend karakter gaat vertonen, vóór 1 mei 1986 ligt.

- (1): evenwel niet van toepassing op de arbeidsongevallen, op de ongevallen op de weg naar en van het werk en de beroepsziekten indien de datum van de consolidatie of het tijdstip waarop de ongeschiktheid een blijvend karakter gaat vertonen, vóór 1 mei 1986 ligt.