OPGEHEVEN : Decreet betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap

  • goedkeuringsdatum
    12 JUNI 1991
  • publicatiedatum
    B.S.04/07/1991
  • datum laatste wijziging
    27/02/2014
  • erratum
    B.S.3-10-1991

COORDINATIE

Decr. 9-4-1992 - B.S. 16-5-1992

Decr. 9-4-1992 - B.S. 16-5-1992

Decr. 25-6-1992 - B.S. 11-7-1992

Decr. 23-7-1992 - B.S. 14-8-1992

Decr. 27-1-1993 - B.S. 19-2-1993

Decr. 28-4-1993 - B.S. 28-5-1993

Decr. 15-12-1993 - B.S. 1-3-1994

Arr. nr. 31/94, 31-3-1994 - B.S. 16-4-1994

Decr. 13-7-1994 - B.S. 31-8-1994

Decr. 21-12-1994 - B.S. 16-3-1995

Decr. 5-4-1995 - B.S. 29-7-1995

Decr. 22-11-1995 - B.S. 6-2-1996

Decr. 22-12-1995 - B.S. 1-2-1996

Decr. 16-4-1996 - B.S. 12-6-1996

Arr. nr. 30/96, 15-5-1996 - B.S. 6-6-1996

Decr. 8-7-1996 - B.S. 5-9-1996

Decr. 24-7-1996 - B.S. 19-9-1996

Arr. nr. 47/97, 14-7-1997 - B.S. 7-8-1997

Decr. 15-7-1997 - B.S. 21-8-1997

Decr. 23-6-1998 - B.S. 8-8-1998

Decr. 14-7-1998 - B.S. 29-8-1998; err. 1-12-1998

Decr. 19-12-1998 - B.S. 31-12-1998

Decr. 18-5-1999 - B.S. 20-7-1999

Decr. 18-5-1999 - B.S. 31-8-1999

Decr. 18-5-1999 - B.S. 27-1-2000

Decr. 22-12-1999 - B.S. 30-12-1999

Decr. 30-6-2000 - B.S. 25-7-2000

Decr. 30-6-2000 - B.S. 17-8-2000

Decr. 20-10-2000 - B.S. 16-12-2000

Decr. 22-12-2000 - B.S. 30-12-2000

Decr. 20-4-2001 - B.S. 13-7-2001

Decr. 7-12-2001 - B.S. 12-2-2002

B.Vl.R. 14-12-2001 - B.S. 9-4-2002

Decr. 21-12-2001 - B.S. 29-12-2001

Decr. 5-7-2002 - B.S. 19-9-2002

Decr. 14-2-2003 - B.S. 1-7-2003

Decr. 4-4-2003 - B.S. 14-7-2003

Decr. 4-4-2003 - B.S. 14-8-2003

Decr. 19-12-2003 - B.S. 31-12-2003

Decr. 19-3-2004 - B.S. 10-6-2004; err. B.S. 27-7-2004

Decr. 30-4-2004 - B.S. 28-7-2004

Decr. 30-4-2004 - B.S. 12-10-2004

Decr. 24-12-2004 - B.S. 31-12-2004

Decr. 24-12-2004 - B.S. 21-2-2005

Arr. nr. 29/2005, 9-2-2005 - B.S. 25-2-2005

Decr. 24-6-2005 - B.S. 24-8-2005

Decr. 23-12-2005 - B.S. 30-12-2005

Decr. 30-6-2006 - B.S. 13-12-2006

Decr. 15-12-2006 - B.S. 6-2-2007

Decr. 22-12-2006 - B.S. 29-12-2006

Decr. 22-6-2007 - B.S. 21-8-2007

Decr. 29-6-2007 - B.S. 14-9-2007

Decr. 21-12-2007 - B.S. 31-12-2007

Decr. 14-3-2008 - B.S. 26-6-2008

Decr. 4-7-2008 - B.S. 1-9-2008

Decr. 21-11-2008 - B.S. 27-1-2009

Decr. 19-12-2008 - B.S. 29-12-2008

Decr. 8-5-2009 - B.S. 28-8-2009

Decr. 18-12-2009 - B.S. 30-12-2009

Decr. 18-12-2009 - B.S. 29-1-2010

Decr. 9-7-2010 - B.S. 31-8-2010

Decr. 23-12-2010 - B.S. 31-12-2010

Decr. 1-7-2011 - B.S. 30-8-2011

Decr. 23-12-2011 - B.S. 30-12-2011

Decr. 1-6-2012 - B.S. 22-6-2012

Decr. 29-6-2012 - B.S. 3-8-2012

Decr. 13-7-2012 - B.S. 8-11-2012

Decr. 21-12-2012 - B.S. 31-12-2012

Decr. 21-12-2012 - B.S. 23-1-2013

Decr. 21-12-2012 - B.S. 19-2-2013

Decr. 19-7-2013 - B.S. 27-8-2013

Decr. 20-12-2013 - B.S. 31-12-2013

opgeheven door Decr. 20-12-2013 - B.S. 27-2-2014

De Vlaamse Raad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel. 1.

Dit decreet regelt een aangelegenheid zoals bedoeld bij artikel 59bis van de Grondwet.

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Afdeling 1. - Begripsbepalingen

Art. 2.

In dit decreet wordt verstaan onder :

a) universiteitsbestuur : het universiteitsorgaan dat krachtens de wet of het decreet of door of krachtens de statuten aangewezen is om de door het decreet toegewezen bevoegdheid uit te oefenen;

b) vakgebied : tak van de wetenschap waarover het zelfstandig academisch personeel onderwijs verstrekt, wetenschappelijk onderzoek verricht of wetenschappelijke dienstverlening verleent;

c) studiegebied : één van de achttien categorieën vermeld in artikel 19 waarin de opleidingen zijn samengebracht, waarover academisch onderwijs wordt verstrekt;

d) deel van een studiegebied : één van de samenstellende elementen wanneer meerdere wetenschapsrichtingen waarover aan de universiteit academisch onderwijs wordt verstrekt in een bepaald studiegebied zijn samengebracht of een onderverdeling van een studiegebied indien dit studiegebied uit één wetenschapsrichting bestaat;

e) nader onderdeel van een studiegebied : een verdere opdeling van een deel van een studiegebied;

f) opleiding : een samenhangend geheel van onderwijs- en andere studieactiviteiten in of over een studiegebied, deel of nader onderdeel van een studiegebied heen;

g) academiejaar : een periode van een jaar die aanvangt op 1 oktober en eindigt op 30 september van het daaropvolgend kalenderjaar;

h) studiepunt : de eenheid waarmee de omvang van onderdelen van een opleiding wordt uitgedrukt volgens een uniform voorgeschreven norm;

[i) instelling voor postinitieel onderwijs : de instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening, bedoeld in het decreet van 18 mei 1999 betreffende sommige instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening;]¹

[j) representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie en een werking ontplooit naar het hoger onderwijs;]²

[k) Hogescholendecreet : het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

l) integratiekader : het geheel van personeelsleden, opgenomen in een lijst die bekrachtigd is door de Vlaamse Regering, zoals vermeld in artikel 171decies van het Hogescholendecreet;

m) academische hogeschoolopleidingen : de academische opleidingen die tot en met het academiejaar 2012-2013 aangeboden worden door de hogescholen en die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in de universiteiten.]³

[ ]¹ Decr. 20-4-2001; [ ]² Decr. 8-5-2009; [ ]³ Decr. van 13-7-2012

Afdeling 2. - Toepassingsgebied

Art. 3.

Dit decreet heeft betrekking op de volgende universiteiten :

1° de "Katholieke Universiteit te Leuven";

2° [a) de transnationale Universiteit Limburg;

b) het Limburgs Universitair Centrum;]

Decr. van 14-2-2003

3° de [Katholieke Universiteit Brussel] te Brussel;

Decr. van 9-4-1992

4° de "Universiteit Antwerpen", samengesteld uit :

a) het "Universitair Centrum Antwerpen";

b) de "Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen";

c) de "Universitaire Instelling Antwerpen";

5° de "Universiteit Gent";

6° de "Vrije Universiteit Brussel".

[Alleen deze instellingen kunnen als universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming universiteit en zich als dusdanig doen kennen.]

Decr. van 27-1-1993

HOOFDSTUK II. - Universitaire zending

Art. 4.

[...]

Decr. van 4-4-2003

HOOFDSTUK III. - Academisch onderwijs

Afdeling 1. - Definitie en doelstellingen

Art. 5.

Het academisch onderwijs is het op het wetenschappelijk onderzoek gestoeld onderwijs dat verstrekt wordt door de universiteiten, in zijn geheel bijdraagt tot de algemeen menselijke vorming en voorbereidt op de zelfstandige beoefening van de wetenschap of toepassing van de wetenschappelijke kennis.

Afdeling 2. - Structuur van het academisch onderwijs

Art. 6.

[Het academisch onderwijs wordt opgedeeld in de academische opleidingen, de academische initiële lerarenopleidingen, de voortgezette academische opleidingen, de doctoraatsopleidingen en de postacademische vorming.]

Decr. van 22-12-1995

Art. 7.

De academische opleidingen sluiten aan bij het secundair onderwijs. Zij omvatten een vorming in het wetenschappelijk denken in het algemeen en een opleiding in een bepaald wetenschapsgebied in het bijzonder. Elke academische opleiding wordt in twee cycli ingedeeld. De opleidingen behorende tot de eerste cyclus worden bekrachtigd met één van de academische graden van kandidaat. De opleidingen behorende tot de tweede cyclus worden bekrachtigd met één van de hiernavolgende academische graden : licentiaat, handelsingenieur, burgerlijk ingenieur, burgerlijk ingenieur-architect, bio-ingenieur, apotheker, arts, tandarts of dierenarts. [De specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde is een academische opleiding volgend op de academische opleiding tot arts en wordt bekrachtigd met een academische graad van huisarts]¹ [De specifieke opleiding in het notariaat is een academische opleiding volgend op de academische opleiding tot licentiaat in de rechten en wordt bekrachtigd met een academische graad van licentiaat in het notariaat. De specifieke opleiding in de godgeleerdheid is een academische opleiding volgend op de academische opleiding tot licentiaat in de godsdienstwetenschappen en wordt bekrachtigd met een academische graad van licentiaat in de godgeleerdheid.]²

[ ]¹ Decr. 5-4-1995; [ ]² Decr. van 20-4-2001

[Art. 7bis.

(voetnoot 4)

Een academische initiële lerarenopleiding is gericht op het verwerven van de basiscompetenties voor het leraarstype secundair onderwijs-groep 2.

Een academische initiële lerarenopleiding wordt bekrachtigd met één van de academische graden van "geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 2".]

Decr. van 16-4-1996

Art. 8.

[De voortgezette academische opleidingen omvatten het geheel van de aanvullende opleidingen en de specialisatieopleidingen.]

Decr. van 22-12-1995

Een aanvullende opleiding is een voortgezette academische opleiding gericht op een aanvulling of verbreding van één of meerdere academische opleidingen van de tweede cyclus. Een aanvullende opleiding wordt bekrachtigd met één van de academische graden van "Gediplomeerde in de aanvullende studies van...".

Een specialisatieopleiding is een voortgezette academische opleiding gericht op de uitdieping van of bijzondere verdeskundiging in een studiegebied, deel of nader onderdeel van een studiegebied of combinatie van studiegebieden, delen of nadere onderdelen van een studiegebied. Een specialisatieopleiding bestaat voor tenminste twee derde uit opleidingsonderdelen die niet voorkomen in een academische opleiding van de eerste of tweede cyclus. Eén specialisatieopleiding wordt bekrachtigd met één van de academische graden van "Gediplomeerde in de gespecialiseerde studies van ...".

[...]

Decr. van 27-1-1993

[...]

Decr. van 22-12-1995

[Art. 8bis.

[[...]] ]

Decr. 27-1-1993; [[ ]] Decr. van 4-4-2003

Art. 9.

Elk van de in de artikelen 7 en 8 [...] bedoelde graden verwijst naar de gevolgde opleiding. Deze specificatie noemt men de kwalificatie van een academische graad.

Decr. van 15-12-1993

Art. 10.

[...]

Decr. van 4-4-2003

Afdeling 3. - Opleidingsprogramma en studieomvang

Art. 11.

[Het universiteitsbestuur stelt voor elke academische opleiding, elke academische initiële lerarenopleiding, elke voortgezette academische opleiding een opleidingsprogramma vast.] Dit bestaat uit een samenhangend geheel van onderwijs- en andere studieactiviteiten gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen inzake kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes waarover diegene die een opleiding voltooit dient te beschikken.

Decr. van 22-12-1995

Het universiteitsbestuur houdt hierbij rekening met de bij of krachtens de wet, decreet of Europese richtlijn vastgelegde voorwaarden die de toegang tot bepaalde ambten of beroepen of andere voorschriften inhouden met betrekking tot de opleiding.

[Het gezamenlijke onderwijsprogramma van de eerste cyclus van de opleiding tot arts en van de eerste drie studiejaren van de tweede cyclus van deze opleiding moet voldoen aan de vereisten bepaald in de Europese richtlijn van 5 april 1993, 93/16/EEG, Titel IV, welke in bijlage I is gevoegd. De geslaagden voor het jaarexamen van het derde studiejaar van de tweede cyclus krijgen van het universiteitsbestuur een certificaat dat bevestigt dat zij met goed gevolg de opleidingscyclus, bedoeld in artikel 23 van de hiervoor vermelde richtlijn hebben voltooid, welke in bijlage II is gevoegd.

In het vierde studiejaar van de tweede cyclus van de opleiding tot arts kan het universiteitsbestuur meerdere [[zwaartepuntafstudeerrichtingen]] aanbieden waaronder ten minste het [[zwaartepuntafstudeerrichting]] ""huisartsgeneeskunde"". Dit vierde studiejaar met het zwaartepunt huisartsgeneeskunde is het eerste studiejaar van de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde zoals bedoeld in titel IV van de Europese richtlijn van 5 april 1993, 93/16/EEG. [[Voor de afgestudeerden die de afstudeerrichting "huisartsgeneeskunde" in het vierde studiejaar niet hebben gevolgd en toch het diploma van huisarts willen behalen, moet de universiteit die afstudeerrichting als een deeltijdse opleiding organiseren. In afwijking van het bepaalde in artikel 18 inzake de omvang van een deeltijdse opleiding, legt het universiteitsbestuur de inhoud en de omvang van het programma van de hiervoor bedoelde deeltijdse opleiding in de afstudeerrichting "huisartsgeneeskunde" vast.]] ]

[ ] Decr. 5-4-1995; [[ ]] Decr. van 20-4-2001

Art. 12.

Het universiteitsbestuur deelt elke academische en elke voortgezette academische opleiding op in studiejaren. Elk studiejaar omvat een samenhangend geheel van tenminste 1500 en ten hoogste 1800 uren onderwijs- of andere studieactiviteiten.

Art. 13.

De studieomvang van elk studiejaar en van elk onderdeel van een opleidingsprogramma wordt door het universiteitsbestuur uitgedrukt in hele studiepunten. De Vlaamse Regering bepaalt na advies van de Vlaamse Interuniversitaire Raad de wijze waarop deze studiepunten worden berekend.

Art. 14.

[Behalve in de hierna bepaalde gevallen omvat elke cyclus van een academische opleiding twee studiejaren.]¹

De opleidingscyclus van [...]³ kandidaat-arts, kandidaat-dierenarts, licentiaat in de Rechten, licentiaat in de psychologische en pedagogische wetenschappen, [licentiaat in de revalidatiewetenschappen en kinesitherapie,]² handelsingenieur, bio-ingenieur, burgerlijk ingenieur, burgerlijk ingenieur-architect, apotheker, tandarts en dierenarts omvat drie studiejaren en de opleidingscyclus van arts vier studiejaren.

De opleiding van een licentiaat in het notariaat [en van kandidaat in de Godgeleerdheid]³ bedraagt één studiejaar.

[De totale studieomvang van de opleiding in de huisartsgeneeskunde bedraagt drie studiejaren, namelijk het vierde studiejaar van de tweede cyclus van de opleiding tot arts en de twee studiejaren van de opleiding in de huisartsgeneeskunde.]¹

[ ]¹ Decr. 5-4-1995; [ ]² Decr. 23-6-1998; [ ]³ Decr. van 14-7-1998

Art. 15.

De studieomvang van een aanvullende opleiding bedraagt één studiejaar.

De studieomvang van een specialisatieopleiding bedraagt één of twee studiejaren.

[...]

Decr. van 22-12-1995

[Art. 15bis.

(voetnoot 4)

Geïntegreerd in de academische opleiding worden tijdens de tweede cyclus minimum 270 uren onderwijs- of andere studieactiviteiten voor de academische initiële lerarenopleiding aangeboden. Voor de afgestudeerden die dit onderdeel niet hebben gevolgd, moet dit deeltijds worden ingericht. Tevens worden, gedeeltelijk of volledig parallel met, of na de tweede cyclus tussen de 600 en 750 uren onderwijs- of andere studieactiviteiten voor de academische initiele lerarenopleiding ingericht, waarvan minstens 1/3 begeleide onderwijspraktijk.]

Decr. van 16-4-1996

Afdeling 4. - Contactonderwijs en open onderwijs

Art. 16.

[...]

Decr. van 7-12-2001

Afdeling 5. - Voltijds en deeltijds studeren in het contactonderwijs

Art. 17 en 18.

[...]

Decr. van 4-4-2003

Afdeling 6. - De organisatie van de academische opleidingen

Art. 19.

De universiteiten kunnen academische opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende academische graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

2° Godgeleerdheid, Godsdienstwetenschappen en Kerkelijk Recht, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

3° Taal- en Letterkunde, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

4° Geschiedenis, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

5° Archeologie en Kunstwetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

6° Rechten, Notariaat en Criminologische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat in de Rechten, licentiaat in het Notariaat en kandidaat en licentiaat in de Criminologische Wetenschappen kunnen verleend worden;

7° Psychologische en Pedagogische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

8° Economische en Toegepaste Economische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat, licentiaat, kandidaat-handelsingenieur en handelsingenieur kunnen verleend worden;

9° Politieke en Sociale Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

10° Sociale Gezondheidswetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

11° [Lichamelijke Opvoeding, Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen worden verleend;]

Decr. van 23-6-1998

12° Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

13° Toegepaste Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat-burgerlijk ingenieur, kandidaat-burgerlijk ingenieur-architect, burgerlijk ingenieur en burgerlijk ingenieur-architect kunnen verleend worden;

14° Toegepaste Biologische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat-bio-ingenieur en bio-ingenieur kunnen verleend worden;

15° Geneeskunde, waarvoor de graden van [kandidaat-arts, arts en huisarts] kunnen verleend worden;

Decr. van 5-4-1995

16° Tandheelkunde, waarvoor de graden van kandidaat-tandarts en tandarts kunnen verleend worden;

17° Diergeneeskunde, waarvoor de graden van kandidaat-dierenarts en dierenarts kunnen verleend worden;

18° Farmaceutische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat-apotheker en apotheker kunnen verleend worden.

Voor de studiegebieden Wijsbegeerte, Godgeleerdheid en Kerkelijk Recht kunnen de betrokken universiteiten op hun diploma's de benaming "baccalaureus" vermelden in plaats van kandidaat.

Art. 20.

De universiteiten kunnen de academische opleidingen die zij bij de inwerkingtreding van dit decreet overeenkomstig de bestaande wettelijke normen organiseren en die beantwoorden aan de normen van dit decreet, verder organiseren [binnen de perken van hun onderwijsbevoegdheid zoals bepaald in de artikelen 23 tot en met 29].

De Vlaamse Regering wordt belast met de coördinatie, uniformisering en groepering van deze opleidingen. Zij stelt daartoe, na advies van de Vlaamse Interuniversitaire Raad, een lijst op van deze bestaande academische opleidingen en vult deze aan met de opleidingen die de universiteiten overeenkomstig de artikelen 23 tot 29 bijkomend mogen organiseren.

In deze lijst worden de academische opleidingen in of over de in artikel 19 vermelde studiegebieden of delen van studiegebieden heen geklasseerd volgens een eenvormige benaming per cyclus met vermelding van de overeenkomstig dit decreet daarop betrekking hebbende academische graden en hun kwalificaties. Bij elke academische opleiding wordt, rekening houdend met het in het eerste lid en het in artikel 23 tot 29 bepaalde, de bevoegde universiteit of universiteiten vermeld. Bovendien wordt bij elke academische opleiding van de tweede cyclus nauwkeurig aangegeven op welke academische opleiding of opleidingen van de eerste cyclus zij aansluit. Deze lijst wordt bindend voor de universiteiten met ingang van het academiejaar volgend op de datum van publikatie van dit besluit van de Vlaamse Regering.

Het in het tweede lid bedoelde advies wordt geacht te zijn gegeven indien het niet binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn wordt verstrekt.

Decr. van 27-1-1993

Art. 21 en 22.

[...]

Decr. van 4-4-2003

Art. 23.

De Katholieke Universiteit te Leuven kan in het administratief arrondissement Leuven academische opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende academische graden verlenen in de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

2° Godgeleerdheid, Godsdienstwetenschappen en Kerkelijk Recht, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

3° Taal- en Letterkunde, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

4° Geschiedenis, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

5° Archeologie en Kunstwetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

6° Rechten, Notariaat en Criminologische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat in de Rechten, licentiaat in het Notariaat en kandidaat en licentiaat in de Criminologische Wetenschappen kunnen verleend worden;

7° Psychologische en Pedagogische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

8° Economische en Toegepaste Economische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat, licentiaat, kandidaat-handelsingenieur en handelsingenieur kunnen verleend worden;

9° Politieke en Sociale Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

10° Sociale Gezondheidswetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

11° [Lichamelijke Opvoeding, Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen worden verleend;]

Decr. van 23-6-1998

12° Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

13° Toegepaste Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat-burgerlijk ingenieur, kandidaat-burgerlijk ingenieur-architect, burgerlijk ingenieur en burgerlijk ingenieur-architect kunnen verleend worden;

14° Toegepaste Biologische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat-bio-ingenieur en bio-ingenieur kunnen verleend worden;

15° Geneeskunde, waarvoor de graden van [kandidaat-arts, arts en huisarts] kunnen verleend worden;

Decr. van 5-4-1995

16° Tandheelkunde, waarvoor de graden van kandidaat-tandarts en tandarts kunnen verleend worden;

17° Farmaceutische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat-apotheker en apotheker kunnen verleend worden.

Art. 24.

Het Limburgs Universitair Centrum kan in het administratief arrondissement Hasselt academische opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende academische graden verlenen in volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Toegepaste Economische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat, licentiaat, kandidaat-handelsingenieur en handelsingenieur kunnen verleend worden;

2° Wetenschappen, waarvoor de graad van kandidaat kan verleend worden;

3° Geneeskunde, waarvoor de graad van kandidaat-arts kan verleend worden;

4° Tandheelkunde, waarvoor de graad van kandidaat-tandarts kan verleend worden.

Art. 25.

De [Katholieke Universiteit Brussel] te Brussel kan in het gerechtelijk arrondissement Brussel academische opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende academische graden verlenen in de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Wijsbegeerte, waarvoor de graad van kandidaat kan verleend worden;

2° Taal- en Letterkunde, waarvoor de graad van kandidaat kan verleend worden;

3° Geschiedenis, waarvoor de graad van kandidaat kan verleend worden;

4° Rechten, waarvoor de graad van kandidaat kan verleend worden;

5° Economische en Toegepaste Economische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en kandidaat-handelsingenieur kunnen verleend worden;

6° Politieke en Sociale Wetenschappen, waarvoor de graad van kandidaat kan verleend worden.

Decr. van 9-4-1992

Art. 26.

[De Universiteit Antwerpen kan in het administratieve arrondissement Antwerpen academische opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende academische graden verlenen in de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Wijsbegeerte, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen worden verleend;

2° Taal- en Letterkunde, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen worden verleend;

3° Geschiedenis, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen worden verleend;

4° Rechten, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen worden verleend;

5° Onderwijskunde, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen worden verleend;

6° Toegepaste Economische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat, licentiaat, kandidaat-handelsingenieur en handelsingenieur kunnen worden verleend;

7° Politieke en Sociale Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen worden verleend;

8° Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen worden verleend;

9° Toegepaste Biologische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat-bio-ingenieur en bio-ingenieur kunnen worden verleend op voorwaarde dat omtrent de organisatie van het onderwijs in de opleiding bio-ingenieur en bijhorend onderzoek een samenwerkingsakkoord is gesloten met een andere universiteit die in dit studiegebied onderwijsbevoegdheid heeft. Het samenwerkingsakkoord vernoemt uitdrukkelijk de kwalificatie die aan de graad wordt toegevoegd;

10° Geneeskunde, waarvoor de graden van kandidaat-arts, arts en huisarts kunnen worden verleend;

11° Diergeneeskunde, waarvoor de graad van kandidaat-dierenarts kan worden verleend;

12° Farmaceutische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat-apotheker en apotheker kunnen worden verleend.]

Decr. van 4-4-2003

Art. 27.

De Universiteit Gent kan in het administratief arrondissement Gent academische opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende academische graden verlenen in de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

2° Taal- en Letterkunde, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

3° Geschiedenis, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

4° Archeologie en Kunstwetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

5° Rechten, Notariaat en Criminologische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat in de Rechten, licentiaat in het Notariaat en kandidaat en licentiaat in de Criminologische Wetenschappen kunnen verleend worden;

6° Psychologische en Pedagogische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

7° Economische en Toegepaste Economische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

8° Politieke en Sociale Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

9° Sociale Gezondheidswetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

10° [Lichamelijke Opvoeding, Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen worden verleend;]

Decr. van 23-6-1998

11° Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

12° Toegepaste Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat-burgerlijk ingenieur, kandidaat-burgerlijk ingenieur-architect, burgerlijk ingenieur en burgerlijk ingenieur-architect kunnen verleend worden;

13° Toegepaste Biologische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat-bio-ingenieur en bio-ingenieur kunnen verleend worden;

14° Geneeskunde, waarvoor de graden van [kandidaat-arts, arts en huisarts] kunnen verleend worden;

Decr. van 5-4-1995

15° Tandheelkunde, waarvoor de graden van kandidaat-tandarts en tandarts kunnen verleend worden;

16° Diergeneeskunde, waarvoor de graden van kandidaat-dierenarts en dierenarts kunnen verleend worden;

17° Farmaceutische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat-apotheker en apotheker kunnen verleend worden.

Art. 28.

De Vrije Universiteit Brussel kan in het gerechtelijk arrondissement Brussel academische opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende academische graden verlenen de in volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

2° Taal- en Letterkunde, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

3° Geschiedenis, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

4° Archeologie en Kunstwetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

5° Rechten, Notariaat en Criminologische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat in de Rechten, licentiaat in het Notariaat en kandidaat en licentiaat in de Criminologische Wetenschappen kunnen verleend worden;

6° Psychologische en Pedagogische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

7° Economische en Toegepaste Economische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat, licentiaat, kandidaat-handelsingenieur en handelsingenieur kunnen verleend worden;

8° Politieke en Sociale Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

9° Sociale Gezondheidswetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

10° [Lichamelijke Opvoeding, Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen worden verleend;]

Decr. van 23-6-1998

11° Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat en licentiaat kunnen verleend worden;

12° Toegepaste Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat-burgerlijk ingenieur, kandidaat-burgerlijk ingenieur-architect, burgerlijk ingenieur en burgerlijk ingenieur-architect kunnen verleend worden;

13° Toegepaste Biologische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat-bio-ingenieur en bio-ingenieur kunnen verleend worden;

14° Geneeskunde, waarvoor de graden van [kandidaat-arts, arts en huisarts] kunnen verleend worden;

Decr. van 5-4-1995

15° Tandheelkunde, waarvoor de graden van kandidaat-tandarts en tandarts kunnen verleend worden;

16° Farmaceutische Wetenschappen, waarvoor de graden van kandidaat-apotheker en apotheker kunnen verleend worden.

Art. 29.

Op het grondgebied van de stad Kortrijk kan de Katholieke Universiteit te Leuven academische opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende academische graden verlenen in de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Wijsbegeerte, waarvoor de graad van kandidaat kan verleend worden;

2° Taal- en Letterkunde, waarvoor de graad van kandidaat kan verleend worden;

3° Geschiedenis, waarvoor de graad van kandidaat kan verleend worden;

4° Rechten, waarvoor de graad van kandidaat kan verleend worden;

5° Wetenschappen, waarvoor de graad van kandidaat kan verleend worden;

6° Geneeskunde, waarvoor de graad van kandidaat-arts kan verleend worden;

7° Toegepaste Economische Wetenschappen, waarvoor de graad van kandidaat in de Toegepaste Economische Wetenschappen kan verleend worden op voorwaarde dat omtrent de organisatie van het onderwijs in deze opleiding een samenwerkingsakkoord is afgesloten met de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen.

Afdeling 7. - De organisatie van de voortgezette academische opleidingen

Art. 30.

De universiteiten kunnen voortgezette academische opleidingen organiseren in de arrondissementen waarin zij academische opleidingen kunnen aanbieden.

Decr. van 4-4-2003

Art. 31.

De universiteiten kunnen aanvullende opleidingen of specialisatieopleidingen aanbieden in of over de studiegebieden of delen van studiegebieden heen waarvoor zij krachtens de artikelen 23 tot en met 29 in de eerste of tweede cyclus onderwijsbevoegdheid bezitten, met dien verstande dat indien een opleiding betrekking heeft op meerdere studiegebieden of delen van studiegebieden, de universiteit krachtens dit decreet bevoegd moet zijn voor elk van die studiegebieden of delen van studiegebieden.

[Voor 31 maart delen de universiteiten aan de Vlaamse Interuniversitaire Raad en, via de commissaris van de Vlaamse Regering, aan de Vlaamse Regering de lijst mee van de voortgezette academische opleidingen die zij in het daaropvolgende academiejaar zullen organiseren, evenals de duur en de toelatingsvoorwaarden ervan. Nieuwe opleidingen worden afzonderlijk vermeld.]

Decr. van 27-1-1993

Art. 32.

[...]

Decr. van 4-4-2003

Art. 33.

(voetnoot 4)

De universiteiten kunnen academische [initiële] lerarenopleidingen aanbieden in of over de studiegebieden of delen van studiegebieden heen waarvoor zij krachtens artikel 23 tot en met 28 academische opleidingen in de tweede cyclus kunnen aanbieden.[...]

Decr. van 16-4-1996

Afdeling 8. - Toelatingsvoorwaarden en inschrijving aan de universiteit

Art. 34.

Voor de inschrijving voor een academische opleiding van de eerste cyclus geldt als toelatingsvoorwaarde het bezit van [een gehomologeerd getuigschrift van secundair onderwijs, van een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplaneen diploma van secundair onderwijs, van een diploma van het hogeschoolonderwijs van één cyclus] of van een diploma of getuigschrift dat bij of krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of internationale overeenkomst als gelijkwaardig is erkend. Bij ontstentenis van dergelijke erkenning kan het universiteitsbestuur personen die in een land buiten de Europese Gemeenschap een diploma hebben behaald dat toelating verleent tot universitaire studies in dat land, toelaten tot inschrijving voor een academische opleiding van de eerste cyclus.

Decr. van 20-4-2001

Voor de inschrijving voor een opleiding tot kandidaat-burgerlijk ingenieur en voor een opleiding tot kandidaat-burgerlijk ingenieur-architect geldt bovendien als toelatingsvoorwaarde het geslaagd zijn voor een interuniversitair overlegd en erkend toelatingsexamen. Voor beide opleidingen wordt een afzonderlijk toelatingsexamen georganiseerd. Indien de opleiding tot kandidaat-burgerlijk ingenieur in meerdere opleidingen wordt opgesplitst, kan voor elk van die opleidingen een afzonderlijk toelatingsexamen worden georganiseerd.

[Voor de inschrijving in het eerste studiejaar van de opleiding van kandidaat-arts en van kandidaat-tandarts geldt met ingang van het academiejaar 1997-1998 bovendien als toelatingsvoorwaarde het geslaagd zijn voor een interuniversitair toelatingsexamen, ingericht door één examencommissie.

Het toelatingsexamen, bedoeld in het derde lid, beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige of tandheelkundige opleiding met succes af te ronden. Dit examen bestaat uit twee gedeelten :

1° kennis en inzicht in de wetenschappen en met name de vakken natuurkunde, scheikunde, wiskunde en biologie; het niveau is afgestemd op het gemiddelde van de programma's van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs;

(voetnoot 1)

2° informatie verwerven en verwerken : de themata hiervan sluiten aan bij de beroepspraktijk van artsen of tandartsen.

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van deze examengedeelten.

[[Het toelatingsexamen, bedoeld in het derde lid, wordt georganiseerd onder de volgende voorwaarden :

1° het examen wordt tweemaal per jaar voor het begin van het academiejaar ingericht; de organisatie ervan wordt tijdig bekendgemaakt;

2° de Vlaamse regering kan een examengeld van ten hoogste [[[25 euro]]]¹ vastleggen als bijdrage in het dekken van de organisatiekosten. Vanaf 1998 wordt het bedrag aangepast aan de jaarlijkse stijging van de index van de consumptieprijzen met als referentiedatum 1 januari 1997.

De Vlaamse regering organiseert het examen volgens de nadere regels die zij daartoe bepaalt.]]¹

De Vlaamse regering benoemt de voorzitter, de secretaris en de leden van de examencommissie, bedoeld in het derde lid. De examencommissie telt, voorzitter en secretaris uitgezonderd, minimaal 10 en maximaal 15 leden. De leden van de examencommissie worden aangeduid uit de leden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteiten derwijze dat de nodige expertise aanwezig is op het vlak van de medische praktijk, de inhoud van de vakken van het eerste examengedeelte, de pedagogiek en de psychologie. De examencommissie stelt de examenvragen op en evalueert de examenresultaten. Aan elk examengedeelte wordt een examencijfer van ten hoogste 20 gegeven. [[Geslaagd zijn de studenten die op elk gedeelte een examencijfer van ten minste twaalf behalen.Geslaagd zijn de studenten die op elk gedeelte ten minste tien op twintig behalen en [[[ten minste tweeëntwintig op veertig]]]² voor beide gedeelten samen.]]² De voorzitter van de examencommissie maakt de resultaten bekend. Na advies van de examencommissie regelt de Vlaamse regering de werking van de commissie en stelt ze het huishoudelijk reglement van de commissie en het examenreglement vast.

De toelatingsvoorwaarden bedoeld in het derde lid gelden ook voor de inschrijving in om het even welk studiejaar van de opleidingen van kandidaat-arts, kandidaat-tandarts, arts en tandarts in het geval de student vrijstelling heeft verkregen van sommige opleidingsonderdelen of verkorting van studieduur of in het geval de student wordt toegelaten tot de tweede cyclus van de opleidingen van arts of tandarts op grond van een diploma behaald na een opleiding waarvoor de in het derde lid bedoelde bijkomende toelatingsvoorwaarde niet gegolden heeft. Deze supplementaire toelatingsvoorwaarde geldt niet voor de studenten die op het moment van de inwerkingtreding van deze bepalingen in het bezit zijn van een getuigschrift waaruit blijkt dat zij ten minste een studiejaar van een opleiding van arts of tandarts met succes hebben afgerond en op basis daarvan kunnen toegelaten worden tot het tweede studiejaar of een hoger studiejaar.]

Decr. 24-7-1996; [[ ]]¹ Decr. 14-7-1998; [[ ]]²Decr. 30-6-2000;[[[ ]]]¹ B.Vl.R. 14-12-2001; [[[ ]]]² Decr. van 4-4-2003

[Art. 34bis.

De inschrijving van een student die niet voldoet aan de decretale en reglementaire toelatingsvoorwaarden, is nietig. Aan de nietige inschrijving wordt geen enkel rechtsgevolg verleend.

In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, heeft een ingeschreven student die niet voldoet aan de decretale en reglementaire toelatingsvoorwaarden het recht om :

1° examens voor het gevolgde studiejaar af te leggen, en;

2° indien hij slaagt, de opleiding verder af te werken en een diploma van die opleiding te verwerven indien hij het verdere traject van de opleiding met goed gevolg heeft beëindigd, indien volgende voorwaarden zijn vervuld :

a) de student heeft deelgenomen aan de studieactiviteiten gedurende een termijn van ten minste 60 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van het begin van het academiejaar, respectievelijk van inschrijving, zo de inschrijving na het begin van het academiejaar werd genomen, en

b) het foutief karakter werd door de universiteit vastgesteld dan wel door een externe instantie aan de universiteit gemeld na de in a) bedoelde termijn, en

c) de student heeft geen valse verklaringen afgelegd of valse documenten voorgelegd om aannemelijk te maken dat hij aan de decretale voorwaarden voldoet.]

Decr. van 19-3-2004

Art. 35.

[Onverminderd het bepaalde in artikel 53, tweede lid, geldt voor de inschrijving voor een academische opleiding van de tweede cyclus als enige toelatingsvoorwaarde het bezit van een diploma van een opleiding van de eerste cyclus die krachtens artikel 20 of een beslissing van het universiteitsbestuur toegang verleent tot de tweede cyclus van die academische opleiding.]

Decr. van 27-1-1993

[Het universiteitsbestuur kan, in afwijking van het eerste lid, personen die een beperkt jaarprogramma volgen op grond van overdracht van examencijfers of vrijstelling in het laatste studiejaar van de eerste cyclusopleiding, toelaten tot de inschrijving voor de tweede cyclus. De bevoegde examencommissie of examencommissies kan of kunnen consecutief delibereren over de twee betreffende studiejaren in hetzelfde academiejaar. Het universiteitsbestuur legt criteria en voorwaarden vast in de onderwijsregeling.]

Decr. van 20-10-2000

[Het universiteitsbestuur deelt de beslissingen vermeld in het eerste lid met betrekking tot het daaropvolgend academiejaar jaarlijks voor 31 maart mee aan de Vlaamse Regering via de commissaris van de Vlaamse Regering.

Het universiteitsbestuur kan voor onderdelen van de opleiding van de tweede cyclus waarvoor zij vrijstelling verleent op grond van met goed gevolg afgelegde examens in een opleiding van de eerste cyclus, andere opleidingsonderdelen opleggen ten belope van dezelfde studieomvang.]

Decr. van 27-1-1993

[Het diploma van kandidaat-burgerlijk ingenieur polytechnicus behaald aan de Koninklijke Militaire School te Brussel geldt als enige toelatingsvoorwaarde voor de inschrijving voor een opleiding tot burgerlijk ingenieur.] Het diploma van kandidaat behaald aan de Koninklijke Militaire School in Brussel geldt als enige toelatingsvoorwaarde voor de inschrijving voor een academische opleiding van de tweede cyclus die aansluit op een academische opleiding van de eerste cyclus welke krachtens een beslissing van het universiteitsbestuur met dit diploma overeenstemmend wordt geacht.

Decr. van 27-1-1993

Het universiteitsbestuur kan in afwijking van het eerste lid personen die in het bezit zijn van een diploma van de graad van [kandidaat in de handelswetenschappen of kandidaat-handelsingenieur] behaald aan een instelling voor hoger onderwijs van het lange type toelaten tot de inschrijving in een opleiding tot licentiaat in de Toegepaste Economische Wetenschappen of tot handelsingenieur. Het universiteitsbestuur kan deze toelating afhankelijk maken van een onderzoek waarin gepeild wordt naar de geschiktheid van deze personen voor de desbetreffende opleiding of van het met goed gevolg hebben afgelegd van een examen over door hem nader te bepalen onderdelen van de academische opleiding tot respectievelijk kandidaat in de Toegepaste Economische Wetenschappen of tot kandidaat-handelsingenieur, voor zover dit laatste geen vermeerdering meebrengt van het aantal studiejaren in de opleiding tot welke de in de eerste zin van dit bedoelde personen worden toegelaten.

Decr. van 27-1-1993

[Het universiteitsbestuur kan, in afwijking van het eerste lid, personen die geslaagd zijn voor de hele cyclus van een instelling die leidt tot het ambt van bedienaar van een erkende eredienst, toelaten tot de inschrijving in een opleiding van de tweede cyclus van het studiegebied Godgeleerdheid, Godsdienstwetenschappen en Kerkelijk Recht. Het universiteitsbestuur kan deze toelating afhankelijk maken van een onderzoek waarin gepeild wordt naar de geschiktheid van deze personen voor de desbetreffende opleiding, of het met goed gevolg afgelegd hebben van een toelatingsexamenHet universiteitsbestuur kan, in afwijking van het eerste lid, personen die in het bezit zijn van een einddiploma van een universiteit of instelling van hoger onderwijs in het buitenland, voorzover deze laatste een opleidingsprogramma van ten minste vier jaar aanbiedt, of die geslaagd zijn voor de hele cyclus van een instelling die leidt tot het ambt van bedienaar van een erkende eredienst, toelaten tot de inschrijving in een opleiding van de tweede cyclus van het studiegebied Godgeleerdheid, Godsdienstwetenschappen en Kerkelijk recht.]

Decr. van 18-5-1995

[Het slagen voor het jaarexamen van het derde studiejaar van de tweede cyclus van de opleiding tot arts is voorwaarde voor de toegang tot het vierde studiejaar van de bedoelde cyclus. Artikel [[53]] is niet van toepassing op het vierde studiejaar van de tweede cyclus.]

Decr. 5-4-1995; [[ ]] Decr. van 14-2-2003

[Het universiteitsbestuur kan de stages die een student heeft doorlopen in het kader van een goedgekeurd stageplan van een opleiding tot geneesheer-specialist erkennen voor ten hoogste de helft van de studieomvang van de stages voorzien in het opleidingsprogramma van het tweede en het derde jaar specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde en dienovereenkomstig verkorting van studieduur verlenen.] (Decr. 8-7-1996)

Decr. van 8-7-1996

Art. 36.

Voor de inschrijving voor een licentie in het Notariaat geldt het bezit van een diploma van licentiaat in de Rechten als enige toelatingsvoorwaarde.

[Voor de inschrijving voor een licentiaat in de Godgeleerdheid geldt het bezit van een diploma van een licentiaat in de godsdienstwetenschappen als enige toelatingsvoorwaarde.]¹

[Het universiteitsbestuur kan, in afwijking van het eerste lid, personen die een beperkt jaarprogramma volgen op grond van overdracht van examencijfers of vrijstelling in het laatste studiejaar van de tweedecyclusopleidingen, vermeld in het eerste lid, toelaten tot de inschrijving voor respectievelijk een licentie in het notariaat of een licentie in de godgeleerdheid. Voor het behalen van het diploma van deze licenties is het bezit van het in het eerste lid vereiste diploma van de tweede cyclus van de academische opleiding noodzakelijk. De bevoegde examencommissie of examencommissies kan of kunnen consecutief delibereren over de twee betreffende studiejaren in hetzelfde academiejaar. Het universiteitsbestuur legt criteria en voorwaarden vast in de onderwijsregeling.]²

[ ]¹ Decr. 14-7-1998; [ ]² Decr. van 20-10-2000

Art. 37.

Voor de inschrijving in een aanvullende opleiding of specialisatieopleiding geldt het bezit van een diploma van een academische opleiding van de tweede cyclus of van een opleiding van de tweede cyclus van een instelling voor hoger onderwijs van het lange type die krachtens een beslissing van het universiteitsbestuur toelating verleent tot die opleiding, als toelatingsvoorwaarde.

Het diploma van burgerlijk ingenieur polytechnicus of van licentiaat behaald aan de Koninklijke Militaire School in Brussel, wordt voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met een academische opleiding van de tweede cyclus.

Het universiteitsbestuur kan de inschrijving in een aanvullende opleiding of specialisatieopleiding afhankelijk maken van het geslaagd voor in een toelatingsexamen.

[Het universiteitsbestuur kan, in afwijking van het eerste lid, personen die een beperkt jaarprogramma volgen op grond van overdracht van examencijfers of vrijstelling, in het laatste studiejaar van de tweedecyclusopleiding, toelaten tot de inschrijving voor een aanvullende opleiding of een specialisatieopleiding. Voor het behalen van het diploma van gediplomeerde in de aanvullende studies of van gediplomeerde in de gespecialiseerde studies is het bezit van het in het eerste lid vereiste diploma van de tweedecyclusopleiding noodzakelijk.

De bevoegde examencommissie of examencommissies kan of kunnen consecutief delibereren over de twee betreffende studiejaren in hetzelfde academiejaar. Het universiteitsbestuur legt criteria en voorwaarden vast in de onderwijsregeling.]

Decr. van 20-10-2000

Art. 38.

[...]

Decr. van 4-4-2003

Art. 39.

Het universiteitsbestuur kan, in afwijking van het bepaalde in [het artikel 37], personen die in het bezit zijn van een einddiploma van een universiteit of instelling van hoger onderwijs in het buitenland, voor zover deze laatste een opleidingsprogramma van tenminste drie jaar aanbiedt, toelaten tot de inschrijving voor een aanvullende opleiding, specialisatieopleiding [...], desgevallend na een onderzoek waarin gepeild wordt naar de geschiktheid voor de desbetreffende opleiding en desgevallend na het met goed gevolg hebben afgelegd van een examen over nader te bepalen onderdelen van een opleiding van het academisch onderwijs.

Decr. van 27-1-1993

Art. 40.

(voetnoot 4)

Voor de inschrijving in een academische [initiële] lerarenopleiding geldt het bezit van een diploma van de eerste cyclus van een academische opleiding als toelatingsvoorwaarde. Voor het behalen van de academische graad van [geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 2] is het bezit van een diploma van de tweede cyclus van een academische opleiding vereist.

Decr. van 16-4-1996

[Het universiteitsbestuur kan, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid en onverminderd het bepaalde in artikel 60, personen die in het bezit zijn van een einddiploma van een universiteit in het buitenland voorzover dit diploma een opleiding van ten minste vier jaar afrondt, toelating geven tot de inschrijving in een academische initiële lerarenopleiding. In voorkomend geval kan het universiteitsbestuur de inschrijving afhankelijk maken van het volgen van sommige opleidingsonderdelen van een academische opleiding.]

Decr. van 20-4-2001

[Art. 40bis.

In afwijking van het bepaalde inzake vooropleidingseisen in de artikelen 34, 35, 36, 37, 38, 39 en 40, en onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid van het artikel 34 en in het artikel 41, kan het universiteitsbestuur vluchtelingen, ontheemden en personen die nog niet officieel erkend zijn als vluchteling en die geen of niet alle documenten kunnen voorleggen omtrent hun vooropleiding in hun land van herkomst, toegang geven tot de eerste of tweede cyclus van een academische opleiding, tot een voortgezette academische opleiding, tot een doctoraatsopleiding of tot een initiële lerarenopleiding, indien ze slagen voor een door de universiteit daartoe speciaal ingericht bekwaamheidsonderzoek of toelatingsexamen.]

Decr. van 20-4-2001

Art. 41 t.e.m. 43.

[...]

Decr. van 4-4-2003

Afdeling 9. - De onderwijs- en examenregeling

Art. 44 t.e.m. 48.

[...]

Decr. van 4-4-2003

Afdeling 10. - Studieduur en studievoortgang

Art. 49.

[Onverminderd het bepaalde in de artikelen 14, 50, 51 en 60,] wordt niemand tot het eindexamen voor het behalen van een academische graad toegelaten zo hij aan zijn studiën niet de volgende tijd heeft besteed :

Decr. van 5-4-1995

1° Ten minste twee academiejaren voor de academische graad van kandidaat.

2° Ten minste twee academiejaren voor de academische graad van licentiaat.

3° Ten minste drie academiejaren voor de academische graden van kandidaat-dierenarts, kandidaat-arts, [...]³, licentiaat in de Rechten, handelsingenieur, [licentiaat in de psychologie, licentiaat in de pedagogische wetenschappen]¹, [licentiaat in de revalidatiewetenschappen en kinesitherapie,]² bio-ingenieur, burgerlijk ingenieur, burgerlijk ingenieur-architect, tandarts, dierenarts en apotheker.

[ ]¹ Decr. 27-1-1993; [ ]² Decr. 23-6-1998; [ ]³ Decr. van 14-7-1998

4° Ten minste vier academiejaren voor de academische graad van arts.

5° Ten minste één academiejaar voor de academische graad van "Licentiaat in het Notariaat",[kandidaat in de Godgeleerdheid,] "Gediplomeerde in de aanvullende studies van ...", "Gediplomeerde in de gespecialiseerde studies van ..."

Decr. van 14-7-1998

6° Ten minste één academiejaar voor de academische graad van [geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 2]. Dit academiejaar kan reeds in een academische opleiding van de tweede cyclus worden aangevat.

Decr. van 22-12-1995

Deze studieduur wordt berekend met ingang van het academiejaar waarop een examinandus zich regelmatig heeft ingeschreven rekening houdend met de in de artikelen 34 tot en met 40 bepaalde toelatingsvoorwaarden. Deze studieduur is ook van toepassing voor de personen die via een in artikel 54 vermelde examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap een academische graad wensen te behalen. [De studieduur voor het behalen van een diploma van een academische opleiding van de eerste cyclus wordt berekend met ingang van het academiejaar waarin een student zich regelmatig heeft laten inschrijven, rekening houdend met de in artikel 34 vastgestelde toelatingsvoorwaarden.

De studieduur voor het behalen van een diploma van een academische opleiding van de tweede cyclus wordt berekend met ingang van het academiejaar waarin een student zich regelmatig heeft laten inschrijven voor de tweede cyclus of in voorkomend geval met ingang van het academiejaar waarin de student zich met toepassing van het in artikel 53, tweede lid, bedoelde besluit, voor het eerst heeft laten inschrijven voor het volgen van opleidingsonderdelen uit het eerste studiejaar van de tweede cyclus in combinatie met een aangepast programma van het laatste studiejaar van de eerste cyclus. De bevoegde examencommissies kunnen binnen één academiejaar voor eenzelfde student consecutief beraadslagen over twee opeenvolgende studiejaren, met dien verstande dat een student voor een bepaald studiejaar niet geslaagd kan worden verklaard vooraleer hij geslaagd is verklaard voor het voorafgaande studiejaar.

De studieduur voor het behalen van een diploma van licentiaat in de godgeleerdheid, van licentiaat notariaat of van een voortgezette academische opleiding wordt berekend met ingang van het academiejaar waarin een student regelmatig werd ingeschreven voor de overeenstemmende opleiding of, in voorkomend geval, met ingang van het academiejaar waarin een student werd ingeschreven voor de overeenstemmende opleiding in combinatie met een inschrijving in het laatste studiejaar van de tweede cyclusopleiding overeenkomstig het bepaalde in artikel 36, tweede lid, of in artikel 37, vierde lid, naar gelang het geval.

De in dit artikel bepaalde studieduur is ook van toepassing op de personen die via de in artikel 54 bedoelde examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap een academische graad wensen te behalen.

Niemand wordt tot het eindexamen van een tweede cyclus, voorzien in artikel 14, toegelaten indien hij over de twee cycli van zijn studiën niet ten minste de som van de tijden bepaald voor elk der twee cycli, voorzien in het artikel 1bis, 4°, van de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gecoördineerd bij besluit van de Regent van 31 december 1949, heeft besteed.]

Decr. van 20-10-2000

Art. 50 t.e. m. 53.

[...]

Decr. van 4-4-2003

Afdeling 11. - De examencommissie vande Vlaamse Gemeenschap

Art. 54.

[...]

Decr. van 4-4-2003

Afdeling 12. - Het verwerven van eenacademische graad

Art. 55.

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 49 tot en met 53 en 60, kan een academische graad slechts verworven worden indien men :

1° de toelatingsvoorwaarden zoals bepaald in artikelen 34 tot en met 40 heeft gerespecteerd;

2° met goed gevolg het geheel van de examens van de desbetreffende graad heeft afgelegd.

Daarenboven kan, behoudens het bepaalde in de artikelen 35 en 51, een academische graad van de tweede cyclus van een academische opleiding slechts verworven worden indien een diploma van de eerste cyclus werd verworven.

Art. 56 en 57.

[...]

Decr. van 4-4-2003

Art. 58.

Door hun uitreiking krachtens dit decreet zijn de diploma's van rechtswege erkend en bekrachtigd.

Art. 59.

De Vlaamse Regering bepaalt de vorm van de diploma's die in de vorige bepalingen zijn bedoeld. Elk diploma vermeldt de verworven academische graad en de kwalificatie met betrekking tot de gevolgde opleiding.

Afdeling 13. - Gelijkwaardigheid buitenlandse diploma'sof getuigschriften

Art. 60.

De Vlaamse Regering kan na advies van de Vlaamse Interuniversitaire Raad de algemene gelijkwaardigheid vastleggen van buitenlandse diploma's of getuigschriften met de in dit decreet bepaalde academische graden. Het advies wordt geacht te zijn gegeven indien het niet binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn wordt verstrekt.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure tot de erkenning van de volledige gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's of getuigschriften die niet in dergelijk besluit zijn opgenomen met de in dit decreet bepaalde academische graden.

Onverminderd het door of krachtens het eerste en tweede lid van dit artikel bepaalde, kunnen de universiteiten buitenlandse diploma's of getuigschriften als volledig gelijkwaardig erkennen met een academische graad van de eerste cyclus van een academische opleiding en gedeeltelijk gelijkwaardig met de andere door hen verleende academische graden. Bij de erkenning van een gedeeltelijke gelijkwaardigheid bepaalt het universiteitsbestuur over welke opleidingsonderdelen nog examen moet worden afgelegd om te voldoen aan de voorwaarden van het verwerven van de desbetreffende academische graad.

Afdeling 14. - De onderwijs- en bestuurstaal

Art. 61.

De onderwijs- en bestuurstaal in de universiteiten is het Nederlands.

Nochtans mogen de volgende onderwijsactiviteiten in een andere taal worden gegeven, gevolgd en geëxamineerd :

1° die welke een vreemde taal tot voorwerp hebben, in deze taal;

2° die welke in de tweede cyclus worden verzorgd door anderstalige gasthoogleraren;

3° die met betrekking tot opleidingsprogramma's specifiek ten behoeve van buitenlandse studenten opgesteld;

4° die met betrekking tot de postacademische vorming;

5° die met betrekking tot aanvullende opleidingen, specialisatieopleidingen en doctoraatsopleidingen, voor zover een door de universiteit voldoend geacht aantal niet-nederlandstaligen zich hiervoor hebben ingeschreven.

Het universiteitsbestuur kan in de krachtens artikel 45 van dit decreet vastgestelde onderwijsregeling de studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding van de tweede cyclus toestaan hun opleidingsprogramma voor ten hoogste twintig procent samen te stellen uit de anderstalige onderwijsactiviteiten hiervoren bedoeld in het 2 , 3 en 5 van het tweede lid van dit artikel met uitzondering van de anderstalige onderwijsactiviteiten van de doctoraatsopleidingen.

De studenten behouden steeds het recht om een volledige academische opleiding van de tweede cyclus in het Nederlands te volgen en over een aldaar in een vreemde taal gevolgd opleidingsonderdeel examen in het Nederlands af te leggen.

Afdeling 15. - Overleg met studenten

Art. 62.

[...]

Decr. van 19-3-2004

HOOFDSTUK IV. - Het academisch personeel

Afdeling 1. - Toepassingsgebied en algemene bepaling

Art. 63.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het academisch personeel bezoldigd ten laste van de werkingsuitkeringen verschaft door de Vlaamse Gemeenschap.

De Vlaamse Regering stelt voor het [academisch personeel]¹ een regeling vast omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof [, de ambtsbeëindiging]² en de mandaatsbeëindiging.

[ ]¹ Decr. 8-7-1996: [ ]² Decr. van 20-4-2001

Afdeling 2. - Samenstelling en opdrachten van het academisch personeel

Art. 64.

Bij het zelfstandig academisch personeel bestaan de volgende graden : docent, hoofddocent, hoogleraar, gewoon hoogleraar en buitengewoon hoogleraar. De graad van buitengewoon hoogleraar is deze van het lid van het zelfstandig academisch personeel dat een deeltijdse opdracht uitoefent in een functie van hetzelfde niveau als die van gewoon hoogleraar.

[Binnen de formatie van het zelfstandig academisch personeel kunnen de universiteiten docenten aanstellen in het tenure trackstelsel, waarvan de aanstellings- en benoemingsvoorwaarden worden beschreven in artikel 91bis.]¹

Bij het assisterend academisch personeel bestaan de volgende graden : [assistent, praktijkassistent en doctor-assistent]².

[ ]¹ Decr. 4-7-2008; [ ]² Decr. van 19-7-2013

Art. 65.

De leden van het zelfstandig academisch personeel hebben tot opdracht het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het verschaffen van academisch onderwijs in het vakgebied of de vakgebieden die hen zijn toegewezen. Deze opdracht kan tevens prestaties van wetenschappelijke dienstverlening aan de gemeenschap omvatten. [De onderwijsopdracht kan geheel of gedeeltelijk bestaan uit de begeleiding van studenten bij scripties of eindverhandelingen en van promovendi tijdens de voorbereiding van hun doctoraatsproefschrift.]

Decr. van 20-10-2000

[Naast de academische taken bedoeld in het eerste lid kan het universiteitsbestuur de leden van het zelfstandig academisch personeel ook belasten met organisatorische, coördinerende of administratieve taken.]

Decr. van 19-3-2004

Art. 66.

De leden van het assisterend academisch personeel staan de leden van het zelfstandig academisch personeel bij in de hun bij artikel 65 toebedeelde opdracht.

Art. 67.

Assistenten hebben tot opdracht zich verder te bekwamen in de wetenschappen. Behoudens het bepaalde in artikel 68, hebben zij als personeelslid het recht om door het verrichten van wetenschappelijk onderzoek of het ontvangen van academisch onderwijs tenminste de helft van hun werktijd aan de voorbereiding van een doctoraatsproefschrift te besteden.

Art. 68.

[Praktijkassistenten zijn in hoofdzaak belast met taken van praktijkgebonden onderwijs.]

Decr. van 19-7-2013

Art. 69.

[Doctor-assistenten kunnen benevens hun wetenschappelijke activiteiten belast worden met het verstrekken van onderwijs. Het universiteitsbestuur legt bij het begin van ieder academiejaar de opleidingsonderdelen vast die door de doctor-assistenten verzorgd worden.

Ook gepromoveerde onderzoekers in vast of tijdelijk dienstverband van de universiteiten of van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen kunnen onder dezelfde voorwaarden belast worden met het verstrekken van onderwijs.]

Decr. van 18-5-1999

Art. 70.

[...]

Decr. van 18-5-1999

Art. 71.

Het universiteitsbestuur legt bij reglement de regels vast volgens dewelke de opdrachten van een lid van het academisch personeel worden toegewezen of gewijzigd.

Een toewijzing of wijziging naar inhoud, omvang of aard kan slechts gebeuren na advies van het orgaan of de organen waaraan die opdrachten verbonden zijn, en, ingeval van een wijziging, ofwel met de instemming van het betrokken personeelslid of nadat het betrokken personeelslid werd gehoord door het adviesgevend orgaan.

Art. 72.

Het universiteitsbestuur bepaalt voor elk lid van het academisch personeel het voltijds of deeltijds karakter van zijn opdracht. Het wijst tevens de organen aan waaraan die opdracht verbonden is.

[De opdracht van een docent in het tenure trackstelsel bedraagt ten minste 50 % van een voltijdse opdracht.]

Decr. van 4-7-2008

Art. 73.

Het universiteitsbestuur bepaalt bij de vacantverklaring van een opdracht of die opdracht voltijds of deeltijds is dan wel tot een voltijdse [en/of] deeltijdse benoeming of aanstelling aanleiding kan geven.

Decr. van 18-5-1999

Tevens bepaalt het universiteitsbestuur het deeltijds karakter van een opdracht wanneer een lid van het academisch personeel met een voltijdse opdracht ofwel om een deeltijdse opdracht verzoekt en het universiteitsbestuur hiermee instemt, ofwel in toepassing van artikel 75 ambtshalve in een deeltijdse opdracht wordt geplaatst.

Art. 74.

De leden van het academisch personeel met een voltijdse opdracht mogen geen andere beroepsactiviteit of een andere bezoldigde activiteit uitoefenen dan met toestemming van het universiteitsbestuur.

[Het universiteitsbestuur stelt jaarlijks de naamlijst op van de voltijdse en van de deeltijdse leden van het academisch personeel die ten minste een halftijdse opdracht uitoefenen, en die andere bezoldigde en onbezoldigde activiteiten uitoefenen die verenigbaar worden geacht met hun opdracht aan de universiteit.

De aard en de omvang van die externe activiteiten, evenals de omvang van hun opdracht aan de universiteit, worden in een tabel aangegeven tegenover de naam van ieder personeelslid. Het universiteitsbestuur maakt deze lijst openbaar in de universiteit [[...]].

De opdrachten van de leden van het academisch personeel toegewezen krachtens de artikelen 79, 80 en 125 van dit decreet dienen op deze lijst niet vermeld te worden.]

Decr. 27-1-1993; [[ ]] Decr. van 19-7-2013

Art. 75.

[Deeltijds wordt ambtshalve de opdracht van het lid van het academisch personeel dat een andere beroepsactiviteit of een andere bezoldigde activiteit uitoefent welke een groot gedeelte van zijn tijd in beslag neemt.

Als andere beroepsactiviteiten of bezoldigde activiteiten die een groot gedeelte van de tijd in beslag nemen, worden beschouwd alle activiteiten waarvan de omvang twee halve dagen per week overschrijdt of die voorkomen op een lijst vastgesteld door de Vlaamse Regering, eventueel aangevuld door het universiteitsbestuur. [[De Vlaamse regering kan bij het vaststellen van de lijst tevens de voorwaarden en de procedure vastleggen waaronder het universiteitsbestuur bij met redenen omklede beslissing individueel een afwijking kan toestaan aan een lid van het academisch personeel dat een bepaalde activiteit uitoefent die voorkomt op die lijst.]]1

[[Voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 74 en 75 van dit decreet worden de medische en paramedische activiteiten uitgeoefend door een lid van het academisch personeel in uitvoering van een arbeidsovereenkomst of van een reglement inzake kliniekvergoedingen niet beschouwd als zijnde andere beroepsactiviteiten of andere bezoldigde activiteiten [[[indien ze uitsluitend worden uitgeoefend in het Universitair Ziekenhuis Gent voor wat de Universiteit Gent betreft, of, voor wat de andere universiteiten vermeld in artikel 3 betreft, in het universitair ziekenhuis,]]] deel uitmakend van de eigen universiteit of hiervan afgesplitst en omgevormd in een autonome rechtspersoon.]]² ]1 [Voor wat de Vrije Universiteit Brussel betreft is het bovenstaande eveneens van toepassing op de personeelsleden verbonden aan de tandheelkundige kliniek.]²

[ ]1 Decr. 27-1-1993; [ ]² Decr. 8-7-1996; [[ ]]1 Decr. 15-12-1993; [[ ]]² Decr. 21-12-1994; [[[ ]]] Decr. van 8-7-1996

Art. 76.

[De opdracht van een lid van het zelfstandig academisch personeel in een deeltijds dienstverband kan ofwel uitsluitend onderwijsactiviteiten, ofwel uitsluitend onderzoeksactiviteiten of een combinatie van beide bevatten. Ook wetenschappelijke dienstverlening kan tot de taakstelling van die leden van het zelfstandig academisch personeel behoren.

Deze deeltijdse opdrachten worden uitgedrukt als een procentueel aandeel van een voltijdse opdracht. Voor het bepalen van een procentueel aandeel komt elke halve dag per week die besteed wordt ten dienste van de universiteit overeen met 10 %. Het procentueel aandeel moet minstens 10 % van een voltijdse aanstelling omvatten en wordt altijd als een veelvoud van vijf uitgedrukt. In afwijking van het vorenstaande bedraagt het procentueel aandeel van een deeltijdse opdracht die uitsluitend onderwijsactiviteiten omvat, ten minste 5 %.

De bestaande forfaitaire deeltijdse opdrachten moeten voor het academiejaar 2001-2002 zijn omgevormd in een procentueel deeltijdse opdracht. In het nieuwe dienstverband genieten ze ten minste hetzelfde jaarsalaris. Bij deze omvorming houdt het universiteitsbestuur rekening met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties voor het bepalen van de geldelijke anciënniteit.

[[...]] ]

Decr.18-5-1999; [[ ]] Decr. van 20-4-2001

Art. 77.

[Een deeltijdse opdracht van een lid van het assisterend academisch personeel wordt als een procentueel aandeel van een voltijdse opdracht bepaald [[...]].]1 Voor de bepaling van het procentueel aandeel komt elke halve dag per week die besteed wordt ten dienste van de universiteit overeen met 10 procent. Het procentueel aandeel moet tenminste 10 procent van een voltijdse opdracht omvatten en wordt steeds uitgedrukt in een veelvoud van vijf.[ In afwijking van het vorenstaande bedraagt het procentueel aandeel van een deeltijdse opdracht van assistenten die uitsluitend belast zijn met taken van praktijkgebonden onderwijs, ten minste 5 %.]²

[ ]1 Decr. 21-12-1994; [ ]² Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. van 8-7-1996

Art. 78.

Een deeltijdse opdracht van een bepaalde graad van het zelfstandig academisch personeel kan in dezelfde universiteit niet gecombineerd worden met een deeltijdse opdracht van een andere graad van het zelfstandig academisch personeel.

Art. 79.

Bij overeenkomst gesloten tussen twee of meer universiteiten, kunnen afzonderlijke onderwijs- en onderzoeksopdrachten verdeeld over de betrokken universiteiten als één voltijdse opdracht omschreven worden. In de overeenkomst wordt de universiteit aangewezen die als werkgever van de betrokken personen moet worden beschouwd en wordt procentsgewijs bepaald ten opzichte van een voltijdse opdracht de opdrachten van de betrokken personen in de verschillende universiteiten.

Art. 80.

[Bij overeenkomst gesloten tussen twee of meer universiteiten of tussen een universiteit en een hogeschool, kan een lid van het academisch personeel van een universiteit ofwel met zijn instemming of nadat het door het in artikel 89 bedoelde adviesorgaan werd gehoord, belast worden met de uitvoering van onderwijsopdrachten met inbegrip van examens in één of meer andere universiteiten of hogescholen. De overeenkomst bepaalt de termijn van de onderwijsopdracht en desgevallend de financiële vergoeding die door de andere universiteit of hogeschool wordt betaald aan de universiteit waartoe het lid van het academisch personeel behoort.]

Decr. van 13-7-1994

[Bij overeenkomst gesloten tussen een instelling van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening en een universiteit, kan een lid van het personeel van een dergelijke instelling met zijn instemming belast worden met de uitvoering van opdrachten met inbegrip van het afnemen van examens aan deze universiteit. De overeenkomst bepaalt de inhoud en de termijn van de opdracht en desgevallend de financiële vergoeding die door de universiteit betaald wordt aan de instelling waartoe het lid van het personeel behoort.]

Decr. van 19-3-2004

Art. 81.

[Het universiteitsbestuur stelt een reglement op dat de tijdelijke vervanging van de leden van het academisch personeel regelt. Een tijdelijke vervanging van een lid van het zelfstandig academisch personeel door een externe persoon is uitzonderlijk en kan nooit langer duren dan één academiejaar en eindigt in ieder geval op het einde van het academiejaar. Deze vervangingen in hoofde van de vervanger zijn maximaal vier maal hernieuwbaar.]

Decr. van 20-4-2001

Art. 82.

[Naast het academisch personeel kan het universiteitsbestuur contractueel en buiten de personeelsformatie voltijdse en deeltijdse gastprofessoren aanstellen voor een periode van maximum vijf jaar. Opeenvolgende aanstellingen van voltijdse gastprofessoren mogen in ieder geval de totale duur van vijf opeenvolgende jaren niet overschrijden. Aanstellingen van deeltijdse gastprofessoren zijn hernieuwbaar.]

Decr. van 27-1-1993

Afdeling 3. - Benoeming en aanstelling van het academisch personeel

Art. 83.

Niemand kan benoemd of aangesteld worden tot lid van het zelfstandig academisch personeel of tot doctor-assistent tenzij hij houder is van een diploma van doctor op proefschrift of van een diploma of certificaat dat in toepassing van de richtlijnen van de Europese Gemeenschappen of een bilateraal akkoord hiermee als gelijkwaardig wordt erkend.

In uitzonderlijke gevallen kan het universiteitsbestuur, na advies van het orgaan waartoe de opdracht behoort en op grond van een omstandige motivering, personen die blijk hebben gegeven van een buitengewone wetenschappelijke verdienste of een specifieke deskundigheid, tot deeltijds lid van het zelfstandig academisch personeel benoemen of aanstellen met vrijstelling van het onder lid één bedoelde diploma.

Art. 84.

Behoudens het in het tweede lid bepaalde kan niemand tot assistent worden aangesteld tenzij hij houder is van [een diploma van master]² of van een diploma of certificaat dat in toepassing van de Europese richtlijnen of een bilateraal akkoord hiermee als gelijkwaardig wordt erkend.

[...]²

[In uitzonderlijke omstandigheden kan het universiteitsbestuur, na advies van het orgaan waartoe de opdracht behoort en op grond van een omstandige motivering, personen die een ander buitenlands einddiploma van een instelling van academisch onderwijs hebben behaald dan het in lid één bedoelde, aanstellen tot assistent met vrijstelling van de in lid één [[...]] bedoelde diplomavereisten.]¹

[ ]¹ Decr. 27-1-1993; [ ]² Decr. 4-7-2008; [[ ]] Decr. van 4-7-2008

Art. 85.

In het belang van het onderwijs of het onderzoek kan het universiteitsbestuur ook personen die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen tot lid van het academisch personeel benoemen of aanstellen.

Art. 86.

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 83 en 87, legt het universiteitsbestuur bij reglement de voorwaarden vast waaraan voldaan moet zijn om tot docent, hoofddocent, hoogleraar benoemd of aangesteld te worden.

Art. 87.

[Het universiteitsbestuur legt voorafgaandelijk de criteria vast voor de benoeming tot hoofddocent, hoogleraar, gewoon hoogleraar en buitengewoon hoogleraar en maakt deze in de universiteit bekend.]

Decr. van 21-12-1994

Art. 88.

Het universiteitsbestuur benoemt en stelt de leden van het academisch personeel aan. Het bepaalt bij reglement de wijze waarop de ambten vacant worden verklaard.

Een eerste benoeming of aanstelling in, hetzij het zelfstandig academisch personeel, hetzij het assisterend personeel kan niet gebeuren dan na een openbare oproep.

Art. 89.

Vóór elke benoeming of aanstelling tot lid van het academisch personeel wint het universiteitsbestuur een met redenen omkleed advies in van de facultaire of andere organen die het hiervoor heeft aangeduid. Het universiteitsbestuur kan tevens het advies inwinnen van externe deskundigen.

Art. 90.

Het besluit tot benoeming of aanstelling van een lid van het zelfstandig academisch personeel moet gemotiveerd zijn. In het bijzonder moet de benoeming of aanstelling gegrond zijn op een vergelijking van de wetenschappelijke en de onderwijskundige kwaliteiten van de kandidaten in het betrokken vakgebied. Het universiteitsbestuur leeft de objectiviteit bij de selectie na.

Het benoemings- of aanstellingsbesluit vermeldt het vakgebied of de vakgebieden waarop het betrokken lid werkzaam zal zijn. Het universiteitsbestuur stelt bij de indiensttreding van ieder personeelslid vast of het al dan niet ten laste valt van de werkingsuitkeringen van de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 91.

Een lid van het zelfstandig academisch prsoneel met een voltijdse opdracht wordt benoemd.

Een lid van het zelfstandig academisch personeel met een deeltijdse opdracht kan ofwel benoemd worden, ofwel tijdelijk worden aangesteld voor hernieuwbare termijnen van ten hoogste zes jaar.

[Het universiteitsbestuur kan in geval van eerste benoeming tot lid van het zelfstandig academisch personeel de personen aanstellen in een tijdelijk dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel voor een periode van ten hoogste drie jaar met uitzicht op een vaste benoeming zonder nieuwe vacature, indien het universiteitsbestuur de prestaties van de betrokkene gunstig beoordeelt. [[In geval van zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte tijdens de termijn van de aanstelling wordt op verzoek van het betrokken zelfstandig academisch personeelslid de aanstelling met een bijkomende termijn van één jaar verlengd.]] ]

Decr. 19-3-2004; [[ ]] Decr. van 1-7-2011

[Art. 91bis.

In afwijking van het bepaalde in artikel 91 worden de in artikel 64, tweede lid bedoelde docenten aangesteld voor een termijn van vijf jaar. Indien het universiteitsbestuur aan het einde van die termijn de prestaties van een docent gunstig beoordeelt, wordt het betrokken personeelslid zonder nieuwe vacature benoemd in de graad van hoofddocent. De beoordeling wordt grondig gemotiveerd op basis van de academische verdiensten van de docent in het tenure trackstelsel.

Het universiteitsbestuur legt voorafgaandelijk de criteria vast voor de beoordeling van de docenten in het tenure trackstelsel en maakt deze in de universiteit bekend.

In geval van zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte tijdens de termijn van de aanstelling wordt op verzoek van de betrokken docent de aanstelling met een bijkomende termijn van één jaar verlengd.]

Decr. van 4-7-2008

Art. 92.

[Behoudens het bepaalde in de artikelen 93 en 94 en behoudens bij vervangingsovereenkomsten worden leden van het assisterend academisch personeel aangesteld voor een termijn van twee jaar, die tweemaal kan worden hernieuwd.]¹ [Een verlenging van de aanstelling van een lid van het assisterend academisch personeel kan slechts na een gunstige evaluatie.]²

[ ]¹ Decr. 27-1-1993; [ ]² Decr. van 18-5-1999

Wanneer uitzonderlijk geachte omstandigheden zulks vereisen, kunnen zij voor een bijkomende termijn van één jaar worden aangesteld. [In het geval van zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte tijdens de eerste, de tweede of de derde termijn van het mandaat worden de assistenten voor een bijkomende termijn van één jaar aangesteld.]² [Het mandaat wordt in ieder geval verlengd met een periode gelijk aan de duur die men tijdens het mandaat besteedde aan het volbrengen van de militie-verplichtingen of de vervangende burgerdienst.]¹

[ ]¹ Decr. 27-1-1993; [ ]² Decr. van 19-3-2004

Voor de toepassing van deze mandaatsanciënniteit worden de jaren gepresteerd als mandaathouders van het Vlaams Instituut voor de Bevordering van het Wetenschappelijk-Technologisch Onderzoek in de Industrie, van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek of als bursalen van het Instituut tot Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in de Nijverheid en Landbouw of van andere door de Vlaamse Regering erkende instellingen voor wetenschappelijk onderzoek hiermee gelijkgesteld. [Voor de berekening van de maximaal toelaatbare aanstellingsduur van assistenten bedoeld in het eerste lid, wordt de periode gedurende dewelke de betrokkene een stipendium van een universiteit in de Vlaamse Gemeenschap genoot voor de voorbereiding van een doctoraal proefschrift, in rekening gebracht. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de lopende aanstellingen doorlopen tot het einde van het tweejarig mandaat in het geval dat de maximaal toelaatbare aanstellingsduur overschreden is.]

Decr. van 14-7-1998

Art. 93.

[Voltijdse en deeltijdse praktijkassistenten worden aangesteld voor een periode van maximum vijf jaar. Opeenvolgende aanstellingen van voltijdse praktijkassistenten mogen de totale duur van vijf opeenvolgende jaren niet overschrijden. Aanstellingen van deeltijdse praktijkassistenten zijn onbeperkt hernieuwbaar.]

Decr. van 19-7-2013

Art. 94.

[Doctor-assistenten worden aangesteld voor maximaal twee termijnen van ten hoogste drie jaar.

De aanstelling voor de tweede periode kan slechts na een gunstige evaluatie van de geleverde wetenschappelijke onderzoeksprestaties.

Doctor-assistenten die op 30 september 1999 in dienst zijn, kunnen na het beëindigen van de lopende aanstelling, voor één bijkomende periode van ten hoogste drie jaar aangesteld worden.]

Decr. van 18-5-1999

[In geval van zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte tijdens de eerste of de tweede termijn van het mandaat worden de doctor-assistenten voor een bijkomende termijn van één jaar aangesteld.]

Decr. van 19-3-2004

Afdeling 4. - Weddenschalen, vergoedingen en toelagen

Art. 95.

[De Vlaamse regering bepaalt de salarisschalen van de leden van het assisterend academisch personeel. [[De salarisschaal van praktijkassistenten is dezelfde als deze van assistenten.]]³

Het universiteitsbestuur schaalt de leden van het assisterend academisch personeel bij een [[...]]¹ aanstelling in de overeenstemmende salarisschaal in, rekening houdend, geheel of gedeeltelijk, met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties.

Het salaris van een deeltijds assisterend academisch personeelslid is een evenredig deel van het salaris van een voltijds assisterend academisch personeelslid. Bij de uitbreiding van een deeltijdse naar een voltijdse aanstelling kan de inschalingsanciënniteit worden heroverwogen indien het betrokken personeelslid tijdens de deeltijdse aanstelling nieuwe beroepservaring verworven heeft. [[De heroverweging van de inschalingsanciënniteit moet uitdrukkelijk en grondig gemotiveerd zijn.]]²

De anciënniteitsopbouw in een salarisschaal is gelijk aan de nominale aanstellingsduur, ongeacht de omvang van het dienstverband.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]]¹ Decr. 20-4-2001; [[ ]]² Decr. 19-3-2004; [[ ]]³ Decr. van 19-7-2013

Art. 96.

[De Vlaamse regering bepaalt [[de salarisschalen]] van de leden van het zelfstandig academisch personeel.]

Decr. 5-4-1995; [[ ]] Decr. van 14-7-1998

[Voor de graden van docent en hoofddocent kan de Vlaamse regering twee salarisschalen vastleggen. [[De hogere salarisschaal kan zowel worden toegekend bij een aanstelling of benoeming als bij de bevordering van een personeelslid dat reeds in dienst is.]] Overgang van de laagste salarisschaal naar de hogere salarisschaal van dezelfde graad is slechts mogelijk na een gunstige evaluatie van het betrokken personeelslid.

[[Het universiteitsbestuur houdt bij de toekenning van de hogere salarisschaal rekening met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties.]] ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. van 22-6-2007

Art. 97.

[ [[Bij de benoeming of aanstelling in een graad van het zelfstandig academisch personeel schaalt het universiteitsbestuur de leden van het zelfstandig academisch personeel in, in de overeenstemmende salarisschaal op grond van een gemotiveerde beoordeling van de doorlopen academische carrière, de academische verdiensten, de doorlopen carrière buiten de academische wereld en de verworven ervaring en kwalificaties. Als een universiteit een personeelslid van een andere universiteit aanstelt of benoemt, dan neemt de universiteit bij deze beoordeling de inschalingsanciënniteit verworven in dezelfde salarisschaal aan de universiteit van herkomst mee in overweging.

Onverminderd het eerste lid moeten in het geval van instellingsoverschrijdende mobiliteit te allen tijde de diensten in overweging worden genomen die in een andere geregistreerde hoger onderwijsinstelling werden gepresteerd binnen dezelfde graad van het zelfstandig academisch personeel of in een overeenstemmend ambt van het onderwijzend personeel zoals beschreven in artikel 101, 3°, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.]]²

Het salaris van een deeltijds zelfstandig academisch personeelslid is een evenredig deel van het salaris van een voltijds zelfstandig academisch personeelslid.

[[...]]¹

Bij de uitbreiding van een deeltijds naar een voltijds dienstverband of bij het heropnemen van een voltijds dienstverband zoals bedoeld in artikel 105, kan de inschalingsanciënniteit worden heroverwogen indien het betrokken personeelslid tijdens de aanstelling in het deeltijds dienstverband belangrijke nieuwe beroepservaring verworven heeft. De heroverweging van de inschalingsanciënniteit moet uitdrukkelijk en grondig gemotiveerd worden.

[[De anciënniteitsopbouw in een salarisschaal met het oog op het verkrijgen van de volgende salaristrappen is gelijk aan de nominale aanstellingsduur, ongeacht de omvang van het dienstverband.]]² ]

Decr. 18-5-1999; [[ ]]¹ Decr. 20-4-2001; [[ ]]² Decr. van 4-7-2008

[Het ten laste van de universiteit komende jaarsalaris van de gepromoveerde onderzoekers in dienst van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen of van het Vlaams Instituut voor de bevordering van het Wetenschappelijk-Technologisch onderzoek in de Industrie, die vóór 1 oktober 1999 werden benoemd of aangesteld in een van de graden van het zelfstandig academisch personeel en waarvan de opdracht uitsluitend onderwijsactiviteiten omvat, wordt beperkt tot het verschil tussen het jaarsalaris dat zij zouden ontvangen als lid van het zelfstandig academisch personeel in een voltijds dienstverband met dezelfde anciënniteit, en het jaarsalaris à 100 % dat zij ontvangen als onderzoeker in dienst van een van de eerder genoemde instellingen.]

Decr. van 20-10-2000

[Art. 97bis.

§ 1. Het salaris van de leden van het assisterend academisch personeel die tevens benoemd of aangesteld zijn als lid van het zelfstandig academisch personeel met een deeltijds dienstverband, is samengesteld uit twee delen. Elk deel is hetzelfde evenredig aandeel als de omvang van het dienstverband van het salaris aan 100% dat de betrokkene zou genoten hebben in geval van een benoeming of aanstelling in een voltijds dienstverband.

In geval van uitbreiding van het dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel tot een voltijds dienstverband in dezelfde graad, wordt het betrokken personeelslid ingeschaald op dezelfde salaristrap in de schaal verbonden aan die graad.

[[...]]

§ 2. De omvang van de gecombineerde opdrachten samen is beperkt tot het equivalent van een voltijds dienstverband.

§ 3. In geval van de combinatie van een voltijds dienstverband als lid van het assisterend academisch personeel met een deeltijds dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel waarvan de opdracht uitsluitend onderwijsactiviteiten omvat, is de omvang van de opdracht beperkt tot ten hoogste twee jaaruren. Bij benoeming of aanstelling in een voltijds dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel gebeurt de inschaling in de overeenkomstige salarisschaal, rekening houdend met het salaris dat de betrokkene genoot als lid van het zelfstandig academisch personeel.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. van 20-4-2001

Art. 98.

[ [[Bij elke benoeming of aanstelling stelt het universiteitsbestuur de datum van ranginneming vast voor het verkrijgen van de periodieke verhogingen in de salarisschalen van de ambten van hetr academisch personeel, rekening houdend met de toegekende inschalingsanciënniteit.]]

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan de Vlaamse regering in het uitvoeringsbesluit genomen krachtens artikel 63, tweede lid bepalen dat bepaalde onderbrekingen van de ambtsvervulling niet meegerekend worden in de anciënniteit met het oog op het verkrijgen van een periodieke verhoging in de salarisschaal.]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. van 20-4-2001

Art. 99.

[Voor de toepassing van artikel 95, tweede lid, en artikel 97, eerste lid, bepaalt het universiteitsbestuur de algemene bezoldigingsvoorschriften.]

Decr. van 19-3-2004

Art. 100.

Aan de personen die in de universiteit een bestuursmandaat bekleden, kan een vergoeding worden toegekend waarvan het bedrag door [het universiteitsbestuur]¹ of het ermee gelijk te stellen orgaan wordt bepaald.

[Het universiteitsbestuur kan jaarlijks een premie toekennen aan leden van het academisch personeel na evaluatie van de geleverde prestaties. Deze premies worden aangerekend op de uitgaven voor het academisch personeel. Het totaal bedrag aan voorziene premies beloopt ten hoogste 1 percent van de geraamde personeelsuitgaven voor het academisch personeel zoals die blijken uit afdeling I van de begroting bedoeld in artikel 154 van dit decreet. De premies worden meegerekend als personeelsuitgaven voor het bepalen van de in artikel 160 bedoelde 80 percent- of 85 percentnorm.

Het universiteitsbestuur kan ten laste van de inkomsten uit postacademische vorming aan leden van het academisch personeel die in het kader van hun opdracht belast worden met het verschaffen van postacademische vorming een persoonlijke vergoeding toekennen. Het totaal bedrag aan vergoedingen die kunnen worden toegekend, bedraagt ten hoogste de helft van de totale inkomsten voortvloeiend uit postacademische vorming, na aftrek van alle kosten.]²

[ ]¹ Decr. 27-1-1993; [ ]² Decr. van 21-12-1994

Art. 101.

[De gastprofessoren kunnen ten hoogste de bezoldiging van een gewoon hoogleraar genieten]. De [gastprofessoren] mogen daarenboven vergoedingen ontvangen voor kosten inherent aan hun overkomst en tijdelijk verblijf, zij het maximum ten belope van hun werkelijke reis- en verblijfkosten.

Decr. van 27-1-1993

Art. 102.

Leden van het academisch personeel die in toepassing van artikel 80 prestaties verschaffen in een andere universiteit of instelling van hoger onderwijs van het lange type, mogen vergoedingen ontvangen voor kosten inherent aan hun overkomst en tijdelijk verblijf, zij het maximum tot beloop van hun werkelijke reis- en verblijfkosten.

Art. 103.

Voor de bij dit decreet bepaalde wedden en vergoedingen, met uitsluiting van de vergoedingen bedoeld in artikel 100, geldt de indexregeling die wordt toegepast op de wedden van het personeel van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 104.

[§ 1. De Vlaamse Regering stelt voor het academisch personeel de haard- en standplaatstoelage, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage vast.

Het universiteitsbestuur bepaalt de overige vergoedingen en toelagen.

§ 2. Tot op de datum waarop het in § 1, eerste lid, vermelde besluit in werking treedt, ontvangen de leden van het academisch personeel de haard- en standplaatstoelage, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage zoals die op 31 december 2005 voor de personeelsleden van de Vlaamse Gemeenschap en hun rechthebbenden van toepassing waren. Hierop wordt wel nog de indexeringsregeling, bedoeld in artikel 103, toegepast.]

Decr. van 30-6-2006

[Art. 104bis.

[[§ 1. In afwijking van artikel 2, § 1, van de wet van 4 augustus 1986 tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving kan de benoeming van een in het artikel 1 van de wet van 4 augustus 1986 bedoeld personeelslid na het academiejaar waarin het de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft, telkens met maximum een academiejaar en telkens met instemming van het universiteitsbestuur verlengd worden. Het universiteitsbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de benoeming.

§ 2. Het universiteitsbestuur kan beslissen dat een lid van het zelfstandig academisch personeel dat met pensioen is een deel van de activiteiten van onderwijs onderzoek of dienstverlening mag voortzetten. Het universiteitsbestuur kan hiervoor een vergoeding ten laste van de werkingsuitkeringen geven. De beslissing geldt voor maximum een jaar en kan telkens met maximum een jaar verlengd worden.]] ]

Decr. 15-7-1997; [[ ]] Decr. van 21-12-2012

Art. 105.

Het voltijds lid van het zelfstandig academisch personeel dat op zijn verzoek of in toepassing van artikel 75 ambtshalve in een deeltijds statuut wordt geplaatst, verkrijgt vanaf het ogenblik dat hij opnieuw aan de gestelde voorwaarden voldoet, en indien het nog geen zestig jaar oud is, opnieuw een voltijdse opdracht en geniet de overeenkomstige wedde.

Dit recht vervalt indien het betrokken lid langer dan [acht]² al dan niet opeenvolgende academiejaren een dergelijke bezoldigde activiteit uitoefent. [Evenwel kan het universiteitsbestuur het deeltijds dienstverband, vanaf het ogenblik dat het betrokken lid aan de gestelde voorwaarden voldoet, uitbreiden tot een voltijds dienstverband.]¹

[ ]¹ Decr. 18-5-1999; [ ]² Decr. van 20-4-2001

Art. 106.

[..]

Decr. van 18-5-1999

[Afdeling 5. - Evaluatie

Art. 106bis.

Het universiteitsbestuur legt de regels vast voor de evaluatie van de prestaties en de wijze van functioneren van de leden van het academisch personeel.

Ten minste om de vijf jaar moet er een evaluatie plaatsvinden van de wijze waarop elk lid van het academisch personeel zijn taak heeft vervuld in de voorbije periode. De evaluatieprocedure moet voorzien in een beroepsmogelijkheid met onafhankelijke beroepsinstanties. De procedure moet de rechten van het personeelslid maximaal waarborgen. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin moet er evenwel een evaluatie plaatsvinden drie jaar na de eerste aanstelling en na elke benoeming of bevordering.

Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar wordt gehalveerd.

Indien het eindoordeel van een evaluatie "onvoldoende" is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar stopzetten.

Indien het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties "onvoldoende" is of driemaal "onvoldoende" is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid ontslaan. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.

De eerste evaluatie moet voor elk personeelslid afgerond zijn uiterlijk op 31 december 2002.

Het universiteitsbestuur deelt de vastgestelde evaluatieprocedure mee aan de Vlaamse regering. De Vlaamse regering maakt ten laatste in 2006 een evaluatie van de effecten en de uitkomsten van de door de universiteiten gehanteerde evaluatieprocedures.]

Decr. van 18-5-1999

HOOFDSTUK V. - Het administratief en technisch personeel

Afdeling 1. - Toepassingsgebied en algemene bepaling

Art. 107.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het administratief en technisch personeel bezoldigd ten laste van de werkingsuitkeringen verschaft door de Vlaamse Gemeenschap.

Afdeling 2. - Personeelsformatie en loopbaanstructuur

Art. 108.

[Het loopbaankader van het administratief en technisch personeel omvat het geheel van de functies en de daaraan gekoppelde graden die de leden van het administratief en technisch personeel kunnen vervullen. Het universiteitsbestuur stelt voor elke functie een functiebeschrijving en -profiel vast.]

Decr. van 19-7-2013

Art. 109.

[...]

Decr. van 18-5-1999

Art. 110.

Als diplomavoorwaarde geldt het bezit van het desbetreffende Belgische diploma dan wel het bezit van een diploma of certificaat dat in toepassing van de Europese richtlijnen of een bilateraal akkoord daarmee als gelijkwaardig wordt erkend.

[...]

Decr. van 14-7-1998

Afdeling 3. - Toewijzing van betrekkingen [en definitieve ambtsneerlegging]

Decr. van 21-12-2012

Art. 111.

[Benoemingen of aanstellingen in de functies waarin [[het loopbaankader]] voorziet, gebeuren door werving, bevordering, overheveling of mutatie.

De benoemingen of aanstellingen vinden in principe plaats in een voltijds of deeltijds vast dienstverband. De omvang van een deeltijds dienstverband wordt uitgedrukt in een procentueel aandeel van een voltijds dienstverband. Het procentueel dienstverband moet ten minste 10 % van een voltijdse aanstelling omvatten en wordt als een veelvoud van vijf uitgedrukt. Een halve dag per week komt overeen met 10 %. De betrokkenen verkrijgen hetzelfde procentueel aandeel van het salaris dat zij zouden genieten in een voltijds dienstverband. Om te voorzien in tijdelijke personeelsbehoeften of in tijdelijke vervangingen van personeelsleden, kan het universiteitsbestuur personeel aanwerven, doch enkel op contractuele basis. De duur van de waarneming van vacante betrekkingen in afwachting van de definitieve opvulling ervan kan ten hoogste twee jaar bedragen.

Het universiteitsbestuur kan de omvang van het dienstverband wijzigen met instemming of op verzoek van het personeelslid. In geval van een vermindering van de omvang behoudt het personeelslid gedurende zes jaar het recht van terugkeer naar de oorspronkelijke omvang.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. van 19-7-2013

Art. 112.

[Onder werving wordt verstaan het aantrekken van personeelsleden na een openbare vacature en na een vergelijkende selectieprocedure. [[Een vacature wordt via ten minste twee openbare informatiekanalen bekendgemaakt.]] Het universiteitsbestuur kan een wervingsreserve aanleggen voor een cluster van verwante functies.

Het vacaturebericht vermeldt tenminste de volgende gegevens :

- de functie-inhoud;

- de functie-eisen, inclusief specifieke diploma-eisen indien nodig;

- de graad of de graden;

- de omvang van de functie;

- het vast of tijdelijk karakter;

- de selectieprocedure.

Het universiteitsbestuur kan de kandidaat in kwestie, afhankelijk van diens beroepservaring en aantoonbare kwaliteiten, benoemen of aanstellen in één van de graden vermeld in het vacaturebericht. In het vacaturebericht mogen [[ten hoogste drie opeenvolgende graden]] vermeld worden.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. van 22-6-2007

Art. 113.

[Een universiteit kan een vacante betrekking in het administratief en technisch personeel ook invullen via de overname van een benoemd lid van het administratief en technisch personeel van een andere universiteit. Het overgenomen personeelslid behoudt bij de overname de salarisschaal en anciënniteit die het genoot aan de universiteit waar het benoemd was, tenzij de overnemende universiteit het personeelslid in een hogere salaristrap of salarisschaal inschaalt.

De overname van een benoemd personeelslid is niet mogelijk zonder de instemming van het betrokken personeelslid.]

Decr. van 1-7-2011

[Art. 113bis.

In afwijking van de voorwaarden, vermeld in artikel 112, kan het universiteitsbestuur een voltijdse praktijkassistent die op 1 oktober 2013 vijf jaar of langer aangesteld is als praktijkassistent na afloop van de aanstellingstermijn zonder openbare vacature rangschikken in een graad van het administratief en technisch personeel ten laste van de werkingsuitkeringen van de Vlaamse Gemeenschap.]

Decr. van 19-7-2013

Art. 114.

[Onder bevordering wordt verstaan de benoeming of aanstelling in een functie van een hogere graad na interne bekendmaking en na het met succes doorlopen van de door het universiteitsbestuur vastgelegde selectieprocedure.

In afwijking van het eerste lid kan een bevordering in een functie van de onmiddellijk hogere graad en van de daaropvolgende graad plaatsvinden zonder interne bekendmaking en zonder selectie indien dit gebeurt in het kader van een vooraf door het universiteitsbestuur bepaalde loopbaanplanning [[...]]. Deze afwijking geldt enkel voor de zeer goed functionerende en presterende personeelsleden. De bevordering moet afdoende gemotiveerd worden op basis van een evaluatie van de door de betrokkene geleverde prestaties.

Een eerste bevordering in een leidinggevende functie vindt steeds plaats na interne bekendmaking en selectie.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. van 19-7-2013

Art. 115.

Bij de aanwerving doorloopt het personeelslid een stage, respectievelijk een proefperiode van minimum één maand en maximum één jaar, naargelang de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspositieregeling van de universiteit.

Art. 116.

[Het universiteitsbestuur weegt bij elke selectie minstens de verworven kennis en ervaring, de opleiding, de technische en persoonlijke bekwaamheden en de potentialiteit van de kandidaten af tegen de functiebeschrijving en het functieprofiel. De beslissing wordt gemotiveerd op grond van die afweging]

Decr. van 18-5-1999

[Art. 116bis.

[[Onder mutatie wordt verstaan de verandering van functie in dezelfde graad op verzoek van het betrokken personeelslid, ambtshalve of als resultaat van een selectie na interne bekendmaking. Het universiteitsbestuur legt de procedure voor mutatie vast.]] ]

Decr. 8-7-1996; [[ ]] Decr. van 18-5-1999

Art. 117.

Personeelsleden ten laste van het patrimonium van de universiteit kunnen overgeheveld worden naar [een functie van het loopbaankader, vermeld in artikel 108]² en bezoldigd ten laste van de werkingsuitkeringen van de Vlaamse Gemeenschap met behoud van hun verworven graad, salarisschaal en anciënniteit op voorwaarde dat :

1° zij geworven werden volgens de procedure die beantwoordt aan de in artikelen 112 [...]¹ bepaalde wervingseisen;

2° zij de graad, anciënniteit en salarisschaal bezitten die zij zouden bekomen hebben indien de voorgaande diensten gepresteerd werden overeenkomstig de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen van toepassing op het personeel ten laste van de jaarlijkse werkingsuitkeringen.

Voor de toepassing van dit artikel moet beschouwd worden als personeelslid ten laste van het patrimonium, elk personeelslid dat verbonden is door een arbeidsovereenkomst met de universiteit, met inbegrip van het universitair ziekenhuis voor zover dit deel uitmaakt van de universitaire rechtspersoon, en gefinancierd wordt buiten de werkingsuitkeringen van de Vlaamse Gemeenschap.

[ ]¹ Decr. 22-6-2007; [ ]² Decr. van 19-7-2013

[Art. 117bis.

Een benoeming eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg bij pensionering wegens het bereiken van de leeftijdsgrens van 65 jaar of, mits toestemming van het universiteitsbestuur, op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

In afwijking van het eerste lid, kan de benoeming van het personeelslid na het academiejaar waarin het de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft, telkens met maximum een jaar en telkens met instemming van het universiteitsbestuur verlengd worden. De definitieve ambtsneerlegging gaat pas in na het einde van de benoeming. Het universiteitsbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de benoeming.]

Decr. van 21-12-2012

Afdeling 4. - Evaluatie van het personeel

Art. 118.

[Het universiteitsbestuur legt een evaluatieprocedure vast met inbegrip van een beroepsmogelijkheid met onafhankelijke beroepsinstanties. De procedure moet de rechten van het personeelslid maximaal waarborgen.

Ten minste om de vijf jaar vindt er een evaluatie plaats van de geleverde prestaties, de bereikte resultaten en de wijze van functioneren van elk lid van het administratief en technisch personeel, gerelateerd aan de functiebeschrijving en het functieprofiel. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin moet er evenwel een evaluatie plaatsvinden drie jaar na de eerste aanstelling en na elke benoeming of bevordering.

Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar wordt gehalveerd.

Indien het eindoordeel van een evaluatie "onvoldoende" is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar stopzetten.

Indien het resultaat van deze evaluatie tweemaal na elkaar of driemaal in de loop van de beroepscarrière een "onvoldoende" oplevert, kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid ontslaan. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.

Indien de prestaties van een personeelslid als ondermaats of als onvoldoende worden beoordeeld, kan het universiteitsbestuur het personeelslid op zijn verzoek terugzetten in een lagere graad.

Het universiteitsbestuur deelt de vastgestelde evaluatieprocedure mee aan de Vlaamse regering. De Vlaamse regering maakt ten laatste in 2006 een evaluatie van de effecten en de uitkomsten van de door de universiteiten gehanteerde evaluatieprocedures.]

Decr. van 18-5-1999

Afdeling 5. - Anciënniteit

Art. 119.

[...]

Decr. van 20-4-2001

Afdeling 6. - Bezoldigingen

Art. 120.

[De Vlaamse regering bepaalt de graden en de niveaus en stelt de daaraan verbonden salarisschalen van het administratief en technisch personeel vast. [[...]]

[[...]]

Het universiteitsbestuur schaalt de leden van het administratief en technisch personeel bij eerste aanstelling of benoeming in in de overeenstemmende salarisschaal, rekening houdend, geheel of gedeeltelijk, met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties.

Het salaris van een lid van het administratief en technisch personeel in deeltijds dienstverband is een evenredig deel van het salaris van een lid van het administratief en technisch personeel in voltijds dienstverband.

De anciënniteitsopbouw in een salarisschaal is gelijk aan de nominale aanstellingsduur, ongeacht de omvang van het dienstverband.

Het universiteitsbestuur kan aan door hem bepaalde categorieën van het administratief en technisch personeel een arbeidsmarktschaarstetoeslag toekennen van maximaal 20% van het jaarsalaris voor een periode van maximum twee jaar. Deze toeslag is hernieuwbaar zolang de arbeidsmarktkrapte voortduurt.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. van 30-6-2006

[Het universiteitsbestuur kan jaarlijks een premie toekennen aan leden van het administratief en technisch personeel na evaluatie van de geleverde prestaties. De premies worden aangerekend op de personeelsuitgaven voor het administratief en technisch personeel. Het totaal bedrag aan voorziene premies beloopt ten hoogste 1 percent van de geraamde personeelsuitgaven voor het administratief en technisch personeel zoals die blijken uit afdeling I van de begroting bedoeld in artikel 154 van dit decreet. De premies worden meegerekend als personeelsuitgaven voor het bepalen van de in artikel 160 bedoelde 80 percent- of 85 percentnorm.]

Decr. van 21-12-1994

[Art. 120bis.

§ 1. De Vlaamse Regering stelt voor het administratief en technisch personeel de haard- en standplaatstoelage, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage vast.

Het universiteitsbestuur bepaalt de overige vergoedingen en toelagen.

§ 2. Tot op de datum waarop het in § 1, eerste lid, vermelde besluit in werking treedt, ontvangen de leden van het administratief en technisch personeel de haard- en standplaatstoelage, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage zoals die op 31 december 2005 voor de personeelsleden van de Vlaamse Gemeenschap en hun rechthebbenden van toepassing waren. Hierop wordt wel nog de indexeringsregeling, bedoeld in artikel 103, toegepast.]

Decr. van 30-6-2006

Afdeling 7. - Tuchtregeling, administratieve standen, verlofregeling en ambtsneerlegging

Art. 121.

Bij ontstentenis van een regeling opgenomen in een collectieve arbeidsovereenkomst of vastgesteld na onderhandeling in het bevoegde sectorcomité, is van toepassing de regeling met betrekking tot de tucht, de administratieve standen, de toelaatbare onderbrekingen van de ambtsuitoefening op verzoek van het betreffende personeelslid wegens persoonlijke dan wel sociale redenen, en de definitieve ambtsneerlegging van het personeel van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

[Als de universiteiten een eigen tuchtregeling uitwerken, voorzien zij daarin in de mogelijkheid van een preventieve schorsing van het personeelslid in het belang van de dienst. Tenminste in de volgende gevallen kan daarbij een deel van het salaris worden ingehouden :

1° wanneer het personeelslid strafrechtelijk vervolgd wordt;

2° wanneer het personeelslid tuchtrechtelijk vervolgd wordt wegens een ernstig vergrijp waarbij het personeelslid op heterdaad betrapt is of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn.

De inhouding van het salaris bij preventieve schorsing mag niet meer bedragen dan een vijfde van de nettobezoldiging.

De regeling inzake preventieve schorsing waarborgt maximaal de rechten van het personeelslid en bevat een beroepsmogelijkheid.]

Decr. van 9-7-2010

[Afdeling 8. - Dienstverlening aan andere universiteiten of hogescholen

Art. 121bis.

Bij overeenkomst gesloten tussen twee of meer universiteiten of tussen een universiteit en een hogeschool, kan een lid van het administratief en technisch personeel van een universiteit, met zijn instemming, belast worden met de uitvoering van onderwijsondersteunende logistieke of administratieve opdrachten of andere dienstverlenende opdrachten die nauw met het verstrekte onderwijs samenhangen, in een of meer andere universiteiten of hogescholen. De overeenkomst bepaalt de termijn van die opdracht en de financiële vergoeding die door de andere universiteit of hogeschool wordt betaald aan de universiteit waartoe het lid van het administratief of technisch personeel behoort.]

Decr. van 20-4-2001

[HOOFDSTUK Vbis. - De integratie in de universiteiten van het hogescholenpersoneel dat verbonden is aan een of meerdere academische hogeschoolopleidingen

Afdeling 1. - Personeelsleden in het integratiekader

Art. 121ter.

Een universiteit die academische hogeschoolopleidingen integreert, neemt met ingang van 1 oktober 2013 de personeelsleden in het integratiekader over van die hogeschool of hogescholen die academische opleidingen overdragen aan de desbetreffende universiteit, en dit voor de omvang van de opdracht, zoals opgenomen in de lijst vermeld in artikel 171decies, § 7, 7°, van het Hogescholendecreet.

De personeelsleden in het integratiekader worden vanaf 1 oktober 2013 personeelsleden van de desbetreffende universiteit, en dit voor de omvang van de opdracht, zoals opgenomen in de lijst vermeld in artikel 171decies, § 7, 7°, van het Hogescholendecreet.

De universiteit treedt ten opzichte van de personeelsleden in het integratiekader vanaf 1 oktober 2013 in de rechten en verplichtingen van de hogeschool die voor de integratie de betrokken personeelsleden tewerkstelde. In deze overdracht zijn inbegrepen alle rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige procedures.

Art. 121quater.

De rechtspositieregeling, zoals vastgelegd bij of krachtens het Hogescholendecreet, blijft, met behoud van toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk, van toepassing op de personeelsleden in het integratiekader. Ze behouden hun hoedanigheid van personeel van het niet-universitair onderwijs.

Het universiteitsbestuur oefent tegenover de personeelsleden in het integratiekader de bevoegdheden uit die overeenkomstig de rechtspositieregeling, zoals vastgelegd bij of krachtens het Hogescholendecreet, toegewezen zijn aan het bestuursorgaan van de hogeschool dat door of krachtens de wet, het decreet of de statuten is aangewezen om de door of krachtens het Hogescholendecreet toegewezen bevoegdheden uit te oefenen.

Art. 121quinquies.

§ 1. De personeelsleden in het integratiekader oefenen na de integratie in de universiteit de opdracht uit die ze voor de integratie aan de hogeschool uitoefenden.

§ 2. Het universiteitsbestuur kan na de integratie de opdracht en de taakomschrijving van de leden van het onderwijzend personeel in het integratiekader wijzigen op het vlak van inhoud en aard onder de volgende voorwaarden :

1° het universiteitsbestuur heeft bij reglement de regels vastgelegd volgens dewelke de opdrachten van de personeelsleden worden gewijzigd;

2° het orgaan of de organen waaraan de opdrachten verbonden zijn heeft advies gegeven over de wijziging;

3° het betrokken personeelslid heeft ingestemd met de wijziging of het betrokken personeelslid is gehoord door het adviesgevende orgaan.

Het universiteitsbestuur kan na de integratie de opdracht en de taakomschrijving van de leden van het administratief en technisch personeel in het integratiekader wijzigen conform de reglementen die van toepassing zijn binnen de universiteit.

Art. 121sexies.

§ 1. De regelingen en reglementen, opgesteld door het hogeschoolbestuur overeenkomstig het Hogescholendecreet en de daaruit volgende uitvoeringsbesluiten, of overeenkomstig andere wettelijke of decretale bepalingen, blijven na de integratie in de universiteit van toepassing op de personeelsleden in het integratiekader.

§ 2. Het universiteitsbestuur kan na de integratie een eigen regeling of reglement uitwerken voor de personeelsleden in het integratiekader. Bij de uitwerking van deze aangepaste regelingen of reglementen neemt het universiteitsbestuur de bepalingen, vermeld in het Hogescholendecreet en de daaruit voortvloeiende bepalingen, in acht, alsook alle andere bij wet of decreet opgelegde voorwaarden.

Deze regelingen of reglementen zijn het voorwerp van onderhandelingen in de bestaande medezeggenschapsorganen binnen de universiteit of worden onderhandeld in het kader van het afsluiten van een collectieve arbeidsovereenkomst binnen de universiteit. Voor deze onderhandelingen is de afvaardiging van het personeel samengesteld overeenkomstig artikel 122, § 2, derde lid, c.q. voor ten minste de helft samengesteld uit afgevaardigden van het personeel in het integratiekader.

Bij de inwerkingtreding van de nieuwe reglementen of regelingen, zijn de initiële reglementen of regelingen, vermeld in paragraaf 1, niet langer van toepassing op de personeelsleden in het integratiekader.

Art. 121septies.

[[§ 1.]]² Het universiteitsbestuur kan een mandaat, vermeld in artikel 2, 37°, van het Hogescholendecreet, of een mandaat van departementshoofd [[...]]², vermeld in artikel 109 [[...]]² van het Hogescholendecreet, toegekend aan een personeelslid in het integratiekader voor de integratie in de universiteit, vroegtijdig stopzetten als de bijzondere opdracht of de functie van departementshoofd [[...]]² binnen de universiteit zonder voorwerp is.

Met behoud van de toepassing van artikel 136, § 3, artikel 158, § 3, en artikel 158ter, tweede lid, van het Hogescholendecreet, vervallen in dat geval, vanaf de datum van de beslissing, de mandaatsvergoeding of de niet-verworven salarisschaal, verbonden aan het mandaat.

[[§ 2. In afwijking van paragraaf 1 worden de personeelsleden die voor de integratie belast waren met het mandaat van algemeen directeur en die na de integratie opgenomen zijn in het integratiekader van een universiteit, definitief ingeschaald in de salarisschaal van gewoon hoogleraar. De betrokken personeelsleden verliezen wel de bevoegdheid van algemeen directeur en kunnen evenmin deze titel nog dragen.

In afwijking van paragraaf 1 verwerft een personeelslid dat voor de integratie belast was met het mandaat van bibliothecaris, en dat na de integratie opgenomen is in het integratiekader van een universiteit, definitief de salarisschaal, vermeld in artikel 136, § 1, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.]]²

Art. 121octies.

Een universiteit kan in het integratiekader geen nieuwe personeelsleden aanstellen of benoemen. Nieuwe personeelsleden zijn personeelsleden die op 1 februari 2013 niet opgenomen zijn in het integratiekader. Personeelsleden die overeenkomstig artikel 171vicies quater van het Hogescholendecreet overgedragen worden naar het integratiekader worden niet beschouwd als nieuwe personeelsleden in het integratiekader.

Een personeelslid dat op 1 februari 2013 een titularis in een betrekking vervangt, kan na beeindiging van die aanstelling niet opnieuw aangesteld worden in het integratiekader.

Art. 121novies.

[[Statutair tijdelijk aangestelde lectoren en praktijkassistenten in het integratiekader, met een dienstanciënniteit van tien jaar op 30 september 2013, worden door de universiteit bij een gunstige evaluatie benoemd in het ambt van lector in het integratiekader. Voor de berekening van de vereiste dienstanciënniteit worden de diensten meegenomen, vermeld in artikel 98 van het Hogescholendecreet, en de werkelijke diensten die het personeelslid in een contractueel dienstverband gepresteerd heeft in de hogeschool.]]²

Art. 121decies.

Statutair tijdelijk aangestelde leden van het administratief en technisch personeel in het integratiekader, met een dienstanciënniteit van 5 jaar in de hogescholen op 30 september 2013, berekend overeenkomstig artikel 169, 1°, van het Hogescholendecreet, worden door de universiteit bij een gunstige evaluatie benoemd in het integratiekader.

Art. 121undecies.

Na de integratie geeft de universiteit de wijzigingen, vermeld in artikel 171undecies van het Hogescholendecreet, door aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming volgens de geldende afspraken of regelgeving.

De Vlaamse Regering maakt jaarlijks een aangepaste lijst van de personeelsleden in het integratiekader kenbaar die de situatie op 1 januari van dat jaar weergeeft.

Art. 121duodecies.

Het universiteitsbestuur kan met het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een overeenkomst sluiten over de betaling van de salarissen, in voorkomend geval met inbegrip van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage, de mandaatsvergoedingen, de premies en vergoedingen vermeld in artikel 141 en 157 van het Hogescholendecreet, de vergoedingen vermeld in artikel 14Ibis van het Hogescholendecreet, van de personeelsleden in het integratiekader.

In voorkomend geval verzorgt het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming de betalingen voor de personeelsleden in het integratiekader overeenkomstig de artikelen 143, 144, 145, 159, 160 en 161, van het Hogescholendecreet. De betaling gebeurt op basis van de gegevens verstrekt door het universiteitsbestuur en onder zijn verantwoordelijkheid.

De eerste overeenkomst heeft een minimale looptijd van 5 jaar.

Afdeling 2. - Rangschikking in het kader van het zelfstandig academisch personeel of van het administratief en technisch personeel

Art. 121ter decies.

§ 1. Het universiteitsbestuur kan de leden van het onderwijzend personeel van groep 3 in het integratiekader vanaf het begin van het academiejaar 2013-2014 rangschikken in een graad van het zelfstandig academisch personeel of van het administratief en technisch personeel in het universitaire kader. De universiteit stelt daartoe een reglement op voor 1 april 2013. Bij de onderhandelingen over dit reglement wordt de samenstelling van de personeelsafgevaardigden, zoals vastgelegd in artikel 121sexies, § 2, gerespecteerd.

In afwijking van artikel 88 en artikel 112 is voor een rangschikking in het universitaire kader van een personeelslid van groep 3 uit het integratiekader geen voorafgaande openbare vacature vereist.

§ 2. Bij de vaststelling van de voorwaarden en criteria, vermeld in artikel 86 en 87, houdt het universiteitsbestuur rekening met het profiel van het vakgebied van de overgenomen opleiding.

§ 3. De vast benoemde personeelsleden van groep 3 die, overeenkomstig paragraaf 1, gerangschikt worden in een van de graden van het zelfstandig academisch personeel, worden benoemd als lid van het zelfstandig academisch personeel.

Bij de tijdelijk aangestelde personeelsleden van groep 3 die, overeenkomstig paragraaf 1, gerangschikt worden in een van de graden van het zelfstandig academisch personeel, wordt de periode die het betrokken personeelslid in het integratiekader tewerkgesteld is vanaf 1 oktober 2013 meegerekend voor het berekenen van de periode van aanstelling in tijdelijk dienstverband met uitzicht op een vaste benoeming, vermeld in artikel 91 van het Universiteiten decreet.

De vast benoemde personeelsleden van groep 3 die, overeenkomstig paragraaf 1, gerangschikt worden in een van de graden van het administratief en technisch personeel aan de Universiteit Gent, de Universiteit Hasselt en de Universiteit Antwerpen, worden benoemd als lid van het administratief en technisch personeel.

§ 4. De personeelsleden die gerangschikt worden in een van de graden van het zelfstandig academisch personeel, verkrijgen in de salarisschaal die verbonden is aan hun graad, ten minste het jaarsalaris dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan het jaarsalaris aan 100 % dat ze genoten in hun vorige dienstverband.

De personeelsleden die gerangschikt worden in een van de graden van het administratief en technisch personeel, verkrijgen in de salarisschaal die verbonden is aan hun graad, ten minste het jaarsalaris dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan het jaarsalaris aan 100 % dat ze genoten in hun vorige dienstverband.

Art. 121quater decies.

§ l.Tijdelijke assistenten van het onderwijzend personeel van groep 2 in het integratiekader kunnen door het universiteitsbestuur bij de verlenging van hun mandaat gerangschikt worden in de graad van assistent in het universitaire kader.

Doctorassistenten van het onderwijzend personeel van groep 2 in het integratiekader kunnen bij de verlenging van hun mandaat gerangschikt worden in de graad van doctor-assistent in het universitaire kader.

§ 2. Voor de berekening van de maximale duur van een aanstelling als tijdelijk assistent of doctor-assistent in het universitaire kader, als vermeld in artikel 92, worden voor de personeelsleden vermeld in paragraaf 1, de gepresteerde jaren als assistent of doctor-assistent aan een hogeschool of in het integratiekader mee in rekening gebracht.

Een personeelslid dat aan een hogeschool of in het integratiekader het volledige mandaat voltooid heeft, kan niet aangesteld worden als tijdelijke assistent of doctor-assistent in het universitaire kader.

§ 3. Het universiteitsbestuur kan de werkleiders en vast benoemde assistenten van het onderwijzend personeel van groep 2 in het integratiekader vanaf het begin van het academiejaar 2013-2014 rangschikken in een graad van het administratief en technisch personeel in het universitaire kader. In afwijking van artikel 112 zijn in dat geval geen openbare vacature en vergelijkende selectieprocedure vereist.

De in het eerste lid vermelde personeelsleden die gerangschikt worden in een van de graden van het administratief en technisch personeel, verkrijgen in de salarisschaal die verbonden is aan hun graad, ten minste het jaarsalaris dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan het jaarsalaris aan 100 % dat ze in hun vorige dienstverband genoten.

De vast benoemde personeelsleden van groep 2 die, overeenkomstig het eerste lid, gerangschikt worden in een van de graden van het administratief en technisch personeel aan de Universiteit Gent, de Universiteit Hasselt en de Universiteit Antwerpen, worden benoemd als lid van het administratief en technisch personeel.

Art. 121quinquies decies.

[[§ 1.]]¹ Het universiteitsbestuur kan de leden van het administratief en technisch personeel in het integratiekader vanaf het begin van het academiejaar 2013-2014 rangschikken in een graad van het administratief en technisch personeel in het universitaire kader, alsook de leden van het administratief en technisch personeel, vermeld in artikel 171vicies quater van het Hogescholendecreet. In afwijking van artikel 112 zijn in dat geval geen openbare vacature en vergelijkende selectieprocedure vereist.

De vast benoemde leden van het administratief en technisch personeel die, overeenkomstig het eerste lid, gerangschikt worden in een van de graden van het administratief en technisch personeel aan de Universiteit Gent, de Universiteit Hasselt en de Universiteit Antwerpen, worden benoemd als lid van het administratief en technisch personeel.

De in het eerste lid vermelde personeelsleden die gerangschikt worden in een van de graden van het administratief en technisch personeel, verkrijgen in de salarisschaal die verbonden is aan hun graad ten minste het jaarsalaris dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan het jaarsalaris aan 100 % dat ze in hun vorig dienstverband genoten.

[[§ 2. Voorafgaand aan de integratieoperatie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten en tot op het einde van het academiejaar 2012-2013, kan het universiteitsbestuur een lid van het administratief en technisch personeel of van het contractueel personeel, voor zover deze laatste voldoet aan de voorwaarden van artikel 166, § 3, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en in dienst was op 1 oktober 2012, van een hogeschool die behoort tot de associatie van de desbetreffende universiteit, rangschikken in een graad van het administratief en technisch personeel in het universitaire kader zonder voorafgaande openbare vacature.

De bepalingen van het tweede en derde lid van paragraaf 1 van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op deze personeelsleden.]]¹

Art. 121sexies decies.

Een rangschikking in het universitaire kader van een personeelslid van het integratiekader of van een personeelslid opgenomen in de lijst vermeld in artikel 171vicies ter van het Hogescholendecreet vereist de instemming van het betrokken personeelslid.

De personeelsleden die gerangschikt worden in het universitaire kader, worden geschrapt van de lijst, vermeld in artikel 171decies van het Hogescholen decreet of van de lijst, vermeld in artikel 171vicies ter van het Hogescholendecreet. De rechtspositieregeling zoals vastgelegd in dit decreet is vanaf de rangschikking in het universitaire kader op deze personeelsleden van toepassing.

Afdeling 3. - Contractuele personeelsleden verbonden aan de academische hogeschoolopleidingen

Art. 121septies decies.

De arbeidsovereenkomst van de personeelsleden die op het ogenblik van de integratie verbonden zijn aan een academische opleiding die met ingang van het academiejaar 2013-2014 integreert in een universiteit of aan een onderzoeksproject gerelateerd aan een dergelijke opleiding, wordt met ingang van 1 oktober 2013 overgenomen door de desbetreffende universiteit.

Art. 121duodevicies.

Personeelsleden waarvan de universiteit de arbeidsovereenkomst overgenomen heeft en die overeenkomstig artikel 166 van het Hogescholendecreet voldeden aan de voorwaarden om binnen de hogeschool zonder nieuwe vacature overgeheveld te worden naar een betrekking van de personeelsformatie van het administratief en technisch personeel met behoud van hun verworven graad, salarisschaal en ancienniteit, worden binnen de universiteit geacht te voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in artikel 117 van dit decreet.]

Decr. 13-7-2012; [[ ]]¹ Decr. 21-12-2012; [[ ]]² Decr. van 19-7-2013

HOOFDSTUK VI. - [Medezeggenschap

Art. 122.

§ 1. De Universiteit Gent, de Universiteit Antwerpen en de Universiteit Hasselt organiseren, binnen een daartoe opgericht centraal onderhandelingscomité, onderhandelingen met afgevaardigden van het personeel. De bestaande overlegorganen worden daartoe omgevormd tot een centraal onderhandelingscomité.

§ 2. Het onderhandelingscomité bestaat uit een aantal gemandateerde vertegenwoordigers van het universiteitsbestuur en tenminste evenveel afgevaardigden van het personeel. Er zijn evenveel plaatsvervangers als effectieve afgevaardigden.

De afgevaardigden van het personeel worden aangeduid door de representatieve vakorganisaties. Het aantal effectieve afgevaardigden bedraagt ten hoogste drie per representatieve vakorganisatie. Personeelsleden met een mandaat in een beslissingsorgaan van de universiteit kunnen niet optreden als afgevaardigde van het personeel. Elke delegatie kan een beroep doen op technici.

[[In afwijking van het vorige lid bedraagt in het kader van de onderhandelingen vermeld in artikel 121sexies, § 2, het aantal effectieve afgevaardigden vier leden per representatieve vakorganisatie, waarbij twee leden afgevaardigden zijn van het personeel in het integratiekader.]]

Art. 123.

§ 1. In het centraal onderhandelingscomité wordt onderhandeld over de volgende aangelegenheden, voor zover deze betrekking hebben op de universiteit :

1° de administratieve rechtspositieregeling;

2° de geldelijke rechtspositieregeling;

3° de regeling van de collectieve arbeidsverhoudingen;

4° de organisatorische maatregelen met een rechtstreeks effect op de arbeidsorganisatie of de organisatie van het werk;

5° alle bevoegdheden die in particuliere bedrijven opgedragen zijn aan de comités voor preventie en bescherming op het werk.

§ 2. De onderhandelingen leiden tot een protocol van akkoord of tot een protocol waarin de standpunten van de respectieve afvaardigingen van de representatieve vakorganisaties worden weergegeven.

Art. 124.

Het universiteitsbestuur bezorgt het centraal onderhandelingscomité de volgende inlichtingen, verslagen en bescheiden van de universiteit :

1° algemene informatie over de werking en de organisatie;

2° het organogram van de universiteit, met de interne organisatiestructuur, de bestuursstructuur, de verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

3° de statuten;

4° de begroting;

5° de meerjarenbegroting;

6° de jaarrekening;

7° het jaarverslag;

8° een overzicht van de inkomsten van welke aard ook;

9° de personeelsformatie;

10° de evolutie van het aantal personeelsleden en de vooruitzichten met betrekking tot de tewerkstelling;

11° de evolutie van de studentenaantallen en van de slaagcijfers per opleiding;

12° de fysische inventaris van de onroerende goederen;

13° de programmatieplannen en de rationalisatieplannen met betrekking tot studiegebieden, opleidingen en opties;

14° de inlichtingen over het nascholingsbeleid, het projectmatig wetenschappelijk onderzoek en de maatschappelijke dienstverlening;

15° de sociale voorzieningen voor de studenten;

16° de prioriteiten inzake de uitrusting;

17° de accommodatiemogelijkheden;

18° de adviezen van de studentenraad en van andere raden in de universiteit.]

Decr. 8-5-2009; [[ ]] Decr. van 13-7-2012

[Art. 124bis.

Het centraal onderhandelingscomité neemt bij eenparigheid een werkingsreglement aan.]

Decr. van 8-5-2009

HOOFDSTUK VII. - Interuniversitaire samenwerking en samenwerking met instellingen van hoger onderwijs van het lange type

[...]

Decr. van 4-4-2003

HOOFDSTUK VIII. - Financiering en beheer van de universiteiten

Afdeling 1. - Financiering van de werking van de universiteiten

Art. 127 t.e.m. 130ter.

[...]

Decr. van 14-3-2008

[Art. 130quater.

§ 1. De universiteiten ontvangen met ingang van het begrotingsjaar 2007 gezamenlijk een bedrag van 2.402.227 euro voor de organisatie van de specifieke lerarenopleiding. Vanaf het begrotingsjaar 2008 ontvangen ze gezamenlijk een bedrag van [[4.494.431,96]]² euro.

§ 2. De gezamenlijke toelage wordt verdeeld pro rata van het aantal uitgereikte diploma's voor de academische initiële lerarenopleiding of volgens het aantal verworven credits.

1° Voor het begrotingsjaar 2007 gebeurt de verdeling pro rata de in het academiejaar 2004-2005 uitgereikte diploma's.

2° Vanaf het begrotingsjaar 2008 gebeurt de verdeling pro rata de in het voorlaatst afgelopen academiejaar verworven credits in de lerarenopleiding.

§ 3. Deze toelagen worden beschouwd als extra werkingsmiddelen. Zij worden maandelijks per twaalfden ter beschikking gesteld van elke universiteit aan het einde van de maand op die waarop het twaalfde betrekking heeft.

§ 4. [[De in paragraaf 1 vermelde bedragen worden met ingang van begrotingsjaar 2009 geindexeerd volgens de bepalingen in artikel 9, § 5, van het decreet betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen.]]¹ ]

Decr. 15-12-2006; [[ ]]¹ Decr. 21-12-2012; [[ ]]² Decr. van 20-12-2013

Art. 131 t.e.m. 136.

[...]

Decr. van 14-3-2008

Afdeling 2. - Financiering van de investeringen van de universiteiten

Art. 137.

Het universiteitsbestuur stelt voor een tijdvak van tenminste vijf jaar een investeringsplan vast. Dit investeringsplan omvat in elk geval het voorgenomen beleid ten aanzien van de investeringen van de universiteit in het betreffende tijdvak. Het wordt, waar nodig, jaarlijks bijgesteld. De financiële gevolgen ervan worden, per betrokken jaar, geraamd in de begroting bedoeld in afdeling 5 van dit hoofdstuk.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen omtrent het opmaken van dit investeringsplan.

[In afwijking van het voorgaande stellen het Limburgs Universitair Centrum en de transnationale Universiteit Limburg een globaal investeringsplan vast voor de universitaire campus Diepenbeek-Hasselt. In dit investeringsplan wordt op een duidelijke wijze onderscheid gemaakt tussen de investeringsuitgaven die respectievelijk zijn bedoeld voor één van de beide universitaire instellingen. Anderzijds moet dit investeringsplan een geïntegreerd geheel vormen met het oog op de financiële en de budgettaire controle. De investeringskredieten ten bate van het Limburgs Universitair Centrum en de investeringskredieten ten bate van de transnationale Universiteit Limburg worden als één bedrag vastgesteld en gestort aan het Limburgs Universitair Centrum.]

Decr. van 14-2-2003

Art. 138.

Binnen de perken en volgens de modaliteiten bepaald in dit decreet, draagt de Vlaamse Gemeenschap met jaarlijkse uitkeringen bij in de financiering van de investeringen van de universiteiten.

Art. 139.

Deze investeringen dragen uitsluitend bij tot dekking van de uitgaven die rechtstreeks de verwerving, de oprichting of uitbreiding, de verbouwing, de instandhouding en de grove herstellingen van onroerende goederen bestemd voor het onderwijs, het onderzoek, de wetenschappelijke dienstverlening en de administratie van de universiteit, met inbegrip van onroerende goederen door bestemming en zware wetenschappelijke apparatuur tot voorwerp hebben, en tot dekking van de financiële lasten voortspruitend uit leningen ten behoeve van de investeringsuitgaven.

[De universiteiten kunnen de investeringsuitgaven die rechtstreeks de instandhouding en de grove herstellingen van onroerende goederen bestemd voor sociale voorzieningen voor studenten tot voorwerp hebben, ten laste leggen van de jaarlijkse investeringsuitkeringen. Deze bedragen dienen in mindering gebracht te worden in afdeling II (Investeringen) en in meerdering in afdeling III (Sociale voorzieningen ten behoeve van de studenten) van het begrotingsschema, vastgelegd in artikel 154.]

Decr. van 27-1-1993

De universiteiten kunnen de investeringsuitgaven die nodig zijn voor de naleving van overeenkomsten die in het kader van de artikelen 29, 7° , en 125 met één of meerdere universiteiten worden afgesloten voor de gezamenlijke organisatie van onderwijs- en onderzoeksactiviteiten, ten laste leggen van de jaarlijkse investeringsuitkeringen.

Art. 140.

[§ 1. 1° Het basisbedrag van de investeringskredieten van de universiteiten, uitgedrukt in miljoen Belgische frank wordt voor het jaar 2001 vastgesteld als volgt :

1. Katholieke Universiteit Leuven :

367,1

2. Vrije Universiteit Brussel :

120,7

3. Universiteit Antwerpen

108,4

4. Limburgs Universitair Centrum :

23,6

5. Katholieke Universiteit Brussel :

5,6

6. Universiteit Gent :

255,8

2° Het basisbedrag van de investeringskredieten van de universiteiten, uitgedrukt in duizend euro wordt [[voor de jaren 2002, 2003, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014]]4 vastgesteld als volgt :

1. Katholieke Universiteit Leuven :

9.100

2. Vrije Universiteit Brussel :

2.992

3. Universiteit Antwerpen

2.687

4. Limburgs Universitair Centrum :

585

5. Katholieke Universiteit Brussel :

139

6. Universiteit Gent :

6.341

[[3° [[[Voor het begrotingsjaar 2004 bedraagt het basisbedrag van de investeringskredieten voor de Universiteiten, uitgedrukt in duizend euro :

a) Katholieke Universiteit Leuven : 7.249;

b) Vrije Universiteit Brussel : 2.383;

c) Universiteit Antwerpen : 2.141;

d) Limburgs Universitair Centrum : 466;

e) Katholieke Universiteit Brussel : 111;

f) Universiteit Gent : 5.051.

Deze basisbedragen (prijsniveau 2001) worden geïndexeerd zoals vermeld in § 2.]]]¹ ]]¹

[[4° Voor het begrotingsjaar 2005 bedraagt het basisbedrag van de investeringskredieten voor de Universiteiten, uitgedrukt in duizend euro :

1. Katholieke Universiteit Leuven : 8.510;

2. Vrije Universiteit Brussel : 2.798;

3. Universiteit Antwerpen : 2.513;

4. Limburgs Universitair Centrum : 547;

5. Katholieke Universiteit Brussel : 130;

6. Universiteit Gent : 5.930.

Deze basisbedragen (prijsniveau 2001) worden geïndexeerd zoals vermeld in § 2. ]]²

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt het basisbedrag voor 2001 geïndexeerd als volgt : het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met de gewogen evolutie van het jaarlijks gemiddelde van de index van de Associatie van Belgische Experten (ABEX-index) van de vijf voorlaatste kalenderjaren die voorafgaan aan het begrotingsjaar, uitgedrukt in percenten.

[[De indexformule, vermeld in het eerste lid, wordt [[[in de begrotingsjaren 2010 en 2011]]]² niet toegepast.]]³ ]

Decr. 7-12-2001; [[ ]]¹ Decr. 19-12-2003; [[ ]]² Decr. 24-12-2004; [[ ]]³ Decr. 18-12-2009; [[ ]]4 Decr. 20-12-2013; [[[ ]]]¹ Decr. 24-12-2004; [[[ ]]]² Decr. van 23-12-2010

[§ 3. Met ingang van het begrotingsjaar 2015 worden de investeringskredieten aangepast op basis van geactualiseerde parameters.]

Decr. van 13-7-2012

[Art. 140/1.

§ 1. Ten gevolge van de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten worden vanaf het begrotingsjaar 2015 volgende investeringsmachtigingen toegekend aan de universiteiten :

Begrotingsjaar

Investeringsmachtiging in euro (prijsniveau 2013)

2015

593.667

2016

1.187.334

2017

1.781.001

2018

2.374.668

2019

2.968.335

2020

3.562.002

2021

4.155.669

2022

4.749.337

2023

5.343.004

2024

5.936.671

§ 2. De verdeling en de toewijzing per universiteit van de investeringsmachtigingen, vermeld in paragraaf 1, gebeurt op basis van het aantal gewogen opgenomen studiepunten door studenten onder diplomacontract ingeschreven in een initiële academisch gerichte bacheloropleiding, een initiële masteropleiding, een schakelprogramma of een voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd zijn in de universiteiten.

Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten voor het begrotingsjaar worden het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2.

De opgenomen studiepunten worden per studiegebied of cluster van studiegebieden gewogen overeenkomstig de gewichten opgenomen in de volgende tabel :

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

1

Gezondheidszorg

1

Bewegings- en revalidatiewetenschappen

1

Industriële wetenschappen en technologie

2,5

Nautische wetenschappen

2,5

Architectuur

2,5

Architectuur - Industriële wetenschappen en technologie

2,5

Biotechniek

2,5

Audiovisuele en beeldende kunst

2,5

Muziek en podiumkunsten

2,5

Toegepaste taalkunde

2,5

Productontwikkeling

2,5

Het aantal gewogen opgenomen studiepunten per universiteit is gelijk aan de som van de producten van het aantal opgenomen studiepunten in ieder studiegebied of cluster van studiegebieden enerzijds en het overeenkomstige bepaalde puntengewicht.

§ 3. De basisbedragen (prijsniveau 2013), vermeld in paragraaf 1, worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig artikel 196, § 5, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.]

Decr. van 20-12-2013

[Afdeling 2bis. - Sociale voorzieningen voor studenten

[[...]] ]

Decr. 21-12-1994; [[ ]] Decr. van 21-12-2012

Afdeling 3. - Programmatie en rationalisatie van het academisch onderwijs

Art. 141 t.e.m. 143.

[...]

Decr. van 14-3-2008

Afdeling 4. - Beheer van de universitaire goederen

Art. 144.

Alle roerende en onroerende goederen verkregen door middel van de jaarlijkse uitkeringen of toelagen van de Staat of de Vlaamse Gemeenschap, worden eigendom van de universiteiten.

Art. 145.

Onverminderd de voorwaarden opgelegd door dit decreet, kunnen de universiteiten in functie van hun zending beschikken over alle roerende en onroerende goederen, die zij in eigendom of anderszins bezitten alsook over de opbrengsten ervan.

[De universiteiten zijn ertoe gemachtigd schenkingen onder levenden of bij testament te aanvaarden. Een schenking kan maar aanvaard worden na een uitdrukkelijke machtiging hiertoe door het universiteitsbestuur. Wanneer het gaat om een aanvaarding van schenkingen van onroerende goederen, of van roerende goederen die de waarde van 1 miljoen euro overschrijden of die met lasten zijn bezwaard, brengt het universiteitsbestuur de Vlaamse Regering hiervan op de hoogte.]

Decr. van 8-5-2009

Art. 146.

De universiteiten sluiten hun overeenkomsten voor aanneming van werken, leveringen en diensten af volgens de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.

Het vaststellen van de wijze van gunnen en het gunnen en uitvoeren van opdrachten van aanneming van werken, leveringen en diensten, gebeurt door het universiteitsbestuur.

Art. 147.

Elke universiteit richt uit haar midden een "Fonds voor onroerende universitaire investeringen" op, waarvan de inkomsten bestaan uit :

1° de jaarlijkse investeringsuitkeringen van de Vlaamse Gemeenschap bedoeld in artikel 138;

2° de opbrengst van de verkoop van onroerende goederen bestemd voor het onderwijs, het onderzoek en de administratie;

3° de vergoedingen voor het gebruik voor een andere bestemming binnen de universiteit van de onroerende goederen bestemd voor het onderwijs, het onderzoek en de administratie;

4° de vergoedingen voor de verhuur en exploitatie van lokalen of andere onroerende goederen bestemd voor het onderwijs, het onderzoek en de administratie;

5° de financiële opbrengsten van de beschikbare middelen van dit "Fonds";

6° de overschrijvingen van geldmiddelen van de jaarlijkse werkingsuitkeringen;

7° andere inkomsten die de universiteit aan dit "Fonds" toevoegt;

8° de inkomsten van de in artikel 192 bedoelde bijkomende investeringskredieten.

De middelen en inkomsten van het "Fonds voor onroerende universitaire investeringen" kunnen uitsluitend worden aangewend voor investeringsuitgaven zoals omschreven in artikel 139.

Art. 148.

Op verzoek van een universiteit kan de [Vlaamse Gemeenschap] in het arrondissement of de stad waar deze universiteit krachtens de artikelen 23 tot 29 diploma's voor academische opleidingen of voortgezette academische opleidingen kan uitreiken, overgaan tot de onteigening ten algemene nutte van de onroerende goederen vereist voor de verwezenlijking van de in artikel 139 omschreven verrichtingen of voor de inrichting van het universiteitsoord.

Decr. van 21-12-1994

Deze onteigeningen geschieden overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging inzake onteigening ten algemene nutte.

Het in artikel 23 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte bedoelde recht van wederafstand kan niet worden ingeroepen voor de in het onderhavig artikel bedoelde onteigeningen.

De ambtenaren van de Administratie van de BTW, de Registratie en de Domeinen zijn, op verzoek van de universiteiten, bevoegd om hetzij in der minne, hetzij bij wijze van onteigening ten algemene nutte, de in het eerste lid bedoelde verwervingen te verrichten.

In afwachting van de onteigeningen van de gronden, mag de Vlaamse Gemeenschap voor de duur van één jaar de door haar te bepalen gedeelten in huur en in gebruik nemen naarmate de behoeften zulks vereisen.

Vóór de werkelijke inbezitneming van de gedeelten worden de eigenaars en huurders ten minste vier werkdagen vooraf, bij een ter post aangetekende brief verzocht, aanwezig te zijn of zich te laten vertegenwoordigen bij het opmaken van een plaatsbeschrijving, op de vastgestelde dag en het vastgestelde uur.

Het gemeentebestuur van de plaats waar de goederen gelegen zijn, zal ook bij een ter post aangetekende brief verzocht worden, één van zijn leden af te vaardigen om het opmaken van de plaatsbeschrijving bij te wonen. De eigenaars, de huurders en het gemeentebestuur worden ervan ingelicht dat de plaatsbeschrijving zal worden opgemaakt of ze aanwezig zijn of niet.

Een exemplaar van de plaatsbeschrijving zal aan elk van de verschijnenden worden afgegeven. De betrokkenen die niet opgekomen zijn, zullen een exemplaar van de plaatsbeschrijving bij een ter post aangetekende zending ontvangen.

De inbezitneming van het gedeelte kan onmiddellijk na het opmaken van de plaatsbeschrijving gebeuren, niettegenstaande elk verzet dat aan de Vlaamse Gemeenschap zou betekend zijn.

De vergoedingen verschuldigd voor huur of voor schade zullen in der minne bepaald worden bij de vrederechter bevoegd voor de onteigeningsprocedure bij toepassing van de wet van 26 juli 1962.

Art. 149.

Onder inrichting van het universiteitsoord moet verstaan worden, de aanwending van onroerende goederen tot de volgende bestemmingen :

1° zetel van een instelling met een pedagogisch, wetenschappelijk, filosofisch, cultureel, religieus, medisch of sociaal doel;

2° verblijf voor studenten, onderzoekers en gasthoogleraren;

3° instellingen ter valorisatie van de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek.

Art. 150.

Elke universiteit dient bij de Vlaamse Regering een fysische inventaris in van al haar onroerende goederen met vermelding van hun oorsprong en bestemming.

De Vlaamse Regering bepaalt de vorm en de modaliteiten waarin deze fysische inventaris wordt opgesteld.

Deze inventaris wordt door de universiteit permanent bijgehouden. [...]

Elke universiteit deelt jaarlijks, samen met de begroting van de instelling, het resultaat van deze wijzigingen en aanpassingen mede aan de Vlaamse Regering.

Decr. van 19-7-2013

Art. 151.

[...]

Decr. van 9-7-2010

[Afdeling 4bis. - Deontologie en geschillencommissie

Art. 151bis.

De universiteiten en de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap stellen uiterlijk op 1 oktober 2000 gezamenlijk een deontologische code op betreffende het voeren van publiciteit. Zij richten uiterlijk op dezelfde datum gezamenlijk een geschillencommissie op. Zij bepalen bij gezamenlijk reglement de samenstelling en de werking van deze commissie, met inbegrip van het secretariaat en de duur van het mandaat van de leden. De Vlaamse regering bekrachtigt de deontologische code en het reglement inzake de geschillencommissie.

Art. 151ter.

Bij ontstentenis van een deontologische code en een geschillencommissie zoals bedoeld in artikel 151bis op de vastgestelde datum, stelt de Vlaamse regering een deontologische code op en richt zij een geschillencommissie op. De Vlaamse regering bepaalt de samenstelling en de werking van deze commissie, met inbegrip van het secretariaat en de duur van het mandaat van de leden.

Art. 151quater.

De geschillencommissie opgericht overeenkomstig artikel 151bis of 151ter behandelt op vraag van een hogeschool, een universiteit of de Vlaamse regering de inbreuken op de deontologische code en brengt desgevallend aanmaningen uit ten overstaan van de betrokken hogeschool of universiteit.

In geval een hogeschool of universiteit geen gevolg geeft aan de aanmaningen van de geschillencommissie, kan de Vlaamse regering, na de geschillencommissie en de hogeschool of universiteit gehoord te hebben, bepalen ten hoogste 5% van de werkingsuitkeringen van het lopende begrotingsjaar, zoals bedoeld in artikel 130, in te houden.]

Decr. van 18-5-1999

Afdeling 5. - Vaststelling van de begrotingen de personeelsformatie

Art. 152.

Ieder jaar vóór [1 oktober]² deelt de Vlaamse Regering aan elke universiteit mede welke uitkeringen voor [werkings-, sociale en investeringsuitgaven]¹ zij krachtens de afdelingen 1 en 2 van dit hoofdstuk kunnen verwachten voor het volgend begrotingsjaar en op welke wijze deze uitkeringen zijn berekend.

[Vóór 1 juli bezorgt de Vlaamse Regering aan elke universiteit een raming van de werkingsmiddelen, de sociale toelage en de investeringsmiddelen nodig voor het opmaken van de begroting, vermeld in artikel 153.]³

[ ]¹ Decr. 21-12-1994; [ ]² Decr. 8-7-1996; [ ]³ Decr. van 19-7-2013

Art. 153.

[ [[Het universiteitsbestuur bezorgt vóór 15 september aan de Vlaamse Regering een begroting opgemaakt volgens het schema van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie, in navolging van de verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap.]]

Onder de begroting wordt verstaan de jaarbegroting enerzijds en de meerjarenbegroting anderzijds.

[[Samen met de beleidsbegroting dient het universiteitsbestuur een meerjarenbegroting in voor de komende vijf begrotingsjaren. Die meerjarenbegroting houdt rekening met het beleid van de universiteit ten minste op de volgende gebieden :

1° algemeen financieel beleid;

2° personeelsbestand en personeelsbeleid;

3° onderwijsaanbod;

4° wetenschappelijk onderzoek, maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening en transfer van kennis;

5° investeringen;

6° kwaliteitszorg.]] ]

Decr. 4-4-2003; [[ ]] Decr. van 19-7-2013

Art. 154.

[De begroting houdt een raming in van alle inkomsten en uitgaven van de universiteit [[...]]¹.

[[De begroting is ingedeeld in acht afdelingen :

1° Afdeling I. Werking

2° Afdeling II. Onroerende investeringen

3° Afdeling III. Sociale voorzieningen voor studenten

4° Afdeling IV.1. Bijzondere onderzoeksfondsen

5° Afdeling IV.2. Andere onderzoeksfondsen

6° Afdeling V. Patrimonium

7° Afdeling VI. Voor orde

8° Afdeling VII. Bedrijfseconomische afdeling.]]²

Elke afdeling geeft aan :

A. Geraamde gecumuleerde saldo jaar t-1

B. Geraamde inkomsten

C. Geraamde uitgaven

D. Geraamde gecumuleerde saldo jaar t.

De Vlaamse regering bepaalt nadere regels voor de vormgeving van de begroting. Deze regels slaan op o.m. de omschrijving van de diverse inkomsten- en uitgavenrubrieken en de procedure van wijziging van de begroting. De begroting van het universitair ziekenhuis wordt als bijlage gevoegd bij de begroting van de universiteit zoals bedoeld in dit artikel.]

Decr. 21-12-1994; [[ ]]¹ Decr. 4-4-2003; [[ ]]² Decr. van 4-7-2008

[Op jaarbasis mogen de geraamde uitgaven de geraamde inkomsten niet overschrijden, onverminderd de mogelijkheid van het gebruik van de geraamde gecumuleerde saldi van het jaar t-1. Het gebruik van de geraamde gecumuleerde saldi van het jaar t-1 dient te worden verantwoord.]

Decr. van 4-4-2003

Art. 155.

[De werkings- en investeringsuitkeringen en de sociale toelage worden door de Vlaamse Regering definitief vastgesteld van zodra de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het desbetreffende begrotingsjaar is vastgelegd. De Vlaamse Regering deelt elke universiteit onmiddellijk na deze vaststelling mede welke bedragen aan de universiteit zullen worden uitgekeerd. Het universiteitsbestuur draagt zorg voor de wijziging van de begroting, overeenkomstig de nadere regels voor de vormgeving van de begroting en de procedure van wijziging die de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 154 bepaalt.]

Decr. van 8-5-2009

Art. 156.

[De jaarlijkse werkingsuitkeringen worden maandelijks per twaalfde ter beschikking gesteld van elke universiteit aan het einde van elke maand op die waarop het twaalfde betrekking heeft, met uitzondering van de maand december waarvoor de betaling gebeurt tegen uiterlijk 10 januari van het volgend jaar. De investeringsuitkeringen worden per kwartaal ter beschikking gesteld op het einde van het kwartaal.]

Decr. van 21-12-2012

Art. 157.

Indien de Vlaamse Regering de begroting niet kan goedkeuren omdat zij van oordeel is dat deze strijdig is met het bij of krachtens de wet of decreet bepaalde of het financieel evenwicht van de universiteit in gevaar brengt, doet zij hiervan binnen drie maanden na ontvangst mededeling aan de instelling onder opgave van haar bezwaren.

In dit geval verzoekt de Vlaamse Regering het universiteitsbestuur de nodige wijzigingen aan te brengen aan de begroting en haar deze binnen twee maanden na deze mededeling opnieuw voor te leggen.

Heeft de Vlaamse Regering nog bezwaren tegen de gewijzigde begroting, dan deelt zij dit binnen drie maanden aan het universiteitsbestuur mede op dezelfde wijze als voorgeschreven in het vorig lid. Zolang de Vlaamse Regering dan de begroting niet heeft goedgekeurd worden de maandelijkse uitkeringen herleid tot een twaalfde van de uitkeringen van het vorig begrotingsjaar.

Eenmaal de in het eerste en derde lid bepaalde termijnen verstreken zijn, wordt de begroting geacht te zijn goedgekeurd.

[Indien de begroting niet vóór 1 januari van het begrotingsjaar wordt goedgekeurd door de Vlaamse regering, is het universiteitsbestuur tot op het ogenblik van de goedkeuring, ertoe gehouden de hoogte van de uitgaven berekend over een hernieuwbare termijn van vier maanden te beperkten tot de hoogte van de overeenkomstige kredieten ingeschreven in de laatst goedgekeurde begroting, berekend over dezelfde periode.]

Decr. van 21-12-1994

Art. 158.

[ [[Het universiteitsbestuur bepaalt de globale formatie van het zelfstandig academisch personeel, het assisterend academisch personeel en van het administratief en technisch personeel dat ten laste van de werkingsuitkering wordt bezoldigd.]]² Tevens bepaalt het universiteitsbestuur hiervoor [[...]]¹ binnen de perken van de voor dit jaar toegekende werkingsuitkeringen de begrote bezettingsgraad.]

Decr. 14-7-1998; [[ ]]¹ Decr. 4-7-2008; [[ ]]² Decr. van 19-7-2013

De betrekkingen worden er uitgedrukt in eenheden die overeenstemmen met een voltijdse functie. De Vlaamse Regering kan hieromtrent nadere regels opstellen.

[Met ingang van 1 januari 1994 kunnen ten laste van ten hoogste 80 percent van de saldi van de werkingsuitkeringen van de vorige begrotingsjaren enkel wetenschappelijke, pedagogische, administratieve of technische medewerkers tijdelijk op contractuele basis worden aangesteld.

De aanstellingstermijn kan éénmaal verlengd worden, waarbij de totale aanstellingstermijn niet meer dan twee jaar mag bedragen.

De wetenschappelijke of pedagogische medewerkers genieten de salarisschalen van het assisterend academisch personeel. De administratieve of technische medewerkers genieten de salarisschalen van het administratief en technisch personeel.]

Decr. van 18-5-1999

Art. 159.

[...]

Decr. van 19-7-2013

Art. 160.

[Indien de volgens de artikelen 158 en 159 [[begrote bezettingsgraad]]¹ vermeerderd met de bezoldigingskosten van de gastprofessoren, met uitzondering van de gastprofessoren bezoldigd met daartoe bestemde giften of ten laste van overeenkomsten met derden die uitdrukkelijk in deze bezoldiging voorzien, en de plaatsvervangers, leidt tot uitgaven die in een bepaald begrotingsjaar meer dan 80 procent van de jaarlijkse werkingsuitkering opslorpen, is de universiteit ertoe gehouden om deze [[bepaling van de begrote bezetting]]¹ ten aanzien van de Vlaamse Regering te verantwoorden.

Indien volgens de artikelen 158 en 159 [[begrote bezettingsgraad]]¹ vermeerderd met de bezoldigingskosten van de gastprofessoren, met uitzondering van de gastprofessoren bezoldigd met daartoe bestemde giften of ten laste van overeenkomsten met derden die uitdrukkelijk in deze bezoldiging voorzien, en de plaatsvervangers, leidt tot uitgaven die in een bepaald begrotingsjaar meer dan 85 procent van de jaarlijkse werkingsuitkering opslorpen, is de universiteit ertoe gehouden samen met de begroting een financieringsplan in te dienen waarbij wordt aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn de financiële herstructurering van de universiteit met de beschikbare reserves zal worden gerealiseerd. Zolang de Vlaamse Regering dit financieringsplan niet heeft goedgekeurd, kan er in de universiteit niemand meer worden benoemd of aangesteld ten laste van de werkingsuitkeringen.

[[De Vlaamse regering bepaalt de wijze waarop de 80-85 procentnorm moet berekend worden.]]²

Decr. 27-1-1993; [[ ]]¹ Decr. 14-7-1998; [[ ]]² Decr. van 20-4-2001

Afdeling 6. - Boekhouding, jaarrekening en jaarverslag

Art. 161.

[De universiteiten voeren betreffende alle voorzieningen van de instelling een algemene boekhouding door middel van een stelsel van boeken en rekeningen gevoerd met inachtneming van de gebruikelijke regels van het dubbel boekhouden en een aangepaste analytische boekhouding. De boekhouding omvat alle verrichtingen, bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook. De boekhouding wordt voorgelegd aan een bedrijfsrevisor.]²

[De Vlaamse regering legt het boekhoudschema vast.]¹

[ ]¹ Decr. 19-3-2004; [ ]² Decr. van 4-4-2003

Art. 162 t.e.m. 164.

[...]

Decr. van 14-3-2008

Art. 165.

Indien een universiteit uitgaven heeft verricht die in strijd zijn met het bij of krachtens de wet of een decreet bepaalde, kan de Vlaamse Regering bepalen dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de toekomstige werkings- of investeringsuitkeringen. Zij doet hiervan binnen drie jaar na ontvangst van de jaarrekening mededeling aan het universiteitsbestuur.

[Indien een universiteit kennelijk nalaat een door de bevoegde overheid vastgestelde en via de regeringscommissaris meegedeelde onwettige handeling of toestand recht te zetten binnen een redelijke termijn, dan kan de Vlaamse regering bepalen dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de toekomstige werkings- of investeringskredieten of de toekomstige sociale toelage naar gelang het geval.

Indien een universiteit nalaat de gegevens bedoeld in artikel 134 binnen de voorgeschreven termijn te bezorgen of indien een universiteit nalaat de jaarrekening en het jaarverslag binnen de voorgeschreven termijn te bezorgen aan de Vlaamse regering, dan kan de Vlaamse regering bepalen dat maandelijks een bedrag van ten hoogste 5 % van de maandelijkse werkingsuitkering wordt ingehouden, zolang de nalatigheid voortduurt. [[De duur van de nalatigheid wordt berekend in maanden waarbij elke begonnen maand als een volledige maand wordt aangerekend.]] ]

Decr. 14-7-1998; Decr. van 20-4-2001

[De inhouding van een deel van de werkingsuitkering mag niet vertaald worden in een reductie van het personeelsbudget.]

Decr. van 20-4-2001

[Als de Vlaamse regering voornemens is om een bedrag van de werkingsuitkeringen in te houden, deelt zij dit mee aan het universiteitsbestuur, en verzoekt zij het universiteitsbestuur om een verantwoording. Het universiteitsbestuur antwoordt binnen dertig dagen.

Na het verstrijken van de termijn van dertig dagen neemt de Vlaamse regering binnen dertig dagen een gemotiveerde beslissing en deelt hem binnen een termijn van zeven werkdagen aan het universiteitsbestuur mee.]

Decr. van 20-4-2001

Art. 166.

Indien het universiteitsbestuur ten onrechte een student als een financierbare eenheid heeft aangemerkt of aan een financierbare eenheid een onjuist puntengewicht heeft toegekend, wijzigt de Vlaamse Regering het aantal onderwijsbelastingseenheden naar evenredigheid en brengt de daarop betrekking hebbende bedragen in mindering van de toekomstige werkings- en investeringsuitkeringen.

[Art. 166bis.

Inzake de wedden van het onderwijzend, het wetenschappelijk, het academisch personeel, het administratief en het technisch personeel van de universiteiten, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen, als gevolg van onjuiste weddevaststellingen door de bevoegde overheid of het universiteitsbestuur, definitief vervallen aan hen die ze ontvangen als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen [[een termijn van twee jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling]], behoudens wanneer de onverschuldigde bedragen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen. In deze gevallen geldt een verjaringstermijn van dertig jaar.]

Decr. 27-1-1993; [[ ]] Decr. van 4-7-2008

Afdeling 7. - Financiering van sommige andere instellingen van academisch onderwijs en onderzoek

Art. 167.

Onder de voorwaarden bepaald in een besluit van de Vlaamse Regering, wordt een jaarlijkse toelage toegekend aan het "Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek". Deze toelage vertegenwoordigt ten minste 4,55 procent van de som van de werkingsuitkeringen die de Vlaamse Gemeenschap in het betrokken begrotingsjaar aan de universiteiten verleent.

[Art. 167bis.

§ 1. Benevens de toelage als bedoeld in artikel 167 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, wordt aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen jaarlijks een subsidie-enveloppe toegekend voor het Odysseusinitiatief.

Het Odysseusinitiatief voorziet in een startfinanciering met als doel uitstekende Vlaamse onderzoekers die momenteel in het buitenland werken en gerenommeerde buitenlandse onderzoekers aan een Vlaamse universiteit te verbinden. Zij krijgen door deze startfinanciering de mogelijkheid om stapsgewijs via de gangbare financieringskanalen middelen te verwerven, zich in te schakelen in het onderzoeksbestel en bij te dragen aan de verdere uitbouw van het Vlaamse onderzoekspotentieel.

§ 2. Voor het begrotingsjaar 2006 bedraagt de subsidie-enveloppe 12 miljoen euro. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd conform de bepalingen van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 houdende subsidie aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. De Vlaamse Regering kan het bedrag verhogen binnen de beschikbare begrotingskredieten.

§ 3. 80 % van de besteedbare middelen wordt door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen over de universiteiten verdeeld op basis van het gemiddelde van de sleutel gehanteerd voor de verdeling van de middelen bestemd voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen. Het gemiddelde wordt berekend over vijf jaar, voorafgaand aan het begrotingsjaar waarop het Odysseusinitiatief betrekking heeft.

De resterende 20 % vormt de eigen beleidsruimte waarover het Fonds in het kader van dit initiatief beschikt.

§ 4. Universiteitsbesturen kunnen beslissen om de aan hen toekomende middelen in een bepaald begrotingsjaar geheel of gedeeltelijk over te dragen naar het volgende jaar en op die manier trekkingsrechten op te bouwen.

Universiteiten die over onvoldoende trekkingsrechten beschikken in een bepaald begrotingsjaar, kunnen met eigen middelen voorfinancieren, zolang dit beperkt blijft tot het bedrag dat zij in het kader van het Odysseusinitiatief zullen ontvangen.

§ 5. Voor de selectie van de kandidaten legt elk universiteitsbestuur een procedure vast. Deze procedure kan een onderscheid maken tussen internationaal toonaangevende onderzoekers en onderzoekers met het potentieel om door te groeien tot internationaal toonaangevende status.

§ 6. Bij de voordracht van een kandidaat bevestigt het betrokken universiteitsbestuur dat het een kaderplaats voor zelfstandig academisch personeel, respectievelijk een postdoctoraal mandaat met een looptijd van vijf jaar ter beschikking heeft, evenals de nodige infrastructuur. Daarenboven dient het universiteitsbestuur aan te geven hoe het onderzoeksplan van de betrokken kandidaat ingeschakeld kan worden in het onderzoeksbeleid van de universiteit.

Indien een voordracht uitgaat van twee of meer universiteitsbesturen, wordt een gezamenlijk voorstel geformuleerd.

§ 7. Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen onderzoekt door middel van commissies van deskundigen :

1° of de door de universiteiten voorgestelde onderzoekers aan de gestelde eisen van excellentie voldoen;

2° of het onderzoeksplan van de voorgestelde onderzoekers van hoge kwaliteit is;

3° of het onderzoeksplan uitvoerbaar is met de hiervoor aangevraagde middelen.

Een commissie van deskundigen bestaat uit leden die niet verbonden zijn aan een Belgische universiteit en die een algemene internationale erkenning genieten.

§ 8. Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen beslist over de toekenning van de financiering. Indien de aanvragende universiteit over de nodige middelen beschikt, kan het Fonds een voorstel slechts afwijzen als de betreffende commissie oordeelt dat de kandidaat niet voldoet.

§ 9. De geselecteerde onderzoeker ontvangt gedurende vijf jaar startfinanciering. Hij of zij kan de middelen besteden aan werking, personeel en uitrusting, doch niet aan de eigen salariskosten.

Voor internationaal toonaangevende onderzoekers geldt een bedrag van minimaal 400.000 euro en maximaal 1.500.000 euro per jaar, ofwel tussen 2.000.000 en 7.500.000 euro voor de volledige vijf jaar. Voor onderzoekers met het potentieel om door te groeien tot internationaal toonaangevende status geldt een bedrag van minimaal 100.000 euro en maximaal 200.000 euro, ofwel tussen 500.000 en 1.000.000 euro voor de volledige vijf jaar.

De middelen toegekend in het kader van het Odysseusinitiatief aan een onderzoeker kunnen over een niet-verlengbare periode van acht jaar besteed worden.

§ 10. De universiteitsbesturen leggen een procedure vast voor de tussentijdse beoordeling van de uitvoering van het onderzoeksplan, in het bijzonder met het oog op het nemen van een beslissing over de aanpassing ervan, met inbegrip van de spreiding van de financiering in de tijd.

§ 11. De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van dit artikel.

In een addendum op de beheersovereenkomst met het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen worden ten minste bepalingen vastgelegd op het vlak van :

1° de voorafname van het Fonds voor centrale beheerskosten en algemene exploitatiekosten;

2° de aanrekenbaarheid, door de onthaalinstellingen, van overheadkosten;

3° de wijze van bekendmaking van de beoordelingsverslagen, opgemaakt door de commissie van deskundigen in hoofde van de onderzoekers waaraan middelen in het kader van het Odysseusinitiatief worden toegekend;

4° de rapportering, door de universiteitsbesturen, over de uitvoering van de onderzoeksplannen en de spreiding in de tijd van de financiering die aan onderzoekers wordt toegekend;

5° de rapporteringsplicht van het Fonds aan de hand van statistische parameters;

6° de evaluatie van het Odysseusinitiatief en de uitvoering ervan.]

Decr. van 22-12-2006

Art. 168.

[...]

Decr. van 21-12-2012

Art. 169.

Onder de voorwaarden bepaald in een besluit van de Vlaamse Regering draagt de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks bij in de financiering van :

1° [...]³

2° [...]¹;

3° de bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek geassocieerde onderzoeksfondsen;

4° [...]²

[ ]¹ Decr. 27-1-1993; [ ]² Decr. 20-4-2001; [ ]³ Decr. van 4-7-2008

[Art. 169bis.

[[...]] ]

Decr. 21-12-1994; [[ ]] Decr. van 22-12-1999

[§ 2. Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering zal de Vlaamse Gemeenschap universitaire steunpunten subsidiëren. Deze steunpunten bieden wetenschappelijke ondersteuning aan de overheid en aan de onderwijsinstellingen op het gebied van thema's door de Vlaamse regering vastgelegd. De ondersteuning moet zowel onderzoek als vorming en materiaalontwikkeling behelzen.

§ 3. Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering draagt de Vlaamse Gemeenschap bij in het dekken van de kosten van projecten van internationale samenwerking op het vlak van het universitair onderwijs.

§ 4. Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering draagt de Vlaamse Gemeenschap bij in het dekken van de kosten van projecten van innovatie van het hoger onderwijs.]

Decr. van 18-5-1999

[Art. 169bis.1.

[[...]] ]

Decr. 22-12-2006; [[ ]] Decr. van 21-12-2012

[Afdeling 8. - Vermogensrechten op vindingen aan universiteiten

Art. 169ter.

§ 1. De vermogensrechten op vindingen die, in het kader van hun onderzoekstaken, gedaan worden door [[bezoldigde personeelsleden]], komen uitsluitend toe aan de universiteit. In dezelfde lijn verkrijgt de universiteit eveneens de vermogensrechten op vindingen gedaan door [[vrijwillige onderzoekers]] die aan de universiteit onderzoek verrichten voor zover deze overdracht van rechten in een schriftelijke overeenkomst met deze personen wordt bevestigd.

Onder vindingen wordt verstaan potentieel octrooieerbare uitvindingen, kweekprodukten, tekeningen en modellen, topografieën van halfgeleiderprodukten, computerprogramma's en databanken die, met het oog op een industriële of landbouwkundige toepassing voor commerciële doeleinden aanwendbaar zijn.

[[Onder bezoldigd personeelslid wordt verstaan :

a) een lid van het academisch personeel,

b) een bursaal werkzaam binnen de universiteit of een door de universiteit bezoldigde wetenschappelijke medewerker of

c) een beleidsondersteunend of technisch personeelslid van de universiteit.

In de gevallen bedoeld onder b) en c) wordt geen rekening gehouden met aanwezigheid of afwezigheid van enige supervisie op het onderzoek, de aard van de tewerkstelling of de herkomst van de bezoldiging.

Onder vrijwillige onderzoeker wordt verstaan een persoon die van de universiteit geen vergoeding ontvangt, dan wel een vergoeding die overeenkomstig de wetgeving op de sociale zekerheid geen aanleiding geeft tot enige bijdrageplicht.]]

§ 2. De onderzoeker heeft de plicht om zijn vinding voor elke andere vorm van bekendmaking aan te melden aan de binnen de universiteit bevoegde dienst.

Met het oog op de bescherming van haar rechten kan de universiteit op een redelijke wijze en gedurende een termijn van maximum 12 maanden, de vrijheid van openbaarmaking van de onderzoeker beperken.

§ 3. De universiteit heeft het uitsluitend recht tot exploitatie van de vinding. Bij die exploitatie ziet de universiteit er op toe dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid tot gebruik van de onderliggende onderzoeksresultaten voor doeleinden van academisch onderwijs en onderzoek. Bij de exploitatie neemt zij tevens de mogelijke aantrekking van activiteiten naar de universiteit of haar regio in overweging.

De onderzoeker heeft het recht om geïnformeerd te worden over de stappen die de universiteit onderneemt met betrekking tot de juridische bescherming en exploitatie van zijn vinding.

De onderzoeker heeft het recht op een bij een intern reglement vastgesteld of overeengekomen billijk aandeel in de geldelijke opbrengsten die de universiteit verwerft uit de exploitatie van de vinding.

§ 4. De universiteit kan haar rechten op vindingen op een algemene of individuele basis overdragen aan de onderzoeker doch zij behoudt steeds een onvervreemdbaar, niet-exclusief en kosteloos recht tot gebruik ervan voor [[onderwijskundige of]] wetenschappelijke doeleinden. De universiteit kan eveneens een aandeel bedingen in de opbrengsten die de onderzoeker uit de exploitatie van die rechten verwerft.

Onverminderd het bepaalde in § 5, beschikt de onderzoeker over de mogelijkheid om de rechten op zijn vinding op te eisen indien de universiteit, zonder geldige reden, nalaat de vinding binnen een redelijke termijn en uiterlijk binnen de drie jaar na de datum van aanmelding bedoeld in § 2 te exploiteren.

§ 5. Indien voor het verwerven van een bescherming van de vinding, formaliteiten moeten vervuld worden of termijnen moeten nageleefd worden en de universiteit nalaat daartoe de nodige stappen te zetten binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de aanmelding, komen, behoudens andersluidende afspraken tussen de onderzoeker en de universiteit, de rechten op de vinding, met inbegrip van de exploitatierechten, toe aan de onderzoeker, onverminderd het in § 4 omschreven wetenschappelijk gebruiks- en vergoedingsrecht van de universiteit.

Indien de universiteit tijdig de vereiste formaliteiten vervult, streeft zij nadien een geografische bescherming en exploitatie van de vinding na. In voorkomend geval, deelt zij uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van het Unionistisch recht van voorrang (Verdrag van Parijs) schriftelijk aan de onderzoeker mee voor welke landen bescherming wordt gevraagd. In de overblijvende landen verkrijgt de onderzoeker onmiddellijk het recht om zelf bescherming aan te vragen alsook om, overeenkomstig de gemaakte afspraken tussen de universiteit en de onderzoeker, de vinding te exploiteren.

§ 6. Het universiteitsbestuur stelt een intern reglement vast waarin de concrete modaliteiten voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel nader worden uitgewerkt. Het universiteitsbestuur houdt hierbij rekening met de bij of krachtens de wet, het decreet of de Europese regelgeving vastgestelde voorwaarden met betrekking tot de eigendom en exploitatie van intellectuele eigendomsrechten.

§ 7. Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid dat de universiteit onderzoeksovereenkomsten en dienstverleningscontracten met derden sluit overeenkomstig het decreet van 22 februari 1995 betreffende de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen en betreffende de relaties van de universiteiten en hogescholen met andere rechtspersonen.

[[§ 7bis. De in dit artikel omschreven rechten en plichten van de universiteit kunnen op algemene of individuele basis worden toegekend aan :

1° op grond van het algemeen onderzoeks- en samenwerkingsreglement van de associatie

a) de associatie, of

b) een dienst zonder rechtspersoonlijkheid onder het gezag van de associatie, of

c) een dienst met rechtspersoonlijkheid onder het toezicht van de associatie.

2° op grond van een beslissing van het universiteitsbestuur

a) een dienst zonder rechtspersoonlijkheid onder het gezag van de universiteit, of

b) een dienst met rechtspersoonlijkheid onder het toezicht van de universiteit.]]

§ 8. De Vlaamse regering kan het toepassingsgebied van dit artikel uitbreiden tot andere instellingen voor wetenschappelijk onderzoek.]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. van 19-3-2004

[Afdeling 9. - Bijzondere Universitaire Instituten

Art. 169quater.

§ 1. [[In dit artikel wordt onder "postinitieel onderwijs" verstaan : de opleidingen die leiden tot een graad van master en waarvoor de inschrijving primair openstaat voor personen die reeds in het bezit zijn van een graad van master. Personen die niet in het bezit zijn van een graad van master kunnen toegelaten worden na een intakegesprek waarin de instelling peilt naar de motivatie en de wetenschappelijke affiniteit van de student en naar de aard van de beroepservaring.]]³

§ 2. [[De Vlaamse Gemeenschap erkent de oprichting door de Confederale Universiteit Antwerpen (de Initiërende Universiteit) van het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en -beheer (IOB), de oprichting door de Vrije Universiteit Brussel (de Initiërende Universiteit) van het Instituut voor Europese Studies (IES) en de oprichting, door de Confederale Universiteit Antwerpen (de Initiërende Universiteit) van het Instituut voor Joodse Studies (IJoS).]]²

[[Deze instituten beschikken]]¹ geen eigen rechtspersoonlijkheid. De Initiërende Universiteit bepaalt bij reglement de functionele autonomie waarover [[deze instituten beschikken]]¹, alsmede zijn bestuurs- en beheersstructuur.

§ 3. De opdracht van [[het IOB]]¹ is het organiseren en verschaffen van postinitieel onderwijs, verrichten van wetenschappelijk onderzoek en verstrekken van wetenschappelijke dienstverlening op het gebied van de economische, politieke en sociale aspecten van het ontwikkelingsbeleid en -beheer.

[[De opdracht van het IES is het organiseren en verschaffen van postinitieel onderwijs, het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het verstrekken van wetenschappelijke dienstverlening op het gebied van Europese studies, onder meer door gebruik te maken van virtuele onderwijsplatformen.]]¹

[[ De opdracht van het IJoS is het uitbouwen van een interdisciplinair en internationaal ingebed studiecentrum met als voorwerp de studie van het jodendom in de breedste betekenis van de term en vanuit een veelheid aan benaderingen.]]²

§ 4. [[Het onderwijs, bedoeld in § 1, dat de Initiërende Universiteit binnen het instituut verstrekt, kan door het instellingsbestuur worden bekrachtigd met een graad van master of een getuigschrift na het succesvol voltooien van de betrokken opleiding.

De opleidingen kunnen in de daartoe geëigende taal worden verstrekt.]]³

§ 5. De Initiërende Universiteit ziet toe op de kwaliteitsbewaking van het onderzoek en onderwijs van het instituut [[...]]³.

§ 6. De Vlaamse Gemeenschap subsidieert jaarlijks de Initiërende Universiteit specifiek ter uitvoering van de opdracht zoals bepaald in § 3 van dit artikel onder de volgende voorwaarden :

1° De Initiërende Universiteit sluit een beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar met de Vlaamse regering betreffende de werking van het instituut, zoals bepaald in § 2 van dit artikel, waarin ten minste de volgende elementen voorkomen en worden afgesproken :

- het engagement van de Initiërende Universiteit dat de bij toepassing van dit artikel toegekende subsidie integraal wordt aangewend ter uitvoering van de opdrachten van het erkende instituut;

- een beleidsplan voor de looptijd van de beheersovereenkomst;

- de kwantiteit en de kwaliteit van de te leveren prestaties binnen de in § 3 van dit artikel erkende opdracht, in relatie tot de hoogte van de subsidie;

- het instroomniveau en de wijze van selectie van de studenten;

- het uitvoeren van een externe audit en de wijze waarop de instelling omgaat met de uitkomsten van de audit;

- de mate en de inhoud van samenwerking met binnenlandse en buitenlandse instellingen voor academisch of postinitieel onderwijs en met internationale instellingen.

2° De Initiërende Universiteit legt jaarlijks een afzonderlijke begroting, jaarrekening en jaarverslag specifiek met betrekking tot de werking van het instituut, zoals bepaald in § 2 van dit artikel, ter goedkeuring voor aan de Vlaamse regering. In de beheersovereenkomst worden nadere richtlijnen omtrent de vormgeving ervan opgenomen.

§ 7. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan [[de Confederale Universiteit Antwerpen]]¹ in het kader van de opdracht, zoals bepaald in § 3 van dit artikel, wordt voor het begrotingsjaar 2001 vastgesteld op [[52,8]]¹ miljoen frank voor het IOB. [[Deze basissubsidie wordt vermeerderd voor de jaren 2001 met [[[5,4 miljoen Belgische frank]]]¹. Vanaf [[[2002, 2003, 2004, 2005 en 2006]]]² wordt de basissubsidie vermeerderd met de volgende bedragen, in duizend euro :

[[[2002

2003

2004

2005

2006

270

394

518

518

518]]]² ]]¹

[[Vanaf 2007 bedraagt de basissubisidie 1.827 duizend euro.]]³

[[De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Vrije Universiteit Brussel in het kader van de opdracht zoals bepaald in § 3 van dit artikel wordt voor het IES [[[in 2001 vastgelegd op 25,2 miljoen Belgische frank]]]¹. Voor de jaren [[[2002, 2003, 2004, 2005 en 2006]]]² bedraagt deze subsidie uitgedrukt in duizend euro :

[[[2002

2003

2004

2005

2006

997

1.245

1.369

1.369

1.369]]]² ]]¹

[[Vanaf 2007 bedraagt de subsidie 1.369 duizend euro.]]³ [[ [[[Vanaf 2008]]]³ bedraagt de subsidie 1.824 duizend euro.]]4

[[De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Confederale Universiteit Antwerpen in het kader van de opdracht zoals bepaald in § 3 van dit artikel wordt voor het IJoS vanaf het begrotingsjaar 2002 vastgelegd op 149.000 euro.]]²

[[De subsidies]]¹ worden in gelijke maandelijkse termijnen uitbetaald.

[[De bedragen]]¹ worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks aangepast aan de stijging van de prijzen overeenkomstig het indexeringsmechanisme bepaald in [[ artikel 9, § 5, van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering en de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen ]]5.

De Vlaamse regering kan de hoogte van [[de subsidies]]¹ herzien afhankelijk van de mate waarin de in de beheersovereenkomst afgesproken doelstellingen al dan niet worden gehaald.

De Vlaamse regering kan een deel van de maandelijkse termijnen inhouden en desgevallend terugvorderen indien de Vlaamse regering vaststelt dat de Initiërende Universiteit de beheersovereenkomst niet naleeft.

[[Voor [[[de begrotingsjaren 2012 en 2013]]]4 worden de bedragen, binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel 9, § 5, tweede lid, van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen.]]5

§ 8. [[Elke Initiërende Universiteit bedoeld in § 2 kan leden van haar academisch, administratief of technisch personeel belasten met een gedeeltelijke of volledige opdracht aan het bijzonder universitair instituut dat zij heeft opgericht en dat bij dit artikel werd erkend. Deze personeelsleden blijven zoals voorheen deel uitmaken van de Initiërende Universiteit en worden in aanmerking genomen voor de vaststelling van de bezettingsgraad.]]²

§ 9. Bij wijze van overgangsmaatregel wordt het op 31 december 2000 nog niet aan het College voor de Ontwikkelingslanden uitgekeerde bedrag van de toelage van het begrotingsjaar 2000, beschikbaar gesteld van de Universiteit Antwerpen ten bate van het IOB. Het wordt toegevoegd aan de inkomsten 2001.

§ 10. Bij wijze van delging van de opstartkosten wordt in het begrotingsjaar 2001 aan de Initiërende Universiteit een éénmalige subsidie van 8 miljoen frank ter uitvoering van de opdracht, zoals bepaald in § 3 van dit artikel, toegekend.]

Decr. 20-4-2001; [[ ]]¹ Decr. 7-12-2001; [[ ]]² Decr. 14-2-2003; [[ ]]³ Decr. 4-4-2003; [[ ]]4 Decr. 21-11-2008; [[ ]]5 Decr. 1-6-2012; [[[ ]]]¹ Decr. 14-2-2003; [[[ ]]]² Decr. 4-4-2003; [[[ ]]]³ Decr. 18-12-2009; [[[ ]]]4 Decr. van 21-12-2012

[§ 11. De basissubsidie die de Vlaamse Gemeenschap beschikbaar stelt van het bijzonder universitair instituut worden voor de toepassing van de artikelen 158 tot en met 160 van dit decreet beschouwd als werkingsuitkering.

De loonkosten voor in § 8 bedoelde personeelsleden worden vooraf genomen van de basissubsidie. Elk bijzonder universitair instituut kan het saldo aanwenden voor het dekken van werkingskosten en voor de aanwerving van personeelsleden buiten de personeelsformatie van de Initiërende Universiteit onder marktconforme voorwaarden, maar alleen in het kader van overeenkomsten van bepaalde duur van ten hoogste zes jaar.]

Decr. van 14-2-2003

HOOFDSTUK IX. - Toezicht op de universiteiten

Art. 170.

[De Vlaamse regering benoemt een commissaris van de Vlaamse regering bij iedere universiteit. Eénzelfde commissaris kan bij meerdere universiteiten worden aangesteld.]

Decr. van 8-7-1996

Art. 171.

De commissarissen van de Vlaamse Regering worden benoemd onder de houders van een diploma van de tweede cyclus van een academische opleiding die ten minste vijf jaar nuttige ervaring hebben. Hun statuut wordt door de Vlaamse Regering vastgesteld.

Het ambt van commissaris is onverenigbaar met elk ambt in de universiteit waarbij het ambt wordt uitgeoefend.

De bezoldiging van gewoon hoogleraar is op hen van toepassing. Hun dienstjaren als commissaris worden gelijkgesteld met academische dienstjaren.

Art. 172.

[...]

Decr. van 14-3-2008

[Art. 172bis.

De commissarissen van de Vlaamse regering mogen geen andere beroepsactiviteiten of andere bezoldigde activiteiten uitoefenen dan met toestemming van de minister.

Art. 172ter.

[[Binnen het door de Vlaamse Regering beschikbaar gestelde budget kunnen de commissarissen van de Vlaamse Regering voor de uitoefening van hun functie een beroep doen op personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid zoals bedoeld in artikelen I.1. en I.2., 1°, van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, van de Vlaamse openbare instellingen of van het onderwijs.

De personeelsleden van de Vlaamse openbare instellingen en van het onderwijs worden in deze hoedanigheid belast met een opdracht. Deze opdracht wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit, overeenkomstig de statutaire bepalingen op hen van toepassing. Deze personeelsleden worden door de Vlaamse Regering aangesteld. Tijdens de duur van de opdracht wordt aan het betrokken personeelslid bij zijn instelling van herkomst vrijstelling van dienst verleend.]] ]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. van 8-5-2009

Art. 173.

[§ 1. De commissaris van de Vlaamse regering waakt erover dat het universiteitsbestuur geen enkele beslissing neemt die strijdig is met het bij of krachtens de wet of decreet bepaalde of die het financieel evenwicht van de instelling in gevaar brengt. De commissaris van de Vlaamse regering kan evenwel niet oordelen over de opportuniteit van beleidsbeslissingen van het universiteitsbestuur.

§ 2. De Vlaamse regering bepaalt de lijst van de controletaken van de commissarissen.]

Decr. van 7-12-2001

Art. 174.

De commissaris van de Vlaamse Regering woont alle vergaderingen bij van de in artikel 2, a), bedoelde universiteitsbesturen waarop punten worden behandeld waarvoor zij bevoegd zijn. Hij heeft er raadgevende stem.

Art. 175.

Behoudens de gevallen van dringende noodzakelijkheid die hij aanvaardt, ontvangt de commissaris van de Vlaamse Regering vijf vrije dagen voor de vergadering de volledige agenda van de vergadering alsmede alle stukken.

[Binnen de bevoegdheid, vastgelegd in artikel 173, heeft hij steeds het recht om door het universiteitsbestuur gehoord te worden over alle punten en geeft hij aan het universiteitsbestuur alle opmerkingen die hij noodzakelijk acht in het kader van zijn opdracht.]

Hij heeft tevens het recht tot inzage van de dossiers die voor deze punten voorgelegd worden aan de beraadslaging en beslissing van het universiteitsbestuur. Hij ontvangt daarenboven binnen de vijf dagen een afschrift van al de beslissingen genomen door het universiteitsbestuur over de punten die zijn bevoegdheid betreffen.

[...]

Decr. van 7-12-2001

Art. 176.

[...]

Decr. van 7-12-2001

Art. 177.

Tegen elke beslissing van het universiteitsbestuur die hij respectievelijk strijdig acht met het bij of krachtens de wet of decreet bepaalde of het financieel evenwicht van de universiteit in gevaar brengt, dient de commissaris van de Vlaamse Regering beroep in bij de Vlaamse Regering.

Dit beroep wordt met redenen omkleed. [De commissarissen oefenen dit beroep uit binnen zeven kalenderdagen. Deze termijn begint te lopen na de dag van ontvangst van de beslissing door de commissaris.]

Van dit beroep wordt binnen dezelfde termijn kennis gegeven aan het universiteitsbestuur. De uitvoering van de beslissing wordt door het beroep geschorst.

Decr. van 19-7-2013

Art. 178.

Indien daartoe aanleiding bestaat, stelt de Vlaamse Regering, binnen de dertig dagen na het beroep, het universiteitsbestuur in kennis dat zijn beslissing strijdig is met het bij of krachtens de wet of decreet bepaalde of het financieel evenwicht van de instelling in gevaar brengt.

De Vlaamse Regering verzoekt het universiteitsbestuur in dezelfde mededeling binnen dertig dagen een nieuwe beslissing te treffen die niet onwettelijk of onregelmatig is, ofwel de beslissing in te trekken.

Art. 179.

Indien bij het verstrijken van deze termijn, geen enkele nieuwe beslissing werd genomen, spreekt de Vlaamse Regering binnen twintig dagen de vernietiging uit van de beslissing indien deze genomen werd door het universiteitsbestuur van de universiteiten vermeld onder artikel 3, 2°, 4°, a) en c), en 5°.

Indien het gaat om een universiteit vermeld onder artikel 3, 1°, 3°, 4°, b), en 6°, kan de Vlaamse Regering binnen twintig dagen de toekenning van het geheel of een gedeelte van de jaarlijkse uitkeringen voor werkings- en investeringsuitgaven aan de betrokken universiteit schorsen.

De door de Vlaamse Regering genomen maatregel is met redenen omkleed en wordt binnen een termijn van zeven vrije werkdagen ter kennis gebracht van het bestuur van de betrokken universiteit.

Het eventueel beroep bij de rechtbank ingesteld door de betrokken universiteit vermeld onder artikel 3, 1°, 3° , 4°, b), en 6°, tegen de getroffen maatregel, schorst de uitvoering van deze maatregel tot aan de definitieve uitspraak van het gerecht.

De gewraakte beslissing heeft enkel uitwerking indien, binnen dertig dagen na het beroep, de Vlaamse Regering geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 178 bepaalde prerogatieven.

Art. 180.

De Vlaamse Regering benoemt onder de inspecteurs van Financiën geaccrediteerd bij de Vlaamse Gemeenschap een afgevaardigde van financiën bij iedere universiteit. Eén zelfde afgevaardigde kan bij meerdere universiteiten aangesteld worden. De afgevaardigde van financiën oefent in samenwerking met de commissaris van de Vlaamse Regering dezelfde functies uit als deze laatste voor alle handelingen die een budgettaire of financiële weerslag hebben en dit onder dezelfde voorwaarden en dezelfde modaliteiten.

HOOFDSTUK X. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 181.

Binnen het jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit decreet beslist het universiteitsbestuur, op grond van door hem voorafgaandelijk vast te leggen criteria, over de al dan niet rangschikking van elk lid van het vast benoemd wetenschappelijk personeel in één van de graden van artikel 64. Bij deze rangschikking herbepaalt het universiteitsbestuur het benoemingsbesluit en de opdracht van het betrokken personeelslid. [Wanneer het universiteitsbestuur bij de rangschikkingsoperatie aan het aldus gerangschikte personeelslid geen graad toekent, verkrijgt het personeelslid ambtshalve de graad van docent.]

Decr. van 18-5-1999

De betrokkenen die aldus gerangschikt worden in één der graden van hoofddocent, hoogleraar, gewoon hoogleraar of buitengewoon hoogleraar, verkrijgen in de weddeschaal van hun nieuw ambt de jaarwedde die gelijk is aan deze die zij in hun vroeger ambt genoten. Wanneer in de weddeschaal van hun nieuw ambt geen weddetrap voorhanden is, gelijk aan de jaarwedde die zij in hun vroeger ambt genoten, verkrijgen zij in de weddeschaal van hun nieuw ambt de jaarwedde onmiddellijk boven deze die zij in hun vroeger ambt genoten. Voor de toepassing van deze bepaling wordt tevens rekening gehouden met de jaarwedde die de betrokkenen eventueel genoten als deeltijds lid van het onderwijzend personeel in dezelfde universiteit. [Indien echter de betrokkenen die gerangschikt worden in de graad van hoofddocent niet kunnen ingeschaald worden in de weddeschaal van hun nieuw ambt, omdat de jaarwedde die zij in hun vroeger ambt genoten met inbegrip van de wedde die zij eventueel genoten als deeltijds lid van het onderwijzend personeel in dezelfde universiteit, [[hoger is dan de hoogste salaristrap van de salarisschaal van hoofddocent vastgesteld krachtens artikel 96 behouden zij,]] de aan hun vroegere graad verbonden wedde, met inbegrip van de jaarwedde die zij eventueel genoten als deeltijds lid van het onderwijzend personeel in dezelfde universiteit vastgesteld overeenkomstig de voor de inwerkingtreding van dit decreet op hen toepasselijke regels.]

Decr. 27-1-1993; [[ ]] Decr. van 14-7-1998

[De betrokkenen die aldus gerangschikt worden in de graad van docent, behouden in afwijking van het krachtens artikel 96 van dit decreet vastgestelde salaris het aan hun vroegere graad verbonden salaris, met inbegrip van het jaarsalaris dat zij eventueel genoten als deeltijds lid van het onderwijzend personeel in dezelfde universiteit vastgesteld overeenkomstig de voor de inwerkingtreding van dit decreet op hen toepasselijke regels.]

Decr. van 18-5-1999

In afwijking van het bepaalde in het eerste en derde lid van dit artikel, kan het universiteitsbestuur beslissen dat vastbenoemde assistenten, eerstaanwezend assistenten of bibliothecarissen die nog niet beantwoorden aan de vóór de inwerkingtreding van dit decreet toepasselijke voorwaarden om te worden benoemd in de graad van werkleider, repetitor of conservator, na de in het eerste lid van dit artikel gestelde termijn worden gerangschikt in de graad van docent op het ogenblik dat zij aan de vermelde voorwaarden beantwoorden. Bij zodanige rangschikking verkrijgen zij in de weddeschaal van docent de jaarwedde die gelijk is aan deze die zij in hun vroeger ambt genoten. Wanneer in de weddeschaal van hun nieuw ambt geen weddetrap voorhanden is, gelijk aan de jaarwedde die zij in hun vroeger ambt genoten, verkrijgen zij in de weddeschaal van hun nieuw ambt de jaarwedde onmiddellijk boven deze die zij in hun vroeger ambt genoten. Zij behouden daarnaast desgevallend de jaarwedde die zij genoten als deeltijds lid van het onderwijzend personeel in dezelfde universiteit.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel kunnen de universiteiten die in het kader van de artikelen 190 tot en met 192 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen tot een sanerings- of herstructureringsplan hebben besloten, de leden van het vast benoemd wetenschappelijk personeel die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben, niet klasseren in één van de graden van het zelfstandig academisch personeel.

De leden van het vast benoemd wetenschappelijk personeel die het universiteitsbestuur niet rangschikt in één van de graden van het zelfstandig academisch personeel, behouden hun graad en de daaraan verbonden wedde tot hun uitdiensttreding, onverminderd hun eventuele overheveling naar het administratief en technisch personeel. De Vlaamse Regering bepaalt de weddeschalen van deze personeelsleden en van dezen die bij toepassing van het bepaalde in het vierde lid, de aan hun vroegere graad verbonden weddeschaal behouden. [Tot op de datum van de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse regering bedoeld in artikel 63, blijft op hen de op 30 september 1991 van kracht zijnde regeling inzake administratieve standen, tuchtregeling en ambtsbeëindiging van toepassing. Zij zijn onderworpen aan de evaluatieprocedure bedoeld in artikel 106bis.]¹ [In geval van overheveling naar het administratief en technisch personeel kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid rangschikken in een van de graden van het administratief en technisch personeel en inschalen in een overeenkomstige salarisschaal. Het universiteitsbestuur stelt de inschalingsanciënniteit vast. indien er geen overeenkomstige salarisschaal voorhanden is, blijft het betrokken personeelslid ingeschaald in zijn schaal als lid van het vast benoemd wetenschappelijk personeel. Bij bevordering als lid van het administratief en technisch personeel kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid alsnog inschalen in de dan overeenkomstige salarisschaal.]²

[ ]¹ Decr.18-5-1999; [ ]² Decr. van 20-4-2001

Voor de toepassing van artikel 159, 1° , en voor de toepassing van artikel 63, tweede lid, worden de leden van het vast benoemd wetenschappelijk personeel die niet of nog niet werden gerangschikt in één van de graden van het zelfstandig academisch personeel gerangschikt bij het zelfstandig academisch personeel.

[ [[...]]

De leden van het vastbenoemd wetenschappelijk personeel die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet in dezelfde instelling benoemd of aangesteld waren als deeltijds hoogleraar en die krachtens het bepaalde in het eerste lid van dit artikel gerangschikt werden in een graad van docent of hoofddocent, mogen op persoonlijke titel verder de titel hoogleraar voeren.]¹ [De leden van het vast benoemd wetenschappelijk personeel die niet werden gerangschikt in één van de graden van het zelfstandig academisch personeel zijn onderworpen aan dezelfde voorschriften inzake de uitoefening van nevenactiviteiten als het academisch personeel.

(voetnoot 2)

] ²

[ ]¹ Decr. 27-1-1993; [ ]² Decr. 14-7-1998; [[ ]] Arr. nr. 31/94, van 31-3-1994

[De beslissingen tot benoeming of aanstelling in de graad van hoofddocent, hoogleraar, gewoon hoogleraar en buitengewoon hoogleraar die in de periode tussen 1 oktober 1991 en 30 september 1994 werden genomen in uitvoering van de op dat ogenblik geldende bepalingen van artikel 87 van dit decreet, en waarbij de duur van de benoeming of aanstelling als lid van het onderwijzend personeel voor 1 oktober 1991 werd meegerekend voor de betrokken benoemingen of aanstellingen, worden als regelmatig aangezien.]

Decr. van 14-7-1998

[De weddeschalen van de personeelsleden die bij toepassing van het bepaalde in de derde alinea de aan hun vroegere graad of opdracht verbonden wedde behouden, volgen de algemene evolutie van de salarisschalen vastgesteld bij of krachtens hoofdstuk IV.]

Decr. van 8-7-1996

[Art. 181bis.

§ 1. [[Het universiteitsbestuur kan éénmalig op 01 oktober 2000 onderzoekers in vast dienstverband van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) rangschikken in één van de graden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteit. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 88 en 90 doet het universiteitsbestuur daartoe aan de betrokkenen een benoemingsvoorstel met vermelding van de graad waarin de betrokkene kan gerangschikt worden en de opdracht van de betrokkene.]]

§ 2. De betrokkenen die aldus gerangschikt worden in een van de graden van het zelfstandig academisch personeel, verkrijgen in de salarisschaal verbonden aan hun graad het salaris dat onmiddellijk hoger is dan het salaris dat zij genoten in hun vorig dienstverband à 100%. Voor de toepassing van deze bepalingen wordt rekening gehouden met het salaris dat betrokkenen genoten in hoofde van hun benoeming in een deeltijds dienstverband met een opdracht van uitsluitend onderwijsactiviteiten.

§ 3. De onderzoekers van het FWO die tevens benoemd waren als lid van het zelfstandig academisch personeel in een deeltijds dienstverband en wier dienstverband ingevolge de toepassing van § 1 voltijds werd in een hogere graad, worden ingeschaald in de salarisschaal van hun nieuwe graad op de salaristrap onmiddellijk hoger dan de salaristrap à 100% in hun oude salarisschaal van het zelfstandig academisch personeel.]

Decr. 18-5-1999; [[ ]] Decr. van 22-12-1999

[§ 4. De onderzoekers van het FWO die tevens benoemd waren als lid van het zelfstandig academisch personeel in een deeltijds dienstverband behouden de datum van ranginneming, verbonden aan hun benoeming als lid van het zelfstandig academisch personeel, dan wel de datum die gehanteerd werd voor de vaststelling van het gedeelte van het salaris dat overeenkomstig artikel 97 ten laste kwam van de universiteit. De bepaling omtrent de verminderde anciënniteitsopbouw in de salarisschaal, bedoeld in het laatste lid van artikel 97, is hier niet van toepassing.

§ 5. Indien de toepassing van de bepalingen in § 2 en § 3 inzake de vaststelling van het salaris leidt tot een netto jaarsalaris, inbegrepen het jaarlijkse vakantiegeld en de eindejaarstoelage, dat lager is dan het netto jaarsalaris dat de betrokkene genoot vóór de rangschikking, wordt de betrokkene ingeschaald op de daaropvolgende salaristrap.

Indien in de betreffende salarisschaal geen hogere salaristrap meer voorhanden is, kent het universiteitsbestuur aan de betrokkene een salariscomplement toe waarvan het bedrag zodanig is dat het het verschil tussen het netto jaarsalaris, met inbegrip van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage, na de rangschikking en het netto jaarsalaris dat de betrokkene genoot vóór de rangschikking, compenseert.]

Decr. van 20-4-2001

Art. 182.

De personen die bij de inwerkingtreding van dit decreet lid zijn van het tijdelijk wetenschappelijk personeel, worden vanaf het eerste academiejaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit decreet gelijkgesteld met het assisterend academisch personeel in dit decreet.

[De geassocieerde docenten en de geassocieerde hoogleraren worden bij de inwerkingtreding van dit decreet gelijkgesteld met respectievelijk de hoofddocenten en de hoogleraren in dit decreet. De docenten, de hoogleraren en de buitengewoon hoogleraren worden bij de inwerkingtreding van dit decreet gelijkgesteld met respectievelijk de hoofddocenten, de hoogleraren en de buitengewoon hoogleraren in dit decreet, behoudens wanneer zij aan dezelfde universiteit tevens een ambt uitoefenen als vastbenoemd lid van het wetenschappelijk personeel, in welk geval over hun rangschikking in het zelfstandig academisch personeel wordt beslist overeenkomstig het bepaalde in artikel 181 van dit decreet. De gewoon hoogleraren worden bij de inwerkingtreding van dit decreet gelijkgesteld met de gewoon hoogleraren in dit decreet.]

Decr. van 15-12-1993

[De beslissingen van het universiteitsbestuur houdende benoeming of aanstelling van de leden van het onderwijzend personeel of van het vastbenoemd wetenschappelijk personeel die overeenkomstig de voorheen geldende bepalingen werden getroffen en waarvan de administratieve procedure werd aangevat vóór 1 oktober 1991, doch die ingaan in het academiejaar 1991-1992, zijn rechtsgeldig, op voorwaarde dat de uiteindelijke beslissingen door het universiteitsbestuur genomen werden vóór 1 oktober 1992. Voor de aldus benoemde of aangestelde personeelsleden gelden de bepalingen van artikel 181 en van het tweede lid van dit artikel. De rangschikking of een latere benoeming of aanstelling in een graad van het zelfstandig academisch personeel van de leden van het onderwijzend personeel, die overeenkomstig de voorheen geldende bepalingen werden aangesteld of benoemd, worden geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van het eerste lid van artikel 83. De leden van het onderwijzend of wetenschappelijk personeel die op het moment van hun benoeming in het bezit waren van een diploma van doctor op proefschrift zonder de formele erkenning van de gelijkwaardigheid ervan met een Belgisch diploma van doctor, worden geacht te voldoen aan de diplomavoorwaarden zoals die waren voorgeschreven in de wet van 28 april 1953 of in het koninklijk besluit van 31 oktober 1953.]

Decr. van 18-5-1999

Tot bij de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering bedoeld in artikel 63, tweede lid, blijft het koninklijk besluit van 31 oktober 1953 tot vaststelling van het statuut van de geaggregeerden, de repetitors en het wetenschappelijk personeel bij de Rijksuniversiteiten van toepassing op de leden van het personeel die door de bepalingen van dit decreet voortaan het assisterend academisch personeel worden genoemd voor wat betreft de lichamelijke geschiktheden en het geneeskundig toezicht, de tuchtregeling, de administratieve toestanden en de mandaatsbeëindiging.

[De rechtspositionele bepalingen in verband met het personeel vervat in de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat blijven van kracht tot de datum van inwerkingtreding van de hoofdstukken IV en V.

Tot op de datum waarop de leden van het vastbenoemd wetenschappelijk personeel tevens belast met een onderwijsopdracht als deeltijds lid van het onderwijzend personeel, worden gerangschikt in het zelfstandig academisch personeel overeenkomstig het bepaalde in artikel 181, [[eerste tot en met vierde lid]], blijven voor deze groep de bepalingen en de bezoldigingsregeling van kracht vervat in de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat.]

Decr. 8-7-1996; [[ ]] Decr. van 19-3-2004

[De leden van het vast benoemd wetenschappelijk personeel die niet gerangschikt worden in één van de graden van het zelfstandig academisch personeel, noch in één van de graden van het administratief en technisch personeel, blijven onderworpen aan de bezoldigingsregeling die op hen op 30 september 1991 van toepassing was, behoudens de bij of krachtens dit decreet vastgestelde andersluidende voorschriften.]

Decr. van 20-4-2001

[Art. 182bis.

De Vlaamse Regering bepaalt het administratief en geldelijk statuut van de personen die tot het wetenschappelijk personeel van de universiteiten behoorden of behoren. [De Vlaamse regering bepaalt de salarisschalen van het onderwijzend personeel van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap voor de periode van 1 september 1989 tot 30 september 1991.]

Decr. van 8-7-1996

De bepalingen welke ter uitvoering van het eerste lid worden vastgesteld, kunnen, zonder dat aan verkregen rechten wordt geraakt, terugwerken tot de datum die de Vlaamse Regering bepaalt.]

Decr. van 9-4-1992

[Het principe van de onmiddellijk hogere jaarwedde vervat in het artikel 41 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat, geldt ook voor de vaststelling van de hoogte van het salaris als lid van het onderwijzend personeel in geval van benoeming van een lid van het wetenschappelijk personeel tot lid van het onderwijzend personeel met een deeltijds dienstverband in combinatie met een deeltijdse opdracht als lid van het wetenschappelijk personeel.

Hetzelfde principe van de onmiddellijk hogere jaarwedde geldt ook voor de vaststelling van de hoogte van het salaris bij benoeming van een geassocieerd docent tot docent en bij benoeming van een geassocieerd hoogleraar tot hoogleraar.]

Decr. van 18-5-1999

[Art. 182ter.

§ 1. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de taallectoren die op 1 oktober 1991 aangesteld of benoemd waren krachtens het bepaalde in het koninklijk besluit van 31 oktober 1953 tot vaststelling van het statuut van geaggregeerden, de repetitors en het wetenschappelijk personeel bij de rijksuniversiteiten, ingeschaald in de salarisschaal van de graad van eerstaanwezend assistent tot de beëindiging van het derde mandaat van twee jaar.

Voor de toepassing van artikel 159, 1° , en voor de toepassing van artikel 63, tweede lid van dit decreet worden zij gerangschikt bij het assisterend academisch personeel.

§ 2. [[De leden van het academisch personeel van de Katholieke Universiteit Leuven en van de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen]] die voor 1 januari 1972 werden aangesteld tot lector, behouden per 1 oktober 1991 deze titel en de bezoldigingsregeling eraan verbonden.

[[De Vlaamse regering stelt de salarisschalen van de in de eerste alinea bedoelde personeelsleden vast rekening houdend met de algemene evolutie van de salarisschalen vastgesteld bij of krachtens hoofdstuk IV.]]

Voor de toepassing van artikel 159, 1° , en voor de toepassing van artikel 63, tweede lid, van dit decreet worden zij gerangschikt bij het zelfstandig academisch personeel.]

Decr. 27-1-1993; [[ ]] Decr. van 8-7-1996

[Art.182quater.

De benoemingen en aanstellingen vanaf 1 oktober 1991 tot en met 30 september 1994 in één van de graden van artikel 64, tweede lid, van personeelsleden die gelijktijdig aangesteld worden als onderzoeker bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, het Vlaams Instituut voor de Bevordering van het Wetenschappelijk-Technologisch Onderzoek in de Industrie en het Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek in de Nijverheid en Landbouw worden als regelmatig beschouwd.]

Decr. van 18-5-1999

Art. 183.

Binnen het academiejaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit decreet bepaalt het universiteitsbestuur na advies van de in artikel 71, tweede lid bedoelde organen en nadat het betrokken personeelslid werd gehoord door het adviesgevend orgaan, het vakgebied of de vakgebieden en de opdrachten van alle leden van het zelfstandig academisch personeel die vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet zijn benoemd.

Art. 184.

[Voor de toepassing van artikel 83 wordt de graad van geaggregeerde voor het hoger onderwijs, uitgereikt vóór 1 januari 1995, gelijkgesteld met de graad van doctor op proefschrift.

Het bepaalde in artikel 132, 1° , tweede lid, is op hen van toepassing.]

Decr. van 27-1-1993

[Art. 184bis.

De studenten die tijdens het academiejaar 1993-1994 en 1994-1995 in het vierde jaar van de tweede cyclus van de opleiding in de geneeskunde de afstudeerrichting "huisartsgeneeskunde" met succes hebben gevolgd worden bij wijze van overgangsmaatregel geacht te voldoen aan de voorschriften van dit decreet. Zij kunnen ten vroegste vanaf, respectievelijk het academiejaar 1995-1996 en 1996-1997 het diploma van huisarts behalen.]

Decr. van 5-4-1995

[De studenten die voor het acedemiejaar 1993-1994 hun geneeskundige opleiding met succes hebben voltooid en die bovendien de opleidingsonderdelen van het zwaartepunt Huisartsgeneeskunde met succes hebben afgerond vóór 1 oktober 1995, worden onder de voorwaarden bepaald door het universiteitsbestuur toegelaten tot het tweede jaar van de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde.]

Decr. van 8-7-1996

[Art. 184ter.

De laatstejaarstudenten van het studiegebied geneeskunde die in het academiejaar 1994-1995 hun huisartsenopleiding begonnen zijn, genieten, nadat het ICHO heeft vastgesteld dat er geen stageplaats voorhanden is, ingevolge overmacht volgende afwijking bij wijze van overgangsbepaling:

1° de studenten van het academiejaar 1994-1995 die bij het behalen van hun einddiploma arts wegens overmacht zoals vastgesteld door het ICHO geen HlBO-plaats vonden voor het volgende academiejaar, mogen een eigen beroepspraktijk opstarten onder begeleiding van een erkend stagemeester, waardoor zij aan de vereisten tot het behalen van de academische graad van huisarts voldoen;

2° deze studenten zijn vrijgesteld van de 6 maand verplichte stage bij een erkend stagemeester in een 1/1 verband.]

Decr. van 5-4-1995

Art. 185.

Het derde lid van artikel 92 geldt niet voor de leden van het tijdelijk wetenschappelijk personeel die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet in dienst zijn van een universiteit.

Art. 186.

De termijn van zes jaar bedoeld in artikel 105, tweede lid begint slechts te lopen vanaf de inwerkingtreding van dit decreet.

[Art. 186bis.

§ 1. In afwijking van de op het ogenblik van de beslissing van het universiteitsbestuur toepasselijke regelgeving voor de vaste benoeming van een lid van het wetenschappelijk personeel in de rijksuniversiteiten, worden de leden van het wetenschappelijk personeel die voor 1 januari 1986 vast benoemd werden tot lid van het wetenschappelijk personeel van een universiteit vermeld onder artikel 3, geacht regelmatig te zijn benoemd vanaf de datum van de inwerkingtreding van de beslissing van het universiteitsbestuur in één of meer van de hiernavolgende omstandigheden :

1° benoeming voor [[1 januari 1983]]³, rechtstreeks in rang B of in rang C wegens uitzonderlijke omstandigheden zoals bedoeld in artikel 15bis en 18bis van het koninklijk besluit van 31 oktober 1953 tot vaststelling van het statuut van de geaggregeerden, de repetitors en het wetenschappelijk personeel bij de rijksuniversiteiten, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 21 april 1965, evenwel zonder dat het universiteitsbestuur in zijn beslissing terzake deze afwijking uitdrukkelijk vermeldde en motiveerde;

2° benoeming na de geslaagde verdediging in het openbaar van een doctoraatsproefschrift doch vóór de formele toekenning van het doctorsdiploma na de, overeenkomstig de bepalingen van het faculteitsreglement, vereiste publikatie van of met betrekking tot het proefschrift, voorzover het diploma nadien effectief werd toegekend;

3° benoeming op basis van in de tak der wetenschap waarop het ambt betrekking heeft bewezen wetenschappelijk werk dat gelijkwaardig werd geacht met een doctoraatsproefschrift, na advies van een commissie die het wetenschappelijk werk op zijn equivalentie met een doctoraatsproefschrift heeft beoordeeld, zonder dat het universiteitsbestuur evenwel in zijn beslissing terzake hiervan uitdrukkelijk melding maakte;

4° rechtstreekse benoeming tot lid van het wetenschappelijk personeel, zonder bevestiging in rang A.

De bedoelde personeelsleden vallen vanaf dat ogenblik ten laste van de werkingsuitkering.

[[Het toepassingsgebied van het bepaalde onder 1, 4° wordt uitgebreid tot de leden van het wetenschappelijk personeel die voor 1 oktober 1991 of vast benoemd werden tot lid van het wetenschappelijk personeel in de Universiteit Gent of in het Universitair Centrum Antwerpen of rechtstreeks vastbenoemd werden tot lid van het wetenschappelijk personeel na openbare vacature in een universiteit van de Vlaamse Gemeenschap.]]¹

§ 2. In afwijking van de op het ogenblik van de beslissing van het universiteitsbestuur toepasselijke regelgeving voor de vaste benoeming van een lid van het wetenschappelijk personeel in de rijksuniversiteiten, worden de leden van het wetenschappelijk personeel die voor 1 oktober 1982 vastbenoemd werden tot lid van het wetenschappelijk personeel van een universiteit vermeld onder artikel 3, met afwijking van de voorwaarden inzake wetenschappelijke anciënniteit wegens uitzonderlijk geachte omstandigheden, bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 31 oktober 1953 tot vaststelling van het statuut van de geaggregeerden, de repetitors en het wetenschappelijk personeel bij de rijksuniversiteiten, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 21 april 1965 en opgeheven door het koninklijk besluit nr. 83 van 31 juli 1982, geacht regelmatig te zijn benoemd geworden vanaf de datum waarop zij aan de voorwaarden inzake wetenschappelijke anciënniteit, zoals vermeld in artikel 11 van het hierboven vermelde koninklijk besluit, voldeden.

De bedoelde personeelsleden vallen vanaf de datum van de inwerkingtreding van de beslissing van het universiteitsbestuur houdende hun vaste benoeming tot lid van het wetenschappelijk personeel ten laste van de werkingsuitkering.

§ 3. In afwijking van de op het ogenblik van de beslissing van het universiteitsbestuur toepasselijke regelgeving voor de vaste benoeming van een lid van het wetenschappelijk personeel in de rijksuniversiteiten, worden de leden van het wetenschapppelijk personeel die voor 1 januari 1986 vastbenoemd werden tot lid van het wetenschappelijk personeel van een universiteit vermeld onder artikel 3, en wier benoeming gebeurde op basis van de in 1, 3° , bedoelde equivalentie met een doctoraatsproefschrift, zij het zonder uitdrukkelijke vermelding hiervan in de beslissing ter zake van het universiteitsbestuur en zonder advies van een equivalentiecommissie, wanneer nadien evenwel een doctoraatsdiploma na verdediging in het openbaar van een proefschrift werd behaald of wanneer nadien een beslissing tot equivalentie met een doctoraatsproefschrift werd getroffen na advies van een equivalentiecommissie, geacht regelmatig te zijn benoemd vanaf de eerste van de maand volgend op de datum waarop zij een doctoraatsdiploma na verdediging in het openbaar van een proefschrift behaalden of volgend op de datum waarop een beslissing tot equivalentie met een doctoraatsproefschrift werd getroffen na advies van een equivalentiecommissie.

De bedoelde personeelsleden vallen vanaf de datum van de inwerkingtreding van de beslissing van het universiteitsbestuur houdende hun vaste benoeming tot lid van het wetenschappelijk personeel ten laste van de werkingsuitkering.

§ 4. [[De leden van het vast benoemd wetenschappelijk personeel, anders dan die bedoeld in de paragrafen 1 tot 3 van dit artikel, die vóór 1 januari 1986 werden benoemd of bevorderd als lid van het wetenschappelijk personeel van een universiteit vermeld onder artikel 3 van het decreet, met miskenning van de voorschriften inzake wetenschappelijke anciënniteit of vereisten inzake diploma of vacantverklaring, voorwaarden voor toekenning van een salarisschaal of van meerdere van deze voorschriften, vereisten of voorwaarden en voor zover de regeringscommissaris de benoeming indertijd niet heeft aangevochten, behouden hun salarisschaal die zij genoten op 30 september 1991, onverminderd de mogelijkheid van een eventuele overheveling naar het administratief en technisch personeel overeenkomstig het bepaalde in artikel 181, zesde lid, van dit decreet.]]²

De bedoelde personeelsleden vallen vanaf de datum van de inwerkingtreding van de beslissing van het universiteitsbestuur houdende hun aanstelling voor onbepaalde duur ten laste van de werkingsuitkering. Voor de toepassing van artikel 159, 1° , en van artikel 63, tweede lid van dit decreet worden zij gerangschikt bij het assisterend academisch personeel.]

Decr. 27-1-1993; [[ ]]¹ Decr. 8-7-1996; [[ ]]² Decr. 14-7-1998; [[ ]]³ Decr. van 18-5-1999

[§ 5. In afwijking van de op dat ogenblik toepasselijke regelgeving inzake de berekening van de geldelijke en wetenschappelijke ancienniteit van de leden van het wetenschappelijk personeel, worden de prestaties geleverd door de leden van het wetenschappelijk personeel in deeltijds dienstverband voor de inwerkingtreding van de wet van 21 juni 1985 betreffende het onderwijs, pro rata meegerekend voor het bepalen van de geldelijke en wetenschappelijke anciënniteit.

§ 6. In afwijking van de toen toepasselijke regelgeving inzake de rechtspositie van het wetenschappelijk personeel van de universiteiten en inzake de formatie van het onderwijzend en wetenschappelijk personeel van de universiteiten, wordt de rechtmatigheid van de vaste benoeming van een lid van het wetenschappelijk personeel in deeltijds dienstverband per 30 november 1984 bij koninklijk besluit van 18 oktober 1988 bekrachtigd. Voor de periode van 30 november 1984 tot 30 november 1988 wordt aan de betrokkene een terbeschikkingstelling toegestaan voor het vervullen van een wetenschappelijke opdracht aan een andere universiteit. Deze periode wordt meegerekend bij de vaststelling van de wetenschappelijke en geldelijke anciënniteit.]

Decr. van 8-7-1996

[§ 7. De periodes van onderbreking van de ambtsvervulling die het universiteitsbestuur heeft toegestaan aan doctor-assistenten in de academiejaren 1993-1994 en 1994-1995 waarvan de duur de krachtens het decreet voorgeschreven duur overschreden, zijn rechtmatig.]

Decr. van 14-7-1998

[§ 8. In afwijking van de op het ogenblik van de beslissing van het universiteitsbestuur toepasselijke regelgeving worden de leden van het vastbenoemd wetenschappelijk personeel, die voldoen aan de diplomavereisten om te worden benoemd in een graad van het onderwijzend personeel en in het bezit zijn van een diploma van geaggregeerde van het Hoger Onderwijs, geacht regelmatig te zijn benoemd vanaf de datum van benoeming als lid van het wetenschappelijk personeel.]

Decr. van 18-5-1999

[§ 9. Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet georganiseerde rechtsbescherming worden alle beslissingen die het universiteitsbestuur vóór 1 januari 2000 heeft genomen inzake benoemingen, aanstellingen en bevorderingen, de uitoefening van nevenactiviteiten en vaststellingen van de hoogte van het salaris en van de anciënniteit van de leden van het academisch personeel, dan wel administratief en technisch personeel, geacht rechtmatig te zijn.]

Decr. van 20-4-2001

[Art. 186ter.

In de gevallen dat op het einde van de rangschikkingsoperatie bedoeld in artikel 181, eerste alinea, blijkt dat de 64 % norm bedoeld in artikel 159 overschreden wordt, kan het universiteitsbestuur personen aanstellen tot lid van het zelfstandig academisch personeel in tijdelijk dienstverband overeenkomstig de bepalingen van een goedgekeurd sanerings- of herstructureringsplan in de zin van de artikelen 190 tot en met 192 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen en voor de duur ervan. Deze aanstellingen in tijdelijk dienstverband dienen noodzakelijk te zijn voor een goede organisatie van het onderwijs. Het universiteitsbestuur dient deze noodzakelijkheid aan te tonen.]

Decr. van 8-7-1996

[In het kader van het sanerings- en herstructureringsplan kunnen publiekrechtelijke instellingen administratief en technisch personeel aanstellen op contractuele basis voor een bepaalde duur.]

Decr. van 18-5-1999

Art. 187.

Artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 542 van 31 maart 1987 houdende de organisatie, de werking en het beheer van de Rijksuniversitaire ziekenhuizen van Gent en Luik wordt aangevuld met een § 5 luidend als volgt : ...

Art. 188.

[Tot op de datum van de inwerkingtreding van de besluiten van de Vlaamse Regering genomen in uitvoering van artikelen 109 en 120 van dit decreet blijven de in het eerste lid van artikel 107 bedoelde personeelsleden onderworpen aan de voor de datum van de inwerkingtreding van het decreet op hen toepasselijke overeenkomstige regelgeving.

De procedures met betrekking tot bevorderingen en verhogingen van graad, gestart voor 1 januari 1992 in uitvoering van de op dat ogenblik op deze personeelsleden toepasselijke regelgeving, kunnen ook na de datum van 1 januari en ten laatste tot [[1 oktober]] 1992 volgens diezelfde regelgeving afgewerkt worden.]

Decr. 27-1-1993; [[ ]] Decr. van 18-5-1999

[De bevorderingen van de in het eerste lid van artikel 107 bedoelde personeelsleden in een functie van de onmiddellijk hogere graad zonder vacature doorgevoerd in het kader van een door het universiteitsbestuur vooraf bepaalde loopbaanplanning en binnen de perken van de personeelsformatie, worden als regelmatig beschouwd, indien deze zijn gebeurd na een gunstige beoordeling en expliciete motivering.]

Decr. van 18-5-1999

[In afwijking van de op het ogenblik van de beslissing van het universiteitsbestuur toepasselijke regelgeving voor de vaste benoeming van het meesters-, vak- en dienstpersoneel in de rijksuniversiteiten, worden de in het eerste lid van artikel 107 bedoelde personeelsleden van een universiteit bedoeld in artikel 3, geacht regelmatig te zijn benoemd vanaf de datum van inwerkingtreding van de beslissingen van het universiteitsbestuur houdende de eerste benoeming in een deeltijdse betrekking. De prestaties van de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel, geleverd in een deeltijds dienstverband voor 1 januari 1992, worden pro rata meegerekend voor het bepalen van hun geldelijke anciënniteit.]

Decr. van 18-5-1999

[De bedragen van de bezoldigingen, de toelagen en de vergoedingen waarvan sprake in artikel 104 van dit decreet en in artikel 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 februari 1992 houdende vaststelling van de loopbaanstructuur en van het bezoldigingsstatuut van het administratief en technisch personeel van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap verwijzen met ingang van 1 januari 1993 tot en met 31 december 1999 naar de bedragen zoals die op het ogenblik van de toekenning ervan vermeld werden in het Vlaams personeelsstatuut.]

Decr. van 19-3-2004

Art. 189.

In afwijking van het bepaalde in artikel 117, kunnen [gedurende een periode van acht jaar] te rekenen vanaf de inwerkingtreding van hoofdstuk V, personeelsleden ten laste van het patrimonium van de universiteit die niet voldoen aan de voorwaarden bepaald onder artikel 116, 1° , de diplomavoorwaarden uitgezonderd, overgeheveld worden als bedoeld hiervoor, indien zij op 1 januari 1991 ten minste vijf jaar in dienst zijn van de universiteit.

Decr. van 14-7-1998

Art. 190.

In afwijking van de artikelen 132, 1° , en 140, zijn de volgende opleidingen reeds in het begrotingsjaar 1992 financierbaar voor zover zij ten minste aan de in artikel 142 vastgestelde rationalisatienorm beantwoorden :

1° de opleiding tot kandidaat-bio-ingenieur in het Universitair Centrum Antwerpen;

2° de opleiding tot kandidaat in de Toegepaste Economische Wetenschappen in de Universitaire Campus Kortrijk.

[Voor de financiering van deze opleidingen voor het jaar 1992 wordt aan de Katholieke Universiteit Leuven (KUL) : 24,0 miljoen frank en aan het Universitair Centrum Antwerpen (RUCA) : 11,6 miljoen frank als bijkomende werkingsuitkering toegekend.]

Decr. van 25-6-1992

Art. 191.

Ten aanzien van de organisatie van de opleiding tot kandidaat en licentiaat in de Toegepaste Economische Wetenschappen en kandidaat-handelsingenieur en handelsingenieur in het Limburgs Universitair Centrum gelden tussen 1991 en 1996 de volgende overgangsmaatregelen :

1° vanaf het academiejaar 1991-1992 tot en met het academiejaar 1995-1996 wordt de financiering van het onderwijs ingericht door de "Economische Hogeschool Limburg" per academiejaar afgebouwd;

2° de Economische Hogeschool Limburg kan het diploma van kandidaat in de handelswetenschappen slechts uitreiken tot 30 september 1993 en de diploma's van licentiaat in de handelswetenschappen en van handelsingenieur tot 30 september 1997;

3° aan het Limburgs Universitair Centrum worden volgens de modaliteiten bepaald in artikel 156 tussen 1992 en 1995 volgende bijkomende uitkeringen en toelagen toegekend :

- [...];

Decr. van 21-12-1994

- bijkomende investeringsuitkeringen : in 1992 : 2.1 miljoen frank, in 1993 : 1.7 miljoen frank, in 1994 : 1.5 miljoen frank en in 1995 : 1.2 miljoen frank. Deze bijkomende investeringsuitkeringen worden geïndexeerd zoals bepaald in artikel 140, laatste lid;

- bijkomende sociale toelagen : in 1991 : 1.5 miljoen frank, in 1992 : 6.9 miljoen frank, in 1993 : 2.2 miljoen frank, in 1994 : 3.2 miljoen frank en in 1995 : 2.8 miljoen frank. Op deze bijkomende sociale toelagen wordt de jaarlijkse indexatie voor de sociale toelagen toegepast;

4° alle vast benoemde personeelsleden van de Economische Hogeschool Limburg worden tussen 1991 en 1996 per academiejaar overgenomen door het Limburgs Universitair Centrum volgens een overnameschema dat tussen de inrichtende macht van de Economische Hogeschool Limburg en de raad van bestuur van het Limburgs Universitair Centrum wordt overeengekomen.

Binnen zes maanden na de overname beslist de raad van bestuur van het Limburgs Universitair Centrum over de al dan niet rangschikking van het overgenomen personeelslid in één van de graden die volgens dit decreet aan het academisch, administratief of technisch personeel van de universiteiten zijn voorbehouden.

Bij deze rangschikking herbepaalt de raad van bestuur het benoemingsbesluit en de opdracht van het betrokken personeelslid.

Behoudens de voltijdse hoogleraren van de Economische Hogeschool Limburg die blijk hebben gegeven van een buitengewone wetenschappelijke verdienste of specifieke deskundigheid, kan niemand tot voltijds lid van het zelfstandig academisch personeel benoemd worden zo hij niet voldoet aan de in het eerste lid van artikel 83 vermelde benoemingsvoorwaarden.

Voor alle benoemingen in het zelfstandig academisch personeel, in uitvoering van dit artikel, wint de raad van bestuur voorafgaandelijk het advies in van externe deskundigen.

Voor de toepassing van artikel 87 kan de raad van bestuur de verworven graadanciënniteit als voltijds docent of hoogleraar in de Economische Hogeschool Limburg met de anciënniteit bij het zelfstandig academisch personeel gelijkstellen.

De leden van het overgenomen personeel die de raad van bestuur rangschikt in één van hogervermelde graden van het personeel van de universiteiten, verkrijgen in de schaal van hun nieuw ambt een jaarwedde die ten minste gelijk is aan deze die zij in hun vroeger ambt genoten. Wanneer in de weddeschaal van hun nieuw ambt geen weddetrap voorhanden is gelijk aan de jaarwedde die zij in hun vroeger ambt genoten, verkrijgen zij in de weddeschaal van hun nieuw ambt de jaarwedde onmiddellijk boven dewelke zij in hun vroeger ambt genoten. Voor de toepassing van deze bepaling wordt tevens rekening gehouden met de jaarwedde die de betrokkenen eventueel genoten als deeltijds lid van het onderwijzend personeel van het Limburgs Universitair Centrum.

De leden van het overgenomen personeel die de raad van bestuur niet rangschikt in één van hogervermelde graden van het personeel van de universiteiten, behouden hun in de Economische Hogeschool Limburg verworven graad en de daaraan verbonden wedde tot hun uitdiensttreding. Voor de toepassing van de artikelen 158 en 159 worden deze personeelsleden, afhankelijk van de hen toegewezen opdrachten, toegevoegd aan het zelfstandig academisch personeel of het administratief en technisch personeel. [Zij zijn onderworpen aan de rechtspositieregeling van de respectievelijke personeelscategorie. Tot op het moment van inwerkingtreding van de bij of krachtens dit decreet vastgestelde rechtspositieregeling, blijft op hen de op 30 september 1991 van kracht zijnde rechtspositieregeling van toepassing.]

Decr. van 18-5-1999

[De vast benoemde personeelsleden die verbonden zijn aan de Economische Hogeschool Limburg in een deeltijds dienstverband en die door het Limburgs Universitair Centrum worden overgenomen als lid van het academisch personeel in een deeltijds dienstverband, behouden voor de onderwijsopdrachten die zij op het moment van de overname buiten de Economische Hogeschool Limburg vervullen, de daaraan verbonden rechten. Voorwaarden daarvan is dat het geheel van deeltijdse opdrachten in het Limburgs Universitair Centrum en in het onderwijs met volledig leerplan tezamen beperkt blijft tot één voltijdse opdracht;]

Decr. van 21-12-1994

5° in afwijking van artikel 84 kunnen tot 30 september 1995 houders van een diploma van de tweede cyclus van de Economische Hogeschool Limburg uitzonderlijk tot assistent in de faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen van het Limburgs Universitair Centrum worden aangsteld;

6° bij overeenkomst tussen de raad van bestuur van het Limburgs Universitair Centrum en de inrichtende macht van de Economische Hogeschool Limburg kan tot 30 september 1995 elk lid van het voltijds academisch personeel van het Limburgs Universitair Centrum en elk lid van het voltijds onderwijzend en wetenschappelijk personeel van de Economische Hogeschool Limburg belast worden met de uitvoering van onderwijsopdrachten met inbegrip van examens in beide instellingen. Deze tijdelijke opdrachten worden geacht tot hun normale opdracht te behoren. Zij geven geen aanleiding tot een benoeming of aanstelling en worden niet vergoed.

[In afwijking van artikel 65 van dit decreet is het tot dezelfde datum geoorloofd dat een lid van het zelfstandig academisch personeel van het Limburgs Universitair Centrum zijn onderwijstaken uitsluitend in de Economische Hogeschool Limburg volbrengt;]

Decr. van 21-12-1994

7° de raad van bestuur van het Limburgs Universitair Centrum benoemt voor de periode van 1 oktober 1991 tot 30 september 1994, op voorstel van de raad van bestuur van de inrichtende macht van de Economische Hogeschool Limburg, een voltijds lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de Economische Hogeschool Limburg tot lid van de raad van bestuur van het Limburgs Universitair Centrum.

Art. 192.

Aan de Katholieke Universiteit te Leuven worden volgens de modaliteiten bepaald in artikel 156 volgende bijkomende investeringskredieten toegekend : in 1992 : 80 miljoen, in 1993 : 71 miljoen, in 1994 : 63 miljoen, in 1995 : 56 miljoen en in 1996 : 50 miljoen.

Aan de Vrije Universiteit Brussel worden volgens de modaliteiten bepaald in artikel 156 volgende bijkomende investeringskredieten uitgekeerd : in 1992 : 50 miljoen, in 1993 : 44 miljoen, in 1994 : 40 miljoen in 1995 : 35 miljoen en in 1996 : 31 miljoen.

[Deze bijkomende investeringskredieten mogen zowel voor academische als sociale doeleinden aangewend worden. Het deel van deze investeringskredieten dat bestemd wordt voor academische doeleinden wordt gestort in het "Fonds voor onroerende universitaire investeringen.

Het gedeelte dat aangewend wordt voor investeringen met sociale doeleinden wordt opgenomen in afdeling III (sociale voorzieningen ten behoeve van de studenten) van het begrotingsschema, vastgelegd in artikel 154.]

Decr. van 27-1-1993

Art. 193.

De financiële lasten die betrekking hebben op investeringen in onroerende goederen voor administratie, onderwijs en onderzoek, gedaan ter uitvoering van de wet van 2 augustus 1960 betreffende de tussenkomst van de Staat in de financiering van de vrije universiteiten en van de diverse inrichtingen voor hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en ter uitvoering van de wet van 24 juli 1969 betreffende de financiering van de aankoop van terreinen door de Vrije Universiteit Brussel en door de Katholieke Universiteit te Leuven, worden door de Vlaamse Gemeenschap rechtstreeks terugbetaald aan het uitlenende organisme.

Art. 194.

[Artikel 1, I, a) van de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van hoger onderwijs, gewijzigd bij de wet van 9 april 1965, wordt vervangen door de volgende bepaling : ...]

Decr. van 27-1-1993

Art. 195.

In de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, gewijzigd bij de wetten van 27 juli 1971, 6 juli 1972, 18 februari 1977, 3 juli 1981, 21 juni 1985 en 15 juli 1985 en bij de decreten van 5 juli 1989 en 31 juli 1990, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

...

4° in artikel 9 wordt paragraaf 1 opgeheven en worden de twee volgende paragrafen 2 en 3 hernummerd als de paragrafen 1 en 2. De besluiten die de Vlaamse Regering trof met toepassing van het oorspronkelijke artikel 9, § 1, blijven geldig;

...

Art. 196.

In de wet van 7 april 1971 houdende de oprichting en de werking van de Universitaire Instelling Antwerpen, gewijzigd bij de wetten van 27 juli 1971, 9 juli 1976 en 21 juni 1985, bij het koninklijk besluit nr. 170 van 30 december 1982 en bij de decreten van 28 maart en 1 augustus 1978, worden de volgende wijzigingen aangebracht : ...

Art. 197.

In de wet van 28 mei 1971 houdende de oprichting en de werking van het Universitair Centrum Limburg, gewijzigd bij de wetten van 27 juli 1971 en 21 juni 1985 en bij het koninklijk besluit nr. 170 van 30 december 1982, worden de volgende wijzigingen aangebracht : ...

Art. 198.

In titel IV van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, wordt een hoofdstuk IIIbis ingevoegd dat de artikelen 84bis tot 84nonies bevat, luidend als volgt : ...

Art. 199.

Artikel 34, tweede lid, is niet van toepassing voor de studenten die zich in de academiejaren 1988-1989 tot en met 1990-1991 aan een universiteit hebben ingeschreven voor het eerste jaar van de opleiding kandidaat in de architectuur, kandidaat in de bouwkunst of kandidaat-ingenieur-architect.

Aan al deze studenten kan bovendien het diploma van kandidaat-burgerlijk ingenieur-architect of burgerlijk ingenieur-architect worden verleend.

Art. 200.

Het Universitair Centrum Antwerpen omvat [...] en een instelling genaamd "Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken". Deze [...] behoudt haar huidig statuut als instelling van het hoger onderwijs van het lange type.

Decr. van 20-4-2001

Art. 201.

De wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gecoördineerd op 31 december 1949, zoals tot op heden gewijzigd, worden opgeheven, met uitzondering van de artikelen 1bis, 4° , [de artikelen 54 tot en met 57]² en artikel 61bis, § 1, laatste lid, en § 2, laatste lid. [Artikel 40 van de genoemde wetten op het toekennen van de academische graden blijft van kracht voor het academiejaar 1991-1992. De artikelen 41 tot en met 52 van deze wetten blijven van kracht voor de bekrachtiging van diploma's uitgereikt in het academiejaar 1990-1991 en in de voorgaande academiejaren met dien verstande dat de Vlaamse Regering de in artikel 42 van deze wetten vermelde samenstelling kan wijzigen.]¹

[ ]¹ Decr. 27-1-1993; [ ]² Decr. van 8-7-1996

[In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden de artikelen 1, 2 tot 4, 23 tot er met 27, 33 en 37 van genoemde gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens met ingang van het academiejaar 1991-1992 slechts per cyclus van jaar tot jaar opgeheven onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, voor zover de betreffende bepalingen betrekking hebben op opleidingen die gerangschikt worden in de studiegebieden bedoeld in artikel 19, eerste lid, 15° , 16° en 17° .] Vanaf het academiejaar 1991-1992 worden evenwel in het studiegebied Toegepaste Biologische Wetenschappen per jaar de benamingen van kandidaat-bio-ingenieur en bio-ingenieur ingevoerd en geldt voor de studenten die zich alsdan inschrijven voor het eerste studiejaar van de opleiding kandidaat-handelsingenieur of kandidaat in de Psychologische en/of Pedagogische Wetenschappen een totale studieduur van vijf jaar, overeenkomstig het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van dit decreet.

Decr. van 27-1-1993

In afwijking van het bepaalde in de artikelen 20, 21, 31, 32 en 33 kunnen de universiteiten de academische en voortgezette academische opleidingen die zij gedurende het academiejaar 1990-1991 programmeerden en de academische en wetenschappelijke graden die zij in dit academiejaar verleenden, als dusdanig verder verlenen in het academiejaar 1991-1992 onder de geldende benamingen.

[In afwijking van het bepaalde in artikel 50 kunnen de studenten die in het academiejaar 1991-1992 ingeschreven waren in het tweede jaar of hoger van de opleiding van gegradueerde in de Lichamelijke Opleiding tot en met het academiejaar 1993-1994 rechtstreeks toegelaten worden tot de tweede cyclus van de academische opleiding in de Lichamelijke Opvoeding mits zij slagen in een toegangsproef.

In afwijking van het bepaalde in artikel 50 kunnen de studenten, houders van een diploma van gegradueerde in de kinesitherapie, die in het academiejaar 1991-1992 ingeschreven waren in een verkort studieprogramma met het oog op het behalen van de graad van licentiaat in de motorische revalidatie en kinesitherapie hun studies beëindigen onder de voorwaarden geldend vóór de inwerkingtreding van artikel 50.

In afwijking van het bepaalde in de artikelen 20, 31, 32, 33, 55 en 202, 5° , kunnen de universiteiten de wetenschappelijke graden, die zij verleenden op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet onder de op dat ogenblik geldende normen en onverminderd het bepaalde in artikel 207, verder verlenen aan de studenten die op het einde van het academiejaar 1991-1992 hun opleiding in een bepaalde cyclus nog niet hebben voltooid. De duur van de overgangsperiode bedraagt maximaal het dubbele van de nominale cursusduur van de opleiding te rekenen vanaf het academiejaar 1991-1992. Voor de toepassing van dit decreet worden de wetenschappelijke graden die de universiteiten voor de inwerkingtreding van dit decreet verleenden en tijdens de in de vorige alinea van dit artikel bedoelde overgangsperiode verder verlenen, gelijkgesteld met een academische graad.

De studenten die ten laatste in het academiejaar 1991-1992 krachtens een beslissing van het universiteitsbestuur toelating hebben verkregen om een doctoraatsproefschrift voor te bereiden en die niet voldoen aan de bepalingen van artikel 56 van dit decreet, kunnen tot en met 31 december 1997 alsnog de graad van doctor behalen onder de tot het ogenblik van de inwerkingtreding van het decreet toepasselijke voorwaarden.]

Decr. van 27-1-1993

[De studenten die in het academiejaar 1996-1997 niet slagen voor het examen van het eerste studiejaar van de opleiding kandidaat-arts of kandidaat-tandarts kunnen zich in het academiejaar 1997-1998 opnieuw laten inschrijven voor het eerste studiejaar van de betreffende opleiding met vrijstelling van het toelatingsexamen bedoeld in artikel 34, derde lid.]

Decr. van 24-7-1996

[In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan aan studenten die in het academiejaar 1996-1997 of in een vroeger academiejaar ingeschreven waren voor de opleiding van geaggregeerde van het onderwijs, het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs tot uiterlijk het einde van het academiejaar 1998-1999 nog worden verleend overeenkomstig artikel 21 van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en artikel 8, vierde lid van dit decreet, zoals gewijzigd door het decreet van 27 januari 1993.]

Decr. van 8-7-1996

[De Vlaamse regering kan de wetenschappelijke graden die overeenstemmen met een van de academische graden zoals die bepaald waren in de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gecoördineerd op 31 december 1949, en die de universiteiten hebben uitgereikt vóór het academiejaar 1991-1992 gelijkstellen met de overeenstemmende academische graad. Zij stelt daartoe bij besluit een procedure vast.]

Decr. van 8-7-1996

[In afwijking van de artikelen 14 en 49 verwerven de studenten die in het academiejaar 1997-1998 slagen voor de tweede kandidatuur of het tweede baccalaureaat in de Godgeleerdheid, reeds het diploma van kandidaat of baccalaureus.[ [In afwijking van artikel 36, tweede zin zoals ingevoegd bij decreet van 14 juli 1998, kan het universiteitsbestuur de studenten die in 1997-1998 of eerder met goed gevolg het eerste licentiaat Godgeleerdheid (oud programma) afwerkten, toelaten tot het licentiaat in de Godgeleerdheid (nieuw programma).]]

In afwijking van artikel 50 kunnen de studenten die in het academiejaar 1997-1998 of eerder slaagden voor de derde kandidatuur of het derde baccalaureaat in de Godgeleerdheid, verkorting van studieduur en vrijstelling van examens van de licentie in de godsdienstwetenschappen krijgen, voorzover zij nog met goed gevolg examen afleggen over een aantal opleidingsonderdelen van die academische opleiding die een equivalent van ten minste één studiejaar bedragen.

In afwijking van artikel 35 kunnen de studenten die in het academiejaar 1997-1998 of eerder ingeschreven waren in de derde kandidatuur of het derde baccalaureaat in de Godgeleerdheid maar niet slaagden, toegelaten worden tot de eerste licentie in de godsdienstwetenschappen.]

Decr. 14-7-1998; [[ ]] Decr. van 18-5-1999

[De universiteiten voeren de opleiding leidend tot de academische graad van kandidaat in de revalidatiewetenschappen en kinesitherapie geleidelijk jaar na jaar in vanaf het academiejaar 1999-2000. De universiteiten voeren de driejarige opleiding leidend tot de academische graad van licentiaat in de revalidatiewetenschappen en kinesitherapie geleidelijk jaar na jaar in vanaf het academiejaar 2001-2002. Voor de berekening van het aantal onderwijsbelastingseenheden worden de hiervoor genoemde academische opleidingen niet beschouwd als nieuwe opleidingen en vallen derhalve niet onder de programmatienormen. Voor de toepassing van de rationalisatienormen worden de oude opleiding en de nieuwe opleiding als één opleiding beschouwd. De studenten die in het academiejaar 1998-1999 ingeschreven waren voor de eerste kandidatuur kunnen ten laatste in het academiejaar 2004-2005 de academische graad van licentiaat in de kinesitherapie en motorische revalidatie met een totale studieduur van vier jaar verwerven.]

Decr. van 23-6-1998

Art. 202.

Opgeheven worden :

1° het koninklijk besluit van 31 oktober 1953 tot vaststelling van het statuut van de geaggregeerden, de repetitors en het wetenschappelijk personeel bij de rijksuniversiteiten, gewijzigd bij ..., behoudens het bepaalde in artikel 181;

2° de wet van 22 april 1958 tot oprichting van een fonds voor schoolgebouwen en gebouwen in schoolverband van het Rijk en houdende sommige maatregelen betreffende de onroerende installaties in de inrichtingen voor universitair onderwijs die geheel of gedeeltelijk gefinancierd worden op kosten van de Staat, zoals tot op heden gewijzigd, met uitzondering van de artikelen 9 en 9bis, § 2;

3° de artikelen 6bis, 6ter, 9bis, 9ter en 9quater van de wet van 2 augustus 1960 betreffende de tussenkomst van de Staat in de financiering van de vrije universiteiten en van de diverse inrichtingen voor hoger onderwijs en voor wetenschappelijk onderzoek, zoals tot op heden gewijzigd;

4° de wet van 8 juni 1964 waarbij de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens worden gewijzigd wat betreft de voorwaarden voor de toelating tot de examens voor het behalen van de academische graden, gewijzigd bij de wet van 25 maart 1965;

5° het koninklijk besluit van 30 september 1964 houdende vaststelling van de algemene voorwaarden waaronder de wetenschappelijke diploma's en erediploma's door de rijksuniversiteiten worden uitgereikt;

6° het koninklijk besluit van 21 april 1965 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 31 oktober 1953 tot vaststelling van het statuut van de geaggregeerden, de repetitors en het wetenschappelijk personeel bij de rijksuniversiteiten;

7° het koninklijk besluit van 21 mei 1965 tot uitbreiding tot de rijksuniversitaire centra van diverse bepalingen die betrekking hebben op de rijksuniversiteiten;

8° het koninklijk besluit van 18 augustus 1967 tot wijziging van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens met het oog op de inrichting van een kandidatuur in de geneeskundige wetenschappen en de wijzigingen van het programma van het examen van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, gewijzigd bij koninklijk besluit van 4 september 1968;

9° het koninklijk besluit van 28 augustus 1967 tot uitbreiding tot de rijksuniversitaire centra van het koninklijk besluit van 31 oktober 1953 tot vaststelling van het statuut van de geaggregeerden, de repetitors en het wetenschappelijk personeel bij de rijksuniversiteiten, gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 januari 1969;

10° het koninklijk besluit van 6 februari 1968 tot regeling van de werking van de Vaste Commissie voor de academische graden en de programma's van de universitaire examens;

11° het koninklijk besluit van 27 mei 1968 tot wijziging van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens wat betreft de kandidatuur in de Klassieke filologie, de kandidatuur in de Romaanse filologie, de kandidatuur in de Germaanse filologie, het licentiaat in de Letteren en Wijsbegeerte, de aggregatie voor het hoger secundair onderwijs voor de Letteren en Wijsbegeerte en de aggregatie voor het hoger onderwijs voor de Wetenschappen, gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 augustus 1970;

12° het koninklijk besluit van 4 juni 1968 tot wijziging van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, met het oog op de oprichting van een kandidatuur in de Farmaceutische Wetenschappen en de wijziging van het programma van het examen van apotheker, gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 augustus 1970;

13° het koninklijk besluit van 9 september 1968 tot wijziging van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, wat betreft de kandidatuur en het licentiaat in de Geschiedenis, gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 augustus 1970;

14° het koninklijk besluit van 10 september 1968 tot wijziging van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, wat betreft de kandidatuur en het licentiaat in de Wijsbegeerte, gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 augustus 1970;

15° het koninklijk besluit van 1 augustus 1969 tot wijziging van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, met het oog op de oprichting van de graad van licentiaat in de Rechten en de wijziging van het examenprogramma van het licentiaat in het Notariaat en van doctor in de rechten, gewijzigd bij ...;

16° het koninklijk besluit van 20 april 1970 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de examinandus die geslaagd is voor de eerste proef van het examen van kandidaat in de Letteren en Wijsbegeerte, groep Germaanse filologie, overeenkomstig artikel 5, II, van de wet van 21 mei 1929, of van kandidaat in de Germaanse filologie, overeenkomstig artikel 15, § 5, van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 mei 1967, de graad van kandidaat in de Germaanse filologie kan behalen;

17° het koninklijk besluit van 20 april 1970 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de examinandus die geslaagd is voor de eerste proef van het examen van kandidaat in de Letteren en Wijsbegeerte, groep Klassieke filologie, overeenkomstig artikel 5, II, van de wet van 21 mei 1929, of van kandidaat in de Klassieke filologie, overeenkomstig artikel 15, § 5, van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 mei 1967, de graad van kandidaat in de Klassieke filologie kan behalen;

18° het koninklijk besluit van 20 april 1970 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de examinandus die geslaagd is voor de eerste proef van het examen van kandidaat in de Letteren en Wijsbegeerte, groep Geschiedenis, overeenkomstig artikel 5, II, van de wet van 21 mei 1929, of van kandidaat in de Geschiedenis, overeenkomstig artikel 15, § 5, van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 mei 1967, de graad van kandidaat in de Geschiedenis kan behalen;

19° het koninklijk besluit van 20 april 1970 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de examinandus die geslaagd is voor de eerste proef van het examen van kandidaat in de Letteren en Wijsbegeerte, groep Romaanse filologie, overeenkomstig artikel 5, II, van de wet van 21 mei 1929, of van kandidaat in de Romaanse filologie, overeenkomstig artikel 15, § 5, van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 mei 1967, de graad van kandidaat in de Romaanse filologie kan behalen;

20° het koninklijk besluit van 20 april 1970 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de examinandus die geslaagd is voor de eerste proef van het examen van kandidaat in de Letteren en Wijsbegeerte overeenkomstig artikel 5, II, van de wet van 21 mei 1929, de graad van kandidaat in de Rechten kan behalen;

21° het koninklijk besluit van 20 april 1970 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de examinandus die geslaagd is voor de eerste proef van het examen van kandidaat in de Letteren en Wijsbegeerte, groep Wijsbegeerte, overeenkomstig artikel 5, II, van de wet van 21 mei 1929, of van kandidaat in de Wijsbegeerte, overeenkomstig artikel 15, § 5, van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 mei 1967, de graad van kandidaat in de Wijsbegeerte kan behalen;

22° het koninklijk besluit van 20 april 1970 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de examinandus die geslaagd is voor de eerste proef van het examen van kandidaat in de wetenschappen, groep artsenijkunde, overeenkomstig artikel 10, IV, van de wet van 21 mei 1929 de graad van kandidaat in de farmaceutische wetenschappen kan behalen;

23° het koninklijk besluit van 20 april 1970 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de examinandus die geslaagd is voor de eerste proef of de tweede proef van het examen van kandidaat in de natuur- en geneeskundige wetenschappen, overeenkomstig artikel 13 van de wet van 21 mei 1929, de graad van kandidaat in de geneeskundige wetenschappen kan behalen;

24° het koninklijk besluit van 20 augustus 1970 tot wijziging van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, wat betreft de kandidatuur in de wetenschappen, de kandidatuur in de veeartsennijkunde en het doctoraat in de veeartsenijkunde;

25° de wet van 27 juli 1971 op de financiering en controle van de universitaire instellingen, zoals tot op heden gewijzigd, met uitzondering van de artikelen 27, § 3, 2° , 38, 43, § 2, tweede en derde lid, en 45, § 1, vijfde lid;

26° het koninklijk besluit van 26 augustus 1971 tot wijziging van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, met het oog op de oprichting van de graad van kandidaat in de tandheelkunde en de wijziging van het examenprogramma van licentiaat in de tandheelkunde;

27° het koninklijk besluit van 14 september 1971 tot vaststelling van de procedure tot aanwijzing van de leden van de raad van beheer van de rijksuniversiteiten en het rijksuniversitair centrum, gewijzigd bij ...;

28° het koninklijk besluit van 30 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksuniversiteiten, de Rijksfaculteit en het Rijksuniversitair centrum;

29° het koninklijk besluit van 30 oktober 1971 tot vaststelling van de hiërarchietabel van het administratief, gespecialiseerd, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksuniversiteiten, de Rijksfaculteit en het Rijksuniversitair centrum;

30° het koninklijk besluit van 5 november 1971 tot vaststelling van de bezoldigingsregeling van het administratief, gespecialiseerd, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksuniversiteiten, de Rijksfaculteit en het Rijksuniversitair centrum;

31° het koninklijk besluit van 5 november 1971 tot vaststelling van de weddeschalen van het administratief, gespecialiseerd, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksuniversiteiten, de Rijksfaculteit en het Rijksuniversitair centrum;

32° het koninklijk besluit van 20 januari 1972 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de examinandus die geslaagd is voor de eerste proef of voor de eerste twee proeven van het examen van doctor in de rechten, overeenkomstig artikel 7 van de wet van 21 mei 1929, de graad van licentiaat in de rechten kan behalen;

33° het koninklijk besluit van 4 augustus 1972 tot vaststelling van het bedrag van de inschrijvingsgelden in de universitaire instellingen, gewijzigd bij ...;

34° het koninklijk besluit van 4 augustus 1972 tot vaststelling van de regels voor het bepalen van het aantal studenten in de universitaire instellingen bedoeld in artikel 27, § 1, van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen, gewijzigd bij ..., met uitzondering van hoofdstuk IV dat wordt opgeheven op het ogenblik dat het besluit van de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 134 in uitwerking treedt;

35° het koninklijk besluit van 28 november 1972 tot vaststelling van de weddeschalen verbonden aan de bijzondere graden bij de Rijksuniversiteit te Gent en het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen;

36° het koninklijk besluit van 24 juni 1974 betreffende de vermindering van sommige inschrijvingskosten in de drie Antwerpse universitaire instellingen;

37° het koninklijk besluit van 27 december 1974 tot vaststelling van de fysische en financiële normen die dienen te worden in acht genomen voor de universitaire investeringen van onroerende aard, gewijzigd bij ...;

38° het koninklijk besluit van 7 april 1977 tot rangschikking van het universitair onderwijs en tot vaststelling van de vorm waarin de statistische gegevens betreffende het aantal studenten in de universitaire instellingen jaarlijks gepubliceerd worden;

39° artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 167 van 30 december 1982 betreffende de financiering van de universitaire investeringen, gewijzigd bij ...;

40° het koninklijk besluit nr. 169 van 30 december 1982 betreffende de verloven voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden of gewettigd door sociale of familiale redenen toegekend aan sommige personeelsleden van de universitaire instellingen, gewijzigd bij ...;

41° de artikelen 71 tot en met 74 van het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs.

[42° met ingang van het academiejaar 1997-1998 : artikel 21 van de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gecoördineerd op 31 december 1949, zoals tot op heden gewijzigd.]

Decr. van 16-4-1996

Art. 203.

In afwijking van artikel 28, tweede lid, van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen en van artikel 4 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1972 tot vaststelling van de regels voor het bepalen van het aantal studenten in de universitaire instellingen, worden de statistische gegevens van de financierbare studenten, alsmede de daaraan ten grondslag liggende lijsten van de erkende graden, bedoeld in de artikelen 2, § 1, 3° en 4° , en 4 van voornoemd koninklijk besluit, en de rangschikking van de in aanmerking te nemen universitaire studieprogramma's in één van de studierichtingen, bedoeld in artikel 28 van de wet van 27 juli 1971, zoals ze door de regeringscommissarissen, dan wel afgevaardigden voor de academiejaren 1971-1972 tot en met 1988-1989 werden goedgekeurd, als geldige basis beschouwd voor het bepalen van het aantal studenten dat voor de becijfering van de werkingstoelagen voor de begrotingsjaren 1973 tot en met 1991 in aanmerking komt.

[Art. 203bis.

De intrestlasten voor de overbruggingskredieten die door het Limburgs Universitair Centrum werden opgenomen voor de periode 1973-1975 in het kader van de wet van 30 juli 1973, kunnen ten laste genomen worden van het niet geaffecteerd patrimonium van de instelling.]

Decr. van 27-1-1993

[Art. 203ter.

De uitgaven die de universiteiten in de periode van 1 januari 1972 tot 31 december 1991 gedaan hebben in verband met de sociale voorzieningen voor het personeel bezoldigd ten laste van de werkingsuitkering, kunnen aangerekend worden op de werkingsuitkering van het overeenstemmende dienstjaar.]

Decr. van 20-4-2001

Art. 204.

In afwijking van artikel 31, § 1, laatste lid, van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen zoals gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 273 van 31 december 1982, wordt de herziening van de minimumbasiscijfers opgeschort tot het academiejaar 1990-1991.

Art. 205.

De universiteiten die aan een sanerings- of herstructureringsplan in de zin van de artikelen 190 tot en met 192 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen zijn onderworpen, kunnen de compensaties wegens pensioenderving waartoe zij besluiten ten laste leggen van de werkingsuitkeringen.

Art. 206.

Voor de in artikel 3, 4° , a), en 5° , vermelde universiteiten wordt het in de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het jaar 1990 niet vastgelegde gedeelte van het voor investeringen voorziene vastleggingskrediet gedurende het jaar 1991, 1992 en 1993 omgezet in een aanvullende investeringsuitkering ten belope van telkens één derde van het bedoelde saldo.

Voor de in artikel 3, 1° , 2° , 3° , 4° , b) en c), en 6° , vermelde universiteiten, wordt het per 31 december 1991 niet opgenomen gedeelte van vóór 31 december 1990 verleende leningmachtigingen gedurende het jaar 1992, 1993 en 1994 omgezet in een aanvullende investeringsuitkering van één derde van het bedoelde saldo.

Art. 207.

De Vlaamse Regering neemt de aanvullende maatregelen welke met betrekking tot de universiteiten vermeld in artikel 3 nodig zijn om de overgang van het vroegere naar het nieuwe stelsel te regelen.

Art. 208.

Dit decreet treedt in werking op 1 oktober 1991 met uitzondering van :

1° [hoofdstuk III, afdelingen 1 tot 5, de artikelen 35 tot en met 42, van afdeling 8, de afdelingen 9 tot 15 [[met uitzondering van artikel 47]], die in werking treden op 1 oktober 1992 [[, de artikelen 56 en 58 uitgezonderd]] ];

Decr. 23-7-1992; [[ ]] Decr. van 27-1-1993

2° hoofdstuk VIII, dat in werking treedt vanaf 1 januari 1992, met uitzondering van artikel 130, derde lid, 2° , en afdeling 5 van dit hoofdstuk die in werking treden op 1 oktober 1991.

[In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, 1° , heeft de in de artikelen 13 en 45, 2° , bepaalde verplichting van de universiteitsbesturen om de studieomvang van elk studiejaar en van elk onderdeel van een opleidingsprogramma uit te drukken in hele studiepunten, pas uitwerking met ingang van het academiejaar 1993-1994.]

Decr. van 27-1-1993

- (3): De artikelen 11, 12, 13, 14 en 15 blijven van toepassing met afschaffing van de verplichting om de opleidingen in studiejaren op te delen. De artikelen 8bis, 10, 17, 18, 21, 22, 32, 38, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 48, 50, 51, 52, 53, 54, 56 en 57 zijn niet meer van toepassing. In de plaats hiervan passen de universiteiten de overeenkomstige bepalingen toe van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen (Decr. 4-4-2003; Art. 138)

- (4): Opgeheven, behoudens voor de opleidingen in afbouw. (Decr. 15-12-2006; Art. 2)

- (4): Opgeheven, behoudens voor de opleidingen in afbouw. (Decr. 15-12-2006; Art. 2)

- (4): Opgeheven, behoudens voor de opleidingen in afbouw. (Decr. 15-12-2006; Art. 2)

- (1): het Arbitragehof vernietigt artikel 2, § 2, 1°, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 24 juli 1996 houdende wijziging van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, in zoverre het toepasselijk is op het toelatingsexamen dat wordt georganiseerd voor het academiejaar 1997-1998 (Arr. Nr. 47/97, 14-7-1997). Dit slaat hier op Art. 34, vierde lid, 1°.

- (4): Opgeheven, behoudens voor de opleidingen in afbouw. (Decr. 15-12-2006; Art. 2)

- (2): Heeft uitwerking met ingang van 1-10-1991 (Decr. 18-5-1999; Art. III.41, § 2)