Besluit van de Vlaamse regering houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs

  • goedkeuringsdatum
    31 AUGUSTUS 2001
  • publicatiedatum
    B.S.24/10/2001
  • datum laatste wijziging
    01/09/2017

COORDINATIE

B.Vl.R. 24-10-2008 - B.S. 23-1-2009

B.Vl.R. 7-9-2012 - B.S. 12-11-2012

B.Vl.R. 13-9-2013 - B.S. 21-10-2013

B.Vl.R. 10-7-2015 - B.S. 28-8-2015

B.Vl.R. 7-7-2017 - B.S. 24-8-2017

De Vlaamse regering,

Gelet op de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, inzonderheid op artikel 7, gewijzigd bij het decreet van 28 april 1993;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 13 maart 1991 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 4 december 1991, 20 juli 1994, 10 mei 1995 en 30 mei 1996;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basis- en secundair onderwijs, in het deeltijds onderwijs en in het onderwijs voor sociale promotie, georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 15 december 1993;

Gelet op het overleg dat, krachtens artikel 5 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, met de afgevaardigden van de inrichtende machten heeft plaatsgehad op 30 januari 2001;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 13 februari 2001;

Gelet op het protocol nr. 393 van 20 april 2001 houdende de conclusies van de onderhandelingen, gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X en van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten;

Gelet op het protocol nr. 166 van 20 april 2001 houdende de conclusies van de onderhandelingen, gevoerd in het overkoepelend onderhandelingscomité gesubsidieerd vrij onderwijs;

Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering, op 11 mei 2001, betreffende de aanvraag tot advies bij de Raad van State binnen een maand;

Gelet op het advies 31.720/1 van de Raad van State, gegeven op 21 juni 2001, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs

Artikel 1.

§ 1. Dit besluit is van toepassing op het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en op het deeltijds beroepssecundair onderwijs, erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.

[De bepalingen van dit besluit die van toepassing zijn op het deeltijds beroepssecundair onderwijs zijn, met uitzondering van artikel 9, eveneens van toepassing op de deeltijdse vorming als vermeld in het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap. In afwijking hiervan gelden evenwel voor wat het artikel 3 betreft de bepalingen van het voltijds secundair onderwijs voor zover de deeltijdse vorming de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten betreft.]

§ 2. In dit besluit wordt onder "betrokken personen" verstaan, de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerplichtige onder hun bewaring hebben of de meerderjarige leerling zelf.

B.Vl.R. 24-10-2008

Art. 2.

Het schooljaar begint op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar.

Art. 3.

§ 1. In het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs worden de lessen gespreid over 9 halve lesdagen van maandag tot en met vrijdag. De lessen vangen op zijn vroegst om 8 uur aan en eindigen op zijn vroegst om 15 uur en uiterlijk om 17 uur. Er is een middagpauze van ten minste 50 minuten. Deze bepaling geldt niet voor stages.

§ 2. [In het deeltijds beroepssecundair onderwijs worden de lessen gespreid over maximum 4 halve lesdagen van maandag tot en met vrijdag.] De lessen vangen op zijn vroegst om 8 uur aan en eindigen op zijn vroegst om 15 uur en uiterlijk om 17 uur. Er is een middagpauze van ten minste 50 minuten.

B.Vl.R. 24-10-2008

Art. 4.

Stages in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs kunnen op elk tijdstip van het schooljaar onder de volgende voorwaarden worden georganiseerd :

1° de stage is in overeenstemming met de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971 en haar uitvoeringsbesluiten;

2° de stage verloopt volgens de in de stageverlenende onderneming of instelling geldende arbeids- of dienstregeling;

[...]²

[...]²

5° het maximum aantal effectieve lesuren inclusief stage-uren, uitgedrukt in klokuren, per leerling bedraagt :

a) per etmaal : 8;

b) per week : 38;

c) per schooljaar : 1 200;

6° aan elke leerling worden [in de periode juni tot en met augustus]¹ ten minste 4 aaneensluitende weken vakantie toegekend;

[7° het tijdstip waarop stage wordt georganiseerd mag nooit afbreuk doen aan voldoende stagebegeleiding, ook op de stageplaats, door de school;

8° ter vrijwaring van de stagedoelstellingen, zijnde leerdoelstellingen, kunnen stages nooit een middel zijn ter compensatie van de afwezigheid of ontstentenis van reguliere werknemers en dient er door de stageplaats voorzien te zijn in voldoende stagebegeleiding.]¹

[ ]¹ B.Vl.R. 7-9-2012; [ ]² B.Vl.R. 7-7-2017

Art. 5.

[§ 1. In het voltijds gewoon secundair onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4, mogen per schooljaar maximaal 30 lesdagen aan evaluatie worden besteed. Die dagen kunnen verschillen per leerlingengroep.

Onder evaluatie als vermeld in het eerste lid wordt verstaan :

1° de organisatie van vooraf aangekondigde examens of proeven over grotere leerstofgehelen, met uitzondering van de geïntegreerde proef en de bekwaamheidsproeven, opgelegd in het kader van externe certificering »;

2° elk besluitvormingsproces van de klassenraad tijdens het schooljaar, met inbegrip van de deliberatie. Die deliberatie kan op zijn vroegst van start gaan op de vijfde laatste lesdag van :

a) hetzij de maand juni;

b) hetzij de maand januari. Dit besluitvormingsproces in de maand januari kan alleen georganiseerd worden voor de structuuronderdelen, aangeduid als Se-n-Se, die eindigen op 31 januari van het lopende schooljaar en voor de modules van de HBO5-opleiding verpleegkunde die eindigen op 31 januari van het lopende schooljaar.

[[Zolang stages aan gang zijn, mag evenwel de deliberatie voor de betrokken leerlingen niet beëindigd worden; ]]

3° de evaluatiegesprekken met de leerlingen en, eventueel, de betrokken personen.

Voor scholen die uitsluitend een systeem van permanente evaluatie hanteren en de examens of proeven, vermeld in het tweede lid, 1°, niet organiseren, en voor het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvormen 1, 2 en 3, wordt het maximum op 9 lesdagen vastgesteld. Die dagen kunnen verschillen per leerlingengroep;

[[4° de lesdagen tussen het laatste examen en het begin van de daaropvolgende vakantie, tenzij op die dagen onderwijsactiviteiten, die ook stages kunnen zijn, worden georganiseerd.]]

§ 2. Het schoolbestuur kan beslissen dat op de dagen waarop de evaluatie, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1° of 3°, wordt georganiseerd, de leerling, na akkoord van de betrokken personen, alleen tijdens zijn examens of proeven of tijdens zijn evaluatiegesprekken op school aanwezig hoeft te zijn. Als de betrokken personen daar niet mee akkoord gaan, voorziet de school in opvang. Het schoolbestuur bepaalt, na overleg met de schoolraad, de inhoudelijke invulling van de opvang.

Het schoolbestuur kan beslissen dat op de dagen waarop de evaluatie, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, wordt georganiseerd, de leerling, na akkoord van de betrokken personen, niet op school aanwezig hoeft te zijn. Als de betrokken personen daar niet mee akkoord gaan, voorziet de school in opvang. Het schoolbestuur bepaalt, na overleg met de schoolraad, de inhoudelijke invulling van de opvang.]

B.Vl.R. 13-9-2013; [[ ]] B.Vl.R. 10-7-2015

Art. 6.

De volgende dagen waarop de lessen kunnen worden geschorst, worden vastgelegd :

1° 1 halve dag per schooljaar om, bij het begin ervan, administratieve en onthaalformaliteiten voor te bereiden. Deze halve dag kan verschillen per leerlingengroep;

2° 1 dag per schooljaar voor het houden van een pedagogische studiedag voor leraars. Deze dag kan verschillen per leerlingengroep;

3° 1 halve dag onmiddellijk na parlementaire, provinciale of gemeentelijke verkiezingen in die scholen waar stem- en/of stemopnemingsbureaus waren gevestigd.

Art. 7.

De volgende vakantieperiodes worden vastgelegd :

1° de herfstvakantie, die begint op de maandag van de week waarin 1 november valt en 1 week duurt. Indien 1 november op een zondag valt, dan begint de herfstvakantie op 2 november;

2° de kerstvakantie, die begint op de maandag van de week waarin 25 december valt en 2 weken duurt. Indien 25 december op een zaterdag of zondag valt, dan begint de kerstvakantie de maandag na 25 december;

3° de krokusvakantie, die begint op de 7de maandag vóór Pasen en 1 week duurt;

4° de paasvakantie, die begint op de eerste maandag van april en 2 weken duurt. Indien Pasen in de maand maart valt, dan begint de paasvakantie op de maandag na Pasen. Indien Pasen na 15 april valt, dan begint de paasvakantie op de tweede maandag vóór Pasen;

5° de zomervakantie, die begint op 1 juli en eindigt op 31 augustus;

6° 11 november, paasmaandag, hemelvaartsdag en de dag nadien, 1 mei, pinkstermaandag;

7° voor het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs : 1 volledige of 2 halve facultatieve vakantiedag(en), eventueel verschillend per vestigingsplaats. Voor het buitengewoon secundair onderwijs : 2 volledige of 4 halve facultatieve vakantiedagen, eventueel verschillend per vestigingsplaats.

Art. 8.

De inrichtende macht kan op grond van exceptionele organisatorische, onderwijskundige of levensbeschouwelijke argumenten beslissen om voor alle leerlingen of voor een leerlingengroep af te wijken van de bepalingen van artikel 3 en van artikel 7 voor de vakantieperiodes, vermeld onder 1° tot en met 5°.

Een afwijking moet steeds impliceren dat :

1° het normaal aantal lessen op schooljaarbasis en de afwerking van de goedgekeurde leerplannen is gewaarborgd;

2° aan elke leerling tijdens de maanden juli en augustus ten minste 4 aaneensluitende weken vakantie worden toegekend;

[3° in afwijking van 2° en voor zover betrekking hebbend op stage : aan elke leerling in de periode juni tot en met augustus ten minste 4 aaneensluitende weken vakantie worden toegekend.]

B.Vl.R. 7-9-2012

Art. 9.

§ 1. De vastlegging door de inrichtende macht van de organisatie van het schooljaar per school op basis van de bepalingen van artikel 3 tot en met 8, vindt uiterlijk op 30 juni van het voorafgaande schooljaar plaats :

1° na onderhandeling in het bevoegde orgaan;

2° na advies van de schoolraad voor wat betreft het gemeenschapsonderwijs en van de participatieraad voor wat betreft het gesubsidieerd onderwijs.

[In afwijking van de datum, vermeld in het eerste lid, vindt de vastlegging van de organisatie van het schooljaar 2013-2014 uiterlijk op 20 september 2013 plaats.]

§ 2. De toepassing van § 1 op de stages, heeft slechts betrekking op de grote krachtlijnen ervan en niet op de individuele stageovereenkomsten.

B.Vl.R. 13-9-2013

Art. 10.

Indien, onder verantwoordelijkheid van de bevoegde inspectie van de Vlaamse Gemeenschap, wordt vastgesteld dat door toepassing van de bepalingen van artikel 4, 5 of 8 ernstig nadeel wordt berokkend aan de onderwijsdoelstellingen in het algemeen en/of aan het individueel leerlingenbelang in het bijzonder, dan moet de betrokken inrichtende macht onmiddellijk de organisatie van het schooljaar of de stageregeling aanpassen in overleg met de inspectie.

De toepassing van de bepalingen van artikel 4, 5 of 8 kan slechts aanleiding geven tot een overtreding zoals bedoeld in artikel 11, indien de inrichtende macht de bedoelde aanpassing weigert.

Art. 11.

§ 1. Overtredingen op de bepalingen van dit besluit worden onder de verantwoordelijkheid van de inspectie vastgesteld. De vaststelling wordt per aangetekende brief meegedeeld aan de betrokken inrichtende macht.

§ 2. Binnen een termijn van 1 maand na de betekening van de aangetekende brief kan de inrichtende macht bij de inspectie een verweerschrift indienen. De betekening wordt geacht te gebeuren op de derde werkdag na het versturen van de aangetekende brief.

§ 3. Op basis van het verslag van de inspectie en het eventueel verweerschrift van de inrichtende macht oordeelt de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of de overtreding wordt gesanctioneerd.

§ 4. Voor een gemeenschapsschool is de sanctie een inhouding op de werkingsmiddelen van de scholengroep waartoe de kwestieuze school behoort.

De inhouding bedraagt maximum 1/5 bij een eerste overtreding, respectievelijk maximum 1/3 vanaf een tweede overtreding, van de werkingsmiddelen waarop deze school recht had tijdens het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de overtreding, bedoeld in § 1, is vastgesteld.

Voor een gesubsidieerde school is de sanctie een terugvordering van de werkingstoelagen.

De terugvordering bedraagt maximum 1/5 bij een eerste overtreding, respectievelijk maximum 1/3 vanaf een tweede overtreding, van de werkingstoelagen waarop deze school recht had tijdens het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de overtreding, bedoeld in § 1, is vastgesteld.

HOOFDSTUK II. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basis- en secundair onderwijs, in het deeltijds onderwijs en in het onderwijs voor sociale promotie, georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap

Art. 12.

§ 1. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basis- en secundair onderwijs, in het deeltijds onderwijs en in het onderwijs voor sociale promotie, georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, worden de woorden "basis- en secundair onderwijs" vervangen door het woord "basisonderwijs".

§ 2. Het opschrift van HOOFDSTUK I van hetzelfde besluit wordt vervangen door het opschrift "Basisonderwijs".

Art. 13.

Artikel 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : ...

Art. 14.

In artikel 3 van hetzelfde besluit : ...

Art. 15.

Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : ...

Art. 16.

In artikel 8 van hetzelfde besluit : ...

Art. 17.

In artikel 9 van hetzelfde besluit : ...

Art. 18.

In artikel 10 van hetzelfde besluit worden de woorden "en centra" telkens geschrapt.

HOOFDSTUK III. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 13 maart 1991 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs

Art. 19.

Artikel 70sexies van het besluit van de Vlaamse regering van 13 maart 1991 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 30 mei 1996, wordt opgeheven.

HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen

Art. 20.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2001.

Art. 21.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.