Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de lokale overlegplatforms inzake gelijke onderwijskansen

  • goedkeuringsdatum
    28/06/2002
  • publicatiedatum
    B.S. 24/09/2002 (pagina 43209)
  • bron

    Numac : 2002036177
  • datum laatste wijziging
    01/01/2017

HOOFDSTUK I INLEIDENDE BEPALING

ART. 1.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° decreet : het decreet betreffende de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs;
2° departement: bevoegde dienst of ambtenaar van het departement Onderwijs van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;
3° deskundige : de deskundige, bedoeld in artikel VIII.4, §3, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs;
4° lokaal overlegplatform : een lokaal overlegplatform, bedoeld in artikel VIII.2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs;
5° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs;
6° voorzitter : de voorzitter, bedoeld in artikel VIII.4, §2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs;
7° werkingsgebied : het werkingsgebied, bedoeld in artikel VIII.3, §1, van de Codificatie sommige bepalingen betreffende het onderwijs;

HOOFDSTUK II OPRICHTING EN SAMENSTELLING

AFDELING 1 WERKINGSGEBIED

ART. 2.

De gemeenten en regio's, opgenomen als bijlage 1 bij dit besluit, zijn vanaf 1 januari 2003 prioritair in de zin van artikel VIII.3, §2, eerste lid, van de Codificatie sommige bepalingen betreffende het onderwijs. Ze worden aangeduid met het volgnummer, voorafgaand aan de betrokken gemeente of regio.

De lokale overlegplatforms die vanaf 1 september 2002 in deze gemeenten en regio's worden opgericht overeenkomstig de bepalingen van het decreet en dit besluit, worden evenwel ondersteund door een deskundige.

AFDELING 2 VOORZITTER

ART. 3.

§ 1. De minister duidt overeenkomstig artikel VIII.4, §2 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs de voorzitter van elk overlegplatform aan.

§ 2. De voorzitter wordt belast met een mandaat van zes jaar maar dit mandaat kan voortijdig beëindigd worden.

Bij het voortijdig beëindigen van het mandaat, wordt een opvolger aangeduid voor de resterende mandaatperiode, na overleg met het lokaal overlegplatform.

§ 3. De voorzitter ontvangt een jaarlijkse forfaitaire vergoeding, die uitbetaald wordt per kwartaal kalenderjaar of - in voorkomend geval en voor de gepresteerde periode - bij voortijdige beëindiging.

De vergoeding bedraagt 4.500 euro in de lokale overlegplatforms 3, 8, 14, 43, 47, en 51. In de andere lokale overlegplatforms bedraagt de vergoeding 3.000 euro.

De vergoeding wordt jaarlijks aangepast, rekening houdend met het indexcijfer der consumptieprijzen, vermeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, en dit indexcijfer wordt voor 75 % toegepast.

ART. 4.

Eénzelfde voorzitter kan meerdere lokale overlegplatforms voorzitten, met uitzondering van de overlegplatforms 3, 8, 14, 43, 47 en 51. In voorkomend geval ontvangt hij een vergoeding per overlegplatform.

AFDELING 3 DESKUNDIGE

ART. 5.

De minister stelt de deskundige bij elke lokaal overlegplatform aan als volgt:

1° hetzij door middel van een verlof wegens opdracht in het belang van het onderwijs, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van het Gemeenschapsonderwijs, respectievelijk het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding van 27 maart 1991;

2° hetzij door middel van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

ART. 6.

De deskundige voldoet aan volgende aanwervingsvoorwaarden:

1° houder zijn van een diploma van hoger onderwijs;

2° blijk geven van kennis en inzicht in de gelijkekansenproblematiek in het onderwijs aan de hand van een samen met de kandidaatstelling ingediende schriftelijke uiteenzetting.

De personen die in het schooljaar 2001-2002 werkzaam waren als deskundige bij een plaatselijk overleg in de zin van de gemeenschappelijke verklaring van 15 juli 1993 inzake een non-discriminatieverklaring in het onderwijs, kunnen worden aangeworven op basis van een schriftelijke rapportering van de verrichte activiteiten.

ART. 7.

Het departement maakt de vacatures bekend, samen met een beschrijving van het profiel van een deskundige, de aanwervings- en functioneringsvoorwaarden en de wijze van kandidaatstelling.

De bekendmaking gebeurt via het Belgisch Staatsblad en ten minste één ander relevant informatiekanaal.

ART. 8.

De in artikel 6, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde schriftelijke uiteenzetting en de in artikel 6, § 1, tweede lid, bedoelde schriftelijke rapportering worden beoordeeld door een selectiecommissie.

De selectiecommissie is samengesteld uit drie experten op het vlak van het gelijkekansenbeleid in het onderwijs, aangesteld door de minister. De leden van de selectiecommissie kunnen geen deel uitmaken van een lokaal overlegplatform.

ART. 9.

De minister duidt overeenkomstig de bepalingen van artikel  VIII.4, §3 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs de deskundige van elk lokaal overlegplatform aan, op voordracht van de selectiecommissie.

De minister kan, rekening houdend met de schaalgrootte en de kenmerken van de leerlingenpopulatie, meerdere overlegplatforms aan éénzelfde deskundige toewijzen.

ART. 10.

De deskundige voldoet aan de functioneringsvoorwaarden, opgenomen als bijlage 2 bij dit besluit.

ART. 11.

De deskundige beheert een werkingsbudget, dat binnen de beschikbare begrotingskredieten wordt toegekend, ten bate van de werking van het lokaal overlegplatform.

AFDELING 4 PARTICIPANTEN

ART. 12.

De minister bepaalt welke organen worden belast met de coördinatie van het aanduiden neemt de nodige initiatieven om de aanduiding van de in artikel VIII.4, §1, eerste lid, 4°, 5°, 6°, 8°, 9° en 10°, van de Codificatie sommige bepalingen betreffende het onderwijs bedoelde participanten te laten coördineren door overkoepelende organen.

HOOFDSTUK III WERKING

ART. 13.

Het huishoudelijk reglement van elk lokaal overlegplatform legt vanuit de bepalingen van artikel VIII.5 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs ten minste volgende zaken vast:
1° de standplaats van het lokaal overlegplatform;
2° het minimumaantal bijeenkomsten per jaar;
3° de wijze en termijn van bijeenroeping;
4° de wijze van opmaak van de vergaderagenda;
5° de wijze waarop in de plaatsvervanging van afwezige participanten wordt voorzien;
6° de aanwezigheids- en stemquota om tot besluitvorming te komen bij gebrek aan consensus;
7° het takenpakket van de taakverdeling tussen de voorzitter en de deskundige;
8° de wijze waarop het in artikel 11 bedoelde werkingsbudget wordt aangewend;
9° de wijze waarop de gegevens die nodig zijn voor de werking van het lokaal overlegplatform, inzonderheid het opmaken van de in artikel VIII.5, eerste lid, 1°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, bedoelde omgevingsanalyse, worden opgevraagd;
10° de wijze van notulering;
11° de samenstelling, inzonderheid de wijze waarop de verschillende participanten worden vertegenwoordigd, de bevoegdheden en de werking van het in artikel VIII.6, 1°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs bedoelde orgaan van dagelijks bestuur, en van eventuele andere deelorganen;
12° de wijze waarop de ouders en de leerlingen betrokken worden bij een bemiddeling.
13° de wijze waarop de Commissie inzake leerlingenrechten, vermeld in artikel VIII.8 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, op de hoogte gebracht moet worden van het falen van een bemiddeling.

In bijlage bij het huishoudelijk reglement gaat de nominatieve lijst van de deelnemers aan het lokaal overlegplatform.

HOOFDSTUK IV ONTSTENTENIS VAN EEN LOKAAL OVERLEGPLATFORM

ART. 14.

Indien een school niet gelegen is in het werkingsgebied van een lokaal overlegplatform, gelden volgende regelen:
1° het departement berekent de relatieve aanwezigheid in het werkingsgebied overeenkomstig artikel 110/7 van de Codex Secundair Onderwijs of artikel 37septies van het decreet basisonderwijs;
2° De bemiddeling, wordt waargenomen door :
- de voorzitter of, ingevolge onderlinge afspraak, de deskundige van het lokaal overlegplatform van het betrokken onderwijsniveau waarvan de standplaats het dichtst gelegen is bij de hoofdvestigingsplaats van de betrokken school, en
- een onderwijsinspecteur, aangeduid door de minister.

[HOOFDSTUK IVbis OVERGANGSBEPALINGEN (ing. BVR 17 december 2010, art. 2)]

ART. 14bis.

De mandaatperiode van de voorzitters waarvan het einde voorzien was op 31 december 2010, wordt verlengd tot 31 december 2012.

Bij het voortijdig beëindigen van het mandaat, wordt een opvolger aangeduid voor de resterende mandaatperiode, in overleg met het lokaal overlegplatform.

HOOFDSTUK V SLOTBEPALINGEN

ART. 15.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2002.

ART. 16.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlage 1

I. WERKINGSGEBIED VAN DE LOKALE OVERLEGPLATFORMS VOOR HET BASISONDERWIJS :
1° Aalst
2° Aarschot
3° Antwerpen
4° Beringen
5° Bilzen
6° Boom
7° Brugge
8° Brussel-Hoofdstad
9° Dendermonde
10° De Panne - Koksijde - Nieuwpoort
11° Diest
12° Dilsen-Stokkem
13° Genk
14° Gent
15° Geraardsbergen
16° Halle - Beersel - Sint-Pieters-Leeuw
17° Hamme
18° Hasselt
19° Heusden-Zolder
20° Houthalen-Helchteren
21° Kortrijk
22° Leopoldsburg
23° Leuven
24° Lier
25° Lokeren
26° Maasmechelen
27° Mechelen - Bonheiden - Sint-Katelijne-Waver - Zemst
28° Menen
29° Oostende - Middelkerke
30° Oudenaarde
31° Roeselare
32° Ronse
33° Sint-Niklaas
34° Sint-Truiden
35° Temse
36° Tienen
37° Tongeren
38° Turnhout
39° Vilvoorde
40° Willebroek
41° Zele
II. WERKINGSGEBIED VAN DE LOKALE OVERLEGPLATFORMS VOOR HET SECUNDAIR ONDERWIJS :
42° Aalst
43° Antwerpen
44° Beringen-Leopoldsburg
45° Boom - Willebroek
46° Brugge - Blankenberge
47° Brussel-Hoofdstad
48° Dendermonde
49° Diest
50° Genk
51° Gent
52° Geraardsbergen - Oudenaarde - Ronse
53° Halle - Beersel - Sint-Pieters-Leeuw
54° Hamme - Zele
55° Hasselt
56° Heusden-Zolder - Houthalen-Helchteren - Hechtel-Eksel
57° Kortrijk - Menen
58° Leuven
59° Lier - Duffel
60° Lokeren
61° Maasmechelen - Dilsen - Stokkem
62° Mechelen - Haacht - Sint-Katelijne-Waver - Keerbergen
63° Oostende - Middelkerke
64° Roeselare
65° Sint-Niklaas - Temse
66° Sint-Truiden
67° Tienen
68° Tongeren - Bilzen - Hoeselt
69° Turnhout
70° Vilvoorde - Grimbergen - Machelen

Bijlage 2

De deskundige moet voldoen aan volgende functioneringsvoorwaarden:

1° zich objectief, en neutraal en integer opstellen ten aanzien van de participanten van het lokaal overlegplatform;

2° alle informatie met vertrouwelijk karakter die rechtstreeks of onrechtstreeks via de werking van het lokaal overlegplatform verzameld wordt, uitsluitend en voor zover nodig aanwenden ter behartiging van de gelijke onderwijskansen;

3° de ontwikkelingen binnen de domeinen onderwijs en welzijn inzake onderwijskansarmen en nieuwkomers op de voet volgen en de persoonlijke kennis hierover verruimen;

4° bij de taakuitvoering blijk geven van communicatievaardigheid, zin voor initiatief en samenwerking, resultaatgerichtheid, inzet en motivatie en conflictbeheersing;

4° zich onvoorwaardelijk engageren om het decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I naar de letter en de geest loyaal uit te voeren en zich daarbij te gedragen naar de onderrichtingen van de voorzitter en mee te werken bij elke vorm van controle of evaluatie door het departement onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;

6° bereid zijn tot het volgen van vorming of nascholing volgen met betrekking tot de vaardigheden bedoeld in 3° en 4° taakuitvoering. De deskundige gedraagt zich ter zake naar de onderrichtingen van de voorzitter. Bedoelde vorming of nascholing valt ten laste van het departement Onderwijs of van het door de deskundige beheerde werkingsbudget;

7° in samenspraak met de voorzitter en het departement Onderwijs de plaatselijke ervaringen en gegevens bundelen en evalueren, teneinde het gelijkekansenbeleid te optimaliseren en desgevallend bij te sturen.