Besluit van de Vlaamse Regering tot codificatie van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs

  • goedkeuringsdatum
    11 oktober 2013
  • publicatiedatum
    B.S.27/02/2014
  • datum laatste wijziging
    03/07/2017

COORDINATIE

B.Vl.R. 20-12-2013 - B.S. 5-3-2014

B.Vl.R. 20-12-2013 - B.S. 17-3-2014

Decr. 21-3-2014 - B.S. 15-5-2014

Decr. 25-4-2014 - B.S. 29-8-2014

Decr. 25-4-2014 - B.S. 25-9-2014

B.Vl.R. 5-9-2014 - B.S. 28-10-2014

Decr. 19-12-2014 - B.S. 30-12-2014

B.Vl.R. 19-12-2014 - B.S. 23-1-2015

Decr. 19-12-2014 - B.S. 27-1-2015

B.Vl.R. 16-1-2015 - B.S. 12-2-2015

B.Vl.R. 22-5-2015 - B.S. 23-6-2015

Decr. 19-6-2015 - B.S. 17-7-2015

Decr. 19-6-2015 - B.S. 21-8-2015

Decr. 3-7-2015 - B.S. 15-7-2015

Decr. 18-12-2015 - B.S. 29-12-2015

Decr. 17-6-2016 - B.S. 10-8-2016

Decr. 8-7-2016 - B.S. 22-8-2016

B.Vl.R. 9-9-2016 - B.S. 27-9-2016

Decr. 25-11-2016 - B.S. 27-1-2017

Decr. 23-12-2016 - B.S. 29-12-2016

Decr. 23-12-2016 - B.S. 13-2-2017

Decr. 3-2-2017 - B.S. 27-2-2017

Decr. 30-6-2017 - B.S. 3-7-2017

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, artikel VII.1, dat bepaalt :

"Art. VII.1. § 1. De Vlaamse Regering brengt de bepalingen van dit decreet en van de volgende wetten en decreten onder in een codificatie :

1° het decreet van 21 december 1976 houdende organisatie van de Vlaamse interuniversitaire samenwerking;

2° het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap;

3° het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

4° het decreet van 22 februari 1995 betreffende de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen en betreffende de relaties van de universiteiten en de hogescholen met andere rechtspersonen;

5° het decreet van 7 juli 1998 betreffende de organisatie van de Vlaamse Hogescholenraad;

6° het decreet van 18 mei 1999 betreffende sommige instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening;

7° het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;

8° het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen;

9° het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen;

10° het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering en de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen;

11° het decreet van 29 juni 2012 betreffende de studentenvoorzieningen in Vlaanderen;

12° artikel 48 en 48/1 van het decreet van 6 juli 2012 tot wijziging van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, wat het stelsel van kwaliteitszorg en accreditatie betreft.

De regering neemt daarbij de wijzigingen in acht die in de bedoelde decreten uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn of worden aangebracht tot aan het tijdstip van de codificatie.

§ 2. In functie van de opdracht tot codificatie kan de regering :

1° de volgorde en de nummering van de te codificeren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;

2° de verwijzingen die voorkomen in de te codificeren bepalingen met de nieuwe nummering overeenbrengen;

3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te codificeren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen teneinde eenheid in de terminologie te brengen, de bepalingen onderling te doen overeenstemmen en ze in overeenstemming te brengen met de actuele stand van de regelgeving;

4° in de bepalingen die niet in de codificatie worden opgenomen, de verwijzingen naar de gecodificeerde bepalingen aanpassen.

§ 3. De codificatie draagt het volgende opschrift : "Codificatie van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs".";

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 23 mei 2013;

Gelet op het advies 49.119/1 van de Raad van State, gegeven op 10 maart 2011 en op advies 53.540/1 van de Raad van State, gegeven op 12 juli 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de wetten van de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

De hierna genoemde bepalingen worden, met inachtneming van de wijzigingen die ze hebben ondergaan, gecodificeerd volgens de bij dit besluit gevoegde tekst :

1° artikel 1 tot en met 6; 7, § 1 en § 3 en 8 van het decreet van 21 december 1976 houdende organisatie van de Vlaamse interuniversitaire samenwerking;

2° artikel 2, b) en m), 63 tot en met 69, 71 tot en met 76, eerste en tweede lid, 77, 78, 79, 80, tweede lid, 81 tot en met 93, 94, eerste, tweede en vierde lid, 95 tot en met 105, 106bis, eerste tot en met vijfde lid en zevende lid, eerste zin, 107, 108, 110 tot en met 117bis, 118, eerste tot en met zevende lid, eerste zin, 120, 120bis, 121, 121ter tot en met 122, 123, 124, 124bis, 130quater, 137, 138, 139, 140, § 1, 2°, § 2 eerste lid en § 3, 144 tot en met 150, 152 tot en met 158, 160, 161, 165 tot en met 167bis, 169, inleidende zin en 3°, 169bis, § 2 en § 3, 169ter, 169quater, § 1 tot en met § 8 en § 11, 170, 171, 172bis tot en met 175, 177 tot en met 180, 181, eerste, tweede, derde, vierde, zesde, zevende, achtste, negende en tiende lid, 182, eerste, tweede, derde, zesde en zevende lid, 182quater, 184, eerste lid en 186bis van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap;

3° artikel 2, 2°, 4°, 5°, 25° tot en met 45°, 47° tot en met 50° en 54° tot en met 59°, 57bis, 57ter, § 1, 57quinquies, 57sexies, 64, 65, 67 tot en met 76, 77, § 1, § 2, eerste lid, § 3, § 4, § 5 en § 7, 78 tot en met 88, 89, 1°, 2°, 3°, 5°, 6° en 7°, 90, 90bis, 91, 92, 1°, 1° bis, 2° en 4° tot en met 7°, 93 tot en met 106, 108 tot en met 121, 122, § 1, § 2, § 2bis en § 4, 123, eerste, tweede en vierde lid, 124 tot en met 139, 140, § 1, § 2, § 4 en § 5, 141 tot en met 155, 156, § 1, § 2 en § 4, 157 tot en met 171sexies, 171octies tot en met 171duodetricies, 179, 181bis, § 1 en § 2, 190bis, 196, § 3, 197, 198, 200, 204, 205, 215bis, 216, 216ter, 218, 223 tot en met 233, 234, § 3 en § 4, 237 tot en met 242, 243, § 1 en § 3, 245 tot en met 251, 283 tot en met 288, eerste zin, 289 tot en met 299, 301 tot en met 304bis/1, 305, § 1, 307sexies, 307septies, 307octies, 309, 310, 312quater, 312quinquies, 312sexies, 315 tot en met 317bis, 318 tot en met 326, eerste en tweede lid, 326bis tot en met 329, 330, tweede lid, 331, § 1 en § 2, 332, 332bis, 332quater tot en met 337bis, 339 tot en met 340bis, 340sexies, 342 tot en met 345 en 346ter van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

4° artikel 2 tot en met 22 en 25 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen en betreffende de relaties van de universiteiten en de hogescholen met andere rechtspersonen;

5° artikel 2 tot en met 6, 7, § 1 en § 3 en 8 tot en met 10 van het decreet van 7 juli 1998 betreffende de organisatie van de Vlaamse Hogescholenraad;

6° artikel 2, 8, 8bis, 9 en 11 tot en met 14, 15, § 2 tot en met § 6, § 8 en § 9 en 15bis van het decreet van 18 mei 1999 betreffende sommige instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening;

7° artikel 2, 3, eerste, tweede, derde, vierde, zevende, achtste, negende, tiende, elfde, twaalfde, dertiende, veertiende, vijftiende, zeventiende en achttiende streepje, 4 tot en met 8quinquies, 9, 9bis, 9/2, 9quater tot en met 9duodevicies, 10 tot en met 19, 23, 23bis, 24, 24ter, 25, 27 tot en met 39, 41 tot en met 51, 53/1, § 1, eerste en tweede lid, § 2, 1° tot en met 4°, 6°, 7° en 8°, § 3 en § 4, 53bis tot en met 55quinquies, 55septies, 55octies, 55decies tot en met 56, 57bis, 57ter, § 1, § 2, § 3 en § 5, 57quater tot en met 60septies, 61, § 1, 62 tot en met 63undecies, 63undecies, 63terdecies tot en met 64, § 1, § 2 en § 3, 68, § 1 tot en met § 4 en § 5, eerste en vierde lid, 69, § 1, § 2, § 4 en § 5, 76, 77, 78, 83 tot en met 99, 101, 101bis, 101ter, 102 tot en met 105, 107 tot en met 110, 112 tot en met 113quinquies, 125bis2, § 2, 128, § 4, 129, § 5 en § 6 en 130 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;

8° artikel I.1, Art. II.1, 1°, 2°, 3°, 4°, 9°, 10°, 11°, 12°, 13°, 14°, 15°, 15° bis en 17°, II.2 tot en met II.43, II.47 tot en met II.58, II.59, eerste lid, 1° en 3° en tweede lid, II.60 tot en met II.68, II.78 tot en met II.82, II.86, II.88 tot en met II.88quinquies, II.88sexies, eerste lid, II.88septies tot en met II.88ter decies, II.93, V.101, VI.9.8 tot en met V.9.17 en V.9.19 tot en met V.9.26 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;

9° artikel 2, 1° tot en met 9° bis en 11° tot en met 27°, 3 eerste zin, 4 tot en met 11bis, 12, § 1, § 2 en § 4, 13 tot en met 15ter, 17 tot en met 36, 38 tot en met 58 en 61 tot en met 68 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen;

10° artikel 78 en 79 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap;

11° artikel 2, 3°, 5°, 9°, 10°, 11°, 12°, 13°, 14°, 16° bis, 17°, 17° bis, 18°, 18° ter, 19°, 21° en 22°, 3 tot en met 20, 22, eerste, derde en vierde lid, 23, § 1, § 2, § 3bis, § 4 en § 5, 24, § 5, § 6 en § 7, 25, § 1, § 2 en § 3, 25bis, 25ter, 27, 28, 29, 30, § 1, 31 tot en met, 34, 35, § 1, § 2, § 3, § 4 en § 6, 36, 37, § 1 tot en met § 5, § 8 en § 9, 38, 38bis, 38ter, 39, § 2, § 3 en § 4, 39bis tot en met 40bis, 40quinquies tot en met 50, 54, § 2, 55 tot en met 59 en 75, § 1, tweede en derde lid en § 2 van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering en de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen;

12° artikel 2, 1°, 2°, 4°, en 6, 3 tot en met 31 en 33 tot en met 37 van het decreet van 29 juni 2012 betreffende de studentenvoorzieningen in Vlaanderen;

13° artikel 48, derde en vierde lid en 48/1 van het decreet van 6 juli 2012 tot wijziging van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, wat het stelsel van kwaliteitszorg en accreditatie betreft.

Art. 2.

Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2013.

Art. 3.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE - Codificatie van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs

DEEL 1. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

TITEL 1. Algemeen

Artikel I.1.

Deze codificatie regelt een gemeenschapsaangelegenheid. De bepalingen in deel 2, titel 2, hoofdstuk 1 en 2 regelen tevens een gewestaangelegenheid.

TITEL 2. Toepassingsgebied en begrippenkader

Art. I.2.

§ 1. Deze codificatie is van toepassing op de universiteiten en hogescholen.

§ 2. De artikelen I.3, 4°, 6°, 7°, 11°, 14°, 15°, 16°, 17°, 18°, 19°, 20°, 22°, 23°, 24°, 25°, 46°, 48°, 49°, 56°, 64°, 66°, 67°, 68°, 70°, 74°, 76° en 78°, II.1, II.57, II.58, II.64, II.65, II.66, II.67, II.68, II.69, II.70, II.75, II.76, II.77, II.105, II.106, II.133, II.135, II.137, II.140, II.141, II.143, II.147, II.148, II.149, II.150, II.152, II.153, II.154, II.170, II.172, II.174, II.176, II.177, II.178, II.179, II.180, II.181, II.182, II.183, II.184, II.185, II.189, II.190, II.191, II.192, II.193, II.194, II.195, II.196, II.197, II.198, II.199, II.200, II.201, II.202, II.207, II.208, II.209, II.210, II.211, II.212, II.213, II.214, II.215, II.216, II.217, II.218, II.219, II.223, II.224, II.225, II.226, II.227, II.228, II.229, II.230, II.231, II.232, II.233, II.234, II.235, II.236, II.237, II.238, II.239, II.240, II.241, II.242, II.243, II.244, II.245, II.246, II.247, II.251, II.252, II.377, II.382, II.383, II.383, II.384, II.385, II.390, IV.84 en IV.92 zijn van toepassing op de andere ambtshalve geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs. Deze bepalingen zijn van algemene toepassing of in zoverre het expliciet voorgeschreven is.

De bepalingen van deel 2, titel 5, hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de Vlerick Business School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde en de Antwerp Management School.

§ 3. De artikelen II.1, II.57, II.58, II.64, II.65, II.75, II.76, II.77, II.105, II.106, II.133, II.135, II.137, II.140, II.141, II.143, II.147, II.148, II.149, II.150, II.152, II.153, II.154, II.170, II.172, II.247, II.251, II.252, II.377, II.382, II.383, II.384 en II.385 zijn van toepassing op de geregistreerde instellingen. Deze bepalingen zijn van algemene toepassing of in zoverre het expliciet voorgeschreven is.

§ 4. De bepalingen van artikel I.3, 4°, 5°, 6°, 7°, 9°, 11°, 12°, 14°, 15°, 16°, 17°, 18°, 19°, 20°, 22°, 23°, 24°, 25°, 43°, 46°, 48°, 49°, 50°, 55°, 56°, 59°, 64°, 66°, 67°, 68°, 69° 70°, 74°, 75, 76° en 78°, deel 2, titel 3, hoofdstuk 3, van artikel II.174, van deel 2, titel 4, hoofdstuk 1, afdeling 2, van artikel II.189, II.190, II.191 en II.192, deel 2, titel 4, hoofdstuk 1, afdeling 4, deel 2, titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 1, 2 en 4, deel 2, titel 4, hoofdstuk 4, deel 2, titel 5, hoofdstuk 4, met uitzondering van artikel II.335, deel 2, titel 5, hoofdstuk 5, 6 en 7 deel 2, titel 8, hoofdstuk 5, deel 3, titel 2, hoofdstuk 7, artikel IV.84 en IV.92 deel 5, titel 4, hoofdstuk 1 zijn van toepassing op de associaties.

§ 5. De volgende artikelen en titels en/of hoofdstukken van deze codificatie zijn niet van toepassing op de publiekrechtelijke hogeschool "Hogere Zeevaartschool" : artikel I.3, 13°, 21°, 26°, 27°, 28°, 29°, 32°, 34°, 37°, 40°, 44°, 45°, 57°, 62°, 71° en 78°, artikel III.1, eerste lid en III.2, deel 3, titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 2, 3 en 4, artikel III.33, [artikel III.34 tot en met III.36, artikel III.39 tot en met III.43,] deel 3, titel 1, hoofdstuk 2, afdeling 6, 8, 9 en 10, deel 3, titel 2, hoofdstuk 2 en 5, deel III, titel 3, hoofdstuk 3, deel 3, titel 4, artikel IV.81, IV.82, IV.83, IV.85 en IV.122. De volgende bepalingen zijn van toepassing op de Hogere Zeevaartschool: artikel III.37 [, artikel III.38, III.44 en III.45].

De bepalingen van artikel I.3, 5°, 9°, 12°, 43°, 50°, 55°, 59°, 69° en 75°, deel 2, titel 5, hoofdstuk 1, 2, 3, 4, 6 en 7, deel 3, titel 2, hoofdstuk 7 en van deel 5, titel 4, hoofdstuk 1 zijn niet van toepassing op de transnationale Universiteit Limburg, met uitzondering van de bepalingen van deel 2, titel 5, hoofdstuk 3, afdeling 3, voor wat betreft studievoortgangsbeslissingen die betrekking hebben op de academische opleidingen bedoeld in artikel 3 van het Verdrag van 18 januari 2001 tussen de Vlaamse Gemeenschap en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de transnationale Universiteit Limburg.

Decr. 19-6-2015

§ 6. De bepalingen van deel II, titel 5, hoofdstuk 1, 2 en 3, met uitzondering van artikel II.273, II.280 en II.313, zijn mede van toepassing op de in artikel II.232 bedoelde validerende instanties.

Voor de lezing van de in het eerste lid bedoelde bepalingen :

1° worden de personen die een bekwaamheidsonderzoek aanvragen als "studenten" beschouwd;

2° wordt het reglement van de validerende instantie als "onderwijs- en examenregeling" beschouwd;

3° worden de personen die op grond van EVK's of van een bewijs van bekwaamheid een vrijstelling aanvragen als studenten beschouwd;

4° worden de personen die een aanvraag doen voor het volgen van een schakel- of voorbereidingsprogramma als studenten beschouwd.

Art. I.3.

Voor de toepassing van deze codificatie wordt verstaan onder :

1° academiejaar : een periode van 1 jaar die ten vroegste op 1 september en uiterlijk op 1 oktober begint en eindigt op de dag voor het begin van het volgende academiejaar; van de vaste duur van 1 jaar kan uitzonderlijk afgeweken worden indien het instellingsbestuur beslist de start van het academiejaar ofwel te vervroegen ofwel te verlaten;

2° accreditatie en instellingsreview :

a) opleidingsaccreditatie: de formele erkenning van een opleiding op grond van een beslissing van een onafhankelijk orgaan waarin vastgesteld wordt dat de opleiding voldoet aan vooraf vastgestelde minimale kwaliteits- en niveauvereisten;

b) eerste ronde opleidingsaccreditaties: de accreditaties die zijn verleend vanaf 1 februari 2005 tot en met het einde van het academiejaar 2012-2013;

c) tweede ronde opleidingsaccreditaties: de accreditaties die zijn verleend vanaf het begin van het academiejaar 2013-2014 tot en met het einde van het academiejaar 2020-2021;

d) derde ronde opleidingsaccreditaties: de accreditaties die zijn verleend vanaf het begin van het academiejaar 2021-2022 tot en met het einde van het academiejaar 2028-2029;

e) instellingsreview: periodieke beoordeling door een externe commissie van de beleidsprocessen die een instelling hoger onderwijs opzet om te garanderen dat ze haar taken op het terrein van het onderwijs op een kwaliteitsvolle manier uitvoert;

f) positief besluit instellingsreview: het besluit van de accreditatieorganisatie dat een instellingsreview afrondt en waarin de accreditatieorganisatie bevestigt dat de instelling voldoet aan alle onderwerpen van het beoordelingskader instellingsreview;

g) eerste ronde instellingsreviews: de instellingsreviews die worden uitgevoerd vanaf het begin van het academiejaar 2015-2016 tot en met het einde van het academiejaar 2016-2017;

h) tweede ronde instellingsreviews: de instellingsreviews die worden uitgevoerd vanaf het begin van het academiejaar 2019-2020 tot en met het einde van het academiejaar 2020-2021;

i) derde ronde instellingsreviews: de instellingsreviews die worden uitgevoerd vanaf het begin van het academiejaar 2025-2026 tot en met het einde van het academiejaar 2026-2027;

j) opleidingsdossier: het dossier dat het instellingsbestuur indient met het oog op het verkrijgen van de opleidingsaccreditatie;

k) visitatierapport: de gepubliceerde externe beoordeling uitgevoerd door een visitatiecommissie georganiseerd door een evaluatieorgaan;

3° accreditatieorganisatie: de organisatie die bij internationaal verdrag aangewezen is om de accreditatie te verlenen en de toets nieuwe opleidingen uit te voeren;

4°[...]

Decr. 21-3-2014

5° afgevaardigde : een behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger;

6° afstandsonderwijs : het onderwijs dat bijna uitsluitend met behulp van multimedia wordt verstrekt, waardoor de student niet aan een bepaalde plaats van onderwijsverstrekking gebonden is;

7° afstudeerrichting : een differentiatie in een opleidingsprogramma met een studieomvang van ten minste 30 studiepunten;

8° algemene uitgaven studentenvoorzieningen : uitgaven voor studentenvoorzieningen die niet gebonden zijn aan 1 werkveld, maar die nodig zijn om de globale werking van de studentenvoorzieningen mogelijk te maken;

9° associatie : de vereniging zonder winstoogmerk bedoeld in deel 2, titel 1, hoofdstuk 2;

10° basisvoorwaarden bij het studeren : behoeften uit het dagelijks leven die vervuld moeten zijn om goed te kunnen studeren;

11° bekwaamheidsonderzoek : het onderzoek van de competenties van een persoon, voorafgaand aan het afleveren van een bewijs van bekwaamheid;

12° bestuur : elk bestuursorgaan van een associatie, respectievelijk een instelling dat krachtens een wettelijke of decretale bepaling of de statuten is aangewezen om uitvoerbare beslissingen te nemen in de in deze codificatie bedoelde aangelegenheden;

13° beursstudent : een student die een studietoelage ontvangt van de Vlaamse Gemeenschap, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;

14° beurstariefstudent : een student die :

a) studiefinanciering ontvangt van de Vlaamse Gemeenschap, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;

b) beantwoordt aan de financiële criteria voor het verkrijgen van een studiefinanciering in de Vlaamse Gemeenschap, of

c) onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische Ruimte en beantwoordt aan de financiële criteria voor het verkrijgen van een studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of

d) een DGOS-bursaal, een BTC-bursaal of een bursaal in de programma's van de ontwikkelingssamenwerking van de Vlaamse Interuniversitaire Raad is;

15° bewijs van bekwaamheid : het bewijs dat een student op grond van EVC's of EVK's de competenties heeft verworven eigen aan : a) het niveau van bachelor in het hoger professioneel onderwijs of het academisch onderwijs, of

b) het masterniveau, of

c) een welomschreven opleiding, opleidingsonderdeel of cluster van opleidingsonderdelen.

Bedoeld bewijs betreft een document of een registratie;

16°[bijna beursstudent: een student die geen studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt, maar waarvan het referentie-inkomen ten hoogste 3000 euro boven de financiële maximumgrens bepaald in de regelgeving betreffende de studietoelagen ligt. Het bedrag van 3000 euro wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel II.218;]

Decr. 19-12-2014

17° creditbewijs : de erkenning van het feit dat een student blijkens een examen de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven. Deze erkenning wordt vastgelegd in een document of een registratie. De verworven studiepunten, verbonden aan het betrokken opleidingsonderdeel, worden aangeduid als "credits";

18° creditcontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van (een) creditbewij(s)(zen) voor 1 of meer opleidingsonderdelen;

19° cursist : een deelnemer aan het hoger beroepsonderwijs die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden en ingeschreven is, als vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;

20° diplomacontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van een graad of diploma van een opleiding of die zich inschrijft voor een schakel- of voorbereidingsprogramma;

21° economische unie: overeenkomst over de financiële ondersteuning van een instelling van hoger onderwijs door een andere instelling van hoger onderwijs;

22° EVC : een eerder verworven competentie, zijnde het geheel van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes verworven door middel van leerprocessen die niet met een studiebewijs werden bekrachtigd;

23° EVK : een eerder verworven kwalificatie, zijnde elk binnenlands of buitenlands studiebewijs dat aangeeft dat een formeel leertraject, al dan niet binnen onderwijs, met goed gevolg werd doorlopen, voor zover het niet gaat om een creditbewijs dat werd behaald binnen de instelling en opleiding waarbinnen men de kwalificatie wenst te laten gelden;

24° examen : elke evaluatie van de mate waarin een student op grond van zijn studie de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven;

25° examencontract : een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich onder de door het instellingsbestuur bepaalde voorwaarden inschrijft voor het afleggen van examens met het oog op het behalen van :

a) een graad of een diploma van een opleiding, of

b) een creditbewijs voor 1 of meer opleidingsonderdelen;

26° financieringsboni : het extra puntengewicht voor beursstudenten, studenten met een functiebeperking, werkstudenten en voor opleidingen die stopgezet of afgebouwd worden;

27° financieringspunten : het financieringsvolume, uitgedrukt in een aantal punten en berekend op basis van het aantal opgenomen studiepunten, het aantal verworven studiepunten en het aantal diploma's, en rekening houdend met het puntengewicht en de financieringsboni;

28° gedelibereerde studiepunten : studiepunten waarvoor een student op basis van examens geen creditbewijs verworven heeft, maar waarvoor een examencommissie beslist heeft dat de bijbehorende opleidingsonderdelen niet hervat hoeven te worden. De examencommissie heeft verklaard dat de student geslaagd is voor het geheel van de opleidingsonderdelen in kwestie die hij tijdens de periode in kwestie heeft gevolgd;

29° generatiestudent : een student die zich, in een bepaald academiejaar, voor het eerst inschrijft met een diplomacontract voor een professioneel of academisch gerichte bachelor in het Vlaamse hoger onderwijs. Het statuut van generatiestudent geldt voor dat volledige academiejaar;

30° gesubsidieerde officiële hogeschool : een hogeschool met een publiekrechtelijk karakter tot 1 oktober 2013, die opgericht is door een provincie, een gemeente of een OCMW;

31° gesubsidieerde vrije hogeschool : een hogeschool met een privaatrechtelijk karakter;

32° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;

33° graad : aanduiding van bachelor, master of doctor verleend op het einde van een opleiding c.q. na promotie met de uitreiking van een diploma;

34° herstructurering : onder herstructurering wordt begrepen :

a) een fusie van 2 of meer hogeronderwijsinstellingen tot een nieuwe hogeronderwijsinstelling;

b) een combinatie van fusie en splitsing van hogeronderwijsinstellingen waarbij nieuwe hogeronderwijsinstellingen ontstaan;

c) een overname van een hogeronderwijsinstelling door een andere hogeronderwijsinstelling;

d) een overdracht van 1 of meer studiegebieden van een hogeronderwijsinstelling naar een andere instelling, waarbij deze laatste instelling onderwijsbevoegdheid heeft voor de overgedragen studiegebieden;

35° integratiekader: het geheel van personeelsleden, opgenomen in een lijst die bekrachtigd is door de Vlaamse Regering, zoals vermeld in artikel V.209;

36° jaar : kalenderjaar;

37° kunstopleidingen : de professioneel gerichte bacheloropleidingen en de academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen in de volgende studiegebieden :

a) Audiovisuele en beeldende kunst;

b) Muziek en podiumkunsten;

38° kwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties of domeinspecifieke leerresultaten;

39° kwalificatie van een graad : toevoeging die verwijst naar de voltooide opleiding of voor wat de graad van 'doctor' betreft, naar een vakgebied;

40° leerkrediet : het totale pakket van studiepunten dat een student gedurende zijn studieloopbaan kan inzetten voor een inschrijving onder diplomacontract in een initiële bachelor- of masteropleiding of een opleidingsonderdeel onder creditcontract en dat naargelang het aantal studiepunten waarvoor de student zich inschrijft en welke hij verwerft, kan evolueren;

41° masterproef : werkstuk waarmee een masteropleiding wordt voltooid. Daardoor geeft een student blijk van een analytisch en synthetisch vermogen of van een zelfstandig probleemoplossend vermogen op academisch niveau of van het vermogen tot kunstzinnige schepping. Het werkstuk weerspiegelt de algemeen kritisch-reflecterende ingesteldheid of de onderzoeksingesteldheid van de student;

42° onderwijsbevoegdheid :

a) de studiegebieden,

b) de delen van studiegebieden,

c) de combinaties van studiegebieden,

d) de combinaties van delen van studiegebieden,

e) de combinaties van studiegebieden met delen van studiegebieden, waarin de ambtshalve geregistreerde instellingen krachtens deze codificatie opleidingen kunnen aanbieden;

43° onderwijs- en examenreglement : het reglement bedoeld in deel 2, titel 4, hoofdstuk 3;

44° onderzoeksmaster : een initiële masteropleiding zoals vermeld in artikel II.157;

45° opgenomen studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student zich heeft ingeschreven in een bepaald academiejaar;

46° opleiding : de structurerende eenheid van het onderwijsaanbod. Zij wordt bij succesvolle voltooiing bekroond met een diploma;

47° opleidingsgebonden materies : alle onderwijs- en begeleidingsactiviteiten die inherent verbonden zijn aan het doorlopen van het studiecurriculum, inclusief de didactische infrastructuur om ze mee te realiseren;

48° opleidingskenmerken : de profielafbakening van een opleiding, voortvloeiend uit :

a) de kwalificatie en/of de specificatie van de graad verleend op het einde van de opleiding, en/of

b) de studieomvang van de opleiding [...];

c) een specifieke afstudeerrichting binnen een opleiding kan eveneens als opleidingskenmerk worden aangemerkt;

Decr. 21-3-2014

49° opleidingsonderdeel : een afgebakend geheel van onderwijs-, leer- en evaluatieactiviteiten dat gericht is op het verwerven van welomschreven competenties inzake kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes;

50° partners bij een associatie : de in artikel II.8 bedoelde leden van de associatie;

51° postinitieel onderwijs : de opleidingen die leiden tot een graad van master en waarvoor de inschrijving primair openstaat voor personen die reeds in het bezit zijn van een graad van master. Personen die niet in het bezit zijn van een graad van master kunnen toegelaten worden na een intakegesprek waarin de instelling peilt naar de motivatie en de wetenschappelijke affiniteit van de student en naar de aard van de beroepservaring;

52° publiekrechtelijke hogeschool: een hogeschool met een publiekrechtelijk karakter die vanaf 1 oktober 2013 omgevormd of opgericht is bij of krachtens het bijzonder decreet van 13 juli 2012 houdende regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van sommige publiekrechtelijke hogescholen en het bijzonder decreet van 13 juli 2012 houdende regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van twee fusiehogescholen;

53° raadsman : een advocaat of deskundige;

54° raad van een School of Arts: het orgaan dat een School of Arts bestuurt;

55° representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie die een werking ontplooit naar het hoger onderwijs;

56° schakelprogramma : een programma dat kan worden opgelegd aan een student die zich wenst in te schrijven voor een masteropleiding op grond van een in het professioneel hoger onderwijs uitgereikt bachelordiploma. Het programma beoogt de in artikel II.141, 3° bedoelde algemene wetenschappelijke competenties en wetenschappelijk-disciplinaire basiskennis bij te brengen;

57° School of Arts: een organisatorische eenheid binnen een hogeschool of over verschillende hogescholen heen waarin, conform artikel II.7, de professioneel gerichte bacheloropleidingen of de academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, of Muziek en podiumkunsten aangeboden worden;

58° specificatie van een graad : de toevoeging van de woorden "of Arts", "of Science", "of Laws", "of Medicine", "of Veterinary Science", "of Veterinary Medicine" of "of Philosophy" aan een graad;

59° student : de persoon ingeschreven in een instelling;

60° studentenkoepelvereniging : een erkende studentenkoepelvereniging in de zin van het decreet van 30 maart 1999 houdende de subsidiëring van studenten- en leerlingenkoepelverenigingen;

61° studentenvoorzieningen : het geheel van activiteiten en maatregelen die kunnen genomen worden in het kader van artikel II.337;

62° student met een functiebeperking : een student die bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap een recht heeft geopend op een tegemoetkoming;

63° studiegebied : 1 van de categorieën vermeld in artikel II.71 en II.73 waarin opleidingen zijn samengebracht;

64° studiegeld : het bedrag te betalen door de student voor de deelname aan onderwijsactiviteiten en/of examens;

65° studiejaar : een studieprogramma van ten minste 54 en ten hoogste 66 studiepunten, met uitzondering voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs;

66° studieomvang : het aantal studiepunten toegekend aan een opleidingsonderdeel of aan een opleiding;

67° studiepunt : een binnen de Vlaamse Gemeenschap aanvaarde internationale eenheid die overeenstemt met ten minste 25 en ten hoogste 30 uren voorgeschreven onderwijs-, leer- en evaluatieactiviteiten en waarmee de studieomvang van elke opleiding of elk opleidingsonderdeel wordt uitgedrukt;

68° studietraject : de wijze waarop de studie wordt geordend;

69° studievoortgangsbeslissing : 1 van de volgende beslissingen :

a) een examenbeslissing, zijnde elke beslissing die, al dan niet op grond van een deliberatie, een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel;

b) een examentuchtbeslissing, zijnde een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten;

c) de toekenning van een bewijs van bekwaamheid, dat aangeeft dat een student op grond van eerder verworven competenties of eerder verworven kwalificaties bepaalde competenties heeft verworven;

d) de toekenning van een vrijstelling, zijnde de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen;

e) een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld;

f) het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel II.245;

g) het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven;

(voetnoot 1)

h) een beslissing inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma van hoger onderwijs met een Vlaams diploma van hoger onderwijs genomen krachtens artikel II.256;

i) [...]

Decr. 21-3-2014

70° toetredingsovereenkomst : de overeenkomst tussen instellingsbestuur en student bedoeld in artikel II.273;

71° verworven studiepunten : studiepunten, verbonden aan de opleidingsonderdelen, waarvoor een student een creditbewijs heeft ontvangen;

72° vestiging van een hogeronderwijsinstelling: het administratief arrondissement, het gerechtelijk arrondissement of de gemeente of een geheel van aan elkaar grenzende gemeenten waar de hogeronderwijsinstelling onderwijsbevoegdheid heeft. Voor de hogescholen die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd als uitsluitend behorend tot de Vlaamse Gemeenschap, geldt het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad als 1 vestiging;

73° VLUHR: de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad bedoeld in deel 2, titel 2, hoofdstuk 3;

74° volgtijdelijkheid : de door het instellingsbestuur bepaalde regels inzake het gevolgd hebben van of het geslaagd zijn voor een opleidingsonderdeel of opleiding vooraleer een student een examen kan doen over een ander opleidingsonderdeel of een andere opleiding;

75° volstrekte meerderheid van stemmen : het feit dat het aantal voorstemmen het aantal tegenstemmen overtreft.

76° voorbereidingsprogramma : een programma dat kan worden opgelegd aan een student die niet in het bezit is van een diploma dat op rechtstreekse wijze toelating verleent tot de opleiding waarvoor hij zich wenst in te schrijven;

77° vrijstelling : de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen;

78° werkstudent : een student die aan al de volgende voorwaarden beantwoordt :

a) hij is in het bezit van een bewijs van tewerkstelling in een dienstverband met een omvang van ten minste 80 uren per maand, of hij is in het bezit van een bewijs van uitkeringsgerechtigde werkzoekende en de opleiding kadert binnen het door een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling voorgestelde traject naar werk;

b) hij is nog niet in het bezit van een tweede cyclusdiploma of masterdiploma;

c) hij is ingeschreven in een studietraject met specifieke onderwijs- en leervormen en met specifieke modaliteiten van begeleiding en aanbod, dat als zodanig geregistreerd is in het Hogeronderwijsregister. De afzonderlijke registratie in het Hogeronderwijsregister impliceert niet dat het hier een nieuwe opleiding betreft, zoals bepaald in artikel II.150.

DEEL 2. STRUCTUUR EN ORGANISATIE VAN HET HOGER ONDERWIJS

TITEL 1. Hogeronderwijslandschap en zending

Hoofdstuk 1. Instellingen

Afdeling 1. Ambtshalve geregistreerde instellingen

Art. II.1.

Voor de toepassing van deze codificatie wordt verstaan onder ambtshalve geregistreerde instellingen de hogescholen en de universiteiten, de instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening, bedoeld in artikel II.19, II.20 en II.21 en de erkende faculteiten der protestantse godgeleerdheid bedoeld in artikel 1, III, c), van de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van hoger onderwijs.

Art. II.2.

De universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap zijn :

1° de "Katholieke Universiteit Leuven";

2° a) de "transnationale Universiteit Limburg";

b) de Universiteit Hasselt;

3° de "Universiteit Antwerpen";

4° de "Universiteit Gent";

5° de "Vrije Universiteit Brussel".

Art. II.3.

De hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap zijn :

1° de "Arteveldehogeschool";

2°[Odisee]³;

3° de "Erasmushogeschool Brussel";

4°[...]5

5° de "Hogere Zeevaartschool";

6° de "Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen";

7° de "Hogeschool Gent";

8° de " Hogeschool PXL";

9° de "Hogeschool West-Vlaanderen";

10° "LUCA School of Arts";

11° de "Karel de Grote-Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen";

12° de "Katholieke Hogeschool Vives Noord";

13° "Thomas More Kempen";

14° ["UC Leuven";

15° "UC Limburg";]4

16°["Thomas More Mechelen-Antwerpen"]¹;

17°[...]²

18° de "Katholieke Hogeschool Vives Zuid".

[...]¹

[ ]¹ B.Vl.R. 20-12-2013; [ ]² B.Vl.R. 20-12-2013; [ ]³ B.Vl.R. 5-9-2014; [ ]4 B.Vl.R. 19-12-2014; [ ]5 Decr. 19-6-2015

Art. II.4.

Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.2 kunnen als universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming universiteit en zich als dusdanig doen kennen.

Alleen de instellingen vernoemd in artikel II.3 kunnen als hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap aanspraak maken op de benaming hogeschool en zich als dusdanig doen kennen. De benaming hogeschool wordt vertaald als University College.

De Vlaamse Regering past de lijst van de universiteiten en hogescholen aan in geval van fusie, opslorping, opheffing of officiële naamswijziging.

Art. II.5.

De Vlaamse Gemeenschap erkent de oprichting door de Universiteit Antwerpen (de Initiërende Universiteit) van het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en -beheer (IOB), de oprichting door de Vrije Universiteit Brussel (de Initiërende Universiteit) van het Instituut voor Europese Studies (IES) en de oprichting, door de Universiteit Antwerpen (de Initiërende Universiteit) van het Instituut voor Joodse Studies (IJoS).

Deze instituten bezitten geen eigen rechtspersoonlijkheid. De Initiërende Universiteit bepaalt bij reglement de functionele autonomie waarover deze instituten beschikken, alsmede zijn bestuurs- en beheersstructuur.

Afdeling 2. Geregistreerde instellingen

Art. II.6.

§ 1. Voor de toepassing van deze codificatie wordt verstaan onder geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs: alle niet ambtshalve geregistreerde instellingen die hoger onderwijs aanbieden in de Vlaamse Gemeenschap en door de Vlaamse Regering werden geregistreerd.

§ 2. Iedere instelling kan de registratie aanvragen bij de Vlaamse Regering. Een registratie van een instelling voor hoger onderwijs wordt slechts toegekend voor zover aan volgende voorwaarden is voldaan: ten minste 1 opleiding heeft de 'toets nieuwe opleidingen' door de voorziene accreditatieorganisatie met positief gevolg ondergaan. Bij een buitenlandse instelling geldt daarenboven dat ze reeds in het land waar haar hoofdzetel is gevestigd moet erkend zijn door de bevoegde overheid. De instelling dient dit te kunnen aantonen aan de accreditatieorganisatie bij de aanvraag 'toets nieuwe opleiding'.

§ 3. De instellingen tonen door middel van een registratiedossier aan dat zij beschikken over: 1° een bestuursstructuur die voldoende organisatorisch is uitgebouwd om de ingeschreven studenten toe te laten hun opleiding te voltooien; 2° een financiële structuur die de ingeschreven studenten toelaat hun opleiding te voltooien; 3° een voldoende aangepaste infrastructuur voor het aanbieden van hoger onderwijs.

§ 4. Het registratiedossier omvat ten minste: 1° de statuten van de instelling; 2° een beschrijving van de bestuursstructuur; 3° een financieel plan; 4° een overeenkomst met een andere binnenlandse of buitenlandse instelling, die door de respectievelijke overheid erkend is voor hoger onderwijs en die de betreffende opleiding kan aanbieden. Deze overeenkomst betreft de wijze waarop de ingeschreven studenten hun opleiding kunnen voltooien.

§ 5. De Vlaamse Regering beslist over de registratie binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen die ingaat de dag na deze van ontvangst van het toetsingsrapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. In geval van registratie wordt de accreditatieorganisatie hiervan op de hoogte gebracht.

§ 6. De registratie vervalt van rechtswege indien gedurende een termijn van 2 jaar geen enkele geaccrediteerde of nieuwe opleiding aangeboden wordt.

§ 7. De geregistreerde instellingen bezorgen jaarlijks hun jaarrekening en jaarverslag aan de Vlaamse Regering.

Afdeling 3. Schools of Arts

Art. II.7.

§ 1. Een hogeschool die kunstopleidingen aanbiedt, en de overeenstemmende graden van bachelor en master wil verlenen, richt met ingang van het academiejaar 2013-2014 1 of meer Schools of Arts op.

In afwijking van het eerste lid moet een hogeschool geen School of Arts oprichten als het aantal bachelor- en masteropleidingen die de desbetreffende hogeschool aanbiedt voor ten minste 80% bestaat uit kunstopleidingen of uit kunstgerelateerde bachelor- of masteropleidingen. Het aantal andere bachelor- en masteropleidingen is kleiner dan of gelijk aan 20% van het totale aantal bachelor- en masteropleidingen die de hogeschool aanbiedt. In dat geval wordt voor de toepassing van deze codificatie de hogeschool als geheel beschouwd als een School of Arts.

Onder kunstgerelateerde opleidingen worden de volgende professionele bacheloropleidingen begrepen :

1° de bacheloropleiding in de interieurvormgeving;

2° de bacheloroplelding in de landschaps- en tuinarchitectuur;

3° de bacheloropleiding in de landschapsontwikkeling;

4° de bacheloroplelding in de audiovisuele technieken film: TV en video;

5° de bacheloropleiding in de audiovisuele technieken: fotografie.

De Vlaamse Regering kan deze lijst van kunstgerelateerde opleidingen aanpassen.

§ 2. Een School of Arts heeft als opdracht :

1° het organiseren en verschaffen van hoger beroepsonderwijs, hoger professioneel onderwijs en academisch onderwijs in het studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst of in het studiegebied Muziek en podiumkunsten;

2° de ontwikkeling en beoefening van de kunsten in die studiegebieden;

3° het verrichten van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek in relatie tot het hoger professioneel onderwijs in die studiegebieden;

4° het verrichten van onderzoek in de kunsten, in samenwerking met een universiteit;

5° het verstrekken van maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening, en de transfer van kennis voor de versterking van de innovatieve kracht van de maatschappelijke en economische sectoren.

Binnen het kader van een School of Arts kunnen ook kunstgerelateerde opleidingen, zoals vermeld in paragraaf 1, georganiseerd worden. Het aandeel kunstgerelateerde opleidingen is kleiner dan of gelijk aan 20% van het aantal bachelor- en masteropleidingen georganiseerd binnen de School of Arts.

§ 3. Een School of Arts heeft geen eigen rechtspersoonlijkheid. Het hogeschoolbestuur bepaalt de plaats van een School of Arts binnen de structuur van de instelling.

Een hogeschool kan een School of Arts ook oprichten in samenwerking met 1 of meer andere hogescholen die opleidingen in die studiegebieden aanbieden. De participerende instellingen sluiten daarvoor een samenwerkingsovereenkomst waarin ten minste de volgende elementen opgenomen zijn :

1° een opsomming van de opleidingen die onder de School of Arts vallen;

2° de wijze van diplomering: gezamenlijke diplomering of diplomering door 1 van de participerende instellingen;

3° de bestuurs- en beheersstructuur van de School of Arts;

4° de samenstelling en bevoegdheden van de raad van de School of Arts, conform de bepalingen in artikel II.373, II.374 en II.375;

5° het onderwijs- en examenreglement dat van toepassing is op de studenten;

6° de wijze van inzet van het personeel van de betrokken hogescholen in de School of Arts;

7° de wijze van inschrijving en van administratie van studenten;

8° de verdeelsleutel voor de opgenomen studiepunten en financieringspunten die nodig is voor de berekening van de onderwijssokkel en de variabele onderwijsdelen van de betrokken hogescholen;

9° de wijze waarop de betrokken hogescholen de School of Arts financieren;

10° de duurtijd van de samenwerkingsovereenkomst;

11° een regeling inzake personeel en financiering bij een eventuele verbreking van de samenwerkingsovereenkomst;

12° een procedure bij gebrek aan consensus bij de participerende hogeschoolbesturen bij de opdrachten vermeld in artikel II.373, II.374 en II.375.

Een samenwerkingsakkoord wordt minimaal gesloten voor een periode van 6 academiejaren.

§ 4. Het hogeschoolbestuur of, in geval van een samenwerkingsverband als vermeld in paragraaf 3, tweede lid, de betrokken hogeschoolbesturen, bepalen bij reglement de functionele autonomie, alsook de bestuurs- en beheersstructuur van de School of Arts. Daarbij wordt minstens rekening gehouden met de volgende elementen :

1° de voorwaarden voor de samenstelling van de raad van de School of Arts, zoals vastgelegd in artikel II.373, II.374 en II.375;

2° de minimale taken van de raad van een School of Arts, zoals vastgelegd in artikel II.373, II.374 en II.375.

Hoofdstuk 2. Associaties

Afdeling 1. Structuur

Art. II.8.

§ 1. Een associatie is een vereniging zonder winstoogmerk die bestaat uit volgende leden, verder 'partners' genoemd :

1° enerzijds een rechtspersoon verantwoordelijk voor een universiteit die zowel bachelor- als masteropleidingen kan aanbieden, en

2° anderzijds ten minste een rechtspersoon verantwoordelijk voor een hogeschool.

In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, 1°, kunnen de Universiteit Hasselt en de transnationale Universiteit Limburg gezamenlijk lid worden van dezelfde associatie.

§ 2. De vereniging zonder winstoogmerk kan naast de in paragraaf 1 bedoelde partners natuurlijke personen omvatten met een engagement of verdienste op het vlak van het hoger onderwijs of het wetenschappelijk onderzoek.

Art. II.9.

Op het ogenblik dat de partners beslissen tot fusie in de vereniging zonder winstoogmerk, blijft deze een associatie in de zin van dit hoofdstuk.

Art. II.10.

Een universiteit of hogeschool kan slechts onder 1 associatie ressorteren.

Afdeling 2. Bevoegdheden

Art. II.11.

Associaties hebben ten minste als opdracht :

1° de organisatie van de samenwerking en het aanhalen van de banden tussen de professionele bachelors en de academische opleidingen met inbegrip van de overgangsmogelijkheden en de ontwikkeling van leerlijnen;

2° de bevordering van de coördinatie van het onderzoek en meer bepaald van de translatieketen van fundamenteel naar toegepast onderzoek en omgekeerd, en van innovatie;

3° logistieke coördinatie in het algemeen;

4° als forum de evolutie naar een geïntegreerde hogeronderwijsruimte voorbereiden.

Om die opdrachten te vervullen, dragen de partners ten minste de volgende bevoegdheden over aan de associatie :

1° de ordening van een rationeel onderwijsaanbod binnen de onderwijsbevoegdheid van de instellingen, vermeld in artikel II.78 tot en met II.101;

2° het structureren van de opleidingstrajecten en een verbetering van de doorstromingsmogelijkheden;

3° de organisatie van trajectbegeleiding voor studenten;

4° de afstemming van de interne reglementen inzake het personeelsbeleid;

5° het opstellen van een meerjarenplan voor onderwijsvernieuwing en onderwijsverbetering;

6° het opstellen van een meerjarenplan voor het onderzoek en de maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening;

7° het opstellen van een meerjarenplan voor de onderlinge afstemming van investeringen, infrastructuur, bibliotheek- en documentatievoorzieningen;

8° het uitbrengen van een advies over het aanbieden van nieuwe bachelor-of masteropleidingen in een instelling, overeenkomstig de bepalingen van artikel II.152, tweede lid, 1°, a);

9° het uitbrengen van een advies over rationalisatieplannen.

Art. II.12.

Een associatie legt een algemeen onderzoeks- en samenwerkingsreglement vast, waarin ten minste volgende elementen worden opgenomen :

1° het algemeen onderzoeksbeleid in de schoot van de associatie;

2° de aanduiding en taakomschrijving van de binnen de associatie voor valorisatie bevoegde dienst, zijnde een verzelfstandigde dienst onder gezag of toezicht van de associatie of de universiteit. Inzonderheid worden volgende elementen vastgelegd :

a) de rapporteringsplicht van de dienst ten behoeve van de associatie en de partners;

b) de werkingsregelen van de dienst en de wijze van samenwerking tussen de dienst en de onderzoeksdiensten van de partners;

3° de algemene en minimale regelen betreffende het beleid inzake de aangelegenheden bedoeld in artikel IV.48, waarbij inzonderheid volgende elementen worden vastgelegd :

a) de instantie waaraan de vermogensrechten op een vinding gedaan in het kader van instellingsgebonden onderzoekstaken toekomen, zijnde :

1) de associatie, of een dienst zonder c.q. met rechtspersoonlijkheid onder het gezag c.q. het toezicht van de associatie. In dat geval komt aan de partner waaraan de instellingsgebonden onderzoekstaken zijn verricht, een billijke return toe, of;

2) de universiteit, of een dienst zonder c.q. met rechtspersoonlijkheid onder het gezag c.q. het toezicht van de universiteit. Zo de instellingsgebonden onderzoekstaken niet aan de universiteit doch aan een andere partner werden verricht, komt aan deze partner een billijke return toe, of;

3) de partner waaraan de instellingsgebonden onderzoekstaken zijn verricht;

b) de gevallen waarin aan de verschillende partners bij de associatie een kosteloos gebruiksrecht op een vinding toekomt voor wat betreft onderwijs en onderzoek;

c) een richtlijn inzake de billijke return ten voordele van de onderzoeker wiens vermogensrechten op een vinding worden overgedragen;

d) de beleidslijnen inzake de sensibilisering van onderzoekers met betrekking tot de vatbaarheid van vindingen voor de vestiging van commerciële intellectuele rechten;

4° de algemene en minimale regelen inzake de samenwerking van instellingen met derden op grond van dienstverleningscontracten in de zin van deel 4, titel 2, hoofdstuk 2, 3, 4 en 5, waarbij inzonderheid worden vastgelegd of omschreven :

a) de regelen inzake het afsluiten, het beheer en de uitvoering van dienstverleningscontracten;

b) de regelen inzake de vergoeding van personeelsleden die worden ingezet bij de uitvoering van dienstverleningscontracten;

c) een richtlijn inzake de besteding van de inkomsten uit dienstverleningscontracten;

5° de algemene en minimale regelen inzake de deelname van partners in rechtspersonen, waarbij inzonderheid worden vastgelegd of omschreven :

a) een richtlijn aan de hand waarvan de partners de noodzakelijkheid en opportuniteit van de deelname in een rechtspersoon nagaan. Dit beoordelingskader vertrekt vanuit het gegeven dat dergelijke deelname slechts aangewezen is indien de vooropgestelde doelstellingen niet even efficiënt en effectief nagestreefd kunnen worden door de partner zelf of door middel van een overeenkomst;

b) een richtlijn inzake de minimale verantwoordingsplicht van de rechtspersoon. Deze verantwoording moet een evaluatie van de deelname in de rechtspersoon mogelijk maken;

6° de wijze waarop conflicten over de uitvoering van het onderzoeks- en samenwerkingsreglement worden beslecht.

Art. II.13.

De bepalingen van het algemeen onderzoeks- en samenwerkingsreglement die relevant zijn voor de onderzoekers, worden uitgewerkt in de rechtspositieregeling van de partners, dan wel in de overeenkomsten met de betrokken onderzoekers.

Art. II.14.

De partners kunnen aan de associatie financiële middelen toekennen.

De partners kunnen een personeelslid met zijn instemming belasten met een opdracht bij de associatie, ongeacht de aard van de tewerkstelling. Het betrokken personeelslid blijft gedurende de opdracht juridisch en administratief behoren tot de terbeschikkingstellende instelling.

Afdeling 3. Andere bepalingen

Art. II.15.

De rechtspersonen verantwoordelijk voor een universiteit of een hogeschool kunnen slechts een beroep doen op de regelen inzake associaties indien zij lid zijn van een associatie die voldoet aan de voorwaarden die in dit hoofdstuk en in artikel II.335, deel 4, titel 3, hoofdstuk 1, afdeling 1, deel 4, titel 4, hoofdstuk 3 en deel 4, titel 4, hoofdstuk 4 worden bepaald.

Art. II.16.

Partners die het voornemen hebben uit de associatie te treden, melden dit tijdig aan de associatie. Deze melding is tijdig indien zij als volgt gebeurt :

1° voor de hogescholen : ten minste 2 jaar voor de uittredingsdatum;

2° voor de universiteiten : ten minste 3 jaar voor de uittredingsdatum.

De uittreding van een universiteit of hogeschool wordt gemeld aan de Vlaamse Regering. Deze melding maakt gewag van de maatregelen die worden getroffen om nadelige gevolgen voor personeel en studenten te vermijden.

Art. II.17.

Artikel IV.68, is niet van toepassing op de relaties tussen associaties en universiteiten en hogescholen.

Hoofdstuk 3. Zending

Art. II.18.

§ 1. Hogescholen en universiteiten zijn, in het belang van de samenleving, werkzaam op het gebied van het hoger onderwijs.

§ 2. Universiteiten zijn werkzaam op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek.

Hogescholen zijn werkzaam op het gebied van het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Binnen een School of Arts zijn hogescholen ook werkzaam op het gebied van het onderzoek in de kunsten, in samenwerking met een universiteit.

De ontwikkeling en de beoefening van de kunsten maken deel uit van de opdracht van de hogescholen die binnen een School of Arts kunstopleidingen organiseren.

De Hogere Zeevaartschool is werkzaam op het gebied van het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek en op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot de nautische wetenschappen.

§ 3. Hogescholen en universiteiten zijn werkzaam op het gebied van de maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening en van de transfer van kennis voor de versterking van de innovatieve kracht van de maatschappelijke en economische sectoren.

§ 4. Ter vervulling van hun zending kunnen de hogescholen en de universiteiten alle rechtshandelingen stellen, inbegrepen het sluiten van overeenkomsten met personen van privaatrecht en publiekrecht.

Art. II.19.

Wordt in het kader van deze codificatie erkend als opdracht van de Vlerick Business School: het verstrekken van postinitieel onderwijs, het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het verstrekken van wetenschappelijke dienstverlening op het gebied van de managementwetenschappen.

Art. II.20.

Wordt in het kader van deze codificatie erkend als opdracht van de Antwerp Management School : het verstrekken van postinitieel onderwijs, het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het verstrekken van wetenschappelijke dienstverlening op het gebied van de managementwetenschappen.

Art. II.21.

Wordt in het kader van deze codificatie erkend als opdracht van het Instituut voor Tropische Geneeskunde : het verstrekken van postinitieel onderwijs, het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het verstrekken van wetenschappelijke dienstverlening op het gebied van de tropische geneeskunde en diergeneeskunde en de gezondheidszorg in ontwikkelingslanden.

Art. II.22.

De opdracht van het IOB is het organiseren en verschaffen van postinitieel onderwijs, verrichten van wetenschappelijk onderzoek en verstrekken van wetenschappelijke dienstverlening op het gebied van de economische, politieke en sociale aspecten van het ontwikkelingsbeleid en -beheer.

De opdracht van het IES is het organiseren en verschaffen van postinitieel onderwijs, het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het verstrekken van wetenschappelijke dienstverlening op het gebied van Europese studies, onder meer door gebruik te maken van virtuele onderwijsplatformen.

De opdracht van het IJoS is het uitbouwen van een interdisciplinair en internationaal ingebed studiecentrum met als voorwerp de studie van het Jodendom in de breedste betekenis van de term en vanuit een veelheid aan benaderingen.

TITEL 2. Institutionele bepalingen

Hoofdstuk 1. Commissie Hoger Onderwijs

Afdeling 1. Oprichting en samenstelling

Art. II.23.

§ 1. De Vlaamse Regering richt een Commissie Hoger Onderwijs op.

§ 2. De Commissie Hoger Onderwijs bestaat uit een vaste kern, die uit ten minste 3 en ten hoogste 5 leden bestaat, met inbegrip van de voorzitter van de commissie. De leden van de vaste kern zijn deskundig met betrekking tot het hoger onderwijs, met inbegrip van het hoger beroepsonderwijs.

§ 3. De vaste kern laat zich bij de uitvoering van haar opdracht, afhankelijk van het onderwerp, bijstaan door 1 van de volgende cellen van experten :

1° de cel macrodoelmatigheid, bestaande uit ten minste 4 en ten hoogste 8 experten;

2° de cel taalregeling, bestaande uit 4 experten;

3° de cel kwaliteitszorg hbo5-opleidingen, bestaande uit 4 experten. De cel kwaliteitszorg hbo5-opleidingen wordt opgeheven als de algemene afbouw van de van rechtswege erkende hbo5-opleidingen, zoals vermeld in artikel 161, §2, 2°, van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, start.

§ 4. De experten zijn deskundig op 1 of meer van de volgende gebieden :

1° de cel macrodoelmatigheid: het hoger beroepsonderwijs, de professionele bachelor-opleidingen, de academische bachelor- en masteropleidingen, de kunstopleidingen, de arbeidsmarkt in relatie tot deze opleidingen;

2° de cel taalregeling: de (onderwijs)taal in het hoger onderwijs, de positionering van het Vlaamse hoger onderwijs in een internationale context, de relatie 'onderwijs - internationale arbeidsmarkt', de democratisering hoger onderwijs;

3° de cel kwaliteitszorg hbo5-opleidingen: kwaliteitszorg opleidingen in het hoger beroepsonderwijs, het professioneel hoger onderwijs, de arbeidsmarkt in relatie tot deze opleidingen.

§ 5. De Vlaamse Regering stelt de leden en de experten aan en regelt de werking van de Commissie Hoger Onderwijs.

Bij elke combinatie 'vaste kern - cel van experten' mag ten hoogste twee derden van de door de Vlaamse Regering aangestelde leden en experten van hetzelfde geslacht zijn.

§ 6. De Vlaamse Regering draagt er zorg voor dat de leden en de experten in onafhankelijkheid kunnen oordelen over de hen voorgelegde vragen.

Afdeling 2. Opdracht en rapportering

Art. II.24.

De Commissie Hoger Onderwijs heeft als opdracht :

1° een oordeel uit te brengen over de macrodoelmatigheid van :

a) opleidingen in het hoger beroepsonderwijs [...]²;

b) nieuwe bachelor- of masteropleidingen overeenkomstig artikel II.153, § 3;

2° een oordeel uit te brengen over het aanbieden van een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.263;

3° een advies uit te brengen over een vrijstelling van een equivalentievoorwaarde voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig artikel II.264;

4° een oordeel uit te brengen over een afwijking op de voorwaarde tot het aanbieden van een equivalente opleiding overeenkomstig artikel II.268;

5°[...]²

6° het kwaliteitstoezicht uitoefenen op de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, vermeld in artikel 160 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, en overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikel 161/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;

7° het beoordelen van de aanvragen van gecombineerd onderwijs in opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, vermeld in artikel 28 en 98, §5, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en overeenkomstig de criteria, vermeld in voormeld artikel 28;

8° het beoordelen van de aanvragen voor wijziging van het opleidingsprofiel van de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, vermeld in artikel 160 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, tot aan de omvorming van die opleidingen overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikel 161/2 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;

9°[...]²

[10° het verlenen van advies aan de Vlaamse Regering over het al dan niet bijdragen van een opleiding en instelling buiten de Europese Hoger Onderwijsruimte, aan de uitbouw van een wetenschappelijke discipline, vermeld in artikel 30 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap.]¹

[ ]¹ Decr. 25-4-2014; [ ]² Decr. 23-12-2016

Art. II.25.

De Commissie Hoger Onderwijs rapporteert jaarlijks vóór 1 mei aan het Vlaams Parlement over haar werkzaamheden van het voorgaande kalenderjaar.

Hoofdstuk 2. Accreditatieorganisatie

Afdeling 1. Aanwijzing en opdracht

Art. II.26.

Een internationaal verdrag wijst de organisatie aan die overeenkomstig deel 2, titel 3, hoofdstuk 9 de accreditatie verleent en de toets nieuwe opleidingen uitvoert.

De Vlaamse Regering geeft aan het Vlaams parlement kennis van het verdragsontwerp vóór de ondertekening ervan.

Afdeling 2. Werking

Onderafdeling 1. Algemeen

Art. II.27.

De accreditatieorganisatie legt in een reglement volgende bestuursbeginselen op exhaustieve wijze vast :

1° de bestuursbeginselen die van toepassing zijn op de totstandkoming en de uitvoering van de beslissingen en reglementen die betrekking hebben op instellingen voor hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap. Ten minste worden beginselen opgenomen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid, zorgvuldigheid en redelijkheid, formele motivering, openbaarheid, en rechtszekerheid, inzonderheid de wijze waarop onregelmatige beslissingen en reglementen kunnen worden ingetrokken;

2° de bestuursbeginselen inzake de behandeling van vragen of bezwaren en opmerkingen van instellingen voor hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap of, desgevallend, van elke andere Belgische rechtspersoon of natuurlijke persoon. Inzonderheid wordt het recht geregeld om zich bij de behartiging van zijn belangen in het verkeer met de accreditatieorganisatie te laten bijstaan door een raadsman.

Het reglement richt zich naar de gemeenschappelijke grond van het bestuursrecht geldend binnen de partijen bij het in artikel II.26, eerste lid, bedoelde internationaal verdrag.

Het reglement houdt op uitwerking te hebben indien het niet bij decreet is bekrachtigd binnen een termijn van 1 jaar vanaf de inwerkingtreding van het reglement. De bekrachtiging werkt terug tot deze laatste datum.

Art. II.28.

Elk uitvoerbaar reglement van de accreditatieorganisatie betreffende de procedure volgens dewelke in het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap de instellingsreview wordt uitgevoerd, de besluiten die de instellingsreview afronden, worden genomen, de accreditatie wordt verleend en/of de toets nieuwe opleidingen wordt uitgevoerd, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

De accreditatiebesluiten en de besluiten die de instellingsreview afronden worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het uittreksel betreft de essentiële elementen van het dispositief. De besluiten en de rapporten die de instellingsreview afronden, en de accreditatiebesluiten en accreditatierapporten van de accreditatieorganisatie worden integraal gepubliceerd op de website van de accreditatieorganisatie.

Art. II.29.

De accreditatieorganisatie staat in voor de bewaring van volgende documenten :

1° de accreditatiebesluiten en de accreditatierapporten, en de stukken op grond waarvan deze zijn uitgebracht;

2° de toetsingsrapporten inzake de toets nieuwe opleiding, en de stukken op grond waarvan deze zijn uitgebracht;

3° de besluiten die de instellingsreview afronden, de rapporten van de instellingsreviews en de stukken op grond waarvan ze zijn opgemaakt.

De in het eerste lid bedoelde documenten worden in goede, geordende en toegankelijke staat bewaard voor een periode van ten minste 8 jaar.

De bewaring geschiedt elektronisch, fotografisch of op papier.

Art. II.30.

De accreditatieorganisatie rapporteert jaarlijks over haar werkzaamheden aan het Vlaams Parlement.

Onderafdeling 2. Bijzonder verlof voor het uitoefenen van taken ten behoeve van de accreditatieorganisatie

Art. II.31.

Deze onderafdeling is van toepassing op :

1° de personeelsleden, die door een statuut of een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur verbonden zijn aan :

a) de diensten van het Vlaams Parlement;

b) de erkende politieke groepen, of de voorzitters van die groepen, van de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten;

c) de Vlaamse Interuniversitaire Raad;

d) de Vlaamse Hogescholenraad;

e) een associatie;

f) een universiteit in de Vlaamse Gemeenschap;

g) een universitair ziekenhuis, behoudens indien dit is opgericht onder de vorm van een Vlaamse openbare instelling;

h) een hogeschool in de Vlaamse Gemeenschap;

i) de Vlerick Business School; j) het Instituut voor Tropische Geneeskunde;

k) de Antwerp Management School;

l) de Evangelische Theologische Faculteit in Heverlee;

m) de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid in Brussel;

n) de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad;

2° de vastbenoemde of tot de proeftijd toegelaten personeelsleden bedoeld in :

a) artikel 2, §1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;

b) artikel 4, §1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

c) artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.

Art. II.32.

§ 1. Aan een personeelslid wordt op zijn verzoek een verlengbaar of hernieuwbaar bijzonder verlof toegekend voor het uitoefenen van taken :

1° als Vlaams waarnemer bij een buitenlandse accreditatieorganisatie die in aanmerking komt om bij verdrag als accreditatieorganisatie te worden aangeduid;

2° ten behoeve van de werking van de accreditatieorganisatie.

Het personeelslid kan dit verlof voltijds, of, binnen het volume en de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering, deeltijds opnemen.

§ 2. Het bijzonder verlof is uitgeput eens een totale gecumuleerde duur van 10 jaar bereikt is. Voor de toepassing van deze bepaling wordt een deeltijds verlof met een voltijds verlof gelijkgesteld. Dit bijzonder verlof kan eenmalig met een periode van ten hoogste 5 jaar verlengd worden als de betrokkene binnen die periode de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

§ 3. Het bijzonder verlof eindigt uiterlijk op de laatste dag van de maand die volgt op die waarin de tewerkstelling bij de accreditatieorganisatie een einde neemt.

Art. II.33.

Gedurende de periode(n) van bijzonder verlof betaalt de accreditatieorganisatie de personeelskost terug aan de instelling van oorsprong.

Art. II.34.

Gedurende de periode(n) van bijzonder verlof :

1° wordt het personeelslid beschouwd als zijnde in dienstactiviteit, indien de rechtspositieregeling van het personeelslid deze administratieve stand kent;

2° behoudt het personeelslid zijn rechten inzake bevordering.

Art. II.35.

§ 1. Het personeelslid waarvan het bijzonder verlof eindigt, kan in de instelling van oorsprong het oorspronkelijke ambt, of, in geval van contractuele tewerkstelling, een gelijkwaardige functie opnemen.

Het personeelslid geniet bij zijn wederindiensttreding het salaris, de mandaatsvergoeding, de haard- of standplaatstoelage, het jaarlijks vakantiegeld, de eindejaarstoelage, evenals alle vergoedingen, toelagen of bijwedden verbonden aan het oorspronkelijke ambt, desgevallend mandaat, of, in geval van contractuele tewerkstelling, de oorspronkelijke functie. De periode van tewerkstelling bij de accreditatieorganisatie wordt daarbij in aanmerking genomen voor de berekening van de geldelijke en dienstanciënniteit.

§ 2. Het bijzonder verlof wordt beschouwd als mandaatsperiode voor wat betreft de opbouw van het recht bedoeld in artikel V.156, §3, V.157, §3 en V.180, §3.

Hoofdstuk 3. De Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad

Art. II.36.

Onder de benaming de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad (VLUHR) richten de hogescholen, de universiteiten en de associaties in de Vlaamse Gemeenschap een vereniging zonder winstoogmerk op waarvan de statuten voldoen aan de in dit hoofdstuk bepaalde voorwaarden.

Art. II.37.

§ 1. De VLUHR verstrekt adviezen en doet voorstellen aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en aan de Vlaamse minister, bevoegd voor wetenschap en innovatie. De VLUHR kan ook overleg onder de hogescholen, universiteiten of associaties organiseren. Het overleg, de adviezen en de voorstellen betreffen alle aangelegenheden die de Vlaamse hogescholen, universiteiten en associaties aanbelangen.

§ 2. De VLUHR is bevoegd voor de externe kwaliteitsbeoordelingen in de instellingen zoals bepaald in artikel II.122. De VLUHR kan daartoe een verzelfstandigd orgaan oprichten.

De leden van dat verzelfstandigd orgaan moeten expertise hebben met betrekking tot kwaliteitszorg van opleidingen hoger beroepsonderwijs, hoger professioneel onderwijs, hoger academisch onderwijs en de specifieke lerarenopleiding.

§ 3. Op vraag van de Vlaamse Regering en de Commissie Hoger Onderwijs verstrekt de VLUHR adviezen in diverse materies.

§ 4. De VLUHR moet ook aspecten zoals internationalisering, ontwikkelingssamenwerking en wetenschap en innovatie op volwaardige manier aan bod laten komen binnen zijn werking.

§ 5. De VLUHR fungeert als forum voor interassociatieoverleg.

Art. II.38.

§ 1. De VLUHR vertegenwoordigt alle hogescholen, alle universiteiten en alle associaties in de Vlaamse Gemeenschap.

§ 2. De VLUHR kan andere natuurlijke personen of rechtspersonen uitnodigen om zijn vergaderingen bij te wonen.

Art. II.39.

De VLUHR bezorgt jaarlijks vóór 1 juni een verslag van de activiteiten van het afgesloten kalenderjaar aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement. De jaarrekening maakt deel uit van dit activiteitenverslag.

Hoofdstuk 4. De Vlaamse Interuniversitaire Raad

Art. II.40.

Door de universiteiten, bedoeld in artikel II.2, wordt onder de benaming Vlaamse Interuniversitaire Raad een stichting van openbaar nut opgericht waarvan de statuten voldoen aan de voorwaarden bepaald in dit hoofdstuk.

Binnen de perken gesteld door artikel 127, §1 van de Grondwet, verstrekt de raad adviezen en doet hij voorstellen aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of de Vlaamse minister, bevoegd voor wetenschap en innovatie. Daarenboven kan hij overleg onder de universitaire instellingen organiseren.

Het overleg, de adviezen en voorstellen betreffen alle aangelegenheden die de samenwerking onder de Vlaamse universiteiten aanbelangen.

De Vlaamse Regering brengt het Vlaams Parlement op de hoogte van de ontvangst van alle adviezen en voorstellen.

Art. II.41.

De Vlaamse Interuniversitaire Raad bestaat uit de volgende leden die de universiteiten vertegenwoordigen :

1° de Universiteit Gent, de Katholieke Universiteit Leuven, de Vrije Universiteit Brussel, en de Universiteit Antwerpen, worden ieder vertegenwoordigd door 2 leden : de rector en een ander lid, dat door de raad van beheer of de Raad van de universiteit wordt afgevaardigd;

2° de Universiteit Hasselt wordt vertegenwoordigd door 1 lid : de rector.

De leden niet-rectoren worden aangesteld voor een periode van 4 jaar. Zij zijn herbenoembaar. Hun mandaat eindigt door de herroeping van hun voordracht door de instelling die zij vertegenwoordigen.

Art. II.42.

In de schoot van de Vlaamse Interuniversitaire Raad kiezen de leden, voor de duur van 2 jaar, 1 voorzitter, 3 ondervoorzitters en 1 secretaris. Zij zijn herkiesbaar.

Vier van deze personen moeten respectievelijk de in artikel II.41, 1° genoemde instellingen vertegenwoordigen. De vijfde persoon vertegenwoordigt de in artikel II.40, 2°, genoemde instelling.

Art. II.43.

De Raad kan slechts beraadslagen, indien ten minste 5 van de 8 in artikel II.40 genoemde instellingen vertegenwoordigd en ten minste 6 leden van de Raad aanwezig zijn.

Beslissingen worden genomen met een meerderheid gevormd door twee derde van het aantal stemmen van de aanwezige leden.

Aan voorstellen of adviezen van de Raad kunnen minderheidsnota's worden toegevoegd.

Art. II.44.

Een afgevaardigde van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en van de Vlaamse minister, bevoegd voor wetenschap en innovatie, kan de vergaderingen van de Raad bijwonen.

Art. II.45.

De Vlaamse Interuniversitaire Raad bepaalt zijn reglement van orde en zijn vestigingsplaats. De Vlaamse Regering keurt ze goed.

Art. II.46.

§ 1. De universiteiten, bedoeld in artikel II.2, sluiten een overeenkomst, waarbij bepaald wordt dat de werking van de Vlaamse Interuniversitaire Raad zal mogelijk gemaakt worden door jaarlijkse eigen bedragen waarvan de bedragen proportioneel zullen zijn met de door de Staat verleende werkingstoelagen.

De overeenkomst dient gesloten voor een periode van 9 jaar. Zij wordt na deze periode telkens met 3 jaar verlengd. Ter gelegenheid van de verlenging is zij voor wijzigingen vatbaar.

De overeenkomst, alsook alle wijzigingen ervan, worden goedgekeurd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs en voor wetenschap en innovatie.

§ 2. De werkingsmiddelen van de Vlaamse Interuniversitaire Raad kunnen verhoogd worden door toelagen vanwege de overheid, door schenkingen en giften en door welkdanige inkomsten voortkomend uit zijn werking of zijn patrimonium.

Art. II.47.

Elk jaar brengt de Raad uiterlijk op 1 maart bij het Vlaams Parlement verslag uit over de werkzaamheden van de instelling.

Hoofdstuk 5. De Vlaamse Hogescholenraad

Art. II.48.

[De hogescholen, bedoeld in artikel II.3, richten onder de benaming Vlaamse Hogescholenraad, afgekort VLHORA, een stichting van openbaar nut op waarvan de statuten voldoen aan de voorwaarden bepaald in dit hoofdstuk.]

Decr. 19-6-2015

Art. II.49.

Binnen de perken gesteld door artikel 127 van de Grondwet, doet de VLHORA voorstellen aan de Vlaamse Regering. Daarenboven kan hij overleg onder de hogescholen organiseren.

Het overleg en de voorstellen betreffen alle aangelegenheden die de Vlaamse hogescholen aanbelangen.

Art. II.50.

[§ 1. De raad van bestuur van de VLHORA bestaat uit de algemeen directeurs van alle in artikel II.48 bedoelde hogescholen, tenzij het hogeschoolbestuur tot een andere vaste afvaardiging beslist.

§ 2. De raad van bestuur bepaalt in de statuten de wijze van aanduiding en de duur van de mandaten van de voorzitter en de ondervoorzitter.

§ 3. Afgevaardigden van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en van de Vlaamse minister, bevoegd voor wetenschap en innovatie, kunnen de vergaderingen van de raad van bestuur bijwonen.]

Decr. 19-6-2015

Art. II.51.

[De raad van bestuur kan slechts geldig beslissen indien ten minste de helft plus 1 van de leden aanwezig of vertegenwoordigd is.

Bij besluitvorming wordt gestreefd naar consensus. Op vraag van een lid kan worden gestemd, waarbij beslissingen worden genomen met een meerderheid gevormd door 3/4 van het aantal stemmen van de aanwezige en de vertegenwoordigde leden. Aan voorstellen van de VLHORA kunnen minderheidsnota's worden toegevoegd.]

Decr. 19-6-2015

Art. II.52.

[De VLHORA stelt zijn statuten op en bepaalt zijn vestigingsplaats. De Vlaamse Regering keurt de statuten goed.]

Decr. 19-6-2015

Art. II.53.

[§ 1. De VLHORA betrekt zijn werkingsmiddelen rechtstreeks of onrechtstreeks uit de jaarlijkse bijdragen van de hogescholen. De bijdragen zijn proportioneel aan de jaarlijkse werkingsuitkeringen die de Vlaamse Gemeenschap aan de hogescholen verleent.

§ 2. De werkingsmiddelen van de VLHORA kunnen verhoogd worden door toelagen vanwege de overheid, door schenkingen of giften en door inkomsten voortkomend uit zijn werking of zijn patrimonium.]

Decr. 19-6-2015

Art. II.54.

De VLHORA voert een economische dubbele boekhouding. De VLHORA maakt ieder jaar een begroting op van zijn ontvangsten en uitgaven, evenals de rekeningen van het afgesloten kalenderjaar. De boekhouding en de jaarrekeningen worden onderworpen aan de controle en het toezicht van een revisor. De VLHORA bezorgt elk jaar voor 1 oktober de begroting van het daaropvolgende kalenderjaar aan de Vlaamse Regering. De VLHORA bezorgt elk jaar de rekeningen van het afgesloten kalenderjaar vóór 1 juli aan de Vlaamse Regering.

Art. II.55.

De VLHORA bezorgt jaarlijks vóór 1 juli aan de Vlaamse Regering een verslag van de activiteiten van het afgesloten kalenderjaar.

Art. II.56.

De personeelsleden van de hogescholen kunnen mits hun akkoord belast worden met een opdracht in de VLHORA. De VLHORA sluit daartoe een overeenkomst met de hogeschool en het personeelslid.

Bedoelde overeenkomst bepaalt ten minste de duurtijd van de overeenkomst, de salarisschaal waarop het personeelslid recht heeft en de wijze van verrekening van de personeelskost aan de VLHORA.

De personeelsleden kunnen bezoldigd worden met een niet-verworven salarisschaal. De bezoldiging van de secretaris-generaal van de VLHORA bestaat uit de salarisschaal van gewoon hoogleraar. De VLHORA bepaalt aan de hand van de vigerende salarisschalen de salarisschalen van de andere personeelsleden.

De benoemde personeelsleden belast met een opdracht in de VLHORA behouden hun statutaire rechten als personeelslid van de hogeschool en blijven deel uitmaken van de personeelsformatie van deze hogeschool. Op het ogenblik dat de opdracht in de VLHORA een einde neemt, belast het hogeschoolbestuur hen met een opdracht en worden zij bezoldigd met de salarisschaal verbonden aan het ambt dat zij in de hogeschool bekleden.

TITEL 3. Structuur van het hoger onderwijs

Hoofdstuk 1. Definities en doelstellingen van opleidingen en graden

Art. II.57.

Het hoger onderwijs omvat opleidingen die leiden tot de graad van bachelor en de graad van master en opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die leiden tot een diploma van gegradueerde en specifieke lerarenopleidingen die leiden tot een diploma van leraar. Het hoger onderwijs omvat ook de opleidingen die kunnen afgesloten worden met een postgraduaatgetuigschrift. Bovendien wordt in het hoger onderwijs ook de graad van doctor verleend.

Aan een instelling voor hoger onderwijs kan geen secundair onderwijs of aanvullend beroepsonderwijs georganiseerd worden.

Art. II.58.

§ 1. Opleidingen van het hoger beroepsonderwijs zijn beroepsgericht als vermeld in artikel 4 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

Voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs waarvoor geen erkende beroepskwalificaties bestaan, en dit tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn, bepaalt de Vlaamse Regering de referentiekaders waarvan de competenties voor de opleidingen worden afgeleid. De competenties worden, zoals bij erkende beroepskwalificaties, vastgelegd gebruikmakend van de descriptorelementen uit het kwalificatieraamwerk en waarborgen de toepassing van eventuele Europese, federale of Vlaamse regelgeving inzake beroepsuitoefening.

De VLOR en de SERV zullen om advies gevraagd worden bij het besluit dat de referentiekaders, het proces en de actoren om tot deze competenties te komen, zal vastleggen.

§ 2. Bacheloropleidingen zijn ofwel professioneel gericht ofwel academisch gericht. Masteropleidingen zijn academisch gericht maar kunnen daarenboven een professionele gerichtheid hebben.

§ 3. Professionele gerichtheid houdt in dat de opleidingen gericht zijn op de algemene vorming en de verwerving van professionele kennis en competenties, gestoeld op de toepassing van wetenschappelijke of artistieke kennis, creativiteit en praktijkkennis.

Meer in het bijzonder hebben professioneel gerichte bacheloropleidingen tot doel de studenten te brengen tot een niveau van algemene en specifieke kennis en competenties nodig voor de zelfstandige uitoefening van een beroep of groep van beroepen.

§ 4. Academische gerichtheid houdt in dat de opleidingen gericht zijn op de algemene vorming en op de verwerving van academische of artistieke kennis en competenties eigen aan het functioneren in een domein van de wetenschappen of van de kunsten. Academisch gerichte opleidingen zijn op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd.

Meer in het bijzonder hebben de academisch gerichte bacheloropleidingen tot doel de studenten te brengen tot een niveau van kennis en competenties eigen aan het wetenschappelijk of artistiek functioneren in het algemeen en aan een specifiek domein van de wetenschappen of de kunsten in het bijzonder,met als doelstelling het doorstromen naar een masteropleiding of het uitstromen naar de arbeidsmarkt.

§ 5. De masteropleidingen hebben tot doel de studenten te brengen tot een gevorderd niveau van kennis en competenties eigen aan het wetenschappelijk of artistiek functioneren in het algemeen en aan een specifiek domein van de wetenschappen of de kunsten in het bijzonder, dat noodzakelijk is voor de autonome beoefening van de wetenschappen of de kunsten of voor de aanwending van wetenschappelijke of artistieke kennis in de zelfstandige uitoefening van een beroep of groep van beroepen.

§ 6. Een masteropleiding wordt afgesloten met een masterproef, waarvan de studieomvang uitgedrukt in studiepunten gelijk is aan ten minste 1/5 van het totaal aantal studiepunten van het opleidingsprogramma, met een minimum van 15 studiepunten en een maximum van 30 studiepunten.

§ 7. De voorbereiding van een doctoraatsproefschrift heeft tot doel de vorming van een onderzoeker die op een zelfstandige wijze een bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling en de groei van de wetenschappelijke kennis; het proefschrift moet blijk geven van het vermogen tot de creatie van nieuwe wetenschappelijke kennis in een bepaald vakgebied of over vakgebieden heen op grond van zelfstandig wetenschappelijk onderzoek met inbegrip van de kunsten en het proefschrift moet kunnen leiden tot wetenschappelijke publicaties.

§ 8. Hierna wordt onder 'hoger professioneel onderwijs' verstaan de professioneel gerichte bacheloropleidingen en onder 'academisch onderwijs' de academisch gerichte bacheloropleidingen, de masteropleidingen en de voorbereiding van het doctoraatsproefschrift.

Hoofdstuk 2. Opleidingenaanbod

Art. II.59.

§ 1. De hogescholen bieden in het hoger beroepsonderwijs opleidingen aan die leiden tot het diploma van gegradueerde overeenkomstig bepalingen, vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

§ 2. De hogescholen bieden in het hoger professioneel onderwijs opleidingen aan die leiden tot de graad van bachelor.

§ 3. De hogescholen bieden binnen een School of Arts opleidingen aan in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, en Muziek en podiumkunsten die :

1° in het hoger beroepsonderwijs leiden tot het diploma van gegradueerde;

2° in het hoger professioneel onderwijs leiden tot de graad van bachelor; 3° in het academisch onderwijs leiden tot de graad van bachelor of de graad van master.

§ 4. De Hogere Zeevaartschool biedt in het studiegebied Nautische wetenschappen opleidingen aan die :

1° in het hoger beroepsonderwijs leiden tot het diploma van gegradueerde;

2° in het hoger professioneel onderwijs leiden tot de graad van bachelor;

3° in het academisch onderwijs leiden tot de graad van bachelor of de graad van master.

Art. II.60.

De universiteiten bieden in het academisch onderwijs opleidingen aan die leiden tot de graad van bachelor of de graad van master.

Art. II.61.

De universiteiten en hogescholen bieden binnen de perken van de hun bij dit deel toegewezen onderwijsbevoegdheid de specifieke en gereglementeerde opleidingen aan die kunnen afgesloten worden met een postgraduaatgetuigschrift zoals bedoeld in artikel II.62, §1, of met een diploma van de overeenstemmende beroepstitel.

Art. II.62.

§ 1. Postgraduaatgetuigschriften kunnen door de hogescholen en de universiteiten uitgereikt worden na de succesvolle voltooiing van opleidingstrajecten met de studieomvang van ten minste 20 studiepunten. Het gaat om opleidingstrajecten die in het kader van de verdere professionele vorming, een verbreding c.q. verdieping beogen van de competenties verworven bij de voltooiing van een bachelor- of masteropleiding.

§ 2. De universiteiten en hogescholen organiseren in het kader van permanente vorming kortere opleidingstrajecten met het oog op de bij- en nascholing.

Ze bepalen zelf of in gemeenschappelijk overleg het kwalificatie- en certificeringskader voor deze na- en bijscholingen en maken dit openbaar.

Art. II.63.

§ 1. Opleidingen van het hoger beroepsonderwijs sluiten aan bij het secundair onderwijs.

§ 2. De opleidingen van het hoger beroepsonderwijs hebben een minimale globale duur van 2 jaar en een studieomvang van 90 of 120 studiepunten.

Art. II.64.

§ 1. Bacheloropleidingen sluiten aan bij het secundair onderwijs.

§ 2. De studieomvang van een bacheloropleiding bedraagt ten minste 180 studiepunten.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kunnen hogescholen in het hoger professioneel onderwijs bacheloropleidingen aanbieden waarvan de studieomvang ten minste 60 studiepunten bedraagt en die volgen op een andere bacheloropleiding.

Art. II.65.

§ 1. Masteropleidingen sluiten aan op bacheloropleidingen in het academisch onderwijs of volgen op andere masteropleidingen.

§ 2. De studieomvang van een masteropleiding bedraagt ten minste 60 studiepunten.

Hoofdstuk 3. Opleidingsprogramma

Art. II.66.

Een opleiding heeft een studieomvang van 60 studiepunten of een veelvoud daarvan, met uitzondering van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs en de masteropleidingen, waarvoor een veelvoud van 30 mogelijk is.

Art. II.67.

Het instellingsbestuur bepaalt voor elke opleiding een opleidingsprogramma dat bestaat uit een samenhangend geheel van opleidingsonderdelen.

Bij de vaststelling van het opleidingsprogramma leeft het instellingsbestuur de bij of krachtens de wet, het decreet of de Europese richtlijnen vastgelegde voorwaarden na die de toegang tot bepaalde ambten of beroepen reguleren.

De Vlaamse Regering kan bij besluit nadere regels vastleggen voor de toepassing van deze bepalingen.

Wat betreft de opleidingen die leiden tot de beroepen van arts, huisarts, verantwoordelijk algemeen ziekenverple(e)g(st)er, tandarts, dierenarts, vroedvrouw, apotheker en architect leeft het instellingsbestuur bij de vaststelling van het opleidingsprogramma de vereisten na bepaald in de Europese richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties. De instellingsbesturen geven in hun onderwijsreglement duidelijk aan hoe zij in hun opleidingsprogramma's beantwoorden aan de voorwaarden uiteengezet in de richtlijn.

De accreditatieorganisatie bevestigt in haar accreditatierapport en in haar accreditatiebesluit, bedoeld in artikel II.147, of het instellingsbestuur bij het vaststellen van de opleidingsprogramma's de betreffende Europese richtlijn al dan niet heeft nageleefd. De accreditatieorganisatie neemt dat besluit op grond van de gepubliceerde externe beoordeling van de opleiding.

De Vlaamse Regering publiceert de Europese richtlijn 2005/36/EG van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, inclusief de bijlagen in het Belgisch Staatsblad.

Art. II.68.

De instelling schrijft voor elke opleiding en voor elk opleidingsonderdeel leerresultaten uit.

Op basis van de niveaudescriptoren zoals bepaald in artikel II.141, schrijven de instellingen onder coördinatie van de Vlaamse Hogescholenraad en de Vlaamse Interuniversitaire Raad daarenboven gezamenlijk de domeinspecifieke leerresultaten uit. Zij waarborgen de toepassing van Vlaamse, federale en internationale regelgeving over beroepsuitoefening.

Die beschrijving van de domeinspecifieke leerresultaten wordt gevalideerd door de accreditatieorganisatie.

De Vlaamse Regering kan daarvoor nadere regels uitwerken.

De in het tweede lid vermelde opmaak van domeinspecifieke leerresultaten geldt niet voor de graad van doctor.

Art. II.69.

Het instellingsbestuur drukt de studieomvang van elk opleidingsonderdeel uit in gehele studiepunten.

De studieomvang van een opleidingsonderdeel bedraagt ten minste 3 studiepunten.

Art. II.70.

Het instellingsbestuur kan een opleiding of een opleidingsonderdeel geheel of gedeeltelijk in de vorm van afstandsonderwijs aanbieden.

Het instellingsbestuur ontwikkelt daartoe geschikt studie- en leermateriaal en organiseert daartoe geschikte begeleiding.

Hoofdstuk 4. Studiegebieden, graden en titels

Art. II.71.

§ 1. De hogescholen kunnen in het hoger beroepsonderwijs en in het hoger professioneel onderwijs opleidingen organiseren en de overeenstemmende diploma's van gegradueerde, [overeenkomstig het bepaalde in het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs,] respectievelijk de graden van bachelor verlenen in of over de volgende studiegebieden :

1° Architectuur;

2° Gezondheidszorg;

3° Industriële wetenschappen en technologie;

4° Biotechniek;

5° Onderwijs;

6° Sociaal-agogisch werk;

7° Handelswetenschappen en bedrijfskunde.

§ 2. De hogescholen kunnen binnen een School of Arts in het hoger beroepsonderwijs, in het hoger professioneel onderwijs en in het academisch onderwijs opleidingen aanbieden en de overeenstemmende diploma's van gegradueerde, de overeenstemmende graden van bachelor, respectievelijk van bachelor en master verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Audiovisuele en beeldende kunst;

2° Muziek en podiumkunsten.

§ 3. De Hogere Zeevaartschool kan in het hoger beroepsonderwijs, in het hoger professioneel onderwijs en in het academisch onderwijs opleidingen aanbieden en de overeenstemmende diploma's van gegradueerde, respectievelijk de graden van bachelor en van bachelor en master verlenen in het studiegebied Nautische wetenschappen.

§ 4. Met ingang van het academiejaar 2013-2014 dragen de hogescholen hun bevoegdheid inzake het aanbieden van academische opleidingen en het verlenen van de overeenstemmende graden van bachelor en master in de volgende studiegebieden over aan de universiteit van de associatie :

1° Architectuur;

2° Gezondheidszorg;

3° Industriële wetenschappen en technologie;

4° Biotechniek;

5° Productontwikkeling;

6° Toegepaste taalkunde;

7° Handelswetenschappen en bedrijfskunde.

Met ingang van het academiejaar 2013-2014 kunnen de hogescholen in het academisch onderwijs niet langer opleidingen aanbieden en de overeenstemmende graden van bachelor en master verlenen in de in het eerste lid vermelde studiegebieden.

Decr. 25-4-2014

Art. II.72.

De professioneel gerichte opleidingen "bachelor in de audiovisuele technieken: beeld, geluid en montage" en "bachelor in de audiovisuele technieken: assistentie", gerangschikt in het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie en aangeboden door de Erasmushogeschool Brussel, worden vanaf het academiejaar 2013-2014 samengevoegd tot 1 opleiding, namelijk de professioneel gerichte opleiding "bachelor in de audiovisuele kunsten". Deze opleiding wordt gerangschikt in het studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst van het hoger professioneel onderwijs.

De academisch gerichte opleidingen "bachelor in de conservatie-restauratie" en "master in de conservatie-restauratie", gerangschikt in het studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst en aangeboden door de Artesis Hogeschool Antwerpen worden vanaf het academiejaar 2013-2014 gerangschikt in het studiegebied Conservatie-restauratie in het academisch onderwijs.

De academisch gerichte opleidingen "bachelor in het milieu- en preventiemanagement" en "master in het milieu-en preventiemanagement", gerangschikt in het studiegebied Gezondheidszorg en aangeboden door de HUB-EHSAL, worden vanaf het academiejaar 2013-2014 gerangschikt in het studiegebied Sociale gezondheidswetenschappen in het academisch onderwijs.

Art. II.73.

§ 1. De universiteiten kunnen in het academisch onderwijs opleidingen aanbieden en de overeenstemmende graden van bachelor en master verlenen in of over de volgende studiegebieden :

1° Wijsbegeerte en moraalwetenschappen;

2° Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht;

3° Taal- en letterkunde;

4° Geschiedenis;

5° Archeologie en kunstwetenschappen;

6° Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen;

7° Psychologie en pedagogische wetenschappen;

8° Economische en toegepaste economische wetenschappen;

9° Politieke en sociale wetenschappen;

10° Sociale gezondheidswetenschappen;

11° Bewegings- en revalidatiewetenschappen;

12° Wetenschappen;

13° Toegepaste wetenschappen;

14° Toegepaste biologische wetenschappen;

15° Geneeskunde;

16° Tandheelkunde;

17° Diergeneeskunde;

18° Farmaceutische wetenschappen;

19° Biomedische wetenschappen;

20° Verkeerskunde.

Vanaf het academiejaar 2013-2014 kunnen de universiteiten in het academisch onderwijs ook opleidingen aanbieden en de overeenstemmende graden van bachelor en master verlenen in of over de volgende studiegebieden :

1° Architectuur;

2° Industriële wetenschappen en technologie;

3° Biotechniek;

4° Productontwikkeling;

5° Toegepaste taalkunde;

6° Handelswetenschappen en bedrijfskunde;

7° Conservatie-restauratie.

§ 2. De universiteiten die krachtens het bepaalde in artikel II.78 tot II.82 in bepaalde studiegebieden enkel bacheloropleidingen mogen aanbieden, kunnen slechts in of over deze studiegebieden heen in het academisch onderwijs masteropleidingen aanbieden die alleen openstaan voor diegene die al een masteropleiding heeft voltooid en kunnen slechts de overeenstemmende graden van master verlenen indien zij hierover een samenwerkingsovereenkomst sluiten met een andere universiteit die krachtens artikel II.77 tot II.82 in het betrokken studiegebied of over de betrokken studiegebieden heen masteropleidingen kan aanbieden. Voor de toepassing van deze paragraaf worden de transnationale Universiteit Limburg en de Universiteit Hasselt als 1 universiteit beschouwd.

§ 3. De universiteiten kunnen de graad van doctor verlenen in of over de studiegebieden of delen van studiegebieden heen waarin zij krachtens artikel II.78 tot II.82 de bevoegdheid hebben tot het aanbieden van opleidingen die leiden tot de graad van master.

De universiteiten die in bepaalde studiegebieden of delen van studiegebieden enkel bacheloropleidingen kunnen aanbieden, kunnen de graad van doctor verlenen in of over deze studiegebieden of delen van studiegebieden heen op voorwaarde dat de openbare verdediging van het proefschrift zoals bedoeld in artikel II.251 gebeurt voor een interuniversitaire jury die wordt samengesteld in overleg met een universiteit die krachtens artikel II.78 tot II.82 in het betrokken studiegebied of deel van een studiegebied masteropleidingen kan aanbieden.

§ 4. De universiteit waaraan een hogeschool de bevoegdheid, vermeld in artikel II.71, §4, heeft overgedragen, oefent die bevoegdheid uit conform de bepalingen, vermeld in artikel II.78 tot en met II.82.

§ 5. De universiteit treedt na de overdracht van de bevoegdheden, vermeld in artikel II.71, §4, in de rechten en verplichtingen van de hogeschool die haar bevoegdheden heeft overgedragen aan de universiteit, en dit ten aanzien van de overgedragen bevoegdheden, met inbegrip van de aan de betrokken opleidingen gerelateerde onderzoekscontracten en contracten in het kader van de maatschappelijke dienstverlening.

§ 6. Naar aanleiding van de overdracht van de desbetreffende opleidingen sluiten de hogeschool en de universiteit een overeenkomst waarin ten minste afspraken gemaakt worden over de overdracht, de ter beschikking stelling en het gebruik van infrastructuur en onroerende goederen, en over financiële aangelegenheden.

Voor wat betreft het luik financiering bevat de overeenkomst ten minste een regeling over een eventuele overdracht tussen de hogeschool en universiteit van een deel van de werkingsuitkeringen voor de periode vanaf de start van het academiejaar 2013-2014 tot en met 31 december 2013.

In functie van de samenwerking tussen een universiteit en een hogeschool met betrekking tot de overgenomen opleidingen kan voor de periode vanaf 1 januari 2014 in de overeenkomst bepaald worden welk deel van de werkingsuitkering van de universiteit bestemd blijft als werkingsuitkering voor de hogeschool. In de overeenkomst worden daartoe de algemene principes van die samenwerking vastgelegd en de jaarlijkse invulling ervan wordt via de begroting van de hogeschool en universiteit gerealiseerd.

§ 7. De universiteiten voorzien in aangepaste overgangs- en begeleidingsmaatregelen, opdat studenten die vóór het academiejaar 2013-2014 gestart zijn in een academische opleiding aan een hogeschool, die met ingang van het academiejaar 2013-2014 overgedragen wordt naar een universiteit, hun opleiding kunnen voltooien. Dat betekent minimaal dat :

1° de universiteit de credits die de student verworven heeft in de desbetreffende opleiding in de hogeschool en de studiepunten waarvoor de student gedelibereerd is, overneemt. Die credits en gedelibereerde studiepunten worden geacht verworven of gedelibereerd te zijn in de ontvangende universiteit;

2° de universiteit de vrijstellingen voor een opleidingsonderdeel of voor een deel ervan overneemt die de student verkregen heeft voor de desbetreffende opleiding.

Voor het academiejaar 2013-2014 maken de universiteit en de hogeschool gezamenlijk afspraken over de toepassing van artikel II.222, 7°, 9° en 10°. Bij gebrek aan een overeenkomst tussen de twee partijen neemt de universiteit ten minste gedurende het academiejaar 2013-2014 het examenreglement met betrekking tot artikel II.222, 7°, 9° en 10°, die van toepassing is op het moment van de overdracht, over voor die studenten die vóór het academiejaar 2013-2014 gestart zijn in een academische hogeschoolopleiding.

§ 8. Studenten in een academisch opleiding die met ingang van het academiejaar 2013-2014 overgedragen wordt aan een universiteit en die in het academiejaar 2012-2013 begeleiding in het kader van geïntegreerd onderwijs (GON) genoten, kunnen gebruik blijven maken van gon-begeleiding zolang ze een overgedragen opleiding volgen, mits ze beantwoorden aan de voorwaarden om gon-begeleiding te krijgen.

Art. II.74.

Een universiteit kan in of over de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, Muziek en podiumkunsten, en Nautische wetenschappen, of in of over delen van die studiegebieden heen de graad van doctor verlenen als het doctoraatsproject ingebed is in een gemeenschappelijke onderzoeksomgeving van de universiteit en 1 of meer hogescholen. De betrokken hogescholen hebben krachtens artikel II.83 tot en met II.101 de bevoegdheid om binnen het bedoelde studiegebied opleidingen aan te bieden die leiden tot de graad van master.

Art. II.75.

§ 1. Alleen diegene aan wie overeenkomstig deze codificatie de graad van bachelor, master of doctor (doctor of philosophy met afkorting PhD of dr) is verleend met of zonder nadere specificatie, is gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van bachelor, master of doctor met of zonder nadere specificatie.

[De personen die in het bezit zijn van een diploma van een Nederlandse bachelor- of masteropleiding dat overeenkomstig het Protocol tot wijziging van het Verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 12 december 2012 en te Brussel op 16 januari 2013, goedgekeurd bij decreet van 29 november 2013, gelijk werd gesteld met de overeenkomstige Vlaamse bachelor- of masteropleiding, zijn gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van bachelor of master met of zonder de in Nederland wettige specificatie.

De personen die in het bezit zijn van een buitenlands diploma van hoger onderwijs dat in toepassing van artikel II.255, § 1, bij besluit van de Vlaamse Regering als gelijkwaardig werd erkend met de graad van bachelor, master of doctor, zijn gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van bachelor, master of doctor met of zonder de in het land van oorsprong wettige specificatie.

De personen die in het bezit zijn van een buitenlandse diploma van hoger onderwijs dat in toepassing van artikel II.255, § 2, als gelijkwaardig werd erkend met de graad van bachelor of master, zijn gerechtigd tot het voeren van de overeenkomstige titel van bachelor of master met of zonder de in het land van oorsprong wettige specificatie.]

§ 2. Alleen volgende personen kunnen de titel van licentiaat voeren :

1° de houders van de graad van master in de opleidingen en studiegebieden waarvoor paragraaf 3 niet van toepassing is;

2° de personen aan wie deze titel is verleend door een daartoe op grond van de onderwijsregelgeving bevoegde instelling;

[3° de personen die in het bezit zijn van een diploma van een Nederlandse masteropleiding dat overeenkomstig het Protocol tot Wijziging van het Verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 12 december 2012 en te Brussel op 16 januari 2013, goedgekeurd bij decreet van 29 november 2013, gelijk werd gesteld met de overeenkomstige Vlaamse masteropleiding;

4° de personen die in het bezit zijn van een buitenlands diploma van een masteropleiding onderwijs dat in toepassing van artikel II.255, § 1, bij besluit van de Vlaamse Regering als gelijkwaardig werd erkend met de graad van master;

5° de personen die in het bezit zijn van een buitenlandse diploma van een masteropleiding dat in toepassing van artikel II. 255, § 2, als gelijkwaardig werd erkend met de graad van master.]

§ 3. Alleen volgende personen kunnen de titel van gegradueerde voeren :

1° houders van de graad van bachelor in de opleidingen en studiegebieden bedoeld in artikel II.71, §1, en waarop paragraaf 2 niet van toepassing is;

2° de personen aan wie deze titel is verleend door een daartoe op grond van de onderwijsregelgeving bevoegde instelling.

3° houders van het diploma van gegradueerde (in het Engels vertaald als associate degree), uitgereikt in het hoger beroepsonderwijs.

§ 4. Alleen personen aan wie de graad van geaggregeerde werd verleend door een daartoe op grond van de onderwijsregelgeving bevoegde instelling, mogen de titel van geaggregeerde voeren.

§ 5. Degene aan wie op grond van een examen aan een niet in de Vlaamse Gemeenschap gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend van bachelor, master of doctor (doctor of philosophy, met afkorting PhD of dr) en die gerechtigd is die graad in het betreffende land als titel te voeren, is eveneens gerechtigd die graad als titel te voeren in de Vlaamse Gemeenschap op dezelfde wijze als in het betreffende land met aanduiding van de instelling van hoger onderwijs die de graad heeft verleend.

§ 6. Diegene die zonder daartoe gerechtigd te zijn de graden van bachelor of master met of zonder specificatie of doctor (doctor of philosophy met afkorting PhD of dr) of de graden en titels genoemd in paragraaf 2, 3 en in artikel II.76 verleent, wordt gestraft met een gevangenisstraf van 8 dagen tot 3 maanden en met een boete van 125 tot 500 euro of slechts met 1 van die straffen.

§ 7. Diegene die zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van bachelor of master met of zonder nadere specificatie of doctor (doctor of philosophy met afkorting PhD of dr) of de graden en titels genoemd in paragraaf 2, 3 en in artikel II.76 voert in strijd met deze codificatie, wordt gestraft met een boete van 125 tot 500 euro.

§ 8. De toevoeging van de specificaties "of Arts", "of Science", "of Laws", "of Medicine", "of Veterinary Science", "of Veterinary Medicine" of "of Philosophy" en de afkortingen, vermeld in artikel II.77, genieten dezelfde bescherming als de graad zelf en de met de graad verbonden titel.

§ 9. De afkorting 'ing' is voorbehouden voor diegene die gerechtigd is tot het voeren van de titel van industrieel ingenieur.

§ 10. De afkorting 'ir' is voorbehouden voor diegene die gerechtigd is tot het voeren van de titel van burgerlijk ingenieur, burgerlijk ingenieur-architect of bio-ingenieur.

[§ 11. De personen die in het bezit zijn van een diploma van een Nederlandse masteropleiding dat overeenkomstig het Protocol tot wijziging van het Verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en het Vlaamse hoger onderwijs, ondertekend te Den Haag op 12 december 2012 en te Brussel op 16 januari 2013, goedgekeurd bij decreet van 29 november 2013, gelijk werd gesteld met de overeenkomstige Vlaamse masteropleiding, en die in Nederland er toe gerechtigd zijn de afkorting `ing' of `ir' vóór of na hun naam te plaatsen, zijn er toe gerechtigd deze afkorting ook in Vlaanderen te gebruiken.]

Decr. 17-6-2016

Art. II.76.

§ 1. Diegene die gerechtigd is de titel van bachelor te voeren mag naast die titel ook 1 van hierna genoemde titels voeren indien hij in het genoemde studiegebied de door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding heeft voltooid: 1° Gezondheidszorg: vroedvrouw, verantwoordelijk algemeen ziekenverple(e)g(st)er; 2° Sociaal-agogisch werk: maatschappelijk assistent.

De personen aan wie de in het eerste lid bedoelde titels zijn verleend door een daartoe op grond van de onderwijsregelgeving bevoegde instelling, zijn tevens gerechtigd deze titels te voeren.

§ 2. Diegene die ertoe gerechtigd is de titel van master te voeren mag naast die titel ook 1 van de hierna genoemde titels voeren indien hij in het genoemde studiegebied de door de Vlaamse Regering bepaalde opleiding of afstudeerrichting binnen een opleiding heeft voltooid :

1° Architectuur : architect en interieurarchitect;

2° Industriële wetenschappen en technologie : industrieel ingenieur;

3° Biotechniek : industrieel ingenieur;

4° Handelswetenschappen en bedrijfskunde : handelsingenieur;

5° Audiovisuele en beeldende kunst : meester;

6° Muziek en podiumkunsten : meester;

7° Economische en toegepaste economische wetenschappen : handelsingenieur;

8° Toegepaste wetenschappen : burgerlijk ingenieur en burgerlijk ingenieur-architect;

9° Toegepaste biologische wetenschappen : bio-ingenieur;

10° Geneeskunde : arts;

11° Tandheelkunde : tandarts;

12° Diergeneeskunde : dierenarts;

13° Farmaceutische wetenschappen : apotheker.

Indien de opleiding gerangschikt is over 2 of meer studiegebieden waarvan ten minste 1 hiervoor genoemd is, dan mag diegene die ertoe gerechtigd is de titel van master te voeren naast die titel ook 1 van de hiervoor genoemde titels voeren indien hij binnen deze opleiding een door de Vlaamse Regering bepaalde afstudeerrichting heeft voltooid.

De personen aan wie de in het eerste lid bedoelde titels zijn verleend door een daartoe op grond van de onderwijsregelgeving bevoegde instelling, zijn tevens gerechtigd deze titels te voeren.

Art. II.77.

De Vlaamse Regering stelt, in functie van de internationale herkenbaarheid, na advies van de VLUHR en de studentenkoepelverenigingen, de lijst vast van de bachelor- en mastergraden in het academisch onderwijs waaraan de specificatie "of Arts", "of Science", "of Laws", "of Medicine", "of Veterinary Science", "of Veterinary Medicine" of "of Philosophy"mag toegevoegd worden. De adviezen worden geacht gegeven te zijn indien ze niet verstrekt werden binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn.

De onderstaande afkortingen zijn voor de volgende categorieën voorbehouden :

1° Ba voor diegene die gerechtigd is tot het voeren van de graad van bachelor;

2° Ma voor diegene die gerechtigd is tot het voeren van de graad van master;

3° BA voor diegene die gerechtigd is tot het voeren van de graad van bachelor met de specificatie "of Arts";

4° MA voor diegene die gerechtigd is tot het voeren van de graad van master met de specificatie "of Arts";

5° BSc voor diegene die gerechtigd is tot het voeren van de graad van bachelor met de specificatie "of Science";

6° MSc voor diegene die gerechtigd is tot het voeren van de graad van master met de specificatie "of Science";

7° LL.B voor diegene die gerechtigd is tot het voeren van de graad van bachelor met de specificatie "of Laws";

8° LL.M voor diegene die gerechtigd is tot het voeren van de graad van master met de specificatie "of Laws";

9° MMed voor diegene die gerechtigd is tot het voeren van de graad van master met de specificatie "of Medicine";

10° BVetSc voor diegene die gerechtigd is tot het voeren van de graad van bachelor met de specificatie "of Veterinary Science";

11° MVetMed voor diegene die gerechtigd is tot het voeren van de graad van master met de specificatie "of Veterinary Medicine";

12° MPhil voor diegene die gerechtigd is tot het voeren van de graad van master met de specificatie "of Philosophy".

Hoofdstuk 5. Onderwijsbevoegdheid

Art. II.78.

§ 1. De Katholieke Universiteit Leuven kan in het administratief arrondissement Leuven academisch gerichte opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in of over de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Wijsbegeerte en moraalwetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

2° Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

3° Taal- en letterkunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

4° Geschiedenis, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

5° Archeologie en kunstwetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

6° Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

7° Psychologie en pedagogische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

8° Economische en toegepaste economische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

9° Politieke en sociale wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

10° Sociale gezondheidswetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

11° Bewegings- en revalidatiewetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

12° Wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

13° Toegepaste wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

14° Toegepaste biologische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

15° Geneeskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

16° Tandheelkunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

17° Farmaceutische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

18° Biomedische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

19° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.

§ 2. Op het grondgebied van de stad Kortrijk kan de Katholieke Universiteit Leuven academisch gerichte opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in of over de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Taal- en letterkunde, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;

2° Geschiedenis, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Rechten, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Wetenschappen, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;

5° Geneeskunde, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;

6° Toegepaste economische wetenschappen, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;

7° Biomedische wetenschappen, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;

8° Onderwijskunde, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend.

§ 3. In de vestiging Brussel-Hoofdstad kan de Katholieke Universiteit Leuven academisch gerichte opleidingen aanbieden en de graden die daarop betrekking hebben, verlenen in of over de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Architectuur, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

2° Sociale gezondheidswetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

4° Toegepaste taalkunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

5° Rechten, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend. Daarbij kan de graad van master enkel en alleen verleend worden als het een master-na-masteropleiding betreft;

6° Taal- en letterkunde, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;

7° Economische en toegepaste economische wetenschappen, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend.

§ 4. In de vestiging Gent kan de Katholieke UniversiteIt Leuven academisch gerichte opleidingen aanbieden en de graden die daarop betrekking hebben, verlenen in of over de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Architectuur, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

2° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.

§ 5. In de vestiging Oostende kan de Katholieke Universiteit Leuven academisch gerichte opleidingen aanbieden en de graden die daarop betrekking hebben, verlenen in of over het studiegebied of delen van het studiegebied Industriele wetenschappen en technologie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.

Op een door de Vlaamse Regering vastgesteld moment kan de Katholieke Universiteit Leuven deze onderwijsbevoegdheid overdragen naar de vestiging Brugge.

§ 6. In de vestiging Geel kan de Katholieke Universiteit Leuven academisch gerichte opleidingen aanbieden en de graden die daarop betrekking hebben, verlenen in of over de volgende studiegebieden of delen van studiegebIeden :

1° Biotechniek, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

2° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.

§ 7. In de vestiging Diepenbeek kan de Katholieke Universiteit Leuven academisch gerichte opleidingen aanbieden en de graden die daarop betrekking hebben, verlenen in of over het studiegebied of delen van het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.

§ 8. In de vestiging Aalst kan de Katholieke Universiteit Leuven academisch gerichte opleidingen aanbieden en de graden die daarop betrekking hebben, verlenen in of over het studiegebied of delen van het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.

§ 9. In de vestiging Antwerpen kan de Katholieke Universiteit Leuven academisch gerichte opleidingen aanbieden en de graden die daarop betrekking hebben, verlenen in of over de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

2° Toegepaste taalkunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.

§ 10. In de vestiging Sint-Katelijne-Waver kan de Katholieke Universiteit Leuven academisch gerichte opleidingen aanbieden en de graden die daarop betrekking hebben, verlenen in of over het studiegebied of delen van het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.

§ 11. In de vestiging Brugge kan de Katholieke Universiteit Leuven academisch gerichte opleidingen aanbieden en de graden die daarop betrekking hebben, verlenen in of over het studiegebied of delen van het studiegebied Revalidatiewetenschappen, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend.

[In de vestiging Brugge kan de Katholieke Universiteit Leuven academisch gerichte bacheloropleidingen aanbieden in of over het studiegebied of delen van het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie.]

IN VOEGE VANAF 1/10/2017 (B.Vl.R. 22-5-2015 - B.S. 23-6-2015; Art. 1 en 2) : "1° paragraaf 5 wordt opgeheven (met ingang van het academiejaar 2017-2018); 3° aan paragraaf 11 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "In de vestiging Brugge kan de Katholieke Universiteit Leuven academisch gerichte opleidingen aanbieden en de graden die daarop betrekking hebben, verlenen in of over het studiegebied of delen van het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend." (met ingang van het academiejaar 2017-2018)

Decr. 22-5-2015

Art. II.79.

§ 1. De transnationale Universiteit Limburg kan academisch gerichte opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in of over de studiegebieden of delen van studiegebieden zoals bepaald in het verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de transnationale Universiteit Limburg, ondertekend te Maastricht op 18 januari 2001 en goedgekeurd bij het decreet van 13 juli 2001.

Daarnaast kan de tUL een academisch gerichte opleiding aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden van bachelor en master verlenen in het studiegebied Rechten.

§ 2. De Universiteit Hasselt kan in het administratief arrondissement Hasselt academisch gerichte opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in of over de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Toegepaste economische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

2° Wetenschappen, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Geneeskunde, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Verkeerskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

5° Revalidatiewetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

6° Architectuur, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

7° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

8° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.

Art. II.80.

De Universiteit Antwerpen kan in het administratief arrondissement Antwerpen academisch gerichte opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in of over de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Wijsbegeerte, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

2° Taal- en letterkunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

3° Geschiedenis, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

4° Rechten, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

5° Onderwijskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

6° Toegepaste Economische Wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

7° Politieke en Sociale Wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

8° Wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

9° Toegepaste Biologische Wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend op voorwaarde dat omtrent de organisatie van het onderwijs in de masteropleiding en bijhorend onderzoek een samenwerkingsakkoord is gesloten met een andere universiteit die in dit studiegebied onderwijsbevoegdheid heeft. Het samenwerkingsakkoord vernoemt uitdrukkelijk de kwalificatie die aan de graad wordt toegevoegd;

10° Geneeskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

11° Diergeneeskunde, waarvoor de graad van bachelor kan worden verleend;

12° Farmaceutische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

13° Biomedische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

14° Revalidatiewetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

15° Architectuur, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

16° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

17° Productontwikkeling, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

18° Toegepaste taalkunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

19° Conservatie-restauratie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.

Art. II.81.

§ 1. De Universiteit Gent kan in het administratief arrondissement Gent academisch gerichte opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in of over de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Wijsbegeerte en moraalwetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

2° Taal- en letterkunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

3° Geschiedenis, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

4° Archeologie en kunstwetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

5° Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

6° Psychologie en pedagogische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

7° Economische en toegepaste economische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

8° Politieke en sociale wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

9° Sociale gezondheidswetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

10° Bewegings- en revalidatiewetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

11° Wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

12° Toegepaste wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

13° Toegepaste biologische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

14° Geneeskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

15° Tandheelkunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

16° Diergeneeskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

17° Farmaceutische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

18° Biomedische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

19° Biotechniek, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

20° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

21° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

22° Toegepaste taalkunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.

§ 2. In de vestiging Kortrijk kan de Universiteit Gent academisch gerichte opleidingen aanbieden en de graden die daarop betrekking hebben, verlenen in of over het studiegebied of delen van het studiegebied Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.

Art. II.82.

De Vrije Universiteit Brussel kan in het gerechtelijk arrondissement Brussel academisch gerichte opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in of over de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :

1° Wijsbegeerte en moraalwetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

2° Taal- en letterkunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

3° Geschiedenis, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

4° Archeologie en kunstwetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

5° Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

6° Psychologie en pedagogische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

7° Economische en toegepaste economische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

8° Politieke en sociale wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

9° Sociale gezondheidswetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

10° Bewegings- en revalidatiewetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

11° Wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

12° Toegepaste wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

13° Toegepaste biologische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

14° Geneeskunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

15° Tandheelkunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

16° Farmaceutische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

17° Biomedische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

18° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;

19° Toegepaste taalkunde, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.

Art. II.83.

De Arteveldehogeschool kan in de vestiging Gent opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

2° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

5° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.

Art. II.84.

[§ 1. [[Odisee]] kan in de vestiging Brussel-Hoofdstad en Dilbeek opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

2° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.

§ 2. [[Odisee]] kan in de vestigingen Gent, Sint-Niklaas en Aalst opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Biotechniek, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

2° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

5° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.]

B.Vl.R. 20-12-2013; [[ ]] B.Vl.R. 5-9-2014

Art. II.85.

De Erasmushogeschool Brussel kan in de vestiging Brussel-Hoofdstad en Vilvoorde opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Architectuur, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

2° Audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;

3° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

5° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

6° Muziek en podiumkunsten, waarvoor :

a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;

b) in het academisch onderwijs de graden van bachelor of master kunnen worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;

7° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

8° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.

Art. II.86.

[...]

Decr. 19-6-2015

Art. II.87.

De Hogere Zeevaartschool kan in de vestiging Antwerpen opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in het studiegebied Nautische wetenschappen, waarvoor :

a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

b) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.

Art. II.88.

De Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen kan in de vestigingen Antwerpen, Turnhout, Mechelen en Lier opleidingen aanbieden en de graden die daarop betrekking hebben, verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;

2° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

5° Muziek en podiumkunsten, waarvoor :

a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;

b) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;

6° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

7° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.

De Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen kan in de vestiging Boom opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

2° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

5° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.

Art. II.89.

De Hogeschool Gent kan in de vestigingen Gent en Aalst opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Architectuur, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

2° Audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;

3° Biotechniek, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

5° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

6° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

7° Muziek en podiumkunsten, waarvoor in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;

8° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

9° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.

Art. II.90.

De Hogeschool PXL kan in de vestiging Hasselt opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;

2° Biotechniek, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

5° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

6° Muziek en podiumkunsten, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;

7° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

8° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.

Art. II.91.

De Hogeschool West-Vlaanderen kan in de vestigingen Brugge, Oostende en Kortrijk opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Architectuur, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

2° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

5° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

6° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.

Art. II.92.

[§ 1. De LUCA School of Arts kan in de vestigingen Brussel-Hoofdstad, Leuven en Gent opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° architectuur, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

2° audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor :

a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;

b) in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;

3° industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° muziek en podiumkunsten, waarvoor in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts.

§ 2. De LUCA School of Arts kan in de vestiging Diepenbeek opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in het studiegebied audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts.]

Decr. 25-4-2014

Art. II.93.

De Karel de Grote-Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen kan in de vestiging Antwerpen opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;

2° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

5° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

6° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.

Art. II.94.

De Katholieke Hogeschool Vives Noord kan in de vestigingen Brugge en Oostende opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

2° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.

Art. II.95.

De Thomas More Kempen kan in de vestigingen Vorselaar, Turnhout, Geel en Lier opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Biotechniek, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

2° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

5° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

6° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.

Art. II.96.

[UC Leuven] kan in de vestigingen Leuven en Diest opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

2° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

5° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.

B.Vl.R. 19-12-2014

Art. II.97.

[UC Limburg]² kan in de vestiging Diepenbeek opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1°[...]¹

2° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

5° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

6° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.

[ ]¹ Decr. 25-4-2014; [ ]² B.Vl.R. 19-12-2014

Art. II.98.

[§ 1. Thomas More Mechelen-Antwerpen kan in de vestigingen Mechelen en Sint-Katelijne-Waver opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Architectuur, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

2° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

5° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.

§ 2. Thomas More Mechelen-Antwerpen kan in de vestiging Antwerpen opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

2° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.]

B.Vl.R. 20-12-2013

Art. II.99.

[...]

B.Vl.R. 20-12-2013

Art. II.100.

De Katholieke Hogeschool Vives Zuid kan in de vestigingen Kortrijk, Tielt, Roeselare en Torhout opleidingen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden verlenen in de volgende studiegebieden :

1° Biotechniek, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

2° Gezondheidszorg, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

3° Handelswetenschappen en bedrijfskunde, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

4° Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

5° Onderwijs, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;

6° Sociaal-agogisch werk, waarvoor in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend.

Art. II.101.

[...]

B.Vl.R. 20-12-2013

Art. II.102.

§ 1. De Vlaamse Regering legt een lijst vast van de bachelor- en masteropleidingen die per instelling aangeboden worden in overeenstemming met de onderwijsbevoegdheid zoals vastgelegd in de artikelen II.78 tot en met II.101. Deze lijst bevat per instelling en per studiegebied, deel van een studiegebied of cluster van studiegebieden, de volgende gegevens :

1° graad en kwalificatie van de betrokken opleiding;

2° afstudeerrichtingen binnen de betrokken opleidingen;

3° vestiging waar de betrokken opleiding of afstudeerrichting aangeboden wordt.

De eerste lijst geeft de situatie weer van het academiejaar 2010-2011.

§ 2. Vanaf het academiejaar 2013-2014 past de Vlaamse Regering de lijst, bedoeld in paragraaf 1, jaarlijks aan op basis van :

1° de beslissing van de Vlaamse Regering houdende erkenning van een nieuwe opleiding;

2° op voorstel van de algemene vergadering van de VLUHR die beslist volgens haar eigen beslissingsregels voor wat betreft :

a) wijzigingen in de benaming van de opleiding (kwalificatie);

b) wijzigingen in de aard (statuut) van de opleiding;

c) wijzigingen aan afstudeerrichtingen die binnen een bepaalde opleiding kunnen worden aangeboden;

d) verandering van vestiging binnen een hogeschool binnen het kader van de artikelen II.78 tot en met II.101;

e) het omvormen van een bachelor- of masteropleiding tot een gezamenlijk georganiseerde opleiding, waarbij de toetredende instelling de bachelor of masteropleiding op het ogenblik van omvorming niet aanbiedt, zoals vermeld in artikel II.166. In afwijking hiervan wordt bepaald dat de master in de Ergotherapeutische Wetenschap vanaf het academiejaar 2013-2014 gezamenlijk wordt aangeboden door de KU Leuven, de Universiteit Antwerpen, de Universiteit Hasselt en de Universiteit Gent;

f) het samenvoegen van twee of meerdere bacheloropleidingen of twee of meerdere masteropleidingen binnen een hogeschool of universiteit, zoals vermeld in artikel II.167. 3° een beslissing van het instellingsbestuur waarmee ze aangeeft deze opleiding niet langer in te richten;

4° een negatief accreditatiebesluit van de accreditatieorganisatie, na doorlopen van de procedure voor tijdelijke erkenning;

5° wijzigingen van benamingen of samenvoegingen van opleidingen die deel uitmaken van de uitvoering van door de Vlaamse Regering goedgekeurde rationalisatieplannen;

6° masteropleidingen die geselecteerd werden in overeenstemming met de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen een multi- of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld;

7° een positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs om een anderstalige bachelor- of masteropleiding te organiseren, en waar de Vlaamse Regering binnen een vervaltermijn van 45 dagen geen negatief oordeel heeft over gegeven.

§ 3. De Vlaamse Regering kan de lijst ook aanpassen om de noodzakelijke vergelijkbaarheid, duidelijkheid en transparantie in de benamingen te realiseren, op advies van de VLUHR.

§ 4. In afwijking van het krachtens dit artikel vastgelegde besluit is :

1° de vestiging van de professioneel gerichte bacheloropleiding "Bachelor in de grafische en digitale media", aangeboden door de Artesis Hogeschool Antwerpen vanaf het academiejaar 2012-2013 Antwerpen;

2° de vestiging van de professioneel gerichte bacheloropleiding "Bachelor in het vastgoed", aangeboden door de [Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen] vanaf het academiejaar 2015-2016 Antwerpen;

3° de vestiging van de professioneel gerichte bacheloropleiding "Bachelor in de elektromechanica", aangeboden door de [Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen] vanaf het academiejaar 2015-2016 Antwerpen.

Decr. 19-6-2015

Art. II.103.

De ambtshalve geregistreerde instellingen en de geregistreerde instellingen met hoofdzetel in Vlaanderen kunnen de opleidingen die ze bij of krachtens dit deel mogen aanbieden ook organiseren buiten het Belgische grondgebied en de daarop betrekking hebbende graden verlenen op voorwaarde dat :

1° die opleidingen afzonderlijk geaccrediteerd werden overeenkomstig dit deel en de accreditatieprocedure volgen van de Vlaamse opleiding, of die opleidingen afzonderlijk erkend zijn als nieuwe opleiding overeenkomstig dit deel als de instelling een nieuwe opleiding start buiten het Belgische grondgebied al dan niet gelijktijdig met eenzelfde opleiding in Vlaanderen;

2° die opleidingen voldoen aan de wettelijke bepalingen van het land van vestiging;

3° de opleidingen afzonderlijk worden geregistreerd in het Hogeronderwijsregister;

4° de kosten van die opleidingen integraal gedekt worden met andere middelen dan de middelen uit de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.

De in het vorige lid vermelde voorwaarde geldt niet voor de voortgezette academische opleidingen in afbouw en voor de opleidingen die door de instelling ook aangeboden worden in België en die aldaar genieten van een overgangsaccreditatie.

Art. II.104.

De ambtshalve geregistreerde instellingen, vermeld in artikel II.83 tot en met II.101, kunnen elk in de studiegebieden en de vestigingen waarbinnen ze opleidingen in het hoger professioneel onderwijs kunnen aanbieden en de daarop betrekking hebbende graden mogen verlenen, opleidingen van het hoger beroepsonderwijs aanbieden en de daarop betrekking hebbende diploma's van gegradueerde uitreiken.

Art. II.105.

Als ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs kan de Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee in het studiegebied godsdienstwetenschappen en godgeleerdheid de graden van bachelor, master en doctor verlenen.

Art. II.106.

Als ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs kan de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel in het studiegebied godsdienstwetenschappen en godgeleerdheid de graden van bachelor, master en doctor verlenen.

Hoofdstuk 6. Lerarenopleidingen

Afdeling 1. Algemeen

Art. II.107.

Met behoud van de toepassing van artikel II.67, bepalen de instellingsbesturen het opleidingsprogramma van de lerarenopleidingen op basis van de basiscompetenties. Het opleidingsprogramma omvat een theoretisch gedeelte en een praktijkcomponent.

De praktijkcomponent van het opleidingsprogramma omvat het geheel van praktijkgerichte onderwijsactiviteiten, preservicetraining en/of inservicetraining.

Art. II.108.

§ 1. Het beroepsprofiel van de leraar is de omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes van de leraar bij zijn beroepsuitoefening. Het beroepsprofiel bevat de taken die een ervaren leraar verricht en zal verrichten in het licht van maatschappelijke en andere ontwikkelingen, zoals de grootstedelijke context, de taalvaardigheid in het Nederlands, de meertaligheid en de diversificatie van het onderwijsgebeuren.

De Vlaamse Regering bepaalt het beroepsprofiel van de leraar op advies van de Vlaamse Onderwijsraad. De Vlaamse Regering legt het besluit binnen de 6 maand na definitieve goedkeuring ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement. Indien het Vlaams Parlement dit besluit niet bekrachtigt binnen de 6 maanden na definitieve goedkeuring, houdt het op rechtskracht te hebben.

§ 2. De basiscompetenties van de leraar zijn de omschrijving van de kennis, vaardigheden en attitudes, waarover iedere afgestudeerde moet beschikken om op een volwaardige manier als beginnend leraar te kunnen fungeren. De basiscompetenties stellen de leraar in staat door te groeien naar het beroepsprofiel en worden rechtstreeks afgeleid van het beroepsprofiel.

De Vlaamse Regering bepaalt de basiscompetenties op advies van de Vlaamse Onderwijsraad.

§ 3. [...]

Decr. 29-12-2015

Art. II.109.

Met behoud van de toepassing van artikel II.189, hebben met ingang van het academiejaar 2006-2007 alle personeelsleden van het onderwijs toegang tot de bachelor-na-bacheloropleiding buitengewoon onderwijs en de bachelor-na-bacheloropleiding zorgverbreding en remediërend leren.

Afdeling 2. Geïntegreerde lerarenopleidingen

Art. II.110.

§ 1. De professioneel gerichte bacheloropleidingen in onderwijs zijn geïntegreerde lerarenopleidingen die leiden tot de graad van bachelor in onderwijs, respectievelijk kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs. De hogescholen kennen aan de afgestudeerden de betreffende graad toe en reiken het diploma van leraar uit.

§ 2. De studieomvang van de praktijkcomponent van de geïntegreerde lerarenopleiding bedraagt 45 studiepunten van de 180 studiepunten.

De hogescholen organiseren de praktijkcomponent als preservicetraining in samenwerking met de scholen, centra of instellingen. Onder preservicetraining wordt verstaan : de praktijkcomponent van een lerarenopleiding die men zonder een statutaire relatie met een centrum, instelling of school vervult.

De preservicetraining wordt begeleid door een personeelslid van de hogeschool, de stagebegeleider genaamd, en een personeelslid van het centrum, de instelling of de school, dat belast is met het mentorschap. De hogescholen sluiten een overeenkomst met de centra, instellingen of scholen. Die overeenkomst bevat onder meer : de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het centrum, de instelling of de school, de student en de hogeschool, waarbij de rol van het centrum, de instelling of de school in de evaluatie van de student wordt vastgelegd, de periode van het schooljaar waarin deze preservice plaatsgrijpt en de opdrachten die de stagiair moet opnemen.

§ 3. De student van de geïntegreerde lerarenopleiding secundair onderwijs kiest 2 onderwijsvakken uit de mogelijkheden die de hogeschool aanbiedt : aardrijkskunde, bewegingsrecreatie, bio-esthetiek, biologie, biotechnieken, bouw, chemie, Duits, economie, elektriciteit, Engels, Frans, fysica, geschiedenis, [...]² haartooi, handel-burotica, hout, burotica of informatica, [islamitische godsdienst, katholieke godsdienst,]² Latijn, lichamelijke opvoeding, mechanica, mode, muzikale opvoeding, [natuurwetenschappen,]¹ Nederlands, Nederlands-gebarentaal, Nederlands-doventolk, niet-confessionele zedenleer, plastische opvoeding, project algemene vakken, project kunstvakken, [protestants-evangelische godsdienst,] techniek, voedingverzorging, wiskunde. De Vlaamse Regering kan de lijst van onderwijsvakken aanpassen.

[ ]¹ Decr. 25-4-2014; [ ]² Decr. 19-6-2015

§ 4. Een hogeschool kan voor de onderwijsvakken muzikale opvoeding, plastische opvoeding en lichamelijke opvoeding vaste combinaties met andere onderwijsvakken aanbieden.

§ 5. [Een student die reeds beschikt over één van volgende diploma's of diplomacombinaties kan, in afwijking van paragraaf 3 en paragraaf 4, een diploma van de geïntegreerde lerarenopleiding secundair onderwijs behalen met slechts één onderwijsvak :

1° een diploma van bachelor in het onderwijs : kleuteronderwijs, lager onderwijs of secundair onderwijs;

2° een diploma van de specifieke lerarenopleiding in combinatie met een bachelor- of masterdiploma;

3° een diploma van een Academische Initiële Lerarenopleiding, een Initiële lerarenopleiding van Academisch Niveau of een Getuigschrift Pedagogische bekwaamheid in combinatie met een bachelor- of masterdiploma;

4° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met 1 van de voorgaande diploma's wordt erkend.]

Decr. 17-6-2016

§ 6. De Vlaamse Regering kent aan de hogescholen die een geïntegreerde lerarenopleiding secundair onderwijs aanbieden een forfaitair bedrag toe. Vanaf het begrotingsjaar 2010 tot en met het begrotingsjaar 2013 bedraagt dit bedrag jaarlijks 1.400.000 euro. Voor eind 2012 voert de Vlaamse Regering een evaluatie uit van de geïntegreerde lerarenopleiding secundair onderwijs wat de transitie van 3 naar 2 vakken betreft. Deze zal worden uitgevoerd door een commissie van onafhankelijke deskundigen. De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling van deze commissie. De resultaten van deze evaluatie zullen worden vastgelegd in een openbaar verslag dat wordt voorgelegd aan het Vlaams Parlement.

§ 7. De middelen in paragraaf 6 worden onder de hogescholen verdeeld op basis van het gemiddeld aantal eerste inschrijvingen in een diplomacontract in de geïntegreerde lerarenopleiding secundair onderwijs tijdens de twee voorbije academiejaren.

Afdeling 3. Specifieke lerarenopleidingen

Art. II.111.

De omvang van de specifieke lerarenopleiding bedraagt 60 studiepunten. De praktijkcomponent van een specifieke lerarenopleiding bedraagt 30 studiepunten. De Vlaamse Regering evalueert het effect van deze maatregel op de stagecapaciteit van de scholen.

Art. II.112.

§ 1. Een hogeschool kan voor de professioneel gerichte bacheloropleidingen een specifieke lerarenopleiding aanbieden mits goedkeuring door de Vlaamse Regering [...]¹. De Vlaamse Regering houdt hierbij rekening met de volgende criteria inzake macrodoelmatigheid : het aanbod van specifieke lerarenopleidingen [...]¹ en het aantal studenten in deze specifieke lerarenopleidingen. De Vlaamse Regering kan hierbij het advies inwinnen van de Commissie Hoger Onderwijs.

De houders van een professioneel gericht bachelordiploma en studenten die al 120 studiepunten hebben verworven, worden toegelaten tot de specifieke lerarenopleidingen, georganiseerd door hogescholen.

Het diploma van leraar kan pas uitgereikt worden na het behalen van de bachelorgraad.

[In afwijking van het eerste lid, kan een hogeschool die de professionele bacheloropleiding dans aanbiedt, ook de specifieke lerarenopleiding dans aanbieden.

In afwijking van het tweede en derde lid kunnen kandidaten die voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden tot de basisopleidingen van 1 cyclus, geslaagd zijn voor een artistiek toelatingsexamen, georganiseerd door de hogeschool die de professionele bacheloropleiding dans organiseert, en 5 jaar nuttige ervaring als professioneel danser in een erkend gezelschap kunnen aantonen, toegelaten worden tot de specifieke lerarenopleiding dans en het diploma behalen.]²

§ 2. Hogescholen kunnen voor de afgestudeerden van de masteropleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst of in het studiegebied Muziek en podiumkunsten, een specifieke lerarenopleiding aanbieden.

De hogescholen kunnen 30 studiepunten van die lerarenopleiding organiseren als een afstudeerrichting in het opleidingsprogramma van een masteropleiding van 120 studiepunten.

De hogescholen kunnen ook 15 studiepunten aanbieden in het opleidingsprogramma van de academische bacheloropleiding als keuzepakket.

De houders van een academisch bachelordiploma in de bovenvermelde studiegebieden kunnen een inschrijving nemen voor de specifieke lerarenopleiding samen met de inschrijving voor de masteropleiding.

Studenten die op grond van de bepalingen van artikel II.198, gelijktijdig mogen inschrijven voor een bacheloropleiding en de aansluitende masteropleiding, kunnen zich inschrijven voor de specifieke lerarenopleiding. De houders van een bachelordiploma van een professioneel gerichte opleiding die inschrijven voor een schakelprogramma met het oog op het volgen van een masteropleiding in 1 van de bovenvermelde studiegebieden, kunnen een inschrijving nemen voor de specifieke lerarenopleiding samen met de inschrijving voor het schakelprogramma of samen met de inschrijving voor de masteropleiding.

Het diploma van leraar kan pas uitgereikt worden na het behalen van de mastergraad.

§ 3. Universiteiten kunnen voor de afgestudeerden van de masteropleidingen een specifieke lerarenopleiding aanbieden, die leidt tot het diploma van leraar.

De universiteiten kunnen 30 studiepunten van die lerarenopleidingen organiseren als een afstudeerrichting in het opleidingsprogramma van een masteropleiding van 120 studiepunten.

De universiteiten kunnen ook 15 studiepunten aanbieden in het opleidingsprogramma van de academische bacheloropleiding als keuzepakket.

De houders van een academisch bachelordiploma kunnen een inschrijving nemen voor de specifieke lerarenopleiding samen met een inschrijving voor de masteropleiding.

Studenten die op grond van de bepalingen van artikel II.197, gelijktijdig mogen inschrijven voor een bacheloropleiding en de aansluitende masteropleiding, kunnen zich inschrijven voor de specifieke lerarenopleiding. De houders van een bachelordiploma van een professioneel gerichte opleiding die inschrijven voor een schakelprogramma met het oog op het volgen van een masteropleiding, kunnen een inschrijving nemen voor de specifieke lerarenopleiding samen met de inschrijving voor het schakelprogramma of samen met de inschrijving voor de masteropleiding.

Het diploma van leraar kan pas uitgereikt worden na het behalen van de mastergraad.

§ 4. Als ambtshalve geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs kunnen de Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee en de Faculteit Protestantse Godgeleerdheid te Brussel in het studiegebied godsdienstwetenschappen en godgeleerdheid een specifieke lerarenopleiding aanbieden onder dezelfde voorwaarden als de universiteiten.

Deze instellingen kunnen 30 studiepunten organiseren als een afstudeerrichting in het opleidingsprogramma van een masteropleiding van 120 studiepunten. De houders van een academisch bachelordiploma kunnen een inschrijving nemen voor de specifieke lerarenopleiding samen met de inschrijving voor de masteropleiding. Het diploma van leraar kan pas uitgereikt worden na het behalen van de mastergraad.

De instellingen, vermeld in het eerste lid, kunnen ook 15 studiepunten aanbieden in het opleidingsprogramma van de academische bacheloropleiding als keuzepakket.

[ ]¹ Decr. 29-12-2015; [ ]² Decr. 17-6-2016

Art. II.113.

Onder preservicetraining wordt verstaan : de praktijkcomponent van een lerarenopleiding die men zonder een statutaire relatie met een centrum, instelling of school vervult. Onder inservicetraining wordt verstaan : de praktijkcomponent van de specifieke lerarenopleiding die men vervult als een personeelslid van een centrum, instelling of school.

De preservicetraining wordt georganiseerd in samenwerking met de scholen, centra of instellingen en begeleid door een personeelslid van de hogeschool of de universiteit, de stagebegeleider genaamd, en een personeelslid van de school, het centrum of instelling, dat belast is met het mentorschap. De hogescholen of universiteiten sluiten een overeenkomst met de scholen, centra of instellingen. Die overeenkomst bevat onder meer : de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het centrum, de instelling of de school, de student, de hogeschool of de universiteit waarbij de rol van de school, centrum of instelling in de evaluatie van de student wordt vastgelegd, de periode van het schooljaar waarin deze preservicetraining plaatsgrijpt en de opdrachten die de stagiair moet opnemen.

Art. II.114.

§ 1. De inservicetraining gebeurt in de vorm van een leraar-in-opleidingsbaan, hierna de LIO-baan genoemd, en wordt uitgeoefend in 1 of meer instellingen van het secundair onderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, de Centra voor Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie. De leraar-in-opleiding wordt begeleid door een personeelslid van de school, het centrum of instelling, dat belast is met het mentorschap.

Bij wijze van uitzondering kan de student die de specifieke lerarenopleiding volgt na of gelijktijdig met een masteropleiding lichamelijke opvoeding, een LIO-baan vervullen in het basisonderwijs.

De LIO-baan moet op jaarbasis ten minste 500 uren-leraar (secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs), lesuren (buitengewoon secundair onderwijs), leraarsuren (volwassenenonderwijs), lestijden (in het basisonderwijs voor de master lichamelijke opvoeding) bedragen. De LIO-baan in een Centrum voor Basiseducatie bedraagt op jaarbasis ten minste 0,6 VTE. Op het einde van de LIO-baan wordt de student gedurende een assessment voor de inservicetraining beoordeeld door het centrum, de instelling of de school enerzijds en de hogeschool of universiteit anderzijds. Indien de leraar-in-opleiding er niet in slaagt deze 500 uren te presteren, kan hij dit tekort aanvullen met preservicetraining.

De hogeschool of universiteit en de school sluiten een LIO-baanovereenkomst af. Een LIO-baanovereenkomst is een overeenkomst waarbij de hogeschool of de universiteit en de centra, instellingen of scholen de voorwaarden vastleggen die moeten toelaten dat studenten in het kader van hun lerarenopleiding kennis of vaardigheden verwerven in een centrum, instelling of school via een tijdelijke aanstelling door het uitvoeren van arbeidsprestaties. De LIO-baanovereenkomst bevat onder meer :

1° de engagementen van het centrum, de instelling of de school ten aanzien van ondersteuning van leraren-in-opleiding;

2° de engagementen van de hogeschool of universiteit ten aanzien van de begeleiding van de student/leraar-in-opleiding met betrekking tot de opleiding;

3° het aandeel van het centrum, instelling of de school enerzijds en de hogeschool of universiteit anderzijds in het assessment van de student.

De leraar-in-opleiding in een instelling voor secundair onderwijs, voor deeltijds kunstonderwijs of in een centrum voor volwassenenonderwijs wordt aangesteld als tijdelijk personeelslid en is onderworpen aan de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs.

De leraar-in-opleiding in een centrum voor basiseducatie wordt aangesteld als contractueel personeelslid zoals bedoeld in artikel 127, 1°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

§ 2. Vanaf het schooljaar 2009-2010 evalueert de Vlaamse Regering het systeem van de LIO-baan vijfjaarlijks.

§ 3. De specifieke lerarenopleidingen worden bekrachtigd met een diploma van leraar. [...]

Decr. 29-12-2015

Afdeling 4. - [Samenwerking en ondersteuning van lerarenopleidingen

Art. II.115.

De hogescholen en/of universiteiten en/of ambtshalve geregistreerde instellingen en/of centra voor volwassenenonderwijs kunnen een overeenkomst sluiten over de organisatie van de lerarenopleidingen, met name onderwijs- en studieactiviteiten, de kwaliteitszorg en het gebruik van infrastructuur.

Art. II.116.

De Vlaamse Regering kan middelen toekennen voor initiatieven die de kwaliteit van de lerarenopleidingen verbeteren en/of de samenwerking tussen lerarenopleidingen bevorderen. Hiertoe zal ze minstens vijfjaarlijks de beleidsprioriteiten vastleggen.

Deze initiatieven kunnen georganiseerd worden door hogescholen en/of universiteiten en/of ambtshalve geregistreerde instellingen en/of centra voor volwassenenonderwijs, die één of meerdere lerarenopleidingen (zowel geïntegreerde lerarenopleidingen als specifieke lerarenopleidingen) organiseren.

De Vlaamse Regering stelt nadere inhoudelijke, organisatorische en procedurele regels vast voor de toekenning van de middelen.]

Decr. 18-12-2015

HOOFDSTUK 7. Geïntegreerd hoger onderwijs

Art. II.117.

Geïntegreerd hoger onderwijs is een samenwerking tussen de hogescholen en het buitengewoon onderwijs. [Het is bedoeld om studenten met een functiebeperking die al geïntegreerd secundair onderwijs of buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4 volgden, ook binnen een hogeschool de lessen en activiteiten te laten volgen met hulp vanuit een school voor buitengewoon onderwijs, die daartoe aanvullende lestijden of lesuren of aanvullende uren en via de werkingsmiddelen een integratietoelage of -krediet krijgt.]

Decr. 19-6-2015

Art. II.118.

Om toegelaten te worden tot het geïntegreerd hoger onderwijs is het volgende vereist :

1° de student moet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden die gelden voor het hoger onderwijs;

2°[de student moet beschikken over een gemotiveerd verslag, waaruit blijkt :

a) dat de student reeds geïntegreerd secundair onderwijs of buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4 heeft gevolgd en waarin een analyse gemaakt wordt van de remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen en andere redelijke aanpassingen, nodig om de student met functiebeperkingen toe te laten een hoger onderwijscurriculum te doorlopen;

b) dat de student voldoet aan de criteria van een van de punten van artikel 259 van de Codex Secundair Onderwijs, § 1, 3° tot 8°, met uitzondering van 5°.

In afwijking van punt 2° blijft een student die reeds toegelaten werd tot het geïntegreerd hoger onderwijs op basis van een inschrijvingsverslag ertoe toegelaten. Voor een student die reeds toegelaten werd tot het geïntegreerd hoger onderwijs op basis van een inschrijvingsverslag wordt slechts een gemotiveerd verslag opgemaakt bij wijziging van aard en ernst van de functiebeperking.

[[Bij wijze van overgangsmaatregel kan bij ontstentenis van een gemotiveerd verslag, in de academiejaren 2015-2016 en 2016-2017, een leerling die geïntegreerd secundair onderwijs of buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4 heeft gevolgd, op basis van een inschrijvingsverslag, of op basis van een verslag opgemaakt door het CLB, zoals vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs, of op basis van een gemotiveerd verslag opgemaakt door het CLB, zoals vermeld in artikel 352 van de Codex Secundair Onderwijs, toegelaten worden tot het geïntegreerd hoger onderwijs, op voorwaarde dat hij aan de in artikel II.118, 1°, vernoemde toelatingsvoorwaarde beantwoordt.]]

De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud en de specifieke modaliteiten voor de opmaak van het gemotiveerd verslag in het hoger onderwijs. De studentenbegeleidingsdiensten zijn bevoegd voor het opmaken van deze gemotiveerde verslagen;]

3°[...]

Decr. 19-6-2015

Art. II.119.

§ 1. Studenten met een [functiebeperking] die hogescholenonderwijs volgen, maar omwille van hun [functiebeperking] bepaalde opleidingsonderdelen niet kunnen volgen, kunnen daarvoor een vrijstelling krijgen indien zij vervangende onderwijsactiviteiten volgen.

§ 2. Het hogeschoolbestuur beslist over de vrijstelling en legt de vervangende activiteiten vast.

Decr. 19-6-2015

Art. II.120.

De school voor buitengewoon onderwijs die een student geïntegreerd onderwijs begeleidt, krijgt daartoe aanvullende lestijden of lesuren en/of uren.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden tot het verkrijgen van de aanvullende lestijden of lesuren en/of uren, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan.

Hoofdstuk 8. Kwaliteitszorg

Afdeling 1. Interne en externe kwaliteitszorg

Art. II.121.

De ambtshalve geregistreerde instellingen zorgen voor de interne en de externe kwaliteitszorg van de onderzoeksactiviteiten :

1° zij zien permanent en op eigen initiatief toe op de kwaliteit van hun onderzoeksactiviteiten;

2° zij voorzien, zoveel mogelijk met andere binnenlandse en buitenlandse instellingen, in een regelmatige beoordeling, ten minste om de 8 jaar, van de kwaliteit van de onderzoeksactiviteiten van de instelling. Van de uitkomsten van deze beoordeling wordt er een openbaar verslag gemaakt;

3° zij geven gevolg aan de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling in hun beleid.

Art. II.122.

§ 1. [De instellingen, vermeld in artikel II.1, zorgen voor de kwaliteitszorg van de onderwijsactiviteiten. Ze zien permanent en op eigen initiatief toe op de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten. Ze betrekken studenten, alumni, externe deskundigen uit het beroepenveld en internationale deskundigen bij de processen van kwaliteitsbewaking. Ze voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van hun onderwijsactiviteiten.

Tot en met het einde van het academiejaar 2016-2017 kunnen de instellingen bij wijze van experiment proefprojecten opzetten waarbij zij zelf de regie voeren van de borging van de kwaliteit van hun opleidingen.]²

§ 2. [Als een instelling als vermeld in artikel II.1, met toepassing van artikel II.126, § 2, tweede lid, geen bijkomende beoordeling heeft gevraagd van de manier waarop de instelling de regie voert van de borging van de kwaliteit van haar opleidingen, wordt met het oog op het verlenen van de accreditaties een externe beoordeling uitgevoerd door een visitatiecommissie die het geheel van haar werkzaamheden afrondt binnen een bestek van twaalf maanden. Van de visitatiecommissie maakt ten minste één student deel uit.]²

§ 3. De externe beoordelingen [als vermeld in paragraaf 2,]² worden georganiseerd door een evaluatieorgaan dat daartoe een visitatieprotocol vastlegt na overleg met de accreditatieorganisatie. Het protocol wordt openbaar gemaakt.

Het visitatieprotocol voorziet ten minste in :

1° de mogelijkheid voor het instellingsbestuur om technische opmerkingen en inhoudelijke bezwaren te formuleren voor de commissie de externe beoordeling definitief vaststelt;

2° de plicht voor de visitatiecommissie om ten aanzien van het instellingsbestuur schriftelijk te antwoorden op de geformuleerde inhoudelijke bezwaren;

3° de wijze waarop de onafhankelijkheid van de beoordelingen wordt gewaarborgd;

4° de wijze waarop het evaluatieorgaan de visitatiecommissies samenstelt zodat de visitatiecommissies met kennis van zaken een oordeel kunnen vormen over wat er internationaal wenselijk en gangbaar is inzake het eindniveau van opleidingen met een verwante kwalificatie;

5° de wijze waarop de visitatiecommissie tot haar oordeel is gekomen en de wijze waarop de vergelijkbaarheid van de oordelen, verleend aan de criteria, bedoeld in het accreditatiekader, over de verschillende opleidingen wordt gewaarborgd;

6° de wijze waarop de leden van de visitatiecommissies gevormd worden met het oog op een eenduidige toepassing van het visitatieprotocol en het accreditatiekader;

7° de minimumvereisten waaraan een visitatieprotocol moet voldoen opdat het kan toelaten om de voldoende aanwezigheid van de generieke kwaliteitswaarborgen na te gaan.

Met behoud van de toepassing van paragraaf 4 en artikel II.148 en II.382 organiseert het Bestuurscomité Kwaliteitszorg van de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad de externe beoordeling van de opleidingen van de instellingen, vermeld in artikel II.1. Het Bestuurscomité Kwaliteitszorg is het verzelfstandigd orgaan binnen de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad dat als evaluatieorgaan optreedt zoals bedoeld in artikel II.37, §2.

§ 4. Instellingen kunnen voor de organisatie van de externe beoordeling een beroep doen op een ander evaluatieorgaan dat bij het European Quality Assurance Register for Higher Education (EQAR) geregistreerd is of dat door de NVAO erkend is om 1 van de volgende redenen :

1° de internationale vergelijkbaarheid van de te accrediteren opleiding met vergelijkbare opleidingen aan buitenlandse instellingen;

2° een goede aansluiting tussen de expertise van het ander evaluatieorgaan en de inhoudelijke specificiteit van de te accrediteren opleiding.

§ 5. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 gelden voor de lerarenopleidingen de volgende bepalingen :

De eerste externe beoordeling van de bachelor-na-bacheloropleidingen in het onderwijs en de specifieke lerarenopleidingen moet afgerond zijn voor eind 2012. Vanaf 2013 gebeurt de externe beoordeling van de geïntegreerde lerarenopleidingen, de bachelor-na-bacheloropleidingen in het onderwijs en de specifieke lerarenopleidingen minstens om de 8 jaar.

De visitatiecommissies worden steeds aangevuld met deskundigen die het afnemend veld vertegenwoordigen en deskundigen die voeling hebben met de noden van volwassen cursisten.

De lerarenopleidingen worden geclusterd in een cluster geïntegreerde lerarenopleidingen, een cluster bachelor-na-bacheloropleidingen in het onderwijs en een cluster specifieke lerarenopleidingen.

Indien de specifieke lerarenopleiding georganiseerd is als een afstudeerrichting van een masteropleiding van 120 studiepunten, maakt dit deel uit van de visitatie van de specifieke lerarenopleiding.

§ 6. De visitatiecommissies brengen de uitkomst van hun beoordeling van elke opleiding, cluster van opleidingen en van verwante opleidingen samen in een openbaar verslag.

§ 7. De instellingen geven gevolg aan de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling in het beleid van de instelling.

§ 8. Paragraaf 2, 3, 4 en 6 is niet van toepassing op de opleidingen waarvoor een beroep wordt gedaan op de accreditatieprocedure, vermeld in artikel II.149.

[§ 9. De bepalingen in dit artikel zijn ook van toepassing op de specifieke lerarenopleidingen, met uitzondering van deze aangaande de accreditatie van opleidingen voor de specifieke lerarenopleidingen georganiseerd door de centra voor volwassenenonderwijs, de hogescholen en de universiteiten, en deze over de instellingsreview als voor de specifieke lerarenopleidingen georganiseerd door de centra voor volwassenenonderwijs.]¹

[ ]¹ Decr. 25-4-2014; [ ]² Decr. 19-6-2015

Art. II.123.

De betrokken hogeschool of, in het kader van een samenwerkingsverband, de betrokken hogescholen zien toe op de kwaliteitsbewaking van het onderwijs en het onderzoek van de School of Arts.

Art. II.124.

De Initiërende Universiteit, bedoeld in artikel II.5, ziet toe op de kwaliteitsbewaking van het onderzoek en onderwijs van het instituut.

Art. II.125.

§ 1. Indien de kwaliteit van het onderwijs in een specifieke lerarenopleiding, na een grondig kwaliteitsonderzoek uitgevoerd volgens artikel II.122, §3 onvoldoende wordt geacht, of in redelijkheid moet geacht worden niet te behoren tot het hoger onderwijs, kan de Vlaamse Regering besluiten dat :

1° de cursisten van die opleiding niet in aanmerking komen voor de berekening van het aantal lesurencursist, zoals bedoeld in artikel 99 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;

2° de diploma's van de studenten van die opleiding niet meer in aanmerking komen voor de berekening van de financiering zoals bedoeld in artikel III.33;

3° de diploma's van de studenten van die opleiding niet meer in aanmerking komen voor de berekening van de financiering zoals bedoeld in artikel III.32;

4° het instellingsbestuur de opleiding niet meer mag sanctioneren met het diploma van leraar.

De ingeschreven studenten of cursisten moeten wel de mogelijkheid krijgen hun opleiding af te ronden. De Vlaamse Regering neemt daartoe de nodige maatregelen.

Het uitsluitingsbesluit kan pas genomen worden nadat de Vlaamse Regering aan de desbetreffende instelling een waarschuwing heeft gegeven. Deze waarschuwing houdt in dat zij voornemens is dit uitsluitingsbesluit te treffen onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet worden gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. Het uitsluitingsbesluit treedt slechts in werking in het tweede daaropvolgende academiejaar.

§ 2. Als een specifieke lerarenopleiding zich onttrokken heeft aan deelname aan de visitatie, vermeld in artikel II.122, of aan een deel ervan, verliest de instelling de bevoegdheid om deze opleiding aan te bieden vanaf het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin de visitatie plaatsvindt.

Afdeling 2. Instellingsreview

Onderafdeling 1. Kader en criteria

Art. II.126.

§ 1. De instellingen, vermeld in artikel II.1, zijn vanaf het academiejaar 2015-2016 onderworpen aan een instellingsreview. Bij een instellingsreview beoordeelt een externe commissie de beleidsprocessen die een instelling opzet om te garanderen dat ze haar taken op het terrein van het hoger onderwijs op een kwaliteitsvolle wijze uitvoert. De reviewcommissie betrekt daarbij ook de beleidsprocessen die de instelling opzet om het onderwijs dat ze in haar opleidingen aanbiedt te ondersteunen vanuit haar opdrachten op het terrein van onderzoek en maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening.

§ 2. De reviewcommissie betrekt de volgende onderwerpen in haar beoordeling :

1° de visie van de instelling op hoger onderwijs en de kwaliteit van het hoger onderwijs en het gevoerde beleid, beleidsdoelstellingen en beleidsuitgangspunten op het terrein van het onderwijs alsmede het gevoerde beleid op het terrein van onderzoek en maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening in relatie met de onderwijskwaliteit;

2° de beleidsacties, processen, procedures, praktijken en instrumenten, die de instelling inzet om haar beleid op een effectieve wijze te realiseren en de kwaliteit van het aangeboden onderwijs te optimaliseren;

3° de feedback- en opvolgsystemen en in het bijzonder de interne systemen van kwaliteitsbewaking die de instelling opzet om de effectiviteit van haar beleidsacties in functie van de onderwijskwaliteit te garanderen;

4° de acties die een instelling onderneemt om de realisatie van haar beleidsdoelstellingen te verbeteren.

[Naast de onderwerpen, vermeld in het eerste lid, kan een instelling vragen een bijkomende beoordeling uit te voeren over de manier waarop de instelling de regie voert van de borging van de kwaliteit van haar opleidingen, zoals bedoeld in artikel II.122, § 1, tweede lid.]

§ 3. De accreditatieorganisatie legt in het beoordelingskader instellingsreview de volgende zaken vast :

1° de criteria waaraan de hiervoor vermelde onderwerpen getoetst zullen worden;

2° de voorwaarden voor het verlenen van de oordelen 'voldoet' of 'voldoet niet' aan de hiervoor vermelde criteria;

3° de verifieerbare feiten die als grondslag kunnen dienen om de oordelen uit te spreken en hoe de bewijskracht van een feit aangetoond kan worden.

Het beoordelingskader instellingsreview moet, voor het toegepast kan worden, door de Vlaamse Regering goedgekeurd worden met vooraf het advies van de VLUHR als Koepelorganisatie en de studentenkoepelverenigingen.

§ 4. In afwijking van paragraaf 1 zijn de instellingen bedoeld in artikel II.19, II.20 en II.21 en de erkende faculteiten der protestantse godgeleerdheid bedoeld in de artikelen II.105 en II.106 niet onderworpen aan een instellingsreview.

[§ 5. De beoordeling vermeld in artikel II.126, § 2, tweede lid, wordt uitgevoerd in overeenstemming met een Kwaliteitscode. De accreditatieorganisatie legt na overleg met de VLUHR en de studentenkoepelverenigingen deze Kwaliteitscode vast. De Kwaliteitscode bepaalt de algemene uitgangspunten waaraan de regie van de borging van de kwaliteit van de opleidingen moet beantwoorden en hoe de instelling hierover verantwoording moet afleggen. Daarnaast voorziet de Kwaliteitscode aansluiting bij de Standards and Guidelines for Quality Assurance in the European Higher Education Area, de Vlaamse Kwalificatiestructuur en de relevante Europese kwalificatieraamwerken.]

Decr. 19-6-2015

Onderafdeling 2. Aanvraag

Art. II.127.

§ 1. De instellingen, vermeld in artikel II.1, vragen een instellingsreview of een verlenging ervan aan bij de accreditatieorganisatie. De eerste ronde instellingsreviews wordt georganiseerd in de academiejaren 2015-2016 en 2016-2017. De tweede ronde instellingsreviews vindt plaats in de academiejaren [2020-2021 en 2021-2022].

De accreditatieorganisatie stelt in overleg met de VLUHR het tijdsrooster op van de instellingsreviews in de eerste en tweede ronde en legt voor elke instellingsreview de uiterlijke datum van de aanvraag vast.

§ 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 wordt een aanvraag voor een verlenging van een instellingsreview uiterlijk 1 jaar voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het positieve besluit instellingsreview ingediend.

§ 3. Als een instellingsbestuur overeenkomstig de termijn, vermeld in paragraaf 2, een aanvraag van een instellingsreview heeft ingediend, wordt de periode van het geldende positieve besluit instellingsreview verlengd tot het moment dat onherroepelijk een beslissing is genomen over de aanvraag.

Decr. 19-6-2015

Onderafdeling 3. De reviewcommissie

Art. II.128.

§ 1. De accreditatieorganisatie stelt de reviewcommissie samen die de instellingsreview uitvoert en coördineert de instellingsreview. De te beoordelen instelling heeft het recht beargumenteerd bezwaren aan te dragen tegen de samenstelling van de reviewcommissie binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen vanaf de dag na de ontvangst van de mededeling van de accreditatieorganisatie.

De reviewcommissie bestaat uit ten minste 5 leden, onder wie 1 student. [De meerderheid van de leden is werkzaam of is recent werkzaam geweest in het buitenland.] De reviewcommissie beschikt over bestuurlijke deskundigheid, onderwijsdeskundigheid en evaluatiedeskundigheid en is op de hoogte van de ontwikkelingen in de hogeronderwijssector in binnen- en buitenland. Ten minste 1 lid moet voldoende kennis hebben van het Vlaamse hoger onderwijs.

De leden van de commissie zijn onafhankelijk, beschikken over de nodige deskundigheid en hebben, behalve voor de student, ten minste 5 jaar geen banden gehad met de te beoordelen instelling. [Voor wat de student betreft geldt de voorwaarde dat de student minstens sedert één jaar geen band meer heeft met de betrokken instelling.] De accreditatieorganisatie controleert die voorwaarden.

De reviewcommissie gaat op een meer specifieke c.q. diepgaande wijze de correctheid na van haar bevindingen ten aanzien van het instellingsbeleid aan de hand van de praktijk op lagere organisatieniveaus c.q. op inhoudelijke speerpunten.

§ 2. De accreditatieorganisatie legt na overleg met de VLUHR en de studentenkoepelverenigingen, in een draaiboek de volgende zaken vast :

1° de wijze waarop de instellingsreviews worden uitgevoerd;

2° de stappen in het beoordelingsproces;

3° de gegevens die het instellingsbestuur meestuurt bij een aanvraag voor een instellingsreview en de documenten die ter inzage moeten liggen tijdens de bezoeken aan de instelling.

Decr. 25-11-2016

Onderafdeling 4. Rapport en besluit

Art. II.129.

§1. De accreditatieorganisatie die de aanvraag voor een instellingsreview ontvangt, rondt het proces van de instellingsreview binnen 12 maanden na de ontvangst van de aanvraag af met een besluit waarin de accreditatieorganisatie een oordeel geeft over elk van de 4 onderwerpen, vermeld in artikel II.126, §2.

De accreditatieorganisatie kan na de indiening van het dossier en vóór het ontwerp van evaluatierapport en besluit wordt verzonden, het instellingsbestuur om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen vragen. Als de accreditatieorganisatie daarvan gebruikmaakt, wordt daarvan melding gemaakt in het evaluatierapport. De accreditatieorganisatie legt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de bestuursbeginselen vast inzake de verzoeken om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen en inzake de behandeling van de antwoorden.

§2. De accreditatieorganisatie legt de bevindingen van de review, vermeld in paragraaf 1, vast in een evaluatierapport, dat als motivering geldt van het besluit.

De accreditatieorganisatie bezorgt een maand vóór het verstrijken van de beslissingstermijn, vermeld in paragraaf 1, een ontwerp van evaluatierapport en van besluit dat de instellingsreview afrondt, aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur wordt in staat gesteld om bezwarenen opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het ontwerp.

§3. De accreditatieorganisatie bepaalt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de procedures overeenkomstig dewelke bezwaren en opmerkingen worden behandeld. Die procedures kunnen nooit leiden tot een overschrijding van de beslissingstermijn, vermeld in paragraaf 1.

§4. Het besluit dat een instellingsreview afrondt, treedt in werking met ingang van de dag waarop het vorige besluit met betrekking tot de instellingsreview vervalt, of als aan een instelling voor de eerste keer een instellingsreview wordt verleend, met ingang van de dag van de bekendmaking van het besluit.

§5. De rapporten van de instellingsreviews zijn openbaar.

Onderafdeling 5. Rechtsgevolgen

Art. II.130.

§ 1. Aan de eerste ronde instellingsreviews zijn geen rechtsgevolgen verbonden voor de instelling of de opleidingen.

§ 2. Vanaf de tweede ronde instellingsreviews hebben de instellingsreviews de volgende rechtsgevolgen :

1° als de instelling naar het oordeel van de accreditatieorganisatie 'voldoet' aan alle onderwerpen, vervalt voor die instelling de verplichting om de accreditatie van een opleiding aan te vragen op basis van een gepubliceerde externe beoordeling en heeft het besluit dat de instellingsreview afrondt een geldigheidsduur van 6 jaar;

2° als de instelling naar het oordeel van de accreditatieorganisatie niet voldoet aan alle onderwerpen, beperkt de accreditatieorganisatie de geldigheidsduur van het besluit dat de instellingsreview afrondt, tot ten hoogste 3 jaar. Uiterlijk 6 maanden voor het einde van die periode onderwerpt de accreditatieorganisatie de instelling aan een nieuwe beperkte review. Die beperkte geldigheidsduur komt in mindering van de algemene geldigheidsduur van 6 jaar. In die periode kan de instelling geen aanvraag meer indienen voor een nieuwe opleiding. Als de instelling na die nieuwe beperkte review naar het oordeel van de accreditatieorganisatie niet voldoet aan alle onderwerpen wordt de instelling niet langer gefinancierd en verliest de instelling het recht om graden te verlenen. De instelling moet ervoor zorgen dat, door samenwerking met een andere instelling, de studenten hun opleiding kunnen verder zetten. De Vlaamse Regering zal hiervoor de nodige maatregelen treffen;

3° indien de instelling naar het oordeel van de accreditatieorganisatie aan geen enkele onderwerp voldoet, wordt de instelling niet langer gefinancierd en verliest de instelling het recht om graden te verlenen met ingang van het volgende academiejaar. De instelling moet ervoor zorgen dat, door samenwerking met een andere instelling, de studenten hun opleiding kunnen verder zetten. De Vlaamse Regering zal hiervoor de nodige maatregelen treffen.

Onderafdeling 5. Rechtsgevolgen

Art. II.130.

§ 1. Aan de eerste ronde instellingsreviews zijn geen rechtsgevolgen verbonden voor de instelling of de opleidingen.

§ 2. Vanaf de tweede ronde instellingsreviews hebben de instellingsreviews de volgende rechtsgevolgen :

1° als de instelling naar het oordeel van de accreditatieorganisatie 'voldoet' aan alle onderwerpen, vervalt voor die instelling de verplichting om de accreditatie van een opleiding aan te vragen op basis van een gepubliceerde externe beoordeling en heeft het besluit dat de instellingsreview afrondt een geldigheidsduur van 6 jaar;

2° als de instelling naar het oordeel van de accreditatieorganisatie niet voldoet aan alle onderwerpen, beperkt de accreditatieorganisatie de geldigheidsduur van het besluit dat de instellingsreview afrondt, tot ten hoogste 3 jaar. Uiterlijk 6 maanden voor het einde van die periode onderwerpt de accreditatieorganisatie de instelling aan een nieuwe beperkte review. Die beperkte geldigheidsduur komt in mindering van de algemene geldigheidsduur van 6 jaar.

In die periode kan de instelling geen aanvraag meer indienen voor een nieuwe opleiding.

Als de instelling na die nieuwe beperkte review naar het oordeel van de accreditatieorganisatie niet voldoet aan alle onderwerpen wordt de instelling niet langer gefinancierd en verliest de instelling het recht om graden te verlenen. De instelling moet ervoor zorgen dat, door samenwerking met een andere instelling, de studenten hun opleiding kunnen verder zetten. De Vlaamse Regering zal hiervoor de nodige maatregelen treffen;

3° indien de instelling naar het oordeel van de accreditatieorganisatie aan geen enkele onderwerp voldoet, wordt de instelling niet langer gefinancierd en verliest de instelling het recht om graden te verlenen met ingang van het volgende academiejaar. De instelling moet ervoor zorgen dat, door samenwerking met een andere instelling, de studenten hun opleiding kunnen verder zetten. De Vlaamse Regering zal hiervoor de nodige maatregelen treffen.

Onderafdeling 6. Kosten, tarieven en evaluatie

Art. II.131.

De instelling draagt de kosten van de instellingsreview. De Vlaamse Regering bepaalt de tarieven voor de uitvoering van een instellingsreview en kan daarbij rekening houden met de grootte van de instelling. Deze tariefbepaling houdt rekening met de volgende beginselen :

1° het tarief voor de instellingsreview bedraagt ten minste 10.000 euro en ten hoogste 60.000 euro;

2° de in punt 1° bedoelde bedragen kunnen jaarlijks worden geïndexeerd. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze indexering wordt toegepast.

De Vlaamse Regering zorgt voor de uitvoering van een evaluatie van de eerste instellingsreviews tegen eind juni 2018. [...] De Vlaamse Regering zorgt daarnaast ook voor de uitvoering vóór 1 januari 2024 van een algemene evaluatie van de werking en de impact van het stelsel van accreditatie en instellingsreviews. Bij de evaluatie wordt ook nagegaan of de administratieve lastenvermindering zich manifesteert.

Decr. 19-6-2015

Onderafdeling 7. Traject bij niet-instemming met een negatief besluit instellingsreview

Art. II.132.

Indien het besluit dat een instellingsreview afrondt negatief is, kan het instellingsbestuur bij de Vlaamse Regering een beroep instellen tegen dat negatief besluit instellingsreview. Het beroep wordt ingesteld binnen een termijn van 30 kalenderdagen die ingaat de dag na deze van de betekening van het negatief besluit instellingsreview aan de instelling.

De Vlaamse Regering toetst het betwiste besluit aan de bepalingen van deel 2 en 4 en van het in artikel II.27 bedoelde reglement. De Vlaamse Regering neemt een besluit binnen een ordetermijn van 60 kalenderdagen die ingaat de dag na deze van de ontvangst van het beroep. Zij vernietigt het negatief besluit instellingsreview wanneer dat kennelijk niet in overeenstemming is met de in dit lid vermelde bepalingen.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake het verloop van de beroepsprocedure.

Hoofdstuk 9. Accreditatie, programmatie en registratie van opleidingen

Afdeling 1. Algemeen

Art. II.133.

§ 1. De instellingen voor hoger onderwijs verlenen de graden van bachelor of master op grond van het met goed gevolg voltooien van een opleiding die overeenkomstig deze codificatie georganiseerd wordt en die :

1° ofwel overeenkomstig afdeling 2 geaccrediteerd is voor de in het accreditatiebesluit bepaalde duur;

2° ofwel overeenkomstig afdeling 3 erkend is als nieuwe opleiding;

3° ofwel een verlenging geniet van de geldigheidsduur van de accreditatie overeenkomstig artikel II.142, §5, en artikel II.145 [, II.381 of II.387/1], ofwel nog een tijdelijke erkenning geniet.

§ 2. Een opleiding die niet meer voldoet aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1 wordt geschrapt uit het Hogeronderwijsregister, vermeld in artikel II.170, vanaf het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin de geldigheid van de lopende accreditatie, de erkenning als nieuwe opleiding of de verlenging van de accreditatie vervalt.

Het instellingsbestuur kan eerst na verloop van een periode van 3 jaar te rekenen vanaf de datum van de schrapping van een opleiding een aanvraag tot erkenning als nieuwe opleiding indienen van :

1° de geschrapte opleiding, of

2° een opleiding waarvan het opleidingsprogramma grotendeels overeenstemt met dat van de geschrapte opleiding.

In geval van schrapping van een opleiding sluit het instellingsbestuur een overeenkomst met (een) binnenlandse of buitenlandse instelling(en) die de betrokken opleiding kan/kunnen aanbieden. Deze overeenkomst betreft de wijze waarop de ingeschreven studenten hun opleiding kunnen voltooien.

§ 3. De accreditatiestatus van een opleiding, zoals bepaald in paragraaf 1, wordt bij overdracht van de ene instelling voor hoger onderwijs naar een andere instelling voor hoger onderwijs behouden.

Decr. 19-6-2015

Afdeling 2. Accreditatie

Onderafdeling 1. Aanvraag

Sectie 1. Algemeen

Art. II.134.

§ 1. De accreditatie van een opleiding wordt verleend op aanvraag van het instellingsbestuur. De accreditatie van gezamenlijk georganiseerde opleidingen die voltooid worden met een gezamenlijk diploma, wordt verleend op gezamenlijke aanvraag van de betrokken Vlaamse instellingsbesturen.

§ 2. De aanvraag voor accreditatie van een opleiding ingediend door het bestuur van een geregistreerde instelling omvat in alle gevallen een visitatierapport georganiseerd door een evaluatieorgaan.

Sectie 2. Aanvragen accreditatie op basis van een visitatierapport

Art. II.135.

De accreditatieaanvraag moet uiterlijk 4 maanden voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende accreditatie of van de erkenning als nieuwe opleiding of van de tijdelijke erkenning worden ingediend. De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In de termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt inbegrepen. Het instellingsbestuur vraagt een accreditatie aan binnen een periode van 2 maanden na de publicatie van het visitatierapport.

Art. II.136.

Overeenkomstig de voorschriften van deze codificatie, toetst de accreditatieorganisatie de kwaliteit en het niveau van een opleiding van de Vlerick Business School, de Universiteit Antwerpen Management School of het Instituut voor Tropische Geneeskunde op basis van de gepubliceerde externe beoordeling.

De accreditatieorganisatie accrediteert de aangeboden opleiding wanneer ze op basis van de gepubliceerde externe beoordeling in redelijkheid meent te kunnen besluiten dat voldoende generieke kwaliteitswaarborgen voorhanden zijn zoals bedoeld in [artikel II.140 en II.141]. De instelling legt haar accreditatiedossier pas voor na positief advies van de in artikel III.116, 2°, bedoelde universiteiten.

Decr. 19-6-2015

Art. II.137.

§ 1. De accreditatieorganisatie bepaalt bij reglement de vorm en de inhoud van het dossier dat bij de aanvraag moet worden gevoegd.

Een instellingsbestuur dat een inhoudelijk bezwaar, vermeld in paragraaf 2, derde lid, 2°, of artikel II.122, §3, derde lid, 1°, heeft gemaakt ten aanzien van het ontwerp van externe beoordeling, kan aan de accreditatieaanvraag een aanvullende nota toevoegen, indien de definitief vastgestelde gepubliceerde externe beoordeling dat bezwaar kennelijk veronachtzaamt.

Indien een aanvraag niet voldoet aan bedoelde regelen, biedt de accreditatieorganisatie de gelegenheid binnen een daartoe gestelde termijn het verzuim te herstellen. Indien van deze gelegenheid geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. De accreditatieorganisatie kan nadere regelen omtrent deze procedure vaststellen in het in het eerste lid bedoelde reglement.

§ 2. Het dossier omvat in ieder geval een gepubliceerde externe beoordeling van de opleiding.

De gepubliceerde externe beoordeling komt voor wat betreft de ambtshalve geregistreerde instellingen tot stand op grond van de systematiek beschreven in artikel II.122, §3 en §4.

De gepubliceerde externe beoordeling komt voor wat betreft de geregistreerde instellingen en de in artikel II.122, §8, vermelde opleidingen tot stand als volgt :

1° de opleiding wordt gevisiteerd door een visitatiecommissie. Van de visitatiecommissie maakt ten minste 1 student deel uit. De leden van de visitatiecommissie moeten onafhankelijk staan ten opzichte van de instelling die gevisiteerd wordt;

2° de visitatiecommissie hanteert een visitatieprotocol opgesteld door een evaluatieorgaan. Dat protocol voorziet ten minste in de elementen, vermeld in artikel II.122;

3° de werking van de visitatiecommissie wordt gecoördineerd door een evaluatieorgaan. Elk evaluatieorgaan dat optreedt ten aanzien van visitaties in geregistreerde instellingen moet ofwel bij het European Quality Assurance Register for Higher Education (EQAR) geregistreerd zijn ofwel erkend zijn door de accreditatieorganisatie, die daarvoor een reglement opstelt. De leden van het evaluatieorgaan moeten onafhankelijk staan ten opzichte van de instellingen waaromtrent zij beslissingen nemen in het kader van de coördinatie van visitaties;

4° de visitatiecommissie publiceert de uitkomst van de visitatie als een openbaar visitatierapport.

De in het derde lid, punt 3°, vermelde erkenning van een evaluatieorgaan kan worden beperkt tot 1 of meer opleidingen. Het evaluatieorgaan geeft in de erkenningsaanvraag aan voor welke opleiding(en) het de erkenning aanvraagt.

§ 3. Deze paragraaf is van toepassing op gezamenlijke opleidingen, georganiseerd door een Vlaamse instelling voor hoger onderwijs samen met 1 of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs, die bij succesvolle voltooiing ervan leiden tot een gezamenlijk diploma in de zin van artikel II.172, §3.

De externe beoordeling, vermeld in paragraaf 2, kan, voor de gehele opleiding of voor het deel van het opleidingsprogramma dat verzorgd wordt door de partnerinstelling(en), vervangen worden door 1 van de volgende beoordelingen :

1° een door een evaluatieorgaan uitgevoerde externe beoordeling die voldoet aan de European Standards for the External Quality Assurance of Higher Education;

2° een door een andere accreditatieorganisatie verleende accreditatie die betrekking heeft op de gehele opleiding of op het deel van het opleidingsprogramma dat verzorgd wordt door de partnerinstelling(en) en die bij overeenkomstige toepassing van artikel II.149, eerste lid, als equivalent wordt erkend;

3° andere relevante stukken waarbij het instellingsbestuur inzichtelijk maakt dat het deel van het opleidingsprogramma dat verzorgd wordt door de partnerinstelling(en) de generieke kwaliteitswaarborgen in de zin van artikel II.140 en II.141 biedt zodat de studenten bij het voltooien van de gehele opleiding de leerresultaten vermeld in artikel II.141, bereikt hebben.

Art. II.138.

§ 1. De centra voor volwassenenonderwijs kunnen de accreditatie aanvragen voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, met uitzondering van de opleidingen van het pedagogisch hoger onderwijs, die ze in het academiejaar 2003-2004 hebben georganiseerd. Het accreditatieproces verloopt overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling die gelden voor de ambtshalve geregistreerde instellingen.

§ 2. Een opleiding die de accreditatie of de tijdelijke erkenning verwerft, moet worden overgedragen aan een ambtshalve geregistreerde instelling die de overeenkomstige onderwijsbevoegdheid en territoriale bevoegdheid heeft.

De overdracht van de opleiding kan plaatsvinden vanaf het ogenblik van de accreditatie c.q. de tijdelijke erkenning en moet voltrokken zijn uiterlijk op 31 augustus van het jaar dat volgt op het jaar van de accreditatie c.q. de tijdelijke erkenning.

Van de territorialiteitsvoorwaarde als bedoeld in het eerste lid, kan worden afgeweken. In geval van toepassing van paragraaf 3 kan deze afwijking reeds worden vastgelegd in de intentieverklaring. De afwijking heeft in dit geval pas uitwerking met de eigenlijke overdracht. Als voorwaarde geldt dat :

1° de afwijking op de territorialiteitsvoorwaarde wordt gemotiveerd;

2° de afwijking op de territorialiteitsvoorwaarde wordt bekrachtigd door het Vlaams Parlement;

3° de opleiding slechts op 1 plaats wordt aangeboden.

§ 3. Indien de overdracht van de opleiding niet op het ogenblik van de accreditatie plaatsvindt, leggen het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs en de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling hun principiële overeenstemming over de overdracht van de opleiding in een intentieverklaring neer. Deze intentieverklaring bevat minimaal de datum waarop de overdracht van de geaccrediteerde opleiding zal plaatsvinden en de engagementen van de ambtshalve geregistreerde instelling waaraan de opleiding wordt overgedragen. Deze intentieverklaring wordt ter bekrachtiging voorgelegd aan de Vlaamse Regering.

§ 4. Indien de overdracht van de opleiding niet op het ogenblik van de accreditatie plaatsvindt, reiken het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs en de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling, bij wijze van overgangsmaatregel en in afwijking van artikel II.59, gezamenlijk een diploma van de graad van bachelor uit na de succesvolle voltooiing van de opleiding die de accreditatie of de tijdelijke erkenning heeft verworven.

De gezamenlijke diplomering is slechts mogelijk vanaf de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van de in paragraaf 3 bedoelde intentieverklaring en zolang de overdracht van de opleiding naar de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling niet is gerealiseerd.

In ieder geval verliezen het centrum voor volwassenenonderwijs en de ambtshalve geregistreerde instelling de uitzonderlijke mogelijkheid om gezamenlijk een diploma van de graad van bachelor uit te reiken als de overdracht van de opleiding niet binnen de in paragraaf 2 vermelde termijn is gerealiseerd.

§ 5. Dit artikel is enkel van toepassing als de aanvraag tot accreditatie zoals vermeld in paragraaf 1 gebeurde voor 1 september 2013. Sectie 3 Aanvragen accreditatie op basis van een opleidingsdossier

Sectie 3 Aanvragen accreditatie op basis van een opleidingsdossier

Art. II.139.

§ 1. Als vanaf de tweede ronde instellingsreviews het instellingsbestuur beschikt over een positief besluit instellingsreview, bestaat de accreditatieaanvraag uit een opleidingsdossier.

Het opleidingsdossier moet de accreditatieorganisatie in staat stellen te verifiëren of de instelling op een gegronde wijze tot de conclusie is gekomen dat er voldoende generieke kwaliteitswaarborgen aanwezig zijn. Het dossier omvat de volgende stukken :

1° een rapport waaruit blijkt dat de instelling in het kader van de interne kwaliteitszorg een onderzoek ten gronde heeft gedaan naar de aanwezigheid van voldoende generieke kwaliteitswaarborgen aan de hand van de criteria bedoeld in artikel II.140, §1, zoals vastgelegd in het accreditatiekader, en dat ze daarbij externe onafhankelijke experts, bij voorkeur internationale experts, heeft betrokken;

2° de uitkomsten van een internationale benchmarking van de opleiding die de instelling heeft doorgevoerd.

§ 2. Het instellingsbestuur dient de accreditatieaanvraag in uiterlijk 4 maanden vóór het verstrijken van de geldigheid van de lopende accreditatie of van de erkenning als nieuwe opleiding. De termijnen worden berekend van maand tot maand en van dag tot dag. In de termijnen is de dag waarop de termijn verstrijkt inbegrepen.

§ 3. De accreditatie van gezamenlijk georganiseerde opleidingen die voltooid worden met een gezamenlijk diploma, volgt de accreditatieregeling van een accreditatie, verleend op basis van een visitatierapport, als een van de betrokken Vlaamse instellingen niet beschikt over een positief besluit instellingsreview.

Onderafdeling 2. Generieke kwaliteitswaarborgen

Art. II.140.

§ 1. De accreditatie van een opleiding van een instelling als vermeld in artikel II.1, is afhankelijk van de aanwezigheid van voldoende generieke kwaliteitswaarborgen. De generieke kwaliteitswaarborgen betreffen :

1°[het beoogde eindniveau van de opleiding dat bepaald wordt aan de hand van de wijze waarop de niveaudescriptoren, vermeld in artikel II.141, zijn vertaald in opleidingspecifieke leerresultaten die voldoen aan de internationale eisen met betrekking tot de inhoud, het niveau en de oriëntatie;]

2°[de onderwijsleeromgeving : het programma, het personeel en de opleidingspecifieke voorzieningen die het studenten mogelijk maken het beoogde eindniveau te realiseren;]

3° het gerealiseerde eindniveau dat bepaald wordt aan de hand van de deugdelijkheid van de beoordeling, de toetsing en de examinering van de studenten, [en] aan de hand van de inzetbaarheid van de afgestudeerden op de arbeidsmarkt of de doorstroming naar een volgende opleiding.

De accreditatieorganisatie legt in het accreditatiekader de volgende zaken vast :

1° de criteria waaraan de aanwezigheid van de hiervoor vermelde generieke kwaliteitswaarborgen getoetst zal worden;

2° de voorwaarden voor het verlenen van de oordelen onvoldoende [en voldoende] aan de hiervoor vermelde generieke kwaliteitswaarborgen;

3°[...].

Het accreditatiekader moet, voor het toegepast kan worden, door de Vlaamse Regering goedgekeurd worden, met vooraf advies van de VLUHR als koepelorganisatie en de studentenkoepelverenigingen.

§ 2. De accreditatieorganisatie beoordeelt de aanvraag tot accreditatie van een opleiding van een instellingsbestuur als vermeld in artikel II.6 en van de instellingen die overeenkomstig artikel II.126, §4, niet onderworpen zijn aan de instellingsreview, aan de hand van de generieke kwaliteitswaarborgen vermeld in paragraaf 1, met toevoeging van een vierde generieke kwaliteitswaarborg namelijk de opzet en de organisatie van de interne kwaliteitszorg gericht op een systematische verbetering van de opleiding. In het accreditatiekader worden er criteria bepaald waaraan de aanwezigheid van deze generieke kwaliteitswaarborg getoetst zal worden.

Decr. 19-6-2015

Art. II.141.

De domeinspecifieke leerresultaten, vermeld in artikel II.68 zijn een vertaling van de volgende niveaudescriptoren :

1° in de opleidingen leidend tot de graad van gegradueerde in het hoger beroepsonderwijs :

a) het uitbreiden of met ontbrekende gegevens aanvullen van de informatie uit een specifiek domein met concrete en abstracte gegevens; het hanteren van begrippenkaders en het zich bewust zijn van de reikwijdte van de domeinspecifieke kennis;

b) het toepassen van geïntegreerde cognitieve en motorische vaardigheden;

c) het transfereren van kennis en flexibel en inventief aanwenden van procedures voor het uitvoeren van taken en voor het strategisch oplossen van concrete en abstracte problemen;

d) het handelen in een reeks van nieuwe, complexe contexten;

e) het autonoom functioneren met initiatief;

f) het opnemen van verantwoordelijkheid voor het bereiken van persoonlijke resultaten en voor het stimuleren van collectieve resultaten;

2° in de opleidingen leidend tot de graad van bachelor in het hoger professioneel onderwijs :

a) het beheersen van algemene competenties als denk- en redeneervaardigheid, het verwerven en verwerken van informatie, het vermogen tot kritische reflectie en projectmatig werken, creativiteit, het kunnen uitvoeren van eenvoudige leidinggevende taken, het vermogen tot communiceren van informatie, ideeën, problemen en oplossingen, zowel aan specialisten als aan leken en een ingesteldheid tot levenslang leren;

b) het beheersen van de algemene beroepsgerichte competenties als teamgericht kunnen werken, oplossingsgericht kunnen werken in de zin van het zelfstandig kunnen definiëren en analyseren van complexe probleemsituaties in de beroepspraktijk en het kunnen ontwikkelen en toepassen van zinvolle oplossingsstrategieën, en het besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid samenhangend met de beroepspraktijk;

c) het beheersen van beroepsspecifieke competenties op het niveau van een beginnend beroepsbeoefenaar;

3° in de opleidingen leidend tot de graad van bachelor in het academisch onderwijs :

a) het beheersen van algemene competenties als denk- en redeneervaardigheid, het verwerven en verwerken van informatie, het vermogen tot kritische reflectie, creativiteit, het kunnen uitvoeren van eenvoudige managementtaken, het vermogen tot communiceren van informatie, ideeën, problemen en oplossingen zowel aan specialisten als aan leken en een ingesteldheid tot levenslang leren;

b) het beheersen van algemene wetenschappelijke competenties als een onderzoekende houding, kennis hebben van onderzoeksmethoden en technieken en deze adequaat kunnen toepassen, het vermogen om de relevante data te verzamelen die de oordeelsvorming over maatschappelijke, wetenschappelijke en ethische vraagstukken kunnen sturen, een appreciatie van de onzekerheid, de ambiguïteit en de grenzen van de kennis en de vaardigheid tot het probleemgestuurd initiëren van onderzoek;

c) het begrip van de wetenschappelijk-disciplinaire basiskennis eigen aan een bepaald domein van de wetenschappen of de kunsten, een systematische kennis van de kernelementen van een discipline met inbegrip van het verwerven van coherente en gedetailleerde kennis deels geïnspireerd door de nieuwste ontwikkelingen van de discipline en een begrip van de structuur van het vakgebied en de samenhang met andere vakgebieden;

4° in de opleidingen leidend tot de graad van master :

a) het beheersen van algemene competenties op een gevorderd niveau als het vermogen om op een wetenschappelijke wijze te denken en handelen, het om kunnen gaan met complexe problemen, het kunnen reflecteren op het eigen denken en werken en het kunnen vertalen van die reflectie naar de ontwikkeling van meer adequate oplossingen, het vermogen tot communiceren van het eigen onderzoek en probleemoplossingen met vakgenoten en leken en het vermogen tot oordeelsvorming in een onzekere context;

b) het beheersen van algemene wetenschappelijke competenties op een gevorderd niveau als het kunnen gebruiken van methoden en technieken in onderzoek, het kunnen ontwerpen van onderzoek, het kunnen toepassen van paradigma's in het domein van de wetenschappen of kunsten en het kunnen aanduiden van de grenzen van paradigma's, het vermogen tot originaliteit en creativiteit met het oog op het continu uitbreiden van de kennis en inzichten en het samen kunnen werken in een multidisciplinaire omgeving;

c) een gevorderd begrip van en inzicht in de wetenschappelijk-disciplinaire kennis eigen aan een bepaald domein van de wetenschappen of de kunsten, inzicht hebben in de nieuwste kennis van het vakgebied of delen ervan, in staat zijn om de wijze waarop de theorievorming beweegt te volgen en te interpreteren, in staat zijn om in 1 of enkele delen van het vakgebied een originele bijdrage aan de kennis te leveren en het bezitten van specifieke bij het vakgebied horende vaardigheden als ontwerpen, onderzoeken, analyseren, diagnosticeren;

d) hetzij het beheersen van de competenties nodig voor het zelfstandig kunnen verrichten van wetenschappelijk onderzoek of de zelfstandige beoefening van de kunsten op het niveau van een beginnend onderzoeker of kunstenaar, hetzij het beheersen van de algemene en specifieke beroepsgerichte competenties nodig voor de zelfstandige aanwending van wetenschappelijke of artistieke kennis op het niveau van een beginnend beroepsbeoefenaar;

5° in de doctoraatsvoorbereidingen, leidend tot de graad van doctor :

a) het systematisch begrijpen van een vakgebied en het beheersen van de vaardigheden en methodieken van onderzoek in dat vakgebied;

b) de bekwaamheid om met de geëigende integriteit van een onderzoeker een omvangrijk onderzoeksproces te ontwerpen, ontwikkelen, uit te voeren en aan te passen;

c) het door origineel onderzoek leveren van een bijdrage aan verlegging van de grenzen van kennis door een omvangrijke hoeveelheid werk, waarvan een deel een nationaal of internationaal beoordeelde publicatie verdient;

d) het in staat zijn tot kritische analyse, evaluatie en synthese van nieuwe en complexe ideeën;

e) het kunnen communiceren met vakgenoten en de bredere wetenschappelijke gemeenschap nationaal en internationaal en de samenleving als geheel over het terrein waarop men deskundig is;

f) een vernieuwende bijdrage leveren binnen de academische en professionele context, wat leidt tot technologische, sociale of culturele culturele vooruitgang in een kennissamenleving.

Onderafdeling 3. Onderzoek

Sectie 1. Onderzoek van aanvragen tot accreditatie, verleend op basis van een visitatierapport

Art. II.142.

§ 1. De accreditatieorganisatie gaat na of het visitatierapport regelmatig, kwalitatief en volledig is.

Een regelmatig visitatierapport :

1° voldoet aan de vormen, vermeld in het visitatieprotocol;

2° omvat een beoordeling aan de hand van de generieke kwaliteitswaarborgen bepaald in het door de Vlaamse Regering goedgekeurde accreditatiekader;

3° is gebaseerd op verifieerbare feiten [die zijn voorgelegd in de context van de visitatie];

4° verschaft inzicht in de kwaliteit van de samenstelling van de visitatiecommissie.

§ 2. In voorkomend geval betrekt de accreditatieorganisatie de aanvullende nota, vermeld in artikel II.137, §1, tweede lid, in de beoordeling van de regelmatigheid en volledigheid van het visitatierapport.

§ 3. Indien de accreditatieorganisatie een eenvoudig remedieerbare onregelmatigheid of onvolledigheid vaststelt, verzoekt zij het evaluatieorgaan of het instellingsbestuur om schriftelijke aanvullende inlichtingen, toelichtingen of zienswijzen.

De accreditatieorganisatie voegt deze aanvullende inlichtingen, toelichtingen of zienswijzen toe aan het dossier. Zij bezorgt aan het instellingsbestuur respectievelijk het evaluatieorgaan een afschrift van de bij het evaluatieorgaan respectievelijk het instellingsbestuur opgevraagde aanvullende inlichtingen, toelichtingen of zienswijzen.

§ 4. De accreditatieorganisatie kan na de indiening van de accreditatieaanvraag en vóór het ontwerp van beslissing wordt verzonden, het evaluatieorgaan of desgevallend het instellingsbestuur om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen vragen. Als de accreditatieorganisatie daarvan gebruikmaakt, wordt daarvan melding gemaakt in het accreditatierapport. De accreditatieorganisatie legt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de bestuursbeginselen vast voor de verzoeken om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen en voor de behandeling van de antwoorden.

§ 5. Als de accreditatieorganisatie op grond van het visitatierapport niet tot een accreditatierapport en -besluit kan komen, wordt de termijn van de lopende accreditatie met ten hoogste 1 jaar verlengd. De accreditatieorganisatie bezorgt voor het verstrijken van de beslissingstermijn, vermeld in artikel II.147, §1, eerste lid, een ontwerp van die beslissing met de bijbehorende omstandige motivering aan het evaluatieorgaan en het instellingsbestuur. Het evaluatieorgaan en het instellingsbestuur hebben de mogelijkheid om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen die ingaat de dag na de ontvangst van het ontwerp. Zodra de beslissing genomen is om de lopende accreditatie met een bepaalde duur te verlengen, belast de accreditatieorganisatie het evaluatieorgaan met de uitvoering van een bijkomende externe beoordeling volgens de richtlijnen en criteria bepaald door de accreditatieorganisatie. In voorkomend geval kan het instellingsbestuur een ander evaluatieorgaan vragen de aanvullende externe beoordeling uit te voeren. De duur van de verlenging komt in mindering van de geldigheidsduur van de accreditatie, vermeld in artikel II.147, §2.

Decr. 19-6-2015

Art. II.143.

§1. De accreditatie wordt verleend als de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport, vermeld in artikel II.137, §2, in redelijkheid besluit dat de kwaliteit van de opleiding voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen, zoals beschreven in artikel II.140, §1.

§2. De accreditatieorganisatie legt de bevindingen van de in paragraaf 1 bedoelde toetsing vast in een accreditatierapport, dat als motivering geldt van het accreditatiebesluit. De accreditatieorganisatie kan in het accreditatierapport overige opmerkingen opnemen over de bijzondere kwaliteitskenmerken van de opleiding.

De accreditatieorganisatie bezorgt vóór het verstrijken van de in artikel II.147, §1, eerste lid bedoelde beslissingstermijn een ontwerp van accreditatierapport en van accreditatiebesluit aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur wordt in staat gesteld om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het ontwerp. De accreditatieorganisatie bepaalt in het in artikel II.27 bedoelde reglement de procedurele regelen overeenkomstig dewelke de bezwaren en opmerkingen worden behandeld. Deze procedurele regelen kunnen nimmer leiden tot een overschrijding van de in artikel II.147, §1, eerste lid bedoelde beslissingstermijn.

Art. II.144.

§ 1. Zowel in het visitatierapport, vermeld in artikel II.137, §2, als in het accreditatierapport en in het accreditatiebesluit wordt, in voorkomend geval, melding gemaakt van de opleidingsvarianten die op het tijdstip van de visitatie bestonden :

1° de verschillende vestigingen waar de opleiding aangeboden wordt;

2° de verschillende afstudeerrichtingen van de opleiding, met uitzondering van de als afstudeerrichting georganiseerde specifieke lerarenopleiding(en);

3° de verschillende talen waarin de opleiding aangeboden wordt als vermeld in artikel II.261, §2;

4° het studietraject voor werkstudenten, vermeld in artikel I.3,78°,c;

5° de verschillende programma's binnen de opleiding, als die leiden tot verschillende vormen van de diplomering, namelijk diplomering door een instelling, bidiplomering of gezamenlijke diplomering;

6° de verschillende programma's binnen de opleiding, als deze georganiseerd worden door verschillende instellingsbesturen.

§ 2. Het visitatierapport, vermeld in artikel II.137, §2, bevat een beoordeling van elk van de varianten, vermeld in paragraaf 1.

Sectie 2. Onderzoek van aanvragen tot accreditatie, verleend op basis van een opleidingsdossier

Art. II.145.

§ 1. De accreditatieorganisatie gaat na of het door de instelling ingediende dossier regelmatig en volledig is. Het dossier moet alle elementen en feiten bevatten die de accreditatieorganisatie in staat stellen te verifiëren of de instelling terecht tot de conclusie is gekomen dat er voldoende generieke kwaliteitswaarborgen aanwezig zijn aan de hand van de criteria vastgelegd in het accreditatiekader.

§ 2. De accreditatieorganisatie kan na de indiening van het dossier en vóór het ontwerp van beslissing wordt verzonden, het instellingsbestuur aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen vragen. Als de accreditatieorganisatie daarvan gebruikmaakt, wordt daarvan melding gemaakt in het accreditatierapport. De accreditatieorganisatie legt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de bestuursbeginselen vast voor verzoeken om aanvullende informatie, toelichtingen en verduidelijkingen en voor de behandeling van de antwoorden.

§ 3. Zowel in het dossier dat het instellingsbestuur indient om de accreditatie te verkrijgen als in het accreditatierapport wordt er melding gemaakt van de opleidingsvarianten, vermeld in artikel II.144, §1, die worden aangeboden in het academiejaar waarin het dossier wordt ingediend.

§ 4. Als de accreditatieorganisatie op grond van het ingediende dossier niet tot een positief accreditatierapport en -besluit kan komen, wordt de termijn van de lopende accreditatie met ten hoogste 1 jaar verlengd. De accreditatieorganisatie bezorgt voor het verstrijken van de beslissingstermijn, vermeld in artikel II.147, §1, eerste lid, een ontwerp van die beslissing met de bijbehorende omstandige motivering aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur wordt in staat gesteld om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen die ingaat de dag na de ontvangst van het ontwerp. Binnen de door de accreditatieorganisatie bepaalde termijn waarmee de lopende accreditatie wordt verlengd, moet het instellingsbestuur een externe beoordeling laten uitvoeren. De accreditatieorganisatie neemt dan een besluit over de ingediende aanvraag met toepassing van de voorschriften die gelden voor " accreditaties op basis van een visitatierapport " op voorwaarde dat het instellingsbestuur de aanvraag indient 3 maanden voor het verstrijken van de verlengde accreditatietermijn en dat de accreditatieorganisatie een besluit neemt binnen een termijn van 2 maanden. De duur van de verlenging komt in mindering van de geldigheidsduur van de accreditatie, vermeld in artikel II.147, §2.

Art. II.146.

§ 1. De accreditatie wordt verleend als de accreditatieorganisatie op basis van het opleidingsdossier in redelijkheid besluit dat de kwaliteit van de opleiding voldoet aan de generieke kwaliteitswaarborgen, bepaald in het accreditatiekader.

§ 2. De accreditatieorganisatie legt de bevindingen van de toetsing, vermeld in paragraaf 1, vast in een accreditatierapport, dat als motivering geldt van het accreditatiebesluit.

De accreditatieorganisatie bezorgt vóór het verstrijken van de beslissingstermijn, vermeld in artikel II.147, §1, eerste lid, een ontwerp van accreditatierapport en van accreditatiebesluit aan het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur wordt in staat gesteld om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het ontwerp. De accreditatieorganisatie bepaalt in het reglement, vermeld in artikel II.27, de procedurele regels die gelden voor de behandeling van bezwaren en opmerkingen. De procedurele regels kunnen nooit leiden tot een overschrijding van de beslissingstermijn, vermeld in artikel II.147, §1, eerste lid.

Onderafdeling 4. Accreditatierapport en accreditatiebesluit

Art. II.147.

§1. De accreditatieorganisatie neemt een besluit binnen een termijn van 3 maanden vanaf de ontvangst van de aanvraag tot accreditatie. De termijn wordt berekend van maand tot maand en van dag tot dag. De dag van de ontvangst van de aanvraag tot accreditatie is in de termijn begrepen.

Als de accreditatieorganisatie binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, geen besluit heeft genomen, wordt de geldigheidsduur van de lopende accreditatie of de erkenning als een nieuwe opleiding verlengd tot het einde van het academiejaar waarin het accreditatiebesluit uiteindelijk wordt genomen.

§2. De accreditatieorganisatie neemt een positief accreditatiebesluit, wanneer zij op basis van het visitatierapport besluit dat de opleiding voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen van het accreditatiekader. Een positief accreditatiebesluit geldt voor een termijn van 8 jaar. Vanaf de derde ronde opleidingsaccreditaties geldt een positief accreditatiebesluit voor een termijn van 6 jaar. Die termijnen vangen aan vanaf het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin het besluit genomen wordt of, in geval van verlenging, met ingang van de dag waarop het vorige accreditatiebesluit vervalt.

§3. De accreditatieorganisatie neemt een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een periode van ten hoogste 3 jaar, wanneer zij op grond van het visitatierapport besluit dat de opleiding of een opleidingsvariant slechts voldoet aan 1 of 2 generieke kwaliteitswaarborgen. Binnen die termijn moet het instellingsbestuur, onverminderd het bepaalde in het derde lid van deze paragraaf, een nieuwe externe beoordeling laten uitvoeren over de generieke kwaliteitswaarborgen waarvoor de opleiding of de opleidingsvariant niet als voldoende werd beoordeeld. Op basis van deze nieuwe beoordeling neemt de accreditatieorganisatie een nieuw accreditatiebesluit.

Als de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleiding niet voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen vervalt de accreditatie en wordt het besluit wat de gevolgen betreft, gelijkgesteld met een negatief accreditatiebesluit.

Als de geldigheidsduur van de accreditatie wordt beperkt omdat de kwaliteit van een opleidingsvariant niet voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen bepaald in het accreditatiekader, heeft het instellingsbestuur de keuze tussen a) een nieuwe beperkte visitatie van een opleidingsvariant en accreditatie voor een bepaalde periode of b) de opleidingsvariant stopzetten en vanaf het eerst volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Als het instellingsbestuur beslist de opleidingsvariant stop te zetten na de eerste evaluatie, kan het instellingsbestuur die opleidingsvariant binnen 6 jaar niet heropstarten. Door het stopzetten van de opleidingsvariant wordt de geldigheidsduur van de accreditatie voor de opleiding niet meer beperkt en zijn de termijnen vermeld in paragraaf 2 van toepassing.

Als de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleidingsvariant niet voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen, moet de instelling de opleidingsvariant stopzetten en mag het instellingsbestuur vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Het instellingsbestuur kan de opleidingsvariant binnen 6 jaar niet heropstarten. Door het stopzetten van de opleidingsvariant wordt de geldigheidsduur van de accreditatie voor de opleiding niet meer beperkt en zijn de termijnen vermeld in paragraaf 2 van toepassing.

Als de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleiding of opleidingsvariant voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen van het accreditatiekader, dan neemt de accreditatieorganisatie een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een termijn vermeld in paragraaf 2 verminderd met de termijn van het beperkte accreditatiebesluit.

§4. De accreditatieorganisatie neemt een negatief accreditatiebesluit, wanneer zij op grond van het visitatierapport tot het besluit is gekomen dat de opleiding of een opleidingsvariant aan geen enkele generieke kwaliteitswaarborg voldoet. Het instellingsbestuur moet de opleiding of een opleidingsvariant die aan geen enkele generieke kwaliteitswaarborg voldoet, stopzetten en mag vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Het instellingsbestuur kan de opleiding of een opleidingsvariant binnen 6 jaar niet heropstarten.

Onderafdeling 5. Traject bij instemming met een negatief accreditatiebesluit

Art. II.148.

Indien het accreditatiebesluit over een opleiding negatief is, kan het instellingsbestuur bij de Vlaamse Regering een beroep instellen tegen dat negatief accreditatiebesluit. Het beroep wordt ingesteld binnen een termijn van 30 kalenderdagen die ingaat de dag na deze van de betekening van het negatief accreditatiebesluit aan de instelling.

De Vlaamse Regering toetst het betwiste besluit aan de bepalingen van dit decreet en van het in artikel II.27 bedoelde reglement. De Vlaamse Regering neemt een besluit binnen een ordetermijn van 60 kalenderdagen die ingaat de dag na deze van de ontvangst van het beroep. Zij vernietigt het negatief accreditatiebesluit wanneer dat kennelijk niet in overeenstemming is met die bepalingen.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake het verloop van de beroepsprocedure.

Onderafdeling 6. Bijzondere bepalingen inzake accreditaties verleend door andere accreditatieorganen

Art. II.149.

De accreditatieorganisatie kan de accreditatie verlenen op grond van een als equivalent erkende accreditatie, verleend door een andere accreditatieorganisatie. De accreditatieorganisatie gaat daarbij na of de accreditaties worden verleend volgens een vergelijkbare methodologische aanpak als de accreditaties die in uitvoering van deze codificatie worden verleend. Tussen de datum waarop de als equivalent te erkennen accreditatie is uitgebracht en de datum van de accreditatieaanvraag bij de accreditatieorganisatie mogen niet meer dan 90 kalenderdagen verlopen zijn. Een positief accreditatiebesluit dat is gesteund op een positief accreditatiebesluit dat is afgeleverd door een andere accreditatieorganisatie, geldt tot en met het einde van het academiejaar waarin de equivalent verklaarde accreditatie een einde neemt.

Artikel II.143, §2, II.147, §1, II.384 en II.385 is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde accreditatieprocedure.

Als de accreditatieorganisatie meent dat een oordeel van een andere accreditatieorganisatie niet voldoet aan de in artikel I.3, 2°, vermelde begripsomschrijving, kan de accreditatieprocedure desalniettemin worden voortgezet. Het oordeel wordt in dat geval beschouwd als een externe beoordeling.

Afdeling 3. Programmatie. De toets nieuwe opleiding

Art. II.150.

Een opleiding die niet voorkomt in het in artikel II.170 bedoelde Hogeronderwijsregister of die in hoofde van de instelling niet voorkomt in het Hogeronderwijsregister, wordt een nieuwe opleiding genoemd.

Art. II.151.

De masteropleidingen die als masteropleidingen worden geselecteerd overeenkomstig de bepalingen van een Europees financieringsprogramma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multi- of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld, worden niet beschouwd als nieuwe opleidingen zoals bedoeld in artikel II.150. De instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid beschikken. Deze worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar volgend op het laatste academiejaar van de Europese erkenning of tot en met het einde van het tweede academiejaar na de verlenging van de Europese erkenning. De duur van de overgangsaccreditatie kan nooit meer dan 7 academiejaren zijn.

Het instellingsbestuur kan de inschrijving voor een Erasmus Mundus masteropleiding wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid van de student om deze opleiding te volgen.

Art. II.152.

Een instelling kan :

1° een nieuwe bachelor- of masteropleiding aanbieden wanneer de betreffende opleiding bij besluit van de Vlaamse Regering erkend is als nieuwe opleiding. Zij dient daartoe een aanvraag in;

2° nieuwe masteropleidingen die aansluiten bij een academisch gerichte bacheloropleiding aanbieden wanneer de betreffende masteropleiding bij besluit van de Vlaamse Regering erkend is als nieuwe opleiding. Zij dient daartoe een aanvraag in.

De Vlaamse Regering kan de in het eerste lid bedoelde besluiten nemen met inachtneming van de volgende voorschriften :

1° het voorgelegde dossier omvat :

a) het positief advies van de associatie waarvan de instelling desgevallend lid is;

b) de bevoegde instelling die de opleiding verzorgt en de vestiging(en) waar de opleiding wordt aangeboden;

c) de naam van de opleiding;

d) in voorkomend geval de afstudeerrichtingen;

e) de onderwijstaal gebruikt in de opleiding;

f) de doelstellingen en de eindtermen van de opleidingen;

g) de studieomvang van de opleiding uitgedrukt in studiepunten;

h) de graad waartoe de opleiding leidt, de kwalificatie van de graad en in voorkomend geval de specificatie van de graad;

i) in voorkomend geval de titel die houders van de graad van deze opleiding kunnen voeren;

j) ingeval het een bacheloropleiding betreft de aansluitingsmogelijkheden en de mogelijke vervolgopleidingen zoals bedoeld in het Hogeronderwijsregister en rekening houdend met de toelatingsvoorwaarden voorgeschreven in deel 2, titel 4, hoofdstuk 1;

k) ingeval het een masteropleiding betreft : de vereiste vooropleidingen en toegangsvoorwaarden zoals bedoeld in het Hogeronderwijsregister en rekening houdend met de toelatingsvoorwaarden voorgeschreven in deel 2, titel 4, hoofdstuk 1;

l) de door de instellingen gezamenlijk beschreven domeinspecifieke leerresultaten als vermeld in artikel II.68;

2° de opleiding heeft de macrodoelmatigheidstoets (voor zover van toepassing) en de "toets nieuwe opleidingen" door de accreditatieorganisatie met positief gevolg ondergaan;

3° de nieuwe opleiding kan in 1 of meer studiegebieden of delen van studiegebieden worden gerangschikt waarin de betrokken instelling onderwijsbevoegdheid bezit. De nieuwe opleiding kan eventueel ook worden gerangschikt in een studiegebied waarin de betrokken instelling onderwijsbevoegdheid bezit en 1 of meerdere andere studiegebieden waarin andere instellingen behorende tot de associatie, waarvan de instelling lid is, onderwijsbevoegdheid bezitten;

4° de betrokken instelling geeft aan welke bestaande opleiding ze zal afbouwen parallel met de uitbouw van de nieuwe opleiding. Dit voorschrift geldt niet voor :

a) de organisatie vanaf het academiejaar 2007-2008 van nieuwe opleidingen die nergens voorkomen in het Hogeronderwijsregister zoals het bekendgemaakt zal zijn op 1 juni van het jaar voorafgaand aan het academiejaar vanaf wanneer de opleiding georganiseerd zal worden;

b) de organisatie vanaf het academiejaar 2010-2011 van nieuwe masteropleidingen die aansluiten bij een academisch gerichte bacheloropleiding en die nergens voorkomen in het Hogeronderwijsregister zoals het bekendgemaakt zal zijn op 1 juni van het jaar voorafgaand aan het academiejaar vanaf wanneer de opleiding georganiseerd zal worden;

c) de organisatie vanaf het academiejaar 2007-2008 van de nieuwe bachelor- en masteropleiding Rechten aan de tUL, zoals bepaald in artikel II.79, §1;

[d) de organisatie van de nieuwe bachelor- en masteropleiding in de handelswetenschappen aan de Universiteit Hasselt in het studiegebied handelswetenschappen en bedrijfskunde. De Universiteit Hasselt sluit hiertoe een samenwerkingsovereenkomst af met een andere universiteit die de bachelor- en masteropleiding in de handelswetenschappen reeds organiseert.]

Decr. 25-4-2014

Art. II.153.

§ 1. Een in artikel II.152, eerste lid bedoeld besluit van de Vlaamse Regering komt tot stand overeenkomstig de procedure die in dit artikel chronologisch wordt omschreven.

De regelen bepaald in paragraaf 2, 3, 4, 5 en 6, eerste lid zijn niet van toepassing op de geregistreerde instellingen. Zij dienen onmiddellijk een dossier in bij de accreditatieorganisatie, rekening houdend met het bepaalde in [paragraaf 6, derde lid]. Dit geldt ook voor de ambtshalve geregistreerde instellingen die in overeenstemming met artikel II.103 een nieuwe opleiding buiten het Belgische grondgebied willen starten.

De Vlaamse Regering kan het nadere verloop van de in dit artikel omschreven procedure uitwerken.

Decr. 19-6-2015

§ 2. Het instellingsbestuur dient de in [artikel II.152, eerste lid] bedoelde aanvraag, samen met het bijhorend dossier, bij de Commissie Hoger Onderwijs in voor 1 maart van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden.

Bedoeld dossier stelt de Commissie Hoger Onderwijs in staat de toetsing aan de in paragraaf 3, eerste lid bedoelde criteria door te voeren.

[In afwijking van het eerste lid kunnen de hogescholen en universiteiten in 2015 en 2016 geen aanvragen indienen bij de Commissie Hoger Onderwijs voor initiële bachelor- en masteropleidingen, met uitzondering :

1° van de Universiteit Hasselt voor de opleiding master in de handelswetenschappen;

2° voor opleidingen die gezamenlijk aangeboden worden met één of meer buitenlandse instellingen en die daarbij een gezamenlijk diploma uitreiken en de betreffende graad van bachelor of master verlenen aan de student die met succes de gezamenlijke opleiding heeft voltooid.]

Decr. 19-6-2015

§ 3. De Commissie Hoger Onderwijs brengt na raadpleging van de Vlaamse Interuniversitaire Raad en de Vlaamse Hogescholenraad een oordeel uit over de macrodoelmatigheid van de opleiding op basis van volgende criteria :

1° het bestaande aanbod van opleidingen en in voorkomend geval de andere aanvragen van verwante nieuwe opleidingen;

2° het aantal studenten in dezelfde of aanverwante opleidingen;

3° de te verwachten vraag naar afgestudeerden hoger onderwijs in het algemeen en in de betreffende of aanverwante opleidingen in het bijzonder;

4° de maatschappelijke relevantie van de opleiding;

5° de door de instellingen gezamenlijk beschreven domeinspecifieke leerresultaten.

Indien het gaat om een opleiding waarvan de domeinspecifieke leerresultaten nog niet vastgesteld zijn of nog niet in de kwalificatiedatabank zijn opgenomen dan bezorgt de VLUHR de door de hem vastgestelde gezamenlijk beschreven domeinspecifieke leerresultaten aan de Commissie Hoger Onderwijs ten laatste op 30 april van het kalenderjaar, vermeld in paragraaf 2, eerste lid.

De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel over de ingediende aanvragen uiterlijk uit op 1 juni van het kalenderjaar, vermeld in paragraaf 2, eerste lid.

De Commissie Hoger Onderwijs maakt het oordeel over aan het instellingsbestuur.

§ 4. Indien het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs negatief is of niet tijdig wordt verstrekt, kan het instellingsbestuur binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen een tweede aanvraag indienen bij de Vlaamse Regering, die de macrodoelmatigheid van de opleiding op definitieve wijze beoordeelt op grond van de onder paragraaf 3, eerste lid bedoelde criteria.

De termijn voor de tweede aanvraag gaat in :

1° de dag na deze van ontvangst van het negatief advies, of

2° de dag waarop de beoordelingstermijn voor de Commissie Hoger Onderwijs is verstreken.

§ 5. De Vlaamse Regering deelt het oordeel aan het instellingsbestuur mee binnen een termijn van 30 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van de tweede aanvraag. Indien het oordeel van de Vlaamse Regering niet wordt meegedeeld binnen deze termijn van 30 kalenderdagen, wordt de macrodoelmatigheid geacht positief beoordeeld te zijn.

§ 6. Het instellingsbestuur vraagt de toets nieuwe opleidingen aan bij de accreditatieorganisatie, binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen, die ingaat de dag na :

1° ontvangst van het positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs of, desgevallend, de Vlaamse Regering omtrent de macrodoelmatigheid van de opleiding, of

2° het verstrijken van de beoordelingstermijn van 30 kalenderdagen waarover de Vlaamse Regering overeenkomstig paragraaf 5 beschikt.

De in het eerste lid vermelde vervaltermijn geldt niet ingeval van een herindiening van een aanvraag toets nieuwe opleiding bij de accreditatieorganisatie, nadat een initiële aanvraag, ingediend overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, op initiatief van het instellingsbestuur werd ingetrokken. Het positieve macrodoelmatigheidsoordeel van de Commissie Hoger Onderwijs of, desgevallend, de Vlaamse Regering blijft in voorkomend geval slechts geldig onder 1 van de volgende voorwaarden :

1° als de intrekking is gebeurd binnen de in paragraaf 7, derde lid, vermelde termijn om na de ontvangst van het ontwerp van toetsingsrapport bezwaren en opmerkingen te formuleren, beschikt het instellingsbestuur over een vervaltermijn van 60 kalenderdagen om de aanvraag toets nieuwe opleiding opnieuw in te dienen bij de accreditatieorganisatie. De vervaltermijn gaat in op de dag na de betekening van het ontwerp van toetsingsrapport;

2° als de intrekking is gebeurd voor de betekening van een in paragraaf 7, derde lid, vermeld ontwerp van toetsingsrapport, beschikt het instellingsbestuur over een vervaltermijn van 60 kalenderdagen om de aanvraag toets nieuwe opleiding opnieuw in te dienen bij de accreditatieorganisatie. De vervaltermijn gaat in op de dag na de intrekking van de initiële aanvraag toets nieuwe opleiding.

De accreditatieorganisatie bepaalt bij reglement de vorm en inhoud van het dossier dat bij de aanvraag moet worden gevoegd.

Indien een aanvraag niet voldoet aan deze regelen, biedt de accreditatieorganisatie de gelegenheid binnen een daartoe gestelde termijn het verzuim te herstellen. Indien van deze gelegenheid geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt, wordt de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. De accreditatieorganisatie kan nadere regelen omtrent deze procedure vaststellen in het in het tweede lid bedoelde reglement.

§ 7. De accreditatieorganisatie behandelt de ontvankelijke aanvragen binnen een ordetermijn van 4 maanden, die ingaat de dag na deze van ontvangst. De termijn wordt berekend van maand tot maand en van dag tot dag. De dag van ontvangst van de aanvraag is in de termijn begrepen.

De bevindingen van de accreditatieorganisatie worden neergelegd in een toetsingsrapport. Een toetsingsrapport is positief indien de accreditatieorganisatie in redelijkheid uit de aanvraag meent te kunnen opmaken dat de nieuwe opleiding de toets inzake de aanwezigheid van voldoende generieke kwaliteitswaarborgen met goed gevolg zal kunnen doorstaan. De methodologische regelen die daarbij benevens het krachtens het in artikel II.26 bedoelde verdrag vastgestelde toetsingskader worden gehanteerd, worden vastgelegd in een reglement, dat, vooraleer het van toepassing wordt, door de Vlaamse Regering moet worden bekrachtigd.

De accreditatieorganisatie bezorgt vóór het verstrijken van de ordetermijn van 4 maanden een ontwerp van toetsingsrapport aan het instellingsbestuur, dat in staat wordt gesteld om bezwaren en opmerkingen te formuleren binnen een vervaltermijn van 10 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het ontwerp. De accreditatieorganisatie bepaalt in het in artikel II.27 bedoelde reglement de procedurele regelen overeenkomstig dewelke de bezwaren en opmerkingen worden behandeld.

De ordetermijn van 4 maanden, vermeld in het eerste lid, wordt verlengd tot 6 maanden ingeval de opmerkingen en de bezwaren van het instellingsbestuur van die aard zijn dat de accreditatieorganisatie tot een bijkomend advies van deskundigen wordt genoopt. De ordetermijn van 4 maanden, vermeld in het eerste lid, wordt ingeval van intrekking van een aanvraag toets nieuwe opleiding geschorst vanaf de intrekking van de aanvraag tot en met de datum van de betekening van de herindiening ervan.

§ 8. De Vlaamse Regering neemt het besluit houdende erkenning van een nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het toetsingsrapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. De nieuwe opleiding wordt geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar volgend op het einde van het academiejaar waarin voor de eerste maal de voor de nieuwe opleiding bepaalde studieomvang geheel doorlopen werd.

Art. II.154.

§ 1. Vanaf het academiejaar 2006-2007 kunnen hogescholen die partner zijn in eenzelfde associatie, besluiten tot het uitwisselen van opleidingen, waarbij een opleiding aan een bepaalde hogeschool aangeboden in een bepaalde vestiging van jaar tot jaar wordt afgebouwd en waarbij dezelfde opleiding aan een andere hogeschool in een bepaalde vestiging van jaar tot jaar wordt ingevoerd, na erkenning als een nieuwe opleiding door de Vlaamse Regering.

§ 2. Voorafgaand aan de invoering van de nieuwe opleiding, moeten de rechtspersonen verantwoordelijk voor de hogescholen en de universiteiten die een vestiging hebben in de provincie waarin de vestiging van de nieuwe opleiding gelegen is, hun akkoord verlenen.

Voor de toepassing van het eerste lid worden het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de provincie Vlaams-Brabant gezamenlijk als 1 provincie beschouwd.

§ 3. Besluiten tot het uitwisselen van opleidingen tussen hogescholen binnen een associatie kunnen maar eenmaal om de 5 jaar worden genomen voor de gehele Vlaamse Gemeenschap.

§ 4. De instellingsbesturen voorzien bij de afbouw van een opleiding in aangepaste overgangs- en begeleidingsmaatregelen, zodat de studenten hun opleiding kunnen voltooien.

Art. II.155.

§ 1. De centra voor volwassenenonderwijs kunnen de programmatie van een opleiding van het hoger beroepsonderwijs, die ze sinds het academiejaar 2003-2004 hebben georganiseerd, als bachelor aanvragen. Het programmatieproces verloopt overeenkomstig de bepalingen van deze onderafdeling die gelden voor de ambtshalve geregistreerde instellingen.

§ 2. Een opleiding, zoals vermeld in paragraaf 1, die als bachelor erkend wordt, moet worden overgedragen aan een ambtshalve geregistreerde instelling die de overeenkomstige onderwijsbevoegdheid en territoriale bevoegdheid heeft.

De overdracht van de opleiding kan plaatsvinden vanaf het ogenblik van de erkenning en moet voltrokken zijn uiterlijk op 31 augustus van het jaar dat volgt op het jaar van de erkenning.

Van de territorialiteitsvoorwaarde als vermeld in het eerste lid, kan worden afgeweken in het overdrachtsprotocol, als vermeld in paragraaf 4. In geval van toepassing van paragraaf 3 kan deze afwijking reeds worden vastgelegd in de intentieverklaring. De afwijking heeft in dit geval pas uitwerking met de eigenlijke overdracht. Als voorwaarde geldt dat :

1° de afwijking op de territorialiteitsvoorwaarde wordt gemotiveerd;

2° de afwijking op de territorialiteitsvoorwaarde wordt bekrachtigd door het Vlaams Parlement;

3° de opleiding slechts op 1 plaats wordt aangeboden.

§ 3. Indien de overdracht van de opleiding niet op het ogenblik van de erkenning plaatsvindt, leggen het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs en de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling hun principiële overeenstemming over de overdracht van de opleiding in een intentieverklaring neer. Deze intentieverklaring bevat minimaal de datum waarop de overdracht van de erkende opleiding zal plaatsvinden en de engagementen van de ambtshalve geregistreerde instelling waaraan de opleiding wordt overgedragen. Deze intentieverklaring wordt ter bekrachtiging voorgelegd aan de Vlaamse Regering.

§ 4. Ter regeling van de overdracht van de opleiding sluiten het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs en de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling in ieder geval een protocol.

Het in het eerste lid bedoelde protocol vermeldt ten minste :

1° de naam van het centrum voor volwassenenonderwijs en de naam van de hogeschool;

2° de naam van de afdeling(en) die wordt/worden overgedragen en de categorie(en) waarbinnen deze afdeling(en) is/zijn gerangschikt;

3° de naam van de hogeschoolopleiding(en) waarnaar de afdeling(en) wordt/worden omgevormd en het studiegebied waarbinnen de opleiding(en) is/zijn gerangschikt;

4° de vestiging van de hogeschool waar de overgedragen afdeling(en) zal/zullen worden georganiseerd;

5° de modaliteiten inzake de organisatie van de afdeling(en) in afbouw overeenkomstig de organisatie van het hoger onderwijs voor sociale promotie;

6° de procedure en de modaliteiten inzake de overdracht van de inschrijving van de studenten die op het ogenblik van de overdracht van de afdeling(en) in het centrum voor volwassenenonderwijs zijn ingeschreven, naar de hogeschool;

7° de procedure en de modaliteiten inzake de overdracht van het personeel van het centrum voor volwassenenonderwijs naar de hogeschool;

8° desgevallend de modaliteiten inzake de overdracht van infrastructuur en onroerende goederen.

§5. Indien de overdracht van de opleiding niet op het ogenblik van de erkenning plaatsvindt, reiken het overdragende centrum voor volwassenenonderwijs en de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling, bij wijze van overgangsmaatregel en in afwijking van artikel II.59, gezamenlijk een diploma van de graad van bachelor uit na de succesvolle voltooiing van de opleiding die de erkenning heeft verworven.

De gezamenlijke diplomering is slechts mogelijk vanaf de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van de in paragraaf 3 bedoelde intentieverklaring en zolang de overdracht van de opleiding naar de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling niet is gerealiseerd.

In ieder geval verliezen het centrum voor volwassenenonderwijs en de ambtshalve geregistreerde instelling de uitzonderlijke mogelijkheid om gezamenlijk een diploma van de graad van bachelor uit te reiken als de overdracht van de opleiding niet binnen de in paragraaf 2 vermelde termijn is gerealiseerd.

Afdeling 4. Wijzigingen aan de studieomvang van opleidingen

Art. II.156.

§ 1. In 2013 kunnen de hogescholen en universiteiten uiterlijk op 15 oktober een aanvraag indienen bij de Vlaamse Regering tot uitbreiding van de studieomvang van een masteropleiding met een studieomvang van 60 studiepunten.

Vanaf 2014 kunnen de hogescholen en universiteiten in de loop van de maand april en uiterlijk op 30 april een aanvraag indienen bij de Vlaamse Regering tot uitbreiding van de studieomvang van een masteropleiding met een studieomvang van 60 studiepunten.

§ 2. Een aanvraag wordt gezamenlijk opgesteld door alle instellingen die de betrokken masteropleiding van 60 studiepunten aanbieden. De aanvraag wordt samen opgesteld en bevat het gezamenlijk concept van de opleidingsstructuur die de instellingen binnen de (sub)discipline voor ogen hebben.

Het aanvraagdossier omvat het standpunt van studenten, die betrokken worden bij de voorbereiding van de aanvraag.

De VLUHR coördineert de aanvraag en bezorgt die aan de Vlaamse Regering.

§ 3. Voor de masteropleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 worden geïntegreerd in een universiteit, stellen de betrokken universiteiten de aanvraag op.

Art. II.157.

De masteropleidingen die ontstaan na de uitbreiding van de studieomvang van een masteropleiding van 60 studiepunten, kunnen 1 van de volgende vormen aannemen :

1° een vakinhoudelijke masteropleiding van 90 studiepunten;

2° een masteropleiding van 90 studiepunten die bestaat uit een vakinhoudelijke vorming van 60 studiepunten en een differentiatie van 30 studiepunten die specifiek gericht is op 1 of meer van de volgende finaliteiten :

a) het verwerven van specifieke beroepsgerichte competenties, andere dan die van leraar;

b) een doorgedreven vakinhoudelijke specialisatie;

3° een masteropleiding van 120 studiepunten die bestaat uit een vakinhoudelijke vorming van 90 studiepunten en een differentiatie van 30 studiepunten die specifiek gericht is op 1 of meer van de volgende finaliteiten :

a) de lerarenopleiding, waarbij een deel van de lerarenopleiding ingebouwd wordt als afstudeerrichting in de initiële master, zoals bepaald in artikel II.112, §2 en §3;

b) het verwerven van specifieke beroepsgerichte competenties, andere dan die van leraar;

c) een doorgedreven vakinhoudelijke specialisatie;

4° een onderzoeksmaster van 120 studiepunten, die wordt aangeboden naast een masteropleiding in hetzelfde studiegebied;

5° een educatieve master. De Vlaamse Regering bepaalt na de goedkeuring van de beroepskwalificaties van leraar en na de afronding van de decretaal opgelegde evaluatie de nadere regelen en de voorwaarden waaronder deze educatieve master wordt georganiseerd. Die houden rekening met de resultaten van de evaluatie en betreffen ten minste :

a) de studieomvang;

b) de puntengewichten voor de financiering, binnen een vork gaande van 1 tot 3;

c) de procedure en de criteria voor de beoordeling van de aanvraag;

d) het moment waarop de eerste aanvragen kunnen worden ingediend;

e) het moment waarop de eerste educatieve masters kunnen worden aangeboden.

Art. II.158.

§ 1. De aanvragen tot uitbreiding van de studieomvang van de masteropleidingen worden gemotiveerd aan de hand van de volgende criteria :

1° de studieomvang van vergelijkbare opleidingen in de Europese Hogeronderwijsruimte bedraagt meer dan 60 studiepunten en de leerresultaten van de masteropleiding van 60 studiepunten beantwoorden niet meer aan wat internationaal gangbaar is, én de internationale en nationale arbeidsmarkt voor afgestudeerden vraagt het beheersen van algemene en specifieke beroepsgerichte competenties die samen met de vakinhoudelijke competenties niet kunnen worden bereikt binnen de huidige studieomvang, of

2° de leerresultaten van de bestaande masteropleidingen kunnen niet worden bereikt binnen de huidige studieomvang, én de internationale en nationale arbeidsmarkt voor afgestudeerden vraagt het beheersen van algemene en specifieke beroepsgerichte competenties die samen met de vakinhoudelijke competenties niet kunnen worden bereikt binnen de huidige studieomvang.

§ 2. De aanvragen voor een onderzoeksmaster, ter uitvoering van artikel II.157, worden gemotiveerd aan de hand van de volgende criteria :

1° de verwachte doorstroom naar onderzoekscarrières aan een instelling voor hoger onderwijs of binnen de industrie en maatschappelijke organisaties;

2° de opleiding sluit aan bij de onderzoekszwaartepunten van de instelling voor hoger onderwijs;

3° het beoogde eindniveau van de opleiding sluit aan bij het eindniveau dat internationaal gangbaar is voor een onderzoeksmaster.

Art. II.159.

§ 1. De Vlaamse Regering legt de ingediende aanvragen voor advies voor aan de accreditatieorganisatie, bedoeld in artikel II.26. De accreditatieorganisatie legt een operationeel kader vast voor de beoordeling van de aanvragen. Dat beoordelingskader wordt aan de Vlaamse Regering ter goedkeuring voorgelegd.

§ 2. De accreditatieorganisatie gaat na of de ingediende aanvragen beantwoorden aan de criteria, bedoeld in artikel II.158. Daarbij gaat zij ook na :

1° of de betreffende instellingen, desgevallend door samenwerking met andere hogescholen of universiteiten, voldoende capaciteit en kritische massa hebben inzake academisch en wetenschappelijk personeel en infrastructuur om de opleidingen met een uitgebreide studieomvang op kwaliteitsvolle basis aan te bieden;

2° in geval het gaat om een onderzoeksmaster, of de betreffende instellingen concrete doelstellingen hebben geformuleerd met betrekking tot het aantal doctoraten en met betrekking tot de duur van de voorbereiding van het doctoraat, of zij maatregelen hebben geformuleerd om die doelstellingen te realiseren en op welke wijze zij de realisatie van deze doelstellingen monitoren en de kwaliteit ervan bewaken.

§ 3. De instellingen betalen een bedrag van 2.500 euro per instelling en per opleiding aan de accreditatieorganisatie als bijdrage in de kosten van de advisering.

Art. II.160.

§ 1. De Vlaamse Regering neemt vóór 1 december van het jaar waarin de aanvraag werd ingediend, een beslissing betreffende de uitbreiding van de studieomvang op basis van het advies van de accreditatieorganisatie en het ingediende dossier.

In afwijking van het eerste lid neemt de Vlaamse Regering over de aanvragen, ingediend in 2013, een beslissing vóór 15 maart 2014.

§ 2. Indien de Vlaamse Regering de ingediende aanvraag heeft goedgekeurd, kan de masteropleiding starten ten vroegste het vierde academiejaar na het academiejaar waarin de Vlaamse Regering de beslissing heeft genomen.

§ 3. Een goedgekeurde onderzoeksmaster kan ten vroegste starten het academiejaar na het academiejaar waarin de Vlaamse Regering de beslissing heeft genomen, tenzij de Vlaamse Regering een andere startdatum heeft bepaald.

§ 4. In afwijking van hetgeen bepaald is in paragraaf 2, kan de Vlaamse Regering een vroegere startdatum bepalen op gemotiveerd verzoek van de instellingen, en op voorwaarde dat de studenten die in het academiejaar waarin de Vlaamse Regering de aanvraag heeft goedgekeurd, de bacheloropleiding waarop de masteropleiding aansluit zijn begonnen, de masteropleiding van 60 studiepunten kunnen afronden.

In geval van de afwijking, vermeld in het eerste lid, bieden de instellingen de bestaande masteropleiding van 60 studiepunten en de masteropleiding met een uitgebreide studieomvang gelijktijdig aan gedurende een periode van 5 jaar. Na die termijn wordt de masteropleiding van 60 studiepunten stopgezet.

§ 5. Als de Vlaamse Regering de aanvraag tot uitbreiding van de studieomvang van een masteropleiding niet goedkeurt, kan de instelling pas na verloop van een periode van 3 jaar, te rekenen vanaf de aanvraagdatum, een nieuwe aanvraag indienen.

§ 6. Als de Vlaamse Regering oordeelt dat 1 van de indienende instellingen niet beschikt over de capaciteit en de kritische massa inzake academisch en wetenschappelijk personeel en infrastructuur om de opleiding met een uitgebreide studieomvang op kwaliteitsvolle basis aan te bieden, dan kan de opleiding alleen nog worden aangeboden in samenwerking met een andere instelling.

De samenwerking moet uiterlijk gerealiseerd zijn 1 academiejaar voor de start van de masteropleiding met een uitgebreide studieomvang.

Ingeval de instelling die samenwerking niet kan realiseren, wordt de opleiding stopgezet uiterlijk gelijktijdig met de start van de opleiding met de uitgebreide studieomvang.

§ 7. Binnen de Vlaamse Gemeenschap kunnen maximum 40 onderzoeksmasters, die tot stand komen na uitbreiding van de studieomvang via de procedure, bedoeld in artikel II.156 tot II.160, worden aangeboden in of over de studiegebieden of delen van de studiegebieden Wijsbegeerte en moraalwetenschappen, Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht, Taal- en letterkunde, Geschiedenis, Archeologie en kunstwetenschappen, Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen, Economische en toegepaste economische wetenschappen, Politieke en sociale wetenschappen, Sociale gezondheidswetenschappen, Conservatie-restauratie, Architectuur, Gezondheidszorg, Industriële wetenschappen en technologie, Biotechniek, Productontwikkeling, Toegepaste taalkunde, Handelswetenschappen en bedrijfskunde, Audiovisuele en beeldende kunst, Muziek en podiumkunsten, Nautische wetenschappen.

Een onderzoeksmaster in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst, Muziek en podiumkunsten, Nautische wetenschappen kan enkel door een hogeschool worden georganiseerd en aangeboden in samenwerking met een universiteit.

[§ 8. De studieomvang van de master in de huisartsgeneeskunde en van de master in de specialistische geneeskunde wordt uitgebreid tot 180 studiepunten. Deze uitgebreide studieomvang geldt voor alle studenten die zich voor de eerste keer inschrijven in deze masteropleidingen vanaf het academiejaar 2018-2019 na het voltooien van een masteropleiding in de geneeskunde met een studieomvang van 180 studiepunten.]

Decr. 19-6-2015

Art. II.161.

De Vlaamse Regering kan de studieomvang van bachelor- of masteropleidingen uitbreiden om op die manier de bij of krachtens de wet, het decreet of de Europese richtlijn vastgelegde voorwaarden of richtlijnen met betrekking tot de studieomvang te realiseren met het oog op de toegang tot het beroep.

Art. II.162.

§ 1. Hogescholen en universiteiten kunnen in de loop van de maand april en uiterlijk op 30 april van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden, een aanvraag tot vermindering van de studieomvang van een bestaande masteropleiding indienen bij de Vlaamse Regering.

§ 2. De aanvragen worden gezamenlijk opgesteld door alle instellingen die de betrokken opleiding aanbieden.

De VLUHR coördineert de aanvragen en bezorgt de aanvragen aan de Vlaamse Regering.

§ 3. De aanvragen tot vermindering van de studieomvang van de masteropleidingen moeten gemotiveerd worden aan de hand van het volgende criterium : de studieomvang van vergelijkbare opleidingen in de Europese Hogeronderwijsruimte bedraagt minder dan 90 of 120 studiepunten en de leerresultaten van de masteropleiding kunnen worden bereikt binnen een beperktere studieomvang.

§ 4. De Vlaamse Regering neemt vóór 1 december van het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend een beslissing inzake de vermindering van de studieomvang op basis van het advies van de accreditatieorganisatie, bedoeld in artikel II.26 en op basis van het ingediende dossier. De accreditatieorganisatie legt een operationeel kader vast voor de beoordeling van de aanvragen, dat ter goedkeuring aan de Vlaamse Regering voorgelegd wordt.

De instellingen betalen een bedrag van 2.500 euro per instelling en per opleiding aan de accreditatieorganisatie als bijdrage in de kosten van de advisering.

Art. II.163.

De Vlaamse Regering kan de studieomvang van masteropleidingen verminderen om op die manier de bij of krachtens de wet, het decreet of de Europese richtlijn vastgelegde voorwaarden of richtlijnen met betrekking tot de studieomvang te realiseren met het oog op de toegang tot het beroep.

Art. II.164.

[§ 1.] Studenten die ingeschreven waren in een masteropleiding van 60 studiepunten in het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang van de masteropleiding wordt ingevoerd, kunnen hun masteropleiding voltooien binnen de 2 daaropvolgende academiejaren of kunnen inschrijven voor de in studieomvang uitgebreide masteropleiding met behoud van de verworven creditbewijzen.

Instellingen moeten door middel van de organisatie van specifieke studietrajecten met een studieomvang van ten hoogste 60 studiepunten studenten die een masteropleiding van 60 studiepunten hebben voltooid, de mogelijkheid bieden om de graad van master te behalen van de in studieomvang uitgebreide masteropleiding.

Studenten die ingeschreven waren in een masteropleiding van 90 of 120 studiepunten in het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarin de vermindering van de studieomvang van de masteropleiding wordt ingevoerd, kunnen hun masteropleiding voltooien binnen de 2 daaropvolgende academiejaren.

[§ 2. In het academiejaar dat de uitbreiding van de studieomvang van een bacheloropleiding wordt ingevoerd en in de drie academiejaren die daarop volgen kunnen studenten nog het diploma behalen van de bacheloropleiding op basis van de studieomvang van voor de uitbreiding. Deze mogelijkheid bestaat voor :

1° studenten die reeds in de bacheloropleiding ingeschreven waren vóór het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang wordt ingevoerd;

2° studenten die zich voor een traject met vermindering van studieduur op grond van een eerder behaald HBO5-diploma inschrijven in het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang ingevoerd wordt;

3° studenten die zich voor een traject met vermindering van studieduur op grond van een eerder behaald bachelor- of masterdiploma inschrijven in het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang ingevoerd wordt of het daaropvolgend academiejaar.

Instellingen moeten door middel van de organisatie van specifieke studietrajecten met een studieomvang van ten hoogste de omvang van de studie-uitbreiding aan studenten die een bacheloropleiding van 180 studiepunten hebben voltooid, de mogelijkheid bieden om de graad van bachelor te behalen van de in studieomvang uitgebreide bacheloropleiding.]

Decr. 17-6-2016

Afdeling 5. Herschikkingen van het opleidingsaanbod

Art. II.165.

Onder herschikkingen van het opleidingsaanbod worden begrepen :

1° het omvormen van bachelor- of masteropleidingen tot een gezamenlijk georganiseerde opleiding, zoals bedoeld in artikel II.171 van deze codificatie;

2° het omvormen van een bachelor- of masteropleiding tot een gezamenlijk georganiseerde opleiding, waarbij de toetredende instelling de bachelor- of masteropleiding op het ogenblik van de omvorming niet aanbiedt, zoals bedoeld in artikel II.166;

3° het samenvoegen van 2 of meerdere bacheloropleidingen of 2 of meerdere masteropleidingen binnen een hogeschool of universiteit, zoals bedoeld in artikel II.167.

Art. II.166.

§ 1. Als een bestaande bachelor- of masteropleiding aangeboden door een hogeschool of universiteit, omgevormd wordt tot een gezamenlijk georganiseerde opleiding conform de bepalingen van artikel II.171, dan wordt deze opleiding niet beschouwd als een nieuwe opleiding in hoofde van de toetredende instellingen. De betrokken hogescholen of universiteiten moeten de onderwijsbevoegdheid hebben om de desbetreffende graden binnen de geografische omschrijving te verlenen.

§ 2. Voorafgaand aan de organisatie van de gezamenlijke opleiding, moeten de associaties waarvan een partner de desbetreffende onderwijsbevoegdheid heeft en de desbetreffende graden mag verlenen in een vestiging in de provincie waarin de toetredende instelling de geografische bevoegdheid heeft om de opleiding aan te bieden en de desbetreffende graden te verlenen, hun akkoord verlenen.

Voor de toepassing van het eerste lid worden het Brusselse Gewest en de provincie Vlaams-Brabant als 1 provincie beschouwd.

§ 3. Wanneer 1 van de deelnemende hogescholen of universiteiten niet langer wenst te participeren aan de gezamenlijk georganiseerde opleiding, dan kan een hogeschool of universiteit de desbetreffende opleiding niet organiseren als afzonderlijke opleiding in het geval deze hogeschool of universiteit de opleiding niet organiseerde op het ogenblik van de start van de gezamenlijke opleiding.

§ 4. De betrokken universiteiten of hogescholen delen voor 1 mei aan de Vlaamse Regering de opleidingen die ze conform paragraaf 1 van dit artikel in het volgende academiejaar gezamenlijk willen organiseren, mee. Bij deze mededeling wordt het akkoord van de associaties, zoals bedoeld in paragraaf 2 van dit artikel gevoegd. De hogeschool of universiteit die niet langer wenst te participeren aan de gezamenlijk georganiseerde opleiding deelt dit mee aan de Vlaamse Regering voor 1 mei voorafgaand aan het academiejaar waarin de participatie wordt stopgezet.

Art. II.167.

Als een hogeschool of universiteit 2 of meerdere bacheloropleidingen of 2 of meerdere masteropleidingen wil samenvoegen tot respectievelijk een bachelor- of masteropleiding, dan wordt deze opleiding niet beschouwd als nieuwe opleiding indien de samengevoegde opleiding opgenomen is in de lijst, vermeld in artikel II.102.

Art. II.168.

Als de aanvangsdatum van de accreditatietermijn van de opleidingen die een instelling wil samenvoegen tot 1 opleiding, als vermeld in artikel II.167, verschillend is, geldt als aanvangsdatum van de accreditatietermijn van de samengevoegde opleiding de vroegste aanvangsdatum van de samengevoegde opleidingen.

Als de accreditatietermijn van de opleidingen die omgevormd worden tot een gezamenlijke opleiding, als vermeld in artikel II.165, 1°, verschillend is, geldt als aanvangsdatum van de accreditatietermijn van de samengevoegde opleiding de vroegste aanvangsdatum van de oorspronkelijke opleidingen.

Een nieuwe externe beoordeling is vereist wanneer een instelling meerdere opleidingen samenvoegt waarvan minimum 1 opleiding een accreditatie met beperkte geldigheidsduur geniet. De nieuwe externe beoordeling heeft betrekking op de generieke kwaliteitswaarborgen die negatief werden beoordeeld in de samengevoegde opleidingen.

In het geval dat de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleiding voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen van het accreditatiekader, neemt de accreditatieorganisatie een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een termijn als vermeld in artikel II.147, §2, met als aanvangsdatum de vroegste aanvangsdatum van accreditatie van de samengevoegde opleidingen.

In het geval dat de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleiding niet voldoet aan alle generieke kwaliteitswaarborgen van het accreditatiekader, vervalt de accreditatie en wordt het besluit, wat de gevolgen betreft, gelijkgesteld met een negatief accreditatiebesluit.

Indien de beperkte visitatie betrekking heeft op een opleidingsvariant in de samengevoegde opleiding en de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleidingsvariant niet voldoet, moet de instelling de opleidingsvariant stopzetten en mag het instellingsbestuur vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Het instellingsbestuur kan de opleidingsvariant binnen 6 jaar niet heropstarten. Bij het stopzetten van de opleidingsvariant neemt de accreditatieorganisatie een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een termijn als vermeld in artikel II.147, §2, met als aanvangsdatum de vroegste aanvangsdatum van accreditatie van de opleidingen die werden samengevoegd.

Art. II.169.

De Vlaamse Regering voert ten minste om de 5 jaar vergelijkende analyses uit van de visitatierapporten en van de accreditatierapporten alsook systeembrede analyses op basis van die rapporten.

Vanuit haar eigen databanken stelt de Vlaamse Regering de nodige gegevens ter beschikking van de instellingsbesturen met betrekking tot instroom, doorstroom en uitstroom van de studenten in het kader van de voorbereiding van hun zelfevaluatierapport.

Afdeling 6. Registratie. Het Hogeronderwijsregister

Art. II.170.

§ 1. Er wordt een Hogeronderwijsregister aangelegd van de bachelor- en masteropleidingen die overeenkomstig deze codificatie worden georganiseerd.

§ 2. Het Hogeronderwijsregister bevat van elke opleiding de volgende algemene gegevens :

1° de naam van de opleiding;

2° in voorkomend geval de afstudeerrichtingen;

3° de onderwijstaal gebruikt in de opleiding;

4° in voorkomend geval de vermelding dat er een opleidingstraject is ten behoeve van werkstudenten;

5° de graad waartoe de opleiding leidt en de kwalificatie van de graad, respectievelijk aangevuld met de specificatie van de graad;

6° de titel die door de houder van het diploma kan worden gevoerd;

7° de bevoegde instelling die de opleiding verzorgt, de vestiging(en) waar de opleiding wordt aangeboden en respectievelijk de associatie waarvan de instelling lid is;

8° de studieomvang van de opleiding uitgedrukt in studiepunten;

9° de domeinspecifieke leerresultaten van de opleidingen;

10° de datum van de accreditatie, tijdelijke erkenning of erkenning als nieuwe opleiding;

11° het tijdstip waarop de accreditatie, de tijdelijke erkenning of de erkenning als nieuwe opleiding vervalt;

12° het academiejaar of de academiejaren waarin de opleiding wordt aangeboden;

13° het studiegebied, een deel van een studiegebied of studiegebieden waarbinnen een opleiding wordt gerangschikt;

14° de ISCED benaming van het studiegebied waarin de opleiding gerangschikt wordt.

Het Hogeronderwijsregister omvat uitsluitend de gegevens die in paragraaf 2 zijn opgenomen. De Vlaamse Regering kan in functie van de organisatorische transparantie de in paragraaf 2 opgesomde gegevens verder verduidelijken.

In het Hogeronderwijsregister wordt in een link voorzien naar de websites van de instellingen met meer uitgebreide informatie over de gegevens inzake aansluiting en vervolgopleidingen en de onderwijs- en examenreglementen. Het Hogeronderwijsregister voorziet in een historiek met betrekking tot de accreditatiestatus van de opleidingen en hun benamingen.

§ 3. De instellingen voor hoger onderwijs delen jaarlijks vóór 1 mei de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde gegevens mee inzake de opleidingen die zij het daaropvolgend academiejaar rechtmatig kunnen organiseren. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake de wijze waarop en de vorm waarin de gegevens worden meegedeeld, verbeterd en geactualiseerd. De gegevens inzake gezamenlijke opleidingen worden aangeleverd door de coördinerende instelling.

De Vlaamse Regering kan een instantie aanwijzen die belast wordt met de opmaak en het actualiseren van het Hogeronderwijsregister. Het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming dient jaarlijks vóór 1 juni de echtheid van het Hogeronderwijsregister te bevestigen.

IN VOEGE VANAF op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum (Decr. 21-3-2014 - B.S. 15-5-2014; Art. 3) : "§ 3, tweede lid : De opmaak en de actualisering van het Hogeronderwijsregister gebeurt door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid."

Hoofdstuk 10. Samenwerkingsakkoorden en gezamenlijke diplomering

Art. II.171.

§ 1. Twee of meer universiteiten kunnen binnen de perken van hun onderwijsbevoegdheid een gezamenlijk diploma uitreiken en de betreffende graad van bachelor, master of doctor verlenen aan de student die met succes een door de betrokken universiteiten gezamenlijk georganiseerde opleiding heeft voltooid of na de succesvolle openbare verdediging van een proefschrift voorbereid onder gezamenlijke supervisie.

§ 2. Twee of meer hogescholen kunnen binnen de perken van hun onderwijsbevoegdheid een gezamenlijk diploma uitreiken en de betreffende graad van bachelor of master verlenen aan de student die met succes een door de betrokken hogescholen gezamenlijk georganiseerde opleiding heeft voltooid.

§ 3. Twee of meer hogescholen of 2 of meer universiteiten kunnen een in paragraaf 1 en paragraaf 2 bedoelde gezamenlijke opleiding aanbieden die over 2 of meer studiegebieden heen gerangschikt wordt, als de betrokken instellingen in elk van de betreffende studiegebieden onderwijsbevoegdheid hebben.

Indien het gaat om een bacheloropleiding die volgt op een andere bacheloropleiding of om een masteropleiding die volgt op een andere masteropleiding dan volstaat het dat elk van de betrokken instellingen onderwijsbevoegdheid heeft in ten minste 1 van de betreffende studiegebieden waarin de gezamenlijke opleiding wordt gerangschikt.

[§ 3/1. De vereiste met betrekking tot de onderwijsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, is niet van toepassing als het gaat om een opleiding die door alle hogescholen respectievelijk alle universiteiten gezamenlijk wordt aangeboden als vermeld in die paragrafen.

Individuele hogescholen of universiteiten kunnen uit de uitzondering, vermeld in het eerste lid, geen rechten met betrekking tot onderwijsbevoegdheid putten voor bestaande of nieuwe opleidingen die niet voldoen aan de voorwaarde dat zij door alle hogescholen respectievelijk alle universiteiten gezamenlijk worden aangeboden.]

Decr. 19-6-2015

§ 4. De hogescholen of de universiteiten die een gezamenlijk georganiseerde opleiding zoals bedoeld in paragraaf 1 en paragraaf 2 aanbieden, sluiten een overeenkomst die afspraken bevat omtrent het opleidingsprogramma, de wijze van administratie van de studenten en de financiële transacties tussen de instellingen.

§ 5. Universiteiten of hogescholen kunnen voor de toepassing van dit artikel besluiten de uitreiking van gezamenlijke diploma's te differentiëren per afstudeerrichting.

Art. II.172.

§ 1. De hogescholen en universiteiten kunnen in hun onderwijs- en examenreglement bepalen onder welke voorwaarden hun studenten, met naleving van het aldaar geldende onderwijs- en examenreglement, aan een andere hogeschool of universiteit in België, in een andere ambtshalve geregistreerde instelling voor hoger onderwijs, in een geregistreerde instelling voor hoger onderwijs, aan de Koninklijke Militaire School in Brussel of een instelling voor hoger onderwijs in het buitenland, voor zover deze een opleidingsprogramma van ten minste 3 jaar aanbiedt, onderwijsactiviteiten kunnen volgen en examens kunnen afleggen over onderdelen van een opleidingsprogramma waarover in uitvoering van deze codificatie examen moet worden afgelegd voor het behalen van een graad van bachelor of master.

§ 2. Een hogeschool of universiteit kan samen met een partnerinstelling, het weze een hogeschool of universiteit van de Franse Gemeenschap, het weze een hogeschool van de Duitstalige gemeenschap, het weze de Koninklijke Militaire School in Brussel, het weze een buitenlandse universiteit of instelling voor hoger onderwijs, het weze met meerdere daarvan, tegelijk een diploma van hoger onderwijs, zoals bepaald in deze codificatie, afleveren, en een diploma met een andere benaming dat door de partnerinstelling kan worden afgeleverd krachtens de voor haar geldende regelgeving, wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden :

1° tussen de hogeschool/universiteit en de partnerinstelling is een overeenkomst gesloten; deze overeenkomst bevestigt dat er voldoende overeenstemming is inzake doelstellingen en inhoud van de betrokken opleidingen en bevat de preciseringen in het onderwijsreglement die toepasselijk zullen zijn voor de betrokken studenten van de hogeschool/universiteit en van de partnerinstelling;

2° de betrokken studenten hebben ten minste 20 studiepunten gevolgd en verworven in de andere instelling of instellingen dan deze waar zij bij de aanvang van de opleiding initieel waren ingeschreven als het gaat om een opleiding met een studieomvang van 60 studiepunten en ten minste 27 studiepunten in alle andere gevallen;

3° de betrokken studenten zijn in het academiejaar waarin de bedoelde diploma's samen worden afgeleverd, ingeschreven in de hogeschool/universiteit, desgevallend enkel voor examens; deze eis geldt niet als het gaat om een uitwisseling van studenten in het kader van een Europees onderwijsprogramma;

4° in de overeenkomst tussen de hogeschool/universiteit en de partnerinstelling wordt gepreciseerd op welke wijze een eventuele dubbele aanrekening van de betrokken studenten of diploma's voor de subsidiëring van de betrokken instellingen wordt vermeden. Het diploma van het hoger onderwijs en het diploma met een andere benaming worden op eenzelfde document afgeleverd, tenzij de regelgeving geldend voor de partnerinstelling dit niet toelaat.

§ 3. Een universiteit of een hogeschool kan binnen de perken van haar onderwijsbevoegdheid met 1 of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs of met de Koninklijke Militaire School in Brussel een gezamenlijk diploma uitreiken en de betreffende graad van bachelor of master verlenen aan de student die met succes een door de betrokken instellingen gezamenlijke opleiding heeft voltooid. Een universiteit kan binnen de perken van haar onderwijsbevoegdheid met 1 of meer universiteiten van de Franse Gemeenschap een gezamenlijk diploma uitreiken en de betreffende graad van bachelor of master verlenen aan de student die met succes een door de betrokken instellingen gezamenlijke opleiding heeft voltooid. Een hogeschool kan binnen de perken van haar onderwijsbevoegdheid met 1 of meer hogescholen van de Franse of Duitstalige Gemeenschap een gezamenlijk diploma uitreiken en de betreffende graad van bachelor of master verlenen aan de student die met succes een door de betrokken instellingen gezamenlijke opleiding heeft voltooid. De organisatie van de gezamenlijke opleiding vindt plaats in het kader van een internationaal of Europees onderwijsprogramma of in het kader van een samenwerkingsovereenkomst tussen de betrokken instellingen.

§ 4. Een universiteit kan samen met een andere binnenlandse of buitenlandse universiteit of met de Koninklijke Militaire School in Brussel een dubbeldiploma of een gezamenlijk diploma van de graad van doctor uitreiken na de openbare verdediging van een proefschrift ten overstaan van een jury waarin ten minste professoren van de betrokken instellingen zetelen en op voorwaarde dat de promovendus ten minste 6 maanden aan de partneruniversiteit onderzoek heeft gedaan in het kader van zijn proefschrift.

Art. II.173.

§ 1. Hogescholen en universiteiten kunnen met 1 of meer instellingen van hoger onderwijs een overeenkomst sluiten omtrent de gezamenlijke organisatie van onderwijs- en studieactiviteiten, onderzoek, dienstverlening, kwaliteitszorg, en het gebruik van infrastructuur. Hogescholen en universiteiten kunnen met derden samenwerkingsovereenkomsten sluiten inzake de gezamenlijke organisatie van permanente vorming, het [praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek], de maatschappelijke en de wetenschappelijke dienstverlening met inachtneming van de bepalingen in deel 4, titel 2, hoofdstuk 2, 3, 4 en 5.

§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde overeenkomst bepaalt ten minste de aard en de vorm van de samenwerking en desgevallend de termijn van de overeenkomst en de financiële en andere engagementen van de betrokken partijen. In geval de samenwerking de gezamenlijke organisatie van onderwijs- en andere studieactiviteiten betreft, vermeldt de overeenkomst ook de nadere regels inzake de bekrachtiging van de studies met inachtneming van de voorschriften inzake onderwijsbevoegdheid van de instellingen van hoger onderwijs.

Decr. 19-6-2015

TITEL 4. Organisatie van de opleidingen

Hoofdstuk 1. Toelatingsvoorwaarden

Afdeling 1. Algemeen

Art. II.174.

De toelatingsvoorwaarden die in dit hoofdstuk worden bepaald, gelden zowel voor de inschrijving voor een opleiding als voor de inschrijving voor 1 of meer opleidingsonderdelen.

Art. II.175.

§ 1. Voor de toepassing van het bepaalde in artikel II.180, II.183 en II.189 worden de diploma's van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan en de diploma's van het hogeschoolonderwijs van 1 cyclus gelijkgesteld met een graad van bachelor.

§ 2. Voor de toepassing van het bepaalde in artikel II.185 en II.190 worden de diploma's van de tweede cyclus van het hoger onderwijs van het lange type, het hogeschoolonderwijs van 2 cycli, de diploma's van de tweede cyclus van het academisch onderwijs en de daarmee krachtens of bij het universiteitendecreet gelijkgestelde diploma's, de diploma's van het voortgezet academisch onderwijs en de diploma's van burgerlijk ingenieur polytechnicus en van licentiaat behaald aan de Koninklijke Militaire School te Brussel gelijkgesteld met een graad van master.

§ 3. Met het oog op de instroom in het academisch onderwijs wordt het diploma van kandidaat-burgerlijk ingenieur polytechnicus behaald aan de Koninklijke Militaire School te Brussel gelijkgesteld met de eerste 2 studiejaren in het studiegebied Toegepaste Wetenschappen. De inschrijving in het derde studiejaar van de door het universiteitsbestuur aangewezen bacheloropleiding(en) staat open voor de studenten die houder zijn van het diploma van kandidaat behaald aan de Koninklijke Militaire School te Brussel.

Afdeling 2. Algemene en afwijkende toelatingsvoorwaarden

Onderafdeling 1. Opleidingen van het hoger beroepsonderwijs

Art. II.176.

Om als regelmatige cursist toegelaten te worden tot een opleiding van het hoger beroepsonderwijs, georganiseerd door een hogeschool, moet de cursist voldaan hebben aan de leerplicht en het onderwijsreglement ontvangen en ondertekend hebben.

Daarenboven moet de cursist beschikken over 1 van de volgende studiebewijzen :

1° een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, dat minstens 3 jaar behaald is;

2° een diploma van het secundair onderwijs;

3° een certificaat van een opleiding van het secundair onderwijs voor sociale promotie van minimaal 900 lestijden;

4° een certificaat van een opleiding van het secundair volwassenenonderwijs van minimaal 900 lestijden;

5° een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie;

6° een certificaat van het hoger beroepsonderwijs;

7° een diploma van het hoger beroepsonderwijs;

8° een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;

9° een diploma van bachelor of master;

10° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst wordt erkend als gelijkwaardig met 1 van de diploma's vermeld in punt 1° tot en met 9°. Bij ontstentenis van een dergelijke erkenning kan het instellingsbestuur personen die in een land buiten de Europese Unie een diploma of een getuigschrift hebben behaald dat toelating geeft tot het hoger onderwijs in dat land, toelaten tot de inschrijving voor een opleiding hoger beroepsonderwijs.

Art. II.177.

In afwijking van artikel II.176 neemt het instellingsbestuur in zijn onderwijsreglement afwijkende toelatingsvoorwaarden op. De afwijkende toelatingsvoorwaarden kunnen enkel rekening houden met de volgende elementen :

1° humanitaire redenen;

2° medische, psychische of sociale redenen;

3° het algemene niveau van de cursist, getoetst met een door het instellingsbestuur georganiseerde toelatingsproef.

De toelatingsproef, vermeld in het eerste lid, punt 3°, wordt uiterlijk de vijfde dag na het einde van de inschrijvingsperiode georganiseerd en gaat na of de cursist over de kennis en vaardigheden beschikt die vereist zijn om de opleiding in kwestie aan te vangen. Het instellingsbestuur kan de organisatie van een toelatingsproef op verzoek van de cursist niet weigeren.

Het instellingsbestuur maakt op basis van de resultaten van de toelatingsproef, vermeld in het eerste lid, punt 3°, een beoordeling op in de vorm van een schriftelijk verslag, dat opgenomen wordt in het dossier van de cursist.

De voorwaarden om een toelatingsproef als vermeld in het eerste lid, punt 3°, te organiseren worden opgenomen in het onderwijsreglement.

Onderafdeling 2. Bacheloropleidingen

Art. II.178.

Als algemene toelatingsvoorwaarden voor een bacheloropleiding gelden :

1° een diploma van het secundair onderwijs;

2° een diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;

3° een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie, met uitzondering van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid, of

4° een diploma of certificaat, uitgereikt in het kader van het hoger beroepsonderwijs;

5° een studiebewijs dat krachtens een wettelijke norm, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig met 1 van de voorgaande diploma's wordt erkend.

Het instellingsbestuur kan personen toelaten die in een land buiten de Europese Unie een diploma of certificaat hebben behaald dat niet als gelijkwaardig is erkend zoals bepaald in punt 5° van lid 1. Dit kan enkel op voorwaarde dat dit document toegang verleent tot een bacheloropleiding in het land waar het is uitgereikt die vergelijkbaar is met een Vlaamse bacheloropleiding én op voorwaarde dat aan de authenticiteitscontrole van de betreffende diploma's of certificaten is voldaan, voor zover door de Vlaamse overheid maatregelen zijn uitgevaardigd.

Art. II.179.

§ 1. Het instellingsbestuur bepaalt in het onderwijsreglement de afwijkende toelatingsvoorwaarden op grond waarvan personen die niet aan de in artikel II.178 bedoelde voorwaarden voldoen, ingeschreven kunnen worden voor een bacheloropleiding.

De afwijkende toelatingsvoorwaarden kunnen enkel rekening houden met volgende elementen :

1° humanitaire redenen;

2° medische, psychische of sociale redenen;

3° het algemeen niveau van de kandidaat, getoetst op de door het instellingsbestuur bepaalde wijze. Het instellingsbestuur kan deze toetsing opdragen aan een in artikel II.231 bedoelde validerende instantie. Het instellingsbestuur kan op grond van de toetsing de inschrijving afhankelijk maken van het met succes voltooien van een voorbereidingsprogramma.

§ 2. In het licht van het noodzakelijke evenwicht tussen de reglementen van de verschillende instellingen stemt het instellingsbestuur zijn afwijkende toelatingsvoorwaarden af op de algemene voorschriften inzake afwijkende toelatingsvoorwaarden die de associatie in een reglement heeft opgenomen. Deze laatste bepaling geldt niet voor het bestuur van een instelling die niet tot een associatie behoort.

§ 3. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de afwijkende toelatingsvoorwaarden opgenomen in de bestaande reglementen van de instellingen van toepassing tot de goedkeuring van het reglement van de associatie zoals bepaald in paragraaf 2.

Onderafdeling 3. Masteropleidingen

Art. II.180.

Als algemene toelatingsvoorwaarde voor een masteropleiding geldt het bezit van een diploma van een bacheloropleiding.

Art. II.181.

[...]

Decr. 21-3-2014

Art. II.182.

§ 1. Het instellingsbestuur kan de toelating tot een masteropleiding beperken tot afgestudeerden van bacheloropleidingen met specifieke opleidingskenmerken.

§ 2. Op grond van paragraaf 1 wijst het instellingsbestuur voor elke masteropleiding alleszins een bacheloropleiding in het academisch onderwijs als algemene toelatingsvoorwaarde aan.

[Het instellingsbestuur kan voor afgestudeerden van soortgelijke bacheloropleidingen als de bacheloropleiding, vermeld in het eerste lid, die gevolgd werden aan een andere onderwijsinstelling, het programma van de masteropleiding differentiëren naargelang van de graad van inhoudelijke verwantschap, zonder dat de studieomvang aangepast wordt.]

Het instellingsbestuur kan bepalen dat de inschrijving voor een masteropleiding ook openstaat voor afgestudeerden van bacheloropleidingen met andere opleidingskenmerken, indien zij een voorbereidingsprogramma met succes voltooien. Het instellingsbestuur kan de inhoud en studieomvang van dergelijk voorbereidingsprogramma differentiëren naar gelang van de graad van inhoudelijke verwantschap tussen deze andere bacheloropleidingen en de in het eerste lid bedoelde bacheloropleiding.

§ 3. Het instellingsbestuur kan de inschrijving voor een onderzoeksmaster, vermeld in artikel II.157, afhankelijk maken van een onderzoek naar de bekwaamheid van de student om die onderzoeksmaster te volgen. Het instellingsbestuur kan het aantal studenten dat toegelaten wordt tot een onderzoeksmaster, beperken tot het aantal studieplaatsen dat maximaal, met toepassing van hetgeen bepaald is in artikel III.11, in rekening kan worden gebracht voor de berekening van de werkingsuitkering.

Het instellingsbestuur legt de bijkomende inschrijvingsvoorwaarden vast in haar onderwijsreglement, overeenkomstig artikel II.221, 5°, b).

Decr. 21-3-2014

Art. II.183.

§ 1. De inschrijving van een afgestudeerde van een bacheloropleiding in het hoger professioneel onderwijs voor een masteropleiding is afhankelijk van de succesvolle voltooiing van een schakelprogramma met een studieomvang van ten minste 45 en ten hoogste 90 studiepunten.

§ 2. Het instellingsbestuur kan voorafgaand aan de inschrijving een bekwaamheidsonderzoek voorschrijven. Het bekwaamheidsonderzoek gaat na of de in artikel II.141, 3°, bedoelde algemene wetenschappelijke competenties en wetenschappelijk-disciplinaire basiskennis aanwezig zijn.

Het instellingsbestuur kan op grond van EVK's of de resultaten van een bekwaamheidsonderzoek :

1° de studieomvang van een schakelprogramma differentiëren;

2° de minimale studieomvang van een schakelprogramma onder de 45 studiepunten vaststellen;

3° de student vrijstellen van de verplichting om een schakelprogramma te volgen.

Onderafdeling 4. Voorbereiding van een doctoraatsproefschrift

Art. II.184.

Als algemene toelatingsvoorwaarde voor de inschrijving voor de voorbereiding van een doctoraatsproefschrift geldt het bezit van een diploma van een masteropleiding.

Het universiteitsbestuur kan een bijkomend onderzoek verlangen, waarin gepeild wordt naar de geschiktheid van de student om in de betrokken discipline wetenschappelijk onderzoek uit te voeren en de resultaten ervan in een proefschrift neer te leggen.

Art. II.185.

Het universiteitsbestuur kan een student die niet in het bezit is van een masterdiploma toelaten tot de inschrijving voor de voorbereiding van een doctoraatsproefschrift indien het deze daartoe bekwaam acht.

Het universiteitsbestuur kan deze vrijstelling afhankelijk maken van :

1° een onderzoek waarin gepeild wordt naar de geschiktheid voor het opstellen van een doctoraatsproefschrift, of

2° het succesvol afleggen van een examen over door het universiteitsbestuur te bepalen onderdelen van het academisch onderwijs.

Afdeling 3. Bijzondere toelatingsvoorwaarden

Art. II.186.

Onverminderd de algemene toelatingsvoorwaarden wordt niemand toegelaten tot de bacheloropleidingen [, de schakelprogramma's en voorbereidingsprogramma's] van studiegebieden, Audiovisuele en beeldende kunst, en Muziek en podiumkunsten, zonder geslaagd te zijn voor een artistieke toelatingsproef eigen aan deze opleidingen. De hogeschool waar de student zich wenst in te schrijven, neemt deze toelatingsproef af. Deze artistieke toelatingsproef wordt afgenomen door een commissie die is samengesteld uit personeelsleden van de hogescholen en externe experten.

Decr. 21-3-2014

Art. II.187.

§ 1. Voor de inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde of het studiegebied Tandheelkunde, geldt als bijkomende toelatingsvoorwaarde het geslaagd zijn voor een toelatingsexamen, ingericht door een examencommissie, verder genoemd 'toelatingsexamen arts en tandarts'. Het beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige of tandheelkundige opleiding met succes af te ronden. Het bestaat uit 2 gedeelten :

1° kennis en inzicht in de wetenschappen en met name de vakken biologie, fysica, scheikunde en wiskunde; [afgestemd op de tweede en de derde graad van het algemeen secundair onderwijs];

2° informatie verwerven en verwerken : de themata hiervan sluiten aan bij de beroepspraktijk van artsen of tandartsen.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van deze examengedeelten.

§ 2. Het toelatingsexamen arts en tandarts wordt georganiseerd volgens de hierna opgesomde nadere regels :

1° het wordt tweemaal per jaar voor het begin van het academiejaar ingericht; de organisatie ervan wordt tijdig bekendgemaakt;

2° de Vlaamse Regering kan een examengeld van ten hoogste 25 euro vastleggen als bijdrage in het dekken van de organisatiekosten. Vanaf 1998 wordt het bedrag aangepast aan de jaarlijkse stijging van de index van de consumptieprijzen met als referentiedatum 1 januari 1997;

3° de Vlaamse Regering organiseert het toelatingsexamen arts en tandarts volgens de nadere regels die zij daartoe bepaalt;

4°[de examencommissie stelt een werkings- en examenreglement op;]

5° de examencommissie, bedoeld in paragraaf 1, stelt de examenvragen op en evalueert de examenresultaten. Het maximumaantal punten van elk examengedeelte is 20. Geslaagd zijn de studenten die op elk examengedeelte ten minste 10 op 20 behalen en ten minste 22 op 40 voor beide examengedeelten samen. De voorzitter van de examencommissie maakt de resultaten bekend;

6° het slagen voor het toelatingsexamen arts en tandarts in een bepaald burgerlijk jaar wordt slechts aanvaard voor het voldoen aan de bijkomende toelatingsvoorwaarde indien de student uiterlijk op 31 december van dat burgerlijk jaar in het bezit is van het diploma secundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig of gelijkgesteld studiebewijs.

§ 3. De Vlaamse Regering benoemt de voorzitter, de secretaris en de leden van de examencommissie, bedoeld in paragraaf 1. Zij telt, voorzitter en secretaris uitgezonderd, minimaal 10 en maximaal 15 leden. De leden van de examencommissie worden zo aangeduid uit de leden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteiten dat de nodige expertise aanwezig is op het vlak van de medische praktijk, de inhoud van de vakken van het eerste examengedeelte, de pedagogiek en de psychologie.

§ 4. De bijkomende toelatingsvoorwaarde geslaagd zijn voor het 'toelatingsexamen arts-tandarts', bedoeld in paragraaf 1, geldt eveneens voor de inschrijving in om het even welk studiejaar van een bachelor- of masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studie-gebied Tandheelkunde in het geval de student vrijstelling heeft verkregen van sommige opleidingsonderdelen of verkorting van studieduur, op grond van een diploma behaald na een opleiding waarvoor de bijkomende toelatingsvoorwaarde, bedoeld in paragraaf 1, niet gegolden heeft.

Ze geldt niet voor personen die in het buitenland een diploma van arts of tandarts hebben behaald en die de toelating hebben om zich aan een universiteit in Vlaanderen in te schrijven voor een masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde of in het studiegebied Tandheelkunde.

Decr. 17-6-2016

Art. II.188.

De inschrijving in het derde studiejaar van een bacheloropleiding of in een masteropleiding in het studiegebied Godgeleerdheid, Godsdienstwetenschappen en Kerkelijk Recht staat open voor de studenten die geslaagd zijn voor de gehele cyclus aan een instelling die leidt tot het ambt van bedienaar van een erkende eredienst. Het universiteitsbestuur kan de inschrijving afhankelijk maken van een onderzoek waarin gepeild wordt naar de geschiktheid van deze studenten voor de betreffende opleiding en desgevallend van het met succes voltooien van een voorbereidingsprogramma.

Art. II.189.

§ 1. Het instellingsbestuur kan bepalen dat de inschrijving voor sommige bacheloropleidingen, verder "bachelor-na-bacheloropleidingen" genoemd, enkel rechtstreeks openstaat voor personen die reeds in het bezit zijn van een diploma van een bacheloropleiding.

Het instellingsbestuur kan de toelating tot een bachelor-na-bacheloropleiding beperken tot afgestudeerden van bacheloropleidingen met specifieke opleidingskenmerken.

§ 2. Op grond van paragraaf 1, tweede lid, wijst het instellingsbestuur voor elke bachelor-na-bacheloropleiding ten minste 1 bacheloropleiding in het professioneel hoger onderwijs aan waarop die bachelor-na-bacheloropleiding rechtstreeks volgt. Het instellingsbestuur kan de inschrijving wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de bekwaamheid van de student om de bachelor-na-bacheloropleiding te volgen.

[Het instellingsbestuur kan voor afgestudeerden van soortgelijke bacheloropleidingen als de bacheloropleiding, vermeld in het eerste lid, die gevolgd werden aan een andere onderwijsinstelling, het programma van de bachelor-na-bacheloropleiding differentiëren naargelang van de graad van inhoudelijke verwantschap, zonder dat de studieomvang aangepast wordt.]

Het instellingsbestuur kan bepalen dat de inschrijving voor een bachelor-na-bacheloropleiding ook openstaat voor afgestudeerden van andere bacheloropleidingen dan deze die rechtstreeks toegang geven tot de bachelor-na-bacheloropleiding, indien zij een voorbereidingsprogramma met succes voltooien. Het instellingsbestuur kan de inhoud en studieomvang van dergelijk voorbereidingsprogramma differentiëren naar gelang van de graad van inhoudelijke verwantschap tussen deze andere bacheloropleidingen en de in het eerste lid bedoelde bacheloropleiding.

Decr. 21-3-2014

Art. II.190.

§ 1. Het instellingsbestuur kan bepalen dat de inschrijving voor sommige masteropleidingen, verder "master-na-masteropleidingen" genoemd, enkel rechtstreeks openstaat voor personen die reeds in het bezit zijn van een diploma van een masteropleiding.

Het instellingsbestuur kan de toelating tot een master-na-masteropleiding beperken tot afgestudeerden van masteropleidingen met specifieke opleidingskenmerken.

§ 2. Op grond van paragraaf 1, tweede lid, wijst het instellingsbestuur voor elke master-na-masteropleiding ten minste 1 masteropleiding aan waarop die master-na-masteropleiding rechtstreeks volgt. Het instellingsbestuur kan de inschrijving wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de bekwaamheid van de student om de master-na-masteropleiding te volgen.

[Het instellingsbestuur kan voor afgestudeerden van soortgelijke masteropleidingen als de masteropleiding, vermeld in het eerste lid, die gevolgd werden aan een andere onderwijsinstelling, het programma van de master-na-masteropleiding differentiëren naargelang van de graad van inhoudelijke verwantschap, zonder dat de studieomvang aangepast wordt.]

Het instellingsbestuur kan bepalen dat de inschrijving voor een master-na-masteropleiding ook openstaat voor afgestudeerden van andere masteropleidingen dan deze die rechtstreeks toegang geven tot de master-na-masteropleiding, indien zij een voorbereidingsprogramma met succes voltooien. Het instellingsbestuur kan de inhoud en studieomvang van dergelijk voorbereidingsprogramma differentiëren naar gelang van de graad van inhoudelijke verwantschap tussen deze andere masteropleidingen en de in het eerste lid bedoelde masteropleiding.

Decr. 21-3-2014

Art. II.191.

Het instellingsbestuur kan studenten die niet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel II.174, inschrijven voor afzonderlijke opleidingsonderdelen onder een creditcontract of een examencontract op voorwaarde dat uit een onderzoek blijkt dat de betrokkene beschikt over de bekwaamheid om het opleidingsonderdeel of de opleidingsonderdelen goed te kunnen volgen.

Art. II.192.

Het instellingsbestuur kan personen die in het bezit zijn van een buiten de Vlaamse Gemeenschap afgeleverd diploma van het hoger onderwijs vrijstellen van de voorgeschreven vooropleidingseisen voor zover de instelling het behaalde diploma en het specifieke opleidingsprofiel van de student van voldoende niveau acht en op voorwaarde dat aan de authenticiteitcontrole van de betreffende diploma's of certificaten is voldaan, voor zover door de Vlaamse overheid maatregelen zijn uitgevaardigd. Het instellingsbestuur kan de toelating tot inschrijving afhankelijk maken van de succesvolle voltooiing van een specifiek daartoe ontworpen voorbereidingsprogramma.

Bij het onderzoek van de vrijstelling van de specifieke vooropleidingseisen bedoeld in de eerste zin van het voorgaande lid past het instellingsbestuur de bepalingen en de principes van het Verdrag van de Raad van Europa en de Unesco betreffende de erkenning van diploma's hoger onderwijs in de Europese Regio, opgemaakt in Lissabon op 11 april 1997, goedgekeurd bij decreet van 15 december 2006 en geratificeerd op 22 juli 2009 toe, voor zover het land van herkomst het verdrag ook heeft geratificeerd, inzonderheid de bepalingen uit de hoofdstukken III, IV, V, VI, VII en IX.

[Het instellingsbestuur kan personen die hun studiebewijs niet meer kunnen voorleggen, om humanitaire redenen toelaten tot de vervolgopleiding na onderzoek naar de bekwaamheid van de student om de vervolgopleiding te volgen.]

Decr. 21-3-2014

Afdeling 4. Taalvoorwaarden

Art. II.193.

Het instellingsbestuur kan de toelating tot de eerste inschrijving voor een opleiding op algemene wijze afhankelijk stellen van het bewijs dat de student :

1° geslaagd is voor een toets over de voldoende kennis van het Nederlands, of

2° ten minste 1 leerjaar in het Nederlandstalig secundair onderwijs met vrucht heeft voltooid, of

3° geslaagd is verklaard voor een opleiding, of 1 of meer opleidingsonderdelen, met een totale studieomvang van ten minste 60 studiepunten in het Nederlandstalig hoger onderwijs.

Art. II.194.

Het instellingsbestuur kan de toelating tot de eerste inschrijving voor een in een andere taal dan het Nederlands aangeboden opleiding afhankelijk stellen van een toets over de voldoende kennis van de gebruikte onderwijstaal.

Hoofdstuk 2. Inschrijving

Afdeling 1. Inschrijving van de student

Art. II.195.

Een student schrijft zich in aan de instelling van zijn keuze voor zover hij voldoet aan de decretale en reglementaire toelatingsvoorwaarden.

Het recht op inschrijving wordt uitgeoefend met inachtname van artikel II.273.

Art. II.196.

Een student schrijft zich in voor :

1°één opleiding of meer opleidingen tegelijk, en/of

2°één opleidingsonderdeel of meer opleidingsonderdelen, die behoren tot 1 of meer opleidingen, en/of

3° een schakel- of voorbereidingsprogramma.

Een student kan zich tevens inschrijven voor de voorbereiding van een doctoraatsproefschrift.

Art. II.197.

Een student die nog niet in het bezit is van een bachelordiploma dat al dan niet rechtstreeks toelating verleent tot een bachelor-na-bacheloropleiding, kan onder de voorwaarden, bepaald door het instellingsbestuur, toegelaten worden tot de inschrijving voor bedoelde bachelor-na-bacheloropleiding en/of het daaraan voorafgaande voorbereidingsprogramma.

Voor het behalen van het diploma van de bachelor-na-bacheloropleiding is het bezit van het diploma van de onderliggende bacheloropleiding evenwel noodzakelijk. De bevoegde examencommissies kunnen daartoe opeenvolgend delibereren.

Art. II.198.

Een student die al dan niet in het bezit is van een bachelor- of masterdiploma, kan onder de voorwaarden, bepaald door het instellingsbestuur, toegelaten worden tot de inschrijving voor bedoelde (master-na-) masteropleiding en/of het daaraan voorafgaande voorbereidings- en/of schakelprogramma.

Voor het behalen van het diploma van bedoelde (master-na-)masteropleiding is het bezit van het diploma van de bacheloropleiding of de onderliggende masteropleiding evenwel noodzakelijk [, of dient de student het voorbereidings- of schakelprogramma met succes voltooid te hebben]. De bevoegde examencommissies kunnen daartoe opeenvolgend delibereren.

Alle beslissingen van instellingsbesturen die voor 1 januari 2013 zijn genomen en waarbij de gelijktijdige inschrijving voor een schakelprogramma en een masteropleiding ook voor studenten die reeds in het bezit waren van het bachelordiploma toegelaten werd, worden geacht rechtmatig te zijn.

Decr. 17-6-2016

Afdeling 2. Diploma-, credit- en examencontract

Art. II.199.

Het instellingsbestuur biedt bij de inschrijving van de student de keuze tussen een creditcontract, een diplomacontract en een examencontract.

De in het eerste lid bedoelde contracten maken onderdeel uit van de toetredingsovereenkomst of worden na de inschrijving gesloten in het raam van de toetredingsovereenkomst. De instellingen kunnen in hun onderwijsreglement vastleggen dat bepaalde opleidingsonderdelen wegens hun aard niet in aanmerking komen voor een examencontract. Dit moet worden gemotiveerd.

[De instellingen kunnen in hun onderwijsregeling vastleggen dat stages, bachelorproeven en masterproeven wegens hun aard niet in aanmerking komen voor een creditcontract. Dit moet worden gemotiveerd.]

Decr. 21-3-2014

Art. II.200.

§ 1. In het kader van een in artikel II.199, eerste lid, bedoeld contract wordt overeenstemming bereikt over het studietraject op grond waarvan een graad of diploma van een opleiding, respectievelijk een creditbewijs kan worden behaald.

[De overeenstemming kan tot stand komen via elektronische weg.]

§ 2. Een studietraject bepaalt de modaliteiten inzake studieomvang, deliberatie en studievoortgangsbewaking :

1° bij wijze van modeltraject voor een groep studenten;

2° bij wijze van geïndividualiseerd traject voor een bepaalde student.

De opportuniteit van het doorlopen van een geïndividualiseerd traject wordt op zorgvuldige wijze getoetst op grond van het dossier van de student.

§ 3. [De instellingen bieden voor de bacheloropleidingen en de masteropleidingen ten minste één studietraject met een studieomvang van 54 tot 66 studiepunten per academiejaar aan. Voor de masteropleidingen van 90 studiepunten bieden de instellingen ten minste een studietraject aan binnen een aaneensluitende periode van drie semesters.]

Die verplichting geldt niet voor de bachelor-na-bacheloropleidingen en de master-na-masteropleidingen.

Decr. 21-3-2014

Art. II.201.

§ 1. Het diplomacontract omvat ten minste volgende vermeldingen, desgevallend onder verwijzing naar de toepasselijke bepalingen van het onderwijs- en examenreglement :

1° het diploma dat de student wil behalen en de doelstellingen van het opleidingsprogramma;

2° de studieomvang van de opleiding;

3° de opleidingsonderdelen die in het traject moeten of kunnen worden opgenomen en de studieomvang en volgtijdelijkheid van deze opleidingsonderdelen;

4° de tijdsperiode waarop de inschrijving betrekking heeft;

5° de voorwaarden voor het behalen van een creditbewijs per opleidingsonderdeel;

6° in voorkomend geval : de verkregen studieomvangvermindering ten gevolge van (een) vrijstelling(en);

7° het aantal examenkansen;

8° de evaluatie- en deliberatieregels;

9° de mogelijke maatregelen van studievoortgangsbewaking bedoeld in artikel II.246, §1;

10° in voorkomend geval : de bindende voorwaarden bedoeld in artikel II.246, §1, 1°.

§ 2. Het creditcontract omvat ten minste volgende vermeldingen, desgevallend onder verwijzing naar de toepasselijke bepalingen van het onderwijs- en examenreglement :

1° het/de opleidingsonderde(e)l(en) waarvoor de student een inschrijving neemt;

2° de studieomvang per opleidingsonderdeel;

3° in voorkomend geval : de toelatingsvereisten voor de inschrijving voor het betrokken opleidingsonderdeel;

4° de tijdsperiode waarop de inschrijving betrekking heeft;

5° de voorwaarden voor het behalen van een creditbewijs per opleidingsonderdeel;

6° in voorkomend geval : de verkregen studieomvangvermindering ten gevolge van (een) vrijstelling(en);

7° het aantal examenkansen;

8° de evaluatieregels;

9° de mogelijke maatregelen van studievoortgangsbewaking bedoeld in artikel II.246, §1;

10° in voorkomend geval : de bindende voorwaarden bedoeld in artikel II.246, §1.

§ 3. Het examencontract omvat ten minste volgende vermeldingen, desgevallend onder verwijzing naar de toepasselijke bepalingen van het onderwijs- en examenreglement :

1° de in het eerste of het tweede lid bedoelde elementen, naar gelang het gaat om een contract met het oog op het behalen van een graad of een diploma dan wel een contract met het oog op het behalen van een creditbewijs;

2° de voorwaarden waaronder de student deel mag nemen aan onderwijsactiviteiten en gebruik mag maken van onderwijsondersteunende faciliteiten.

Art. II.202.

[§ 1. Tijdens het academiejaar zijn wijzigingen van het type en de inhoud van het contract mogelijk.

Deze wijzigingen kunnen enkel worden doorgevoerd als overeenstemming wordt bereikt tussen het instellingsbestuur en de student.

Ingeval van een modeltraject kan overleg gevoerd worden via de werking van de studentenraad.

§ 2. De instelling bepaalt in het onderwijs- en examenreglement onder welke voorwaarden en volgens welke modaliteiten wijzigingen mogelijk zijn.]

Decr. 21-3-2014

Afdeling 3. Het leerkrediet

Art. II.203.

§ 1. Vanaf het academiejaar 2008-2009 krijgt elke student bij inschrijving in een hogeschool of universiteit, ongeacht het gaat om een diploma-, een credit- of een examencontract, een eenmalig individueel leerkrediet van 140 studiepunten. Het leerkrediet wordt ingezet in :

1° de initiële bachelor- en masteropleidingen, opgenomen in het Hogeronderwijsregister door studenten onder diplomacontract;

2°één of meer opleidingsonderdelen door studenten onder creditcontract.

§ 2. Bij elke inschrijving in een academiejaar t-1/t wordt het aantal studiepunten waarvoor een student zich heeft ingeschreven in het desbetreffende academiejaar afgetrokken van het individuele leerkrediet van de student.

§ 3. De studiepunten, verworven in het academiejaar t-1/t, worden aan het individuele leerkrediet van de student toegevoegd.

Voor de vaststelling van het aantal verworven studiepunten wordt het aantal studiepunten in aanmerking genomen waarvoor de student een creditbewijs ontvangen heeft.

De eerste 60 verworven studiepunten door een student onder diplomacontract worden eenmalig dubbel aangerekend.

Art. II.204.

§ 1. Voor de berekening van de omvang van het individuele leerkrediet van een student bij de start van een academiejaar t/t+1 worden het aantal opgenomen en het aantal verworven studiepunten gerekend over het academiejaar t-1/t. Wijzigingen van het aantal opgenomen studiepunten kunnen verwerkt worden in het individueel leerkrediet van de student tot op de data, vermeld in artikel III.4.

§ 2. Met behoud van de toepassing van de bepalingen in paragraaf 1 wordt bij een generatiestudent die in de loop van hetzelfde academiejaar verandert van opleiding of door over te stappen naar een opleiding van het hoger beroepsonderwijs zoals bepaald in artikel 4 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs :

1° het aantal opgenomen studiepunten opnieuw toegevoegd aan het individuele leerkrediet als de student verandert voor 1 december van het desbetreffende academiejaar;

2° de helft van het aantal opgenomen studiepunten, afgerond naar het bovenliggende geheel getal, opnieuw toegevoegd aan het individuele leerkrediet als de student verandert tussen 1 december en 15 maart van het desbetreffende academiejaar;

3° het aantal opgenomen studiepunten afgetrokken van het leerkrediet als de student verandert na 15 maart van het desbetreffende academiejaar.

§ 3. Het leerkrediet van een student die zich bevindt in een overmachtssituatie en waarvoor een aangepaste examenregeling geen oplossing biedt zoals vastgesteld in het kader van een [procedure] voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, wordt teruggegeven voor de opgenomen studiepunten die betrekking hebben op de opleidingsonderdelen waarover de student geen examen heeft kunnen afleggen.

Decr. 21-3-2014

Art. II.205.

Een hogeschool of universiteit kan de inschrijving van een student weigeren als hij een leerkrediet heeft dat kleiner of gelijk is aan nul.

In afwijking van het eerste lid kan het instellingsbestuur een student met een leerkrediet kleiner dan of gelijk aan nul niet weigeren voor de inschrijving voor een initiële masteropleiding als de student voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor deze masteropleiding, vermeld in deel 2, titel 4, hoofdstuk 1, afdeling 2, onderafdeling 3 en nog niet eerder een masterdiploma behaalde.

Art. II.206.

Bij het behalen van een diploma voor een initiële masteropleiding wordt het individuele leerkrediet van de student verminderd met 140 studiepunten. Bij een positief saldo kan de student het resterende leerkrediet opnieuw aanwenden voor een inschrijving in een initiële bachelor- of masteropleiding. Als het saldo van het resterende leerkrediet minder dan 60 studiepunten bedraagt, kan de student zijn leerkrediet eenmalig opnieuw opbouwen tot maximaal 60 studiepunten. Vanaf het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin hij zijn masterdiploma behaald heeft, worden elk academiejaar 10 studiepunten toegevoegd aan het individuele leerkrediet. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van de derde en vierde volzin, krijgt een student onder diplomacontract bij de start van het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin hij zijn masterdiploma heeft behaald, eenmalig en bij wijze van overgangsmaatregel het verschil tussen 60 en het aantal opgenomen studiepunten in een opleiding bedoeld in artikel II.203, §1, 1°, waarvoor hij vanaf het academiejaar 2008-2009 een inschrijving heeft genomen, extra bij het saldo van het leerkrediet. Deze regeling geldt voor zover de student al in het academiejaar 2007-2008 in de desbetreffende masteropleiding ingeschreven was en op voorwaarde dat hij vanaf het academiejaar 2008-2009 het initiële masterdiploma behaalt en vanaf datzelfde academiejaar minder dan 60 studiepunten heeft opgenomen.

Als het individueel leerkrediet van een student die nog geen masterdiploma behaald heeft en geen inschrijvingen meer heeft in het hoger onderwijs, zoals bedoeld in artikel II.203, §1, minder dan 60 studiepunten bedraagt, kan hij in het kader van levenslang leren zijn leerkrediet eenmalig verder opbouwen tot maximaal 60 studiepunten behalve indien zijn leerkrediet al eerder aangevuld is geweest in toepassing van het derde lid. Vanaf het academiejaar waarin hij geen inschrijvingen meer heeft in het hoger onderwijs zoals bedoeld in artikel II.203, §1, worden daartoe elk academiejaar 10 studiepunten toegevoegd aan het individuele leerkrediet. Het aldus opgebouwde leerkrediet kan opnieuw aangewend worden voor een inschrijving in een initiële bachelor- of masteropleiding.

Als een student die een diploma behaald heeft in het hoger beroepsonderwijs, op het moment van herinschrijving in het hoger onderwijs, een leerkrediet heeft dat minder dan 60 studiepunten bedraagt, dan wordt het leerkrediet van de betreffende student aangevuld tot 60 studiepunten behalve indien de student al een masterdiploma heeft behaald.

In het kader van een opnieuw opgebouwd leerkrediet met toepassing van de bepalingen in dit artikel worden de eerste 60 verworven studiepunten niet dubbel aangerekend.

Afdeling 4. Studiegeld en bijdrage voor het bekwaamheidsonderzoek

Onderafdeling 1. Studiegeld

Art. II.207.

Het instellingsbestuur stelt jaarlijks vóór 1 december de bedragen van het studiegeld vast, overeenkomstig :

1° de regelen van artikel II.208 tot en met II.211, voor wat betreft de studenten onder diploma- of creditcontract;

2° de regelen van artikel II.212, voor wat betreft de studenten onder examencontract.

Deze afdeling is niet van toepassing op de instellingen die geen subsidies ontvangen van de Vlaamse Gemeenschap voor het verzorgen van het onderwijs.

Art. II.208.

§ 1. Het studiegeld voor de studenten onder diploma- of creditcontract bestaat in beginsel uit: 1° een vast gedeelte, en 2° een variabel gedeelte naar rato van het aantal studiepunten waarvoor de student zich inschrijft.

§ 2. Het vast gedeelte is slechts eenmaal per academiejaar verschuldigd.

Deze bepaling geldt ongeacht het aantal inschrijvingen dat tijdens dat academiejaar aan dezelfde instelling wordt genomen.

§ 3. Wanneer een student wordt ingeschreven in een opleiding met het oog op het uitreiken van een diploma in overeenstemming met artikel II.245, §1, eerste lid, of in uitvoering van artikel II.172, §2, gebeurt de registratie zonder heffing van studiegeld, onverminderd de toepassing van artikel II.245, §2.

Art. II.209.

§ 1. Het studiegeld bedraagt voor studenten die in een academiejaar een inschrijving nemen onder diploma- of creditcontract :

1° voor het vast gedeelte : [230 euro], en

2° voor het variabel gedeelte : [11 euro] per opgenomen studiepunt.

§ 2. Een hogeschool of universiteit kan aan een student een bijkomend studiegeld vragen voor de studiepunten waarvoor de student op het ogenblik van de inschrijving geen toereikend leerkrediet heeft. Dit bijkomend inschrijvingsgeld kan ten hoogste [11 euro] per opgenomen studiepunt bedragen.

Onder leerkrediet wordt begrepen het leerkrediet zoals bepaald in titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 3, van dit deel.

Decr. 19-12-2014

Art. II.210.

§ 1. Voor beurstariefstudenten die in een academiejaar een inschrijving nemen, bedraagt het studiegeld :

1° voor het vast gedeelte : [105 euro], en

2° voor het variabel gedeelte : [0 euro] per opgenomen studiepunt.

Voor bijna-beursstudenten die in een academiejaar een inschrijving nemen, bedraagt het studiegeld :

1° voor het vast gedeelte : [230 euro], en

2° voor het variabel gedeelte : [4 euro] per opgenomen studiepunt.

§ 2. Studenten die het laatste jaar secundair onderwijs volgen en die met een creditcontract voor maximaal 10 studiepunten ingeschreven zijn in het hoger onderwijs, [betalen 52,5 euro].

Decr. 19-12-2014

Art. II.211.

Doctorandi betalen bij de inschrijving voor de voorbereiding van een doctoraat een studiegeld van [445 euro].

Zij betalen in het academiejaar waarin het doctoraat behaald wordt een studiegeld van [445 euro].

Decr. 19-12-2014

Art. II.212.

§ 1. Het studiegeld voor de studenten onder examencontract bestaat uit :

1° een vast gedeelte, en

2° een variabel gedeelte pro rata het aantal studiepunten waarvoor de student zich inschrijft.

§ 2. Het vast gedeelte van het studiegeld bedraagt [105 euro].

Het variabel gedeelte van het studiegeld bedraagt [4 euro] per studiepunt.

Decr. 19-12-2014

Art. II.213.

§ 1. Het studiegeld voor studenten die zich inschrijven voor een bachelor-na-bacheloropleiding, opgenomen in de door de Vlaamse Regering vastgestelde lijst, zoals vermeld in artikel III.16, bedraagt :

1° voor het vast gedeelte van het studiegeld : [230 euro];

2° voor het variabele gedeelte van het studiegeld : [11 euro] per opgenomen studiepunt.

§ 2. Het studiegeld voor studenten die zich inschrijven voor een andere bachelor-na-bacheloropleiding dan de bachelor-na-bacheloropleiding, vermeld in paragraaf 1, of voor een master-na-masteropleiding, opgenomen in de door de Vlaamse Regering vastgestelde lijst, zoals vermeld in artikel III.16, bedraagt maximaal het dubbele van de bedragen vermeld in paragraaf 1.

§ 3. Het instellingsbestuur kan voor de andere master-na-masteropleidingen dan de master-na-masteropleidingen, vermeld in paragraaf 2, een studiegeld vragen dat ten hoogste gelijk is aan 5.400 euro.

In bijzondere omstandigheden kan het maximumbedrag vastgesteld worden op 24.790 euro. Die bijzondere omstandigheden betreffen 1 of meer van de volgende gevallen :

1° de opleiding brengt bijzondere kosten met zich mee, veroorzaakt door :

a) het aantrekken van hoog gespecialiseerd personeel, de uitrusting van laboratoria, de bijzondere inrichting van bibliotheken, het specifieke studie- en leermateriaal of de specifieke begeleidings- en supervisietaken;

b) het aanbod van bijzondere faciliteiten;

2° de opleiding vereist een bepaalde beroepservaring of wordt georganiseerd in samenwerking met de industrie of een beroepsorganisatie om te voorzien in de opleidingsbehoeften van een bepaalde sector;

3° de opleiding heeft een internationaal karakter.

Het instellingsbestuur kan beslissen om de studiegelden, vermeld in deze paragraaf, op te splitsen in een vast en een variabel gedeelte naar rato van het aantal opgenomen studiepunten. Het instellingsbestuur deelt het bedrag van het studiegeld aan de Vlaamse Regering mee. Indien van toepassing worden tevens de ingeroepen bijzondere omstandigheden meegedeeld en gemotiveerd.

§ 4. Het instellingsbestuur kan ten behoeve van minvermogende studenten voorzien in sociale tarieven.

Decr. 19-12-2014

Art. II.214.

Het instellingsbestuur bepaalt vrij en op gemotiveerde wijze het studiegeld voor de studenten die zich inschrijven voor :

1° een opleiding die leidt tot een postgraduaatgetuigschrift, en

2° een in artikel II.62 bedoeld korter opleidingstraject met het oog op na- en bijscholing.

Art. II.215.

Het instellingsbestuur bepaalt vrij en op gemotiveerde wijze het studiegeld voor de inschrijving van studenten die geen beurstariefstudent zijn, voor zover het niet gaat om:

1° studenten die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;

2° studenten met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten of gemachtigd zijn voor een verblijf van onbeperkte duur in België zoals bepaald door de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, te bewijzen door middel van de verblijfskaart van een onderdaan van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen (bijlage 8 of bijlage 9), of de identiteitskaart voor vreemdeling (bijlage 7) of het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister (bijlage 6), overeenkomstig artikel 31 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

3° studenten die slachtoffer zijn van mensenhandel, geattesteerd door een door de federale overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel;

4° studenten met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van bepaalde duur in België op basis van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

5° studenten die op 31 december van het betrokken school- of academiejaar gedurende een onafgebroken periode van minstens 12 maanden wettig verblijven in België, en dit wettig verblijf niet verleend werd om in België hoger onderwijs te volgen of te werken, noch verleend werd in afwachting van een uitspraak in een asielprocedure om erkend te worden als vluchteling of als persoon die recht heeft op de subsidiaire bescherming, overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

6° studenten die op basis van de artikelen 10, 10bis, 40bis of 40ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de toelating hebben gekregen om een persoon zoals bedoeld in paragraaf 1 of paragraaf 2, 1° tot en met 7°, van onderhavig artikel, of een persoon die op 31 december van het betrokken school- of academiejaar minstens 12 maanden wettig verblijft in België om hoger onderwijs te volgen of te werken, te begeleiden of vervoegen;

7° studenten die kandidaat vluchteling zijn of hun ouders zijn kandidaat vluchteling en de student verblijft al van zijn minderjarigheid in België en heeft niet zelf een asielaanvraag ingediend. De asielaanvraag werd ontvankelijk verklaard voor 1 juni 2007 en hun procedure is nog lopende bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen, bij de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen, of bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Aan studenten die voor 2008-2009 reeds ingeschreven waren in een opleiding in het hoger onderwijs in Vlaanderen en die op basis van eerdere bepalingen geen verhoogd studiegeld dienden te betalen, mag gedurende de duur van deze opleiding geen verhoogd studiegeld gevraagd worden.

Deze bepaling doet geen afbreuk aan de richtlijn om voor master-na-masteropleidingen die niet opgenomen zijn in de door de Vlaamse Regering vastgestelde lijst, vermeld in artikel III.16, een studiegeld te vragen dat ten hoogste gelijk is aan 24.790 euro.

Art. II.216.

Het instellingsbestuur kan ten behoeve van minvermogende studenten het variabel gedeelte van het studiegeld differentiëren.

Art. II.217.

Het instellingsbestuur bepaalt :

1° of het studiegeld, of een billijk gedeelte daarvan, aan de student wordt teruggestort, zo deze de inschrijving voortijdig beëindigt;

2° of, en op welke wijze, het variabel gedeelte van het studiegeld aangepast wordt indien een in artikel II.202 bedoelde wijziging van of in een diploma- of creditcontract gevolgen heeft voor het aantal studiepunten.

Het maakt de regelen daaromtrent op behoorlijke wijze kenbaar.

Art. II.218.

§ 1. De in deze onderafdeling bedoelde bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is [1 september 2015].

§ 2. De bedragen bedoeld in de artikelen II.209 en II.213 worden naar het dichtstbijzijnde decimaal afgerond tot één cijfer na de komma.

Decr. 19-12-2014

Onderafdeling 2. Bijdrage voor het bekwaamheidsonderzoek

Art. II.219.

§ 1. Voor een onderzoek betreffende EVK's dat verloopt op stukken, zoals bepaald in artikel II.241, §2, kan geen bijdrage worden gevraagd.

§ 2. De bijdrage voor een bekwaamheidsonderzoek dat de competenties van de aanvrager voor het hoger onderwijs test, bedraagt ten hoogste :

1° 590 euro, als het bekwaamheidsonderzoek betrekking heeft op het niveau van bachelor in het hoger professioneel onderwijs of het academisch onderwijs;

2° 770 euro, als het bekwaamheidsonderzoek betrekking heeft op het masterniveau en de aanvrager nog niet beschikt over een diploma van een bacheloropleiding;

3° 230 euro, als het bekwaamheidsonderzoek betrekking heeft op het masterniveau en de aanvrager al beschikt over een diploma van een bacheloropleiding.

Als het bekwaamheidsonderzoek betrekking heeft op afzonderlijke opleidingsonderdelen of een cluster van opleidingsonderdelen, worden die bedragen gedifferentieerd evenredig met de omvang ervan, een vast bedrag van 55 euro voor administratieve kosten buiten beschouwing gelaten.

§ 3. De in paragraaf 2 bedoelde bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.

De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2003.

Hoofdstuk 3. Onderwijs- en examenreglement

Art. II.220.

Het instellingsbestuur maakt voor het begin van het academiejaar het onderwijsaanbod en het onderwijs- en examenreglement openbaar. Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat de student vanaf het ogenblik van inschrijving het onderwijs- en examenreglement te allen tijde gemakkelijk kan raadplegen. Als een student er uitdrukkelijk om vraagt, is het instellingsbestuur ertoe gehouden een papieren kopie van het onderwijs- en examenreglement te overhandigen.

Art. II.221.

§ 1. Het instellingsbestuur stelt een onderwijsreglement op. Dit omvat ten minste :

1° voor elke bachelor- en masteropleiding : de graad waartoe de opleiding leidt, de kwalificatie van de graad en desgevallend de specificatie van de graad;

2° voor elke opleiding van het hoger beroepsonderwijs :

a) het diploma waartoe de opleiding leidt;

b) de bacheloropleidingen die erop volgen;

3° voor elke opleiding :

a) de inhoud en de doelstellingen van de opleiding, het opleidingsprogramma en de indeling in opleidingsonderdelen;

b) in voorkomend geval : de afstudeerrichtingen;

c) de volgtijdelijkheid van de onderscheiden opleidingsonderdelen;

d) de organisatie van de opleiding in de vorm van modeltrajecten en geïndividualiseerde trajecten;

4° voor elk opleidingsonderdeel : de doelstellingen van het opleidingsonderdeel (aard, inhoud, profiel) [...];

5° voor elke opleiding en voor elk opleidingsonderdeel :

a) de regelen inzake de inschrijving van studenten, inzonderheid de keuzemogelijkheid tussen een diploma- of examencontract of tussen een credit- of examencontract en [de voorwaarden en modaliteiten om de inhoud of het type van contract te wijzigen];

b) in voorkomend geval : de bijzondere vooropleidingseisen en de bijkomende inschrijvingsvoorwaarden, evenals de voorwaarden waaronder een student kan worden ingeschreven indien hij niet voldoet aan de algemene vooropleidingseisen;

c) de begin- en eindcompetenties;

d) de studieomvang uitgedrukt in studiepunten;

e) de voorwaarden waaronder vrijstellingen worden verleend;

f) de gebruikte onderwijstaal;

g) de voorwaarden waaronder de studenten opleidingsonderdelen kunnen volgen en daarover examen kunnen afleggen aan andere binnen- en buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs;

6° voor elke bacheloropleiding in het hoger professioneel onderwijs :

a) de bacheloropleiding die erop volgt;

b) de bacheloropleidingen die erop volgen met bijkomende voorwaarden;

c) de masteropleidingen die erop volgen met de bijkomende voorwaarden zoals bedoeld in artikel II.183;

d) de vermelding: geen vervolgopleiding;

7° voor elke bacheloropleiding in het academisch onderwijs c.q. afstudeerrichting binnen een bacheloropleiding in het academisch onderwijs :

a) de masteropleiding(en) die er rechtstreeks op aansluiten zoals bedoeld in artikel II.182, §2, eerste lid;

b) c.q. de masteropleiding(en) die er op aansluiten zoals bedoeld in artikel II.182, §2, tweede lid;

c) eventueel de andere masteropleiding(en);

d) eventueel de vermelding geen rechtstreekse vervolgopleiding;

8° voor elke masteropleiding :

a) de bacheloropleiding c.q. afstudeerrichting waarop de masteropleiding rechtstreeks aansluit zoals bedoeld in artikel II.182, §2, eerste lid;

b) c.q. de bacheloropleiding(en) c.q. afstudeerrichting(en) waarop de masteropleiding aansluit zoals bedoeld in artikel II.182, §2, tweede lid;

c) c.q. de bacheloropleiding(en) bedoeld in artikel II.183;

d) eventueel de andere bacheloropleiding(en);

e) in voorkomend geval de masteropleidingen die er op volgen zoals bedoeld in artikel II.190;

f) in voorkomend geval de masteropleidingen die er op volgen met bijkomende voorwaarden zoals bedoeld in artikel II.190;

9° voor elke masteropleiding die volgt op een andere masteropleiding :

a) de masteropleiding(en) waarop de masteropleiding volgt;

b) eventueel de andere masteropleidingen met de bijkomende voorwaarden;

10° voor elke bacheloropleiding die volgt op een bacheloropleiding :

a) de bacheloropleiding(en) waarop de bacheloropleiding volgt;

b) eventueel de andere bacheloropleidingen met de bijkomende voorwaarden;

11° de organisatie van het academiejaar met inbegrip van de vakantieregeling voor de studenten;

12° de wijze van bepalen van het aantal studiepunten van elk opleidingsonderdeel en de daarbij gehanteerde criteria en normen;

13° de gedragscode inzake de taalregeling;

14° de voorwaarden waaronder attesten van bekwaamheid worden verleend;

15° de interne beroepsprocedures inzake :

a) het verlenen van bewijzen van bekwaamheid;

b) het toekennen van vrijstellingen;

c) het opleggen van een schakel- en/of voorbereidingsprogramma, en het vaststellen van de studieomvang van dergelijk programma;

d) het opleggen van een in artikel II.246 bedoelde maatregel van studievoortgangsbewaking;

16° de wijze waarop de in punt 15° bedoelde beslissingen worden herzien indien zij zijn aangetast door materiële vergissingen;

17° de procedure ter behandeling van klachten van de studenten met betrekking tot de onderwijsverzorging;

18° de regelen inzake de organisatie van informatiesessies voor studenten die zich voor de eerste maal inschrijven aan de instelling;

19° de procedure die studenten met functiebeperkingen dienen te volgen om redelijke aanpassingen aan te vragen en de wijze waarop ze binnen de instelling beroep kunnen aantekenen tegen een weigering van aanpassingen.

§ 2. De in paragraaf 1, 19° vermelde interne beroepsprocedure beantwoordt minimaal aan de volgende voorwaarden :

1° het beroep wordt behandeld door personen die onafhankelijk zijn van de partijen en die niet rechtstreeks betrokken waren bij de beslissing tot weigering van de gevraagde aanpassingen;

2° de beroepsprocedure leidt binnen een redelijke termijn tot een gemotiveerde beslissing die bindend is voor iedereen binnen de instelling.

Studenten met functiebeperkingen zijn studenten met langdurige fysieke, mentale of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met andere studenten te participeren aan het hoger onderwijs.

Een aanpassing is een concrete maatregel, van materiële of immateriële aard, die de beperkende invloed van een onaangepaste omgeving op de participatie van een persoon met een functiebeperking neutraliseert. Als een redelijke aanpassing wordt beschouwd, de aanpassing die geen disproportionele belasting betekent.

Een beslissing tot weigering van de gevraagde aanpassingen kan gemotiveerd zijn op grond van een door de instelling gemaakte afweging dat de gevraagde aanpassing afbreuk doet aan de mogelijkheid de essentiële leerresultaten van de opleiding te bereiken.

De criteria voor de afweging van disproportionaliteit zijn conform artikel 2, §2 en §3, van het protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België krachtens de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.

Decr. 21-3-2014

Art. II.222.

Het instellingsbestuur stelt een examenreglement op. Dit omvat ten minste :

1° de wijze waarop de vorm van de examens wordt bepaald en bekendgemaakt;

2° de periodes waarbinnen de examens worden afgelegd;

3° de wijze waarop de openbaarheid van zowel de mondelinge als schriftelijke examens wordt gewaarborgd;

4° de wijze van samenstelling van de examencommissies en de wijze waarop de representativiteit van die commissies wordt gegarandeerd;

5° de aanstelling en de taakomschrijving van de ombudsman;

6° de wijze van bekendmaking van de resultaten van de examens en van de proclamatie van de afgestudeerden van een opleiding;

7° de procedure en voorwaarden om te slagen en om vermeldingen toe te kennen aan geslaagde studenten;

8° de procedure waarbij geschillen tussen de studenten en de examinatoren voor of na het bekend maken van de examenresultaten worden behandeld. Deze procedure vermeldt eveneens de interne en externe beroepsmogelijkheden voor de betrokken studenten;

9° de volgtijdelijkheid van de onderscheiden examens;

10° de algemene regels en de modaliteiten van deliberatie;

11° de wijze waarop omgegaan wordt met overmacht of met onregelmatigheden tijdens het examenverloop;

12° de wijze waarop examenbeslissingen, aangetast door materiële vergissingen, worden herzien;

13° of het mogelijk is om van opleidingsonderdelen waarvan het examen uit 2 of meer onderdelen bestaat, de resultaten voor bepaalde examenonderdelen te behouden in een volgend academiejaar en de voorwaarden waaronder dit kan gebeuren;

14° de procedure die studenten met functiebeperkingen dienen te volgen om redelijke aanpassingen aan te vragen met betrekking tot de examens en de wijze waarop ze binnen de instelling beroep kunnen aantekenen tegen een weigering van aanpassingen, in zoverre deze verschillen van de procedures, vermeld in artikel II.221, §1, 19° en §2.

Hoofdstuk 4. Studievoortgang

Afdeling 1. Studievoortgang op grond van examens

Onderafdeling 1. Algemeen

Art. II.223.

§ 1. Voor elk opleidingsonderdeel wordt een examen ingericht.

§ 2. Een student heeft voor ieder opleidingsonderdeel waarvoor hij ingeschreven is, recht op 2 examenkansen in de loop van het academiejaar [om een creditbewijs te behalen].

Indien de aard van het opleidingsonderdeel niet toelaat dat tweemaal wordt geëxamineerd, kan het in het eerste lid bedoelde recht niet tijdens hetzelfde academiejaar worden uitgeoefend.

In dat geval moet de student zich voor het betreffende opleidingsonderdeel in een volgend academiejaar opnieuw inschrijven.

Decr. 21-3-2014

Onderafdeling 2. Creditbewijzen

Art. II.224.

Individuele examinatoren en examencommissies treden bij het vaststellen van examenresultaten op onder de verantwoordelijkheid van het instellingsbestuur.

Art. II.225.

§ 1. Een student behaalt een creditbewijs voor elk opleidingsonderdeel waarvoor hij geslaagd is.

Een student slaagt voor een opleidingsonderdeel wanneer hij ten minste 10 op 20 behaalt, tenzij het instellingsbestuur op grond van de specificiteit van het opleidingsonderdeel een andere, niet numerieke, vorm van resultaatsbepaling heeft vastgelegd.

[...]

Een student kan niet verzaken aan een creditbewijs.

§ 2. Het onderwijs- en examenreglement kan de gevallen bepalen waarin een creditbewijs met een bepaalde graad van verdienste wordt verleend.

§ 3. Een creditbewijs blijft onbeperkt geldig binnen de betrokken opleiding aan de instelling waar dit werd behaald.

[...]

[§ 4. De hogeronderwijsinstellingen garanderen dat een student bij aanpassingen aan het curriculum zijn reeds verworven studiepunten kan valideren binnen het vernieuwde studieprogramma. De instellingen voorzien hiertoe in de noodzakelijke overgangsmaatregelen in het onderwijs- en examenreglement als vermeld in artikel II.222, 13°.]

Decr. 21-3-2014

Art. II.226.

Bij studenten die als gevolg van een herstructurering, zoals bedoeld in artikel III.29, hun opleiding aan de overdragende instelling stopzetten om ze te voltooien aan de ontvangende instelling, neemt de ontvangende instelling de credits, die de student verworven heeft in de overdragende instelling, evenals de daarmee samenhangende graad van verdienste indien van toepassing, en de studiepunten waarvoor de student gedelibereerd is, over. Deze credits en gedelibereerde studiepunten worden geacht verworven of gedelibereerd te zijn in de ontvangende instelling. De ontvangende instelling neemt ook de vrijstellingen over die de student in de overdragende instelling verkregen heeft voor de desbetreffende opleiding.

Onderafdeling 3. [Toekenning van een graad of een diploma]

Decr. 21-3-2014

Art. II.227.

[Een student verwerft een graad of een diploma van een opleiding als hij voor het geheel van de opleiding geslaagd wordt verklaard.]

Decr. 21-3-2014

Art. II.228.

[De student wordt automatisch geslaagd verklaard als hij alle examens die horen bij het opleidingsprogramma, heeft afgelegd en als alle examens geleid hebben tot een creditbewijs of tot een deliberatiecijfer als vermeld in het onderwijs- en examenreglement.]

Decr. 21-3-2014

Art. II.229.

[De student wordt door de examencommissie voor het geheel van de opleiding geslaagd verklaard als die op gemotiveerde wijze van oordeel is dat de doelstellingen van het opleidingsprogramma globaal verwezenlijkt zijn.

Het feit dat een student globaal geslaagd wordt verklaard, betekent niet dat hij in aanmerking komt voor een creditbewijs voor die opleidingsonderdelen waarvoor hij niet is geslaagd.]

Decr. 21-3-2014

Art. II.230.

[Een graad van verdienste wordt automatisch toegekend overeenkomstig de voorwaarden in het onderwijs- en examenreglement, bepaald door de instelling, of wordt vastgesteld door de examencommissie voor het geheel van de opleiding.]

Decr. 21-3-2014

Art. II.231.

[Het instellingsbestuur voorziet in een diploma voor de student die geslaagd is verklaard voor het geheel van de opleiding. Door het diploma te verlenen krachtens dit decreet is het van rechtswege erkend en bekrachtigd.]

Decr. 21-3-2014

Afdeling 2. Studievoortgang op grond van EVC's en EVK's

Onderafdeling 1. Bewijzen van bekwaamheid

Art. II.232.

§ 1. Een bewijs van bekwaamheid en het daaraan voorafgaande bekwaamheidsonderzoek worden aangevraagd bij en toegekend door een validerende instantie in de schoot van (een) associatie(s).

Als validerende instantie kunnen optreden :

1° een associatiebestuur;

2° een verzelfstandigd orgaan onder het gezag of het toezicht van 1 of meer associatiebesturen.

§ 2. Besturen van instellingen die niet behoren tot een associatie, sluiten zich door middel van een overeenkomst bij een validerende instantie aan.

§ 3. Een validerende instantie treedt op als openbare dienst, die in een reglementaire verhouding staat tot een aanvrager.

Een validerende instantie en een aanvrager sluiten door de inwilliging van de aanvraag een toetredingsovereenkomst.

Art. II.233.

Het bekwaamheidsonderzoek hanteert, afhankelijk van de aanvraag, volgende standaarden :

1° de in artikel 6, §1, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur bedoelde competenties die eigen zijn aan de kwalificaties van niveau 5 en die gehanteerd worden voor de opleidingen van het hoger beroepsonderwijs;

2° de in artikel II.141 bedoelde competenties eigen aan het niveau van bachelor in het hoger professioneel onderwijs of het academisch onderwijs of het masterniveau;

3° de in de schoot van de betrokken associatie of instelling gehanteerde eindcompetenties voor de opleiding, het opleidingsonderdeel, of enig deel ervan, of de cluster van opleidingsonderdelen.

Art. II.234.

Het bekwaamheidsonderzoek kan worden doorgevoerd aan de hand van (een combinatie van) volgende methodieken :

1° een gestructureerd gesprek waarin gepeild wordt naar de voorkennis van de aanvrager;

2° directe observatie van gedragingen en realisaties;

3° evaluatie gebaseerd op de verzamelde informatie en realisaties;

4° evaluatie gebaseerd op de interpretatie van feiten of verklaringen met referentie naar theoretische schema's;

5° portfolioconstructie, zijnde de samenstelling van een persoonlijk dossier waarin allerlei soorten stukken worden opgenomen die de competenties bewijzen.

Het in artikel II.237 bedoelde reglement bepaalt :

1° welke methodiek van toepassing is voor (een) bepaalde groep(en) aanvragers;

2° in voorkomend geval : de gradaties in de bewijslast, binnen eenzelfde methodiek, ten aanzien van verschillende groepen aanvragers.

Art. II.235.

De validerende instantie kent een bewijs van bekwaamheid toe nadat de aanvrager het bekwaamheidsonderzoek met positief gevolg doorlopen heeft. Het betreffende document of de betreffende registratie vermeldt in elk geval :

1° de validerende instantie die het document uitreikt;

2° de associatie waaronder de validerende instantie ressorteert;

3° de gehanteerde standaarden;

4° de gebruikte methodologie;

5° de competenties die blijken uit het bekwaamheidsonderzoek.

Art. II.236.

Het bekwaamheidsonderzoek biedt volgende procedurele waarborgen :

1° de aanvrager wordt begeleid bij :

a) het verwerven van inzicht in de mogelijkheden inzake curriculumopbouw in het hoger onderwijs;

b) het verzamelen van de bewijslast inzake de voorgelegde competenties;

2° de beoordelaar(s) is/zijn bekwaam om over de bewijslast te oordelen en kan/kunnen dientengevolge zowel de bewijslast als de standaarden lezen en beide tegen elkaar afwegen;

3° de begeleider(s) en de beoordelaar(s) zijn niet dezelfde personen;

4° de privacy en de persoonlijke integriteit van de aanvrager wordt beschermd;

5° de interne beroepsprocedure, bedoeld in artikel II.283, eerste lid, is gericht op mediatie.

Art. II.237.

De in artikel II.233 tot en met II.236 vermelde minimale regelen worden per associatie uitgewerkt in een reglement waarin de methodologische en procedurele garanties inzake het bekwaamheidsonderzoek zijn ingeschreven, evenals de beginselen inzake de in artikel II.236, 5°, vermelde interne beroepsprocedure.

Art. II.238.

[...]

Decr. 21-3-2014

Art. II.239.

Een bewijs van bekwaamheid geldt binnen de instellingen die ressorteren onder de associatie(s) in de schoot waarvan de validerende instantie is opgericht, evenals binnen elke instelling die met deze validerende instantie een overeenkomst heeft gesloten.

Art. II.240.

Een bewijs van bekwaamheid blijft onbeperkt geldig.

[...]

Decr. 21-3-2014

Onderafdeling 2. Vrijstellingen

Art. II.241.

§ 1. Het instellingsbestuur verleent op grond van EVK's en/of een bewijs van bekwaamheid een vrijstelling.

§ 2. Het instellingsbestuur voert het onderzoek uit met het oog op het verlenen van vrijstellingen op stukken.

§ 3. Het instellingsbestuur kan in uitzonderlijke gevallen het onderzoek met het oog op het verlenen van vrijstellingen op grond van EVK's laten verlopen via een bekwaamheidsonderzoek zoals bepaald in onderafdeling 1. In dat geval verwijst het instellingsbestuur de aanvrager door naar de validerende instantie op het niveau van de associatie waaronder het instellingsbestuur ressorteert. De instelling motiveert de noodzakelijkheid van dat bekwaamheidsonderzoek.

Art. II.242.

§ 1. In het licht van de noodzakelijke vergelijkbaarheid van de reglementen inzake vrijstellingen leggen de associaties in een reglement algemene voorschriften vast voor het verlenen van vrijstellingen.

De voorschriften zijn een nadere uitwerking van de volgende algemene beginselen :

1° de toekenningsvoorwaarden op grond van de inhoudelijke aansluiting tussen het betrokken opleidingsonderdeel, of het deel ervan, en de geattesteerde EVK's en/of EVC's;

2° de inspraakregeling voor de student;

3° de draagwijdte van de motiveringsverplichting in hoofde van het instellingsbestuur;

4° de basisbeginselen inzake de interne beroepsprocedure, bedoeld in artikel II.283, eerste lid. De beroepsprocedure is gericht op mediatie.

§ 2. Het instellingsbestuur werkt de nadere regelen inzake het verlenen van vrijstellingen uit in het onderwijs- en examenreglement, rekening houdend met de voorschriften die opgenomen zijn in het vrijstellingsreglement van de associatie. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de bestaande reglementen van de instellingen inzake vrijstelling van toepassing tot de goedkeuring van het reglement van de associatie zoals bepaald in paragraaf 1. Die laatste bepalingen gelden niet voor het bestuur van een instelling die niet tot een associatie behoort.

§ 3. Bij het nemen van een beslissing inzake het verlenen van vrijstellingen op grond van een buitenlands diploma of buitenlandse studieperiode past het instellingsbestuur de bepalingen en de principes van het Verdrag van de Raad van Europa en de Unesco betreffende de erkenning van diploma's hoger onderwijs in de Europese Regio, opgemaakt in Lissabon op 11 april 1997, goedgekeurd bij decreet van 15 december 2006 en geratificeerd op 22 juli 2009 toe voor zover het land van herkomst het verdrag ook heeft geratificeerd.

Art. II.243.

De omvang van een vrijstelling wordt uitgedrukt in gehele studiepunten.

De omvang van een vrijstelling voor een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, wordt, behoudens andersluidende beslissing van het instellingsbestuur, gelijkgesteld met de studieomvang van dat opleidingsonderdeel, of het deel ervan.

Art. II.244.

Ten aanzien van de tweede inschrijving voor een bachelor- of masteropleiding waarvan een student reeds het diploma bezit, geldt de voorwaarde dat de student nog opleidingsonderdelen voor een studieomvang van ten minste 30 studiepunten moet volgen.

Onderafdeling 3. Diplomering

Art. II.245.

§ 1. Indien het instellingsbestuur op grond van 1 of meer bewijzen van bekwaamheid of van eerder verworven kwalificaties vaststelt dat een persoon, die nog niet in het bezit is van de kwalificatie van de opleiding in kwestie, zich de domeinspecifieke leerresultaten van een opleiding, zoals bedoeld in afdeling III van hoofdstuk IV van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, eigen heeft gemaakt, reikt het instellingsbestuur aan deze persoon het diploma van de betrokken opleiding uit.

Indien het instellingsbestuur niet overgaat tot het uitreiken van het betrokken diploma doch het volgen van bijkomende opleidingsonderdelen, of delen ervan, voorschrijft, geldt een bijzondere motiveringsplicht. Het instellingsbestuur dient in dat geval een substantieel verschil aan te tonen tussen de door de bewijzen van bekwaamheid gevalideerde competenties en de leerresultaten die blijken uit de eerder verworven kwalificaties en de domeinspecifieke leerresultaten van de opleiding.

§ 2. Het instellingsbestuur kan een bedrag van ten hoogste 50 euro vragen als bijdrage in de kosten voor het uitreiken van het diploma.

Afdeling 3. Studievoortgangsbewaking

Art. II.246.

§ 1. [Het instellingsbestuur kan maatregelen van studievoortgangsbewaking nemen :

1° indien een student geen 60% van de ingeschreven studiepunten verworven heeft een vorig academiejaar kan bij een nieuwe inschrijving aan eenzelfde of andere instelling een bindende voorwaarde opgelegd worden.

Deze bindende voorwaarden betreffen in beginsel geen evaluatie- en/of deliberatiecriteria die strenger zijn dan de regels die in de instelling algemeen gelden.

Het instellingsbestuur kan de studievoortgang van de student wel afhankelijk maken van een deliberatie door het orgaan of de persoon die verantwoordelijk is voor de bepaling van de studievoortgang.

Bij het niet naleven van deze bindende voorwaarde kan de student een volgend academiejaar geweigerd worden in dezelfde instelling waar de bindende voorwaarde is opgelegd;

2° indien uit de gegevens van het dossier blijkt dat een volgende inschrijving in het hoger onderwijs geen positief resultaat zal opleveren kan de inschrijving van de student geweigerd worden.]

Decr. 19-6-2015

[ [[§ 2.]] Het instellingsbestuur kan in bijzondere gevallen en op objectieve gronden de stage of een ander praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig beëindigen, als de student door zijn gedragingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een beroep waartoe de opleiding die hij volgt, hem opleidt.

De student van wie de stage of het praktische opleidingsonderdeel met toepassing van het eerste lid is beëindigd, heeft geen recht op een tweede examenkans als vermeld in artikel II.223, tenzij aan de opgelegde bindende voorwaarden is voldaan.

De beslissing om een stage of praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig te beëindigen, wordt omstandig gemotiveerd.]

Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Hoofdstuk 5. Bekrachtiging van de studies

Art. II.247.

§ 1. Het instellingsbestuur verleent een diploma van gegradueerde met nadere kwalificatie aan ieder die een opleiding van het hoger beroepsonderwijs met succes heeft voltooid.

§ 2. Het instellingsbestuur verleent de graad van bachelor met nadere kwalificatie en in voorkomend geval specificatie aan ieder die de betreffende bacheloropleiding met succes heeft voltooid.

§ 3. Het instellingsbestuur verleent de graad van master met nadere kwalificatie en in voorkomend geval specificatie aan ieder die de betreffende masteropleiding met succes heeft voltooid.

§ 4. Bij een diploma van gegradueerde wordt steeds een diplomasupplement uitgereikt. Dit is een document dat de inhoud van de studies van de cursist en de structuur van het onderwijs in het land waar de cursist gestudeerd heeft, verduidelijkt. De Vlaamse Regering bepaalt de modellen van het diploma van gegradueerde en van het diplomasupplement, en de nadere modaliteiten met betrekking tot het uitreiken van het diploma van gegradueerde en het diplomasupplement.

Art. II.248.

Het onderwijs dat binnen een School of Arts wordt verstrekt, wordt door het betrokken hogeschoolbestuur bekrachtigd met een diploma van gegradueerde, een graad van bachelor of master na het succesvol voltooien van de opleiding. In geval van een samenwerkingsovereenkomst kunnen de participerende hogescholen gezamenlijk de graad van bachelor of master uitreiken.

Art. II.249.

Het postinitieel onderwijs dat verstrekt wordt door de Vlerick Business School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde en de Antwerp Management School kan worden bekrachtigd met een diploma van master of een getuigschrift, dat uitgereikt wordt door de betrokken instelling na het met goed gevolg beëindigen van de opleiding.

Art. II.250.

Het onderwijs, bedoeld in artikel I.3, 50°, dat de Initiërende Universiteit bedoeld in artikel II.5 binnen het instituut verstrekt, kan door het instellingsbestuur worden bekrachtigd met een graad van master of een getuigschrift na het succesvol voltooien van de betrokken opleiding.

De opleidingen kunnen in de daartoe geëigende taal worden verstrekt.

Art. II.251.

De graad van 'doctor' wordt behaald na de openbare verdediging van een proefschrift.

Art. II.252.

§ 1. Het bestuur van de instelling waaraan de student met succes zijn opleiding afrondt, kent de betreffende graad toe en reikt het diploma met bijhorend diplomasupplement uit. Het bestuur van de instelling kan het diploma van een opleiding en de overeenstemmende graad ook toekennen aan een persoon die beschikt over een bewijs van bekwaamheid en/of EVK's, bedoeld in artikel II.244. Het diploma vermeldt na de graad de studieomvang van de opleiding. De Vlaamse Regering bepaalt de vorm van de diploma's en de inhoud van het diplomasupplement. Het diplomasupplement geeft een aanduiding van de aard van de opleiding, de duur van de opleiding, het voltooide opleidingsprogramma en de behaalde creditbewijzen, de eventueel verleende vrijstellingen en eventueel de vooropleiding en de vermelding van de instelling(en) waaraan de student de opleidingsonderdelen heeft gevolgd als die verschillend is (zijn) van de uitreikende instelling of in het geval van gezamenlijke diplomering.

§ 2. Het instellingsbestuur verleent een creditbewijs aan een student die geslaagd is voor het betrokken opleidingsonderdeel. Door het verlenen van een creditbewijs krachtens titel 4, hoofdstuk 4, van dit deel, is dit van rechtswege erkend en bekrachtigd.

Het instellingsbestuur levert bij het beëindigen van een creditcontract, of op vraag van een student, een document met de behaalde creditbewijzen af.

Het document vermeldt in elk geval :

1° de instelling waaraan het document uitgereikt wordt en de opleiding waarbinnen het/de opleidingsonderde(e)l(en) kader(t)(en);

2° het profiel van de betrokken opleiding;

3° de benaming van het/de opleidingsonderde(e)l(en);

4° het aantal credits en in voorkomend geval de toegekende eindbeoordeling met eventueel de graad van verdienste;

5° de doelstellingen van het/de opleidingsonderde(e)l(en) (aard, inhoud, profiel);

6°[...]

De Vlaamse Regering kan nadere regelen inzake de vorm van de documenten bepalen.

De instellingen houden een beschrijving bij van de opleidingsonderdelen die zij aanbieden of hebben aangeboden.

Decr. 21-3-2014

Art. II.253.

De instellingen zijn ertoe gemachtigd om ter vervanging van een verloren diploma een attest uit te reiken aan de houders van het diploma. Het attest vermeldt de benaming van de eertijds toegekende graad en de datum van uitreiking van het diploma.

Personen die in toepassing van de wetgeving betreffende de namen en de voornamen een wijziging van hun naam of voornaam hebben verkregen, kunnen bij de instellingen waar ze een studiebewijs hebben behaald of bij de Vlaamse Gemeenschap een verzoek indienen om het studiebewijs te laten vervangen door een studiebewijs met hun nieuwe naam.

Bij de aanvraag moet het oorspronkelijk behaald studiebewijs worden ingeleverd en moeten stukken worden toegevoegd die de naamswijziging aantonen.

Art. II.254.

De graad of het diploma van een opleiding kan enkel worden verleend aan een student die ingeschreven is op grond van een diplomacontract of van een examencontract, aangegaan met het oog op het behalen van een graad of een diploma van de opleiding. Deze bepaling geldt onverminderd de mogelijkheid van het instellingsbestuur om een diploma uit te reiken op grond van een bewijs van bekwaamheid en/of EVK's, zoals bepaald in artikel II.245, §1.

Hoofdstuk 6. Gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's of getuigschriften

Art. II.255.

§ 1. De Vlaamse Regering legt bij besluit de niveaugelijkwaardigheid of de volledige gelijkwaardigheid vast van buitenlandse diploma's hoger onderwijs met de graden van gegradueerde, bachelor, master of doctor uitgereikt in de Vlaamse Gemeenschap en in het geval van volledige gelijkwaardigheid met de bijbehorende kwalificatie.

Het vastleggen van die niveaugelijkwaardigheid is gebaseerd op :

1° de aanwezigheid van een kwaliteitszorgsysteem dat voldoet aan de Standards and Guidelines for Quality Assurance in the European Higher Education Area; het kwaliteitszorgsysteem moet op een verifieerbare wijze garanderen dat de leerresultaten worden verwezenlijkt;

2° de aanwezigheid van een opleidingenstructuur die in de Europese Hogeronderwijsruimte gangbaar is en die geïntegreerd is in een kwalificatieraamwerk dat beantwoordt aan het kwalificatieraamwerk voor hoger onderwijs dat door de ministers bevoegd voor het onderwijs, tijdens hun vergadering in Bergen op 20 mei 2005, werd goedgekeurd en dat de procedure van de internationale toetsing heeft doorlopen.

Het vastleggen van de volledige gelijkwaardigheid is daarenboven gebaseerd op een vergelijking van de leerresultaten.

§ 2. De buitenlandse diploma's van gegradueerde, bachelor of master die uitgereikt zijn na de voltooiing van een opleiding die geaccrediteerd werd door een accreditatieorganisatie, die is opgenomen in het European Quality Assurance Register for Higher Education, worden als gelijkwaardig erkend met de graad van gegradueerde, bachelor of master uitgereikt in de Vlaamse Gemeenschap. De kwalificaties van deze opleidingen worden van rechtswege erkend als academisch gelijkwaardig met de overeenstemmende Vlaamse kwalificaties. Van overeenstemming is er sprake wanneer de benamingen verwijzen naar dezelfde kernbegrippen. De Vlaamse Regering neemt de nodige maatregelen om de uitvoering van deze bepalingen verder te operationaliseren.

Art. II.256.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure tot de erkenning van de volledige gelijkwaardigheid van studiebewijzen die niet in een besluit zoals bedoeld in artikel II.255 zijn opgenomen met de in dit decreet bepaalde graden.

De Vlaamse Regering garandeert bij de uitvoering van de voorgaande bepalingen dat de bepalingen en de principes van het Verdrag van de Raad van Europa en de Unesco betreffende de erkenning van diploma's hoger onderwijs in de Europese Regio, opgemaakt in Lissabon op 11 april 1997, goedgekeurd bij decreet van 15 december 2006 en geratificeerd op 22 juli 2009 worden toegepast voor zover het land van herkomst het verdrag ook heeft geratificeerd.

Elke beslissing tot erkenning van de volledige gelijkwaardigheid genomen krachtens dit artikel hanteert de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur dan wel de gevalideerde domeinspecifieke leerresultaten bedoeld in de artikelen 16, 17 en 18 van hetzelfde decreet als referentiekader. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties worden de opleidingsprofielen bepaald krachtens het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs als referentiekader gebruikt. Bij ontstentenis van de domeinspecifieke leerresultaten worden de referentiekaders van de visitatierapporten als bedoeld in artikel 51 van hetzelfde decreet als referentiekader gebruikt. In het geval van niveaugelijkwaardigheid worden de niveaudescriptoren als beschreven in artikel II.141 als referentiekader gebruikt.

De financiële bijdrage die de houder van een buitenlands studiebewijs moet betalen aan de erkenningsautoriteit voor een onderzoek met betrekking tot de erkenning van het buitenlands studiebewijs uitgereikt in het hoger onderwijs en het onderzoek met betrekking tot de niveaugelijkwaardigheid bedraagt :

1° 300 euro voor een onderzoek met betrekking tot de erkenning van de buitenlandse graad van doctor;

2° 180 euro voor een onderzoek met betrekking tot de erkenning van het buitenlands studiebewijs uitgereikt in het hoger onderwijs;

3° 90 euro voor een onderzoek met betrekking tot de niveaugelijkwaardigheid. [...]

[De in het vierde lid vermelde bedragen worden aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2013. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. De Vlaamse Regering kan het bedrag verminderen voor specifieke doelgroepen. Voor asielzoekers, vluchtelingen en subsidiair beschermden is de behandeling van de erkenningsaanvraag gratis. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor een versnelde procedure tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen. De Vlaamse Regering kan het bedrag vermeerderen tot maximaal 500 euro, indien de houder van het buitenlands studiebewijs opteert voor deze versnelde procedure.]

Decr. 25-4-2014

Art. II.257.

De Vlaamse Regering kan de gelijkwaardigheid bepalen van de kwalificaties en de specificaties van de bachelor- en masterdiploma's uitgereikt in de Franse Gemeenschap c.q. door de Koninklijke Militaire School te Brussel met de kwalificaties en de specificaties van de bachelor- en masterdiploma's uitgereikt in de Vlaamse Gemeenschap.

Art. II.258.

§ 1. Voor de studiebewijzen die voorkomen in het Hogeronderwijsregister van een partij bij het internationaal verdrag houdende aanwijzing van een accreditatieorganisatie, worden de gelijkwaardige Vlaamse studiebewijzen vastgelegd.

De gelijkwaardigheden worden vastgelegd in een bij besluit van de Vlaamse Regering vastgestelde equivalentielijst.

De Vlaamse Regering bepaalt de procedurele en methodologische regelen volgens dewelke de equivalentielijst wordt ontwikkeld.

§ 2. In afwachting van de vaststelling van de equivalentielijst of in afwachting van de opname van een bepaald studiebewijs in de equivalentielijst, worden de gelijkwaardigheden vastgesteld overeenkomstig de overige artikelen van deze afdeling.

Hoofdstuk 7. Eensluidendverklaring van studiebewijzen

Art. II.259.

§ 1. Instellingsbesturen zijn ertoe gemachtigd om kopieën van studiebewijzen, afgeleverd binnen onderwijs, ten behoeve van de inschrijving of de studievoortgang van studenten eensluidend te verklaren.

Het eensluidend verklaren van een kopie van een studiebewijs is het bevestigen dat de voorgelegde kopie overeenstemt met het originele studiebewijs.

§ 2. Eensluidendverklaringen die overeenkomstig de in paragraaf 1 bedoelde beginselen zijn geschied op de vooravond van 1 januari 2003, worden geacht rechtmatig te zijn.

Hoofdstuk 8. Taalregeling

Afdeling 1. Algemene bepaling

Art. II.260.

De bestuurstaal in de hogescholen en universiteiten is het Nederlands.

Afdeling 2. Onderwijstaal in initiële bachelor- en masteropleidingen

Art. II.261.

§ 1. De onderwijstaal in de hogescholen en universiteiten is het Nederlands.

In de initiële bachelor-en masteropleidingen kan evenwel een andere onderwijstaal dan het Nederlands worden gebruikt, conform de bepalingen in deze afdeling. Als een instelling gebruik wil maken van die mogelijkheid, moeten de waarborgen inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel II.270 en II.271 vervuld zijn voorafgaand aan de start van de opleiding.

§ 2. Een instelling kan in de volgende gevallen beslissen dat in initiële bachelor-en masteropleidingen voor opleidingsonderdelen een andere onderwijstaal dan het Nederlands wordt gebruikt :

1° de opleidingsonderdelen die een vreemde taal tot onderwerp hebben en die in die taal worden gedoceerd;

2° de opleidingsonderdelen die gedoceerd worden door anderstalige gastprofessoren;

3° de anderstalige opleidingsonderdelen die, op initiatief van de student en met instemming van de instelling, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs;

4° de opleidingsonderdelen waar uit de expliciet gemotiveerde beslissing de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding blijkt.

§ 3. Een anderstalige initiële bacheloropleiding is een initiële bacheloropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 18,33% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject.

Een anderstalige intiële masteropleiding is een initiële masteropleiding waarvan de omvang van de opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het modeltraject van die opleiding hoger is dan 50% van de totale omvang van de in die opleiding aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het modeltraject.

§ 4. Voor de berekening van de grenzen, vermeld in paragraaf 3, worden de opleidingsonderdelen, vermeld in paragraaf 2, 1° en 3°, met meegeteld.

§ 5. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, wordt het onderwijs in de professioneel gerichte bacheloropleiding in de scheepswerktuigkunde en de academisch gerichte bachelor- en masteropleiding in de nautische wetenschappen in het Nederlands en het Frans gegeven.

Art. II.262.

§ 1. Een instelling kan enkel een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden als het om opleidingsprogramma's gaat die specifiek voor buitenlandse studenten zijn ontworpen of als de meerwaarde voor de studenten en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding op voldoende wijze aangetoond kunnen worden.

§ 2. De instelling kan een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden op voorwaarde dat er in de Vlaamse Gemeenschap een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding wordt aangeboden waarbij de student een opleidingstraject volledig in het Nederlands kan volgen. De opleidingsonderdelen, vermeld in artikel II.261, §2, 1° en 3°, worden hierbij buiten beschouwing gelaten.

Behoudens in de gevallen dat er een vrijstelling van de equivalentievoorwaarde werd verleend, moeten de studenten op elk moment de garantie hebben dat er binnen de Vlaamse Gemeenschap een equivalente initiële bachelor-of masteropleiding wordt aangeboden.

De instellingen kunnen de equivalente initiële bachelor-of masteropleiding aanbieden als een gezamenlijk georganiseerde opleiding. Alle opleidingsonderdelen van deze gezamenlijk georganiseerde equivalente bachelor- of masteropleiding worden door de studenten op 1 vestiging gevolgd.

De voorwaarde vermeld in het derde lid is niet van toepassing op de volgende opleidingen :

1° de equivalente opleiding master in de ingenieurswetenschappen, fotonica, gezamenlijk aangeboden door de Universiteit Gent en de Vrije Universteit Brussel;

2° de equivalente opleiding master in de geografie, gezamenlijk aangeboden door de Katholieke Universiteit Leuven en de Vrije Universiteit Brussel;

3° de gezamenlijk georganiseerde equivalente opleidingen die van de Commissie Hoger Onderwijs de toelating hebben gekregen om het volgen van de onderwijsactiviteiten te spreiden over meer dan 1 vestiging. De aanvragen tot afwijking worden door de Commissie Hoger Onderwijs behandeld overeenkomstig de procedure beschreven in artikel II.263;

4° de equivalente opleiding master in de ingenieurswetenschappen : biomedische ingenieurstechnieken, gezamenlijk aangeboden door de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel.

De instelling kan in het kader van de procedure, vermeld in artikel II.264, een vrijstelling van de equivalentievoorwaarde aanvragen.

Art. II.263.

§ 1. Als een instelling een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding wil aanbieden, dient ze een aanvraag in bij de Commissie Hoger Onderwijs.

[De aanvragen en het bijbehorende dossier worden ingediend :

1° in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft, uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de anderstalige initiële bachelor- of master georganiseerd zal worden;

2° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft zoals vermeld in artikel II.150, samen met het aanvraagdossier macrodoelmatigheid nieuwe opleiding zoals vermeld in artikel II.153, § 2.]

§ 2. De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit op basis van de volgende criteria waaraan cumulatief voldaan moet worden :

1° binnen de Vlaamse Gemeenschap wordt een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aangeboden, als vermeld in artikel II.262, §2, behalve bij een voorafgaand besluit van de Vlaamse Regering houdende vrijstelling van de equivalentievereiste voor die anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding;

2° de aanwezigheid van voldoende garanties inzake kwaliteit en democratisering, vermeld in artikel II.270 en II.271;

3° de aanwezigheid van een verantwoording die de meerwaarde voor de student en het afnemende veld en de functionaliteit voor de opleiding aantoont;

4° de naleving van het maximumpercentage van 6% c.q 35%, vermeld in artikel II.266, op basis van het overzicht van de anderstalige initiële bachelor- c.q masteropleidingen die in het lopende academiejaar worden aangeboden.

§ 3. [De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel uit :

1° in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft, uiterlijk op 31 januari van hetzelfde academiejaar;

2° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft, samen met het oordeel over de macrodoelmatigheid van de opleiding zoals vermeld in artikel II.153, § 3.

De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt haar oordeel aan het instellingsbestuur en aan de Vlaamse Regering.

Bij een negatief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs kan de instelling binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen die ingaat op de dag na ontvangst van de beslissing van de Commissie Hoger Onderwijs, beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing binnen een vervaltermijn van 30 kalenderdagen die ingaat op de dag na ontvangst van het beroepschrift.

Bij een positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs, tenzij de Vlaamse Regering binnen een vervaltermijn van 45 kalenderdagen alsnog negatief oordeelt, of bij een positieve beslissing van de Vlaamse Regering :

1° krijgt de instelling in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft, van rechtswege de toelating om de anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding te organiseren;

2° vraagt de instelling in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft, de toets nieuwe opleiding aan bij de accreditatieorganisatie, binnen een vervaltermijn van 15 kalenderdagen, die ingaat de dag na het verstrijken van de vervaltermijn van 45 kalenderdagen na het positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs.

Indien de Commissie Hoger Onderwijs geen oordeel velt uiterlijk op de data vermeld in deze paragraaf of indien de Vlaamse Regering geen beslissing neemt naar aanleiding van een beroepschrift op de in deze paragraaf vastgestelde momenten, wordt het oordeel of de beslissing geacht negatief te zijn.]

§ 4. Als het aantal positieve beoordelingen zou kunnen leiden tot een overschrijding van de maximumpercentages, vermeld in artikel II.266, legt de Commissie Hoger Onderwijs de beoordeelde dossiers voor aan de Vlaamse Regering, samen met een ranglijst. De Vlaamse Regering neemt in voorkomend geval de beslissing. In geval de Vlaamse Regering afwijkt van de ranglijst voorgesteld door de Commissie Hoger Onderwijs, geeft ze in haar beslissing de redenen daarvoor aan.

Decr. 25-4-2014

Art. II.264.

[§ 1. Een instelling of meerdere instellingen samen kan/kunnen bij de Commissie Hoger Onderwijs een aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde indienen voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding. Deze aanvraag, samen met het bijhorende dossier, wordt bij de Commissie Hoger Onderwijs ingediend :

1° samen met de aanvraag voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding overeenkomstig de voorschriften vastgelegd in artikel II.263; ofwel

2° in het geval van een bestaande equivalente opleiding uiterlijk op 1 oktober van het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar waarop de instelling(en) de betrokken equivalente opleiding wil(len) stopzetten.

De VLUHR bezorgt de Commissie Hoger Onderwijs uiterlijk 1 maand na indiening van het desbetreffende dossier een advies over de gevraagde vrijstelling van de equivalentievoorwaarde.

§ 2. De Commissie Hoger Onderwijs legt samen met het beoordeelde dossier een advies aan de Vlaamse Regering voor over de gevraagde afwijking van de equivalentievoorwaarde :

1° uiterlijk op 1 december van hetzelfde academiejaar in de volgende gevallen :

a) als de aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde betrekking heeft op de afbouw/stopzetting van een bestaande equivalente opleiding;

b) als de aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding;

2° uiterlijk op 15 april van hetzelfde academiejaar als de aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met de aanvraag van een nieuwe initiele bachelor- of masteropleiding.

§ 3. De Vlaamse Regering neemt op basis van het advies van de Commissie Hoger Onderwijs een beslissing over de afwijking op de equivalentievoorwaarde :

1° uiterlijk op 15 januari van hetzelfde academiejaar, vermeld in de gevallen opgesomd in paragraaf 2, 1°;

2° uiterlijk op 15 mei van het hetzelfde academiejaar als de aanvraag tot vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met de aanvraag van een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding.

Indien de Vlaamse Regering geen beslissing neemt op de in deze paragraaf vastgestelde momenten, wordt de beslissing geacht negatief te zijn.

De Vlaamse Regering deelt deze beslissing mee aan het Vlaams Parlement.]

Decr. 25-4-2014

Art. II.265.

§ 1. In afwijking van artikel II.262, §2, kan het instellingsbestuur vrij initiële anderstalige bachelor- of masteropleidingen aanbieden enkel en alleen als het gaat om opleidingsprogramma's die specifiek in het kader van het International Course Programme van ontwikkelingssamenwerking voor buitenlandse studenten zijn ontworpen, of als het gaat om anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen die geselecteerd zijn overeenkomstig de bepalingen van een Europees programma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multidiplomering of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld [, ook wanneer de opleiding na afloop van de erkenning wordt voortgezet,] of als het gaat om onderzoeksmasters, vermeld in artikel II.157.

§ 2. In afwijking van artikel II.262, §2, kan de Vlaamse Regering een lijst opstellen van anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen of van anderstalige afstudeerrichtingen van initiële bachelor- of masteropleidingen die in het kader van een School of Arts worden aangeboden, waarbij niet moet voorzien worden in een equivalente opleiding.

§ 3. In afwijking van artikel II.262, §2, kan een instelling voor een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding die gezamenlijk wordt georganiseerd met een instelling buiten de Vlaamse Gemeenschap een afwijking van de equivalentieregel vragen bij de Vlaamse Regering. De instelling dient daartoe een aanvraag in uiterlijk op 1 maart van het academiejaar voorafgaand aan het academiejaar dat de instelling de gezamenlijke anderstalige opleiding voor het eerst wil organiseren. In het aanvraagdossier geeft de instelling duidelijk aan dat de gezamenlijke anderstalige opleiding een gezamenlijk programma bevat, bekrachtigd wordt met een gezamenlijk diploma en dat de expertise van de opleidingsonderdelen die buiten de Vlaamse Gemeenschap georganiseerd worden, niet in Vlaamse Gemeenschap aanwezig is. De Vlaamse Regering neemt een beslissing uiterlijk op 1 juni van hetzelfde academiejaar.

Decr. 17-6-2016

Afdeling 3. Anderstalig aanbod

Art. II.266.

§ 1. Anderstalige initiële bacheloropleidingen kunnen aangeboden worden binnen een maximumpercentage van 6%, berekend op alle initiële bacheloropleidingen, rekening houdend met de in dit artikel bepaalde voorschriften.

Anderstalige initiële masteropleidingen kunnen aangeboden worden binnen een maximumpercentage van 35%, berekend op alle initiële masteropleidingen, rekening houdend met de in dit artikel bepaalde voorschriften.

Bij de bepaling van de breuk wordt geen rekening gehouden met de opleidingen, vermeld in artikel II.265.

Bij de bepaling van de breuk wordt voor een opleiding die door een instelling aangeboden wordt in verschillende vestigingen, het aantal vestigingen waar de opleiding aangeboden wordt, zowel geteld in de teller als in de noemer.

Bij de bepaling van de noemer van de breuk worden gezamenlijk georganiseerde opleidingen slechts eenmaal geteld.

Bij de bepaling van de teller van de breuk wordt voor de anderstalige initiële bacheloropleidingen rekening gehouden met :

1° de anderstalige initiële bacheloropleidingen, als vermeld in artikel II.261, §3;

2° de in het academiejaar 2012-2013 aangeboden anderstalige bacheloropleidingen met taalequivalent, voor zover deze nog aangeboden worden in het desbetreffende academiejaar;

3° de initiële bacheloropleidingen die overeenkomstig artikel II.268 beschouwd worden als een anderstalige initiële bacheloropleiding.

Bij de bepaling van de teller van de breuk wordt voor de anderstalige initiële masteropleidingen rekening gehouden met :

1° de anderstalige initiële masteropleidingen, als vermeld in artikel II.261, §3;

2° de in het academiejaar 2012-2013 aangeboden anderstalige masteropleidingen met taalequivalent, voor zover deze nog aangeboden worden in het desbetreffende academiejaar;

3° de in het academiejaar 2012-2013 aangeboden anderstalige initiële masteropleidingen, als vermeld in paragraaf 2, voor zover deze nog aangeboden worden in het desbetreffende academiejaar;

4° de initiële masteropleidingen die overeenkomstig artikel II.268 beschouwd worden als een anderstalige initiële masteropleiding.

§ 2 De Vlaamse Regering bepaalt het percentage van de omvang aan opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands in de in het academiejaar 2012-2013 aangeboden initiële masteropleidingen als voorwaarde om als anderstalige initiële masteropleiding beschouwd te worden voor de toepassing van de bepaling van het maximumpercentage van 35%. Het vast te stellen percentage ligt tussen 50% en 66%.

Afdeling 4. Postinitiële opleidingen

Art. II.267.

De instelling bepaalt vrij de onderwijstaal in de bachelor-na-bacheloropleidingen, de master-na-masteropleidingen, de postgraduaatsopleidingen en in de onderwijs- en andere studieactiviteiten die in het kader van permanente vorming als nascholing of bijscholing worden georganiseerd.

Afdeling 5. Monitoring van het anderstalige aanbod

Art. II.268.

§1. De Vlaamse Regering maakt jaarlijks een evaluatie van :

1° de verhouding van de omvang van het aantal aangeboden anderstalige opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, ten opzichte van de totale omvang van het aantal aangeboden opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in de niet-anderstalige initiële bachelor- en masteropleidingen;

2° het aandeel van de omvang van anderstalige opleidingsonderdelen, uitgedrukt in studiepunten, in het gevolgde opleidingstraject van afgestudeerden in de niet-anderstalige initiële bachelor- en masteropleidingen.

§ 2. Als uit de evaluatie, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat meer dan 33% van het aantal afgestudeerden in een niet-anderstalige initiële bachelor- c.q. masteropleiding meer dan 18,33% c.q. 50% van hun studiepunten verworven hebben in opleidingsonderdelen in een andere taal dan het Nederlands, dan wordt deze opleiding beschouwd als een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding.

Als uit de evaluatie, vermeld in paragraaf 1, blijkt dat gedurende 2 opeenvolgende academiejaren ten minste 25% en ten hoogste 33% van het aantal afgestudeerden in een niet-anderstalige initiële bachelor- c.q. masteropleiding meer dan 18,33% c.q. 50% van hun studiepunten verworven hebben in opleidingsonderdelen in een andere taal dan het Nederlands, dan wordt deze opleiding beschouwd als een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding.

Voor de berekening van de grenzen van 18,33% c.q. 50% worden de opleidingsonderdelen vermeld in artikel II.261, §2, 1° en 3°, niet meegerekend.

§ 3. Vanaf het academiejaar volgend op het academiejaar waarin de resultaten van de evaluatie beschikbaar zijn, moet de instelling een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aanbieden. Deze equivalente opleiding komt gedurende 3 academiejaren niet in aanmerking als enige equivalente opleiding in de Vlaamse Gemeenschap, als vermeld in artikel II.262.

Van deze voorwaarde kan afgeweken worden als de Commissie Hoger Onderwijs, op basis van een aanvraag van de instelling, oordeelt dat een dergelijke curriculumopbouw in de toekomst niet langer mogelijk is.

De eerste evaluatie heeft betrekking op de afgestudeerden in het academiejaar 2013-2014 voor de masteropleidingen met een studieomvang van 60 studiepunten en op de afgestudeerden in het academiejaar 2014-2015 voor de masteropleidingen met een studieomvang van meer dan 60 studiepunten. Voor de bacheloropleidingen heeft de eerste evaluatie betrekking op de afgestudeerden in het academiejaar 2015-2016.

Art. II.269.

De Vlaamse Regering houdt een bestand bij van het aantal initiële bachelor- en masteropleidingen en van het aantal anderstalige initiële bachelor- en masteropleidingen. De Vlaamse Regering rapporteert daarover jaarlijks aan het Vlaams Parlement.

Afdeling 6. Voorwaarden inzake kwaliteit en democratisering

Art. II.270.

§ 1. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, moet de onderwijstaal waarin hij een opleidingsonderdeel doceert op adequate wijze beheersen.

Dit betekent dat het personeelslid die taal moet beheersen op het ERK-niveau C1. Dit vereiste beheersingsniveau van de onderwijstaal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de onderwijstaal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid [een diploma secundair onderwijs of ] een bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in de onderwijstaal waarin hij doceert, in een instelling waarin die taal de onderwijstaal is.

In afwijking van het tweede lid is voor een personeelslid dat doceert in een opleiding in het studiegebied Muziek en podiumkunsten of Audiovisuele en beeldende kunst de beheersing van het Frans of Engels op ERK-niveau B1 voldoende.

[Aan de voorwaarden vermeld in deze paragraaf moet voldaan zijn vóór 15 februari 2015.]

§ 2. Elk lid van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, dat geen opleidingsonderdelen in het Nederlands doceert, moet de Nederlandse taal beheersen op ERK-niveau B2. Aan die voorwaarde moet voldaan worden binnen 3 jaar na zijn aanstelling of op het moment van zijn benoeming. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt aangetoond aan de hand van kwalificatiegetuigschriften uitgereikt door officieel erkende instellingen waaruit blijkt dat het personeelslid de Nederlandse taal op het vereiste niveau beheerst. Het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal wordt vermoed aanwezig te zijn als het betrokken personeelslid een Nederlandstalig bachelor- of masterdiploma of doctoraat behaald heeft in een niet-anderstalige opleiding.

§ 3. De instellingen voorzien voor de leden van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel in aangepaste voorzieningen, waaronder een toegankelijk en behoeftedekkend aanbod van Nederlandstalige en anderstalige taalcursussen en taalbegeleidingsmaatregelen.

Decr. 25-4-2014

Art. II.271.

§ 1. Met behoud van de toepassing van het bepaalde in artikel II.193 en II.194, voorziet de instelling in de mogelijkheid dat studenten die een initiële bachelor- of masteropleiding volgen met anderstalige opleidingsonderdelen of een anderstalige initiële bachelor- of masteropleiding, hun taalkennis van deze andere taal kunnen testen.

De instelling voorziet in het opleidingsprogramma van initiële bachelor- of masteropleidingen met anderstalige opleidingsonderdelen of van anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen in taalbegeleidingsmaatregelen. Deze taalbegeleidingsmaatregelen kunnen bestaan uit :

1° taalopleidingsonderdelen (met inbegrip van taalvakken) die aangeboden worden binnen het pakket van verplichte opleidingsonderdelen of als een verplicht keuzevak;

2° taalbegeleidingsmaatregelen die geïntegreerd worden in de anderstalige opleidingsonderdelen. Deze taalbegeleidingsmaatregelen voorzien in een actieve begeleiding van de studenten en zijn als dusdanig voor de studenten duidelijk herkenbaar in het opleidingsonderdeel.

Van deze voorwaarde kan afgeweken worden in de volgende gevallen :

1° als in het geval van een aansluitende masteropleiding de taalbegeleidingsmaatregelen opgenomen zijn in de voorafgaande bacheloropleiding;

2° als in het geval van een niet-aansluitende masteropleiding de taalbegeleidingsmaatregelen opgenomen zijn in het voorbereidingsprogramma of in het schakelprogramma.

§ 2. De instellingen voorzien voor studenten in aangepaste voorzieningen, waaronder een kosteloos toegankelijk en behoeftedekkend aanbod van Nederlandstalige en anderstalige taalcursussen en taalbegeleidingsmaatregelen. §3. Studenten hebben het recht over een opleidingsonderdeel waarin een andere onderwijstaal dan het Nederlands wordt gebruikt en waarvoor in dezelfde opleiding geen equivalent in het Nederlands wordt gedoceerd, het examen in het Nederlands af te leggen, met uitzondering van de opleidingsonderdelen, vermeld in artikel II.261, §2, 1° en 3°. Deze regeling is niet van toepassing op anderstalige initiële bachelor- en masteropleidingen.

Art. II.272.

Het instellingsbestuur stelt een gedragscode op na raadpleging van de studenten en legt een taalregeling vast voor studenten en docenten in het onderwijs- en examenreglement.

[Hoofdstuk 9. Evaluatie

Art. II.272/1.

De Vlaamse Regering evalueert elke vijf jaar de wijze waarop de associaties en instellingen omgaan met de kwaliteitsborging van hun EVC/EVK-procedures en de vrijstellingsprocedures. De Vlaamse Regering werkt de nodige maatregelen uit om die evaluatie uit te voeren.

De kwaliteitsborging heeft betrekking op de transparantie, toegankelijkheid, betrouwbaarheid en regelmatigheid van de gehanteerde procedures en methoden.

De uitkomsten van de evaluatie worden samengebracht in een openbaar verslag.

Elk bestuur geeft gevolg aan de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling in zijn beleid.

Art. II.272/2.

De Vlaamse Regering voert elke vijf jaar een evaluatie uit naar mogelijke vereenvoudigingen in de regelgeving op het hoger onderwijs.

De uitkomsten van de evaluatie worden samengebracht in een openbaar verslag.]

Decr. 21-3-2014

TITEL 5. Rechtspositie en medezeggenschap van de student

Hoofdstuk 1. Aard van de rechtspositie

Art. II.273.

§ 1. Het bestuur en de student sluiten door de inschrijving een toetredingsovereenkomst.

Het bestuur bezorgt het e-mailadres dat de student bij de instelling heeft aan de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap.

§ 2. Het bestuur bepaalt en wijzigt de algemene voorwaarden van de overeenkomst, met inachtname van de participatierechten van de studentenraad, zoals bedoeld in Hoofdstuk 4, van deze titel.

Deze algemene voorwaarden worden vastgelegd in :

1° het onderwijs- en examenreglement;

2° de rechtspositieregeling van de student, waarin ten minste worden opgenomen :

a) de wederzijdse rechten en plichten van het bestuur en de student en de gevolgen van de niet-naleving daarvan,

b) de wegwijsinformatie bedoeld in artikel 29, §1, van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.

Art. II.274.

Het bestuur, of enig orgaan dat werkt onder de verantwoordelijkheid van het bestuur, treedt bij het nemen van een studievoortgangsbeslissing op als openbare dienst, die in een reglementaire verhouding staat tot de student.

Hoofdstuk 2. Algemene rechtsbeginselen

Art. II.275.

Het bestuur waarborgt ten aanzien van de studenten de beginselen die in dit hoofdstuk worden vastgelegd.

Art. II.276.

§ 1. De studenten worden gelijk behandeld.

§ 2. Besturen nemen, gezamenlijk of individueel, maatregelen om de toegankelijkheid van het hoger onderwijs - in materiële en immateriële zin - te waarborgen ten aanzien vanstudenten uit objectief af te bakenen bevolkingsgroepen waarvan de deelname aan het hoger onderwijs beduidend lager is dan deze van andere bevolkingsgroepen.

Besturen beschikken daarbij over de mogelijkheid om maatregelen van corrigerende ongelijkheid te nemen of te handhaven, voor zover deze maatregelen :

1° van tijdelijke aard zijn en verdwijnen wanneer het in het eerste lid vooropgestelde doel is bereikt, en

2° geen onnodige beperking van andermans rechten inhouden.

§ 3. Studenten met functiebeperkingen hebben recht op redelijke aanpassingen.

Studenten met functiebeperkingen zijn studenten met langdurige fysieke, mentale of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met andere studenten te participeren aan het hoger onderwijs.

Een aanpassing is een concrete maatregel, van materiële of immateriële aard, die de beperkende invloed van een onaangepaste omgeving op de participatie van een persoon met een functiebeperking neutraliseert. Als een redelijke aanpassing wordt beschouwd, de aanpassing die geen disproportionele belasting betekent. Een beslissing tot weigering van de gevraagde aanpassingen kan gemotiveerd zijn op grond van een door de instelling gemaakte afweging dat de gevraagde aanpassing afbreuk doet aan de mogelijkheid de essentiële leerresultaten van de opleiding te bereiken.

De criteria voor de afweging van disproportionaliteit zijn conform artikel 2, §2 en §3, van het protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België krachtens de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.

Art. II.277.

Het bestuur treedt ten aanzien van de studenten op als bestuursinstantie voor wat betreft de toepassing van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.

Art. II.278.

De studenten worden behandeld zonder vooringenomenheid.

Het bestuur voorkomt dat personen die een persoonlijk belang hebben bij een beslissing inzake een bepaalde student de besluitvorming beïnvloeden.

Art. II.279.

Het bestuur stelt een ombudsdienst in die onder de voorwaarden bepaald in het onderwijs- en examenreglement een bemiddelende rol opneemt bij geschillen tussen een student en 1 of meerdere personeelsleden.

De geschillen houden verband met :

1° de toepassing van het onderwijs- en examenreglement en/of de rechtspositieregeling van de student;

2° als onbillijk ervaren handelingen en toestanden.

Art. II.280.

Een student heeft bij een tuchtprocedure het recht op :

1° de mededeling van de aard van de jegens hem overwogen maatregelen en van de gronden waarop deze zijn gebaseerd;

2° inzage in het volledige dossier;

3° een redelijke termijn om een mondeling of schriftelijk verweer voor te bereiden en naar voor te brengen;

4° bijstand door een raadsman.

Art. II.281.

Eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die beogen rechtsgevolgen te hebben voor 1 of meer studenten vermelden in de akte de juridische en feitelijke overwegingen waarop zij zijn gegrond. Deze motivering moet afdoende zijn.

Hoofdstuk 3. Rechtsbescherming bij studievoortgangsbeslissingen

Afdeling 1. Materiële vergissingen

Art. II.282.

Het onderwijs- en examenreglement bepaalt de wijze waarop studievoortgangsbeslissingen worden herzien, wanneer deze zijn aangetast door materiële vergissingen die worden vastgesteld binnen een vervaltermijn van 10 kalenderdagen na de dag waarop deze zijn genomen.

Afdeling 2. Intern beroep.

Art. II.283.

De student die oordeelt dat een ongunstige studievoortgangsbeslissing aangetast is door een schending van het recht, heeft toegang tot een interne beroepsprocedure, waarvan de vormen zijn vastgelegd in het onderwijs- en examenreglement.

De student stelt een verzoek tot heroverweging van de studievoortgangsbeslissing in binnen een vervaltermijn van [7] kalenderdagen, die ingaat op :

1° in het geval van een examenbeslissing : de dag na deze van de proclamatie;

2° in het geval van een andere studievoortgangsbeslissing : [de dag na de kennisgeving van de genomen beslissing aan de student].

Decr. 17-6-2016

Art. II.284.

De interne beroepsprocedure leidt tot :

1° de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid ervan;

2° een beslissing die de oorspronkelijke beslissing op gemotiveerde wijze bevestigt, of herziet.

De in het eerste lid bedoelde beslissingen worden aan de student ter kennis gebracht binnen een termijn van [20] kalenderdagen, die ingaat op de dag na deze waarop het beroep is ingesteld.

Decr. 17-6-2016

Afdeling 3. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen

Onderafdeling 1. Algemeen

Art. II.285.

Er wordt een Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, verder "de Raad" genoemd, opgericht bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap.

De Raad doet als administratief rechtscollege uitspraak over de beroepen die door studenten of personen op wie de beslissing betrekking heeft, worden ingesteld tegen studievoortgangsbeslissingen, na uitputting van de in afdeling 2 bedoelde interne beroepsprocedure. [De Raad doet als administratief rechtscollege uitspraak over de verzoeken die studenten in uitvoering van artikel II.204 rechtstreeks bij hem indienen om hun leerkrediet aan te passen omdat ze zich in een overmachtsituatie bevonden en de instelling voor hen geen aangepaste examenregeling heeft geboden.]

De beslissingen genomen door het instellingsbestuur en door de stuurgroep Databank Hoger Onderwijs op grond van de procedure bedoeld in artikel IV.93, kunnen worden aangevochten voor de Raad. De Raad beoordeelt of de bestreden vermeldingen in overeenstemming zijn met de decretale en reglementaire bepalingen en, desgevallend, met de van toepassing zijnde onderwijs- en examenreglementen. De behandeling van een verzoekschrift ter zake door de Raad leidt tot de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of ongegrondheid ervan, of tot de gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen beslissing. In dat laatste geval brengt het instellingsbestuur of de door de stuurgroep aangewezen persoon de bestreden vermelding onverwijld in overeenstemming met de dragende redenen die hebben geleid tot de uitspraak van de Raad.

Personen die nog niet ingeschreven zijn aan een instelling voor hoger onderwijs kunnen tegen een beslissing over een aanvraag om vrijstelling op grond van EVK's of van een bewijs van bekwaamheid maar 1 keer een beroep instellen bij de Raad ingeval ze in een periode van 4 jaar een aanvraag met dezelfde of vergelijkbare strekking hebben ingediend bij meerdere instellingen. Een dergelijk beroep dat een tweede keer is ingesteld, is onontvankelijk.

Decr. 21-3-2014

Art. II.286.

De Vlaamse Regering bepaalt de zetel van de Raad.

Onderafdeling 2. Samenstelling

Art. II.287.

§ 1. De Raad is samengesteld uit volgende leden :

1°één werkend en [minimaal] 2 plaatsvervangende voorzitters;

2° twee werkende en [minimaal] 4 plaatsvervangende bijzitters.

Elk van de plaatsvervangende bijzitters mag elk van de werkende bijzitters vervangen. [In functie van de werkbelasting van de Raad kan de Vlaamse Regering bijkomende plaatsvervangende leden benoemen.]

§ 2. De voorzitter is een jurist met een grondige kennis van het hoger onderwijs. De bijzitters zijn op het ogenblik van hun benoeming ten minste 5 jaar belast met een opdracht als lid van het academisch of onderwijzend personeel van een instelling.

Decr. 17-6-2016

Art. II.288.

§ 1. De Vlaamse Regering benoemt de leden.

De bijzitters worden benoemd op gezamenlijke voordracht van de Vlaamse Interuniversitaire Raad en de Vlaamse Hogescholenraad. Deze voordracht voorziet in een billijk evenwicht tussen de universiteiten en de hogescholen en tussen de officiële en de vrije instellingen.

§ 2. Het mandaat van de leden heeft een duur van 6 jaar. Het is hernieuwbaar.

§ 3. Ten hoogste twee derden van de door de Vlaamse Regering benoemde leden mag van hetzelfde geslacht zijn. Dit quotum [wordt berekend op het aantal leden voorzitters en bijzitters afzonderlijk] en zonder onderscheid op de werkende en plaatsvervangende leden van de Raad. Ingeval de in paragraaf 1 bepaalde voordrachtprocedure het niet mogelijk maakt om aan de verplichting te voldoen binnen een periode van drie maanden na het vacantverklaren van het mandaat dan kan de Vlaamse Regering, op voordracht van de minister onder wiens bevoegdheid de Raad functioneert, zelf een lid benoemen of op basis van de motivering van de voordrachtinstantie een afwijking toestaan op grond van de aanspraken en verdiensten van de voorgedragen kandidaat van het andere geslacht.

Bij een hernieuwing van 1 of meer mandaten wordt, zolang het quotum niet gerealiseerd is, een kandidaat van het ondervertegenwoordigde geslacht aangewezen.

Ingeval leden verhinderd zijn om effectief te zetelen volgens de vooropgestelde quota omwille van niet beschikbaarheid of andere onverenigbaarheden, kan de zitting van de Raad wel doorgaan om de continuïteit en een snelle rechtsbedeling niet te verhinderen.

Decr. 25-4-2014

Art. II.289.

§ 1. De leden kunnen op ieder moment ontslag nemen.

De Vlaamse Regering kan een lid slechts ontslaan in geval van grove nalatigheid of kennelijk wangedrag.

§ 2. Totdat in hun vervanging is voorzien blijven de leden hun functie uitoefenen, behoudens in het geval van een door de Vlaamse Regering gegeven ontslag.

Art. II.290.

De Vlaamse Regering stelt onder de ambtenaren van de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap de secretaris van de Raad aan.

Onderafdeling 3. Bevoegdheid

Art. II.291.

De Raad beoordeelt of studievoortgangsbeslissingen in overeenstemming zijn met :

1° de decretale en reglementaire bepalingen en het onderwijs- en examenreglement;

2° de algemene administratieve beginselen.

De Raad stelt zijn appreciatie betreffende de waarde van een kandidaat niet in de plaats van die van het bestuur of enig orgaan dat werkt onder de verantwoordelijkheid van het bestuur.

Art. II.292.

§ 1. De behandeling van het verzoekschrift door de Raad leidt tot :

1° de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of de ongegrondheid ervan, of;

2° de gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen studievoortgangsbeslissing, in welk geval de Raad het bestuur kan bevelen een nieuwe beslissing te nemen, onder door de Raad te stellen voorwaarden. Deze voorwaarden kunnen inhouden dat :

a) een nieuwe examen(tucht)beslissing afhankelijk wordt gemaakt van de organisatie van een nieuw examen of een onderdeel daarvan. De Raad kan de termijn en de materiële voorwaarden bepalen waaronder deze organisatie moet gebeuren;

b) een nieuwe beslissing houdende toekenning van een bewijs van bekwaamheid in voorkomend geval afhankelijk wordt gemaakt van de organisatie van een nieuw bekwaamheidsonderzoek of een onderdeel daarvan. De Raad kan de termijn en de materiële voorwaarden bepalen waaronder deze organisatie moet gebeuren,

c) welbepaalde onregelmatige of onredelijke motieven bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing niet worden betrokken;

d) welbepaalde regelmatige en redelijke motieven bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing kennelijk in ogenschouw moeten worden genomen.

In het geval bedoeld onder het eerste lid, 2°, kan de Raad, zo hij dit op grond van de aangedragen feiten kennelijk noodzakelijk acht, bevelen dat de verzoeker in afwachting van een nieuwe beslissing voorlopig ingeschreven wordt, alsof geen nadelige studievoortgangsbeslissing was genomen.

Bij de behandeling van een verzoekschrift dat als voorwerp een studievoortgangsbeslissing heeft zoals bepaald in artikel I.3, 67°, i), oordeelt de Raad of er in voorkomend geval al dan niet sprake is van een niet remedieerbare overmacht en de onmogelijkheid om voor de betrokken student om organisatorische redenen een aangepaste examenregeling uit te werken.

[De termijn voor het nemen van een nieuwe beslissing overeenkomstig het eerste lid, 2°, bedraagt ten minste 7 kalenderdagen.]

§ 2. Na vernietiging van de onrechtmatig genomen studievoortgangsbeslissing door de Raad vervalt de verplichting om bij de aanvechting van een nieuwe ongunstige studievoortgangsbeslissing genomen in opvolging van de uitspraak van de Raad de interne beroepsprocedure uit te putten vooraleer een beroep in te stellen bij de Raad.

Decr. 17-6-2016

Art. II.293.

De Vlaamse Regering vermag aan de leden van de Raad op geen enkele wijze enige instructie te geven omtrent de wijze waarop zij de in deze onderafdeling bedoelde bevoegdheden uitoefenen.

Onderafdeling 4. Procedureverloop

Sectie 1. Aanhangigmaking

Art. II.294.

§ 1. De beroepen bij de Raad worden ingesteld binnen een vervaltermijn van [7] kalenderdagen, die ingaat de dag na die van [kennisgeving] van de in artikel II.284, eerste lid bedoelde beslissing.

De beroepen tegen een beslissing bedoeld in artikel I.3, 67°, h), worden bij de Raad ingesteld [...] uiterlijk de eenendertigste dag na de dag van een kennisgeving van de betrokken beslissing.

Bij het uitblijven van een tijdige beslissing van de interne beroepsinstantie binnen de termijn zoals bepaald in artikel II.284, tweede lid, dient in voorkomend geval het beroep bij de Raad binnen de vervaltermijn van [7] kalenderdagen na het verstrijken van deze termijn te worden ingesteld, tenzij vóór het verstrijken van de termijn waarover de interne beroepsinstantie beschikt, deze aan de student meedeelt op welke latere datum zij uitspraak zal doen. In dat geval gaat de vervaltermijn van [7] kalenderdagen voor het beroep bij de Raad in de dag na die datum.

Indien de [zevende] of dertigste dag van de in het eerste lid respectievelijk tweede lid bedoelde termijn een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag waarop de postdiensten open zijn.

Op de initiële studievoortgangsbeslissing vermeldt het instellingsbestuur naast de interne beroepsmodaliteiten de beroepstermijn van [7] kalenderdagen om een extern beroep in te stellen die ingaat na het uitblijven van een tijdige interne beroepsbeslissing zoals in het derde lid bepaald.

Voor de toepassing van het eerste lid, wordt voor wat betreft de transnationale Universiteit Limburg verstaan onder :

1° "de dag van [kennisgeving] van de in artikel II.284, eerste lid bedoelde beslissing"

a) bij ontstentenis van een interne beroepsprocedure : de dag van proclamatie in geval van een examenbeslissing, zoniet de dag waarop de student [ter kennis is gebracht] van de genomen beslissing;

b) indien een interne beroepsprocedure openstaat : de dag van [kennisgeving] van een beslissing na enig intern beroep;

2° "het verstrijken van de in artikel II.284, tweede lid bedoelde termijn" : het verstrijken van een redelijke termijn om een beslissing na intern beroep te nemen, zo een interne beroepsprocedure openstaat.

§ 2. De beroepen worden ingesteld bij wijze van verzoekschrift, waarin ten minste een feitelijke omschrijving is opgenomen van de ingeroepen bezwaren.

Het verzoekschrift wordt gedagtekend en, op straffe van onontvankelijkheid, ondertekend door de verzoeker of zijn raadsman.

Het verzoekschrift vermeldt :

1° de naam en de woonplaats van de verzoeker. Wanneer woonplaatskeuze wordt gedaan bij de raadsman van de verzoeker, wordt dit in het verzoekschrift aangegeven;

2° de naam en de zetel van het bestuur;

3° het voorwerp van het beroep.

§ 3. Het verzoekschrift wordt bij aangetekend schrijven overgemaakt aan de Raad. Een kopie van het verzoekschrift wordt tezelfdertijd bij aangetekend schrijven overgemaakt aan het bestuur.

Als datum van het beroep geldt de datum van postmerk.

Decr. 17-6-2016

Art. II.295.

§ 1. De verzoeker kan aan het verzoekschrift de overtuigingsstukken toevoegen die hij nodig acht. De verzoeker kan naderhand slechts bijkomende overtuigingsstukken aan het dossier laten toevoegen, voor zover deze bij de opmaak van het verzoekschrift nog niet aan de verzoeker bekend waren. De verzoeker bezorgt in dat geval onverwijld een kopie van de bijkomende overtuigingsstukken aan het bestuur.

§ 2. De overtuigingsstukken worden door de verzoeker gebundeld en op een inventaris ingeschreven.

Art. II.296.

Een onontvankelijk verzoekschrift kan lopende de beroepstermijn worden vervangen door een nieuw verzoekschrift, dat uitdrukkelijk de intrekking van het eerdere verzoekschrift bevestigt.

Art. II.297.

De secretaris schrijft elk inkomend beroep in op een register.

Sectie 2. Samenstelling van het dossier

Art. II.298.

§ 1. Na ontvangst van de kopie van het verzoekschrift stelt het bestuur de Raad en de verzoeker onverwijld in het bezit van de stukken op grond waarvan de beslissing is genomen.

Deze stukken omvatten ten minste :

1° een afschrift van de bestreden studievoortgangsbeslissing;

2° in voorkomend geval : de examenkopij(en) van of het stagerapport inzake de verzoeker, of het verslag van het bekwaamheidsonderzoek met het oog op de verwerving van een bewijs van bekwaamheid;

3° het dossier samengesteld naar aanleiding van het in artikel II.283, eerste lid, bedoelde intern beroep.

De stukken worden door het bestuur gebundeld en op een inventaris ingeschreven.

§ 2. Het bestuur geeft bij de overmaking van de stukken aan welke contactpersoon belast is met de administratieve opvolging van de procedure bij de Raad.

§ 3. Indien het bestuur de in paragraaf 1 bedoelde stukken niet onverwijld overmaakt, kan het door de voorzitter worden aangemaand om daartoe alsnog, binnen een gestelde termijn, over te gaan.

Indien het bestuur de stukken en inlichtingen niet of niet binnen de gestelde termijn overlegt, worden de door de verzoeker aangehaalde feiten als bewezen geacht, behoudens indien deze feiten kennelijk onjuist zouden zijn of worden tegengesproken door de door verzoeker overgelegde overtuigingsstukken.

[§ 4. Als het verzoek een aanpassing van het leerkrediet betreft, kan de Raad bij de betrokken instellingen van het hoger onderwijs informatie opvragen met het oog op de verificatie van de voorgelegde feiten.]

Decr. 21-3-2014

Art. II.299.

De secretaris is onder het gezag van de voorzitter belast met de samenstelling van het dossier, dat naast de in artikel II.298, §1, bedoelde stukken tevens de overtuigingsstukken omvat die door de verzoeker bij het verzoekschrift werden gevoegd.

Art. II.300.

Zodra het dossier is samengesteld, wordt dit door de secretaris via het meest gerede communicatiemiddel aan de partijen gemeld. De secretaris geeft het lokaal aan waar het dossier door de partijen en/of hun raadsman kan worden geraadpleegd.

Sectie 3. Onderzoek

Art. II.301.

De secretaris bezorgt de partijen na samenstelling van het dossier via het meest gerede communicatiemiddel :

1° een ontwerp van procedurekalender;

2° de datum, het uur en de plaats van de zitting van de Raad;

3° de samenstelling van de Raad.

Art. II.302.

§ 1. Het in artikel II.301, 1°, bedoelde ontwerp van procedurekalender stelt de termijn vast waarbinnen :

1° het bestuur in staat wordt gesteld een antwoordnota aan de Raad en aan de verzoeker voor te leggen;

2° de verzoeker in staat wordt gesteld een wederantwoordnota aan de Raad en aan het bestuur voor te leggen.

De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt voor elke partij ten minste [96] uur.

De secretaris en de partijen kunnen het ontwerp in onderling overleg wijzigen. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, wordt het ontwerp van procedurekalender definitief.

§ 2. De definitief vastgestelde procedurekalender wordt bij aangetekend schrijven aan de partijen overgemaakt.

§ 3. De antwoordnota en de wederantwoordnota worden aan de Raad en aan de tegenpartij bezorgd via het meest gerede communicatiemiddel.

Een buiten de gestelde termijn aan de Raad overgemaakte antwoordnota of wederantwoordnota wordt uit de verdere procedure geweerd.

Decr. 17-6-2016

Art. II.303.

§ 1. De partijen kunnen 1 of meer leden schriftelijk en op gemotiveerde wijze wraken vóór de aanvang van de zitting, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan. De voorzitter, of, zo deze wordt gewraakt, de plaatsvervangende voorzitter, doet onmiddellijk uitspraak over het verzoek tot wraking. Zo het verzoek wordt ingewilligd, neemt de plaatsvervanger de plaats in van het gewraakte lid.

Het lid dat weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden.

§ 2. De redenen tot wraking zijn de volgende :

1° de redenen bedoeld in artikel 828, 829, tweede lid en 830 van het Gerechtelijk Wetboek;

2° de hoedanigheid van lid van een in artikel 24, §4 van de Grondwet bedoelde rechtspersoon verantwoordelijk voor de universiteit of de hogeschool waaraan de kwestieuze beslissing werd genomen.

Art. II.304.

De partijen kunnen schriftelijk en op gemotiveerde wijze vragen dat bepaalde getuigen door de Raad worden ondervraagd. De Raad beslist soeverein over de toelaatbaarheid van een getuigenverhoor en maakt van zijn beslissing melding in de uitspraak.

Sectie 4. Zitting en uitspraak

Art. II.305.

De voorzitter leidt de zitting.

De zittingen zijn openbaar, behoudens indien de voorzitter, al dan niet op verzoek van de partijen of 1 ervan, oordeelt dat gewichtige redenen aanwezig zijn die zich tegen de openbaarheid van de hoorzitting verzetten.

Het verzoek wordt op tegenspraak behandeld.

De partijen pleiten in elkaars aanwezigheid.

De voorzitter ondervraagt desgevallend de door de partijen opgeroepen getuigen. De voorzitter sluit de debatten na de pleidooien en in voorkomend geval na de wederantwoorden.

Art. II.306.

[§ 1.] Bij regelmatige oproeping belet de afwezigheid van de partijen of 1 ervan de geldigheid van een zitting niet.

[§ 2. In afwijking van artikel II.301, artikel II.302 en artikel II.305 verloopt de procedure voor een rechtstreeks beroep betreffende de in artikel II.285, tweede lid bedoelde aanpassing van het leerkrediet bij overmachtsituaties, na mededeling van een vereenvoudigde procedurekalender louter schriftelijk en volgt er geen concrete oproeping van de partijen tenzij de raad het noodzakelijk acht voor de behandeling van de zaak of tenzij één van de partijen uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoekt om gehoord te worden.

De raad oordeelt onverwijld bij beschikking van de voorzitter of gevolg moet gegeven worden aan het verzoek.]

Decr. 25-4-2014

Art. II.307.

De Raad beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over zijn uitspraken.

De uitspraken van de Raad zijn openbaar.

De Raad antwoordt in de uitspraken op alle opmerkingen van de partijen die de aan het geschil te geven oplossing kunnen beïnvloeden.

De uitspraak van de Raad wordt bij het secretariaat ter beschikking gesteld van de partijen op de eerstvolgende werkdag na de zitting, behoudens een andersluidende beslissing van de Raad. Deze terbeschikkingstelling geldt als enige kennisgeving van de uitspraak aan alle partijen. De uitspraak van de Raad wordt ook nog elektronisch meegedeeld aan de partijen op de eerste werkdag volgend op de zitting van de Raad, behoudens een andersluidende beslissing van de Raad.

Art. II.308.

De uitspraken van de Raad wordt uitgebracht binnen een ordetermijn van [20] kalenderdagen, die ingaat de dag na die waarop het beroep is ingeschreven op het in artikel II.297 bedoelde register.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden de uitspraken van de Raad in beroepen tegen een beslissing bedoeld in artikel I.3, 67°, h), uitgebracht binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen.

Decr. 17-6-2016

Onderafdeling 5. Bijstand door een raadsman

Art. II.309.

De partijen kunnen zich bij een procedure voor de Raad laten bijstaan door een raadsman.

De raadsman legt ten laatste ter zitting een schriftelijke machtiging voor, behoudens indien :

1° de raadsman ingeschreven is als advocaat of als advocaat-stagiair, of

2° de raadsman samen met de betrokken partij ter zitting verschijnt.

Onderafdeling 6. Schorsing van de werkzaamheden

Art. II.310.

Ten aanzien van beroepen die in juli of augustus worden ingeschreven op het in artikel II.297 bedoelde register, kan een bestuur de Raad verzoeken rekening te houden met een gestaafde onderbezetting van de instelling ten gevolge van de jaarlijkse vakantie van het personeel.

Zo de Raad de onderbezetting gestaafd acht :

1° schorst hij gedurende ten hoogste 21 kalenderdagen de in artikel II.308 bedoelde termijn, of

2° verstrijkt de overeenkomstig artikel II.292, §1, eerste lid, 2°, a) door de Raad te bepalen termijn niet eerder dan op de dag na deze waarop voldoende personeelsleden aanwezig zijn om een examencommissie opnieuw op rechtmatige wijze samen te stellen.

Onderafdeling 7. Uitvoeringsmachtiging

Art. II.311.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de leden van de Raad en de secretaris worden vergoed.

Zij kan nadere regelen bepalen omtrent de formaliteiten die door de partijen bij procedures voor de Raad moeten worden vervuld, zonder dat deze op enigerlei wijze kunnen leiden tot de onontvankelijkheid van een beroep.

Art. II.312.

De nadere werkingsregelen van de Raad worden vastgelegd in een huishoudelijk reglement.

Onderafdeling 8. Publicatie van de uitspraken

Art. II.313.

Onder het gezag van de Raad voorziet de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap in de [...] publicatie van de uitspraken op de website van de dienst en in een jaarlijks verslagboek.

[Bij publicatie van de uitspraak wordt de identiteit van de student als procespartij, op diens uitdrukkelijk verzoek, weggelaten.]

Decr. 17-6-2016

Hoofdstuk 4. Studentenraad

Afdeling 1. Oprichting

Art. II.314.

§ 1. Het bestuur ziet toe op de oprichting van een studentenraad op het niveau van de associatie, respectievelijk de instelling.

§ 2. De studentenraad op het niveau van de instelling kan beslissen dat participatiecommissies worden opgericht op het niveau van andere onderdelen van de instelling. Ten minste voor wat betreft de adviesorganen op het opleidingsniveau wordt studentenparticipatie geregeld zodat de studenten minstens een derde van de stemmen binnen dit orgaan hebben. Wanneer onvoldoende studenten bereid gevonden worden om er deel van uit te maken, kan het adviesorgaan toch functioneren.

De samenstelling en de functioneringswijze van de participatiecommissies worden vastgelegd in het in artikel II.332 bedoelde participatiereglement.

Afdeling 2. Voorbereidende maatregelen

Art. II.315.

§ 1. De oprichting van een studentenraad wordt begeleid door een forum dat is samengesteld uit :

1° in de associaties : een gelijk aantal afgevaardigden van het bestuur en van de verkozen studenten die zetelen in organen van de partners bij de associatie;

2° in de instellingen : een gelijk aantal afgevaardigden van het bestuur en van de bestaande studentenraad, of, bij gebreke daaraan, van de verkozen studenten die zetelen in een orgaan van de instelling.

§ 2. Bij wijze van overgangsmaatregel bepaalt het forum de regelen bedoeld in artikel II.316, §1, tweede lid, II.317, §1, tweede lid, en II.318. Het forum beslist daartoe op grond van een volstrekte meerderheid van stemmen binnen het bestuur, enerzijds, en de afgevaardigden van de verkozen studenten, respectievelijk de studentenraad, anderzijds.

Bij wijze van overgangsmaatregel maakt de studentendelegatie in het forum de keuze bedoeld in artikel II.327, §1, tweede lid.

§ 3. Het bestuur draagt er zorg voor dat de in paragraaf 1 bedoelde afgevaardigden op de hoogte zijn van het organigram van de associatie, respectievelijk de instelling en van de allocatie van bevoegdheden.

Afdeling 3. Samenstelling

Art. II.316.

§ 1. De studentenraad bestaat uit leden, die worden verkozen door en onder de studenten behorende tot de associatie, respectievelijk de instelling.

De studentenraad bepaalt het aantal leden, dat ten minste 8 bedraagt.

§ 2. Studenten die op het ogenblik waarop zij als stemgerechtigd lid worden aangeduid in het bestuur niet behoren tot de studentenraad, worden van rechtswege met stemrecht in deze studentenraad opgenomen.

Het overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid, bepaalde aantal leden wordt voor de berekening van aanwezigheidsquora en stemverhoudingen met de in het eerste lid bedoelde studenten uitgebreid.

Art. II.317.

§ 1. De verkiezingen worden georganiseerd door het bestuur in samenspraak met de studentenraad. Zij zijn gespreid over meerdere dagen.

De studentenraad legt de nadere kiesprocedure vast. De procedure waarborgt ten minste de verkiezing van een redelijk aantal plaatsvervangers voor de effectieve leden van de studentenraad. De procedure kan door middel van kieskringen waarborgen dat in de studentenraad studenten zijn vertegenwoordigd vanuit de verschillende partners bij de associatie, respectievelijk de onderscheiden onderverdelingen van de instelling.

§ 2. Indien minder dan 10% van het totaal aantal studenten aan de verkiezing heeft deelgenomen, wordt de studentenraad op grond van de verkiezingsuitslag samengesteld, waarbij evenwel volgende bevoegdheden en prerogatieven worden opgeschort tot de volgende verkiezingen :

1° in de associaties en instellingen waarvan het bestuur (een) stemgerechtigde afgevaardigde(n) van de studentenraad bevat : het stemrecht van deze afgevaardigde(n). In voorkomend geval word(t)(en) de afgevaardigde(n) meegerekend bij de bepaling van het aanwezigheidsquorum, doch niet bij de bepaling van het stemmenaantal;

2° in de overige associaties en instellingen : de bepalingen van artikel II.323 tot en met II.326 en de bepalingen van artikel II.328.

Het bestuur bepaalt voor de toepassing van het eerste lid de wijze en het tijdstip waarop het aantal studenten wordt berekend.

Art. II.318.

De studentenraad bepaalt de duur van het mandaat van de verkozen leden en, desgevallend, de wijze waarop de studentenraad periodiek geheel of gedeeltelijk opnieuw wordt samengesteld.

De studentenraad bepaalt in welke gevallen de effectieve leden van de studentenraad vervangen worden door plaatsvervangers en op welke wijze een begonnen mandaat, bij vroegtijdige beëindiging ervan, volgemaakt wordt door een plaatsvervanger.

De studentenraad kan de hoedanigheden bepalen waarmee het lidmaatschap van de studentenraad onverenigbaar is.

Afdeling 4. Bevoegdheden en prerogatieven

Art. II.319.

De bevoegdheden en prerogatieven bedoeld in deze afdeling kunnen in voorkomend geval worden uitgeoefend door de in artikel II.314, §2, bedoelde participatiecommissies, voor wat betreft aangelegenheden die zich situeren op het niveau van het betrokken onderdeel van de instelling.

Art. II.320.

De bevoegdheden en prerogatieven bedoeld in artikel II.323 tot en met II.326 worden niet uitgeoefend ten aanzien van het bestuur waarvan ten minste 10 % van de leden bestaat uit stemgerechtigde studenten.

Art. II.321.

De studentenraad verdedigt de belangen van de studenten en heeft ten behoeve van alle studenten een informatieplicht over de wijze waarop hij zijn bevoegdheden uitoefent.

Art. II.322.

De studentenraad kan uit eigen beweging een schriftelijk advies uitbrengen over alle aangelegenheden die studenten aanbelangen.

Het bestuur brengt na ontvangst van een advies omtrent in artikel II.323 of II.325 bedoelde aangelegenheden een met redenen omklede schriftelijke reactie uit in de vorm van een voorstel.

Art. II.323.

Het bestuur beraadslaagt met de studentenraad over de vastlegging van elk ontwerp van reglementaire bepaling inzake :

1° het vaststellen van de rechtspositieregeling van de student en van het onderwijs- en examenreglement;

2° de vaststelling en de besteding van de inschrijvingsgelden;

3° de uitwerking van initiatieven inzake studentenbegeleiding;

4° het vaststellen van de regelen inzake internationale studentenmobiliteit;

5° het bepalen van de organisatie van het academiejaar, met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling.

Art. II.324.

§ 1. De beraadslaging gebeurt rechtstreeks tussen bestuur en studentenraad, dan wel in de schoot van een in de instelling bestaande adviserende raad waarin naast afgevaardigden van de studentenraad andere onderwijs- en onderzoeksbetrokkenen zijn vertegenwoordigd en waarin de in artikel II.322 en II.324 bedoelde aangelegenheden gebruikelijk besproken worden.

§ 2. De beraadslaging leidt tot een akkoord of niet-akkoord tussen het bestuur en de studentenraad of hun afgevaardigden.

Een akkoord wordt uitgevoerd door het bestuur. In geval van niet-akkoord neemt het bestuur een eindbeslissing.

Art. II.325.

Het bestuur raadpleegt de studentenraad over elk ontwerp van reglementaire bepaling inzake :

1° het algemeen beleid inzake interne kwaliteitszorg;

2° het vaststellen van de regelen inzake de evaluatie van de onderwijsactiviteiten van het academisch, respectievelijk het onderwijzend personeel.

De studentenraad bij een universiteit wordt bijkomend geraadpleegd over elk ontwerp van reglementaire bepaling inzake sociale toelagen.

Art. II.326.

§ 1. De raadpleging gebeurt rechtstreeks, dan wel in de schoot van een in de instelling bestaande adviserende raad waarin naast afgevaardigden van de studentenraad andere onderwijs- en/of onderzoeksbetrokkenen zijn vertegenwoordigd en waarin de in de artikel II.323 en II.325 bedoelde aangelegenheden gebruikelijk besproken worden.

§ 2. De conclusies van de raadpleging worden neergelegd in een met redenen omkleed advies.

Het bestuur kan slechts op gemotiveerde wijze afwijken van het advies van de studentenraad. Deze motivering wordt binnen een termijn van 30 kalenderdagen meegedeeld aan de studentenraad. De termijn gaat in de dag na deze waarop de betrokken reglementaire bepaling wordt aangenomen.

Art. II.327.

§ 1. In associaties of instellingen waarvan het bestuur stemgerechtigde studenten omvat, worden deze studenten als volgt aangeduid :

1° door middel van rechtstreekse verkiezing, of

2° door middel van getrapte verkiezing, in welk geval de betrokken studenten worden verkozen door de leden van de studentenraad.

De keuze voor de wijze van aanduiding wordt gemaakt door de studentenraad.

§2. De bepalingen van paragraaf 1, eerste lid doen geen afbreuk aan :

1° artikel 10 van het bijzonder decreet van 26 juni 1991 betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen en de artikelen 6, 8° en 20, 3°, van het decreet houdende het statuut van de Universiteit Hasselt en de Hoge Raad voor het Hoger Onderwijs in Limburg;

2° artikel 12, artikel 17 en artikel 31, §3, derde lid, van het bijzonder decreet van 13 juli 2012 tot regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van sommige publiekrechtelijke hogescholen;

3° artikel 12, artikel 17 en artikel 31, §3, derde lid, van het bijzonder decreet van 13 juli 2012 tot regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van twee fusiehogescholen;

4° artikel 8, §1, eerste lid, 4° van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen;

5° artikel 12 en artikel 14 van het bijzonder decreet van 20 februari 2009 betreffende de Hogere Zeevaartschool;

6° de statuten van associaties en instellingen die de aanduiding van studenten in een bepaald bestuur op andersoortige wijze regelen, voor zover deze aanduiding gebeurt vanuit een ander bestuur dat wél overeenkomstig paragraaf 1 rechtstreeks of getrapt verkozen studenten omvat.

Art. II.328.

Indien een bestuur dat bevoegd is om uitvoerbare beslissingen te nemen met betrekking tot de in artikel II.323 of II.325 bedoelde aangelegenheden, geen stemgerechtigde studenten omvat, heeft de studentenraad het recht om ten minste 1 lid met raadgevende stem af te vaardigen naar dit bestuur, desgevallend onder de voorwaarden bepaald in het in artikel II.331 bedoelde participatiereglement.

De afgevaardigde van de studentenraad wordt uitgenodigd op de vergaderingen van het bestuur en wordt in het bezit gesteld van alle stukken.

Afdeling 5. Werking

Art. II.329.

De studentenraad duidt een voorzitter aan. De voorzitter kan buiten de leden van de studentenraad worden aangeduid, in welk geval hij niet stemgerechtigd is.

Art. II.330.

De studentenraad beslist slechts geldig indien de meerderheid van de leden aanwezig is. De nadere werking van de studentenraad wordt geregeld in een werkingsreglement, dat wordt vastgelegd bij volstrekte meerderheid van stemmen.

Art. II.331.

Het bestuur en de studentenraad nemen een participatiereglement bij volstrekte meerderheid van stemmen binnen het bestuur, enerzijds, en de studentenraad, anderzijds. Het participatiereglement kan opgenomen worden in het onderwijs- en examenreglement.

Art. II.332.

Het participatiereglement omvat :

1° de procedureregels die bij het uitoefenen van de participatierechten van de studentenraad in acht moeten worden genomen;

2° de wijze waarop geschillen over de uitvoering van artikel II.314 tot en met II.334 en artikel II.354 of over de interpretatie van een bepaling van het participatiereglement door middel van vormen van arbitrage of bemiddeling worden beslecht;

3° desgevallend de in artikel II.314, §2, tweede lid of II.391, §2, tweede lid, bedoelde regelen. Het participatiereglement kan aan de studentenraad bijkomende bevoegdheden toekennen.

Afdeling 6. Ondersteuning

Art. II.333.

Het bestuur kent aan de studentenraad de nodige infrastructurele, financiële of administratieve ondersteuning toe. De studentenraad dient daartoe een werkplan in.

Art. II.334.

§ 1. Het bestuur maakt in samenspraak met de studentenraad een statuut van studentenvertegenwoordiger op. Dat statuut bepaalt de nodige faciliteiten voor de studentenvertegenwoordigers in interne en externe raden en organen om een goede vertegenwoordiging te garanderen. Deze faciliteiten betreffen ten minste de wijze waarop in functie van de werking van deze raden en organen onderwijsactiviteiten en examens op flexibele wijze kunnen worden gepland en afgeweken kan worden, indien dit de goede werking van de studentvertegenwoordiging in het gedrang brengt, van de verplichte aanwezigheid, werk- en examenvormen en indiendata voor bepaalde opleidingsonderdelen.

§ 2. Het instellingsbestuur legt, in samenspraak met de studentenraad, een lijst vast met de mandaten waarvoor het statuut, vermeld in paragraaf 1, van toepassing is. Daarbij houdt zij ook rekening met mandaten op supra-instellingsniveau.

§ 3. Het instellingsbestuur stelt een ombudsdienst aan waar studentenvertegenwoordigers terechtkunnen indien hun rechten niet worden gerespecteerd.

Art. II.335.

De associatie verzekert de toepassing van de bepalingen betreffende de participatie inzake onderwijsaangelegenheden, vervat in artikel II.314 tot en met II.334 en artikel II.354.

Hoofdstuk 5. Studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Art. II.336.

Hogescholen en universiteiten bieden aan de studenten vermeld in artikel II.338 studentenvoorzieningen aan.

Art. II.337.

De studentenvoorzieningen hebben tot doel de gelijkwaardige toegang tot en de deelname van alle studenten aan het hoger onderwijs te bevorderen door de basisvoorwaarden bij het studeren te verbeteren. Ze streven dat doel na door materiële en immateriële hulp- en dienstverlening te bieden en door studiebelemmerende factoren weg te nemen.

Afdeling 2. Toegang tot studentenvoorzieningen

Art. II.338.

De studenten die met een diploma- of creditcontract ingeschreven zijn hebben binnen de bepalingen van dit hoofdstuk toegang tot de studentenvoorzieningen van de hogeschool of universiteit waar ze hun opleiding volgen.

De studenten die in het kader van internationale mobiliteit en uitwisselingen, een deel van hun opleiding in een Vlaamse universiteit of hogeschool volgen, maar daar niet ingeschreven zijn, hebben toegang tot studentenvoorzieningen die verbonden zijn aan de plaats waar ze dat onderdeel van hun opleiding volgen.

De cursisten in een hbo5-opleiding georganiseerd door een Centrum voor Volwassenenonderwijs en leerlingen in een hbo5-opleiding verpleegkunde georganiseerd door een instelling voor secundair onderwijs kunnen toegang hebben tot de sociale voorzieningen van de hogeschool, waarmee het betrokken Centrum voor Volwassenenonderwijs of de betrokken instelling voor secundair onderwijs een samenwerkingsovereenkomst met betrekking tot de betreffende hbo5-opleiding heeft afgesloten. Deze overeenkomst legt ten minste de afspraken vast over de afstemming op het vlak van curriculumontwikkeling, inzet van personeel, infrastructuur en kwaliteitszorg in die hbo5-opleidingen.

Art. II.339.

De toekenning van studentenvoorzieningen kan aan specifieke voorwaarden verbonden zijn. Die specifieke voorwaarden worden nader omschreven in het beleidsplan, vermeld in artikel IV.43 en worden aan de studenten medegedeeld bij de inschrijving.

Art. II.340.

De toegang tot studentenvoorzieningen kan op basis van het aantal studiepunten waarvoor een student zich inschrijft gedifferentieerd worden, als de student zich inschrijft voor minder dan 27 studiepunten per academiejaar en als hij niet in het jaar van zijn diplomering zit. Als een instelling differentieert, moet ze in haar beleidsplan vermeld in artikel IV.43, melding maken van de regels die ze daarbij hanteert.

Art. II.341.

Als een student als vermeld in artikel II.338, eerste lid, een gezamenlijke opleiding in verschillende instellingen volgt of als een student als vermeld in artikel II.338, eerste lid, in het kader van zijn opleiding lessen volgt aan een hogeschool of universiteit waar hij niet ingeschreven is, bepalen de criteria van de hogeschool of universiteit waar de student zijn vraag stelt of en in welke mate de student toegang heeft tot de studentenvoorzieningen van deze hogeschool of universiteit.

Als de academische hogeschoolopleidingen bij of krachtens decreet worden overgeheveld naar de universiteiten, en als de studenten van die opleidingen, hun opleiding of onderdelen van hun opleiding volgen op een plaats waar studentenvoorzieningen georganiseerd en aangeboden worden door een hogeschool, sluiten de betrokken universiteit en hogeschool een protocol af waarin de modaliteiten voor de transfer van financiële middelen van de hogeschool of universiteit die de sociale toelage vermeld in artikel III.66, voor deze studenten ontvangt, naar de hogeschool of universiteit die hen toegang biedt tot de studentenvoorzieningen, geregeld wordt. Dat protocol moet de gelijkwaardige behandeling garanderen van alle studenten op de plaats waar de studentenvoorzieningen aangeboden worden. Het protocol vormt een onderdeel van het beleidsplan, vermeld in artikel IV.43 van alle bij het protocol betrokken instellingen.

In het protocol werken de betrokken hogeschool en universiteit ook een financiële regeling uit met betrekking tot de sociale toelage van het vierde kwartaal van 2013, die krachtens artikel III.71 in dat jaar nog uitbetaald zal worden aan de hogeschool die academische opleidingen overdraagt. Het protocol bevat ook een overzicht van de personeelsleden van de studentenvoorzieningen waarvan het salaris of een procentueel deel ervan aangerekend wordt op de getransfereerde middelen.

Afdeling 3. Bestuur en beheer

Art. II.342.

De overheid kent de sociale toelage toe aan de hogeschool of universiteit voor haar werking betreffende studentenvoorzieningen, als de instelling een voor de studenten herkenbare dienst voor studentenvoorzieningen en een stuvoraad opricht.

De stuvoraad heeft minstens de volgende taken en bevoegdheden :

1° de stuvoraad stelt een beleidsplan en een jaar- en meerjarenbegroting op voor de werking en organisatie van studentenvoorzieningen en legt die ter goedkeuring voor aan het instellingsbestuur;

2° binnen het kader van het goedgekeurde beleidsplan en de goedgekeurde jaar- en meerjarenbegroting en binnen het kader van de vastgelegde bestuurs- en beheersreglementen van de instelling staat de stuvoraad in voor de aanwending van de sociale toelage, van de inkomsten uit de werking betreffende studentenvoorzieningen en voor de aanwending van alle andere financiële middelen die de instelling ter beschikking stelt van studentenvoorzieningen;

3° de stuvoraad stelt het jaarverslag over studentenvoorzieningen op;

4° de stuvoraad doet voorstellen aan het instellingsbestuur voor de functies en personeelsbezetting die hij nodig acht voor de werking en organisatie van de studentenvoorzieningen;

5° de stuvoraad formuleert voorstellen voor het sluiten van de samenwerkingsovereenkomsten, vermeld in artikel II.351.

Art. II.343.

Als het instellingsbestuur niet instemt met de voorstellen van de stuvoraad, vermeld in artikel II.342, tweede lid, 1°, 4° en 5°, stuurt ze die met een gemotiveerd advies voor heroverweging terug naar de stuvoraad.

Als de procedure vermeld in het eerste lid niet leidt tot overeenstemming, beslist het instellingsbestuur en wordt het gebrek aan akkoord expliciet vermeld in de betreffende jaarbegroting en in de meerjarenbegroting.

Art. II.344.

[De stuvoraad is paritair samengesteld uit minstens acht leden. De helft van de leden wordt aangewezen door het instellingsbestuur. De andere helft wordt aangeduid door en onder de studenten en de leerlingen en cursisten uit hbo5-opleidingen die krachtens artikel II.338 toegang hebben tot studentenvoorzieningen van de instelling. Die aanduiding gebeurt door middel van rechtstreekse verkiezing of door middel van getrapte verkiezing, in welk geval de betrokken studenten worden verkozen door de leden van de studentenraad. De keuze voor de wijze van aanduiding wordt gemaakt door de studentenraad. De stuvoraad streeft bij zijn samenstelling naar diversiteit. Maximum twee derde van zijn leden mag van hetzelfde geslacht zijn.]

In het eerste werkingsjaar na de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in een universiteit, dient in de stuvoraad van de betreffende universiteit, tenminste 1 student uit een geïntegreerde opleiding opgenomen te worden.

De verkiezingen van de studentenvertegenwoordigers worden georganiseerd door de instelling in samenspraak met de studentenraad. De studentenraad legt de kiesprocedure vast.

De stuvoraad kiest een voorzitter en een ondervoorzitter. Als de voorzitter uit de studentendelegatie komt, komt de ondervoorzitter uit de delegatie, die door het instellingsbestuur is aangesteld, en vice versa. Als de stuvoraad het niet eens is over de aanwijzing van een voorzitter en een ondervoorzitter, stelt het instellingsbestuur de voorzitter aan.

Decr. 21-3-2014

Art. II.345.

De studenten die deel uitmaken van de stuvoraad genieten van de nodige faciliteiten om hun mandaat naar behoren te kunnen vervullen. Ze mogen op geen enkele wijze nadelen ondervinden of sancties krijgen door de instelling voor daden die ze stellen bij de uitoefening van hun mandaat.

Art. II.346.

De stuvoraad stelt in consensus een huishoudelijk reglement op. Dat huishoudelijk reglement bevat minimaal de volgende bepalingen :

1° de wijze van voorbereiding en bijeenroeping van de vergaderingen en van bezorgen van documenten;

2° de wijze van besluitvorming en stemming;

3° de regeling van de volmachten bij afwezigheid;

4° de wijze van vervanging bij ontslag van de leden, termijn van het mandaat van de voorzitter, van de ondervoorzitter en van de leden.

[...]

Als er met volmachten gewerkt wordt, kunnen die alleen worden verleend binnen dezelfde geleding.

Decr. 19-6-2015

Art. II.347.

De dienst voor studentenvoorzieningen staat de stuvoraad bij in de uitvoering van de taken en bevoegdheden, die hem met toepassing van artikel II.342 zijn verleend.

Afdeling 4. Werking

Art. II.348.

De hogeschool of universiteit biedt betreffende studentenvoorzieningen activiteiten aan in de volgende werkvelden :

1° het werkveld voeding, dat tot doel heeft aan de studenten ondersteuning en advies te verlenen over gezonde en betaalbare voeding. Dit kan door maaltijden aan te bieden, al dan niet in eigen beheer, in studentenrestaurants en -cafetaria's, en door kortingen te verlenen voor het gebruiken van maaltijden in restaurants die door derden uitgebaat worden;

2° het werkveld huisvesting, dat tot doel heeft aan de studenten ondersteuning en advies te verlenen en hen te sensibiliseren voor betaalbare en kwaliteitsvolle huisvesting. Dit gebeurt door, al dan niet in eigen beheer, kamers aan te bieden en de studenten te adviseren over de kamermarkt. Dit gebeurt ook door te bemiddelen tussen studenten en verhuurders over de huisvestingsvoorwaarden;

3° het werkveld sociale dienstverlening, dat tot doel heeft aan de studenten die in een materiële of sociale probleemsituatie verkeren, hulp te bieden. Materiële steun kan verleend worden door vervangende en aanvullende financiële tegemoetkomingen, leningen en kortingen aan de studenten te verstrekken voor de algemene en specifieke studiekosten van de student, alsook door studentenjobs en advies daarover aan te bieden. Aan studenten kan daarenboven bijkomende financiële steun verleend worden als ze in het kader van hun opleiding deelnemen aan internationale mobiliteit. Sociale steun kan verleend worden door eerste opvang te verzorgen, te bemiddelen, begeleiding aan te bieden, hen door te verwijzen, sociale vaardigheden bij te brengen, kinderopvang te verzekeren, informatie te verstrekken over de sociaalfinanciële en sociaaljuridische aspecten van het studeren;

4° het werkveld medische en psychologische dienstverlening dat tot doel heeft aan studenten gepaste psychotherapeutische, psychosociale en medische ondersteuning en advies te verstrekken door een eigen aanbod te ontwikkelen of door samen te werken met andere daartoe geëigende diensten;

5° het werkveld vervoer dat tot doel heeft om mobiliteit van en naar onderwijsactiviteiten te faciliteren en betaalbaar te houden;

6° het werkveld studentenwerking dat de organisatie of de ondersteuning van initiatieven van of voor studenten op sociaal, sportief, maatschappelijk, ecologisch of cultureel vlak, tot doel heeft.

De hogeschool of universiteit kan in het kader van de activiteiten, vermeld in het eerste lid, ook sensibiliserend, preventief en probleemsignalerend werken.

Art. II.349.

Als in een werkveld, als vermeld in artikel II.348 geen acties ontplooid worden, moet dat in het beleidsplan gemotiveerd worden.

Art. II.350.

De instelling kan binnen alle werkvelden, naast activiteiten voor alle studenten, specifieke activiteiten opzetten om de gelijkwaardige toegang van studenten uit kansengroepen te bevorderen. Deze specifieke acties dienen een onderdeel te vormen van een geïntegreerd diversiteits- en gelijkekansenbeleid van de instelling.

Art. II.351.

Het instellingsbestuur kan op voorstel van de stuvoraad samenwerkingsakkoorden over studentenvoorzieningen sluiten met derden.

Afdeling 5. Studentenmobiliteit

Art. II.352.

[§ 1. Binnen de perken van de begrotingskredieten stelt de Vlaamse Regering een mobiliteitstoelage ter beschikking voor studenten of cursisten die een periode in het buitenland doorbrengen in het kader van hun opleiding onder de volgende voorwaarden :

1° de student of de cursist is op het moment van de aanvraag ingeschreven aan een Vlaamse ambtshalve geregistreerde instelling onder een diplomacontract of een centrum voor volwassenenonderwijs in een opleiding die valt onder kwalificatieniveau 5, 6, 7 en 8;

2° de student of cursist is door deze instelling of het centrum voorgedragen of geselecteerd om via een uitwisselingsprogramma een periode in het buitenland door te brengen; de instelling of het centrum legt de criteria en de voorwaarden voor selectie vast en maakt deze op duidelijke wijze kenbaar aan de student of cursist ruim voor de start van de selectieprocedure;

3° de periode in het buitenland bedraagt minimum één maand en maximum twaalf maanden;

4° de student heeft een leerovereenkomst of een vormingsovereenkomst in het kader van een stage afgesloten met deze instelling of het centrum, waarin onder meer de erkenning of validatie van de uitwisseling door deze instelling of het centrum wordt geregeld;

5° er wordt voldaan aan de bijkomende criteria en voorwaarden vastgelegd in het specifieke uitwisselingsprogramma waarvoor de student zich kandidaat stelt.

§ 2. De Vlaamse Regering kan bepalen dat de mobiliteitsbeurzen prioritair toegekend worden aan studenten of cursisten ingeschreven in een initiële opleiding van kwalificatieniveau 5, 6 of 7 als de omvang van de begrotingskredieten beperkt is. De Vlaamse Regering neemt dit besluit vóór 1 maart voorafgaand aan het academiejaar waarin de selectie van de studenten of cursisten plaatsvindt.]

Decr. 25-4-2014

Art. II.353.

[§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt de hoogte van de mobiliteitstoelage en kan daarbij rekening houden met :

1° het referentie-inkomen van de leefeenheid van de student zoals bepaald in titel IV, hoofdstuk III, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;

2° het land, de stad of de regio van bestemming;

3° de aard van het studieverblijf in het buitenland: een opleiding aan een onderwijsinstelling of een stage in het kader van een opleiding;

4°[[het feit of de student behoort tot een of meer ondervertegenwoordigde groepen in het hoger onderwijs. Hieronder worden onder meer begrepen de beursstudenten vermeld in artikel I.3, 13°, de studenten met een functiebeperking vermeld in artikel I.3, 62°, en de werkstudenten vermeld in artikel I.3, 78°;]]

5° de eventuele internationale afspraken die zijn vastgelegd in een Memorandum of Understanding.

§ 2. [[Ten minste 25% van de mobiliteitsbeurzen wordt toegekend aan studenten uit ondervertegenwoordigde groepen, bedoeld in 4° van de vorige paragraaf.]]

§ 3. Met het oog op het realiseren van een evenwichtige en een voldoende gespreide mobiliteit kan de Vlaamse Regering het aantal toe te kennen beurzen voor een bepaald land of regio beperken of verhogen om de mobiliteit naar dat land of regio te beperken of te stimuleren. De Vlaamse Regering neemt dit besluit vóór 1 maart voorafgaand aan het academiejaar waarin de selectie van de studenten of cursisten plaatsvindt.

§ 4. De Vlaamse Regering kan (in het kader van de academische diplomatie) een aantal beurzen voorbehouden voor de uitwisseling van studenten met instellingen of bedrijven uit een door de Vlaamse Regering bepaalde lijst van prioritaire landen. De Vlaamse Regering neemt dit besluit vóór 1 maart voorafgaand aan het academiejaar waarin de selectie van de studenten of cursisten plaatsvindt.

§ 5. De Vlaamse Regering kan prioritaire studiedomeinen of maatschappelijke thema's vastleggen. De Vlaamse Regering neemt dit besluit vóór 1 maart voorafgaand aan het academiejaar waarin de selectie van de studenten of cursisten plaatsvindt.]

Decr. 25-4-2014; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Hoofdstuk 6. Algemene bespreking van onderwijsaangelegenheden

Art. II.354.

§ 1. Het bestuur bespreekt de algemene organisatie en werking van de associatie, respectievelijk de instelling ten minste 1 maal per academiejaar met afgevaardigden van :

1° voor zover er geen stemgerechtigde personeelsleden zetelen in het bestuur : verkozen of aangeduide personeelsleden die zetelen in een orgaan van de associatie, respectievelijk de instelling, en

2° voor zover er geen stemgerechtigde studenten zetelen in het bestuur : de studentenraad.

De bespreking vindt plaats in de schoot van een bestaand orgaan of binnen een specifiek daartoe bijeengeroepen forum.

§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, eerste lid, wordt onder algemene organisatie en werking ten minste verstaan :

1° het strategisch beleid, zijnde :

a) de uitbreiding, inkrimping of beëindiging van de werkzaamheden van de associatie, de instelling, of een belangrijk onderdeel daarvan;

b) het aangaan van samenwerkingsverbanden met andere instellingen of organisaties, het overdragen van bevoegdheden aan andere instellingen of organisaties, of het organiseren van vormen van dienstgewijze decentralisatie;

c) de programmatie van opleidingen;

2° het algemeen onderwijskundig beleid, inzonderheid de planning van onderwijsvernieuwing en onderwijsverbetering;

3° het onderzoeksbeleid en de plannen tot verwezenlijking van dit beleid;

4° het internationaliseringsbeleid inzake onderwijs;

5° het beleid met betrekking tot de verdeling en de besteding van de middelen.

Hoofdstuk 7. Evaluatie

Art. II.355.

[...]

Decr. 17-6-2016

[Hoofdstuk 8. Stage en werkplekleren

Art. II.355/1.

Indien de student-stagiair of cursist-stagiair bij de uitvoering van zijn stage de stagegever of derden schade berokkent, is hij, met behoud van toepassing van artikel 1384, derde tot en met het vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek, enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is de student-stagiair of cursist-stagiair enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.

De aansprakelijkheid van de vader en de moeder in de zin van artikel 1384, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek geldt enkel wanneer een minderjarige student-stagiair of cursist-stagiair overeenkomstig de hier voormelde gevallen persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.

De stagegever is een aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Alle met de bepalingen van dit artikel strijdige bedingen zijn nietig.]

Decr. 17-6-2016

TITEL 7. Bestuursstructuur van de hogescholen

Hoofdstuk 1. De gesubsidieerde hogescholen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Art. II.356.

Dit hoofdstuk is enkel van toepassing op de gesubsidieerde vrije en de gesubsidieerde officiële hogescholen.

Art. II.357.

Elke gesubsidieerde vrije hogeschool neemt een aparte privaatrechtelijke rechtspersoon aan. Zij bepaalt haar bestuurszetel en deelt die mee aan de Vlaamse Regering.

Art. II.358.

Aan de personen die in de hogeschool een bestuursmandaat bekleden, kan een vergoeding worden toegekend. Het hogeschoolbestuur bepaalt het bedrag van deze vergoeding.

Art. II.359.

Het hogeschoolbestuur bepaalt welke departementen de hogeschool omvat en wijst per departement een departementshoofd aan. Het departementshoofd is belast met de dagelijkse leiding van het departement.

Art. II.360.

Het hogeschoolbestuur kan overeenkomstig de statuten bepaalde beslissingsbevoegdheden delegeren, onder meer op het niveau van de departementen.

Art. II.361.

De commissaris van de Vlaamse Regering bij de hogescholen oefent in het kader van de wettelijkheidscontrole toezicht uit op de werking van de medezeggenschapsorganen en van de onderhandelingscomités.

Afdeling 2. De medezeggenschapsorganen

Onderafdeling 1. De academische raad

Art. II.362.

Het hogeschoolbestuur richt een academische raad op.

Het hogeschoolbestuur heeft de plicht de academische raad in te lichten over alle aangelegenheden met betrekking tot de hogeschool.

Art. II.363.

De academische raad is samengesteld uit :

1° drie achtste vertegenwoordigers van het hogeschoolbestuur;

2° drie achtste vertegenwoordigers van het personeel, verkozen door en onder alle personeelsleden van de hogeschool. De kandidaten dienen op het ogenblik van hun verkiezing ten minste 2 jaar een betrekking in de hogeschool te hebben bekleed;

3° twee achtste vertegenwoordigers van de studenten van de hogeschool, verkozen door en onder de studenten die voltijds zijn ingeschreven in die hogeschool.

Art. II.364.

Het mandaat van de leden van de academische raad duurt 4 academiejaren en is hernieuwbaar. Het mandaat van de vertegenwoordigers van de studenten duurt 1 academiejaar en is tweemaal hernieuwbaar.

Art. II.365.

De personeelsleden die deel uitmaken van de academische raad, genieten van de nodige faciliteiten om hun mandaat naar behoren te kunnen vervullen. Zij kunnen voor de daden gesteld in de uitoefening van hun mandaat geen tuchtsanctie oplopen.

De studenten die deel uitmaken van de academische raad genieten van de nodige faciliteiten om hun mandaat naar behoren te kunnen vervullen. Zij mogen op geen enkele wijze nadelen ondervinden of sancties krijgen voor de daden gesteld in de uitoefening van hun mandaat.

Art. II.366.

Het reglement van de academische raad wordt in consensus opgesteld door het hogeschoolbestuur en de academische raad. Zo er geen consensus wordt bereikt beslist de academische raad.

Dit reglement bepaalt ten minste :

1° het aantal vergaderingen, met een minimum van 3 per jaar;

2° de wijze van bijeenroeping;

3° de wijze van mededeling van de documenten;

4° de wijze van besluitvorming en stemming;

5° de wijze waarop het hogeschoolbestuur de beslissingen die het neemt in het kader van de medezeggenschap, meedeelt aan de leden van de academische raad;

6° het secretariaat van de academische raad;

7° de procedure van verkiezing van de vertegenwoordigers van het personeel en de studenten.

Art. II.367.

De rechten en bevoegdheden van de academische raad worden als volgt gedefinieerd :

1° informatierecht : het recht op informatie;

2° adviesbevoegdheid : het op vraag van het hogeschoolbestuur of op eigen initiatief verlenen en opstellen van een advies na bespreking in de academische raad;

3° overlegbevoegdheid : het op vraag van het hogeschoolbestuur of zijn gemandateerde(n) of op eigen initiatief nemen van een besluit dat, als het bij consensus wordt genomen, door het hogeschoolbestuur wordt uitgevoerd. Indien geen consensus wordt bereikt, beslist het hogeschoolbestuur. Indien dit besluit echter consequenties inhoudt voor de arbeidsomstandigheden van het personeel, dan dient over dit besluit onderhandeld te worden in het betrokken onderhandelingscomité, vooraleer het door het hogeschoolbestuur kan worden uitgevoerd.

De academische raad kan deze rechten hebben of bevoegdheden uitoefenen door of krachtens het decreet of krachtens een beslissing van het hogeschoolbestuur.

Art. II.368.

§ 1. De academische raad heeft een recht op informatie over alle aangelegenheden met betrekking tot de hogeschool.

§ 2. Op vraag van het hogeschoolbestuur of op eigen initiatief heeft de academische raad ten minste adviesbevoegdheid, voor wat de onderwijskundige aspecten betreft, met betrekking tot :

1° verandering van de doelstelling van de hogeschool;

2° uitbreiding, inkrimping of beëindiging van de werkzaamheden van de hogeschool of een belangrijk onderdeel ervan;

3° bouwprojecten;

4° de vaststelling en de wijziging van het beleid inzake interne kwaliteitsbewaking met betrekking tot de onderwijs- en onderzoeksopdracht;

5° het onderzoeksbeleid van de hogeschool, het plan tot verwezenlijking van dit beleid en zijn jaarlijkse aanpassingen, waarin hij het beleid van de verschillende departementen coördineert;

6° de programmatie van de hogeschool.

Indien de academische raad een unaniem advies uitbrengt, kan het hogeschoolbestuur hiervan enkel gemotiveerd afwijken.

§ 3. Op vraag van het hogeschoolbestuur of zijn gemandateerde(n), of op eigen initiatief heeft de academische raad ten minste overlegbevoegdheid voor wat de onderwijskundige aspecten betreft, met betrekking tot :

1° beleid met betrekking tot de besteding en de verdeling van de middelen;

2° de vaststelling van de criteria voor de aanwending van de werkingsuitkering, de vaststelling van de begroting en de personeelsformatie;

3° de algemene organisatie van de werking van de hogeschool;

4° de vaststelling en de wijziging van het huishoudelijke reglement van de hogeschool;

5° de vaststelling en de wijziging van het globale beleid inzake onderwijs- en examenreglement;

6° de concrete vaststelling en de wijziging van het onderwijs- en examenreglement;

7° de deelname aan of de beëindiging van een onderwijsexperiment;

8° de vaststelling of de wijziging van het globale nascholingsbeleid van de hogeschool;

9° de vaststelling en de wijziging van het beleid met betrekking tot de sociale voorzieningen ten behoeve van de studenten;

10° het toezicht op, de evaluatie van en de coördinatie van de opleidingsprogramma's en de studiebegeleiding;

11° de organisatie van het academiejaar met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling;

12° overdracht of fusie van de hogeschool.

§ 4. Indien er in de hogeschool geen of slechts 1 departement en evenmin een vergelijkbare structuur zoals bepaald in artikel II.369 is, neemt de academische raad de adviserende bevoegdheid zoals vermeld in artikel II.372 op.

Onderafdeling 2. De departementale raad

Art. II.369.

Indien de hogeschool meer dan 1 departement telt, richt het hogeschoolbestuur per departement een departementale raad op. Indien het hogeschoolbestuur bepaalde beslissingsbevoegdheden toekent in een andere deelstructuur of op een ander niveau dan het departement, richt het voor deze deelstructuur of voor dit niveau een medezeggenschapsorgaan op dat samengesteld is op analoge wijze als de departementale raad en dat dezelfde bevoegdheden uitoefent.

De departementale raad is als volgt samengesteld :

1° het departementshoofd, dat ambtshalve voorzitter is van de departementale raad;

2° de helft vertegenwoordigers van het personeel, verkozen door en onder leden van het personeel verbonden aan het departement, met uitzondering van het departementshoofd. De kandidaten dienen op het ogenblik van de verkiezing ten minste 2 jaar een betrekking in de hogeschool te hebben bekleed;

3° een vierde vertegenwoordigers van de studenten verkozen door en onder de studenten die verbonden zijn aan het departement en voltijds zijn ingeschreven in die hogeschool;

4° een vierde vertegenwoordigers uit de sociaal-economische en culturele milieus, gecoöpteerd door het departementshoofd en de vertegenwoordigers, bedoeld in 2° en 3°.

Art. II.370.

De personeelsleden die deel uitmaken van de departementale raad, genieten van de nodige faciliteiten om hun mandaat naar behoren te kunnen vervullen. Zij kunnen voor de daden gesteld in de uitoefening van hun mandaat geen tuchtsanctie oplopen.

De studenten die deel uitmaken van de departementale raad genieten van de nodige faciliteiten om hun mandaat naar behoren te kunnen vervullen. Zij mogen op geen enkele wijze nadelen ondervinden of sancties krijgen voor de daden gesteld in de uitoefening van hun mandaat.

Art. II.371.

Het hogeschoolbestuur bepaalt het reglement van de departementale raad waarin ten minste zijn opgenomen :

1° de bevoegdheid en de werking van de departementale raad;

2° de wijze van samenstelling en het aantal leden;

3° de duur van het mandaat;

4° de materies waarvoor de departementale raad bevoegd is.

Art. II.372.

§ 1. De departementale raad heeft een recht op informatie over alle aangelegenheden met betrekking tot het departement.

§ 2. Op vraag van het hogeschoolbestuur of op eigen initiatief kan de departementale raad adviezen op departementaal niveau verlenen met betrekking tot :

1° de vaststelling van de pedagogische criteria met betrekking tot de besteding van de middelen;

2° de vaststelling van de pedagogische criteria voor de taakverdeling van het personeel;

3° de samenwerkingsakkoorden met derden;

4° de algemene organisatie en de werking;

5° de programmatie van de opleiding;

6° de programmatie, de organisatie en de evaluatie van het onderzoeksbeleid;

7° de goedkeuring van onderzoeksprojecten;

8° de evaluatie van de onderzoeksactiviteiten;

9° de vormgeving van de interne kwaliteitsbewaking met betrekking tot de onderwijs- en onderzoeksopdracht;

10° de indeling van elke opleiding in opleidingsonderdelen en studiejaren;

11° de uitdrukking van de studieomvang van elke opleiding in studiepunten;

12° het onderwijs- en examenreglement;

13° de vaststelling van de criteria voor het opstellen van de opleidingsprogramma's en de pedagogische methodes;

14° de evaluatie van het onderwijs;

15° de organisatie en de evaluatie van de studiebegeleiding;

16° de organisatie van en de controle op de examens en de evaluatie van de examenregeling;

17° het beleid inzake de nascholing;

18° de oprichting van vaste of tijdelijke commissies en werkgroepen;

19° de organisatie van de onderwijsactiviteiten.

Hoofdstuk 2. School of arts

Art. II.373.

De raad van een School of Arts bestuurt de School of Arts. Minimaal 30% en maximaal 49% van de effectief stemgerechtigde leden van die raad is voorgedragen door de universiteit van de associatie waartoe de hogeschool behoort, of, in geval van een samenwerkingsverband, door de geassocieerde universiteiten.

Het hogeschoolbestuur of, in het kader van een samenwerkingsverband, de betrokken hogeschoolbesturen, leggen in een reglement ten minste de volgende elementen vast :

1° de wijze van samenstelling van de raad van de School of Arts;

2° het exacte aantal leden van de raad van de School of Arts;

3° de procedure voor de aanstelling van de leden en de opvolgers;

4° de duur van het mandaat van de leden;

5° de aanstelling van het hoofd van een School of Arts, waaraan het mandaat van departementshoofd kan toegekend worden;

6° de termijnen waarin het hogeschoolbestuur of de betrokken hogeschoolbesturen moeten reageren als ze niet instemmen met een advies van de raad van de School of Arts, als vermeld in artikel II.375;

7° de toewijzing of delegatie van bevoegdheden aan het hoofd van de School of Arts.

Bij de samenstelling van de raad wordt rekening gehouden met de geldende regelgeving inzake participatie van studenten en personeel.

De raad van de School of Arts stelt een huishoudelijk reglement op waarin minimaal de volgende elementen zijn opgenomen :

1° het aantal vergaderingen per jaar,

2° de wijze van bijeenroeping;

3° de wijze van mededeling van de documenten;

4° de wijze van besluitvorming en stemming.

Art. II.374.

De raad van de School of Arts organiseert de opdrachten, vermeld in artikel II.7, §2.

Daarenboven coördineert de raad van de School of Arts de bestuurstaken op het niveau van de School of Arts, conform de algemene richtlijnen van de raad van bestuur en het bestuurscollege van de hogeschool of, in geval van een samenwerkingsverband, van de betrokken hogescholen.

Art. II.375.

De raad van de School of Arts is belast met :

1° het vaststellen van de onderwijsprogramma's en het controleren of de concretisering van het onderwijs en de examens in overeenstemming is met die programma's;

2° het onderzoeksbeleid binnen de School of Arts;

3° de interne organisatie van de School of Arts;

4° het bepalen van de taakomschrijvingen van het personeel dat toegewezen is aan de School of Arts;

5° het verlenen van een advies over de cumulatieregeling ter uitvoering van de procedure, vermeld in artikel V.169, §1;

6° het opmaken van het financiële verslag en het jaarverslag waarin de activiteiten van de School of Arts worden weergegeven;

7° de voordracht van een vertegenwoordiger van de School of Arts in de onderzoeksraad van de universiteit van de associatie of, in het kader van een samenwerkingsverband, in de onderzoeksraden van de betrokken universiteiten.

De raad van de School of Arts is ook belast met :

1° het opstellen van een jaar- en meerjarenbegroting die ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het hogeschoolbestuur;

2° het opstellen van een investeringsplan voor (wetenschappelijke) infrastructuur dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het hogeschoolbestuur;

3° het opstellen van een personeelsformatie die ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het hogeschoolbestuur.

Als het hogeschoolbestuur of, in geval van een samenwerkingsovereenkomst, de hogeschoolbesturen niet instemmen met de voorstellen van de raad van de School of Arts, sturen ze een gemotiveerd advies voor heroverweging naar de raad van de School of Arts. Als die procedure niet leidt tot overeenstemming, beslissen het instellingsbestuur of de instellingsbesturen en wordt het gebrek aan akkoord expliciet vermeld bij de genomen beslissing. Het instellingsbestuur respecteert daarbij de termijnen die opgenomen zijn in het reglement, vermeld in artikel II.373, tweede lid, 6°.

Binnen de door het hogeschoolbestuur of de hogeschoolbesturen goedgekeurde jaar- en meerjarenbegroting en personeelsformatie is de raad van de School of Arts belast met :

1° de aanwending van de werkingsuitkering van de Vlaamse Gemeenschap, de aanvullende onderzoeksmiddelen, vermeld in artikel III.39, en de eigen inkomsten van de School of Arts en van alle andere financiële middelen die de hogeschool of hogescholen ter beschikking stellen aan de School of Arts;

2° het formuleren van voorstellen voor de aanstelling en benoeming van het onderwijzend personeel;

3° het formuleren van voorstellen voor het toekennen van ambtswijzigingen en bevorderingen voor het personeel dat toegewezen is aan de School of Arts;

4° het formuleren van voorstellen voor het sluiten van samenwerkingsakkoorden.

Hoofdstuk 3. Overkoepelende samenwerking

Art. II.376.

Met behoud van de toepassing van de artikelen II.171 tot en met II.173 en artikel V.223 kunnen hogescholen in vrij verband samenwerken met het oog op vrijwillige netoverschrijding. Daartoe kunnen zij beslissen om, bij overeenkomst, samen te werken in een netwerk op onderwijskundig, administratief, financieel en sociaal vlak.

Teneinde dit samenwerkingsverband te realiseren, kunnen de hogescholen gelden overdragen.

Deze samenwerkingsverbanden vallen onder de controle zoals bepaald in deel 4, titel 4, hoofdstuk 2.

TITEL 8. Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 1. Overgangsrecht voor het verlenen van de graad van bachelor en master

Art. II.377.

De academische graden van licentiaat, handelsingenieur, burgerlijk ingenieur, burgerlijk ingenieur-architect, bio-ingenieur, landbouwkundig ingenieur, ingenieur voor de scheikunde en de landbouwindustrieën, apotheker, arts, tandarts, dierenarts, van gediplomeerde in de aanvullende studiën, van gediplomeerde in de gespecialiseerde studiën, doctor in de rechten (verleend ten laatste in het academiejaar 1972-1973), doctor in de diergeneeskunde zonder proefschrift of doctor in de genees-, heel-, en verloskunde zonder proefschrift die de universiteiten, de erkende faculteiten voor protestantse godgeleerdheid, de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap of de Examencommissies van de Staat voor het universitair onderwijs hebben verleend vóór het academiejaar 2004-2005 zijn gelijkgeschakeld met de graad van de master. De houders van die academische graden zijn gerechtigd tot het voeren van de titel van master. De Vlaamse Regering neemt de aanvullende maatregelen die nodig zijn voor de gelijkschakeling van andere academische of universitaire graden op grond waarvan de houder gerechtigd is tot het voeren van een beschermde titel van hoger onderwijs, met de graad van master.

Art. II.378.

§ 1. De graden gegradueerde, maatschappelijke assistent, vroedvrouw, kleuterleid(st)er, kleuteronderwijzer(es), onderwijzer(es), assistent in de psychologie, maatschappelijk adviseur, architect-assistent, technisch ingenieur, van geaggregeerde voor het secundair onderwijs groep 1 of van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs die de hogescholen, de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap of de Examencommissie van de Staat hebben verleend vóór het academiejaar 2004-2005 in het hogeschoolonderwijs van 1 cyclus of in het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, zijn gelijkgeschakeld met de graad van bachelor. De houders van die graden zijn gerechtigd tot het voeren van de titel van bachelor.

De graden van industrieel ingenieur, architect, interieurarchitect, meester, licentiaat of handelsingenieur die de hogescholen, de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap of de Examencommissie van de Staat hebben verleend vóór het academiejaar 2004-2005 in het hogeschoolonderwijs van 2 cycli of in het hoger onderwijs van het lange type met volledig leerplan, zijn gelijkgeschakeld met de graad van master. De houders van die graden zijn gerechtigd tot het voeren van de titel van master.

De Vlaamse Regering neemt de aanvullende maatregelen die nodig zijn voor de gelijkschakeling van de andere graden die in het hoger onderwijs werden verleend overeenkomstig de voorschriften zoals die op het ogenblik van de uitreiking luidden, met de graad van bachelor of master.

§ 2. De graad van gegradueerde, die een Centrum voor Volwassenenonderwijs heeft uitgereikt ten aanzien van een op grond van artikel II.138 geaccrediteerde opleiding, in de periode voorafgaand aan de uitreiking van het nieuwe bachelordiploma door de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling of door het overdragende Centrum voor Volwassenenonderwijs en de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling gezamenlijk in toepassing van artikel II.140, §5, is gelijkgesteld met de graad van bachelor. De houders van die graden zijn gerechtigd tot het voeren van de titel van bachelor.

§ 3. De opleiding tot lijnpiloot georganiseerd door een door het Belgisch Bestuur van de Luchtvaart erkende privé-instelling wordt gelijkgesteld met een professionele bacheloropleiding.

Art. II.379.

De graden van bachelor of master met of zonder nadere kwalificatie of specificatie, en van doctor of philosophy (met afkorting PhD) die de universiteiten of hogescholen of andere instellingen voor hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap hebben verleend voor 31 oktober 2008 worden geacht op een rechtmatige wijze te zijn verleend. De personen die op grond van die verleende graden de titel van bachelor of master met of zonder nadere kwalificatie of specificatie voeren of de titel van doctor of philosophy (afgekort PhD) voeren, worden geacht die titel op een rechtmatige wijze te voeren in de Vlaamse Gemeenschap.

De studenten die vóór 31 december 2003 zijn ingeschreven in een bacheloropleiding georganiseerd door het in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gevestigde Vesalius College, kunnen :

1° deze opleiding beëindigen;

2° de graad van bachelor, met of zonder nadere kwalificatie of specificatie verkrijgen;

3° de titel van bachelor op rechtmatige wijze voeren in de Vlaamse Gemeenschap.

De studenten die vóór 31 oktober 2008 een mastergraad verworven hebben, uitgereikt door het Europacollege op haar campus in Polen kunnen de titel van master op rechtmatige wijze voeren in de Vlaamse Gemeenschap. De graad van master wordt geacht op rechtmatige wijze te zijn verleend.

Hoofdstuk 2. Regularisatie van sommige diploma's en graden

Art. II.380.

De volgende diploma's en graden in het hoger onderwijs worden geacht rechtmatig te zijn uitgereikt door de Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee (voorheen het Bijbelinstituut) of door de Universitaire Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel :

1° getuigschrift van studiën gedaan met het oog op het godsdienstonderricht uitgereikt na 4 jaar studie;

2° diploma voor het protestants godsdienstonderricht in de lagere graad;

3° gegradueerde in de godsdienstwetenschappen;

4° geaggregeerde voor het protestants godsdienstonderricht in het lager secundair onderwijs.

Deze bepaling geldt tot het einde van het academiejaar 2006-2007. Studenten die in het academiejaar 2006-2007 niet slaagden voor de examens van het studiejaar leidend tot 1 van de in het eerste lid bedoelde diploma's en graden, kunnen evenwel nog een rechtmatig afgeleverd diploma, respectievelijk een rechtmatig afgeleverde graad behalen in het academiejaar 2007-2008.

Hoofdstuk 3. Overgangsregelingen met betrekking tot de accreditatie

Afdeling 1 Algemeen

Art. II.381.

Tot de inwerkingtreding van artikel II.145 geldt de volgende bepaling :

"Art. II.145. § 1. Zowel in de in artikel II.137, §2, bedoelde gepubliceerde externe beoordeling als in het accreditatierapport en accreditatiebesluit wordt in voorkomend geval melding gemaakt van de opleidingsvarianten die op het tijdstip van de visitatie bestonden :

1° de onderscheiden vestigingen waar de opleiding aangeboden wordt;

2° de onderscheiden afstudeerrichtingen van de opleiding, met uitzondering van de als afstudeerrichting georganiseerde specifieke lerarenopleiding(en);

3° de onderscheiden talen waarin de opleiding aangeboden wordt, als vermeld in artikel II.261, §2;

4° het studietraject voor werkstudenten, als vermeld in artikel I.3, 78°;

5° de onderscheiden programma's binnen de opleiding, indien deze leiden tot onderscheiden vormen van diplomering, te weten diplomering door een instelling, bidiplomering of gezamenlijke diplomering;

6° de onderscheden programma's binnen de opleiding, indien deze georganiseerd worden door onderscheiden instellingsbesturen.

§ 2. De in artikel II.137, §2, bedoelde externe beoordeling bevat een beoordeling van elk van in paragraaf 1 vermelde varianten.

§ 3. Indien de in artikel II.137, §2, bedoelde gepubliceerde externe beoordeling negatief is enkel en alleen op grond van het feit dat bij 1 of meerdere van de in paragraaf 1 vermelde opleidingsvarianten onvoldoende generieke kwaliteitswaarborgen aanwezig zijn, kan het instellingsbestuur deze variant of varianten uitdrukkelijk uit de accreditatieaanvraag uitsluiten.

§ 4. Indien de accreditatieorganisatie de accreditatie van de betrokken opleiding verleent :

1° wordt in het accreditatiebesluit melding gemaakt van de uitsluiting van de betrokken variant of varianten;

2° verliest het instellingsbestuur, totdat een nieuw en positief accreditatiebesluit wordt verkregen, de bevoegdheid om de uitgesloten variant of varianten aan te bieden."

Afdeling 2. Bepalingen met betrekking op het traject bij instemming met een negatief accreditatiebesluit die van toepassing zijn op accreditatiebesluiten die genomen zijn voor het einde van het academiejaar 2012-2013

Art. II.382.

§ 1. Indien het accreditatiebesluit over een opleiding negatief is, kan het instellingsbestuur een aanvraag om een tijdelijke erkenning indienen bij de Vlaamse Regering. De aanvraag wordt ingediend binnen een termijn van 30 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van bekendmaking van het accreditatiebesluit aan het instellingsbestuur. Bij de aanvraag is een gedetailleerd verbeteringsplan gevoegd waarin het instellingsbestuur op een toetsbare wijze aangeeft hoe het voornemens is de kwaliteit en het niveau te verbeteren.

§ 2. De Vlaamse Regering neemt een besluit binnen een termijn van 3 maanden vanaf de ontvangst van de aanvraag. De termijn wordt berekend van maand tot maand en van dag tot dag. De dag van ontvangst van de aanvraag is in de termijn begrepen.

Het besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de vorige accreditatie of de erkenning als nieuwe opleiding vervalt.

Indien het besluit niet binnen de termijn van 3 maanden aan de instelling bekend is gemaakt, wordt het geacht positief te zijn.

§ 3. De duur van de tijdelijke erkenning varieert van 1 jaar tot maximum 3 jaar. In geval van impliciet positieve beslissing, wordt de tijdelijke erkenning geacht te zijn toegekend voor de door het instellingsbestuur gevraagde duur, die rekening dient te houden met de minimumduur van 1 jaar en de maximumduur van 3 jaar.

§ 4. De Vlaamse Regering neemt het in paragraaf 2 bedoelde besluit op grond van een vergelijking van de voorgestelde verbeteringen met de vastgestelde tekorten. Zij oordeelt of de voorgestelde verbeteringen realistisch en haalbaar zijn en of ze van die aard zijn dat de opleiding bij realisatie ervan de toets inzake de aanwezigheid van voldoende generieke kwaliteitswaarborgen met goed gevolg zal kunnen doorstaan.

De Vlaamse Regering wint voorafgaand aan het besluit het advies in van de Commissie Hoger Onderwijs.

§ 5. De Vlaamse Regering stelt de nadere procedure voor de tijdelijke erkenning op aanvraag vast.

Art. II.383.

De accreditatie van een opleiding na een in artikel II.382 bedoelde tijdelijke erkenning verloopt aan de hand van volgende verkorte procedure :

1° de in artikel II.137, §2 bedoelde gepubliceerde externe beoordeling en het accreditatierapport hebben enkel betrekking op de elementen op basis waarvan de vorige accreditatieaanvraag negatief werd beoordeeld;

2° indien de vorige accreditatieaanvraag negatief werd beoordeeld op grond van deficiënties binnen uitdrukkelijk aangegeven opleidingsvarianten, zoals bedoeld in artikel II.381 en deze tijdens de periode van de in artikel II.382 bedoelde tijdelijke erkenning afgebouwd werd(en), moet bij de accreditatieaanvraag geen gepubliceerde externe beoordeling worden gevoegd.

Afdeling 3. Bepalingen met betrekking op het traject bij niet-instemming met een negatief accreditatiebesluit die van toepassing zijn op accreditatiebesluiten die genomen zijn voor het einde van het academiejaar 2012-2013

Art. II.384.

§ 1. Iedere belanghebbende kan bij de Vlaamse Regering een georganiseerd beroep instellen tegen een beslissing van de accreditatieorganisatie waarbij aan een opleiding de accreditatie wordt onthouden.

§ 2. Het beroep wordt ingesteld binnen een termijn van 30 kalenderdagen.

Deze termijn gaat in als volgt :

1° de dag na deze van betekening aan de belanghebbende;

2° bij ontstentenis van betekening : de dag na deze van bekendmaking bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad.

§ 3. De Vlaamse Regering toetst een betwiste beslissing aan de bepalingen van dit deel en van het in artikel II.27 bedoelde reglement. Zij vernietigt de beslissing wanneer deze kennelijk niet in overeenstemming met deze bepalingen is.

§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het verloop van de beroepsprocedure. Zij houdt daarbij rekening met de regelen inzake de hoorplicht.

Art. II.385.

§ 1. Indien het accreditatiebesluit over een opleiding negatief is, geniet de opleiding van rechtswege een tijdelijke erkenning in de volgende gevallen :

1° hangende het beroep bij de Vlaamse Regering, ingesteld door het instellingsbestuur overeenkomstig de bepalingen van artikel II.384. Het beroep wordt geacht aanhangig te zijn tot aan de nieuwe beslissing van de accreditatieorganisatie, bedoeld in het derde lid. De tijdelijke erkenning van rechtswege wordt niet toegekend indien het beroep wordt ingesteld door een andere belanghebbende dan het instellingsbestuur;

2° hangende enig jurisdictioneel beroep, ingesteld door het instellingsbestuur tegen het accreditatiebesluit of de beslissing van de Vlaamse Regering om het aangevochten accreditatiebesluit niet te vernietigen. De tijdelijke erkenning van rechtswege wordt niet toegekend indien het beroep wordt ingesteld door enige andere belanghebbende, onverminderd de desgevallend door het bevoegde gerecht toegekende voorlopige maatregelen.

De tijdelijke erkenning van rechtswege wordt beëindigd op het einde van het academiejaar waarbinnen bedoelde beroepen opgehouden hebben aanhangig te zijn.

Zo de Vlaamse Regering een negatief accreditatiebesluit heeft vernietigd, dient de accreditatieorganisatie opnieuw te delibereren over de ingediende accreditatieaanvraag met inachtname van de dragende motieven die aan de vernietiging ten grondslag liggen. Het nieuwe accreditatiebesluit wordt aan het instellingsbestuur meegedeeld binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze waarop de vernietigingsbeslissing werd genomen.

§ 2. De Vlaamse Regering stelt de nadere procedure voor de tijdelijke erkenning van rechtswege vast.

Afdeling 4. Duur van de accreditatie

Art. II.386.

Bij een hervisitatie na een tijdelijke erkenning of een aanvullende beoordeling na een negatief rapport en beroepsprocedure tijdens de eerste ronde opleidingsaccreditaties wordt de duur van de tijdelijke erkenning of de termijn verstreken tussen het einde van de overgangsaccreditatie en de datum van de definitieve besluitvorming in mindering genomen van de geldigheidsduur van de totale accreditatie van naargelang het geval 8 of 6 jaar.

De instellingen kunnen de acrreditatieorganisatie verzoeken om de duur van accreditatie die werd verleend tussen 1 juli 2012 en 1 januari 2013 op basis van een hervisitatie na een tijdelijke erkenning of een aanvullende beoordeling na een negatief rapport en beroepsprocedure tijdens de eerste ronde opleidingsaccreditaties, te verminderen ter vrijwaring van de gelijktijdige en geclusterde organisatie van externe beoordelingen, vermeld in artikel II.122.

Afdeling 5. Overgangsregeling naar aanleiding van de integratie

Art. II.387.

§ 1. Een nieuwe beperkte externe beoordeling is vereist wanneer :

1° een instelling meerdere opleidingen samenvoegt waarvan minimum 1 opleiding geniet van een tijdelijke erkenning;

2° bij de integratie een opleiding die aangeboden wordt door verschillende hogescholen, vanaf het academiejaar 2013-2014 aangeboden wordt door een universiteit als 1 opleiding, op 1 vestigingsplaats, en 1 of meerdere van de hogeschoolopleidingen geniet van een tijdelijke erkenning;

3° bij de integratie een opleiding die aangeboden wordt door verschillende hogescholen, vanaf het academiejaar 2013-2014 aangeboden wordt door meerdere universiteiten als 1 opleiding, op 1 vestigingsplaats, en 1 of meerdere van de hogeschoolopleidingen geniet van een tijdelijke erkenning.

Bij een opleiding die ontstaan is uit meerdere opleidingen die werden samengevoegd, heeft de nieuwe beperkte externe beoordeling uitsluitend betrekking op de onderwerpen die negatief werden beoordeeld in de samengevoegde opleidingen.

In het geval dat de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de samengevoegde opleiding voldoet, neemt zij een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een termijn als vermeld in artikel II.147, §2, met als aanvangsdatum de vroegste aanvangsdatum van accreditatie van de opleidingen die werden samengevoegd.

In het geval dat de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de samengevoegde opleiding niet voldoet, vervalt de accreditatie van de samengevoegde opleiding en wordt het besluit, wat de gevolgen betreft, gelijkgesteld met een negatief accreditatiebesluit.

In het geval dat de beperkte visitatie betrekking heeft op een opleidingsvariant in de samengevoegde opleiding en de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleidingsvariant niet voldoet, moet de instelling de opleidingsvariant stopzetten en mag het instellingsbestuur vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Het instellingsbestuur kan de opleidingsvariant binnen 6 jaar niet heropstarten. Bij het stopzetten van de opleidingsvariant neemt de accreditatieorganisatie een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een termijn als vermeld in artikel II.147, §2, met als aanvangsdatum de vroegste aanvangsdatum van accreditatie van de opleidingen die werden samengevoegd. Voor de toepassing van dit lid worden opleidingen die in een zelfde geografische omschrijving worden samengevoegd, beschouwd als behorend tot een verschillende vestigingsplaats.

§ 2. Bij een academische opleiding, die aangeboden wordt door verschillende hogescholen en waarvan minimum 1 hogeschoolopleiding geniet van een tijdelijke erkenning, en die met ingang van het academiejaar 2013-2014 door een universiteit wordt aangeboden als 1 opleiding op verschillende vestigingsplaatsen, en aldus beschouwd wordt als een opleiding met verschillende opleidingsvarianten, kan het universiteitsbestuur beslissen om :

1° ofwel een nieuwe beperkte visitatie te laten uitvoeren van de opleidingsvariant die geniet van de tijdelijke erkenning;

2° ofwel de opleidingsvariant die geniet van de tijdelijke erkenning stop te zetten en vanaf het eerst volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer in te schrijven in deze variant.

In het geval dat de opleidingsvariant met een tijdelijke erkenning wordt stopgezet, kan deze binnen een periode van 6 jaar niet heropgestart worden op deze vestigingsplaats. De accreditatieorganisatie neemt als gevolg van de stopzetting van de opleidingsvariant een positief accreditatiebesluit voor de opleiding dat geldt voor een termijn als vermeld in artikel II.147, §2, met als aanvangsdatum de vroegste aanvangsdatum van accreditatie van de resterende geïntegreerde opleidingen.

In het geval dat de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleidingsvariant met een tijdelijke erkenning op de betrokken vestigingsplaats voldoet, dan neemt zij een positief accreditatiebesluit voor de opleiding dat geldt voor een termijn als vermeld in artikel II.147, §2, met als aanvangsdatum de vroegste aanvangsdatum van accreditatie van de geïntegreerde opleidingen.

In het geval dat de accreditatieorganisatie op basis van het visitatierapport na een beperkte nieuwe visitatie tot het besluit komt dat de opleidingsvariant met een tijdelijke erkenning op de betrokken vestigingsplaats niet voldoet, moet de instelling de opleidingsvariant stopzetten en mag het instellingsbestuur vanaf het volgende academiejaar geen nieuwe studenten meer inschrijven. Het instellingsbestuur kan de opleidingsvariant binnen 6 jaar niet heropstarten. Bij het stopzetten van de opleidingsvariant neemt de accreditatieorganisatie een positief accreditatiebesluit dat geldt voor een termijn als vermeld in artikel II.147, §2, met als aanvangsdatum de vroegste aanvangsdatum van accreditatie van de resterende geïntegreerde opleidingen.

§ 3. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op opleidingen die samengevoegd worden of na integratie door 1 of meerdere universiteiten als 1 opleiding aangeboden worden en waarvan minimum een van de opleidingen voor eind 2012-2013 een negatief accreditatiebesluit heeft gekregen of waarvoor krachtens artikel II.142, §5, en artikel II.147, §1, tweede lid, voor die datum nog geen accreditatiebesluit is genomen.

[Afdeling 6. - Overgangsregeling met betrekking tot de accreditatie in de tweede ronde opleidingsaccreditaties (2013-2014 tot en met 2020-2021)

Art. II.387/1.

Als een instelling gebruikmaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel II.126, § 2, tweede lid, wordt de geldigheidsduur van de accreditatie van haar opleidingen die in het kader van de accreditatieprocedure volgens het visitatierooster dat is vastgelegd door de VLUHR na 16 december 2014 een zelfevaluatierapport, zoals bedoeld in het accreditatiekader, moeten indienen, van rechtswege verlengd met acht academiejaren. Die verlenging is niet van toepassing op de volgende opleidingen :

1° de opleidingen die geaccrediteerd zijn conform artikel II.153, § 8;

2° de opleidingen die geaccrediteerd zijn conform artikel II.151, eerste lid;

3° de opleidingen waarvan de geldigheidsduur van de accreditaties beperkt werd met toepassing van artikel II.147, § 3.]

Decr. 19-6-2015

Hoofdstuk 4. Overgangsregeling met betrekking tot de [taalregeling]

Decr. 19-6-2015

Art. II.388.

De initiële bachelor- en masteropleidingen met een taalequivalent die voor de start van het academiejaar 2013-2014 bestaan, zijn vrijgesteld van de procedure, vermeld in artikel II.263.

De initiële masteropleidingen van 60 studiepunten c.q. meer dan 60 studiepunten die voor de start van het academiejaar 2013-2014 bestaan en die op grond van de bepalingen van artikel II.261 anderstalig zijn en nog geen taalequivalent hebben, moeten binnen de 2 c.q. 3 jaar na de start van het academiejaar 2013-2014 de procedure vermeld in artikel II.263 doorlopen hebben. De instelling bezorgt voor 1 oktober 2013 een overzicht van die opleidingen aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.

Art. II.389.

[Van de volgende leden van het onderwijzend personeel en van het academisch personeel, belast met een onderwijsopdracht, wordt het vereiste beheersingsniveau van de Nederlandse taal, vermeld in artikel II.270, § 2, vermoed aanwezig te zijn :

1° diegene die vóór het academiejaar 2013-2014 benoemd zijn;

2° diegene die vóór het academiejaar 2013-2014 aangesteld zijn met het oog op een vaste benoeming zoals vermeld in artikel V.28 en V.29 van deze codex;

3° diegene die vóór het academiejaar 2013-2014 aangesteld zijn voor onbepaalde duur.]

Decr. 25-4-2014

Hoofdstuk 5. Overgangsregeling met betrekking tot het studiegeld

Art. II.390.

Tot het begin van het academiejaar 2014-2015 luiden de artikelen II.207, II.209, II.210, II.213, II.216 en II.218 als volgt :

"Art. II.207. Het instellingsbestuur stelt jaarlijks vóór 1 mei de bedragen van het studiegeld vast, overeenkomstig :

1° de regelen van artikel II.208 tot en met II.211, voor wat betreft de studenten onder diploma- of creditcontract;

2° de regelen van artikel II.212, voor wat betreft de studenten onder examencontract.

Deze afdeling is niet van toepassing op de instellingen die geen subsidies ontvangen van de Vlaamse Gemeenschap voor het verzorgen van het onderwijs.

Art. II.209. §1. Voor studenten die in een academiejaar een inschrijving nemen voor ten hoogste 53 studiepunten bedraagt :

1° het vast gedeelte van het studiegeld ten hoogste 55 euro, en

2° het variabel gedeelte van het studiegeld ten hoogste 7,5 euro per studiepunt.

§2. Voor studenten die in een academiejaar een inschrijving nemen voor ten minste 54 en ten hoogste 66 studiepunten, wordt een forfaitair studiegeld tussen 445 en 505 euro gevraagd.

§3. Indien in een academiejaar een inschrijving wordt genomen voor méér dan 66 studiepunten, wordt het variabel gedeelte van het studiegeld voor het aantal studiepunten boven 66 berekend door deze studiepunten te vermenigvuldigen met ten minste 2,5 en ten hoogste 3 euro.

§4. Een hogeschool of universiteit kan aan een student een bijkomend studiegeld vragen voor de studiepunten waarvoor de student op het ogenblik van de inschrijving geen toereikend leerkrediet heeft. Dit bijkomend inschrijvingsgeld kan ten hoogste 10 euro per studiepunt bedragen.

Onder leerkrediet wordt begrepen het leerkrediet zoals bepaald in Titel 4, Hoofdstuk 2, afdeling 3, van dit deel.

Art. II.210. § 1. Voor beurstariefstudenten die een studietraject van meer dan 53 studiepunten volgen, betreft het studiegeld een forfaitair bedrag dat ten hoogste gelijk is aan :

1° in de hogescholen : 100 euro;

2° in de universiteiten : 80 euro.

Voor beurstariefstudenten die een studietraject van ten hoogste 53 studiepunten volgen of een bijkomende inschrijving nemen, betreft het studiegeld een forfaitair bedrag dat ten hoogste gelijk is aan 55 euro.

§2. Voor bijna-beursstudenten bedraagt het studiegeld ten hoogste twee derden van het bedrag vastgesteld overeenkomstig artikel II.208 en II.390.

§3. Studenten die het laatste jaar secundair onderwijs volgen en die met een creditcontract voor maximaal 10 studiepunten ingeschreven zijn in het hoger onderwijs, betalen 50% van het studiegeld van een beurstariefstudent.

Art. II.213. §1. Het studiegeld voor studenten die zich inschrijven voor een bachelor-na-bacheloropleiding, opgenomen in de door de Vlaamse Regering vastgestelde lijst, zoals vermeld in artikel III.16, bedraagt :

1° voor het vaste gedeelte van het studiegeld ten hoogste 55 euro;

2° voor het variabele gedeelte van het studiegeld ten hoogste 7,5 euro per studiepunt.

§2. Het studiegeld voor studenten die zich inschrijven voor een andere bachelor-na-bacheloropleiding dan de bachelor-na-bacheloropleiding, vermeld in paragraaf 1, of voor een master-na-masteropleiding, opgenomen in de door de Vlaamse Regering vastgestelde lijst, zoals vermeld in artikel III.16, bedraagt maximaal het dubbele van de bedragen vermeld in paragraaf 1.

§3. Het instellingsbestuur kan voor de andere master-na-masteropleidingen dan de master-na-masteropleidingen, vermeld in paragraaf 2, een studiegeld vragen dat ten hoogste gelijk is aan 5.400 euro.

In bijzondere omstandigheden kan het maximumbedrag vastgesteld worden op 24.790 euro. Die bijzondere omstandigheden betreffen 1 of meer van de volgende gevallen :

1° de opleiding brengt bijzondere kosten met zich mee, veroorzaakt door : a) het aantrekken van hoog gespecialiseerd personeel, de uitrusting van laboratoria, de bijzondere inrichting van bibliotheken, het specifieke studie- en leermateriaal of de specifieke begeleidings- en supervisietaken; b) het aanbod van bijzondere faciliteiten;

2° de opleiding vereist een bepaalde beroepservaring of wordt georganiseerd in samenwerking met de industrie of een beroepsorganisatie om te voorzien in de opleidingsbehoeften van een bepaalde sector;

3° de opleiding heeft een internationaal karakter. Het instellingsbestuur kan beslissen om de studiegelden, vermeld in deze paragraaf, op te splitsen in een vast en een variabel gedeelte pro rata het aantal opgenomen studiepunten.

Het instellingsbestuur deelt het bedrag van het studiegeld aan de Vlaamse Regering mee. Indien van toepassing worden tevens de ingeroepen bijzondere omstandigheden meegedeeld en gemotiveerd.

§4. Het instellingsbestuur kan ten behoeve van minvermogende studenten voorzien in sociale tarieven.

Art. II.216. Het instellingsbestuur kan ten behoeve van minvermogende studenten het variabel gedeelte van het studiegeld differentiëren, dan wel het studiegeld vaststellen onder de in deel 2, titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 4, onderafdeling 1 en artikel II.390 bedoelde minimumgrenzen.

Art. II.218. De in deel 2, titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 4, onderafdeling 1 en artikel II.390 bedoelde bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. Deze indexering wordt niet toegepast op de in artikel II.209, §1, binnen artikel II.390 bedoelde bedragen.

De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2003."

Hoofdstuk 6. Overgangsregeling met betrekking tot de studentenraad

Art. II.391.

Tot het begin van het academiejaar 2014-2015 luiden de artikelen II.314 en II.334 als volgt :

"Art. II.314. §1. Het bestuur ziet toe op de oprichting van een studentenraad op het niveau van de associatie, respectievelijk de instelling.

§2. De studentenraad op het niveau van de instelling kan beslissen dat participatiecommissies worden opgericht op het niveau van onderdelen van de instelling.

De samenstelling en de functioneringswijze van de participatiecommissies worden vastgelegd in het in artikel II.332 bedoelde participatiereglement.

Art. II.334. Het bestuur legt de nodige faciliteiten voor de studentenafgevaardigden vast.

Deze faciliteiten betreffen ten minste de wijze waarop in functie van de werking van de studentenraad onderwijsactiviteiten en examens op flexibele wijze kunnen worden gepland en afgeweken kan worden van de verplichte aanwezigheid voor bepaalde opleidingsonderdelen."

Hoofdstuk 7. Overgangsregeling met betrekking tot de stuvoraad

Art. II.392.

Tot het begin van het academiejaar 2014-2015 luidt artikel II.344 als volgt :

"Art. II.344. De stuvoraad is paritair samengesteld uit minstens 8 leden. De helft van de leden is verkozen door en onder de studenten en de leerlingen en cursisten uit hbo5-opleidingen die krachtens artikel II.338 toegang hebben tot studentenvoorzieningen van de instelling, de andere helft is aangewezen door het instellingsbestuur, waarvan minstens één vertegenwoordiger van een Centrum voor Volwassenenonderwijs of een secundaire school, waarvan de cursisten gebruik kunnen maken van de studentenvoorzieningen, zoals beschreven in artikel 5 van dit decreet. De stuvoraad streeft bij zijn samenstelling naar diversiteit. Maximum twee derde van zijn leden mag van hetzelfde geslacht zijn.

In het eerste werkingsjaar na de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in een universiteit, dient in de stuvoraad van de betreffende universiteit, tenminste 1 student uit een geïntegreerde opleiding opgenomen te worden.

De verkiezingen van de studentenvertegenwoordigers worden georganiseerd door de instelling in samenspraak met de studentenraad. De studentenraad legt de kiesprocedure vast.

De stuvoraad kiest een voorzitter en een ondervoorzitter. Als de voorzitter uit de studentendelegatie komt, komt de ondervoorzitter uit de delegatie, die door het instellingsbestuur is aangesteld, en vice versa. Als de stuvoraad het niet eens is over de aanwijzing van een voorzitter en een ondervoorzitter, stelt het instellingsbestuur de voorzitter aan."

[Hoofdstuk 8. - Overgangsbepalingen met betrekking tot de eerste ronde instellingsreview (2015-2016 en 2016-2017)

Art. II.393.

In afwijking van artikel II.129, § 1, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs rondt de accreditatieorganisatie het proces van de instellingsreviews in de eerste ronde gezamenlijk af vóór 1 september 2017 met een besluit per instelling. Die besluiten worden samen met de rapporten bekendgemaakt. De procedures bedoeld in artikel II.129, § 3, kunnen nooit leiden tot een overschrijding van die termijn.]

Decr. 19-6-2015

DEEL 3. FINANCIERING

Titel 1. Financiering van de werking van de hogescholen en universiteiten

Hoofdstuk 1. Werkingsuitkeringen

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Art. III.1.

Binnen de perken en volgens de voorwaarden bepaald in dit deel, draagt de Vlaamse Gemeenschap met jaarlijkse uitkeringen bij in de financiering van de werking van de hogescholen en van de universiteiten.

De Vlaamse Gemeenschap financiert jaarlijks de betrokken hogeschool of, in het kader van een samenwerkingsverband, de betrokken hogescholen specifiek voor de uitvoering van de opdrachten door de School of Arts, vermeld in artikel II.7, §2, conform de bepalingen in dit deel.

Art. III.2.

§ 1. De werkingsuitkeringen dragen bij in de dekking van de gewone uitgaven voor onderwijs, onderzoek, maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening, de financiering van investeringen, de afbetaling van leningen en voor de administratie van de instelling, met inbegrip van de roerende uitrustingen.

§ 2. De hogescholen en de universiteiten kunnen de kosten die voortvloeien uit de samenwerkingsakkoorden, vermeld in artikel II.172, II.173, IV.55 en V.223, of uit de deelneming aan de associaties, vermeld in deel II, titel I, hoofdstuk II, aanrekenen op de jaarlijkse werkingsuitkering.

§ 3. De uitgaven in verband met de sociale voorzieningen voor het personeel van de hogescholen en universiteiten, bezoldigd ten laste van de werkingsuitkering, kunnen aangerekend worden op de werkingsuitkering.

§ 4. Het universiteitsbestuur kan een bedrag uit het Bijzonder Onderzoeksfonds, dat krachtens artikel 63/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid in elke universiteit werd ingesteld, bij het bedrag van de werkingsuitkering voegen voor de dekking van de gewone uitgaven, vermeld in paragraaf 1.

De Vlaamse Regering kan een maximumpercentage vastleggen van de bijdrage van de Vlaamse Gemeenschap in het Bijzonder Onderzoeksfonds dat getransfereerd mag worden naar de werkingsuitkering.

Afdeling 2. De financieringsvoorwaarden

Art. III.3.

§ 1. Om in aanmerking te komen voor de financiering van een hogeschool of universiteit moet een student voldoen aan de volgende criteria :

1° inschrijving : studenten komen alleen in aanmerking als ze in het betreffende academiejaar met de instelling een diplomacontract of een creditcontract hebben gesloten en zijn ingeschreven voor :

a) een of meer bachelor- of masteropleidingen, opgenomen in het Hogeronderwijsregister;

b) een of meer opleidingsonderdelen die behoren tot 1 of meer bachelor- of masteropleidingen;

c) een schakelprogramma of een voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding;

d) een of meer opleidingen in het hoger beroepsonderwijs;

e) een of meer opleidingsonderdelen die behoren tot 1 of meer opleidingen in het hoger beroepsonderwijs;

2° nationaliteit : studenten komen alleen in aanmerking als ze aan 1 van de volgende voorwaarden beantwoorden :

a) ze zijn onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;

b) ze zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van onbeperkte duur in België, zoals bepaald bij de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

c) ze zijn slachtoffer van mensenhandel, geattesteerd door een door de federale overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel;

d) ze zijn student met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van bepaalde duur in België op basis van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

e) ze verblijven op 31 december van het betrokken academiejaar gedurende een onafgebroken periode van minstens 12 maanden wettig in België, en dit wettig verblijf werd niet verleend om in België hoger onderwijs te volgen of te werken, noch werd het verleend in afwachting van een uitspraak in een asielprocedure om erkend te worden als vluchteling of als persoon die recht heeft op de subsidiaire bescherming, overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

f) ze hebben op basis van de artikelen 10, 10bis, 40bis of 40ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de toelating gekregen om een persoon, zoals bedoeld in §1 of §2, 1° tot en met 7°, van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, of een persoon die op 31 december van het betrokken academiejaar minstens 12 maanden wettig verblijft in België om hoger onderwijs te volgen of te werken, te begeleiden of te vervoegen;

g) ze zijn onderhorige van de landen die met België of de Vlaamse Gemeenschap een cultureel akkoord hebben gesloten, en ze hebben, binnen het kader en de grenzen van het cultureel akkoord, een studiebeurs gekregen van de Vlaamse Gemeenschap;

h) ze zijn kandidaat vluchteling of hun ouders zijn kandidaat vluchteling en de student verblijft al van zijn minderjarigheid in België en heeft niet zelf een asielaanvraag ingediend. De asielaanvraag werd ontvankelijk verklaard voor 1 juni 2007 en hun procedure is nog lopende bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen, bij de Vaste Beroepsommissie voor Vluchtelingen, of bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen;

i) het zijn andere personen dan de personen vermeld in a) tot en met h), en andere personen dan de personen die ten laste zijn van de nationale kredieten voor ontwikkelingssamenwerking zonder dat :

1) het aantal studiepunten gegenereerd door die buitenlandse studenten onder diplomacontract, meer bedraagt dan 2% van het totale aantal studiepunten voor de berekening van de onderwijssokkel, zoals bepaald in artikel III.7, voor die hogeschool of universiteit;

2) het aantal financieringspunten gegenereerd door die buitenlandse studenten onder diplomacontract, meer bedraagt dan 2% van het totale aantal financieringspunten, berekend zoals bepaald in artikel III.11, §2, in de hogeschool of universiteit. Voor de berekening van de financiering wordt rekening gehouden met de categorie waartoe de betrokkene behoort op het ogenblik van de inschrijving in het betreffende academiejaar;

3° leerkrediet : in een initiële bachelor- en masteropleiding komen studenten alleen in aanmerking als ze een positief leerkrediet hebben.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, punt 2°, wordt voor de transnationale Universiteit Limburg conform artikel 7 van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg, ondertekend in Maastricht op 18 januari 2001, enkel rekening gehouden met :

1° de studenten die de Belgische nationaliteit bezitten;

2° de studenten met een andere nationaliteit dan de Belgische of de Nederlandse, die pro rata aangerekend worden aan elk van de verdragsluitende partijen volgens de aantallen studenten die respectievelijk de Nederlandse en de Belgische nationaliteit bezitten.

Voor de bepaling van die aantallen wordt rekening gehouden met de nationaliteit van de betrokkenen op het ogenblik van de inschrijving voor het academiejaar in kwestie.

§ 3. De toepassing van de volgende zinsnede in paragraaf 1, punt 2°, i), "en andere personen dan de personen die ten laste zijn van de nationale kredieten voor ontwikkelingssamenwerking", wordt opgeschort, vanaf het begrotingsjaar 2013 tot en met het begrotingsjaar [2018].

Decr. 17-6-2016

Art. III.4.

§1. Het aantal opgenomen en verworven studiepunten van een student wordt berekend over een academiejaar.

Het instellingsbestuur legt het tijdstip, eventueel per semester, vast tot waarop wijzigingen van of in een diplomacontract, die gevolgen hebben voor het aantal opgenomen studiepunten, mogelijk zijn. In ieder geval valt de uiterste datum voor wijzigingen vóór de start van de examens die betrekking hebben op de desbetreffende opgenomen studiepunten.

Het instellingsbestuur legt tevens het tijdstip vast tot waarop het mogelijk is dat bij het voortijdig beëindigen van een opleiding de student uitgeschreven wordt voor het aantal opgenomen studiepunten. De uiterste datum van uitschrijving voor het aantal opgenomen studiepunten bij de voortijdige beëindiging van een opleiding valt voor de eerste examenperiode, vastgelegd voor de desbetreffende opleiding.

Het instellingsbestuur maakt de regels daarvoor op duidelijke wijze kenbaar, ten minste een maand voor de start van de inschrijvingen.

Uitschrijvingen voor opleidingsonderdelen door studenten onder creditcontract kunnen geen wijzigingen geven in het aantal opgenomen studiepunten.

§2. Voor de berekening van de financiering voor initiële bachelor- en masteropleidingen van een instelling komen enkel de opgenomen en verworven studiepunten in aanmerking waarvoor de student een toereikend leerkrediet heeft op het moment van de inschrijving.

Afdeling 3. Het financieringsmechanisme

Onderafdeling 1. De samenstelling van de enveloppe

Art. III.5.

§ 1. De totale werkingsuitkering (Wtot) voor de hogescholen en de universiteiten is samengesteld uit de volgende componenten :

1° een onderwijssokkel voor de hogescholen en universiteiten (SOW);

2° een variabel onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen aan de hogescholen (VOWprof);

3° een variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen (VOWac);

4° een variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten (VOWun);

5° een onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun);

6° een variabel onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun).

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2014 is de totale werkingsuitkering (Wtot) voor de hogescholen en de universiteiten samengesteld uit de volgende componenten :

1° een onderwijssokkel voor de professioneel gerichte opleidingen, met uitzondering van de professioneel gerichte kunstopleidingen, aan de hogescholen (SOWprof2014);

2° een onderwijssokkel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts (SOWhko2014);

3° een onderwijssokkel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten (SOWun2014);

4° een variabel onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen, met uitzondering van de professioneel gerichte kunstopleidingen, aan de hogescholen (VOWprof2014);

5° een variabel onderwijsdeel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts (VOWhko2014);

6° een variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten (VOWun2014);

7° een onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun2014);

8° een variabel onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun2014).

Het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen, met uitzondering van de professioneel gerichte kunstopleidingen, aan de hogescholen (VOWprof2014) is het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen aan de hogescholen (VOWprof), vermeld in paragraaf 1, zonder het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte kunstopleidingen en vermeerderd met de bedragen uit de kolom "VOWprof2014", vermeld in paragraaf 12.

Het variabele onderwijsdeel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts (VOWhko2014) is de samenvoeging van het variabele onderwijsdeel voor de academisch gerichte kunstopleidingen aan de hogescholen (VOWhko), vermeld in paragraaf 5, en het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte kunstopleidingen, en vermeerderd met de bedragen uit de kolommen "VOWhko2014 bedrag bijkomende middelen" en "VOWhko2014 bedrag bijzondere weddeschalen", vermeld in paragraaf 12.

Het variabele onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten (VOWun2014) is de samenvoeging van het variabele onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten (VOWun), vermeld in paragraaf 1, en het variabele onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen (VOWac), vermeld in paragraaf 1, zonder het variabele onderwijsdeel voor de academisch gerichte kunstopleidingen aan de hogescholen (VOWhko), vermeld in paragraaf 5, en vermeerderd met de bedragen uit de kolommen "VOWun2014 puntengewichten" en "VOWun2014 ZAP", vermeld in paragraaf 13.

De onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun2014) is gelijk aan de onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun), vermeld in paragraaf 13.

Het variabele onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun2014) is het variabele onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun), vermeld in paragraaf 1, vermeerderd met de bedragen uit de kolom "VOZun2014 ZAP", vermeld in paragraaf 13.

§ 3. Bij de universiteiten is de verhouding (sokkel onderwijs SOWun + variabel onderwijsdeel VOWun) ten opzichte van (sokkel onderzoek SOZun + variabel onderzoeksdeel SOZun) gelijk aan 55 %/45 %. Hierbij is de sokkel onderwijs SOWun gelijk aan de som van de onderwijssokkels van alle universiteiten, berekend overeenkomstig de bepalingen in artikel III.9.

§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden voor de berekening van de 55%/45%-verhouding, vermeld in paragraaf 3, de volgende bedragen in rekening gebracht :

1° voor de berekening van het onderwijsaandeel (55%) :

a) het bedrag van de onderwijssokkel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten (SOWun2014), vermeld of berekend conform dit artikel, verminderd met 13.269.816,83 euro;

b) het bedrag van het variabele onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten (VOWun), vermeld of berekend conform dit artikel, en vermeerderd met het bedrag uit de kolom "VOWun2014 ZAP", vermeld in paragraaf 13;

2° voor de berekening van het onderzoeksaandeel (45%) :

a) het bedrag van de onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun), als vermeld of berekend conform dit artikel;

b) het bedrag van het variabele onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun), en vermeerderd met het bedrag uit de kolom "VOZun2014ZAP", vermeld in paragraaf 13.

Het bedrag, vermeld in punt 1°, a), wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9.

§ 5. Voor de componenten, vermeld in paragraaf 1, worden de volgende bedragen vastgelegd (uitgedrukt in euro) :

Vanaf begrotingsjaar 2011

SOW

106.006.274,49

VOWprof

388.455.586,86

VOWac

168.108.359,32

VOWun

332.386.458,65

SOZun

111.306.588,21

VOZun

186.768.469,67

Van het bedrag VOWac is 64.006.448,76 euro, hierna het bedrag VOWhko te noemen, uitgetrokken voor de academisch gerichte kunstopleidingen aan de hogescholen. Als het bedrag voor het variabel onderwijsdeel VOWac evolueert overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel III.6, §1, wordt tot en met het begrotingsjaar 2013 het bedrag VOWhko met hetzelfde percentage aangepast.

Vanaf het begrotingsjaar 2011 :

1° kan het bedrag VOZun, vermeld in het eerste lid, evolueren overeenkomstig de bepaling, vermeld in paragraaf 3;

2° kunnen de bedragen VOWprof, VOWac en VOWun, vermeld in het eerste lid, evolueren overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikel III.6, §1.

De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn op indexniveau 2011.

§ 6. Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden voor de componenten SOWprof2014, SOWhko2014 en SOWun2014, vermeld in paragraaf 2, de volgende bedragen vastgelegd :

1° SOWprof2014

59.667.613,95 euro

2° SOWhko2014

3.845.018,60 euro

3° SOWun2014

42.493.641,94 euro

Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt VOWprof, vermeld of berekend overeenkomstig dit artikel, verminderd met 1.610.586,54 euro. Dit bedrag wordt toegevoegd aan VOWhko.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt VOWhko, vermeld of berekend overeenkomstig dit artikel, verminderd met 1.286.616,29 euro. Dit bedrag wordt toegevoegd aan VOWac.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 is het bedrag van het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte kunstopleidingen dat overeenkomstig paragraaf 2 vanaf het begrotingsjaar afgetrokken moet worden van het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen VOWprof en toegevoegd moet worden aan het variabele onderwijsdeel VOWhko gelijk aan 1.612.828,83 euro.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 tot en met het begrotingsjaar 2017 wordt het bedrag van de onderzoekssokkel SOZun jaarlijks met 1.325.078,43 euro verminderd. Dat bedrag wordt jaarlijks toegevoegd aan het bedrag van het variabele onderzoeksdeel VOZun.

De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn op indexniveau 2011.

§ 7. Vanaf het begrotingsjaar 2014 kunnen de bedragenVOWac, verminderd met het bedrag van het variabele onderwijsdeel VOWhko en vermeerderd met het bedrag uit de kolom VOWun2014-puntengewichten vermeld in paragraaf 13, VOWun vermeerderd met het bedrag uit de kolom VOWun2014ZAP vermeld in paragraaf 13 , VOWprof2014 en VOWhko2014, berekend overeenkomstig dit artikel, evolueren overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikel III.6, §2.

§ 8. In de begrotingsjaren 2011, 2012 en 2013 wordt een bedrag van 7.387.577,27 euro toegevoegd aan de totale werkingsuitkering (Wtot) van de hogescholen en universiteiten.

§ 9. Vanaf de begrotingsjaren [2012, 2013 en 2015] worden de bedragen, vermeld in paragraaf 5, paragraaf 6 en paragraaf 8, geïndexeerd aan de hand van de volgende formule :

1° 80% van de bedragen volgen de evolutie van de gezondheidsindex;

2° 20% van de bedragen volgen 75% van de evolutie van de gezondheidsindex.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden voor de begrotingsjaren 2012 en 2013 de bedragen vermeld in paragraaf 5, paragraaf 6 en paragraaf 8, geïndexeerd aan de hand van de volgende formule : 80% van de bedragen volgen de evolutie van de gezondheidsindex.

Decr. 19-12-2014

§ 10. De bedragen VOWprof, als vermeld in of berekend conform dit artikel, worden vermeerderd met volgende bedragen, uitgedrukt in euro :

Begrotingsjaar 2011

290.291,99

Begrotingsjaar 2012

580.583,98

Begrotingsjaar 2013

870.875,96

Begrotingsjaar 2014

1.161.167,95

Vanaf begrotingsjaar 2015

1.451.459,94

Vanaf het begrotingsjaar 2009 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9.

§ 11. Voor het begrotingsjaar 2010 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 9 en 10 van dit artikel, III.9, §8, laatste lid, III.21, § 4, eerste lid en artikel III.21, § 4, eerste lid in artikel III.123, III.24, § 3, III.34, § 2 en § 5, tweede lid, III.37, § 2, III.40, § 2, III.43, § 1, derde lid, III.59, § 3, III.77, tweede lid en III.114, § 3 niet toegepast.

Voor de begrotingsjaren 2012 en 2013 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid van dit artikel, artikel III.9, § 8, laatste lid, III.21, § 4, eerste lid en III.21, §4, eerste lid in artikel III.123, III.24, § 3, III.34, § 5, tweede lid, III.37, § 1, tweede lid, III.40, §2, III.43, § 1, derde lid, III.45, § 1, tweede lid, III.59, § 3, III.77, tweede lid en III.114, § 3 toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid.

[Voor het begrotingsjaar 2015 worden de indexeringsbepalingen opgenomen in paragraaf 4, 10 en 12, derde lid, van dit artikel, artikel III.9, § 8, laatste lid, III.21, § 4, eerste lid, en III.21, § 4, eerste lid, in artikel III.123, III.24, § 3, III.34, § 5, tweede lid, III.37, § 1, tweede lid, III.40, § 2, III.43, § 1, derde lid, III.45, § 1, tweede lid, III.59, § 3, III.77, tweede lid, en III.114, § 3, toegepast overeenkomstig de bepaling in paragraaf 9, tweede lid.]

Decr. 19-12-2014

§ 12. De bedragen VOWprof, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden vermeerderd met de volgende bedragen en de bedragen vermeld in paragraaf 1, zijn de volgende (uitgedrukt in euro) :

begrotingsjaar

VOWprof

VOWprof2014

VOWhko2014

bedrag professionele kunstopleidingen

bedrag bijzondere weddeschalen

2012

800.000

2013

5.200.000

2014

7.500.000

100.000

2015

10.900.000

100.000

900.000

2016

14.300.000

100.000

3.700.000

2017

17.666.520

100.000

3.700.000

2018

20.966.520

100.000

3.700.000

2019

24.366.520

100.000

3.700.000

2020

27.766.520

100.000

3.700.000

2021

31.166.520

100.000

3.700.000

2022

34.566.520

100.000

3.700.000

vanaf 2023

37.066.520

100.000

3.700.000

De bedragen die in het begrotingsjaar t nominaal worden toegevoegd, zijnde de verschillen tussen de bedragen voor het begrotingsjaar t en de bedragen voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in deze paragraaf, worden vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen voor VOWprof en VOWprof2014 als een geheel beschouwd.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt jaarlijks een bedrag toegevoegd van 1.254.057,83 euro aan VOWhko2014. Dit bedrag is op indexniveau 2011 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule vermeld in paragraaf 9.

Het bedrag dat nodig is voor de aanpassing van de regeling van de bijzondere weddeschalen, wordt alleen toegekend als er een generieke regeling is uitgewerkt voor de uitoefening van nevenactiviteiten in het hoger onderwijs.

§ 13. De bedragen VOWun en VOZun, als vermeld of berekend conform dit artikel, worden vermeerderd met de volgende bedragen en de bedragen, vermeld in paragraaf 2, zijn de volgende (uitgedrukt in euro) :

[Begrotingsjaar

VOWun

VOWun2014

VOZun

VOZun2014

ZAP

Puntengewichten

ZAP

ZAP

ZAP

2012

440.000

360.000

2013

1.925.000

1.575.000

2014

2.000.000

3.575.000

2.925.000

2015

3.000.000

5.115.000

4.185.000

2016

3.519.000

5.971.000

4.886.000

2017

4.519.000

7.511.000

6.146.000

2018

5.519.000

8.996.000

7.361.000

2019

6.519.000

10.591.000

8.666.000

2020

7.519.000

12.186.000

9.971.000

2021

8.519.000

13.726.000

11.231.000

2022

9.159.000

15.321.000

12.536.000

2023

11.219.000

16.476.000

13.481.000

vanaf 2024

11.700.000

17.270.000

14.130.000]

De bedragen die in het begrotingsjaar t nominaal worden toegevoegd, zijnde de verschillen tussen de bedragen voor het begrotingsjaar t en de bedragen voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in deze paragraaf, worden vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen voor VOWunZAP en VOWun2014ZAP, evenals de bedragen voor VOZunZAP en VOZun2014ZAP als 1 geheel beschouwd.

Decr. 18-12-2015

[§ 14. Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden de bedragen VOWprof2014, VOWhko2014, VOWun2014 en VOZun2014, als vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met de volgende bedragen :

1° VOWprof2014: 3.442.783,00 euro;

2° VOWhko2014: 237.334,63 euro;

3° VOWun2014: 1.557.261,72 euro;

4° VOZun2014: 1.274.123,23 euro.

De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn op indexniveau 2015 en worden vanaf het begrotingsjaar 2016 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.]

Decr. 19-12-2014

[§ 15. Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden de bedragen VOWprof2014 en VOWhko2014 als vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met de volgende bedragen :

1° VOWprof2014: 3.031.000 euro;

2° VOWhko2014: 452.000 euro.

De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn op indexniveau 2016 en worden vanaf het begrotingsjaar 2017 jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.]

Decr. 18-12-2015

[§ 16. Volgende bedragen, uitgedrukt in euro, worden toegevoegd aan de bedragen VOWprof, als vermeld of berekend overeenkomstig dit artikel :

Begrotingsjaar 2019

25.594,20

Begrotingsjaar 2020

51.188,40

Begrotingsjaar 2021

76.782,60

Vanaf begrotingsjaar 2022

102.376,80

Vanaf het begrotingsjaar 2018 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9 van dit artikel.]

Decr. 30-6-2017

Art. III.6.

§ 1. In de begrotingsjaren 2011 tot en met 2013 volgen de bedragen voor de variabele onderwijsdelen VOWprof, VOWac en VOWun, vermeld in artikel III.5, de evolutie van het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende onderwijsdeel. De bedragen voor de variabele onderwijsdelen VOWprof, VOWac en VOWun evolueren als volgt :

1° als het aantal opgenomen studiepunten in een variabel onderwijsdeel berekend voor het begrotingsjaar t, toeneemt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten, vermeld in het tweede lid, dan neemt het bedrag voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in dat begrotingsjaar toe met 2%;

2° als het aantal opgenomen studiepunten in een variabel onderwijsdeel berekend voor het begrotingsjaar t, daalt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten, vermeld in het tweede lid, dan vermindert het bedrag voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in dat begrotingsjaar met 2%.

Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in een variabel onderwijsdeel voor het begrotingsjaar t worden het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich ingeschreven hebben voor initiële bachelor- of masteropleidingen of voor basisopleidingen in afbouw binnen het desbetreffende variabel onderwijsdeel. Voor de overgangsjaren 2001-2002 tot en met 2004-2005 wordt het aantal opgenomen studiepunten vervangen door het aantal hoofdinschrijvingen voor de basisopleidingen in het desbetreffende academiejaar, vermenigvuldigd met een factor 57.

De eerste referentiepunten in een variabel onderwijsdeel VOWprof, VOWac of VOWun zijn gelijk aan het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in de academiejaren 2001-2002 tot en met 2005-2006, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen in het voorgaande lid.

Bij elke daling of stijging van het aantal opgenomen studiepunten met 2% of meer in een variabel onderwijsdeel worden er nieuwe referentiepunten vastgelegd voor dat onderwijsdeel. De nieuwe referentiepunten zijn gelijk aan de vorige referentiepunten plus of min 2%.

In het variabel onderwijsdeel VOWac worden de opgenomen studiepunten gegenereerd in de academisch gerichte kunstopleidingen niet in aanmerking genomen voor de berekeningen vermeld in deze paragraaf.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2014 evolueren de bedragen voor de variabele onderwijsdelen VOWun vermeerderd met het bedrag uit de kolom VOWun2014ZAP vermeld in artikel III.5, §13, VOWac verminderd met het bedrag van het variabele onderwijsdeel VOWhko en vermeerderd met het bedrag uit de kolom VOWun2014puntengewichten vermeld in artikel III.5, §13, VOWprof2014 enVOWhko2014 overeenkomstig de bepalingen, vermeld in paragraaf 1.

Het aantal opgenomen studiepunten in de variabele onderwijsdelen wordt vastgesteld overeenkomstig paragraaf 1.

Bij het variabele onderwijsdeel VOWprof2014 worden de opgenomen studiepunten in de professioneel gerichte kunstopleidingen niet meegerekend voor de relevante academiejaren, nodig voor het berekenen van het vijfjarige gemiddelde.

Bij het variabele onderwijsdeel VOWhko2014 worden de opgenomen studiepunten in de kunstopleidingen meegerekend voor de relevante academiejaren, nodig voor het berekenen van het vijfjarige gemiddelde.

Bij het variabele onderwijsdeel VOWac worden de opgenomen studiepunten in de academisch gerichte kunstopleidingen niet meegerekend voor de relevante academiejaren, nodig voor het berekenen van het vijfjarig gemiddelde.

De referentiepunten voor het variabele onderwijsdeel VOWprof2014 worden vastgesteld conform paragraaf 1, waarbij de opgenomen studiepunten bij de professioneel gerichte kunstopleidingen niet meegerekend worden voor de relevante academiejaren, nodig voor het berekenen van het vijfjarige gemiddelde.

De referentiepunten voor het variabele onderwijsdeel VOWac worden vastgesteld conform paragraaf 1, waarbij de opgenomen studiepunten bij de academisch gerichte kunstopleidingen niet meegerekend worden voor de relevante academiejaren, nodig voor het berekenen van het vijfjarige gemiddelde.

De eerste referentiepunten voor het variabele onderwijsdeel VOWhko2014 zijn gelijk aan het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten in de academiejaren 2006-2007 tot en met 2010-2011 in de kunstopleidingen, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen in paragraaf 1. De referentiepunten voor het variabele onderwijsdeel VOWhko evolueren overeenkomstig de bepaling in paragraaf 1.

[De opgenomen studiepunten in een door de Vlaamse Regering conform artikel II.153 van de Codex Hoger Onderwijs nieuwe erkende opleiding, aangeboden door een universiteit in een studiegebied dat met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd is in de universiteiten, worden meegerekend voor het variabel onderwijsdeel VOWun.]

§ 3. Na elke stijging of daling van het bedrag van een variabel onderwijsdeel wordt dat bedrag vastgelegd en is het de vertrekbasis voor de toekomstige berekeningen.

§ 4. De Vlaamse Regering voert jaarlijks een analyse uit van de evolutie van het aantal financieringspunten in elk variabel onderwijsdeel en van de evolutie van de instroom, doorstroom en uitstroom.

Voor zover de waarde van een financieringspunt in het desbetreffende variabele onderwijsdeel ten minste 2% lager is dan de gemiddelde waarde per financieringspunt over de 3 variabele onderwijsdelen heen, wordt de aanpassing van een variabel onderwijsdeel geannuleerd in het geval van een daling van het aantal financieringspunten in het betreffende onderwijsdeel met meer dan 2%. Deze afwijking van paragraaf 1 geldt tot en met het begrotingsjaar 2013.

De waarde van een financieringspunt in een variabel onderwijsdeel in het begrotingsjaar t is gelijk aan het bedrag van het betreffende variabel onderwijsdeel, vermeld in artikel III.5, gedeeld door het totale aantal financieringspunten van dat variabel onderwijsdeel, berekend voor het begrotingsjaar t overeenkomstig de bepalingen in artikel III.11, §2.

In het variabel onderwijsdeel VOWac is de waarde van een financieringspunt in het begrotingsjaar t gelijk aan het bedrag VOWac verminderd met het bedrag VOWhko en gedeeld door het totale aantal financieringspunten, met uitzondering van de financieringspunten gegenereerd in de academisch gerichte opleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten, in het variabel onderwijsdeel VOWac, berekend voor het begrotingsjaar t overeenkomstig de bepalingen in artikel III.11, §2.

Decr. 17-6-2016

[Art. III.6/1.

[[In afwijking van artikel III.6, § 1, § 2 en § 3, van deze codex, evolueren in de begrotingsjaren 2015 en 2016 de bedragen van de variabele onderwijsdelen niet als het aantal opgenomen studiepunten in het desbetreffende variabele onderwijsdeel berekend voor de begrotingsjaren 2015 en 2016 toeneemt met ten minste 2% ten opzichte van de referentiepunten. Er worden ook geen nieuwe referentiepunten vastgelegd bij een eventuele stijging van 2% of meer van het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabele onderwijsdeel.]] ]

Decr. 19-12-2014; [[ ]] Decr. 18-12-2015

Onderafdeling 2. De onderwijssokkel

Art. III.7.

§ 1. Voor de berekeningen van de onderwijssokkel wordt voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in een instelling (OSTPi) voor het begrotingsjaar t het gemiddelde aantal studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een initiële bachelor- of masteropleiding in de desbetreffende instelling.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in een hogeschool voor het begrotingsjaar t het gemiddeld aantal studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een initiële professioneel gerichte bacheloropleiding, zonder de professioneel gerichte kunstopleidingen, of voor een initiële kunstopleiding in de desbetreffende hogeschool.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in een universiteit voor het begrotingsjaar t het gemiddeld aantal studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een initiële academische gerichte bachelor-of masteropleiding in de desbetreffende universiteit. Voor de vaststelling van dit aantal opgenomen studiepunten wordt het aantal opgenomen studiepunten van de academisch gerichte hogeschoolopleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in de universiteit, geacht behoord te hebben tot de universiteit tijdens de relevante academiejaren, nodig voor de berekening van het vijfjarige gemiddelde.

§ 3. Vanaf het academiejaar 2013-2014 behoudt een instelling bij de afbouw of stopzetting van een opleiding in het academiejaar t-1/t het aantal opgenomen studiepunten voor die opleiding, berekend voor het begrotingsjaar t overeenkomstig dit artikel, tot en met het begrotingsjaar t+5. In de begrotingsjaren t+6 en t+7 worden de bevroren studiepunten jaarlijks verminderd met 50%.

Deze bepaling is voor de hogescholen niet van toepassing op de academisch gerichte opleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 worden overgedragen naar een universiteit.

§ 4. Voor de berekeningen van alle componenten van de werkingsuitkering worden de Universiteit Hasselt en de transnationale Universiteit Limburg als een universiteit beschouwd.

Art. III.8.

§ 1. Om voor een onderwijssokkel in het begrotingsjaar t in aanmerking te komen, moet een hogeschool of universiteit voldoen aan de minimale instellingsnorm, waarbij het aantal opgenomen studiepunten in de desbetreffende instelling OSTPi, berekend zoals bepaald in artikel III.7, groter is dan of gelijk is aan 90.000.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt in het begrotingsjaar 2014 en 2015 een onderwijssokkel toegekend aan die hogescholen, waarbij, door de overdracht van de academisch gerichte opleidingen aan een universiteit, het aantal opgenomen studiepunten in de instelling, berekend zoals bepaald in artikel III.7, §2, kleiner is dan 90.000.

De onderwijssokkel van een hogeschool, vermeld in het eerste lid, wordt berekend overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikel III.9, §2.

Art. III.9.

§ 1. Voor de berekening van de onderwijssokkel van een hogeschool of universiteit (SOWi) wordt het bedrag van de totale onderwijssokkel SOW, vermeld in artikel III.5, en verminderd met de forfaitaire sokkel van de transnationale Universiteit Limburg/Universiteit Hasselt, vermeld in paragraaf 3, omgeslagen over de hogescholen en universiteiten die voldoen aan de minimale instellingsnorm op basis van het aantal opgenomen studiepunten, vermenigvuldigd met een gewichtsfactor, overeenkomstig de volgende formule :

SOWi = gOSTPi x SOWa / Sigma i gOSTPi

waarbij :

1° SOWi gelijk is aan de onderwijssokkel van instelling i;

2° gOSTPi gelijk is aan het aantal opgenomen studiepunten OSTPi in instelling i, berekend overeenkomstig artikel III.7 en vermenigvuldigd met de gewichtsfactor, vermeld in paragraaf 2;

3° SOWa gelijk is aan de totale onderwijssokkel, vermeld in artikel III.5, verminderd met het bedrag van de forfaitaire sokkel van de transnationale Universiteit Limburg/Universiteit Hasselt.

De sommatie i loopt over alle instellingen die voldoen aan de minimale instellingsnorm.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt voor de berekening van de onderwijssokkel van een hogeschool de volgende formule toegepast :

SOWi = SOWi-prof2014 + SOWi-hko2014

waarbij :

1° SOWi gelijk is aan de onderwijssokkel voor hogeschool i;

2° SOWi-prof2014 = gOSTPi-prof2014 x SOWprof2014 / Sigma i gOSTP-prof2014;

waarbij :

a) SOWi-prof2014 gelijk is aan de onderwijssokkel voor de professioneel gerichte opleidingen, met uitzondering van de professioneel gerichte kunstopleidingen, in hogeschool i;

b) SOWprof2014 gelijk is aan de onderwijssokkel voor de professioneel gerichte opleidingen, met uitzondering van de professioneel gerichte kunstopleidingen, in de hogescholen, vermeld in artikel III.5;

c) gOSTPi-prof2014 gelijk is aan het aantal opgenomen studiepunten voor de professioneel gerichte opleidingen, met uitzondering van de professioneel gerichte kunstopleidingen, in hogeschool i, berekend overeenkomstig artikel III.7 en vermenigvuldigd met de gewichtsfactor, vermeld in paragraaf 6 van dit artikel;

3° SOWi-hko2014 = gOSTPi-hko2014 x SOWhko2014 / Sigma i gOSTP-hko2014;

waarbij :

a) SOWi-hko2014 gelijk is aan de onderwijssokkel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts in hogeschool i;

b) gOSTPi-hko2014 gelijk is aan het totale aantal opgenomen studiepunten voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts in hogeschool i, berekend overeenkomstig artikel III.7 en vermenigvuldigd met de gewichtsfactor, vermeld in paragraaf 6;

c) SOWhko2014 gelijk is aan de onderwijssokkel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts, vermeld in artikel III.5.

De sommatie Sigma i loopt over het aantal hogescholen die overeenkomstig artikel III.8 in aanmerking komen voor een onderwijssokkel.

§ 3. Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt voor de berekening van de onderwijssokkel van een universiteit de volgende formule toegepast :

SOWi-un2014 = gOSTPi-un2014 x (SOWun2014 - bedrag van de forfaitaire sokkel voor de transnationale Universiteit Limburg/Universiteit Hasselt, vermeld in paragraaf 8) / Sigma i gOSTP-un2014;

waarbij :

1° SOWi-un2014 gelijk is aan de onderwijssokkel voor de academisch gerichte opleidingen in universiteit i;

2° gOSTPi-un2014 gelijk is aan het aantal opgenomen studiepunten voor de academisch gerichte opleidingen in universiteit i, berekend overeenkomstig artikel III.7 en vermenigvuldigd met de gewichtsfactor, vermeld in paragraaf 7 van dit artikel;

3° SOWun2014 gelijk is aan de onderwijssokkel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten, vermeld in artikel III.5.

De sommatie Sigma i loopt over het aantal universiteiten die voldoen aan de minimale instellingsnorm.

§ 4. Als de Vlaamse Regering een aangepast sokkelbedrag heeft toegekend aan een gefuseerde instelling, als vermeld in artikel III.10, wordt in afwijking van paragraaf 2 het bedrag van de aangepaste sokkel voorafgenomen van de desbetreffende sokkel, namelijk SOWprof2014, SOWhko2014 of SOWun2014, voor die bedragen verdeeld worden overeenkomstig paragraaf 2.

§ 5. Per instelling wordt het aantal opgenomen studiepunten OSTPi vermenigvuldigd met de volgende gewichtsfactor :

1° het aantal opgenomen studiepunten dat kleiner is dan of gelijk is aan 360.000 : factor 3;

2° het aantal opgenomen studiepunten dat groter is dan 360.000 en kleiner is dan of gelijk is aan 720.000 : factor 2;

3° het aantal opgenomen studiepunten dat groter is dan 720.000 : factor 0.

§ 6. Bij de hogescholen wordt vanaf het begrotingsjaar 2014 het aantal opgenomen studiepunten OSTPi-prof2014 en OSTPi-hko2014 vermenigvuldigd met de volgende gewichtsfactor :

1° het aantal opgenomen studiepunten dat kleiner is dan of gelijk is aan het getal, opgenomen in kolom 2 van de onderstaande tabel: factor 3;

2° het aantal opgenomen studiepunten dat groter is dan het bedrag, opgenomen in kolom 2 van de onderstaande tabel, en kleiner is dan of gelijk is aan het bedrag, opgenomen in kolom 3 van de onderstaande tabel: factor 2;

3° het aantal opgenomen studiepunten dat groter is dan het bedrag, opgenomen in kolom 3 van de onderstaande tabel: factor 0.

begrotingsjaar

kolom 2

kolom 3

2014

360.000

720.000

2015

370.000

740.000

2016

380.000

760.000

2017

390.000

780.000

2018

400.000

800.000

2019

410.000

820.000

2020

420.000

840.000

2021

430.000

860.000

2022

440.000

880.000

2023

450.000

900.000

§ 7. Bij de universiteiten wordt vanaf het begrotingsjaar 2014 het aantal opgenomen studiepunten OSTPi-un2014 vermenigvuldigd met de volgende gewichtsfactor :

1° het aantal opgenomen studiepunten dat kleiner is dan of gelijk is aan 450.000: factor 3;

2° het aantal opgenomen studiepunten dat groter is dan 450.000 en kleiner is dan of gelijk is aan 900.000: factor 2;

3° het aantal opgenomen studiepunten dat groter is dan 900.000 en kleiner is dan of gelijk is aan 1.800.000: factor 1;

4° het aantal opgenomen studiepunten dat groter is dan 1.800.000: factor 0.

§ 8. De onderwijssokkel van de transnationale Universiteit Limburg/Universiteit Hasselt, berekend overeenkomstig paragraaf 1, wordt verhoogd met een forfaitaire sokkel van 1.057.000 euro.

Vanaf het begrotingsjaar 2008 wordt dit bedrag geïndexeerd volgens de bepalingen in artikel III.5, §9.

Art. III.10.

Bij een fusie van 2 of meer hogeronderwijsinstellingen kan de Vlaamse Regering vanaf het begrotingsjaar 2014 tot en met het begrotingsjaar 2017 een aangepaste sokkelregeling toekennen aan een gefuseerde hogeronderwijsinstelling. De betrokken instellingen dienen daarvoor een aanvraag in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, vóór 1 maart van het academiejaar dat voorafgaat aan het academiejaar van de fusie. Bij de beoordeling van de aanvraag gaat de Vlaamse Regering na of de fusieoperatie voldoende rationalisatie-elementen bevat. De Vlaamse Regering neemt een beslissing vóór 1 mei van het jaar waarin de aanvraag ingediend is.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen voor de procedure van aanvraag en de beoordeling van de aanvraagdossiers.

Bij een positieve beslissing ontvangt de gefuseerde instelling, bij een fusie die plaatsvindt in het academiejaar t-1/t, vanaf het begrotingsjaar t tot en met het begrotingsjaar t+4, als sokkelbedrag SOWi de som van de sokkelbedragen die de gefuseerde instellingen hebben ontvangen in het begrotingsjaar t-1.

Als een fusie van 2 of meer hogescholen plaatsvindt in het academiejaar 2013-2014, wordt het sokkelbedrag SOWi van de fuserende instellingen voor het begrotingsjaar 2014 herrekend zonder de opgenomen studiepunten van de academische opleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in een universiteit.

Als het bedrag van de sokkel SOWi van de gefuseerde instelling, berekend overeenkomstig artikel III.9, §2 of §3, groter is dan de aangepaste sokkelregeling, vermeld in het eerste lid, vervalt de aangepaste sokkelregeling.

Onderafdeling 3. Het variabel onderwijsdeel

Art. III.11.

§ 1. Voor de berekening van het variabel onderwijsdeel van een hogeschool of universiteit (VOWi) worden de bedragen, vermeld in artikel III.5, omgeslagen over de verschillende hogescholen of universiteiten op basis van het aantal financieringspunten overeenkomstig de volgende formule :

1° voor de hogescholen VOWi = VOWi-prof + VOWi-ac + VOWi-hko

waarbij :

a) VOWi-prof = FPi-prof x VOWprof / ?i FPI-prof

b) VOWi-ac = FPi-ac x (VOWac - VWOhko) / ?i FPI-ac

c) VOWi-hko = FPi-hko x VOWhko / Sigma i FPi-hko

waarbij :

1) VOWi gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor hogeschool i;

2) VOWi-prof gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen in hogeschool i;

3) VOWi-ac gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen, met uitzondering van de academisch gerichte kunstopleidingen, in hogeschool i;

4) VOWi-hko gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte kunstopleidingen in hogeschool i;

5) FPi-prof gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de professioneel gerichte opleidingen in hogeschool i;

6) VOWprof gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen, vermeld in artikel III.5;

7) FPi-ac gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de academisch gerichte opleidingen, met uitzondering van de kunstopleidingen in hogeschool i;

8) VOWac gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen in de hogescholen, vermeld in artikel III.5;

9) FPi-hko gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de academisch gerichte kunstopleidingen in hogeschool i;

10) VOWhko gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte kunstopleidingen in de hogescholen, vermeld in artikel III.5.

De sommatie Sigma i loopt over het aantal hogescholen die respectievelijk professioneel of academisch gerichte opleidingen aanbieden;

2° voor de universiteiten VOWi-un = FPi-un x VWOun / Sigma i FPi-un

waarbij :

a) VOWi-un gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen in universiteit i;

b) FPi-un gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de academisch gerichte opleidingen in universiteit i;

c) VOWun gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten, vermeld in artikel III.5.

De sommatie Sigma i loopt over het aantal universiteiten.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt voor de berekening van het variabele onderwijsdeel van een hogeschool de volgende formule toegepast: VOWi = VOWi-prof2014 + VOWi-hko2014,

waarbij :

1° VOWi gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor hogeschool i;

2° VOWi-prof2014 = FPi-prof2014 x VOWprof2014 / Sigma i FPi-prof2014;

waarbij :

a) VOWi-prof2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen, met uitzondering van de professioneel gerichte kunstopleidingen, in hogeschool i;

b) FPi-prof2014 gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de professioneel gerichte opleidingen, met uitzondering van financieringspunten voor de professioneel gerichte kunstopleidingen, in hogeschool i;

c) VOWprof2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen, vermeld in of berekend overeenkomstig artikel III.5;

3° VOWi-hko2014 = FPi-hko2014 x VOWhko2014 / Sigma i FPi-hko2014;

waarbij :

a) VOWi-hko2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts in hogeschool i;

b) FPi-hko2014 gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts in hogeschool i;

c) VOWhko2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts, vermeld in of berekend overeenkomstig artikel III.5.

De sommatie Sigma i loopt over het aantal hogescholen die professioneel gerichte opleidingen of kunstopleidingen aanbieden.

§ 3. Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt voor de berekening van het variabele onderwijsdeel van een universiteit de volgende formule toegepast: VOWi-un = FPi-un2014 x VOWun2014 /Sigma i FPi-un2014, waarbij :

1° VOWi-un gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen in universiteit i;

2° FPi-un2014 gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor de academisch gerichte opleidingen in universiteit i;

3° VOWun2014 gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten, vermeld in of berekend overeenkomstig artikel III.9.

De sommatie Sigma i loopt over het aantal universiteiten.

§ 4. Het bedrag, berekend voor de financiering van de onderzoeksmasters als vermeld in paragraaf 6, wordt in afwijking van paragraaf 3 voorafgenomen van het variabel onderwijsdeel VOWun2014, voor dit bedrag verdeeld wordt overeenkomstig paragraaf 3.

§ 5. De financieringspunten, vermeld in paragraaf 1, worden als volgt berekend :

FPi = FPi-input + FPi-output + FPi-diploma + FPi-credit

waarbij :

1° FPi gelijk is aan het totale aantal financieringspunten voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in instelling i;

2° FPi-input gelijk is aan het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal opgenomen studiepunten voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in instelling i, zoals bepaald in artikel III.12;

3° FPi-output gelijk is aan het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in instelling i, zoals bepaald in artikel III.13;

4° FPi-diploma gelijk is aan het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's voor het desbetreffende variabel onderwijsdeel in instelling i, zoals bepaald in artikel III.14;

5° FPi-credit gelijk is aan het aantal financieringspunten in instelling i, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten door studenten onder creditcontract, zoals bepaald in artikel III.17.

§ 6. Voor de financiering van de onderzoeksmasters, aangeboden in het academiejaar t-l/t, wordt in het begrotingsjaar t+1 een bedrag vooraf genomen van VOWun2014 dat gelijk is aan het aantal aangeboden onderzoeksmasters vermenigvuldigd met 30.798 euro en dat ten hoogste gelijk is aan 1.231.920 euro. Van dit maximale bedrag voor de financiering van de onderzoeksmasters kunnen de universiteiten ten hoogste het volgende bedrag ontvangen :

1° de Katholieke Universiteit Leuven : 458.994,28 euro;

2° de Universiteit Hasselt en de transnationale Universiteit Limburg : 53.037,92 euro;

3° de Universiteit Antwerpen : 170.545,96 euro;

4° de Universiteit Gent : 405.628,14 euro;

5° de Vrije Universiteit Brussel : 143.713,70 euro.

Deze verdeling geldt tot en met het begrotingsjaar 2023.

§ 7. Voor de financiering van een onderzoeksmaster, aangeboden in het academiejaar t-l/t, ontvangt een universiteit een bedrag van 30.798 euro in het begrotingsjaar t+1.

Daarbij kan de financiering van alle onderzoeksmasters samen voor de betrokken instelling niet meer bedragen dan het maximale bedrag, vastgelegd in paragraaf 6 van dit artikel.

In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering het bedrag voor een onderzoeksmaster aanpassen tot maximum 92.394 euro op basis van een gemotiveerd verzoek van de betrokken instelling. Het in paragraaf 6 vastgestelde maximaal bedrag per universiteit kan hierbij niet overschreden worden.

§ 8. Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het aandeel in het onderwijsvariabel deel VOWun dat de opleidingen bachelor in de geneeskunde, master in de geneeskunde, master in de huisartsgeneeskunde van de 4 universiteiten die zowel de bacheloropleiding als masteropleiding in de geneeskunde en masteropleiding in de huisartsgeneeskunde aanbieden, genereren, vastgelegd op een bepaald percentage, zijnde het gemiddeld procentueel aandeel dat die opleidingen in VOWun van de begrotingsjaren 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 genereren. Dit bedrag wordt dan verdeeld onder de 4 universiteiten op basis van het aandeel dat elke universiteit (Universiteit Gent, Universiteit Antwerpen, Vrije Universiteit Brussel en Katholieke Universiteit Leuven) in het aantal uitgereikte diploma's in de bacheloropleiding geneeskunde en de masteropleidingen - master in de geneeskunde, master in de huisartsgeneeskunde en master in de specialistische geneeskunde - genereert.

Art. III.12.

§ 1. Het aantal financieringspunten FPi-input in het begrotingsjaar t is gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten per opleiding, zoals bepaald in paragraaf 2, over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 en het overeenkomstige puntengewicht, zoals bepaald in artikel III.19.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden, voor de vaststelling van het aantal financieringspunten FPi-input in een instelling, de opgenomen studiepunten in de academisch gerichte hogeschoolopleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in een universiteit, geacht behoord te hebben tot de universiteit tijdens de relevante academiejaren, nodig voor de berekening van het vijfjarige gemiddelde.

§ 2. Voor de berekening van het aantal opgenomen studiepunten per opleiding wordt het aantal studiepunten in aanmerking genomen waarvoor een student onder diplomacontract zich heeft ingeschreven voor een initiële bacheloropleiding tot op het ogenblik dat de student 60 studiepunten heeft verzameld in 1 en dezelfde bacheloropleiding. Voor de vaststelling van die eerste 60 studiepunten in 1 en dezelfde bacheloropleiding worden de volgende studiepunten in aanmerking genomen :

1° het aantal studiepunten waarvoor de student een creditbewijs ontvangen heeft in de desbetreffende bacheloropleiding;

2° het aantal studiepunten waarvoor de student in de desbetreffende bacheloropleiding een vrijstelling heeft gekregen voor een opleidingsonderdeel.

§ 3. Met behoud van de toepassing van de bepalingen in artikel III.4 behoudt een instelling het aantal opgenomen studiepunten door een generatiestudent als die student zich heroriënteert door in de loop van hetzelfde academiejaar te veranderen van opleiding en instelling of door over te stappen naar een opleiding van het hoger beroepsonderwijs, tenzij de uitschrijving plaatsvindt voor de start van het academiejaar.

§ 4. Het aantal opgenomen studiepunten, berekend overeenkomstig paragraaf 2, door een beursstudent, door een student met een functiebeperking en door een werkstudent wordt vermenigvuldigd met een factor 1,5.

In het geval dat een student beantwoordt aan meer dan 1 categorie van studentenkenmerken, vermeld in het eerste lid, dan wordt het aantal opgenomen studiepunten van de student verhoogd met de helft van het aantal opgenomen studiepunten van die student voor elke categorie van studentenkenmerken van toepassing op de betreffende student.

Art. III.13.

§ 1. Voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-output wordt in aanmerking genomen :

1° voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten in de initiële bacheloropleidingen (FPi-output-initieel) en in de bachelor-na-bacheloropleidingen (FPi-output-banaba);

2° voor de academisch gerichte opleidingen in de hogescholen : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten in de initiële bachelor- en masteropleidingen, in de schakelprogramma's en in de voorbereidingsprogramma's voorafgaand aan een initiële masteropleiding (FPi-output-initieel);

3° voor de academisch gerichte opleidingen in de universiteiten : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten in de initiële bachelor- en masteropleidingen, in de schakelprogramma's en in de voorbereidingsprogramma's voorafgaand aan een initiële masteropleiding (FPi-output-initieel) en het aantal gegenereerde studiepunten in de opleiding huisartsgeneeskunde, zoals bepaald in paragraaf 6.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-output in aanmerking genomen :

1° voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen: het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten in de initiële bacheloropleidingen (FPi-output-initieel) en in de bachelor-na-bacheloropleidingen (FPi-output-banaba), met uitzondering van de verworven studiepunten in de professioneel gerichte kunstopleidingen;

2° voor de kunstopleidingen in de hogescholen: het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten in de initiële professioneel gerichte bacheloropleidingen, in de initiële academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen, in de schakelprogramma's en de voorbereidingsprogramma's voorafgaand aan een initiële masteropleiding (FPi-output-initieel) en in de bachelor-na-bachelor-opleidingen (FPi-output-banaba);

3° voor de academisch gerichte opleidingen in de universiteiten: het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal verworven studiepunten in de initiële bachelor- en masteropleidingen, in de schakelprogramma's en in de voorbereidingsprogramma's voorafgaand aan een initiële masteropleiding (FPi-output-initieel), en het aantal gegeneerde studiepunten in de opleiding huisartsgeneeskunde, zoals vermeld in paragraaf 6.

§ 3. Het aantal financieringspunten FPi-output in het begrotingsjaar t is gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal verworven studiepunten per opleiding, zoals bepaald in paragraaf 4, en het aantal gegenereerde studiepunten, zoals bepaald in paragraaf 6, over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 en het overeenkomstige puntengewicht, zoals bepaald in artikel III.19.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden, voor de vaststelling van het aantal financieringspunten FPi-output in een instelling, de verworven studiepunten in de academisch gerichte hogeschoolopleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in een universiteit, geacht behoord te hebben tot de universiteit tijdens de relevante academiejaren, nodig voor de berekening van het vijfjarige gemiddelde.

§ 4. Voor de vaststelling van het aantal verworven studiepunten per opleiding wordt het aantal studiepunten in aanmerking genomen waarvoor een student onder diplomacontract een creditbewijs ontvangen heeft :

1° voor de berekening van FPi-output-initieel :

a) in een initiële bacheloropleiding de studiepunten die niet op basis van inputfinanciering, zoals vermeld in artikel III.12, worden gefinancierd;

b) in een initiële masteropleiding;

c) in een schakelprogramma; d) in een voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding;

2° voor de berekening van FPi-output-banaba : in een bachelor-na-bacheloropleiding vermenigvuldigd met een factor 0,5.

§ 5. Het aantal verworven studiepunten FPi-output-initieel berekend zoals bepaald in paragraaf 4, door een beursstudent, door een student met een functiebeperking of door een werkstudent wordt vermenigvuldigd met een factor 1,5.

In het geval dat een student beantwoordt aan meer dan 1 categorie van studentenkenmerken, vermeld in het eerste lid, dan wordt het aantal verworven studiepunten van de student verhoogd met de helft van het aantal verworven studiepunten van die student voor elke categorie van studentenkenmerken van toepassing op de betreffende student.

§ 6. Elke met succes voltooide opleiding in de huisartsgeneeskunde genereert 120 studiepunten als aan elk van de volgende voorwaarden voldaan is :

1° de opleiding voldoet aan de voorschriften van de Europese richtlijn 2005/36/EG van 7 september 2005;

2° er is een formele evaluatie van de leerresultaten;

3° er vindt om de 8 jaar een externe beoordeling plaats van de kwaliteit van de academische vorming in relatie tot de gehele opleiding, gecoördineerd door de Vlaamse Interuniversitaire Raad volgens het protocol waarvan sprake in artikel II.122.

§ 7. Bij de initiële masteropleidingen van 120 studiepunten in de studiegebieden Wetenschappen en Biomedische wetenschappen wordt gedurende een periode van 5 jaar, te rekenen vanaf het academiejaar 2007-2008, het aantal door een student verworven studiepunten dat in aanmerking komt voor financiering beperkt tot 60 voor de gehele masteropleiding.

§ 8. Bij de onderzoeksmasters wordt het aantal door een student verworven studiepunten dat in aanmerking komt voor financiering, beperkt tot 60 voor de gehele masteropleiding.

Art. III.14.

§ 1. Voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-diploma wordt in aanmerking genomen :

1° voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's in de initiële bacheloropleidingen (FPi-diploma-initieel) en in de bachelor-na-bacheloropleidingen (FPi-diploma-banaba);

2° voor de academisch gerichte opleidingen in de hogescholen : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's in de initiële masteropleidingen (FPi-diploma-initieel);

3° voor de academisch gerichte opleidingen in de universiteiten : het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's in de initiële masteropleidingen (FPi-diploma-initieel).

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-diploma in aanmerking genomen :

1° voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen: het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's in de initiële bachelor-opleidingen (FPi-diploma-initieel) en in de bachelor-na-bacheloropleidingen (FPi-diploma-banaba), met uitzondering van de uitgereikte diploma's in de professioneel gerichte kunstopleidingen;

2° voor de kunstopleidingen in de hogescholen: het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's in de initiële professioneel gerichte bacheloropleidingen, in de initiële masteropleidingen (FPi-diploma-initieel) en in de bachelor-na-bacheloropleidingen (FPi-diploma-banaba);

3° voor de academisch gerichte opleidingen in de universiteiten :

a) het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's in de initiële masteropleidingen (FPi-diploma-initieel);

b) het aantal financieringspunten, gebaseerd op het aantal uitgereikte diploma's in die initiële bacheloropleidingen waarvoor de desbetreffende universiteit geen onderwijsbevoegdheid heeft voor het aanbieden van de aansluitende masteropleiding.

§ 3. Het aantal financieringspunten FPi-diploma in het begrotingsjaar t is gelijk aan de som van de producten van het gemiddelde aantal uitgereikte diploma's per opleiding, zoals bepaald in paragraaf 5, over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 en het overeenkomstige puntengewicht, zoals bepaald in artikel III.19, en een factor 30.

§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 2014 is het aantal financieringspunten FPi-diploma in het begrotingsjaar t gelijk aan de som van de producten van het gemiddeld aantal uitgereikte diploma's per opleiding, zoals bepaald in paragraaf 6, over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 en het overeenkomstig puntengewicht, zoals bepaald in artikel III.19, en de doorstroombonus, zoals bepaald in paragraaf 6.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden, voor de vaststelling van het aantal financieringspunten FPi-diploma in een instelling, de uitgereikte diploma's in de academisch gerichte hogeschoolopleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in een universiteit, geacht behoord te hebben tot de universiteit tijdens de relevante academiejaren, nodig voor de berekening van het vijfjarige gemiddelde.

§ 5. Voor de vaststelling van het aantal uitgereikte diploma's per opleiding komen in aanmerking :

1° voor de berekening van FPi-diploma-initieel :

a) voor de professioneel gerichte opleidingen in de hogescholen: het aantal uitgereikte initiële bachelordiploma's met uitzondering van de bachelordiploma's in de professioneel gerichte kunstopleidingen. De doorstroombonus voor deze diploma's is gelijk aan 30;

b) voor de kunstopleidingen in de hogescholen: het aantal uitgereikte professioneel gerichte initiële bachelordiploma's en het aantal uitgereikte initiële masterdiploma's. De doorstroombonus voor deze diploma's is gelijk aan 30;

c) voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten :

1) het aantal uitgereikte initiële bachelordiploma's voor die bachelordiploma's waarvoor de desbetreffende universiteit geen onderwijsbevoegdheid heeft voor het aanbieden van de aansluitende masteropleiding. De doorstroombonus voor deze diploma's is gelijk aan 18;

2) het aantal uitgereikte initiële masterdiploma's. De doorstroombonus voor deze diploma's is gelijk aan 30;

2° voor de berekening van FPi-diploma-banaba: het aantal uitgereikte diploma's van bachelor-na-bacheloropleidingen. De doorstroombonus voor deze diploma's is gelijk aan 15.

§ 6. Alleen de diploma's, uitgereikt aan studenten die voor minstens de helft van de studiepunten van de desbetreffende opleiding een creditbewijs ontvangen hebben in de instelling die het diploma uitreikt, worden in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-diploma. Voor deze bepaling worden voor de masteropleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in een universiteit, de betrokken hogeschool en universiteit als een uitreikende instelling beschouwd.

In afwijking van de bepaling in het eerste lid komen diploma's van professioneel gerichte bacheloropleidingen, uitgereikt aan studenten die reeds een diploma behaald hebben in het hoger beroepsonderwijs, in aanmerking voor de diplomabonus van 30 studiepunten, zoals bedoeld in paragraaf 3 van dit artikel.

De diploma's uitgereikt aan studenten die zich een tweede maal ingeschreven hebben voor een bachelor- of masteropleiding en die al in het bezit zijn van een diploma voor die opleiding, worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-diploma.

§ 7. Het aantal uitgereikte diploma's FPi-diploma-initieel, berekend zoals bepaald in paragraaf 5, aan beursstudenten, aan studenten met een functiebeperking en aan werkstudenten wordt vermenigvuldigd met een factor 1,5.

In het geval dat een student beantwoordt aan meer dan 1 categorie van studentenkenmerken, vermeld in het eerste lid, dan wordt de diplomabonus van de student verhoogd met de helft van die diplomabonus voor elke categorie van studentenkenmerken van toepassing op de betreffende student.

Art. III.15.

De Vlaamse Regering kan beslissen om vanaf het academiejaar 2009-2010 voor andere categorieën van studenten met een functiebeperking dan de categorie vermeld in artikel I.3, 62°, een financieringsbonus in te voeren voor de berekening van de financieringspunten FPi-input, FPi-output en FPi-diploma. De studenten met een functiebeperking behorende tot deze categorieën hebben extra faciliteiten nodig om aan het leerproces te kunnen deelnemen. De hoogte van de financieringsbonus ligt tussen 1,1 en 1,5.

De Vlaamse Regering baseert haar beslissing op de resultaten van onderzoek, waaruit blijkt dat de functiebeperkingen op een betrouwbare en eenduidige wijze te diagnosticeren zijn.

Voor wat betreft het vaststellen van de hoogte van de financieringsbonus baseert de Vlaamse Regering haar beslissing op de resultaten van onderzoek, dat op basis van de benodigde extra faciliteiten aangeeft welke financieringsbonus verantwoord en noodzakelijk is.

Art. III.16.

De Vlaamse Regering kan vanaf het begrotingsjaar 2011 een bedrag van ten hoogste 1% voorafnemen van het bedrag van de totale werkingsuitkering, vermeld in artikel III.5, voor de bijkomende financiering van bachelor-na-bacheloropleidingen en voor de financiering van master-na-masteropleidingen.

Dit bedrag wordt verdeeld over de in aanmerking komende opleidingen op basis van het aantal verworven studiepunten en het aantal uitgereikte diploma's.

De Commissie Hoger Onderwijs beoordeelt op een vergelijkende wijze de ingediende aanvragen van de instellingen die voor een of meerdere van hun bachelor-na-bacheloropleidingen of master-na-masteropleidingen in aanmerking willen komen voor de financiering bedoeld in het eerste lid. De Commissie Hoger Onderwijs voert deze beoordeling uit aan de hand van de volgende criteria :

1° de maatschappelijke meerwaarde, zoals de behoeften op de arbeidsmarkt;

2° de wetenschappelijke relevantie als het gaat om master-na-masteropleidingen;

3° de kwaliteit van de opleidingen zoals die blijkt uit de visitatierapporten.

Op basis van de vergelijkende beoordeling stelt de Commissie Hoger Onderwijs een lijst voor van de in aanmerking komende bachelor-na-bacheloropleidingen en een lijst van de in aanmerking komende master-na-masteropleidingen.

Het instellingsbestuur dient vóór 1 januari 2010 bij de Commissie Hoger Onderwijs een aanvraag in voor de volledige financiering van een bachelor-na-bacheloropleiding en voor de gedeeltelijke financiering van een master-na-masteropleiding. De Commissie Hoger Onderwijs bepaalt de vorm en de inhoud van het dossier dat bij de aanvraag gevoegd moet worden. De Commissie Hoger Onderwijs maakt haar voorstel van lijst bekend ten laatste op 1 juni 2010.

Op basis van de voorstellen van de Commissie Hoger Onderwijs, het beschikbare budget en de gemiddelde bezettingsgraad van de opleidingen tijdens de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 als t het jaartal is van het eerste begrotingsjaar van de periode van 5 jaar, stelt de Vlaamse Regering de definitieve lijst vast. De Vlaamse Regering herziet om de 5 jaar de lijsten op basis van nieuwe aanvragen en een evaluatie van de gefinancierde opleidingen.

Art. III.17.

Het aantal financieringspunten FPi-credit in het begrotingsjaar t is gelijk aan het gemiddelde aantal gewogen studiepunten waarvoor studenten die met de instelling een creditcontract gesloten hebben, een creditbewijs behaald hebben over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2.

De studiepunten waarvoor studenten onder creditcontract een creditbewijs behaald hebben in een instelling, worden verdeeld over de studiegebieden waarvoor de instelling onderwijsbevoegdheid heeft pro rata het aantal financieringspunten FPi-output in de studiegebieden en vermenigvuldigd met het puntengewicht van het betreffende studiegebied, zoals vastgelegd in artikel III.19.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden, voor de vaststelling van het aantal financieringspunten FPi-credit in een instelling, de studiepunten waarvoor studenten onder creditcontract een creditbewijs behaald hebben en die ondergebracht zijn in een studiegebied van de academisch gerichte hogeschoolopleidingen dat met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd is in een universiteit, geacht behoord te hebben tot de universiteit tijdens de relevante academiejaren, nodig voor de berekening van het vijfjarige gemiddelde.

Art. III.18.

De totale omvang van de middelen die gegenereerd worden door de toepassing van de voorschriften inzake financieringsboni voor beursstudenten, werkstudenten en studenten met een functiebeperking kan :

1° in het onderwijsvariabel deel voor de professionele opleidingen aan de hogescholen niet meer bedragen dan 15% van het totaal VOWprof;

2° in het onderwijsvariabel deel voor de academische opleidingen aan de hogescholen niet meer bedragen dan 10% van het totaal VOWac;

3° in het onderwijsvariabel deel voor de academische opleidingen aan de universiteiten niet meer bedragen dan 10% van het totaal VOWun;

4° in het onderwijsvariabele deel voor de professionele opleidingen, met uitzondering van de professionele kunstopleidingen, aan de hogescholen niet meer bedragen dan 15% van het totaal VOWprof2014;

5° in het onderwijsvariabele deel voor de kunstopleidingen aan de hogescholen niet meer bedragen dan 10% van het totaal VOWhko2014;

6° in het onderwijsvariabele deel voor de academische opleidingen aan de universiteiten niet meer bedragen dan 10% in het totaal VOWun2014.

Indien het aandeel van die middelen de in het eerste lid genoemde percentages overschrijdt dan worden de extra puntengewichten proportioneel verminderd voor de berekening van de werkingsuitkeringen van het desbetreffende begrotingsjaar.

Voor de berekening van de financieringspunten in het kader van de evolutie van de bedragen voor de variabele onderwijsdelen VOWprof, VOWac, VOWun, VOWprof2014, VOWhko2014 en VOWun2014, zoals bedoeld in artikel III.6, is deze proportionele vermindering van de extra puntengewichten niet van toepassing.

Art. III.19.

§ 1. Voor de berekening van het aantal financieringspunten wordt het puntengewicht van de studiegebieden als volgt vastgelegd :

1° voor de opleidingen in het hoger beroepsonderwijs en voor de professioneel gerichte opleidingen aan de hogescholen :

studiegebied

puntengewicht

a) Architectuur

1,40

b) Gezondheidszorg

1,60

c) Industriële wetenschappen en technologie

1,20

d) Audiovisuele en beeldende kunst

1,40

e) Muziek en podiumkunsten

1,00

f) Biotechniek

1,40

g) Onderwijs

1,60

h) Sociaal-agogisch werk

1,40

i) Handelswetenschappen en bedrijfskunde

1,00

2° voor de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen :

studiegebied

puntengewicht

a) Architectuur

1,40

b) Gezondheidszorg

1,60

c) Industriële wetenschappen en technologie

1,40

d) Biotechniek

1,40

e) Productontwikkeling

1,60

f) Toegepaste taalkunde

1,20

g) Handelswetenschappen en bedrijfskunde

1,10

h) Audiovisuele en beeldende kunst

1,00

i) Muziek en podiumkunsten

1,00

3° voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten :

studiegebied

puntengewicht

a) Wijsbegeerte en moraalwetenschappen

1,00

b) Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht

1,00

c) Taal- en letterkunde

1,00

d) Geschiedenis

1,00

e) Archeologie en kunstwetenschappen

1,00

f) Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

1,00

g) Psychologie en pedagogische wetenschappen

1,00

h) Economische en toegepaste economische wetenschappen

1,00

i) Politieke en sociale wetenschappen

1,00

j) Sociale Gezondheidswetenschappen

2,00

k) Lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen en kinesitherapie

2,00

l) Wetenschappen 1 - opleidingen die leiden tot de graad van bachelor

2,00

m) Wetenschappen 2 - opleidingen die leiden tot de graad van master

3,00

n) Toegepaste wetenschappen 1 - opleidingen die leiden tot de graad van bachelor

2,00

o) Toegepaste wetenschappen 2 - opleidingen die leiden tot de graad van master

3,00

p) Toegepaste biologische wetenschappen 1 - opleidingen die leiden tot de graad van bachelor

2,00

q) Toegepaste biologische wetenschappen 2 - opleidingen die leiden tot de graad van master

3,00

r) Geneeskunde 1 - opleidingen die leiden tot de graad van bachelor

3,90

s) Geneeskunde 2

- opleidingen die leiden tot de graad van master in de verpleeg- en vroedkunde

2,00

- opleidingen in de huisartsgeneeskunde

2,00

- overige opleidingen die leiden tot de graad van master

4,00

t) Tandheelkunde 1 - opleidingen die leiden tot de graad van bachelor

3,90

u) Tandheelkunde 2 - opleidingen die leiden tot de graad van master

4,20

v) Diergeneeskunde 1 - opleidingen die leiden tot de graad van bachelor

2,00

w) Diergeneeskunde 2 - opleidingen die leiden tot de graad van master

3,00

x) Farmaceutische wetenschappen 1 - opleidingen die leiden tot de graad van bachelor

2,00

y) Farmaceutische wetenschappen 2 - opleidingen die leiden tot de graad van master

3,00

z) Biomedische wetenschappen 1 - opleidingen die leiden tot de graad van bachelor

2,00

aa) Biomedische wetenschappen 2 - opleidingen die leiden tot de graad van master

3,00

ab) Verkeerskunde

2,00

ac) Conservatie-restauratie

2,00

[ad) handelswetenschappen en bedrijfskunde - opleidingen die vanaf het academiejaar 2013-2014 door de Vlaamse Regering conform artikel II.153 erkend zijn als nieuwe opleiding;

1,00]

4° voor de academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen in de studiegebieden Architectuur, Industriële wetenschappen en technologie, Biotechniek, Productontwikkeling, Toegepaste taalkunde en Handelswetenschappen en bedrijfskunde, die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in een universiteit, evolueert het puntengewicht als volgt :

begrotingsjaar/studiegebied

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

vanaf 2023

a) Architectuur

1,46

1,52

1,58

1,64

1,70

1,76

1,82

1,88

1,94

2,00

b) Industriële wetenschappen en technologie

1,46

1,52

1,58

1,64

1,70

1,76

1,82

1,88

1,94

2,00

c) Biotechniek

1,46

1,52

1,58

1,64

1,70

1,76

1,82

1,88

1,94

2,00

d) Productontwikkeling

1,64

1,68

1,72

1,76

1,80

1,84

1,88

1,92

1,96

2,00

e) Toegepaste taalkunde

1,18

1,16

1,14

1,12

1,10

1,08

1,06

1,04

1,02

1,00

f) Handelswetenschappen en bedrijfskunde

1,09

1,08

1,07

1,06

1,05

1,04

1,03

1,02

1,01

1,00

5° Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt aan iedere universiteit die met ingang van het academiejaar 2013-2014 academische hogeschoolopleidingen integreert, een bijkomende opstartfinanciering toegekend van 200.000 euro. Dit bedrag wordt jaarlijks afgebouwd met 10% van het initiële bedrag. Het saldo wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 voor 55% toegevoegd aan het variabele onderwijsdeel VOWun2014 en voor 45% aan het variabele onderzoeksdeel VOZun2014. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.

Decr. 17-6-2016

[§ 1/1. In het begrotingsjaar 2014 bedraagt het puntengewicht voor de doctoraten in het studiegebied Nautische wetenschappen 3. Voor de berekening van het variabele onderzoeksdeel, vermeld in artikel III.22, worden met ingang van het begrotingsjaar 2015 voor de weging van het aantal doctoraatsdiploma's de volgende puntengewichten gebruikt :

Studiegebied

Puntengewicht

a) Wijsbegeerte en moraalwetenschappen

1,00

b) Godgeleerdheid, godsdienstwetenschappen en kerkelijk recht

1,00

c) Taal- en letterkunde

1,00

d) Geschiedenis

1,00

e) Archeologie en kunstwetenschappen

1,00

f) Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen

1,00

g) Psychologie en pedagogische wetenschappen

1,00

h) Economische en toegepaste economische wetenschappen

1,00

i) Politieke en sociale wetenschappen

1,00

j) Toegepaste taalkunde

1,00

k) Handelswetenschappen en bedrijfskunde

1,00

l) Audiovisuele en beeldende kunst

1,00

m) Muziek en podiumkunsten

1,00

n) Sociale Gezondheidswetenschappen

2,00

o) Lichamelijke opvoeding, revalidatiewetenschappen en kinesitherapie

2,00

p) Wetenschappen

2,00

q) Toegepaste wetenschappen

2,00

r) Toegepaste biologische wetenschappen

2,00

s) Geneeskunde

2,00

t) Tandheelkunde

2,00

u) Diergeneeskunde

2,00

v) Farmaceutische wetenschappen

2,00

w) Biomedische wetenschappen

2,00

x) Verkeerskunde

2,00

y) Conservatie-restauratie

2,00

z) Architectuur

2,00

aa) Industriële wetenschappen en technologie

2,00

ab) Biotechniek

2,00

ac) Productontwikkeling

2,00

ad) Nautische wetenschappen

2,00

Doctoraten die over de studiegebieden heen gerangschikt worden, worden voor de bepaling van het puntengewicht gerangschikt in het studiegebied met het laagste puntengewicht dat in de combinatie voorkomt.]

Decr. 25-4-2014

§ 2. Opleidingen die over de studiegebieden heen gerangschikt worden, worden voor de bepaling van het puntengewicht gerangschikt in het studiegebied met het laagste puntengewicht dat in de combinatie voorkomt.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1, punt 1°, d), bedraagt vanaf het begrotingsjaar 2014 het puntengewicht voor de bacheloropleiding "bachelor in de audiovisuele kunsten" 1,00.

§ 4. In de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten wordt een bijkomend puntengewicht toegekend overeenkomstig het volgende schema :

1° studiegebied Audiovisuele en beeldende kunst :

a) voor de organisatie van de academische bachelor- en masteropleiding in de beeldende kunsten en van de academische bachelor- en masteropleiding in het productdesign samen, wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in [artikel III.13, § 4,] 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 24.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2;

b) voor de organisatie van de academische bachelor- en masteropleiding in de audiovisuele kunsten samen, wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in [artikel III.13, § 4,] 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 18.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2;

c) tot en met het begrotingsjaar 2013 wordt voor de organisatie van de academische bachelor- en masteropleiding in de conservatie-restauratie samen, de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in [artikel III.13, § 4,] 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 6.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2;

d) vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt voor de organisatie van de professionele bacheloropleiding "bachelor in de audiovisuele kunsten" de som van het aantal opgenomen studiepunten, vermeld in artikel III. 12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, vermeld in artikel III.13, § 4, 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 12.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2.

2° studiegebied Muziek en podiumkunsten :

a) voor de organisatie van de academische bachelor- en masteropleiding in de muziek en van de academische bachelor- en masteropleiding in het drama samen, wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in [artikel III.13, § 4,] 1°, a) en b), in een hogeschool, met een maximum van 27.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 3;

b) voor de organisatie van de professionele bacheloropleiding in de musical wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in [artikel III.13, § 4,] 1°, a), in een hogeschool, met een maximum van 2.400 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 3;

c) voor de organisatie van de professionele bacheloropleiding in de dans wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in [artikel III.13, § 4,] 1°, a), in een hogeschool, met een maximum van 1.500 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 4;

d) voor de organisatie van de professionele bacheloropleiding in de pop- en rockmuziek wordt de som van het aantal opgenomen studiepunten, zoals bepaald in artikel III.12, § 2, en het aantal verworven studiepunten, zoals bepaald in artikel III.13, § 3, 1°, a), in een hogeschool, met een maximum van 9.000 studiepunten, vermenigvuldigd met een puntengewicht 2,5.

Voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-diploma-initieel, vermeld in artikel III.14, is voor de opleidingen vermeld in het eerste lid, het puntengewicht gelijk aan de som van het puntengewicht van het studiegebied waaronder deze opleiding ressorteert, vermeld in paragraaf 1, en het bijkomende puntengewicht voor deze opleiding, vermeld in het eerste lid.

Voor de berekening van het aantal financieringspunten FPi-input, vermeld in artikel III.12, en het aantal financieringspunten FPi-output, vermeld in artikel III.13, is voor de opleidingen vermeld in het eerste lid, het puntengewicht voor de berekening van de bijkomende financieringspunten gegenereerd door de financieringsboni voor beursstudenten, studenten met een functiebeperking en werkstudenten gelijk aan de som van het puntengewicht van het studiegebied waaronder deze opleiding ressorteert, vermeld in paragraaf 1, en het bijkomende puntengewicht voor deze opleiding, vermeld in het eerste lid.

Bij een herstructurering, vermeld in artikel I.3, 34°, kan de Vlaamse Regering de aantallen wijzigen die zijn vastgelegd in deze paragraaf. In voorkomend geval kan de Vlaamse Regering bepalen dat de maximale aantallen gelden per vestigingsplaats.

Decr. 19-6-2015

§ 5. Voor de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen is het puntengewicht van de voorbereidingsprogramma's voorafgaand aan een initiële masteropleiding en van de schakelprogramma's gelijk aan het puntengewicht van het studiegebied waaronder het programma valt.

Voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten is het puntengewicht van de voorbereidingsprogramma's voorafgaand aan een initiële masteropleiding en van de schakelprogramma's gelijk aan 1 in die studiegebieden waar het puntengewicht overeenkomstig paragraaf 1, punt 3°, gelijk is aan 1.

Voor de voorbereidingsprogramma's en schakelprogramma's die ressorteren onder de andere studiegebieden is het puntengewicht gelijk aan 2.

De puntengewichten voor de voorbereidingsprogramma's en schakelprogramma's die ressorteren onder de studiegebieden die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in de universiteiten, volgen vanaf het begrotingsjaar 2014 de evoluties, vermeld in paragraaf 1, 4°.

Onderafdeling 4. De onderzoekssokkel

Art. III.20.

§ 1. Om voor een onderzoekssokkel in het begrotingsjaar t in aanmerking te komen, moet een universiteit voldoen aan de volgende minimale instellingsnorm :

1° de universiteit heeft in de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 ten minste 65 doctoraatsdiploma's uitgereikt;

2° het aantal publicaties in de jaren t-12 tot en met t-3 bedraagt ten minste 1.000.

§ 2. Het aantal doctoraten en het aantal publicaties wordt vastgesteld overeenkomstig de voorschriften, vastgesteld bij of krachtens artikel 63/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid.

Art. III.21.

§ 1. Voor de berekening van de onderzoekssokkel van een universiteit (SOZi) wordt het bedrag van de totale onderzoeksokkel (SOZun), vermeld in artikel III.5, en verminderd met de forfaitaire sokkel van de Universiteit Gent, vermeld in paragraaf 4, verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in :

1° het aantal uitgereikte doctoraatsdiploma's in de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2, gewogen met een gewichtsfactor als vermeld in paragraaf 2, x 0,5;

2° het aantal publicaties in de jaren t-12 tot en met t-3, gewogen met een gewichtsfactor als vermeld in paragraaf 3, x 0,5.

§ 2. Om de weging op het aantal uitgereikte doctoraatsdiploma's te verrichten worden per instelling de volgende gewichtsfactoren toegepast :

1° op het aantal uitgereikte doctoraatsdiploma's dat kleiner is dan of gelijk is aan 65 : factor 3;

2° op het aantal uitgereikte doctoraatsdiploma's dat groter is dan 65 en kleiner is dan of gelijk is aan 500 : factor 2;

3° op het aantal uitgereikte doctoraatsdiploma's dat groter is dan 500 : factor 0.

§ 3. Om de weging op het aantal publicaties te verrichten worden per instelling de volgende gewichtsfactoren toegepast :

1° op het aantal publicaties dat kleiner is dan of gelijk is aan 600 : factor 3;

2° op het aantal publicaties dat groter is dan 600 en kleiner is dan of gelijk is aan 3.000 : factor 2;

3° op het aantal publicaties dat groter is dan 3.000 en kleiner is dan of gelijk is aan 10.000 : factor 1;

4° op het aantal publicaties dat groter is dan 10.000 : factor 0.

§ 4. De onderzoekssokkel van de Universiteit Gent, berekend overeenkomstig paragraaf 1, wordt in de begrotingsjaren 2008 tot en met 2013 verhoogd met een aanvullende onderzoekssokkel van 5 miljoen euro. Dit bedrag wordt geïndexeerd volgens de bepalingen in artikel III.5, § 9.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt die aanvullende onderzoekssokkel jaarlijks met 25% afgebouwd.

Onderafdeling 5. Het variabel onderzoeksdeel

Art. III. 22.

§ 1. Bij de berekening van het variabele onderzoeksdeel van een universiteit (VOZi) wordt het bedrag van het variabele onderzoeksdeel VOZun, respectievelijk VOZun2014, vermeld in of berekend overeenkomstig artikel III.5, verdeeld over de universiteiten volgens de procentuele verdeelsleutel, vermeld in paragraaf 2 van dit artikel.

§ 2. De verdeelsleutel is het gewogen gemiddelde van de volgende 4 elementen :

1° het procentuele aandeel van iedere associatie in het aantal academisch gerichte initiële bachelor- en masterdiploma's, uitgereikt door de universiteit en door de hogescholen die deel uitmaken van de betreffende associatie in de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2. Op de uitgereikte diploma's wordt het puntengewicht van het studiegebied, vermeld in artikel III.19, toegepast. Voor de academisch gerichte bachelor- en masteropleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in een universiteit, evolueert het puntengewicht overeenkomstig artikel III.19, §1, 4°. Voor de academisch gerichte kunstopleidingen wordt de som van het puntengewicht in artikel III.19, §1, 2°, en artikel III.19, §4, toegepast;

2° het procentuele aandeel van iedere universiteit in het aantal doctoraatsdiploma's, uitgereikt in de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2, met toepassing van het puntengewicht van het studiegebied, vermeld in artikel III.19;

3° het procentuele aandeel van iedere universiteit in het aantal publicaties en het aantal citaties over de jaren t-12 tot en met t-3. De publicaties en citaties worden vastgesteld overeenkomstig de voorschriften, vastgelegd bij of krachtens artikel 63/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid;

4° het procentuele aandeel van iedere universiteit in de parameter "mobiliteit en diversiteit", dat is het procentuele aandeel van elke universiteit in het aantal eerste aanstellingen of benoemingen in een graad van het zelfstandig academisch personeel [over de jaren t-6 tot en met t-2] van :

a) personen die gepromoveerd zijn tot doctor aan een andere universiteit dan de aanstellende of benoemende universiteit;

b) personen die aan de aanstellende of benoemende universiteit gepromoveerd zijn tot doctor, maar gedurende de laatste 5 jaar ten minste 3 jaar geen deel hebben uitgemaakt van het personeel bij die universiteit of een andere universiteit, bij een universitair ziekenhuis, een hogeschool, een publieke onderzoeksorganisatie of een onderzoeksorganisatie die structurele financiering krijgt vanuit de Vlaamse begroting;

c) personen van het vrouwelijke geslacht.

Onder eerste aanstelling of benoeming als vermeld in het eerste lid, wordt verstaan de indiensttreding bij de universiteit in 1 van de graden van het zelfstandig academisch personeel overeenkomstig deel 5, titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 3.

Bij de bepaling van het aantal aanstellingen en benoemingen :

1° wordt geen rekening gehouden met dubbeltellingen, in de zin dat een persoon die bij de aanstelling of benoeming aan een universiteit voldoet aan 2 criteria als vermeld in het eerste lid, 4°, eenmaal wordt geteld;

2° worden alleen aanstellingen of benoemingen van ten minste 80% aan de universiteit in rekening genomen, inclusief gemengde aanstellingen aan enerzijds de universiteit en anderzijds :

a) het daaraan verbonden academisch ziekenhuis. Voor de toepassing van deze bepaling wordt het Universitair Ziekenhuis Gent respectievelijk het Universitair Ziekenhuis Antwerpen beschouwd als verbonden met de Universiteit Gent respectievelijk de Universiteit Antwerpen;

b) het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen;

c) het IWT;

d) de strategische onderzoekscentra (IBBT, IMEC, VITO en VIB).

De gegevens voor de berekening van de parameter "mobiliteit en diversiteit" worden aangeleverd door de Vlaamse Interuniversitaire Raad na een gezamenlijke validatie ervan door de universiteiten, de overheid en de commissarissen die toezicht uitoefenen op de universiteiten.

Decr. 25-4-2014

§ 3. Voor de weging van de elementen, vermeld in paragraaf 2, worden de volgende factoren toegepast :

begrotingsjaar

2013

2014 en 2015

2016 en 2017

2018 en 2019

2020 en 2021

diploma's

0,24

0,24

0,24

0,23

0,225

doctoraten

0,40

0,39

0,38

0,38

0,375

publicaties en citaten

0,30

0,30

0,30

0,30

0,30

diversiteit en mobiliteit

0,06

0,07

0,08

0,09

0,10

§ 4. In afwijking van paragraaf 1 wordt tot en met het begrotingsjaar 2013 0,23% van het bedrag van het variabele onderzoeksdeel, vermeld of berekend conform artikel III.5, voorafgenomen voor de HUB-KUB. Voor de berekening van het procentuele aandeel in het aantal doctoraatsdiploma's, in het aantal publicaties en citaties en in het aantal eerste aanstellingen of benoemingen, vermeld in paragraaf 2 van dit artikel, wordt de HUB-KUB uitgezonderd.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 worden voor de bepalingen van paragraaf 1, 2 en 3, de Katholieke Universiteit Leuven en de HUB-KUB als 1 universiteit beschouwd. Voor de berekening van het variabele onderzoeksdeel worden het aantal uitgereikte initiële bachelordiploma's, het aantal uitgereikte doctoraatsdiploma's, het aantal publicaties en citaties, en het aantal eerste aanstellingen of benoemingen van de HUB-KUB geteld bij de aantallen van de Katholieke Universiteit Leuven.

Afdeling 4. De berekening van de werkingsuitkering

Onderafdeling 1. De jaarlijkse berekening van de werkingsuitkering

Art. III.23.

De theoretische werkingsuitkering in het begrotingsjaar t voor een hogeschool of universiteit wordt als volgt berekend :

Wi = SOWi + VOWi + SOZi + VOZi,

waarbij :

1° Wi gelijk is aan de theoretische werkingsuitkering voor instelling i in het begrotingsjaar t;

2° SOWi gelijk is aan de onderwijssokkel voor instelling i, berekend overeenkomstig artikel III.9;

3° VOWi gelijk is aan het variabel onderwijsdeel voor instelling i, berekend overeenkomstig artikel III.11;

4° SOZi gelijk is aan de onderzoekssokkel voor instelling i, berekend overeenkomstig artikel III.21 of artikel III.123;

5° VOZi gelijk is aan het variabel onderzoeksdeel voor instelling i, berekend overeenkomstig artikel III.22 of artikel III.123.

Art. III.24.

§ 1. Als in de begrotingsjaren 2008 tot en met 2013 het bedrag van de theoretische werkingsuitkering van een instelling i, die voldoet aan de voorwaarden voor de minimale instellingsnorm voor de onderwijssokkel, vermeld in artikel III.8, kleiner is dan of gelijk is aan het bedrag van het gegarandeerde minimum, vermeld in paragraaf 2, dan ontvangt die instelling het gegarandeerde minimumbedrag als werkingsuitkering voor het desbetreffende begrotingsjaar.

Als in de begrotingsjaren 2008 tot en met 2013 het bedrag van de theoretische werkingsuitkering van een instelling i, groter is dan het gegarandeerde minimumbedrag, vermeld in paragraaf 2, dan ontvangt die instelling het bedrag van de theoretische werkingsuitkering als werkingsuitkering.

Als in de begrotingsjaren 2008 tot en met 2013 de som van de werkingsuitkeringen van de hogescholen en de universiteiten het beschikbare budget voor het betreffende begrotingsjaar, vermeld in artikel III.5, overschrijdt, dan ontvangt een instelling i, wanneer het bedrag van de theoretische werkingsuitkering groter is dan het gegarandeerde minimumbedrag, het bedrag van het gegarandeerde minimum, vermeld in paragraaf 2, vermeerderd met het procentueel aandeel van deze instelling in het verschil tussen de som van de theoretische werkingsuitkeringen van de hogescholen en de universiteiten, vermeld in het tweede lid, en de som van de gegarandeerde minimumbedragen van deze hogescholen en universiteiten, vermeld in paragraaf 2.

§ 2. De volgende gegarandeerde minimumbedragen worden vastgelegd voor de hogescholen en de universiteiten :

Instelling

gegarandeerd minimum (uitgedrukt in EUR)

1° Arteveldehogeschool

39.172.027,94

2° Erasmushogeschool Brussel

28.221.507,42

3° Hogeschool Antwerpen

44.770.310,04

4° Hogeschool Gent

74.423.088,34

5° Hogeschool Sint-Lukas Brussel

7.340.568,70

6° LUCA School of Arts

38.412.534,58

7° Hogeschool West-Vlaanderen

19.816.734,54

8° Karel de Grote-Hogeschool KH Antwerpen

40.252.379,35

9° Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende

17.798.398,64

10° Thomas More Kempen

31.364.082,66

11° Katholieke Hogeschool Leuven

27.088.744,74

12° Katholieke Hogeschool Limburg

29.971.388,38

13° Thomas More Mechelen

19.961.758,26

14° Katholieke Hogeschool Sint-Lieven

26.915.201,11

15° Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen

29.164.438,69

16° Thomas More Antwerpen

13.008.546,51

17° Plantijn-Hogeschool

13.941.258,15

18° Provinciale Hogeschool Limburg

20.857.698,06

19° GROEP T - Internationale Hogeschool Leuven

10.766.708,92

20° HUB-EHSAL

21.305.296,34

21° XIOS Hogeschool Limburg

15.193.074,25

22° HUB-KUBrussel

5.502.000,00

23° KULeuven

222.899.082,00

24° UGent

196.584.425,00

25° Universiteit Antwerpen

85.954.139,00

26° VUB

78.279.046,00

27° UHasselt/tUL

24.528.509,00

Het gegarandeerde minimumbedrag, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing op een instelling die niet voldoet aan de voorwaarden voor de minimale instellingsnorm voor de onderwijssokkel, zoals bepaald in artikel III.8.

§ 3. De bedragen, vermeld in paragraaf 2, worden vanaf het begrotingsjaar 2008 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.

§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 2011 wordt de werkingsuitkering per hogeschool en universiteit, berekend overeenkomstig de bepalingen van titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 4, onderafdeling 1 van dit deel met inbegrip van de bedragen bedoeld in artikel III.34, §5, met 1,27 % verminderd.

Afhankelijk van de budgettaire ruimte kan de Vlaamse Regering dit percentage vanaf het begrotingsjaar 2012 wijzigen.

De som van het totale bedrag van de verminderingen op grond van het eerste of het tweede lid en het bedrag van de vermindering op grond van het eerste of het tweede lid van artikel 3, §3, van het decreet van 20 februari 2009 betreffende de Hogere Zeevaartschool bedraagt per jaar ten hoogste 16.179.000 euro, berekend op het prijsniveau van het jaar 2010. Indien dit bedrag overschreden wordt, worden de in het eerste lid en in het eerste lid van artikel 3, §3, van het decreet van 20 februari 2009 betreffende de Hogere Zeevaartschool vermelde percentages verminderd.

§ 5. Voor het begrotingsjaar 2013 worden de totale werkingsuitkeringen van de hogescholen, met 4.539.000 euro verminderd. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke hogeschool in de effectieve werkingsuitkeringen.

§ 6. Voor het begrotingsjaar 2013 worden de totale werkingsuitkeringen van de universiteiten, berekend overeenkomstig de bepalingen van titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 4, onderafdeling 1 van dit deel, met 5.083.000 euro verminderd en verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in de effectieve werkingsuitkeringen.

[§ 7. Bovenop de vermindering, vermeld in paragraaf 4 van dit artikel, wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 de totale werkingsuitkering van de hogescholen en universiteiten, berekend overeenkomstig de bepalingen van titel 1, hoofdstuk 1, van dit deel, met 26.614.642,36 euro verminderd.

[[Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2017 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.]] ]

Decr. 19-12-2014; [[ ]] Decr. 23-12-2016

Art. III.25.

§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt de werkingsuitkering van een hogeschool of universiteit als volgt berekend:Wi = SOWi + VOWi + SOZi + VOZi, waarbij :

1° Wi gelijk is aan de werkingsuitkering voor instelling i in het begrotingsjaar t;

2° SOWi gelijk is aan de onderwijssokkel voor instelling i, berekend overeenkomstig artikel III.9;

3° VOWi gelijk is aan het variabele onderwijsdeel voor instelling i, berekend overeenkomstig artikel III.11;

4° SOZi gelijk is aan de onderzoekssokkel voor instelling i, berekend overeenkomstig artikel III.21 of artikel III.123;

5° VOZi gelijk is aan het variabele onderzoeksdeel voor instelling i, berekend overeenkomstig artikel III.22 of artikel III.123.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt in het begrotingsjaar t de werkingsuitkering van een universiteit Wi verminderd met de volgende bedragen :

1° het bedrag van de personeelskosten, opgenomen in de overeenkomst tussen de desbetreffende hogeschool en universiteit, zoals vermeld in artikel V.222, voor het begrotingsjaar t;

2° het bedrag, berekend op basis van de personeelskosten, vermeld in artikel III.65, voor het begrotingsjaar t;

3° andere componenten van de werkingsuitkering, overeenkomstig artikel II.73, § 6.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 wordt in het begrotingsjaar t de werkingsuitkering van een hogeschool Wi vermeerderd met de volgende bedragen :

1° het bedrag van de personeelskosten, opgenomen in de overeenkomst tussen de desbetreffende hogeschool en universiteit, zoals vermeld in artikel V.222, voor het begrotingsjaar t;

2° het bedrag, berekend op basis van de personeelskosten, vermeld in artikel III.65, voor het begrotingsjaar t;

3° andere componenten van de werkingsuitkering, overeenkomstig artikel II.71, § 6.

Art. III.26.

Een instelling die niet aan de minimale instellingsnorm komt voor een onderwijssokkel, zoals bepaald in artikel III.8, komt niet in aanmerking voor het gegarandeerde minimumbedrag, vermeld in artikel III.23, §2. Die instelling maakt aanspraak op het variabel onderwijsdeel (VOWi) en - indien van toepassing - op het onderzoeksgedeelte (SOZi + VOZi) en kan tevens een economische unie aangaan met een andere hogeronderwijsinstelling, hierna de referentie-instelling te noemen. Tussen beide instellingen wordt een overeenkomst gesloten waarin aangegeven wordt welke middelen de referentie-instelling in het kader van de economische unie jaarlijks toekent aan de eerste instelling. Deze middelen worden beschouwd als werkingsuitkeringen, zoals bepaald in titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 1 van dit deel.

Art. III.27.

Het aantal studiepunten voor de berekening van de onderwijssokkel en het aantal financieringspunten voor de berekening van het variabel onderwijsdeel, gegenereerd door een gezamenlijke opleiding wordt verdeeld onder de participerende instellingen overeenkomstig de verdeelsleutel opgenomen in de samenwerkingsovereenkomst, zoals vermeld in artikel II.171.

Onderafdeling 2. Herstructurering van het opleidingenaanbod

Art. III.28.

§ 1. De hogescholen en universiteiten delen jaarlijks voor 1 mei de opleidingen die ze het daaropvolgende academiejaar willen afbouwen of stopzetten, mee aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.

§ 2. Bij de afbouw of bij het stopzetten van een opleiding nemen de instellingsbesturen de nodige maatregelen zodat de studenten hun opleiding kunnen voltooien binnen een redelijke termijn.

§ 3. Een stopgezette opleiding wordt geschrapt uit het Hogeronderwijsregister.

Art. III.29.

§ 1. Als in het kader van een herstructurering een instelling vanaf het academiejaar t-1/t een of meer van haar opleidingen overdraagt of haar onderwijsbevoegdheid in 1 of meer studiegebieden geheel overdraagt aan een andere instelling die deze opleiding of opleidingen krachtens Deel 2 aanbiedt of die krachtens Deel 2 onderwijsbevoegdheid heeft in dezelfde studiegebieden, dan gelden de volgende bepalingen voor de berekening van de werkingsuitkeringen :

1° voor de berekening van het variabel onderwijsdeel van de ontvangende instelling wordt het aantal financieringspunten van de overgedragen opleiding(en) van de relevante academiejaren geacht behoord te hebben tot de ontvangende instelling. Voor de berekening van de onderwijssokkel van de ontvangende instelling wordt het aantal opgenomen studiepunten in de overgedragen opleiding(en) van de relevante academiejaren, geacht behoord te hebben tot de ontvangende instelling;

2° de ontvangende instelling draagt de kosten van het personeel verbonden aan de overgedragen opleidingen of de ontvangende instelling neemt de personeelsleden verbonden aan deze instelling over. De personeelsleden van de overgedragen opleidingen die door de ontvangende instelling overgenomen zijn, behouden alle rechten en verplichtingen die zij genoten bij hun instelling van oorsprong en het arbeidsrechtelijk en sociaalrechtelijk statuut dat daarbij op hen van toepassing was. Indien de overdragende en ontvangende instelling een verschillende rechtspersoonlijkheid bezitten, krijgen de personeelsleden van de overdragende instelling de kans om binnen de 12 maanden na overdracht toe te treden tot het arbeidsrechtelijk statuut van de overnemende instelling;

3° de betrokken instellingen sluiten een overeenkomst waarin ten minste de volgende zaken zijn opgenomen :

a) de datum waarop de overdracht ingaat;

b) de lijst van de personeelsleden bedoeld in punt 4°;

c) het bedrag van de werkingsuitkering van de begrotingsjaren t-1 en t dat de overdragende instelling doorstort aan de ontvangende instelling;

d) de lijst van activa die de overdragende instelling overdraagt aan de ontvangende instelling en de balanswaarde ervan;

e) de lijst van de schulden die de ontvangende instelling overneemt van de overdragende instelling.

§ 2. Een opleiding die overgedragen wordt naar een andere instelling wordt uit het Hogeronderwijsregister geschrapt bij de instelling die de opleiding overdraagt.

Een instelling die een studiegebied overdraagt naar een andere instelling verliest de onderwijsbevoegdheid voor het betreffende studiegebied.

§ 3. De hogescholen en universiteiten delen jaarlijks voor 1 mei de opleidingen of studiegebieden die ze het daaropvolgende academiejaar willen overdragen, mee aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.

Art. III.30.

§ 1. Als bij of krachtens deel 2 in het kader van een herstructurering de onderwijsbevoegdheid in 1 of meer studiegebieden van een instelling vanaf het academiejaar t-1/t geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen naar een andere instelling, dan worden voor de berekening van de onderwijssokkel van de ontvangende instelling het aantal opgenomen studiepunten in de overgedragen opleiding(en) van de relevante academiejaren en voor de berekening van het variabel onderwijsdeel van de ontvangende instelling het aantal financieringspunten van de overgedragen opleiding(en) van de relevante academiejaren, geacht behoord te hebben tot de ontvangende instelling.

§ 2. In het geval van een overdracht zoals bedoeld in paragraaf 1 zijn de bepalingen van artikel III.29, §1, 2° en 3°, en §2, van overeenkomstige toepassing.

Art. III.31.

Tot en met het begrotingsjaar 2013 worden de opgenomen studiepunten van de HUB-EHSAL, berekend voor de onderwijssokkel overeenkomstig artikel III.7, verhoogd met 29.255,4 opgenomen studiepunten voor de academische opleidingen in het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde. In de begrotingsjaren 2014 en 2015 worden deze bijkomende opgenomen studiepunten toegevoegd aan de opgenomen studiepunten van de Katholieke Universiteit Leuven.

Tot en met het begrotingsjaar 2013 worden de financieringspunten van de HUB-EHSAL, berekend voor het variabele onderwijsdeel overeenkomstig artikel III.11, verhoogd met 33.824,64 financieringspunten voor de academische opleidingen in het studiegebied Handelswetenschappen en bedrijfskunde. In de begrotingsjaren 2014 en 2015 worden deze bijkomende financieringspunten toegevoegd aan de financieringspunten van de Katholieke Universiteit Leuven.

Tot en met het begrotingsjaar 2016 worden de opgenomen studiepunten van de Karel de Grote Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen, berekend voor de onderwijssokkel overeenkomstig artikel III.7, verhoogd met 5.946,20 opgenomen studiepunten voor de afbouw van de professionele bacheloropleiding Elektromechanica. Vanaf het begrotingsjaar 2017 worden deze bijkomende studiepunten jaarlijks verminderd met 20%.

Tot en met het begrotingsjaar 2016 worden de financieringspunten van de Karel de Grote Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen, berekend voor het variabele onderwijsdeel overeenkomstig artikel III.11, verhoogd met 13.150,44 financieringspunten voor de afbouw van de professionele bacheloropleiding Elektromechanica. Vanaf het begrotingsjaar 2017 worden deze bijkomende financieringspunten jaarlijks verminderd met 20%.

Hoofdstuk 2. Aanvullende middelen

Afdeling 1. Specifieke lerarenopleiding

Art. III.32.

§ 1. De universiteiten ontvangen vanaf het begrotingsjaar 2008 gezamenlijk een bedrag van [4.494.431,96] euro voor de organisatie van de specifieke lerarenopleiding.

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2008 wordt de gezamenlijke toelage verdeeld pro rata de in het voorlaatst afgelopen academiejaar verworven credits in de lerarenopleiding.

§ 3. Deze toelagen worden beschouwd als extra werkingsmiddelen. Zij worden maandelijks per twaalfden ter beschikking gesteld van elke universiteit aan het einde van de maand op die waarop het twaalfde betrekking heeft.

§ 4. De in paragraaf 1 vermelde bedragen worden met ingang van begrotingsjaar 2009 geïndexeerd volgens de bepalingen in artikel III.5, § 9.

Decr. 25-4-2014

Art. III.33.

SLO is bestemd voor de financiering van de specifieke lerarenopleidingen van de hogescholen. De specifieke lerarenopleidingen voor de houders van een professioneel bachelordiploma, met uitzondering van de specifieke lerarenopleiding dans, worden slechts gefinancierd mits goedkeuring door de Vlaamse Regering [...]².

De Vlaamse Regering houdt hierbij rekening met de volgende criteria inzake macrodoelmatigheid : het aanbod van specifieke lerarenopleidingen [...]² en het aantal studenten in deze specifieke lerarenopleidingen. De Vlaamse Regering kan hierbij het advies inwinnen van de Commissie Hoger Onderwijs.

Vanaf 2008 ontvangen de hogescholen voor de organisatie van de specifieke lerarenopleidingen gezamenlijk een bedrag van [1.362.083,04]¹ euro.

Vanaf het begrotingsjaar 2008 gebeurt de verdeling pro rata de in het voorlaatst afgelopen academiejaar verworven credits in de lerarenopleiding.

Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast op de wijze bepaald in artikel III.5, § 9.

Vóór het begrotingsjaar 2012 wordt deze financieringswijze geëvalueerd.

[ ]¹ Decr. 25-4-2014; [ ]² Decr. 18-12-2015

Afdeling 2. Aanvullende uitkeringen

Art. III.34.

§ 1. Voor de hogescholen wordt voorzien in de volgende aanvullende uitkeringen :

1° een bedrag van 951.960,02 euro voor de geraamde kosten van de salarissen van de personeelsleden van het meester-, vak- en dienstpersoneel van de hogescholen die op 31 december 1995 rechtstreeks betaald werden door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. Het eventuele saldo op het einde van het begrotingsjaar t wordt in het begrotingsjaar t+1 toegevoegd aan het variabel onderwijsgedeelte voor de professioneel gerichte opleidingen VOWprof aan de hogescholen;

2° een bedrag van 7.884.245,71 euro voor de geraamde kosten van de salarissen of wachtgelden van de personeelsleden, vermeld in artikel III.35. Het eventuele saldo op het einde van het begrotingsjaar t wordt in het begrotingsjaar t+1 toegevoegd aan het variabel onderwijsgedeelte voor de professioneel gerichte opleidingen VOWprof aan de hogescholen;

3°[...]²

4° de bedragen VOWprof 2014 en VOWhko2014 worden verhoudingsgewijs verminderd met de bedragen die nodig zijn om de salariskosten te dekken van hun benoemde personeelsleden die tijdens het voorgaande begrotingsjaar met bevallingsverlof waren en van hun benoemde en tijdelijke personeelsleden die tijdens het voorgaande begrotingsjaar met opvangverlof voor adoptie of pleegvoogdij waren, voor wat de duur van dat bevallings- of opvangverlof betreft;

[5° een bedrag van 200.000 euro voor de compensatie van de meerkost van toegekende anciënniteit aan personeelsleden met diensten in het beperkt leerplan.

In 2012 worden deze middelen verdeeld pro rata het aandeel in de werkingsuitkeringen.

In 2013 worden deze middelen als volgt verdeeld :

Hogeschool

Bedrag (in euro)

AP Hogeschool Antwerpen

54.931,06

Hogeschool Gent

41.868,67

Erasmushogeschool

40.382,65

LUCA School of Arts

18.252,53

Groep T - Internationale Hogeschool

9.677,23

Karel de Grote-Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen

8.105,14

PXL Hogeschool Limburg

7.455,78

Katholieke Hogeschool Limburg

5.230,31

Katholieke Hogeschool Sint-Lieven

3.681,06

Thomas More Kempen

3.112,05

Katholieke Hogeschool Leuven

2.240,88

Arteveldehogeschool

1.562,02

Katholieke Hogeschool Vives Zuid

1.365,50

Katholieke Hogeschool Vives Noord

1.073,09

Thomas More Mechelen

1.062,03

Vanaf 2014 worden deze middelen toegekend op basis van een gemotiveerd voorstel van de VLUHR.]¹

[ ]¹ Decr. 25-4-2014; [ ]² Decr. 3-7-2015

§ 2. De bedragen, vermeld in paragraaf 1, volgen vanaf het begrotingsjaar 2008 de evolutie van de gezondheidsindex.

§ 3. De bedragen voor de verhoging van het vakantiegeld van de personeelsleden van de hogescholen, die naar aanleiding van cao II werden toegevoegd aan de enveloppe van de hogescholen, en de toekenning van de schoolpremie, worden als volgt toegevoegd aan de verschillende variabele onderwijsdelen :

1° aan VOWprof2014 wordt een bedrag van 9.932.186,00 euro toegevoegd;

2° aan VOWhko2014 wordt een bedrag van 719.703,24 euro toegevoegd;

3° aan VOWun2014 wordt een bedrag van 2.470.033,84 euro toegevoegd.

Deze bedragen worden met ingang van het begrotingsjaar 2012 geïndexeerd overeenkomstig de indexeringsformule, vermeld in artikel III.5, §9.

§ 4. Het bedrag van VOWprof wordt verminderd met het bedrag voor de financiering van de voortgezette lerarenopleidingen die niet tot bachelor-na-bacheloropleidingen zijn omgevormd. Vanaf het begrotingsjaar 2007 ontvangen de hogescholen die een voortgezette lerarenopleiding organiseren waaruit geen bachelor-na-bacheloropleiding is ontstaan, per in het vorig academiejaar afgeleverd diploma 1944,79 euro. Als het totale bedrag meer dan 317.000,77 euro bedraagt, dan wordt dit bedrag verdeeld over de hogescholen op basis van het aantal in het vorig academiejaar afgeleverde diploma's. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast op de wijze bepaald in artikel III.5.

§ 5. Volgende bedragen, uitgedrukt in euro, worden als aanvullende uitkering toegevoegd aan de werkingsuitkering van HUB-EHSAL [of aan de werkingsuitkering van diens rechtsopvolger] :

Begrotingsjaar 2008

390.777,68

Begrotingsjaar 2009

1.451.459,94

Begrotingsjaar 2010

1.451.459,94

Begrotingsjaar 2011

1.161.167,95

Begrotingsjaar 2012

870.875,96

Begrotingsjaar 2013

580.583,98

Begrotingsjaar 2014

290.291,99

Vanaf het begrotingsjaar 2009 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.

B.Vl.R. 20-12-2013

[§ 6. Vanaf het begrotingsjaar 2015 ontvangen de hogescholen en de universiteiten een bedrag van [[804.000 euro]] voor de vorming en opleiding van het personeel aan de hogescholen en universiteiten. Dat bedrag wordt onder de universiteiten en hogescholen verdeeld naar rato van het aandeel van elke instelling in de werkingsuitkering voor het voorgaande begrotingsjaar. Het bedrag dat zo verkregen wordt, wordt met behoud van de bestemming ervan toegevoegd aan de werkingsuitkering.

De universiteiten en hogescholen onderhandelen jaarlijks binnen het lokale medezeggenschapsorgaan met de afgevaardigden van het personeel over de geplande vormingsinitiatieven en rapporteren over het resultaat van de vormingsinitiatieven van het voorgaande begrotingsjaar.]

Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 19-12-2014

[§ 7. Volgende bedragen, uitgedrukt in euro, worden als aanvullende uitkering toegevoegd aan de werkingsuitkering van de Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen :

Begrotingsjaar 2016

41.549,00

Begrotingsjaar 2017

127.971,00

Begrotingsjaar 2018

127.971,00

Begrotingsjaar 2019

102.376,80

Begrotingsjaar 2020

76.782,60

Begrotingsjaar 2021

51.188,40

Begrotingsjaar 2022

25.594,20

Vanaf het begrotingsjaar 2018 worden de bedragen vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.]

Decr. 30-6-2017

Art. III.35.

§ 1. De personeelsleden, vermeld in artikel III.34, §1, 2°, zijn de volgende :

1° de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking, en die verbonden zijn aan een instelling voor hoger onderwijs die op 31 december 1995 niet meer door de Vlaamse Gemeenschap wordt gefinancierd of gesubsidieerd, en de vastbenoemde personeelsleden van de instellingen voor hoger onderwijs waarvan de afbouw van alle opleidingen, gestart op grond van de toepassing van de rationalisatienormen die van kracht waren tot voor het academiejaar 1994-1995, voltooid zal zijn in het academiejaar 1995-1996, voor zover die personeelsleden ondertussen niet vastbenoemd zijn in een andere onderwijsinstelling;

2° de personeelsleden die verbonden zijn aan een instelling voor hoger onderwijs met volledig leerplan, die volledig ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking op 15 januari 1994, en die op 15 januari 1994 niet waren gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in de instelling voor hoger onderwijs met volledig leerplan waar zij benoemd waren, voor zover zij ondertussen niet vastbenoemd zijn in een andere onderwijsinstelling;

3° de personeelsleden en leden van het onderwijzend personeel die verbonden zijn aan een instelling voor pedagogisch hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan, en die in het academiejaar 1994-1995 titularis waren van een betrekking, toegekend op basis van extra-waarborglestijden. De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze die personeelsleden worden aangewezen. Zij worden rechtstreeks en centraal bezoldigd door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap;

4° de vastbenoemde pedagogische adviseurs en adviseurs-coördinatoren die op 31 augustus 1995 in dienst zijn van de pedagogische begeleidingsdiensten van het hoger onderwijs van het korte type;

5° a) de personeelsleden, benoemd in een instelling voor hoger onderwijs met volledig leerplan,die op 1 januari 1995 een verlof wegens opdracht of een terbeschikkingstelling wegens bijzondere opdracht, als vermeld in artikel 17 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, genoten en ingeschakeld waren ter ondersteuning van de begeleidingsdiensten van het hoger onderwijs met volledig leerplan;

b) de benoemde personeelsleden van de hogescholen die op 1 september 2002 binnen het contingent van de 0,1 % een verlof wegens opdracht of een terbeschikkingstelling wegens bijzondere opdracht, als vermeld in artikel 17 van het decreet van 8 mei 1999 betreffende de kwaliteit van onderwijs, genoten. Die personeelsleden behouden dat verlof of die terbeschikkingstelling op persoonlijke titel voor het volume op 1 september 2002 tot er een einde wordt gesteld aan dat verlof of die terbeschikkingstelling of tot hun uitdiensttreding;

6° de personeelsleden, zoals bedoeld in artikel V.253, die voor de begeleiding van de onderwijsvernieuwingen in het hoger onderwijs en voor de ondersteuning van de lokale comités tewerkgesteld zijn bij de representatieve vakorganisaties.

§ 2. Als de personeelsleden die op 15 januari 1994 ter beschikking gesteld waren wegens ontstentenis van betrekking, in een bepaald begrotingsjaar, met ingang van het begrotingsjaar 1997, gereaffecteerd of wedertewerkgesteld zijn buiten het hoger onderwijs met volledig leerplan, ontvangt de hogeschool waar zij benoemd zijn het daaropvolgende begrotingsjaar, een forfaitair bedrag dat overeenstemt met het volume van de opdracht van reaffectatie of wedertewerkstelling buiten het hoger onderwijs met volledig leerplan, vermenigvuldigd met 37.185 euro en vermenigvuldigd met 100% vanaf het begrotingsjaar 2007.

Art. III.36.

§ 1. Er wordt een [fonds Hoger Onderwijs] opgericht, hierna het fonds te noemen.

[Het fonds is een begrotingsfonds in de zin van artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof.]

[De middelen van het fonds worden aangewend voor :

a. de betaling van de werkingsuitkeringen aan de hogescholen;

b. de betaling van de investeringstoelagen aan de hogescholen en universiteiten in het kader van het Vlaams Klimaatbeleidsplan;

c. de betaling van andere uitgaven ten voordele van het Vlaamse hoger onderwijs.]

§ 2. Aan het fonds worden alle ontvangsten toegewezen die voortvloeien uit de terugstorting van onverschuldigde salarissen en vergoedingen, alsook alle ontvangsten die voortvloeien uit het terugstorten van 70% van het bruto-aanvangssalaris, vermeld in artikel V.298 en V.299 [, alsook de middelen ontvangen vanuit het Vlaams Klimaatfonds zoals vermeld in artikel 14 van het decreet van 13 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012].

§ 3. Vanaf 1 september 1998 worden de personeelsleden, vermeld in V.264, voor het volume van de opdracht waarvoor zij op 1 januari 1998 verbonden waren aan de optie kinesitherapie, opgenomen in een apart personeelsbestand. Zij behouden hun statutaire toestand en blijven de salarisschaal genieten die hun op 1 januari 1998 was toegekend. Zij behouden hun statuut van personeelslid van de hogeschool waarvan zij personeelslid waren op 1 januari 1998.

§ 4. Vanaf het academiejaar 2002-2003 worden de personeelsleden, vermeld in paragraaf 3, die geen tewerkstelling hebben in de opleiding kinesitherapie, niet meer betaald ten laste van de werkingsuitkeringen van de hogeschool. De Vlaamse Gemeenschap betaalt die personeelsleden centraal. Ze neemt hiervoor een bedrag op in de begroting dat gelijk is aan de brutoloonkosten van die personeelsleden, verminderd met een raming van de terugstorting van 70% van het bruto-aanvangssalaris, vermeld in artikel V.296 en V.297.

§ 5. [...]

Decr. 23-12-2016

Art. III.37.

§1. In het begrotingsjaar 2012 ontvangen de hogescholen voor de academisering de volgende bedragen op indexniveau 2011 :

1° voor de academiserende kunstopleidingen: 5.776.879,28 euro;

2° voor de andere academiserende opleidingen: 17.355.041,48 euro.

Deze bedragen worden vanaf het begrotingsjaar 2012 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.

§2. In het begrotingsjaar 2012 ontvangen de hogescholen de volgende aanvullende bedragen voor de academisering :

1° voor de academiserende kunstopleidingen: 1.877.328,73 euro;

2° voor de andere academiserende opleidingen: 5.622.671,27 euro.

§3. In het begrotingsjaar 2012 ontvangen de hogescholen de volgende bijkomende bedragen voor de academisering :

1° voor de academiserende kunstopleidingen: 240.000,00 euro;

2° voor de andere academiserende opleidingen: 1.360.000,00 euro.

§4. De som van de bedragen, vermeld in de paragrafen 1, 2 en 3, wordt onder de hogescholen verdeeld naar rato van het aantal opgenomen studiepunten en het aantal uitgereikte diploma's in respectievelijk de academiserende kunstopleidingen en de andere academiserende opleidingen.

Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in een hogeschool wordt voor het begrotingsjaar t het gemiddelde aantal studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2, waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een academische initiële bachelor- of masteropleiding, respectievelijk in een kunstopleiding of in een andere academisch gerichte opleiding.

Voor de vaststelling van het aantal uitgereikte diploma's in een hogeschool worden voor het begrotingsjaar t het gemiddelde aantal uitgereikte diploma's in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 in een academische initiële bachelor- of masteropleiding, respectievelijk een kunstopleiding of een andere academisch gerichte opleiding.

Zowel het aantal opgenomen studiepunten als het aantal uitgereikte diploma's worden voor 50% meegerekend.

§5. In afwijking van paragraaf 4 ontvangt een hogeschool in 2012 het minimumbedrag, opgenomen in de volgende kolommen, als het bedrag, berekend overeenkomstig paragraaf 1 en 2, kleiner is dan het minimumbedrag.

Instelling

HKO BUDGET 2012

AC BUDGET 2012

Arteveldehogeschool

0,00

227.025,55

Erasmushogeschool Brussel

1.036.179,04

579.774,71

Hogere Zeevaartschool

0,00

235.708,27

Artesis Hogeschool Antwerpen

1.510.071,80

2.534.526,20

Hogeschool Gent

1.350.947,85

3.938.878,09

Hogeschool Sint-Lukas Brussel

0,00

0,00

LUCA School of Arts

2.289.916,82

1.157.276,59

Hogeschool West-Vlaanderen

0,00

670.887,78

Karel de Grote-Hogeschool

582.471,22

466.959,34

Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende

0,00

592.636,14

Thomas More Kempen

0,00

636.136,92

Katholieke Hogeschool Leuven

0,00

0,00

Katholieke Hogeschool Limburg

580.573,20

463.638,81

Thomas More Mechelen

0,00

852.341,37

Katholieke Hogeschool Sint-Lieven

0,00

1.622.876,21

Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen.

0,00

0,00

Thomas More Antwerpen

0,00

2.006.662,57

Plantijn-Hogeschool

0,00

0,00

Provinciale Hogeschool Limburg

442.398,92

580.766,30

Internationale Hogeschool Groep T

0,00

1.217.029,27

HUB-EHSAL

0,00

5.075.861,36

XIOS Hogeschool Limburg

0,00

480.025,93

Totaal

7.792.558,85

23.339.011,41

§ 6. Het saldo tussen het gegarandeerde minimum aan academiseringsmiddelen, vermeld in paragraaf 5, en de totaliteit aan middelen voor academisering, vermeld in de paragrafen 1, 2 en 3, wordt per instelling verdeeld naar rato van het aandeel tussen de groeiende instellingen voor respectievelijk de academiserende kunstopleidingen en de andere academiserende opleidingen.

§ 7. De middelen, vermeld in dit artikel, worden met behoud van de bestemming ervan toegevoegd aan de werkingsuitkering.

§ 8. Een hogeschool kan ervoor opteren om een gedeelte van de middelen ter ondersteuning van de academisering onder te brengen in het Industrieel Onderzoeksfonds, bedoeld in artikel 74bis van het decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003, van de associatie waartoe zij behoort, indien in deze mogelijkheid voorzien is in het algemeen onderzoeks- en samenwerkingsreglement van de associatie waartoe ze behoort.

De hogeschool sluit een overeenkomst af met de associatie over de inzet van deze middelen vanuit het Industrieel Onderzoeksfonds.

Art. III.38.

§ 1. In het begrotingsjaar 2013 ontvangen de hogescholen voor de academisering de volgende bedragen :

1° voor de academiserende kunstopleidingen: 7.792.558,85 euro;

2° voor de andere academiserende opleidingen: 23.339.011,41 euro.

Deze bedragen worden voor het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.

§ 2. In het begrotingsjaar 2013 ontvangen de hogescholen voor de academisering de volgende bijkomende bedragen :

1° voor de academiserende kunstopleidingen: 1.230.000 euro;

2° voor de andere academiserende opleidingen: 7.170.000 euro.

§ 3. De som van de bedragen, vermeld in de paragrafen 1 en 2 wordt onder de hogescholen verdeeld overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel III.37, §4, §5 en §6.

§ 4. De middelen, vermeld in dit artikel, worden met behoud van bestemming toegevoegd aan de werkingsuitkering.

§ 5. Een hogeschool kan ervoor opteren om een gedeelte van de middelen ter ondersteuning van de academisering onder te brengen in het Industrieel Onderzoeksfonds, bedoeld in artikel 74bis van het decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003, van de associatie waartoe zij behoort, indien in deze mogelijkheid voorzien is in het algemeen onderzoeks- en samenwerkingsreglement van de associatie waartoe ze behoort.

De hogeschool sluit een overeenkomst af met de associatie over de inzet van deze middelen vanuit het Industrieel Onderzoeksfonds.

Art. III.39.

§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 2014 ontvangen de hogescholen een uitkering van 7.616.782,04 euro als aanvullende onderzoeksmiddelen voor de academisch gerichte kunstopleidingen in de Schools of Arts. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.

Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de volgende bedragen :

begrotingsjaar

bedrag (uitgedrukt in miljoen euro)

2014

2,18

2015

3,16

2016

4,13

2017

5,11

2018

6,41

2019

7,71

2020

9,01

2021

10,31

2022

11,61

vanaf 2023

12,93

Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in het tweede lid, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen vermeld in de artikelen III.37, § 3, 1°, en III.38, § 2, 1°, en de bedragen vermeld in het tweede lid als 1 geheel beschouwd.

§ 2. De bedragen, vermeld in paragraaf 1, worden onder de hogescholen verdeeld naar rato van het aantal opgenomen studiepunten en het aantal uitgereikte diploma's in de academisch gerichte kunstopleidingen.

Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in de academisch gerichte kunstopleidingen in een hogeschool wordt voor het begrotingsjaar t het gemiddelde aantal studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een academische initiële bachelor- of masteropleiding binnen een School of Arts.

Voor de vaststelling van het aantal uitgereikte diploma's in de academisch gerichte kunstopleidingen in een hogeschool wordt voor het begrotingsjaar t het gemiddelde aantal uitgereikte diploma's in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 in een academische initiële bachelor- of masteropleiding binnen een School of Arts.

Zowel het aantal opgenomen studiepunten als het aantal uitgereikte diploma's wordt voor 50% meegerekend.

§ 3. Vanaf het begrotingsjaar 2014 ontvangen de universiteiten een uitkering van 23.514.788,22 euro als aanvullende onderzoeksmiddelen voor de academisch gerichte hogeschoolopleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd zijn in de universiteiten. Dat bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.

Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met de volgende bedragen (uitgedrukt in miljoen euro) :

[begrotingsjaar

bedrag (uitgedrukt in miljoen euro)

2014

12,82

2015

18,64

2016

21,61

2017

27,43

2018

32,73

2019

38,23

2020

43,53

2021

48,83

2022

54,33

2023

58,01

vanaf 2024

60,67]

Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in het tweede lid, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. Voor het berekenen van de nominale toename worden de bedragen vermeld in de artikelen III.37, §3, 2°, en III.38, §2, 2°, en de bedragen vermeld in het tweede lid als 1 geheel beschouwd.

Decr. 18-12-2015

§ 4. De bedragen, vermeld in paragraaf 3, worden onder de universiteiten verdeeld naar rato van het aantal opgenomen studiepunten en het aantal uitgereikte diploma's in de academisch gerichte opleidingen waarvan de onderwijsbevoegdheid met ingang van het academiejaar 2013-2014 overgedragen is van de hogescholen aan de universiteiten.

Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in een universiteit wordt voor het begrotingsjaar t het gemiddelde aantal studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven voor een academische initiële bachelor- of masteropleiding waarvan de onderwijsbevoegdheid met ingang van het academiejaar 2013-2014 overgedragen is aan de desbetreffende universiteit.

Voor de vaststelling van het aantal uitgereikte diploma's in een universiteit wordt voor het begrotingsjaar t het gemiddelde aantal uitgereikte diploma's in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 in een academische initiële bachelor- of masteropleiding waarvan de onderwijsbevoegdheid met ingang van het academiejaar 2013-2014 overgedragen is aan de desbetreffende universiteit.

Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten en van het aantal uitgereikte diploma's, vermeld in het tweede en derde lid, worden de opgenomen studiepunten en de uitgereikte diploma's in de academische initiële bachelor- of masteropleidingen, waarvan de onderwijsbevoegdheid met ingang van het academiejaar 2013-2014 overgedragen is aan een universiteit, geacht behoord te hebben bij de ontvangende universiteit tijdens de relevante academiejaren, nodig voor de berekening van het vijfjarige gemiddelde.

Zowel het aantal opgenomen studiepunten als het aantal uitgereikte diploma's wordt voor 50% meegerekend.

§ 5. In afwijking van paragraaf 2 en 4 kan vanaf het begrotingsjaar 2019 de jaarlijkse toename van de aanvullende onderzoeksmiddelen verdeeld worden op basis van outputindicatoren. De Vlaamse Regering stelt daarvoor een werkgroep samen die uiterlijk tegen 30 juni 2015 een voorstel uitwerkt. Op basis van dat voorstel legt de Vlaamse Regering tegen 1 januari 2016 de concrete verdelingswijze vast, alsook de lijst van outputindicatoren.

§ 6. De middelen, vermeld in dit artikel, worden met behoud van bestemming toegevoegd aan de werkingsuitkering.

[§ 7. De bedragen van de aanvullende onderzoeksmiddelen, berekend overeenkomstig dit artikel, met uitzondering van de bedragen vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 3 die vanaf 2015 toegevoegd worden, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd.]

Decr. 19-12-2014

[§ 8. De bedragen van de aanvullende onderzoeksmiddelen, berekend overeenkomstig dit artikel, met uitzondering van de bedragen vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 3 die vanaf 2015 toegevoegd worden, worden vanaf het begrotingsjaar 2016 bijkomend met 1% verminderd.]

Decr. 18-12-2015

Art. III.40.

§ 1. De Hogeschool Gent ontvangt een bedrag van 13.828,13 euro als extra werkingsuitkering. Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt dat bedrag toegevoegd aan het variabel onderwijsgedeelte voor de professioneel gerichte opleidingen aan de hogescholen VOWprof.

§ 2. De bedragen, vermeld in dit artikel worden geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.

§ 3. De middelen, vermeld in dit artikel, worden met behoud van bestemming toegevoegd aan de werkingsuitkering.

Art. III.41.

§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt in een bijkomende financiering voorzien voor de hogeronderwijsinstellingen die een vestigingsplaats hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en er initiële bachelor- of masteropleidingen organiseren. Die bijkomende financiering bedraagt (uitgedrukt in miljoen euro):

begrotingsjaar 2012

1,8

begrotingsjaar 2013

3,5

vanaf het begrotingsjaar 2014

6,5

Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in het eerste lid, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 ontvangen deze instellingen daarenboven jaarlijks een toelage van 3.116.539,88 euro. Dit bedrag is op indexniveau 2011 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.

De som van de bedragen, vermeld in deze paragraaf, worden verdeeld over de hogeronderwijsinstellingen met vestigingsplaats in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad naar rato van het aantal opgenomen studiepunten in de initiële bachelor- en masteropleidingen, georganiseerd en aangeboden in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, berekend overeenkomstig artikel III.7.

De middelen worden beschouwd als werkingsuitkeringen als vermeld in artikel III.1, eerste lid, en III.2.

[ [[Vanaf het begrotingsjaar 2015]] wordt de som van de bedragen, vermeld en berekend overeenkomstig deze paragraaf, verminderd met een bedrag van 250.000 euro.]¹

[Vanaf begrotingsjaar 2016 wordt de som van de bedragen, vermeld en berekend overeenkomstig deze paragraaf, verminderd met een bedrag van 1.000.000 euro.]²

[ ]¹ Decr. 25-4-2014; [ ]² Decr. 18-12-2015; [[ ]] Decr. 23-12-2016

§ 2. De hogeronderwijsinstellingen die overeenkomstig paragraaf 1 bijkomende middelen ontvangen, rapporteren jaarlijks aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, over de leefbaarheid van de initiële bachelor- en masteropleidingen die ze organiseren en aanbieden in het tweetalige gebied Brussel-Hoofstad, over de initiatieven die ze nemen om de opleidingen sterker te positioneren en de leefbaarheid ervan te verbeteren, en over de resultaten en effecten van de initiatieven.

Als basis voor die rapportering maakt de administratie jaarlijks tegen uiterlijk 30 juni een rapport op van de evolutie van de studentencijfers in die opleidingen. Het eerste rapport, het nulrapport, wordt opgeleverd tegen 30 juni 2012. Het eerste monitoringrapport wordt opgeleverd tegen 30 juni 2013. De betrokken instellingen rapporteren uiterlijk 3 maanden na de datum van oplevering van het nulrapport en het monitoringrapport. De eerste instellingsrapporten worden ingestuurd tegen 1 september 2012.

Tegen 1 januari 2017 wordt er een globale evaluatie gemaakt van de resultaten en effecten van de genomen initiatieven.

[§ 3. De bedragen van de bijkomende financiering voor de hogeronderwijsinstellingen die een vestigingsplaats hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % wordt het bedrag van 250.000 euro dat in 2015 en 2016 in mindering gebracht wordt, in rekening gebracht.]

Decr. 19-12-2014

[Art. III.41bis.

Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt in een bijkomende financiering voorzien voor de ingeschreven beursstudenten aan de hogescholen. Die bijkomende financiering bedraagt 1.161.000 euro. Dit bedrag is op indexniveau 2015 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2016 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.

Het bedrag, vermeld in deze paragraaf, wordt verdeeld over de hogescholen naar rato van het aantal financieringspunten gegeneerd door beursstudenten, berekend overeenkomstig artikel III.11.]

Decr. 3-7-2015

Art. III.42.

§ 1. Wanneer een centrum voor volwassenenonderwijs in academiejaar t/t+1 een geaccrediteerde opleiding, in uitvoering van artikel II.138, overdraagt aan een hogeschool dan ontvangt deze instelling vanaf begrotingsjaar t hiervoor de volgende middelen :

1° in het jaar t : de kost van de lonen van de personeelsleden die in uitvoering van artikel V.204 een betrekking opnemen in de hogeschool met inbegrip van het gedeelte van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage dat ten laste is van de hogeschool;

2° in het jaar t+1 en t+2 : de totale loonkost van de personeelsleden die in uitvoering van artikel V.204 in het jaar t effectief een opdracht hebben opgenomen in de hogeschool;

3° vanaf het jaar t+3 worden deze middelen jaarlijks met 20% afgebouwd. De vrijgekomen middelen worden toegevoegd aan de werkingsmiddelen voor de professionele bacheloropleidingen VOWprof, zoals vastgesteld in artikel III.5.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt het totaal vastgelegde bedrag voor de overdracht van de bachelor in de sociale readaptatiewetenschappen aan [UC Leuven] vanaf begrotingsjaar t+3 jaarlijks met 12,5% verminderd.

§ 3. De bedragen berekend in begrotingsjaar t worden vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.

B.Vl.R. 19-12-2014

Art. III.43.

§ 1. In de begrotingsjaren 2008 tot en met 2013 ontvangen de universiteiten gezamenlijk een aanvullende uitkering van 1 miljoen euro voor het versterken van het onderzoek in de volgende disciplines : de Historische wetenschappen, de Letteren (inclusief informatie- en documentatiewetenschappen, de bibliotheek- en archiefwetenschappen) en de Wijsbegeerte (inclusief de moraalwetenschappen). Dit bedrag wordt onder de universiteiten verdeeld op basis van het aandeel van elke universiteit in het aantal onderzoekers in die disciplines werkzaam aan de betrokken universiteit en betaald met andere financieringsbronnen dan de werkingsuitkering, uitgedrukt in voltijdse equivalenten. De gegevens worden aangeleverd door de Vlaamse Interuniversitaire Raad na een gezamenlijke validatie ervan door de universiteiten, de overheid en het Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitor erkend en gefinancierd door de Vlaamse Regering.

Deze middelen worden beschouwd als werkingsuitkeringen, zoals bepaald in artikel III.1, eerste lid en III.2.

Het bedrag vermeld in het eerste lid van dit artikel wordt vanaf het begrotingsjaar 2008 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.

§ 2. Voor de begrotingsjaren 2012 en 2013 wordt het bedrag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, beperkt tot respectievelijk 960.000 euro en 860.000 euro (prijsniveau 2011). Deze bedragen worden geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.

Afdeling 3. Praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek

Art. III.44.

§ 1. In het begrotingsjaar 2012 ontvangen de hogescholen een bedrag van 10,708 miljoen euro voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Dit bedrag is op indexniveau 2011 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 geïndexeerd aan de hand van de formule, vermeld in artikel III.5, §9.

§ 2. Het bedrag vermeld in paragraaf 1, wordt in het begrotingsjaar 2012 vermeerderd met 100.000 euro.

§ 3. De bedragen, verkregen na toepassing van paragraaf 1 en 2, worden verdeeld onder de hogescholen op basis van de som van :

1° 100% van het aantal opgenomen studiepunten in de initiële professionele bacheloropleidingen, berekend conform artikel III.7;

2° 50% van het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten zich hebben ingeschreven in een diplomacontract voor bachelor-na-bacheloropleidingen.

§ 4. De toegekende bedragen worden door de hogescholen besteed aan het dekken van zowel kosten voor het opzetten van een organieke ondersteuningsstructuur als de kosten verbonden met de uitvoering van de projecten van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek in het kader van het professioneel hoger onderwijs.

De hogeschool stelt samen met de associatie waartoe ze behoort een onderzoeksreglement op. Dat reglement bevat ten minste de volgende elementen :

1° de looptijd van de projecten;

2° de (voorwaarden voor de) wetenschappelijke ondersteuning van de projecten; 3° de methodologie die gevolgd wordt bij de ex-ante-evaluatie van de ingediende voorstellen, de ex-postevaluatie van de uitgevoerde projecten en eventueel de tussentijdse evaluatie van de projecten die in uitvoering zijn.

Art. III.45.

§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 2013 ontvangen de hogescholen jaarlijks een bedrag van 11.039.000,00 euro voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd aan de hand van de formule, vermeld in artikel III.5, § 9.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt [...]² een bedrag van 3.016.980 euro toegevoegd voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Dit bedrag is op indexniveau 2011 en wordt vanaf het begrotingsjaar 2012 geïndexeerd aan de hand van de formule, vermeld in artikel III.5, § 9.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt [...]² een bedrag van 1.000.000 euro toegevoegd voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 geïndexeerd aan de hand van de formule, vermeld in artikel III.5, § 9.

[Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt een bedrag van minstens 10.000.000 euro toegevoegd voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2018 geïndexeerd aan de hand van de formule, vermeld in artikel III.5, § 9.]²

§ 2. De bedragen, vermeld in paragraaf 1, worden vermeerderd met de volgende bedragen (uitgedrukt in miljoen euro) :

begrotingsjaar

bedrag (uitgedrukt in miljoen euro)

2013

0,6

2014

1,1

2015

1,5

2016

2,0

2017

2,5

2018

3,0

2019

3,4

2020

3,9

2021

4,5

2022

4,8

vanaf 2023

5,2

Het bedrag dat in het begrotingsjaar t nominaal wordt toegevoegd, zijnde het verschil tussen het bedrag voor het begrotingsjaar t en het bedrag voor het begrotingsjaar t-1, vermeld in deze paragraaf, wordt vanaf het begrotingsjaar t+1 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.

§ 3. De bedragen, verkregen na toepassing van paragraaf 1 en 2, worden verdeeld onder de hogescholen op basis van de som van :

1° 100% van het aantal opgenomen studiepunten in de initiële professionele bacheloropleidingen, berekend overeenkomstig artikel III.7;

2° 50% van het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 waarvoor studenten zich hebben ingeschreven in een diplomacontract voor bachelor-na-bacheloropleidingen.

In afwijking van het eerste lid kan vanaf het begrotingsjaar 2019 de jaarlijkse toename van de middelen voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek verdeeld worden op basis van outputindicatoren. De Vlaamse Regering stelt daarvoor een werkgroep samen die uiterlijk tegen 30 juni 2015 een voorstel uitwerkt. Op basis van dat voorstel legt de Vlaamse Regering tegen 1 januari 2016 de lijst van outputindicatoren vast, alsook de concrete verdelingswijze.

§ 4. De toegekende bedragen worden door de hogescholen besteed aan het dekken van zowel de kosten voor het opzetten van een organieke ondersteuningsstructuur als de kosten verbonden met de uitvoering van de projecten van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek in het kader van het professioneel hoger onderwijs.

De hogeschool stelt samen met de associatie waartoe ze behoort een onderzoeksreglement op. Dat reglement bevat ten minste de volgende elementen :

1° de looptijd van de projecten;

2° de (voorwaarden voor de) wetenschappelijke ondersteuning van de projecten;

3° de methodologie die gevolgd wordt bij de ex-ante-evaluatie van de ingediende voorstellen, de ex-postevaluatie van de uitgevoerde projecten en eventueel de tussentijdse evaluatie van de projecten die in uitvoering zijn.

[§ 5. De bedragen voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek, berekend overeenkomstig dit artikel met uitzondering van de bedragen vermeld in paragraaf 2 die vanaf 2015 toegevoegd worden, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd.]¹

[ ]¹ Decr. 19-12-2014; [ ]² Decr. 23-12-2016

Afdeling 4. Financiering van de investeringen van de hogescholen

Art. III.46.

[§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt het basisbedrag van de investeringsmachtigingen voor de hogescholen vastgelegd op 24.736.000 euro, te verdelen als volgt :

1° voor de publiekrechtelijke hogescholen: 10.401.000 euro;

2° voor de vrije gesubsidieerde hogescholen: 14.335.000 euro.

De verdeling per hogeschool wordt vastgelegd als volgt :

Investeringsmachtigingen 2014 (prijsniveau 2013) Vrije gesubsidieerde hogescholen

Arteveldehogeschool

1.445.098

LUCA School of Arts

[[1.398.170]]4

Karel de Grote Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen

1.555.028

Katholieke Hogeschool Vives Noord

597.532

Thomas More Kempen

1.342.257

[[UC Leuven]]²

[[1.483.747]]³

[[UC Limburg]]²

[[932.962]]4

Thomas More Mechelen Antwerpen

1.722.213

Katholieke Hogeschool Vives Zuid

1.267.790

[[Odisee]]¹

2.590.203

Totaal

14.335.000

Investeringsmachtigingen 2014 (prijsniveau 2013) Publiekrechtelijke hogescholen

Erasmushogeschool Brussel

1.115.855

Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen

2.708.251

Hogeschool Gent

3.863.621

Hogeschool West-Vlaanderen

1.201.431

Hogeschool PXL

1.511.842

Totaal

10.401.000

§ 2. In het kader van de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten wordt het bedrag van 24.736.000 euro aan investeringsmachtigingen voor het begrotingsjaar 2014 in het begrotingsjaar 2024 verminderd tot 18.914.545 euro.

Deze vermindering met 5.821.455 euro wordt gelijkmatig gespreid over de periode 2015-2024 (jaarlijkse vermindering met telkens 10%) en wordt als volgt vastgelegd :

Begrotingsjaar

Gesubsidieerde vrije hogescholen

Publiekrechtelijke hogescholen

Totaal

2015

14.037.261

10.116.594

24.153.854

2016

13.739.521

9.832.188

23.571.709

2017

13.441.782

9.547.782

22.989.563

2018

13.144.042

9.263.376

22.407.418

2019

12.846.303

8.978.969

21.825.272

2020

12.548.563

8.694.563

21.243.127

2021

12.250.824

8.410.157

20.660.981

2022

11.953.085

8.125.751

20.078.836

2023

11.655.345

7.841.345

19.496.690

2024

11.357.606

7.556.939

18.914.545

§ 3. De investeringsmachtigingen, zoals vastgelegd in paragraaf 1, worden onder de hogescholen als volgt verdeeld :

1° de investeringsmachtigingen van 2014 per hogeschool, zoals vastgelegd in paragraaf 1, worden in de periode 2015-2024 per hogeschool gelijkmatig verminderd met 10% per jaar;

2° tegelijk wordt in combinatie met deze afbouw van de investeringsmachtigingen 2014 (situatie as is) een nieuw systeem van verdeling van investeringsmachtigingen in de hogescholen ingevoerd dat gelijkmatig aangroeit met 10% per jaar tot een totaal van 18.914.545 euro in het begrotingsjaar 2024 (prijsniveau 2013) :

Begrotingsjaar

%

Gesubsidieerde vrije hogescholen

Publiekrechtelijke hogescholen

Totaal

2015

10%

1.403.726

1.011.659

2.415.385

2016

20%

2.747.904

1.966.438

4.714.342

2017

30%

4.032.535

2.864.334

6.896.869

2018

40%

5.257.617

3.705.350

8.962.967

2019

50%

6.423.151

4.489.485

10.912.636

2020

60%

7.529.138

5.216.738

12.745.876

2021

70%

8.575.577

5.887.110

14.462.687

2022

80%

9.562.468

6.500.601

16.063.069

2023

90%

10.489.811

7.057.210

17.547.021

2024

100%

11.357.606

7.556.939

18.914.545

De verdeling van deze middelen per hogeschool wordt vastgelegd in artikel III.46/1.

§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 2025 bedraagt het basisbedrag van de investeringsmachtigingen voor de hogescholen vastgelegd op 18.914.545 euro, te verdelen als volgt :

1° voor de publiekrechtelijke hogescholen: 7.556.939 euro;

2° voor de vrij gesubsidieerde hogescholen: 11.357.606 euro.

Deze basisbedragen (prijsniveau 2013) worden jaarlijks aangepast met de voor het begrotingsdecreet gehanteerde aanpassingsfactor voor de investeringssubsidies.

§ 5. De basisbedragen (prijsniveau 2013), zoals vastgelegd in paragraaf 1 tot paragraaf 4, worden jaarlijks aangepast met de voor het begrotingsdecreet gehanteerde aanpassingsfactor voor de investeringssubsidies.

§ 6. Bij eventuele fusies van hogescholen worden de bedragen aan investeringsmachtigingen zoals vastgelegd in paragraaf 1 tot paragraaf 4 van de fuserende hogescholen samengevoegd en toegekend aan de nieuwe fusiehogeschool.]

Decr. 25-4-2014; [[ ]]¹ B.Vl.R. 5-9-2014; [[ ]]² B.Vl.R. 19-12-2014; [[ ]]³ Decr. 19-6-2015; [[ ]]4 Decr. 8-7-2016

[Art. III.46/1.

De verdeling en de toewijzing per hogeschool van de investeringsmachtigingen, vermeld in artikel III.46, § 3 en § 4, gebeurt binnen de respectievelijke enveloppes van de vrije gesubsidieerde hogescholen en de publiekrechtelijke hogescholen op basis van volgende criteria :

1° voor alle professionele bacheloropleidingen (exclusief het hoger kunstonderwijs): het aantal opgenomen studiepunten door studenten onder diplomacontract ingeschreven in een professioneel gerichte bacheloropleiding of een bachelor-na-bacheloropleiding;

2° voor het hoger kunstonderwijs: het aantal opgenomen studiepunten door studenten onder diplomacontract ingeschreven in een professioneel gerichte bacheloropleiding, een bachelor-na-bacheloropleiding, een academisch gerichte bacheloropleiding, een initiële masteropleiding, een schakelprogramma of een voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding.

Deze opgenomen studiepunten worden per studiegebied of cluster van studiegebieden gewogen met de overeenkomstige puntengewichten :

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

1

Sociaal-agogisch werk

1

Gezondheidszorg

1

Gezondheidszorg - Onderwijs

1

Gezondheidszorg - Onderwijs - Sociaal-agogisch werk

1

Onderwijs

1

Industriële wetenschappen en technologie

2,5

Nautische wetenschappen

2,5

Architectuur

2,5

Architectuur - Industriële wetenschappen en technologie

2,5

Biotechniek

2,5

Audiovisuele en beeldende kunst

2,5

Muziek en podiumkunsten

2,5

Toegepaste taalkunde

2,5

Productontwikkeling

2,5

Het aantal gewogen opgenomen studiepunten per hogeschool is gelijk aan de som van de producten van het aantal opgenomen studiepunten in ieder studiegebied of cluster van studiegebieden enerzijds en het overeenkomstige bepaalde puntengewicht.

Voor de vaststelling van het gewogen aantal opgenomen studiepunten voor het begrotingsjaar t worden het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2.

In afwijking van de bovenstaande puntengewichten, wordt voor de opleidingen "Biomedische laboratoriumtechnologie" en "Voedings- en dieetkunde" van het studiegebied Gezondheidszorg het puntengewicht 2,5 toegepast.]

Decr. 25-4-2014

Art. III.47.

Deze investeringsmiddelen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor de gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken, voor de omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, voor de aankoop van gronden, voor de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur, voor de onroerende investeringen met betrekking tot de sociale voorzieningen, tot dekking van de kapitaal- en intrestlasten voortspruitend uit leningen ten behoeve van de investeringsuitgaven, tot dekking van de investeringsuitgaven bij publieke private samenwerkingsovereenkomsten en tot dekking van de investeringsuitgaven bij promotieovereenkomsten voor aanneming van werken.

Art. III.48.

[§ 1. Om voor de financiering van de investeringen in aanmerking te komen moet de hogeschool eigenaar zijn van het onroerend goed, ofwel een zakelijk recht bezitten op het onroerend goed dat haar het genot waarborgt voor ten minste een periode van dertig jaar. Deze voorwaarde geldt niet bij de aankoop van een gebouw, van grond of van zware didactische en wetenschappelijke apparatuur.

§ 2. In de schoot van de associatie wordt een advies gegeven over de meerjarenplanning en over de besteding van de investeringsmiddelen. Dit advies is gebaseerd op het in artikel II.11, tweede lid, 7°, bedoelde meerjarenplan voor de onderlinge afstemming van investeringen, infrastructuur, bibliotheek- en documentatievoorzieningen.]

Decr. 17-6-2016

Art. III.49.

Bij verkoop of wijziging van het doel van het geheel of een deel van het gebouw dat werd aangekocht, gebouwd, gemoderniseerd, uitgebreid of geschikt gemaakt met behulp van de in artikel III.46 en III.124 bedoelde middelen, dient het totale bedrag van de tegemoetkoming terugbetaald te worden. Deze bepaling is niet van toepassing wanneer sinds de eerste januari van het jaar waarin de belofte van tegemoetkoming werd gedaan 30 jaar zijn verlopen; of wanneer bij verkoop de opbrengst ten belope van het bedrag van de toegekende subsidie binnen een periode van 2 jaar en met behoud van bestemming opnieuw wordt geïnvesteerd voor de in artikel III.47 bedoelde aangelegenheden.

Een terugbetaling van de tegemoetkoming is evenmin van toepassing als het geheel of een deel van het gebouw dat werd aangekocht, gebouwd, gemoderniseerd, uitgebreid of geschikt gemaakt met behulp van de middelen, vermeld in artikel III.46 en III.124, aan een universiteit wordt overgedragen of ter beschikking gesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel II.73, §6, in het kader van de overdracht van bevoegdheid, vermeld in artikel II.71, §4, en als aldus het doel van het desbetreffende gebouw of deel van het gebouw behouden blijft.

In voorkomend geval is de universiteit evenmin een vergoeding verschuldigd voor de investeringen, vermeld in artikel III.47, die de hogeschool met de middelen, vermeld in artikel III.46 en III.124, gedaan heeft.

Art. III.50.

§ 1. [Naast de werkingsuitkeringen ontvangen de publiekrechtelijke hogescholen vanaf het begrotingsjaar 2014 tot en met het begrotingsjaar 2018 het volgende bedrag voor het eigenaarsonderhoud :

1° Erasmushogeschool Brussel: 173.825 euro;

2° Hogeschool West-Vlaanderen: 104.621 euro;

3° Hogeschool Gent: 347.201 euro;

4° Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen: 202.481 euro;

5° Hogeschool PXL: 52.872 euro.]¹

§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt [met uitzondering van [[de begrotingsjaren 2014 en 2015]] ]¹ dit bedrag geïndexeerd volgens de gezondheidsindex.

§ 3. Indien een beroep wordt gedaan op de waarborg van de Vlaamse Gemeenschap kan deze zich laten terugbetalen met behulp van de volgende verrichtingen, in de volgorde waarin zij zijn aangegeven :

1° afhouding op de werkingsuitkering verschuldigd aan de hogeschool die in het gebouw is gehuisvest;

2° afhouding op de dotatie toegekend aan andere onderwijsinstellingen die door dezelfde inrichtende macht zijn georganiseerd;

3° invordering door het bestuur van Registratie en Domeinen van het Ministerie van Financiën op het patrimonium van de inrichtende macht.

[§ 4. De bedragen voor het eigenaarsonderhoud, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 10 % verminderd.]²

[ ]¹ Decr. 25-4-2014; [ ]² Decr. 19-12-2014; [[ ]] Decr. 19-12-2014

Afdeling 5. Financiering van de investeringen van de universiteiten

Art. III.51.

Het universiteitsbestuur stelt voor een tijdvak van ten minste 5 jaar een investeringsplan vast. Dit investeringsplan omvat in elk geval het voorgenomen beleid ten aanzien van de investeringen van de universiteit in het betreffende tijdvak. Het wordt, waar nodig, jaarlijks bijgesteld. De financiële gevolgen ervan worden, per betrokken jaar, geraamd in de begroting bedoeld in deel 4, titel 1, hoofdstuk 3.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen omtrent het opmaken van dit investeringsplan.

In afwijking van het voorgaande stellen de Universiteit Hasselt en de transnationale Universiteit Limburg een globaal investeringsplan vast voor de universitaire campus Diepenbeek-Hasselt. In dit investeringsplan wordt op een duidelijke wijze onderscheid gemaakt tussen de investeringsuitgaven die respectievelijk zijn bedoeld voor 1 van de beide universitaire instellingen. Anderzijds moet dit investeringsplan een geïntegreerd geheel vormen met het oog op de financiële en de budgettaire controle. De investeringskredieten ten bate van de Universiteit Hasselt en de investeringskredieten ten bate van de transnationale Universiteit Limburg worden als 1 bedrag vastgesteld en gestort aan de Universiteit Hasselt.

Art. III.52.

Binnen de perken en volgens de modaliteiten bepaald in dit deel, draagt de Vlaamse Gemeenschap met jaarlijkse uitkeringen bij in de financiering van de investeringen van de universiteiten.

Art. III.53.

Deze investeringen dragen uitsluitend bij tot dekking van de uitgaven die rechtstreeks de verwerving, de oprichting of uitbreiding, de verbouwing, de instandhouding en de grove herstellingen van onroerende goederen bestemd voor het onderwijs, het onderzoek, de wetenschappelijke dienstverlening en de administratie van de universiteit, met inbegrip van onroerende goederen door bestemming en zware wetenschappelijke apparatuur tot voorwerp hebben, en tot dekking van de financiële lasten voortspruitend uit leningen ten behoeve van de investeringsuitgaven.

De universiteiten kunnen de investeringsuitgaven die rechtstreeks de instandhouding en de grove herstellingen van onroerende goederen bestemd voor sociale voorzieningen voor studenten tot voorwerp hebben, ten laste leggen van de jaarlijkse investeringsuitkeringen. Deze bedragen dienen in mindering gebracht te worden in afdeling II (Investeringen) en in meerdering in afdeling III (sociale voorzieningen ten behoeve van de studenten) van het begrotingsschema, vastgelegd in artikel IV.14.

De universiteiten kunnen de investeringsuitgaven die nodig zijn voor de naleving van overeenkomsten die in het kader van artikel II.173 met 1 of meerdere universiteiten worden afgesloten voor de gezamenlijke organisatie van onderwijs- en onderzoeksactiviteiten, ten laste leggen van de jaarlijkse investeringsuitkeringen.

Art. III.54.

§ 1. Het basisbedrag van de investeringskredieten van de universiteiten, uitgedrukt in duizend euro wordt [voor de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014]¹ vastgesteld als volgt :

1. Katholieke Universiteit Leuven

9.100

2. Vrije Universiteit Brussel

2.992

3. Universiteit Antwerpen

2.687

4. Universiteit Hasselt

585

5. HUB-KUBrussel

139

6. Universiteit Gent

6.341

§ 2. Het basisbedrag wordt geïndexeerd als volgt : het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met de gewogen evolutie van het jaarlijks gemiddelde van de index van de Associatie van Belgische Experten (ABEX-index) van de 5 voorlaatste kalenderjaren die voorafgaan aan het begrotingsjaar, uitgedrukt in percenten.

§ 3. [Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt het basisbedrag van de investeringskredieten voor de universiteiten vastgesteld op 28.640.000 euro. Dit bedrag wordt als volgt verdeeld over de universiteiten :

1° elke universiteit ontvangt, in euro, een forfaitair bedrag van :

a) Katholieke Universiteit Leuven 4.239.550

b) Vrije Universiteit Brussel 1.372.700

c) Universiteit Gent 2.909.900

d) Universiteit Antwerpen 1.233.050

e) Universiteit Hasselt 268.800

2° het resterende bedrag, zijnde het verschil tussen het basisbedrag en de som van de forfaitaire bedragen wordt verdeeld op basis van het aantal unieke studenten per universiteit.

Voor de berekening van het aantal unieke studenten worden de unieke studenten in aanmerking genomen die in het academiejaar t-3/t-2 onder diplomacontract ingeschreven zijn in de desbetreffende universiteit in een initiële bachelor- of masteropleiding. De studenten ingeschreven in een initiële bachelor- of masteropleiding die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd is in een universiteit worden daarbij niet in aanmerking genomen.

Onder unieke studenten wordt begrepen de studenten die zich in een bepaald academiejaar inschrijven aan een universiteit, ongeacht het aantal inschrijvingen van de student aan die universiteit.

De bedragen vermeld in deze paragraaf worden geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen vermeld in paragraaf 2.]²

[ ]¹ Decr. 25-4-2014; [ ]² Decr. 3-7-2015

[Art. III.54/1.

§ 1. Ten gevolge van de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten worden vanaf het begrotingsjaar 2015 volgende investeringsmachtigingen toegekend aan de universiteiten :

Begrotingsjaar

Investeringsmachtiging in euro (prijsniveau 2013)

2015

582.146

2016

1.164.291

2017

1.746.437

2018

2.328.582

2019

2.910.728

2020

3.492.873

2021

4.075.019

2022

4.657.164

2023

5.239.310

2024

5.821.455

§ 2. De verdeling en de toewijzing per universiteit van de investeringsmachtigingen, vermeld in paragraaf 1, gebeurt op basis van het aantal gewogen opgenomen studiepunten door studenten onder diplomacontract ingeschreven in een initiële academisch gerichte bacheloropleiding, een initiële masteropleiding, een schakelprogramma of een voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd zijn in de universiteiten.

Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten voor het begrotingsjaar t worden het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2.

De opgenomen studiepunten worden per studiegebied of cluster van studiegebieden gewogen overeenkomstig de gewichten opgenomen in de volgende tabel :

Handelswetenschappen en bedrijfskunde

1

Gezondheidszorg

1

Bewegings- en revalidatiewetenschappen

1

Industriële wetenschappen en technologie

2,5

Nautische wetenschappen

2,5

Architectuur

2,5

Architectuur - Industriële wetenschappen en technologie

2,5

Biotechniek

2,5

Audiovisuele en beeldende kunst

2,5

Muziek en podiumkunsten

2,5

Toegepaste taalkunde

2,5

Productontwikkeling

2,5

Het aantal gewogen opgenomen studiepunten per universiteit is gelijk aan de som van de producten van het aantal opgenomen studiepunten in ieder studiegebied of cluster van studiegebieden enerzijds en het overeenkomstige bepaalde puntengewicht.

§ 3. De basisbedragen (prijsniveau 2013), vermeld in paragraaf 1, worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig artikel III.46, § 5.]

Decr. 25-4-2014

Afdeling 6. Financiering van het hoger beroepsonderwijs

Art. III.55.

§ 1. Vanaf [het begrotingsjaar 2016]¹ ontvangen de hogescholen voor de taken in verband met het samenwerkingsverband voor hbo5-opleidingen, zoals bepaald in artikel 50 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en hoger beroepsonderwijs, een werkingstoelage [van 1.500.000 euro]¹.

§ 2. [Het bedrag vermeld in paragraaf 1 wordt vanaf begrotingsjaar 2017 jaarlijks geïndexeerd volgende de bepalingen in artikel III.5, § 9.]¹

§ 3. De werkingstoelage van een hogeschool, zoals bepaald in paragraaf 1, bestaat uit een sokkel en een variabel deel. De sokkel bedraagt steeds 35.000 euro. Het variabel deel wordt bepaald door het resterende bedrag te verdelen tussen de samenwerkingsverbanden naar rato van het aantal hbo5-opleidingen dat ze aanbieden.

§ 4. In afwijking van paragraaf 3 wordt in 2014 [182.250 euro]¹, gelijk verdeeld over het aantal hogescholen dat lid is van een samenwerkingsverband.

§ 5. [Indien de Hogere Zeevaartschool gebruik maakt van de bepaling, vermeld in artikel 50, § 2, van het decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, kan ze geen aanspraak maken op de werkingstoelage als vermeld in paragraaf 1.]²

[ ]¹ Decr. 18-12-2015; [ ]² Decr. 17-6-2016

Art. III.56.

Onder 'tutoring' wordt verstaan dat studenten uit het hoger onderwijs op een gestructureerde manier optreden als begeleider en rolmodel, met de bedoeling om leerlingen basis- en secundair onderwijs te ondersteunen bij het leer- en keuzeproces. De studenten uit het hoger onderwijs worden daarbij "tutors" genoemd, de betrokken leerlingen uit het basis- of secundair onderwijs worden aangeduid als "tutees".

Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering kan de Vlaamse Regering subsidies verlenen aan instellingen voor hoger onderwijs die in samenwerking met basisscholen en scholen voor secundair onderwijs "tutoring" aanbieden aan de leerlingen van die scholen. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van selectie, de duur en de evaluatie van de projecten.

Afdeling 7. Terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen

Art. III.57.

§ 1. Het bedrag bestemd voor de financiering van de personeelsleden van de hogescholen, ter beschikking gesteld wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, is gelijk aan de som van volgende bedragen :

1° de geraamde kosten van de wachtgelden van de personeelsleden van de hogescholen, ter beschikking gesteld wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, met uitzondering van die personeelsleden waarvan sprake in punt 2°, te betalen tijdens het begrotingsjaar;

2° dat deel van de wachtgelden die de personeelsleden die genieten van een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen in het speciale overgangsstelsel, ontvangen hebben in het academiejaar dat tijdens het vorige begrotingsjaar werd afgesloten, dat overeenkomt met 62,5 % van hun laatste brutoactiviteitssalaris.

§ 2. De hogescholen ontvangen vanaf het begrotingsjaar 1998 het bedrag vermeld in paragraaf 1, 2°.

Afdeling 8. Wettelijke en conventionele werkgeversbijdragen universiteiten

Art. III.58.

§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 2008 ontvangen de volgende universiteiten de hierna vermelde uitkeringen, uitgedrukt in k euro, als bijdrage in het dekken van de kosten die voortvloeien uit de hogere loonlasten die de universiteiten als werkgever moeten dragen voor hun personeelsleden, vermeld in deel 5, titel 1, hoofdstuk 1 en 2, in vergelijking met de loonlast die de Universiteit Gent als werkgever draagt. De structurele hogere verplichtingen die de Universiteit Gent als publiekrechtelijke instelling moet dragen, worden in mindering gebracht :

a) Katholieke Universiteit Leuven

9.789

b) Vrije Universiteit Brussel

3.305

c) Universiteit Antwerpen

927

d) Universiteit Hasselt

208

e) HUB-KUBrussel

195

§ 2. [Naast de uitkeringen in § 1, ontvangen de volgende universiteiten vanaf het begrotingsjaar 2008 de hierna vermelde uitkeringen, uitgedrukt in k euro, als bijdrage in de voorziening van de aanvullende pensioenregeling die deze universiteiten inrichten ten gunste van de leden van hun administratief en technisch personeel die bezoldigd worden met de werkingsuitkeringen, zoals bedoeld in artikel V.47 van dit decreet. Om van de hierna vermelde uitkeringen te kunnen genieten, richten de universiteiten een pensioenregeling in, via één of meerdere aanvullende pensioenstelsels, die ten gunste van voormelde personeelsleden voorziet in een aanvulling op het wettelijk pensioen dat zij later ontvangen uit het pensioenstelsel der loontrekkenden, die, samen met dat wettelijk pensioen, globaal genomen een vergelijkbare pensioenregeling beoogt als deze die van toepassing is op de leden van het administratief en technisch personeel van de gemeenschapsuniversiteiten, en waarbij de voorwaarden en bepalingen van deze pensioenregeling uitgewerkt worden, overeenkomstig de wetgeving inzake aanvullende pensioenen, in pensioenreglementen die een concrete invulling geven aan deze doelstelling. Aldus uitgewerkte pensioenregelingen gefinancierd met de hieronder vermelde uitkeringen leggen de aanvullende pensioenvoordelen en -aanspraken vast ten gunste van de leden van het administratief en technisch personeel dat bezoldigd wordt met de werkingsuitkeringen, van de universiteiten hieronder vermeld, alsook van hun rechthebbenden of begunstigden.

Vanaf het begrotingsjaar 2016 wordt voor de toekenning van de hierna vermelde uitkeringen bovendien vereist dat de universiteit kan aantonen dat de door haar daartoe bevoegde organen goedgekeurde aanpassingen van bestaande pensioenregelingen of de inrichting van nieuwe pensioenregelingen het voorwerp hebben uitgemaakt van een collectief overleg of tot stand kwamen met inspraak vanwege de vertegenwoordigers van de leden van het administratief en technisch personeel bezoldigd met bedoelde werkingsuitkeringen.]¹

a) Katholieke Universiteit Leuven

6.410

b) Vrije Universiteit Brussel

2.149

c) HUB-KUBrussel

100

§ 3. De bedragen vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2 ten bate van de HUB-KUBrussel worden op basis van een rapportering van de commissaris van de Vlaamse Regering en van de gemachtigde van Financiën over de evolutie van salariskosten van de betreffende personeelscategorieën, jaarlijks aangepast. De vrijgekomen bedragen worden toegevoegd aan het bedrag van een andere instelling bij overname door die andere instelling van de betrokken personeelsleden.

§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 2008 volgen de bedragen, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, de evolutie van de gezondheidsindex. Deze bedragen kunnen na een evaluatie om de 5 jaar worden aangepast aan de gewijzigde omstandigheden.

Voor het begrotingjaar 2010 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2 niet aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.

[§ 5. Naast de bedragen, vermeld in paragraaf 1 en 2, ontvangen vanaf het begrotingsjaar 2017 de volgende universiteiten de hierna vermelde bijkomende uitkering, uitgedrukt in euro, als bijdrage in het dekken van de kosten, vermeld in paragraaf 1 en 2 :

a) Katholieke Universiteit Leuven 714.551,84

b) Vrije Universiteit Brussel 236.277,78

c) Universiteit Antwerpen 40.159,42

d) Universiteit Hasselt 9.010,96

Vanaf het begrotingsjaar 2018 volgen deze bedragen de evolutie van de gezondheidsindex.]²

[ ]¹ Decr. 17-6-2016; [ ]² Decr. 23-12-2016

Afdeling 9. - Aanmoedigingsfonds voor beleidsspeerpunten

Art. III.59 t.e.m. 61.

[...]

Decr. 19-12-2014

Afdeling 10. Rationalisatie van het opleidingenaanbod

Art. III.62.

Onder rationalisatie wordt in dit deel begrepen : het proces van aanpassing aan het opleidingenaanbod van hogescholen en universiteiten vanuit de volgende doelstellingen :

1° de efficiëntie en doelmatigheid verbeteren door een betere concentratie van opleidingen, waarbij schaalvoordelen gerealiseerd worden;

2° de kwaliteit verhogen door het opleidingenaanbod beter te laten aansluiten bij het reëel aanwezige academische potentieel en de onderzoekszwaartepunten in de instellingen;

3° de reductie van de werkdruk en het leefbaar houden van de werkomstandigheden.

Art. III.63.

De instellingen die participeren in een door de Vlaamse Regering goedgekeurd rationalisatieplan sturen gezamenlijk een rapport door over de voortgang van de uitvoering van het rationalisatieplan naar de minister bevoegd voor onderwijs uiterlijk tegen 31 december 2011. Dit rapport geeft duidelijk de prestaties en bereikte resultaten weer, evenals een overzicht en een verantwoording van de gemaakte kosten ten laste van de toegekende rationalisatiemiddelen.

Drie maanden na afloop van het rationalisatieplan sturen de instellingen die participeren in het rationalisatieplan gezamenlijk een eindrapport naar de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. Dit eindrapport beschrijft de resultaten en legt rekenschap af over de toegekende rationalisatiemiddelen.

[...]

Decr. 25-4-2014

Afdeling 12. Regeling sociaal passief na integratie

Art. III.65.

Bij gebrek aan een overeenkomst, vermeld in artikel V.222, wordt de volgende regeling toegepast :

1° in de periode vanaf het begrotingsjaar 2014 tot en met het begrotingsjaar 2019 :

a) de personeelskosten van de personeelsleden opgenomen in de lijst, vermeld in artikel V.219 worden jaarlijks verdeeld naar rato van het aantal financieringspunten van de academische opleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 integreren in de universiteit, berekend voor het begrotingsjaar 2011, in de hogeschool ten opzichte van het aantal financieringspunten in de professionele opleidingen en de kunstopleidingen;

b) het bedrag van de kosten berekend op basis van het aandeel van de academische opleidingen, vermeld in punt 1°, a) wordt in het begrotingsjaar 2014 afgetrokken van de werkingsuitkering van de universiteit, berekend conform artikel III.25, en toegevoegd aan de werkingsuitkering van de hogeschool;

c) vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt het bedrag van de kosten berekend op basis van het aandeel van de academische opleidingen, vermeld in punt 1°, b), afgebouwd overeenkomstig het volgende schema :

2015

92,5% van het berekende bedrag

2016

85% van het berekende bedrag

2017

77,5% van het berekende bedrag

2018

70% van het berekende bedrag

2019

62,5% van het berekende bedrag

d) vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt het bedrag van de personeelskosten jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule vermeld in artikel III.5, §9;

2° in het begrotingsjaar 2019 wordt, op basis van de wijzigingen aangebracht aan de lijst, overeenkomstig artikel V.221, een geactualiseerde lijst vastgesteld van de niet eenduidig toewijsbare personeelsleden. Deze lijst wordt vanaf het begrotingsjaar 2020 jaarlijks aangepast aan de wijzigingen vermeld in artikel V.221;

3° in de periode vanaf het begrotingsjaar 2020 tot en met het begrotingsjaar 2024 :

a) vanaf het begrotingsjaar 2020 worden de personeelskosten van de personeelsleden opgenomen op de jaarlijks geactualiseerde lijst verdeeld overeenkomstig de regeling, vermeld in punt 1°, a);

b) vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag van de kosten berekend op basis van het aandeel van de academische opleidingen, vermeld in punt 3°, a), afgebouwd overeenkomstig het volgende schema :

2020

100% van het berekende bedrag, tenzij het aldus berekende bedrag groter is dan het bedrag berekend voor het begrotingsjaar 2019. In dat geval wordt het bedrag berekend voor het begrotingsjaar 2019 genomen

2021

80%van het berekende bedrag

2022

60% van het berekende bedrag

2023

40% van het berekende bedrag

2024

20% van het berekende bedrag

c) vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag van de personeelskosten jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule vermeld in artikel III.5, §9.

Die regeling gaat in vanaf het begrotingsjaar 2014. De financieringspunten zijn de financieringspunten, berekend overeenkomstig artikel III.11, berekend voor het begrotingsjaar 2011.

De Vlaamse Regering kan de percentages vermeld in punt 3°, b), aanpassen.

TITEL 2. Bijkomende financiering van universiteiten, hogescholen en associaties

Hoofdstuk 1. Financiering van de studentenvoorzieningen

Art. III.66.

Onder de voorwaarden, vermeld in deze titel, draagt de Vlaamse Gemeenschap met jaarlijkse toelagen, sociale toelagen genaamd, bij in de financiering van de studentenvoorzieningen.

De sociale toelage wordt uitbetaald aan de hogeschool of universiteit en draagt uitsluitend bij tot het dekken van de personeelskosten, werkingskosten, uitrustingskosten en financiële kosten van de studentenvoorzieningen en van de kosten voor de verwerving, oprichting, uitbreiding, verbouwing, instandhouding en herstelling van onroerende goederen bestemd voor studentenvoorzieningen.

De sociale toelage kan alleen aangewend worden voor activiteiten en maatregelen in een van de in artikel II.348 opgesomde werkvelden alsook voor de algemene uitgaven bedoeld in artikel IV.45.

De sociale toelage kan niet aangewend worden om maatregelen te nemen en activiteiten te ontplooien voor de opleidingsgebonden materies, tenzij voor de deelname aan initiatieven in het kader van het gelijke kansen- en diversiteitsbeleid van de instelling, als er naast de opleidingsgebonden materies ook sociale maatregelen worden genomen.

Art. III.67.

[§ 1. De sociale toelage voor de hogescholen en de universiteiten bedraagt in totaal respectievelijk 24.455.616,52 euro en 22.142.976,89 euro op prijsniveau 2015. Het bedrag van de sociale toelage voor de universiteiten wordt vanaf 2016 verhoogd met 1.000.000 euro.

Die bedragen worden binnen de perken van de jaarlijkse begrotingskredieten jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de volgende formule :

I = 0,50 x (L1/L0) + 0,50 x (Cl/CO), waarbij

1° I : de indexformule;

2° L1/L0 : de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betreffende begrotingsjaar n en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van begrotingsjaar n-1;

3° Cl/CO : de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betreffende begrotingsjaar n en de index van de consumptieprijzen op het einde van begrotingsjaar n-1.

§ 2. De bedragen voor de sociale toelage, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2016 met 2 % verminderd.]

Decr. 8-7-2016

Art. III.68.

Het bedrag van de totale sociale toelage voor de hogescholen vermeld in artikel III.67, wordt onder de hogescholen verdeeld op basis van het aandeel van elke hogeschool in het totale aantal opgenomen studiepunten van alle hogescholen.

De sociale toelage die een hogeschool ontvangt in het begrotingsjaar t kan echter niet lager zijn dan 98% van de sociale toelage die haar in het begrotingsjaar t-1 is toegekend.

Daarbij wordt de volgende berekeningswijze gehanteerd :

1° stap 1 : voor iedere hogeschool wordt het bedrag berekend op basis van haar aandeel in het aantal opgenomen studiepunten;

2° stap 2 : voor iedere hogeschool wordt in het begrotingsjaar t 98% van het bedrag dat de hogeschool als sociale toelage ontvangen heeft in begrotingsjaar t-1, als referentiepunt vastgeklikt;

3° stap 3 : als voor een hogeschool het bedrag berekend in stap 1 kleiner is dan het bedrag berekend in stap 2, dan ontvangt die hogeschool als sociale toelage het bedrag dat als referentiepunt is vastgeklikt overeenkomstig stap 2;

4° stap 4 : als voor een hogeschool het bedrag berekend in stap 1 groter is dan het bedrag berekend in stap 2, dan ontvangt die hogeschool als sociale toelage het bedrag berekend in stap 2 vermeerderd met het procentueel aandeel van de instelling in het positieve verschil tussen de som van de bedragen berekend conform stap 1 en de som van de bedragen, berekend conform stap 2.

[De opgenomen studiepunten, vermeld in dit artikel, zijn de studiepunten berekend overeenkomstig artikel III.7 van deze codex, met behoud van artikel III.30, § 1.]

Decr. 8-7-2016

Art. III.69.

Op basis van een wetenschappelijke studie naar het profiel en de behoeften van de leerlingen en cursisten die in het academiejaar 2011-2012 hbo5-opleidingen volgen, werkt de Vlaamse Regering met inachtneming van de hierna vermelde voorwaarden een financieringsregeling uit voor de cursisten en leerlingen van een hbo5-opleiding, zoals omschreven in artikel II.338 :

1° het startbedrag per studiepunt houdt rekening met de resultaten van de wetenschappelijke studie;

2° vanaf de inwerkingtreding van de bijzondere envelopperegeling wordt gerekend met opgenomen studiepunten overeenkomstig artikel I.3, 45°, waarbij het eenheidsbedrag per studiepunt vermenigvuldigd wordt met het aantal in rekening gebrachte studiepunten;

3° het aantal studiepunten wordt jaar na jaar toegevoegd tot er een vijfjarig tijdsvenster verwezenlijkt is;

4° het vijfjarig tijdsvenster wordt jaar na jaar opgeschoven waarbij uitgegaan wordt van een tijdsvenster van t-7/t-6 tot t-3/t-2;

5° de verdeling over de hogescholen gebeurt aan de hand van het aantal opgenomen studiepunten.

Onder profiel van de leerling of cursist wordt verstaan :

1° de mate waarin de leerling of cursist beroepsactief is en tot welke beroepsgroep de leerling of cursist behoort;

2° de vooropleiding van de leerling of cursist;

3° de wijze waarop de leerling of cursist de studies financiert;

4° de tijd die de leerling of cursist besteedt aan de studie;

5° de sociaaleconomische status van de leerling of cursist.

Onder behoeften worden de behoeften van de leerling of cursist verstaan aan de voorzieningen aangeboden binnen de werkvelden, zoals omschreven in artikel II.348.

Art. III.70.

[§ 1. Het bedrag van de totale sociale toelage voor de universiteiten, vermeld in artikel III.67, wordt onder de universiteiten verdeeld op basis van het aandeel van elke universiteit in het totale aantal opgenomen studiepunten van alle universiteiten.

De sociale toelage die een universiteit ontvangt in het begrotingsjaar t kan echter niet lager zijn dan 98 % van de sociale toelage die haar in het begrotingsjaar t-1 is toegekend.

Daarbij wordt de volgende berekeningswijze gehanteerd :

1° stap 1 : voor iedere universiteit wordt het bedrag berekend op basis van haar aandeel in het aantal opgenomen studiepunten;

2° stap 2 : voor iedere universiteit wordt in het begrotingsjaar t 98 % van het bedrag dat de universiteit als sociale toelage ontvangen heeft in begrotingsjaar t-1, als referentiepunt vastgeklikt;

3° stap 3 : als voor een universiteit het bedrag berekend in stap 1 kleiner is dan het bedrag berekend in stap 2, dan ontvangt die universiteit als sociale toelage het bedrag dat als referentiepunt is vastgeklikt overeenkomstig stap 2;

4° stap 4 : als voor een universiteit het bedrag berekend in stap 1 groter is dan het bedrag berekend in stap 2, dan ontvangt die universiteit als sociale toelage het bedrag berekend in stap 2, vermeerderd met het procentueel aandeel van de instelling in het positieve verschil tussen de som van de bedragen, berekend conform stap 1 en de som van de bedragen, berekend conform stap 2.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor het begrotingsjaar 2016 het bijkomende bedrag van 1.000.000 euro, vermeld in artikel III.67, § 1, niet meegenomen in de berekeningen. Dit bedrag van 1.000.000 euro wordt in het begrotingsjaar 2016 verdeeld op basis van het aandeel van elke universiteit in het totale aantal opgenomen studiepunten van alle universiteiten.

De universiteiten hebben in het begrotingsjaar 2015 de volgende bedragen ontvangen als sociale toelage, uitgedrukt in euro :

Universiteit Gent : . . . . . 6.536.766,28

Universiteit Hasselt : . . . . . 1.024.879,72

Universiteit Antwerpen : . . . . . 2.988.564,34

Katholieke Universiteit Leuven : . . . . . 8.319.535,83

Vrije Universiteit Brussel : . . . . . 2.157.495,12.

Deze bedragen gelden als basis voor de berekeningen, vermeld in paragraaf 1.

§ 3. De opgenomen studiepunten, vermeld in dit artikel, zijn de studiepunten, berekend overeenkomstig artikel III.7 van deze codex, met behoud van artikel III.30, § 1.]

Decr. 8-7-2016

Art. III.71.

[...]

Decr. 8-7-2016

[Art. III.71/1.

[[...]].]

Decr. 18-12-2015; [[ ]] Decr. 8-7-2016

Hoofdstuk 2. Studiecentra Open Hoger Onderwijs

Art. III.72.

§ 1. De studiecentra Open Hoger Onderwijs, door de Vlaamse universiteiten ingericht in Antwerpen, Brussel, Diepenbeek, Gent, Kortrijk en Leuven, ontvangen een bijdrage in de financiering van hun werking.

De studiecentra bieden daartoe ondersteuning en begeleiding aan de studenten die zich in Vlaanderen hebben ingeschreven voor een cursus van de Open Universiteit Nederland. In het kader hiervan sluiten de Vlaamse instellingen voor hoger onderwijs een samenwerkingsovereenkomst met de Open Universiteit Nederland. De studiecentra duiden in overleg een studiecentrum aan dat de coördinatie tussen de verschillende studiecentra en de relaties met de Open Universiteit Nederland waarneemt.

§ 2. Als bijdrage in de financiering van de werking van de in paragraaf 1 bedoelde studiecentra stelt de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks een bedrag van 632.000 euro ter beschikking. Dit bedrag wordt verdeeld over de studiecentra, volgens de volgende componenten :

1° vaste component van maximaal 7.500 euro per studiecentrum;

2° een vaste component van maximaal 15.000 euro voor het studiecentrum dat in overleg tussen de studiecentra is aangeduid voor het waarnemen van de coördinatie tussen de verschillende studiecentra en van de relaties met de Open Universiteit Nederland;

3° een variabele component, waarbij het resterende bedrag van de subsidie over de studiecentra verdeeld wordt naar rato van het aantal inschrijvingen met examenrechten bij de Open Universiteit Nederland in het aan het begrotingsjaar voorafgaande kalenderjaar, omgerekend naar het aantal eenheidsmodulen. Het aldus bekomen bedrag per eenheidsmodule kan niet hoger zijn dan 185 euro.

[§ 3. Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt het bedrag van 632.000 euro, vermeld in paragraaf 2, geïndexeerd volgens de bepalingen, vermeld in artikel III.5, § 9.]

Decr. 25-4-2014

[§ 4. De bedragen voor de studiecentra Open Hoger Onderwijs, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd.]

Decr. 19-12-2014

Hoofdstuk 3. Bijzondere Universitaire Instituten

Art. III.73.

De Vlaamse Gemeenschap subsidieert jaarlijks de Initiërende Universiteit zoals bedoeld in artikel II.5 specifiek ter uitvoering van de opdracht zoals bepaald in artikel II.22 onder de volgende voorwaarden :

1° De Initiërende Universiteit sluit een beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar met de Vlaamse Regering betreffende de werking van het instituut, zoals bepaald in artikel II.5, waarin ten minste de volgende elementen voorkomen en worden afgesproken :

a) het engagement van de Initiërende Universiteit dat de bij toepassing van dit artikel toegekende subsidie integraal wordt aangewend ter uitvoering van de opdrachten van het erkende instituut;

b) een beleidsplan voor de looptijd van de beheersovereenkomst;

c) de kwantiteit en de kwaliteit van de te leveren prestaties binnen de in artikel II.22 erkende opdracht, in relatie tot de hoogte van de subsidie;

d) het instroomniveau en de wijze van selectie van de studenten;

e) het uitvoeren van een externe audit en de wijze waarop de instelling omgaat met de uitkomsten van de audit;

f) de mate en de inhoud van samenwerking met binnenlandse en buitenlandse instellingen voor academisch of postinitieel onderwijs en met internationale instellingen.

2° De Initiërende Universiteit legt jaarlijks een afzonderlijke begroting, jaarrekening en jaarverslag specifiek met betrekking tot de werking van het instituut, zoals bepaald in artikel II.5, ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering. In de beheersovereenkomst worden nadere richtlijnen omtrent de vormgeving ervan opgenomen.

Art. III.74.

§ 1. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Universiteit Antwerpen in het kader van de opdracht, zoals bepaald in artikel II.22, bedraagt vanaf 2007 1.827.000 euro.

De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Vrije Universiteit Brussel in het kader van de opdracht zoals bepaald in artikel II.22 wordt voor het IES vanaf 2008 vastgelegd op 1.824.000 euro. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Universiteit Antwerpen in het kader van de opdracht zoals bepaald in artikel II.22 wordt voor het IJoS vanaf het begrotingsjaar 2002 vastgelegd op 149.000 euro.

§ 2. De subsidies worden in gelijke maandelijkse termijnen uitbetaald.

De bedragen worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks aangepast aan de stijging van de prijzen overeenkomstig het indexeringsmechanisme bepaald in artikel III.5, §9.

De Vlaamse Regering kan de hoogte van de subsidies herzien afhankelijk van de mate waarin de in de beheersovereenkomst afgesproken doelstellingen al dan niet worden gehaald.

De Vlaamse Regering kan een deel van de maandelijkse termijnen inhouden en desgevallend terugvorderen indien de Vlaamse Regering vaststelt dat de Initiërende Universiteit de beheersovereenkomst niet naleeft.

Voor het de begrotingsjaren [2012, 2013 en 2015] worden de bedragen, binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, §9, tweede lid.

[§ 3. De bedragen voor de Initiërende Universiteiten, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd.]

Decr. 19-12-2014

Art. III.75.

De basissubsidie die de Vlaamse Gemeenschap beschikbaar stelt van het bijzonder universitair instituut worden voor de toepassing van artikel IV.18 en IV.19 beschouwd als werkingsuitkering.

De loonkosten voor in artikel V.228 bedoelde personeelsleden worden vooraf genomen van de basissubsidie. Elk bijzonder universitair instituut kan het saldo aanwenden voor het dekken van werkingskosten en voor de aanwerving van personeelsleden buiten de personeelsformatie van de Initiërende Universiteit onder marktconforme voorwaarden, maar alleen in het kader van overeenkomsten van bepaalde duur van ten hoogste 6 jaar.

Hoofdstuk 4. Universitaire steunpunten

Art. III.76.

§ 1. Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering zal de Vlaamse Gemeenschap universitaire steunpunten subsidiëren. Deze steunpunten bieden wetenschappelijke ondersteuning aan de overheid en aan de onderwijsinstellingen op het gebied van thema's door de Vlaamse Regering vastgelegd. De ondersteuning moet zowel onderzoek als vorming en materiaalontwikkeling behelzen.

§ 2. Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering draagt de Vlaamse Gemeenschap bij in het dekken van de kosten van projecten van internationale samenwerking op het vlak van het universitair onderwijs.

Hoofdstuk 5. Toelage associaties

Art. III.77.

Vanaf het begrotingsjaar 2008 ontvangt iedere associatie jaarlijks een toelage van 100.000 euro.

Vanaf het begrotingsjaar 2008 wordt het bedrag, vermeld in het eerste lid, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9.

[De bedragen voor de associaties, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd.]

Decr. 19-12-2014

[...]

Decr. 25-4-2014

Hoofdstuk 7. Vormingsfonds

Art. III.85 t.e.m. 96.

[...]

Decr. 21-3-2014

Hoofdstuk 8. Andere

Art. III.97.

Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering draagt de Vlaamse Gemeenschap bij in het dekken van de kosten van projecten van innovatie van het hoger onderwijs.

Art. III.98.

Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering draagt de Vlaamse Gemeenschap bij in het dekken van de kosten van projecten van internationale samenwerking op het vlak van het hogescholenonderwijs.

[HOOFDSTUK 9. - Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs (SIHO)

Art. III.98/1.

De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd om onder de in volgende artikelen vermelde voorwaarden over te gaan tot erkenning van het door de verenigde associaties opgerichte Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs.

Art. III.98/2.

Het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs heeft als opdracht het begeleiden en ondersteunen van de instellingen bij de implementatie van de VN-conventie van 13 december 2006 over de rechten van personen met een handicap. Centraal bij die implementatie staat het verbeteren van de participatie van studenten met functiebeperkingen in het Vlaams hoger onderwijs.

Art. III.98/3.

§ 1. Het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs bezit geen rechtspersoonlijkheid.

§ 2. De associaties duiden een administratief coördinerende instelling of instantie aan. De associaties sluiten met de administratief coördinerende instelling of instantie een samenwerkingsovereenkomst waarin de bestuurs- en beheersstructuur wordt bepaald.

Art. III.98/4.

De Vlaamse Regering en de associaties sluiten ten aanzien van de organisatie van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs vijfjaarlijks een convenant waarin ten minste de volgende elementen zijn opgenomen :

1° de aansturingsmogelijkheden van de Vlaamse Regering;

2° de minimale resultaatsverbintenissen van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs;

3° de minimale behoorlijkheidsvereisten op het vlak van het financieel management, evenals de mogelijkheden om een bepaalde financiële reserve aan te leggen van maximaal 20 procent per jaar van de werkingsenveloppe die in een bepaald jaar is toegekend. De totale gecumuleerde reserve op basis van de werkingsenveloppe mag maximaal 50 procent van de jaarlijkse werkingsenveloppe bedragen;

4° de rapporterings- en controlemechanismen, in het bijzonder de wijze van evaluatie van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs in de tweede helft van het vijfde kalenderjaar van het lopende convenant;

5° de remediërende en sanctionerende maatregelen in geval van niet-naleving van het convenant;

6° de gevallen waarin en de wijze waarop het convenant tijdens de looptijd ervan kan worden gewijzigd.

Art. III.98/5.

De administratief coördinerende instelling of instantie bezorgt met betrekking tot de werking van het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs jaarlijks een afzonderlijke begroting, jaarplanning, jaarrekening en jaarverslag aan de Vlaamse Regering.

Art. III.98/6.

Het sluiten van een convenant met de Vlaamse Regering doet in hoofde van de administratief coördinerende instelling of instantie een recht ontstaan op een jaarlijkse werkingsenveloppe ten behoeve van de werking van het betrokken Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs.

De Vlaamse Regering bepaalt, rekening houdend met de beschikbare begrotingskredieten, de grootte van de jaarlijkse werkingsenveloppe, evenals de wijze van vereffening ervan. De werkingsenveloppe wordt geïndexeerd volgens de formule vastgesteld voor de indexering van de werkingsuitkering van de universiteiten en hogescholen.

Art. III.98/7.

De partners bij de associaties kunnen personeelsleden met hun instemming belasten met een taak bij het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs. De betrokken personeelsleden blijven gedurende de uitoefening van deze taak juridisch en administratief behoren tot de terbeschikkingstellende universiteit of hogeschool.".]

Decr. 25-4-2014

TITEL 3. Financiering van andere instellingen van hoger onderwijs en onderzoek

Hoofdstuk 1. Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen

Art. III.99.

Onder de voorwaarden bepaald in een besluit van de Vlaamse Regering, wordt een jaarlijkse toelage toegekend aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Deze toelage vertegenwoordigt ten minste 4,55% van de som van de werkingsuitkeringen die de Vlaamse Gemeenschap in het betrokken begrotingsjaar aan de universiteiten verleent.

Art. III.100.

§1. Benevens de toelage als bedoeld in artikel III.99, wordt aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen jaarlijks een subsidie-enveloppe toegekend voor het Odysseusinitiatief.

Het Odysseusinitiatief voorziet in een startfinanciering met als doel uitstekende Vlaamse onderzoekers die momenteel in het buitenland werken en gerenommeerde buitenlandse onderzoekers aan een Vlaamse universiteit te verbinden. Zij krijgen door deze startfinanciering de mogelijkheid om stapsgewijs via de gangbare financieringskanalen middelen te verwerven, zich in te schakelen in het onderzoeksbestel en bij te dragen aan de verdere uitbouw van het Vlaamse onderzoekspotentieel.

§2. Voor het begrotingsjaar 2006 bedraagt de subsidie-enveloppe 12 miljoen euro. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd conform de bepalingen van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 houdende subsidie aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. De Vlaamse Regering kan het bedrag verhogen binnen de beschikbare begrotingskredieten.

§3. 80% van de besteedbare middelen wordt door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen over de universiteiten verdeeld op basis van het gemiddelde van de sleutel gehanteerd voor de verdeling van de middelen bestemd voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen. Het gemiddelde wordt berekend over 5 jaar, voorafgaand aan het begrotingsjaar waarop het Odysseusinitiatief betrekking heeft.

De resterende 20% vormt de eigen beleidsruimte waarover het Fonds in het kader van dit initiatief beschikt.

§4. Universiteitsbesturen kunnen beslissen om de aan hen toekomende middelen in een bepaald begrotingsjaar geheel of gedeeltelijk over te dragen naar het volgende jaar en op die manier trekkingsrechten op te bouwen.

Universiteiten die over onvoldoende trekkingsrechten beschikken in een bepaald begrotingsjaar, kunnen met eigen middelen voorfinancieren, zolang dit beperkt blijft tot het bedrag dat zij in het kader van het Odysseusinitiatief zullen ontvangen.

§5. Voor de selectie van de kandidaten legt elk universiteitsbestuur een procedure vast. Deze procedure kan een onderscheid maken tussen internationaal toonaangevende onderzoekers en onderzoekers met het potentieel om door te groeien tot internationaal toonaangevende status.

§6. Bij de voordracht van een kandidaat bevestigt het betrokken universiteitsbestuur dat het een kaderplaats voor zelfstandig academisch personeel, respectievelijk een postdoctoraal mandaat met een looptijd van 5 jaar ter beschikking heeft, evenals de nodige infrastructuur. Daarenboven dient het universiteitsbestuur aan te geven hoe het onderzoeksplan van de betrokken kandidaat ingeschakeld kan worden in het onderzoeksbeleid van de universiteit.

Indien een voordracht uitgaat van 2 of meer universiteitsbesturen, wordt een gezamenlijk voorstel geformuleerd.

§7. Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen onderzoekt door middel van commissies van deskundigen :

1° of de door de universiteiten voorgestelde onderzoekers aan de gestelde eisen van excellentie voldoen;

2° of het onderzoeksplan van de voorgestelde onderzoekers van hoge kwaliteit is;

3° of het onderzoeksplan uitvoerbaar is met de hiervoor aangevraagde middelen.

Een commissie van deskundigen bestaat uit leden die niet verbonden zijn aan een Belgische universiteit en die een algemene internationale erkenning genieten.

§8. Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen beslist over de toekenning van de financiering. Indien de aanvragende universiteit over de nodige middelen beschikt, kan het Fonds een voorstel slechts afwijzen als de betreffende commissie oordeelt dat de kandidaat niet voldoet.

§9. De geselecteerde onderzoeker ontvangt gedurende 5 jaar startfinanciering. Hij of zij kan de middelen besteden aan werking, personeel en uitrusting, doch niet aan de eigen salariskosten.

Voor internationaal toonaangevende onderzoekers geldt een bedrag van minimaal 400.000 euro en maximaal 1.500.000 euro per jaar, ofwel tussen 2.000.000 en 7.500.000 euro voor de volledige 5 jaar. Voor onderzoekers met het potentieel om door te groeien tot internationaal toonaangevende status geldt een bedrag van minimaal 100.000 euro en maximaal 200.000 euro, ofwel tussen 500.000 en 1.000.000 euro voor de volledige 5 jaar.

De middelen toegekend in het kader van het Odysseusinitiatief aan een onderzoeker kunnen over een niet-verlengbare periode van 8 jaar besteed worden.

§10. De universiteitsbesturen leggen een procedure vast voor de tussentijdse beoordeling van de uitvoering van het onderzoeksplan, in het bijzonder met het oog op het nemen van een beslissing over de aanpassing ervan, met inbegrip van de spreiding van de financiering in de tijd.

§11. De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van dit artikel.

In een addendum op de beheersovereenkomst met het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen worden ten minste bepalingen vastgelegd op het vlak van :

1° de voorafname van het Fonds voor centrale beheerskosten en algemene exploitatiekosten;

2° de aanrekenbaarheid, door de onthaalinstellingen, van overheadkosten;

3° de wijze van bekendmaking van de beoordelingsverslagen, opgemaakt door de commissie van deskundigen in hoofde van de onderzoekers waaraan middelen in het kader van het Odysseusinitiatief worden toegekend;

4° de rapportering, door de universiteitsbesturen, over de uitvoering van de onderzoeksplannen en de spreiding in de tijd van de financiering die aan onderzoekers wordt toegekend;

5° de rapporteringsplicht van het Fonds aan de hand van statistische parameters;

6° de evaluatie van het Odysseusinitiatief en de uitvoering ervan.

Art. III.101.

Onder de voorwaarden bepaald in een besluit van de Vlaamse Regering draagt de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks bij in de financiering van de bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen geassocieerde onderzoeksfondsen.

[...]

Decr. 25-4-2014

Hoofdstuk 3. Evangelische Theologische Faculteit en Faculteit Protestantse Godgeleerdheid

Art. III.114.

§ 1. Aan de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven en aan de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel, wordt jaarlijks een subsidie toegekend voor de organisatie van de graden die zij kunnen verlenen in overeenstemming met artikel II.105 en II.106. De subsidie is een bijdrage in de dekking van de gewone uitgaven voor onderwijs, onderzoek, maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening, de financiering van investeringen, de afbetaling van leningen en voor de administratie van de faculteit, met inbegrip van de roerende uitrustingen.

Het totale bedrag van de subsidie voor de beide instellingen bedraagt 574.000 euro. Dit bedrag wordt verhoogd met :

1° 100.000 euro in het begrotingsjaar 2012;

2° 200.000 euro in het begrotingsjaar 2013;

3° 300.000 euro vanaf het begrotingsjaar 2014.

§ 2. In het begrotingsjaar 2012 wordt het bedrag van 574.000 euro als volgt verdeeld :

1° de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven ontvangt 446.000 euro;

2° de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel ontvangt 128.000 euro.

Het bijkomend bedrag van 100.000 euro wordt verdeeld onder de beide instellingen naar rato van het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2010-2011. Het gaat om de studiepunten opgenomen in een bacheloropleiding, een initiële masteropleiding of een specifieke lerarenopleiding die de faculteit bij of krachtens een decreet mag aanbieden.

§ 3. Vanaf het begrotingsjaar 2013 bestaan de totale bedragen, vermeld in paragraaf 1, uit een sokkel, een variabel onderwijsdeel en een variabel onderzoeksdeel.

In de begrotingsjaren 2013 en 2014 bedraagt de sokkel 160.000 euro. Vanaf het begrotingsjaar 2015 bedraagt de sokkel 100.000 euro. Deze bedragen worden verdeeld onder de Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee en de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel naar rato van 50%.

Het variabel onderwijsdeel bedraagt :

1° 337.700 euro in het begrotingsjaar 2013;

2° 392.700 euro in het begrotingsjaar 2014;

3° 425.700 euro vanaf het begrotingsjaar 2015.

Deze bedragen worden verdeeld onder de Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee en de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel op basis van het aantal financieringspunten berekend in beide instellingen.

Het aantal financieringspunten is gelijk aan de som van :

1° het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten in de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 voorafgaand aan het begrotingsjaar t in een initiële bacheloropleiding, een initiële masteropleiding en een specifieke lerarenopleiding die de desbetreffende instellingen bij of krachtens een decreet mogen aanbieden; en

2° het gemiddeld aantal uitgereikte masterdiploma's in de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 voorafgaand aan het begrotingsjaar t, vermenigvuldigd met een factor 30.

Het variabel onderzoeksdeel bedraagt :

1° 276.300 euro in het begrotingsjaar 2013;

2° 321.300 euro in het begrotingsjaar 2014;

3° 348.300 euro vanaf het begrotingsjaar 2015.

Dit variabel onderzoeksdeel wordt toegekend op voorwaarde dat de Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee en de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel een gezamenlijk onderzoeksplan hebben ingediend bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.

Het onderzoeksplan tekent het gezamenlijk onderzoeksbeleid uit betreffende het onderzoek in de protestantse godgeleerdheid en heeft een looptijd van 5 jaar. Het bevat ten minste de volgende elementen :

1° de strategische en operationele doelstellingen betreffende het onderzoeksbeleid voor de beschouwde periode;

2° de kwantiteit en kwaliteit van de te leveren prestaties;

3° de gewenste output;

4° de mate en inhoud van samenwerking met binnenlandse en buitenlandse onderwijsinstellingen en andere internationale instellingen en organisaties.

Daarenboven geeft het onderzoeksplan de verdeelsleutel op voor de verdeling van het variabel onderzoeksdeel tussen de beide instellingen voor de beschouwde periode van 5 jaar.

Het eerste onderzoeksplan gaat in vanaf 1 januari 2013 en loopt tot 31 december 2017. Jaarlijks bezorgen deze instellingen voor 31 maart een gezamenlijk verslag over de uitvoering van het onderzoeksplan en de gerealiseerde output aan de minister, bevoegd voor het onderwijs.

In het geval de instelling geen of een ondermaats verslag heeft bezorgd voor 31 maart wordt het variabel onderzoeksdeel niet toegekend in het betrokken begrotingsjaar.

§ 4. De bedragen vermeld in paragraaf 3 worden vanaf het begrotingsjaar 2013 geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel III.5, §9.

§ 5. De Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee en de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel leggen jaarlijks een begroting, een jaarrekening en een jaarverslag voor aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan nadere voorschriften opleggen betreffende de inhoud en het opstellen van de begroting, de jaarrekening en het jaarverslag en kan ter plaatse de nodige verificaties laten uitvoeren.

§ 6. De commissarissen van de Vlaamse Regering zijn belast met het toezicht op de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven en de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel, overeenkomstig de bepalingen in deel 4, titel 4, hoofdstuk 1.

[§ 7. De bedragen voor de Evangelische Theologische Faculteit en de Faculteit Protestantse Godgeleerdheid, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd.]

Decr. 19-12-2014

Hoofdstuk 4. Stichtingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs

Art. III.115.

Dit hoofdstuk regelt de subsidiëring van de Vlerick Business School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde en de Antwerp Management School, hierna genoemd "de instellingen voor postinitieel onderwijs".

Art. III.116.

De Vlaamse Gemeenschap draagt jaarlijks bij in het dekken van de exploitatiekosten van de instellingen voor postinitieel onderwijs onder de volgende voorwaarden :

1° Elke instelling voor postinitieel onderwijs sluit een beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar met de Vlaamse Regering waarin ten minste de volgende zaken worden afgesproken :

a) de kwantiteit en de kwaliteit van de te leveren prestaties binnen de door dit hoofdstuk erkende opdracht in relatie tot de hoogte van de subsidie;

b) het instroomniveau en de wijze van selectie van de studenten en de minimale kwalificaties van de ingezette personeelsleden;

c) de studiegelden. Het maximumbedrag mag nooit hoger zijn dan het in artikel II.113 of II.390 bepaalde studiegeld;

d) de wijze van verantwoording en het afleggen van rekenschap over de besteding van de middelen;

e) de wijze waarop de instellingen omgaan met de uitkomsten van een externe audit;

f) de mate en de inhoud van samenwerking met binnenlandse en buitenlandse instellingen voor academisch onderwijs en met internationale instellingen.

[De Vlaamse Regering kan de looptijd van een reeds afgesloten beheersovereenkomst met een instelling voor postinitieel onderwijs verlengen om de einddatum ervan af te stemmen met de beheersovereenkomsten van de andere instellingen voor postinitieel onderwijs.]²

2° Elke instelling voor postinitieel onderwijs sluit met minstens 1 universiteit in de Vlaamse Gemeenschap bedoeld in II.2 een samenwerkingsovereenkomst inzake onderwijs, onderzoek en dienstverlening. Die samenwerkingsovereenkomst regelt ook de wijze waarop personeelsleden van de universiteit in kwestie ingezet kunnen worden in de instelling, hoe deze prestaties, uit te drukken in een procentueel deel van een voltijdse opdracht, worden vergoed aan de betrokken universiteit, en hoe andere kosten worden verrekend en de administratie van deze personeelsleden gebeurt. In de samenwerkingsovereenkomst worden nadere regels gespecificeerd waaronder de interne en externe kwaliteitszorg wordt georganiseerd en hoe de instelling gevolg geeft aan de uitkomsten van deze kwaliteitsbeoordeling.

De leden van het zelfstandig academisch personeel van een universiteit kunnen ingezet worden in de instellingen voor postinitieel onderwijs en dit voor de uitvoering van onderwijs, onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening.

Leden van het onderwijzend personeel van een hogeschool kunnen eveneens worden ingezet in de instellingen voor postinitieel onderwijs en dit voor de uitvoering van onderwijs, [praktijkgericht onderzoek]¹ en maatschappelijke dienstverlening.

De instellingen voor postinitieel onderwijs kunnen aan de personeelsleden van de universiteiten of hogescholen die op grond het vorenstaande ingezet worden voor de uitvoering van onderwijs, onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening een persoonlijke vergoeding toekennen voor de geleverde prestaties.

3° Eén vertegenwoordiger van elk van de in punt 2°, eerste lid bedoelde universiteiten is ambtshalve lid van de raad van bestuur van de betrokken instelling voor postinitieel onderwijs. De bepalingen in deel 4, titel 2, hoofdstuk 2, 3, 4 en 5 zijn niet van toepassing op de in punt 2°, eerste lid bedoelde overeenkomsten.

4° Elke instelling voor postinitieel onderwijs laat ten minste om de 5 jaar een externe audit doen van het beheer van de instelling. De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling en de opdracht van de auditcommissie en draagt zorg voor het secretariaat van de commissie.

5° Elke instelling voor postinitieel onderwijs legt jaarlijks de begroting, een beleidsplan, een jaarrekening en een jaarverslag ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering. In de beheersovereenkomst worden nadere richtlijnen omtrent de vormgeving ervan opgenomen.

[ ]¹ Decr. 19-6-2015; [ ]² Decr. 17-6-2016

Art. III.117.

De instellingen voor postinitieel onderwijs kunnen voltijdse of deeltijdse gastprofessoren aanstellen voor het geven van onderwijs, het doen van onderzoek en voor wetenschappelijke dienstverlening.

Art. III.118.

§ 1. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde wordt vanaf het begrotingsjaar 2007 vastgesteld op 9.776.000 euro.

§ 2. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Vlerick Business School wordt vanaf het begrotingsjaar 2002 vastgesteld op 1.665.000 euro.

§ 3. De basissubsidie van de Vlaamse Gemeenschap aan de Antwerp Management School wordt vanaf het begrotingsjaar 2008 vastgesteld op 1.000.000 euro.

§ 4. Door middel van een subsidie van 591.000 euro draagt de Vlaamse Regering vanaf het begrotingsjaar 2007 bij in het dekken van de investeringskosten van het Instituut voor Tropische Geneeskunde.

§ 5. De bedragen vermeld in paragraaf 1, 2 en 3 worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, § 9.

Het bedrag vermeld in paragraaf 4 wordt binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het begrotingsjaar 2008 geïndexeerd overeenkomstig artikel III.54, § 2.

Voor de begrotingsjaren [2012, 2013 en 2015] worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 2 en 3 van dit artikel, binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, § 9, tweede lid.

§ 6. De bovengenoemde subsidies worden in gelijke maandelijkse termijnen uitbetaald, behoudens de investeringssubsidies die per kwartaal worden betaald.

§ 7. De Vlaamse Regering kan de hoogte van de basissubsidies herzien afhankelijk van de mate waarin de in de beheersovereenkomst afgesproken doelstellingen worden gehaald of niet.

§ 8. De Vlaamse Regering kan een deel van de maandelijkse termijnen inhouden en desgevallend terugvorderen indien de Vlaamse Regering vaststelt dat de instellingen de beheersovereenkomst niet naleven.

[§ 9. De bedragen voor de instellingen voor postinitieel onderwijs, met uitzondering van de bedragen vermeld in paragraaf 4 berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd.]

Decr. 19-12-2014

Hoofdstuk 5. Hogere instituten en andere instellingen voor Schone Kunsten

Art. III.119.

§ 1. De Vlaamse Regering kan in de vorm van een jaarlijkse toelage bijdragen in de financiering van de hogere instituten voor schone kunsten en van instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren.

Het totale bedrag van de toelage wordt vastgesteld op 3.202.000 euro vanaf 1 januari 2007.

Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2008 jaarlijks op de volgende wijze aangepast :

0,8 x (Ln/L07) + (Cn/C07)

waarbij :

- Ln/L07 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2007;

- Cn/C07 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2007.

De indexformule vermeld in het derde lid wordt in het begrotingsjaar 2010 niet toegepast.

Voor de begrotingsjaren [2012, 2013 en 2015]² wordt het bedrag, vermeld in het tweede lid, geïndexeerd aan de hand van de volgende indexformule :

0,8 x (Ln/L07) + 0,2

waarbij :

- Ln/L07 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2007.

[In de begrotingsjaren 2015 en 2016 wordt een bedrag van 250.000 euro toegevoegd aan de toelage vermeld in deze paragraaf.]¹

§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde hogere instituten voor schone kunsten worden opgericht met als doel posthogeschoolvormingen te organiseren inzake de opleidingen van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten. De posthogeschoolvorming wordt bekrachtigd met de titel van 'Laureaat van het Hoger Instituut voor Schone Kunsten'. Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Deze instituten worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel die met betrekking tot de posthogeschoolvorming optreedt als overkoepelende instantie voor alle hogescholen die een opleiding in de betrokken sectoren organiseren.

De in paragraaf 1 bedoelde andere instellingen zijn instellingen die excellente hogere kunstopleidingen organiseren, doch krachtens artikel II.3 niet als hogescholen kunnen beschouwd worden.

§ 3. Om voor de in paragraaf 1 bedoelde subsidiëring in aanmerking te komen, sluiten de instituten en instellingen een beheersovereenkomst met een looptijd van vijf jaar met de Vlaamse Regering, waarin ten minste volgende zaken worden afgesproken :

1° de onderdelen van het strategisch beleidsplan;

2° de organisatie van de interne en externe kwaliteitszorg, met inbegrip van de wijze waarop het instituut of de instelling omgaat met de uitkomsten van de externe kwaliteitszorg. Daartoe organiseert het instituut of de instelling ten minste om de 5 jaar een externe visitatie waaraan onder meer buitenlandse instellingen deelnemen;

3° het instroomniveau, de wijze van selectie van de studenten en de inschrijvingsgelden;

4° de minimale kwalificaties van de ingezette personeelsleden en de arbeidsvoorwaarden;

5° het afsluiten van een samenwerkingsakkoord met andere Vlaamse hogescholen die het betrokken studiegebied aanbieden, en eventueel met Belgische en buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs en derden. De samenwerkingsovereenkomst vermeldt ten minste de voorwaarden van samenwerking en de financiële vergoeding die in voorkomend geval voor de dienstverlening zal worden betaald;

6° het toezicht op de naleving van de verbintenissen door en de administratie, de sancties bij het niet naleven van de verbintenis en de procedure hierbij.

De besluiten die de Vlaamse Regering neemt in uitvoering van de bepalingen van deze codificatie met betrekking tot de begroting en de personeelsformatie voor de hogescholen en betreffende de algemene boekhouding, de jaarrekening en het rekeningstelsel voor de hogescholen zijn van overeenkomstige toepassing op de instituten voor schone kunsten en de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren.

§ 4. De Vlaamse Regering kan de subsidiëring van een instituut of instelling verminderen, doch slechts jaarlijks en naar evenredigheid van de vastgestelde tekortkomingen op de in de beheersovereenkomst bezegelde afspraken.

§ 5. In afwijking van het bepaalde in paragraaf 3 kunnen lopende beheersovereenkomsten maximaal 2 keer met ten hoogste 1 jaar verlengd worden, in geval de evaluatie van de wijze waarop de lopende beheersovereenkomst werd uitgevoerd, onvoldoende positief is om een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van 5 jaar af te sluiten. Indien na deze verlenging(en) naar het oordeel van de Vlaamse Regering de betrokken instelling een deugdelijk beleidsplan heeft voorgelegd, kan een nieuwe beheersovereenkomst met een looptijd van maximaal 4 jaar worden gesloten.

[§ 6. De bedragen voor de hogere instituten voor schone kunsten en voor de instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 2 % verminderd. Voor de berekening van de 2 % wordt de bijkomende toelage van 250.000 in 2015 en 2016 niet in rekening gebracht.]²

[ ]¹ Decr. 25-4-2014; [ ]² Decr. 19-12-2014

TITEL 4. Evaluatie

Art. III.120.

De bepalingen van artikel I.3, 13°, 21°, 26°, 27°, 28°, 29°, 32°, 34°, 37°, 40°, 44°, 45°, 57°, 62°, 71° en 78°, deel 2, titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 3, artikel III.1, eerste lid en III.2, deel 3, titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 2, 3 en 4, deel 3, titel 1, hoofdstuk 2, afdeling 2, artikel III.45, deel 3, titel 1, hoofdstuk 2, afdeling 6, 8, 9 en 10, deel 3, titel 2, hoofdstuk 2 en 5, deel III, titel 3, hoofdstuk 3, deel 3, titel 4, artikel IV.81, IV.82, IV.83, IV.85 en IV.122 worden vóór 1 januari 2014 onderworpen aan een evaluatie. Deze evaluatie omvat ten minste de volgende elementen :

1° de impact van de verschillende financieringsstromen op de instroom, de doorstroom en de uitstroom van studenten, meer in het bijzonder van de studenten uit ondervertegenwoordigde groepen;

2° de impact van de outputfinanciering op de uitstroom van studenten;

3° de vergelijking van de gehanteerde puntengewichten in het financieringsmodel en in internationale modellen;

4° voor wat betreft de professionele opleidingen en de kunstopleidingen in de hogescholen, de evaluatie van de interne allocatiemodellen van de hogescholen, dit in relatie tot de gehanteerde puntengewichten;

5° de evolutie van de instellingen die in het begrotingsjaar 2011 verevend worden;

6° het rationalisatieproces en de resultaten en effecten hiervan;

7° de evolutie en de impact van de parameters die gebruikt worden om de onderzoekssokkel en het onderzoeksvariabel deel te bepalen.

Vóór 1 januari 2018 wordt bijkomend een evaluatie gemaakt van de interne allocatiemodellen van de universiteiten, dit in relatie tot de gehanteerde puntengewichten. Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de opleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in de universiteiten.

De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop deze evaluatie wordt uitgevoerd. Zij bezorgt de resultaten van deze evaluatie na beraadslaging aan het Vlaams Onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs en aan het Vlaams Parlement.

TITEL 5. Overgangsbepalingen

Art. III.121.

§ 1. Als in het kader van deze reorganisatie van het opleidingenaanbod een personeelslid van de HUB-KUBrussel gedurende de periode van 2008 tot en met 2012 overgenomen wordt door een andere instelling van hoger onderwijs, hierna de ontvangende instelling te noemen, en aan die instelling benoemd of aangesteld wordt, wordt door de HUB-KUBrussel, gebruikmakend van de hierboven vermelde middelen, tot uiterlijk 31 december 2012 het bedrag van de brutosalariskosten van dat personeelslid gestort op rekening van de ontvangende instelling. In dat geval wordt tussen de HUB-KUBrussel en de ontvangende instelling een overeenkomst gesloten in verband met die overdracht van middelen, waarin tevens een aantal overgangsregels kunnen worden vastgelegd inzake de afwerking aan de HUB-KUBrussel van het onderwijs en onderzoek van het betrokken personeelslid.

Doctoraten die begeleid worden door het betrokken personeelslid gedurende de periode dat het personeelslid verbonden was aan de HUB-KUBrussel, maar die onder zijn begeleiding tot stand zijn gekomen nadat het lid de HUB-KUBrussel heeft verlaten, zullen voor de berekening van de financiering van het onderzoeksgedeelte, overeenkomstig artikel III.22 of III.123, toegerekend worden aan de HUB-KUBrussel.

§ 2. De bepalingen van artikel III.28 en III.29 zijn niet van toepassing op de HUB-KUBrussel.

Art. III.122.

De sociale toelage, vermeld in artikel III.66, tweede lid zal pas aan de hogeschool uitbetaald worden na de bekendmaking in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van het besluit tot opheffing van de krachtens artikel 208, §1, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, opgerichte vzw studentenvoorziening.

Als bij de ontbinding van de vzw studentenvoorzieningen geen gebruik gemaakt wordt van de procedure vermeld in artikel 58 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, stelt de hogeschool zich garant voor de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomsten die de vzw studentenvoorzieningen met derden heeft afgesloten en die betrekking hebben op het vermogen dat de vzw studentenvoorzieningen heeft overgedragen aan de hogeschool.

Art. III.123.

Tot 1 januari 2014 luiden de artikelen III.20 en III.21 met betrekking tot de onderzoekssokkel en artikel III.22 met betrekking tot het variabel onderzoeksdeel als volgt :

"Art. III.20. §1. Om voor een onderzoekssokkel in het begrotingsjaar t in aanmerking te komen, moet een universiteit voldoen aan de volgende minimale instellingsnorm :

1° de universiteit heeft in de academiejaren t-6/t-5 tot en met t-3/t-2 ten minste 50 doctoraatsdiploma's uitgereikt; en

2° het aantal publicaties in de jaren t-12 tot en met t-3 bedraagt ten minste 1.000.

§2. Het aantal doctoraten en het aantal publicaties wordt vastgesteld overeenkomstig de voorschriften, vastgesteld bij of krachtens artikel 63/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid.

Art. III.21. §1. Voor de berekening van de onderzoekssokkel van een universiteit (SOZi) wordt het bedrag van de totale onderzoeksokkel (SOZun), vermeld in artikel III.5, en verminderd met de forfaitaire sokkel van de Universiteit Gent, vermeld in paragraaf 4, verdeeld op basis van het procentuele aandeel van elke universiteit in :

1° het aantal uitgereikte doctoraatsdiploma's in de academiejaren t-6/t-7 tot en met t-3/t-2, gewogen met een gewichtsfactor als vermeld in paragraaf 2, x 0,5;

2° het aantal publicaties in de jaren t-12 tot en met t-3, gewogen met een gewichtsfactor als vermeld in paragraaf 3, x 0,5.

§2. Om de weging op het aantal uitgereikte doctoraatsdiploma's te verrichten worden per instelling de volgende gewichtsfactoren toegepast :

1° op het aantal uitgereikte doctoraatsdiploma's dat kleiner is dan of gelijk is aan 50 : factor 3;

2° op het aantal uitgereikte doctoraatsdiploma's dat groter is dan 50 en kleiner is dan of gelijk is aan 400 : factor 2;

3° op het aantal uitgereikte doctoraatsdiploma's dat groter is dan 400 : factor 0.

§3. Om de weging op het aantal publicaties te verrichten worden per instelling de volgende gewichtsfactoren toegepast :

1° op het aantal publicaties dat kleiner is dan of gelijk is aan 600 : factor 3;

2° op het aantal publicaties dat groter is dan 600 en kleiner is dan of gelijk is aan 3.000 : factor 2;

3° op het aantal publicaties dat groter is dan 3.000 en kleiner is dan of gelijk is aan 10.000 : factor 1;

4° op het aantal publicaties dat groter is dan 10.000 : factor 0.

§4. De onderzoekssokkel van de Universiteit Gent, berekend overeenkomstig paragraaf 1, wordt in de begrotingsjaren 2008 tot en met 2013 verhoogd met een aanvullende onderzoekssokkel van 5 miljoen euro. Dit bedrag wordt geïndexeerd volgens de bepalingen in artikel III.5, §9.

Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt die aanvullende onderzoekssokkel jaarlijks met 25% afgebouwd.

Art. III.22. §1.Voor de berekening van het variabel onderzoeksdeel van een universiteit (VOZi) wordt, na een voorafname voor de HUB-KUBrussel, vermeld in paragraaf 4, het bedrag voor het variabel onderzoeksdeel VOZun, vermeld in artikel III.5, verdeeld over de universiteiten volgens de procentuele verdeelsleutel, vermeld in paragraaf 2.

§2. Die verdeelsleutel is het gewogen gemiddelde van de volgende vier elementen :

1° het procentuele aandeel van iedere associatie in het aantal academisch gerichte initiële bachelor- en masterdiploma's uitgereikt door de universiteit en door de hogescholen die deel uitmaken van de betreffende associatie in de academiejaren t-6/t-5 tot en met t-3/t-2. Op de uitgereikte diploma's wordt het puntengewicht van het studiegebied, vermeld in artikel III.19, toegepast. Voor de opleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten wordt de som van het puntengewicht in artikel III.19, §1 en artikel III.19, §4, toegepast;

2° het procentuele aandeel van iedere universiteit, uitgezonderd de HUB-KUBrussel, in het aantal doctoraatsdiploma's uitgereikt in de academiejaren t-6/t-5 tot en met t-3/t-2. De aantallen worden vastgelegd overeenkomstig de voorschriften, vastgelegd bij of krachtens artikel 63/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid;

3° het procentuele aandeel van iedere universiteit, uitgezonderd de HUB-KUBrussel, in het aantal publicaties en het aantal citaties over de jaren t-12 tot en met t-3. De publicaties en citaties worden vastgesteld overeenkomstig de voorschriften, vastgelegd bij of krachtens artikel 63/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid;

4° het procentuele aandeel van iedere universiteit, uitgezonderd de HUB-KUBrussel, in het aantal eerste aanstellingen of benoemingen in een graad van het zelfstandig academisch personeel in die universiteit van externe onderzoekers en van vrouwelijke onderzoekers. Het procentuele aandeel wordt vastgesteld overeenkomstig de voorschriften vastgelegd bij of krachtens artikel 63/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid.

§3. Vanaf het begrotingsjaar 2010 wordt op het eerste element een factor 0,24 toegepast, op het tweede element een factor 0,40, op het derde element een factor 0,30 en op het vierde element een factor 0,06.

De Vlaamse Regering kan de percentages vermeld in het eerste lid wijzigen en ze afstemmen op de gewichten van de parameters vastgelegd bij of krachtens artikel 63/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid.

§4. De HUB-KUBrussel ontvangt 0,23 % van het bedrag van het variabel onderzoeksdeel, vermeld in artikel III.5. Dit percentage wordt aangepast overeenkomstig de voorschriften, vastgelegd bij of krachtens artikel 63/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid.

Art. III.124.

Tot het 1 januari 2014 luidt artikel III.46 met betrekking tot de financiering van de hogescholen, als volgt :

"Art. III.46. De investeringsmiddelen bedragen voor het begrotingsjaar 2002 :

1° voor de Vlaamse Autonome Hogescholen, exclusief de Hogere Zeevaartschool : 7.728.000 euro;

2° voor de gesubsidieerde officiële hogescholen : 1.343.000 euro;

3° voor de gesubsidieerde vrije hogescholen : 12.493.000 euro.

Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden deze bedragen aangepast met de voor het begrotingsdecreet gehanteerde aanpassingsfactor voor de investeringssubsidies.

De indexering vermeld in het tweede lid wordt in het begrotingsjaar 2010 niet toegepast."

DEEL 4. BEHEER EN VERANTWOORDING

TITEL 1. Beheer

Hoofdstuk 1. Beheer van de goederen van de universiteiten

Art. IV.1.

Alle roerende en onroerende goederen verkregen door middel van de jaarlijkse uitkeringen of toelagen van de Staat of de Vlaamse Gemeenschap, worden eigendom van de universiteiten.

Art. IV.2.

Met behoud van de toepassing van de voorwaarden opgelegd door deze codificatie, kunnen de universiteiten in functie van hun zending beschikken over alle roerende en onroerende goederen, die zij in eigendom of anderszins bezitten alsook over de opbrengsten ervan.

De universiteiten zijn ertoe gemachtigd schenkingen onder levenden of bij testament te aanvaarden. Een schenking kan maar aanvaard worden na een uitdrukkelijke machtiging hiertoe door het universiteitsbestuur. Wanneer het gaat om een aanvaarding van schenkingen van onroerende goederen, of van roerende goederen die de waarde van 1 miljoen euro overschrijden of die met lasten zijn bezwaard, brengt het universiteitsbestuur de Vlaamse Regering hiervan op de hoogte.

Art. IV.3.

De universiteiten sluiten hun overeenkomsten voor aanneming van werken, leveringen en diensten af volgens de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.

Het vaststellen van de wijze van gunnen en het gunnen en uitvoeren van opdrachten van aanneming van werken, leveringen en diensten, gebeurt door het universiteitsbestuur.

Art. IV.4.

Elke universiteit richt uit haar midden een "Fonds voor onroerende universitaire investeringen" op, waarvan de inkomsten bestaan uit :

1° de jaarlijkse investeringsuitkeringen van de Vlaamse Gemeenschap bedoeld in artikel III.52;

2° de opbrengst van de verkoop van onroerende goederen bestemd voor het onderwijs, het onderzoek en de administratie;

3° de vergoedingen voor het gebruik voor een andere bestemming binnen de universiteit van de onroerende goederen bestemd voor het onderwijs, het onderzoek en de administratie;

4° de vergoedingen voor de verhuur en exploitatie van lokalen of andere onroerende goederen bestemd voor het onderwijs, het onderzoek en de administratie;

5° de financiële opbrengsten van de beschikbare middelen van dit "Fonds";

6° de overschrijvingen van geldmiddelen van de jaarlijkse werkingsuitkeringen;

7° andere inkomsten die de universiteit aan dit "Fonds" toevoegt.

De middelen en inkomsten van het "Fonds voor onroerende universitaire investeringen" kunnen uitsluitend worden aangewend voor investeringsuitgaven zoals omschreven in artikel III.53.

Art. IV.5.

Op verzoek van een universiteit kan de Vlaamse Gemeenschap in het arrondissement of de stad waar deze universiteit krachtens artikel II.78 tot en met II.82 diploma's voor academische opleidingen of voortgezette academische opleidingen kan uitreiken, overgaan tot de onteigening ten algemene nutte van de onroerende goederen vereist voor de verwezenlijking van de in artikel III.53 omschreven verrichtingen of voor de inrichting van het universiteitsoord.

Deze onteigeningen geschieden overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging inzake onteigening ten algemene nutte.

Het in artikel 23 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte bedoelde recht van wederafstand kan niet worden ingeroepen voor de in het onderhavig artikel bedoelde onteigeningen.

De ambtenaren van de Administratie van de BTW, de Registratie en de Domeinen zijn, op verzoek van de universiteiten, bevoegd om hetzij in der minne, hetzij bij wijze van onteigening ten algemene nutte, de in het eerste lid bedoelde verwervingen te verrichten.

In afwachting van de onteigeningen van de gronden, mag de Vlaamse Gemeenschap voor de duur van een jaar de door haar te bepalen gedeelten in huur en in gebruik nemen naarmate de behoeften zulks vereisen.

Vóór de werkelijke inbezitneming van de gedeelten worden de eigenaars en huurders ten minste 4 werkdagen vooraf, bij een ter post aangetekende brief verzocht, aanwezig te zijn of zich te laten vertegenwoordigen bij het opmaken van een plaatsbeschrijving, op de vastgestelde dag en het vastgestelde uur.

Het gemeentebestuur van de plaats waar de goederen gelegen zijn, zal ook bij een ter post aangetekende brief verzocht worden, 1 van zijn leden af te vaardigen om het opmaken van de plaatsbeschrijving bij te wonen. De eigenaars, de huurders en het gemeentebestuur worden ervan ingelicht dat de plaatsbeschrijving zal worden opgemaakt of ze aanwezig zijn of niet.

Een exemplaar van de plaatsbeschrijving zal aan elk van de verschijnenden worden afgegeven. De betrokkenen die niet opgekomen zijn, zullen een exemplaar van de plaatsbeschrijving bij een ter post aangetekende zending ontvangen.

De inbezitneming van het gedeelte kan onmiddellijk na het opmaken van de plaatsbeschrijving gebeuren, niettegenstaande elk verzet dat aan de Vlaamse Gemeenschap zou betekend zijn.

De vergoedingen verschuldigd voor huur of voor schade zullen in der minne bepaald worden bij de vrederechter bevoegd voor de onteigeningsprocedure bij toepassing van de wet van 26 juli 1962.

Art. IV.6.

Onder inrichting van het universiteitsoord moet verstaan worden, de aanwending van onroerende goederen tot de volgende bestemmingen :

1° zetel van een instelling met een pedagogisch, wetenschappelijk, filosofisch, cultureel, religieus, medisch of sociaal doel;

2° verblijf voor studenten, onderzoekers en gasthoogleraren;

3° instellingen ter valorisatie van de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek.

Art. IV.7.

Elke universiteit dient bij de Vlaamse Regering een fysische inventaris in van al haar onroerende goederen met vermelding van hun oorsprong en bestemming.

De Vlaamse Regering bepaalt de vorm en de modaliteiten waarin deze fysische inventaris wordt opgesteld.

Deze inventaris wordt door de universiteit permanent bijgehouden.

Elke universiteit deelt jaarlijks, samen met de begroting van de instelling, het resultaat van deze wijzigingen en aanpassingen mee aan de Vlaamse Regering.

Hoofdstuk 2. Beheer van de goederen van de hogescholen

Art. IV.8.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :

1° bruto-oppervlakte van een gebouw : het geheel van de vloeroppervlakten van alle vloerniveaus. De vloerniveaus zijn inzonderheid de verdiepingen die geheel of gedeeltelijk onder de grond zijn gebouwd, de bovengrondse verdiepingen en de verdiepingen voor technische installaties. De bruto-vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt bepaald door de buitenomtrek van de bouwdelen die het gebouw begrenzen ter hoogte van de vloer. De oppervlakte van de trappen, de liften en de installatiekokers moet op ieder niveau tot de vloeroppervlakte worden gerekend. Worden niet als bruto-oppervlakte beschouwd :

a) de kruipruimten tussen de gelijkvloerse verdieping en onderste niveau van het gebouw;

b) de dakverdiepingen, zolders en kelders die niet als bruikbare lokalen kunnen worden ingericht;

c) de technische holle ruimten, tenzij deze volkomen afgewerkt zijn, die deel uitmaken van het gebouw en een vrije hoogte hebben van ten minste 2 meter;

d) de uitwendige noodtrappen;

e) de openingen en holle ruimten van meer dan 4 vierkante meter;

2° nieuwbouw : alle werken die strekken tot de oprichting van nieuwe gebouwen of de uitbreiding van de bestaande gebouwen;

3° verbouwing : alle werken uitgevoerd aan bestaande gebouwen.

Art. IV.9.

Met behoud van de toepassing van de voorwaarden opgelegd door deze codificatie, kunnen de hogescholen in functie van hun zending beschikken over alle roerende en onroerende goederen, die zij in eigendom of anderszins bezitten, alsook over de opbrengsten ervan.

De hogescholen zijn ertoe gemachtigd schenkingen onder levenden of bij testament te aanvaarden. Een schenking kan maar aanvaard worden na een uitdrukkelijke machtiging hiertoe door het hogeschoolbestuur. Wanneer het gaat om een aanvaarding van een schenking van onroerende goederen, of van roerende goederen die de waarde van 1 miljoen euro overschrijden of die met lasten zijn bezwaard, brengt het hogeschoolbestuur de Vlaamse Regering hiervan op de hoogte.

Art. IV.10.

De hogeschool sluit haar overeenkomsten voor aanneming van werk, leveringen en diensten af volgens de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de overheidsopdrachten met dien verstande dat het hogeschoolbestuur :

1° de bevoegdheden uitoefent die in de wetgeving aan de minister zijn toegekend;

2° het in dezelfde wetgeving bepaalde advies niet hoeft in te winnen vooraleer een overeenkomst ingevolge offerteaanvragen of onderhands af te sluiten.

Het vaststellen van de wijze van gunnen, het gunnen en uitvoeren van opdrachten van aanneming van werk, leveringen en diensten, gebeurt door het hogeschoolbestuur.

Art. IV.11.

Het hogeschoolbestuur kan voorwerpen en diensten geproduceerd in het kader van de onderwijsverstrekking vervreemden of verhuren onder door de Vlaamse Regering te bepalen voorwaarden.

Hoofdstuk 3. Vaststelling van de begroting en de personeelsformatie van de universiteiten

Art. IV.12.

[Ieder jaar vóór 1 oktober deelt de Vlaamse Regering aan elke universiteit mee :

1° het bedrag van de werkingsuitkering dat de universiteit krachtens deel 3, titel 1, hoofdstuk 1, kan verwachten;

2° het bedrag van de sociale toelage dat de universiteit krachtens deel 3, titel 2, hoofdstuk 1, kan verwachten;

3° het bedrag van de aanvullende middelen dat de universiteit krachtens deel 3, titel 1, hoofdstuk 2, mag verwachten.

De Vlaamse Regering deelt ook mee op welke wijze de bedragen werden berekend.

Ieder jaar vóór 1 juli deelt de Vlaamse Regering aan elke universiteit een raming mee van de in het eerste lid genoemde bedragen met het oog op het opmaken van de begroting, bedoeld in artikel IV.13.]

Decr. 19-6-2015

Art. IV.13.

Het universiteitsbestuur bezorgt vóór [10 september]² aan de Vlaamse Regering een begroting opgemaakt volgens het schema van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie, in navolging van de verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap.

[Het universiteitsbestuur stelt een beleidsbegroting op voor het volgende begrotingsjaar en bezorgt die vóór 15 november aan de Vlaamse Regering. De regeringscommissaris en de afgevaardigde van financiën bezorgen hun analyse en advies vóór 31 december aan het universiteitsbestuur en aan de Vlaamse Regering. Als de regeringscommissaris en de afgevaardigde van financiën vaststellen dat de begroting is opgesteld conform de meegedeelde cijfers, dat de wettelijke voorschriften nageleefd zijn en dat de begroting het financiële evenwicht van de universiteit op korte en lange termijn niet in het gedrang brengt, behoeft de begroting geen verdere goedkeuring van de Vlaamse Regering.]¹

Samen met de beleidsbegroting dient het universiteitsbestuur een meerjarenbegroting in voor de komende 5 begrotingsjaren. Die meerjarenbegroting houdt rekening met het beleid van de universiteit ten minste op de volgende gebieden :

1° algemeen financieel beleid;

2° personeelsbestand en personeelsbeleid;

3° onderwijsaanbod;

4° wetenschappelijk onderzoek, maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening en transfer van kennis;

5° investeringen;

6° kwaliteitszorg.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen omtrent de inrichting van een beleidsbegroting.

[ ]¹ Decr. 21-3-2014; [ ]² Decr. 8-7-2016

Art. IV.14.

De begroting houdt een raming in van alle inkomsten en uitgaven van de universiteit.

De begroting is ingedeeld in acht afdelingen :

1° Afdeling I. Werking;

2° Afdeling II. Onroerende Investeringen;

3° Afdeling III. Sociale voorzieningen voor studenten;

4° Afdeling IV.1. Bijzondere Onderzoeksfondsen;

5° Afdeling IV.2. Andere Onderzoeksfondsen;

6° Afdeling V. Patrimonium;

7° Afdeling VI. Voor orde;

8° Afdeling VII. Bedrijfseconomische afdeling.

Elke afdeling geeft aan :

A. Geraamde gecumuleerde saldo jaar t - 1;

B. Geraamde inkomsten;

C. Geraamde uitgaven;

D. Geraamde gecumuleerde saldo jaar t.

De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de vormgeving van de begroting. Deze regels slaan op onder meer de omschrijving van de diverse inkomsten- en uitgavenrubrieken en de procedure van wijziging van de begroting. De begroting van het universitair ziekenhuis wordt als bijlage gevoegd bij de begroting van de universiteit zoals bedoeld in dit artikel.

Op jaarbasis mogen de geraamde uitgaven de geraamde inkomsten niet overschrijden, onverminderd de mogelijkheid van het gebruik van de geraamde gecumuleerde saldi van het jaar t-1. Het gebruik van de geraamde gecumuleerde saldi van het jaar t-1 dient te worden verantwoord.

Art. IV.15.

De werkings- en investeringsuitkeringen en de sociale toelage worden door de Vlaamse Regering definitief vastgesteld van zodra de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het desbetreffende begrotingsjaar is vastgelegd. De Vlaamse Regering deelt elke universiteit onmiddellijk na deze vaststelling mede welke bedragen aan de universiteit zullen worden uitgekeerd. Het universiteitsbestuur draagt zorg voor de wijziging van de begroting, overeenkomstig de nadere regels voor de vormgeving van de begroting en de procedure van wijziging die de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel IV.14 bepaalt.

Art. IV.16.

De jaarlijkse werkingsuitkeringen worden maandelijks per twaalfde ter beschikking gesteld van elke universiteit aan het einde van elke maand waarop het twaalfde betrekking heeft [...]. De investeringsuitkeringen worden per kwartaal ter beschikking gesteld op het einde van het kwartaal.

Decr. 19-6-2015

Art. IV.17.

[Als de Vlaamse Regering op basis van het gezamenlijk advies en de analyse van de regeringscommissaris en de afgevaardigde van financiën de begroting niet kan goedkeuren omdat zij van oordeel is dat deze strijdig is met het bij of krachtens de wet of decreet bepaalde of het financieel evenwicht van de universiteit in gevaar brengt, doet zij hiervan binnen een termijn van een maand na ontvangst van het advies van de regerings- commissaris en de afgevaardigde van financiën mededeling aan de instelling onder opgave van haar bezwaren.

In dit geval verzoekt de Vlaamse Regering het universiteitsbestuur de nodige wijzigingen aan te brengen aan de begroting en haar deze binnen twee maanden na deze mededeling opnieuw voor te leggen.

Binnen een termijn van een maand keurt de Vlaamse Regering de begroting goed. Indien zij nog bezwaren heeft tegen de gewijzigde begroting, dan deelt zij dit binnen de maand aan het universiteitsbestuur mee op dezelfde wijze als voorgeschreven in het vorige lid.

Zolang de Vlaamse Regering de begroting niet heeft goedgekeurd worden de maandelijkse uitkeringen herleid tot een twaalfde van de uitkeringen van het vorige begrotingsjaar.

Als de in het eerste en derde lid bepaalde termijnen verstreken zijn, wordt de begroting geacht te zijn goedgekeurd.]

Decr. 21-3-2014

Art. IV.18.

Het universiteitsbestuur bepaalt de globale formatie van het zelfstandig academisch personeel, het assisterend academisch personeel en van het administratief en technisch personeel dat ten laste van de werkingsuitkering wordt bezoldigd. Tevens bepaalt het universiteitsbestuur hiervoor binnen de perken van de voor dit jaar toegekende werkingsuitkeringen de begrote bezettingsgraad.

De betrekkingen worden er uitgedrukt in eenheden die overeenstemmen met een voltijdse functie. De Vlaamse Regering kan hieromtrent nadere regels opstellen.

Met ingang van 1 januari 1994 kunnen ten laste van ten hoogste 80% van de saldi van de werkingsuitkeringen van de vorige begrotingsjaren enkel wetenschappelijke, pedagogische, administratieve of technische medewerkers tijdelijk op contractuele basis worden aangesteld.

De aanstellingstermijn kan eenmaal verlengd worden, waarbij de totale aanstellingstermijn niet meer dan 2 jaar mag bedragen.

De wetenschappelijke of pedagogische medewerkers genieten de salarisschalen van het assisterend academisch personeel. De administratieve of technische medewerkers genieten de salarisschalen van het administratief en technisch personeel.

Art. IV.19.

Indien de volgens artikel IV.18 begrote bezettingsgraad vermeerderd met de bezoldigingskosten van de gastprofessoren, met uitzondering van de gastprofessoren bezoldigd met daartoe bestemde giften of ten laste van overeenkomsten met derden die uitdrukkelijk in deze bezoldiging voorzien, en de plaatsvervangers, leidt tot uitgaven die in een bepaald begrotingsjaar meer dan 80% van jaarlijkse werkingsuitkering opslorpen, is de universiteit ertoe gehouden om deze bepaling van de begrote bezetting ten aanzien van de Vlaamse Regering te verantwoorden.

Indien de volgens artikel IV.18 begrote bezettingsgraad vermeerderd met de bezoldigingskosten van de gastprofessoren, met uitzondering van de gastprofessoren bezoldigd met daartoe bestemde giften of ten laste van overeenkomsten met derden die uitdrukkelijk in deze bezoldiging voorzien, en de plaatsvervangers, leidt tot uitgaven die in een bepaald begrotingsjaar meer dan 85% van de jaarlijkse werkingsuitkering opslorpen, is de universiteit ertoe gehouden samen met de begroting een financieringsplan in te dienen waarbij wordt aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn de financiële herstructurering van de universiteit met de beschikbare reserves zal worden gerealiseerd. Zolang de Vlaamse Regering dit financieringsplan niet heeft goedgekeurd, kan er in de universiteit niemand meer worden benoemd of aangesteld ten laste van de werkingsuitkeringen.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de 80-85 %norm moet berekend worden.

Hoofdstuk 4. Vaststelling van de begroting en de personeelsformatie van de hogescholen

Art. IV.20.

[Ieder jaar vóór 1 oktober deelt de Vlaamse Regering aan elke hogeschool mee :

1° het bedrag van de werkingsuitkering dat de hogeschool krachtens deel 3, titel 1, hoofdstuk 1, kan verwachten;

2° het bedrag van de sociale toelage dat de hogeschool krachtens deel 3, titel 2, hoofdstuk 1, kan verwachten;

3° het bedrag van de aanvullende middelen dat de hogeschool krachtens deel 3, titel 1, hoofdstuk 2, mag verwachten.

De Vlaamse Regering deelt ook mee op welke wijze de bedragen werden berekend.

Ieder jaar vóór 1 juli deelt de Vlaamse Regering aan elke hogeschool een raming mee van de in het eerste lid genoemde bedragen met het oog op het opmaken van de begroting, bedoeld in artikel IV.21.]

Decr. 19-6-2015

Art. IV.21.

Het hogeschoolbestuur bezorgt vóór [10 september]² aan de Vlaamse Regering een begroting opgemaakt volgens het schema van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie, in navolging van de verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap.

[Het hogeschoolbestuur stelt een begroting op voor het volgende begrotingsjaar en bezorgt die vóór 15 november aan de Vlaamse Regering. De regeringscommissaris bezorgt zijn analyse en advies vóór 31 december aan het hogeschoolbestuur en aan de Vlaamse Regering. Als de regeringscommissaris vaststelt dat de begroting is opgesteld conform de meegedeelde cijfers, dat de wettelijke voorschriften nageleefd zijn en dat de begroting het financiële evenwicht van de hogeschool op korte en lange termijn niet in het gedrang brengt, behoeft de begroting geen verdere goedkeuring van de Vlaamse Regering.]¹

[ ]¹ Decr. 21-3-2014; [ ]² Decr. 8-7-2016

Art. IV.22.

Samen met de begroting dient het hogeschoolbestuur een meerjarenbegroting in voor de komende 5 begrotingsjaren. Die meerjarenbegroting houdt rekening met het beleid van de hogeschool ten minste op de volgende gebieden :

1° algemeen financieel beleid;

2° personeelsbestand en personeelsbeleid;

3° onderwijsaanbod;

4° praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek, onderzoek in de kunsten, maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening en transfer van kennis;

5° investeringen;

6° kwaliteitszorg.

Art. IV.23.

De begroting bestaat uit 4 deelbegrotingen :

1° een begrote resultatenrekening, inhoudende een raming van alle opbrengsten en kosten van de hogeschool en derhalve het resultaat van de begrotingsperiode met een afzondelijke afdeling voor studentenvoorzieningen;

2° een begroting van de geplande investeringen en de geplande financieringswijzen van deze investeringen voor de begrotingsperiode met een afzondelijke afdeling voor studentenvoorzieningen;

3° een liquiditeitenbegroting, inhoudende een raming van alle inkomsten en uitgaven van de hogeschool en derhalve van de wijziging van het liquiditeitensaldo voor de begrotingsperiode;

4° een geprojecteerde balans, bestaande uit een raming van alle activa en passiva, na de resultatenverwerking van de periode, op de einddatum van de begrotingsperiode.

De deelbegrotingen moeten een sluitend geheel vormen.

De Vlaamse Regering kan de bijkomende regels voor de vormgeving van de begroting en meerjarenbegroting bepalen. Deze regels slaan op onder meer de omschrijving van de diverse afdelingen en rubrieken van de deelbegrotingen en de procedure tot wijziging van de begroting.

Art. IV.24.

Wanneer de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het desbetreffende begrotingsjaar is goedgekeurd, legt de Vlaamse Regering de werkingsuitkering definitief vast en deelt ze onmiddellijk mee aan de hogeschool.

[Het hogeschoolbestuur draagt zorg voor de wijziging van de begroting, overeenkomstig de nadere regels voor de vormgeving van de begroting en de procedure van de wijziging die de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel IV.23 bepaalt.]

Decr. 21-3-2014

Art. IV.25.

[Als de Vlaamse Regering op basis van het advies en de analyse van de regeringscommissaris de begroting niet kan goedkeuren, omdat zij van oordeel is dat deze strijdig is met het bij of krachtens de wet of decreet bepaalde of het financieel evenwicht van de hogeschool in gevaar brengt, doet zij hiervan binnen een termijn van een maand na ontvangst van het advies van de regeringscommissaris mededeling aan de instelling onder opgave van haar bezwaren.

In dit geval verzoekt de Vlaamse Regering het hogeschoolbestuur de nodige wijzigingen aan te brengen aan de begroting en haar deze binnen twee maanden na deze mededeling opnieuw voor te leggen.

Binnen een termijn van een maand keurt de Vlaamse Regering de begroting goed. Indien zij nog bezwaren heeft tegen de gewijzigde begroting, dan deelt zij dit binnen de maand aan het hogeschoolbestuur mee op dezelfde wijze als voorgeschreven in het vorige lid.

Zolang de Vlaamse Regering de begroting niet heeft goedgekeurd worden de werkingsuitkeringen herleid zoals bepaald in artikel IV.26.

Als de in het eerste en derde lid bepaalde termijnen verstreken zijn, wordt de begroting geacht te zijn goedgekeurd.]

Decr. 21-3-2014

Art. IV.26.

De bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap stelt in het eerste, tweede en derde kwartaal werkingsuitkeringen ter beschikking aan de hogeschool. Het bedrag is als volgt berekend :

0,95 x 4/12 (W-L) in het eerste kwartaal

0,95 x 3/12 (W-L) in het tweede kwartaal

0,95 x 4/12 (W-L) in het derde kwartaal

waarbij :

- W gelijk is aan de jaarlijkse werkingsuitkering [bij een goedgekeurde begroting of de werkingsuitkering van het vorige begrotingsjaar bij een niet goedgekeurde begroting];

- L gelijk is aan de door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap geraamde salariskosten aangerekend tijdens het begrotingsjaar.

Uiterlijk op 31 januari van het volgend begrotingsjaar ontvangt de hogeschool het saldo van de jaarlijkse werkingsuitkering.

Decr. 21-3-2014

Art. IV.27.

Het hogeschoolbestuur bepaalt samen met de begroting de formatie per ambt van het onderwijzend personeel en per graad van het administratief en technisch personeel dat ten laste van de werkingsuitkering wordt bezoldigd voor het volgende begrotingsjaar. De hogeschool stelt een afzonderlijke formatie op voor de personeelsleden toegewezen aan de Schools of Arts en voor de andere personeelsleden. Het deelt deze personeelsformaties binnen 14 dagen mee aan de Vlaamse Regering. De ambten op de personeelsformatie worden uitgedrukt in eenheden die overeenstemmen met voltijdse betrekkingen. De Vlaamse Regering kan hieromtrent nadere regels opstellen.

De gastprofessoren en andere contractuele personeelsleden zijn niet opgenomen in de personeelsformatie. De hogeschool bezoldigt hen ten laste van de werkingsuitkering of ten laste van het patrimonium.

Art. IV.28.

§1 Bij het vaststellen van de jaarlijkse personeelsformaties neemt het hogeschoolbestuur met betrekking tot het onderwijzend personeel, uitgedrukt in voltijdse eenheden, de volgende regels in acht :

1° voor de personeelsformaties die betrekking hebben op de personeelsleden verbonden aan de professionele opleidingen en op de personeelsleden toegewezen aan de Schools of Arts: het aantal vastbenoemde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, bedraagt ten hoogste 72% van het aantal leden van het onderwijzend personeel uitgedrukt in voltijdse eenheden. Hierbij wordt de bevordering of ambtswijziging van een reeds in de hogeschool benoemd personeelslid niet beschouwd als een nieuwe benoeming. De toepassing van de bepalingen van dit punt wordt voor een periode van 5 jaar met ingang van het begrotingsjaar 2014 opgeschort.

Een benoeming of aanstelling in een ambt van het onderwijzend personeel is slechts mogelijk met inachtneming van bovenvermelde aantallen.

§2. In geval van een herstructurering zoals bedoeld in artikel I.3, 34°, kunnen de herstructurerende instellingen op gemotiveerde wijze afwijken van de normen vermeld in paragraaf 1.

Art. IV.29.

In afwijking van de bepalingen van artikel IV.28 kunnen de personeelsleden die de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt en de voorwaarden voor vaste benoeming vervullen, op hun verzoek worden benoemd in de vacante betrekking. Deze bepaling geldt ten aanzien van de personeelsleden die op 1 januari 1995 in de hogeschool in dienst waren en ingevolge de uitoefening van een betrekking in vast verband in een instelling voor secundair onderwijs rechten kunnen laten gelden op een pensioen ten laste van de schatkist.

In afwijking van de bepalingen van artikel IV.28 en V.141, §2 kan het hogeschoolbestuur een personeelslid benoemen dat de leeftijd van 55 jaar bereikt heeft en een aanstelling in een vacant ambt heeft. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de voorwaarden waaronder deze benoeming mogelijk is.

Art. IV.30.

In afwijking van artikel IV.28 en V.141, §2, kunnen voor de personeelsleden die gebruik maken van het overgangsstelsel inzake voltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, tijdelijke personeelsleden zoals bedoeld in artikel V.264, 2° benoemd worden voor het volume waarvoor er een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen in het overgangsstelsel wordt toegekend. Elk personeelslid dat benoemd wordt, dient in het bezit te zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.

Art. IV.31.

§ 1. In afwijking van de bepalingen van artikel IV.28 en V.141, §2, kan het hogeschoolbestuur personeelsleden bedoeld in artikel V.264, 2°, op hun verzoek benoemen. Elk personeelslid dat benoemd wordt, dient in het bezit te zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.

Deze benoeming is mogelijk in het ambt waarvoor zij overgangsmaatregelen genieten en voor het volume van de opdracht waarop zij krachtens artikel V.275 aanspraak kunnen maken.

§ 2. In afwijking van de bepalingen van artikel IV.28 en V.141, §2, kan het hogeschoolbestuur personeelsleden zoals bedoeld in artikel V.264, 2°, die op 1 januari 1996 met toepassing van artikel V.262 werden geconcordeerd naar een ambt waarvoor zij niet in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs, op hun verzoek benoemen in een ambt waarvoor zij wel het vereiste bekwaamheidsbewijs bezitten.

Deze benoeming is mogelijk voor het volume van de opdracht waarop zij krachtens artikel V.275 aanspraak kunnen maken. Door deze benoeming verliezen deze personeelsleden het genot van de in artikel V.267 bedoelde overgangsmaatregelen en bekomen zij de salarisschaal verbonden aan het ambt waarin zij benoemd worden.

Art. IV.32.

§ 1. De geraamde bezoldigingskosten - met inbegrip van de mandaatvergoedingen en premies - van de geraamde personeelsformatie, van de contractuele personeelsleden bezoldigd ten laste van de werkingsuitkering en van de plaatsvervangers kunnen maximaal 5% variëren in min of in plus op de norm 80% van de jaarlijkse werkingsuitkering.

In geval van een herstructurering zoals bedoeld in artikel I.3, 34°, kunnen de herstructurerende instellingen op gemotiveerde wijze afwijken van de in de eerste alinea bedoelde variatie.

§ 2. Als de bezoldigingskosten zoals bepaald in paragraaf 1 hoger worden geraamd dan 85% van de jaarlijkse werkingsuitkering, dient de hogeschool samen met de begroting een financieringsplan in, dat aangeeft op welke wijze en binnen welke termijn zij met de beschikbare reserves de financiële herstructurering zal realiseren. De hogeschool kan niemand benoemen of aanstellen ten laste van de werkingsuitkering voordat de Vlaamse Regering dit financieringsplan heeft goedgekeurd.

§ 3. Als de bezoldigingskosten zoals bepaald in paragraaf 1 lager worden geraamd dan 75% van de jaarlijkse werkingsuitkering, stelt de hogeschool samen met de begroting een personeelsstructuurplan op om het minimumniveau van 75% te bereiken. Dit personeelsstructuurplan behoeft de goedkeuring van het hogeschoolonderhandelingscomité.

§ 4. De Vlaamse Regering legt de wijze vast voor het berekenen van de procentnormen zoals bepaald in de voorgaande paragrafen.

Art. IV.33.

De afwijking tussen de begrote en de gerealiseerde personeelsformatie, uitgedrukt in geld, bedraagt ten hoogste 2,5%.

Als de in het eerste lid vermelde afwijking groter is dan 2,5% voegt het hogeschoolbestuur hiervoor een verantwoording toe bij de jaarrekening. De verantwoording wordt door de commissaris van de Vlaamse Regering beoordeeld bij de analyse van de jaarrekening.

Als de commissaris van de Vlaamse Regering oordeelt dat er geen redelijke verantwoording is voor de overschrijding van de in het eerste lid vermelde afwijking, dient de commissaris hiertegen een met redenen omkleed bezwaar in bij de Vlaamse Regering.

Indien de Vlaamse Regering dit bezwaar bijtreedt, kan zij als sanctie een deel van de toekomstige werkingsuitkering van de hogeschool inhouden.

Als de Vlaamse Regering van plan is een deel van de werkingsuitkeringen in te houden, deelt zij dit mee aan het hogeschoolbestuur. Het hogeschoolbestuur heeft 30 dagen om zijn bezwaren tegen dit voornemen aan de Vlaamse Regering mee te delen. De Vlaamse Regering neemt na het verstrijken van de termijn van 30 dagen binnen 30 dagen een beslissing en deelt deze binnen 7 dagen aan het hogeschoolbestuur mee.

Het maximale bedrag dat de Vlaamse Regering kan inhouden, wordt berekend door het bedrag van de werkingsuitkeringen, zoals vastgesteld in de jaarrekening, te vermenigvuldigen met het verschil tussen het vastgestelde afwijkingspercentage en het getolereerde afwijkingspercentage, zoals bedoeld in het eerste lid.

De inhouding van de werkingsuitkering kan er niet toe leiden dat het aandeel in de enveloppe voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.

Hoofdstuk 5. Boekhouding van de universiteiten

Art. IV.34.

De universiteiten voeren betreffende alle voorzieningen van de instelling een algemene boekhouding door middel van een stelsel van boeken en rekeningen gevoerd met inachtneming van de gebruikelijke regels van het dubbel boekhouden en een aangepaste analytische boekhouding. De boekhouding omvat alle verrichtingen, bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook. De boekhouding wordt voorgelegd aan een bedrijfsrevisor.

De Vlaamse Regering legt het boekhoudschema vast.

Art. IV.35.

Indien een universiteit uitgaven heeft verricht die in strijd zijn met het bij of krachtens de wet of een decreet bepaalde, kan de Vlaamse Regering bepalen dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de toekomstige werkings- of investeringsuitkeringen. Zij doet hiervan binnen 3 jaar na ontvangst van de jaarrekening mededeling aan het universiteitsbestuur.

Indien een universiteit kennelijk nalaat een door de bevoegde overheid vastgestelde en via de commissaris van de Vlaamse Regering meegedeelde onwettige handeling of toestand recht te zetten binnen een redelijke termijn, dan kan de Vlaamse Regering bepalen dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de toekomstige werkings- of investeringskredieten of de toekomstige sociale toelage naar gelang het geval.

Indien een universiteit nalaat de gegevens voor het bepalen van het aantal financierbare studenten binnen de voorgeschreven termijn te bezorgen of indien een universiteit nalaat de jaarrekening en het jaarverslag binnen de voorgeschreven termijn te bezorgen aan de Vlaamse Regering, dan kan de Vlaamse Regering bepalen dat maandelijks een bedrag van ten hoogste 5% van de maandelijkse werkingsuitkering wordt ingehouden, zolang de nalatigheid voortduurt. De duur van de nalatigheid wordt berekend in maanden waarbij elke begonnen maand als een volledige maand wordt aangerekend.

De inhouding van een deel van de werkingsuitkering mag niet vertaald worden in een reductie van het personeelsbudget.

Als de Vlaamse Regering voornemens is om een bedrag van de werkingsuitkeringen in te houden, deelt zij dit mee aan het universiteitsbestuur, en verzoekt zij het universiteitsbestuur om een verantwoording. Het universiteitsbestuur antwoordt binnen 30 dagen.

Na het verstrijken van de termijn van 30 dagen neemt de Vlaamse Regering binnen 30 dagen een gemotiveerde beslissing en deelt hem binnen een termijn van 7 werkdagen aan het universiteitsbestuur mee.

Art. IV.36.

Indien het universiteitsbestuur ten onrechte een student als een financierbare eenheid heeft aangemerkt of aan een financierbare eenheid een onjuist puntengewicht heeft toegekend, wijzigt de Vlaamse Regering het aantal financieringspunten naar evenredigheid en brengt de daarop betrekking hebbende bedragen in mindering van de toekomstige werkingsuitkering.

Art. IV.37.

Inzake de salarissen van het onderwijzend, het wetenschappelijk, het academisch personeel, het administratief en het technisch personeel van de universiteiten, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen, als gevolg van onjuiste salarisvaststellingen door de bevoegde overheid of het universiteitsbestuur, definitief vervallen aan hen die ze ontvangen als de terugbetaling daarvan niet gevraagd werd binnen een termijn van 2 jaar te rekenen van de eerste januari van het jaar van de betaling, behoudens wanneer de onverschuldigde bedragen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen. In deze gevallen geldt een verjaringstermijn van 30 jaar.

Hoofdstuk 6. Boekhouding van de hogescholen

Art. IV.38.

De hogescholen voeren betreffende alle voorzieningen van de instelling een algemene boekhouding door middel van een stelsel van boeken en rekeningen met inachtneming van de gebruikelijke regels van het dubbel boekhouden en een aangepaste analytische boekhouding. De boekhouding omvat alle verrichtingen, bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook. De Vlaamse Regering legt een boekhoudkundig schema vast. De boekhouding wordt voorgelegd aan een bedrijfsrevisor. De bedrijfsrevisor kan rechtstreeks briefwisseling voeren met de commissaris van de Vlaamse Regering bij de hogeschool over de boekhouding en rekeningen van de hogeschool. Hij brengt het hogeschoolbestuur hiervan op de hoogte.

Art. IV.39.

§ 1. Indien het hogeschoolbestuur nalaat de jaarrekening en/of het jaarverslag tijdig in te dienen, dan kan de Vlaamse Regering bepalen ten hoogste 5% van het bedrag van de werkingsuitkeringen van het lopende begrotingsjaar, zoals bedoeld in artikel IV.26, in te houden.

De inhouding van de werkingsuitkeringen gebeurt naar rato van het aantal kalenderdagen van de nalatigheid. De inhouding wordt verrekend vanaf de betaling van de eerstvolgende schijf, volgend op de overschrijding van de indieningsdatum van de jaarrekening en/of het jaarverslag. De ingehouden bedragen worden op het einde van het begrotingsjaar samen met de uitbetaling van het saldo verdeeld over de andere hogescholen naar rato van hun relatief aandeel in de enveloppe. Deze maatregel kan er niet toe leiden dat het aandeel in de enveloppe voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.

§ 2. Als de Vlaamse Regering voornemens is om een bedrag van de werkingsuitkeringen in te houden, zoals bepaald in paragraaf 1, deelt zij dit mee aan het hogeschoolbestuur, en verzoekt zij het hogeschoolbestuur om een verantwoording. Het hogeschoolbestuur antwoordt binnen 30 dagen.

Na het verstrijken van de termijn van 30 dagen neemt de Vlaamse Regering binnen 30 dagen een gemotiveerde beslissing en deelt hem binnen een termijn van 7 werkdagen aan het hogeschoolbestuur mee.

Art. IV.40.

Als een hogeschool uitgaven heeft gedaan die in strijd zijn met het bij of krachtens de wet of het decreet bepaalde, kan de Vlaamse Regering de daarmee gemoeide bedragen in mindering brengen op de toekomstige werkingsuitkering. Zij deelt deze beslissing binnen 3 jaar na ontvangst van de jaarrekening mee aan het hogeschoolbestuur.

Art. IV.41.

Als het hogeschoolbestuur ten onrechte een student als financierbaar heeft beschouwd, of aan een financierbare student een onjuist puntengewicht heeft toegekend, wijzigt de Vlaamse Regering het aantal financieringspunten naar evenredigheid. Zij brengt de bedragen die daarop betrekking hebben in mindering op de toekomstige werkingsuitkering.

Art. IV.42.

Als het hogeschoolbestuur of de bevoegde overheid de salarissen van het onderwijzend personeel of van het administratief en technisch personeel verkeerd heeft vastgesteld, moet het de terugbetaling vragen binnen een termijn van 2 jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van betaling in de vorm zoals bepaald in artikel 16, §2, eerste lid, van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. Als de terugbetaling niet gevraagd wordt binnen de gestelde termijn, zijn de ten onrechte uitbetaalde bedragen definitief vervallen.

Te rekenen vanaf de vraag bedoeld in het eerste lid kan het onverschuldigde bedrag worden teruggevorderd gedurende de termijn die in artikel 16, §2, tweede lid, van vermelde wet is bepaald.

Hoofdstuk 7. Beleidsplan, meerjarenbegroting en jaarbegroting studentenvoorzieningen

Art. IV.43.

Het beleidsplan over studentenvoorzieningen geeft voor een periode van 5 jaar aan hoe de hogeschool of universiteit de doelstelling, vermeld in artikel II.337 zal nastreven en op welke manier ze daarvoor de sociale toelage van de overheid en andere roerende en onroerende middelen zal aanwenden.

Het beleidsplan wordt opgesteld conform de leidraad die de Vlaamse Regering ter beschikking stelt.

Het beleidsplan wordt samen met de meerjarenbegroting ingediend bij de Vlaamse Regering. Wijzigingen in het beleidsplan worden samen met de jaarlijkse begroting ingediend. [...]

Decr. 17-6-2016

Art. IV.44.

De jaarbegroting en de meerjarenbegroting met betrekking tot het beleid en het beheer van de studentenvoorzieningen vormen een afdeling binnen de jaar- en meerjarenbegroting van de instelling en worden opgesteld conform de bepalingen die gelden voor de jaarbegroting en de meerjarenbegroting van de instelling. De begrote resultatenrekening en de investeringsbegroting worden op analytisch niveau bezorgd. De algemene uitgaven worden op een aparte kostenplaats geboekt.

De jaarbegrotingen en de meerjarenbegroting bevatten naast een uitgebreide financiële toelichting een inhoudelijke toelichting, die aansluit bij de strategische doelstellingen van het beleidsplan.

Art. IV.45.

De jaarbegroting geeft per werkveld een overzicht van de financiële middelen die zullen worden ingezet voor de werking, het personeel, de investeringen en de infrastructuur betreffende studentenvoorzieningen.

Art. IV.46.

Onder voorbehoud van goedkeuring van de algemene uitgavenbegroting door het Vlaams Parlement, deelt de Vlaamse Regering ieder jaar vóór 1 oktober aan elke instelling de geraamde sociale toelage mee voor het volgend begrotingsjaar en de wijze waarop deze raming is berekend.

Art. IV.47.

Als de instelling betreffende studentenvoorzieningen aan alle decretale voorwaarden voldoet, wordt per kwartaal het voor dat jaar toe te kennen subsidiebedrag uitbetaald.

Hoofdstuk 8. Vermogensrechten op vindingen

Art. IV.48.

§ 1. De vermogensrechten op vindingen die, in het kader van hun onderzoekstaken, gedaan worden door bezoldigde personeelsleden, komen uitsluitend toe aan de universiteit of de hogeschool. De universiteit of de hogeschool verkrijgt eveneens de vermogensrechten op vindingen gedaan door vrijwillige onderzoekers die aan de universiteit of de hogeschool onderzoek verrichten voor zover deze overdracht van rechten in een schriftelijke overeenkomst met deze personen wordt bevestigd.

Onder vindingen wordt verstaan potentieel octrooieerbare uitvindingen, kweekproducten, tekeningen en modellen, topografieën van halfgeleiderproducten, computerprogramma's en databanken die, met het oog op een industriële of landbouwkundige toepassing voor commerciële doeleinden aanwendbaar zijn.

Onder bezoldigd personeelslid wordt verstaan :

1° een lid van het academisch of onderwijzend personeel;

2° een bursaal werkzaam binnen de universiteit of de hogeschool of een door de universiteit of de hogeschool bezoldigde wetenschappelijke medewerker, of

3° een beleidsondersteunend of technisch personeelslid van de universiteit of de hogeschool.

[De universiteit of de hogeschool kan bij intern reglement verder verduidelijken welke categorieën hieronder begrepen worden.]

In de gevallen bedoeld onder punt 1° en 2° van het vorige lid wordt geen rekening gehouden met aanwezigheid of afwezigheid van enige supervisie op het onderzoek, de aard van de tewerkstelling of de herkomst van de bezoldiging.

Onder vrijwillige onderzoeker wordt verstaan een persoon die van de universiteit of de hogeschool geen vergoeding ontvangt, dan wel een vergoeding die overeenkomstig de wetgeving op de sociale zekerheid geen aanleiding geeft tot enige bijdrageplicht.

§ 2. De onderzoeker heeft de plicht om zijn vinding voor elke andere vorm van bekendmaking aan te melden aan de binnen de universiteit of de hogeschool bevoegde dienst.

Met het oog op de bescherming van haar rechten kan de universiteit of de hogeschool op een redelijke wijze en gedurende een termijn van maximum 12 maanden, de vrijheid van openbaarmaking van de onderzoeker beperken.

§ 3. De universiteit of de hogeschool heeft het uitsluitend recht tot exploitatie van de vinding. Bij die exploitatie ziet de universiteit of de hogeschool er op toe dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid tot gebruik van de onderliggende onderzoeksresultaten voor doeleinden van onderwijs en onderzoek. Bij de exploitatie neemt zij tevens de mogelijke aantrekking van activiteiten naar de universiteit of de hogeschool of haar regio in overweging.

De onderzoeker heeft het recht om geïnformeerd te worden over de stappen die de universiteit of de hogeschool onderneemt met betrekking tot de juridische bescherming en exploitatie van zijn vinding.

De onderzoeker heeft het recht op een bij een intern reglement vastgesteld of overeengekomen billijk aandeel in de geldelijke opbrengsten die de universiteit of de hogeschool verwerft uit de exploitatie van de vinding.

§ 4. De universiteit of de hogeschool kan haar rechten op vindingen op een algemene of individuele basis overdragen aan de onderzoeker doch zij behoudt steeds een onvervreemdbaar, niet-exclusief en kosteloos recht tot gebruik ervan voor onderwijskundige of wetenschappelijke doeleinden. De universiteit of de hogeschool kan eveneens een aandeel bedingen in de opbrengsten die de onderzoeker uit de exploitatie van die rechten verwerft.

Met behoud van de toepassing van paragraaf 5, beschikt de onderzoeker over de mogelijkheid om de rechten op zijn vinding op te eisen indien de universiteit of de hogeschool, zonder geldige reden, nalaat de vinding binnen een redelijke termijn en uiterlijk binnen de 3 jaar na de datum van aanmelding bedoeld in paragraaf 2 te exploiteren.

§ 5. Indien voor het verwerven van een bescherming van de vinding, formaliteiten moeten vervuld worden of termijnen moeten nageleefd worden en de universiteit of de hogeschool nalaat daartoe de nodige stappen te zetten binnen een termijn van 6 maanden te rekenen vanaf de aanmelding, komen, behoudens andersluidende afspraken tussen de onderzoeker en de universiteit of de hogeschool, de rechten op de vinding, met inbegrip van de exploitatierechten, toe aan de onderzoeker, met behoud van de toepassing van het in paragraaf 4 omschreven wetenschappelijk gebruiks- en vergoedingsrecht van de universiteit of de hogeschool.

Indien de universiteit of de hogeschool tijdig de vereiste formaliteiten vervult, streeft zij nadien een geografische bescherming en exploitatie van de vinding na. In voorkomend geval deelt zij uiterlijk 2 maanden voor het verstrijken van het Unionistisch recht van voorrang (Verdrag van Parijs) schriftelijk aan de onderzoeker mee voor welke landen bescherming wordt gevraagd. In de overblijvende landen verkrijgt de onderzoeker onmiddellijk het recht om zelf bescherming aan te vragen alsook om, overeenkomstig de gemaakte afspraken tussen de universiteit of de hogeschool en de onderzoeker, de vinding te exploiteren.

§ 6. Het universiteits- of hogeschoolbestuur stelt een intern reglement vast waarin de concrete modaliteiten voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel nader worden uitgewerkt. Het universiteits- of hogeschoolbestuur houdt hierbij rekening met de bij of krachtens de wet, het decreet of de Europese regelgeving vastgestelde voorwaarden met betrekking tot de eigendom en exploitatie van intellectuele eigendomsrechten.

§ 7. Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid dat de universiteit of de hogeschool onderzoeksovereenkomsten en dienstverleningscontracten met derden sluit overeenkomstig de bepalingen in titel 2, hoofdstuk 2, 3, 4 en 5.

§ 8. De in dit artikel omschreven rechten en plichten van de universiteit of de hogeschool kunnen op algemene of individuele basis worden toegekend aan :

1° op grond van het algemeen onderzoeks- en samenwerkingsreglement van de associatie :

a) de associatie, of

b) een dienst zonder rechtspersoonlijkheid onder het gezag van de associatie, of

c) een dienst met rechtspersoonlijkheid onder het toezicht van de associatie;

2° op grond van een beslissing van het universiteits- of hogeschoolbestuur :

a) een dienst zonder rechtspersoonlijkheid onder het gezag van de universiteit of de hogeschool, of

b) een dienst met rechtspersoonlijkheid onder het toezicht van de universiteit of de hogeschool.

§ 9. De Vlaamse Regering kan het toepassingsgebied van dit artikel uitbreiden tot andere instellingen voor wetenschappelijk onderzoek.

Decr. 17-6-2016

Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen betreffende investeringen aan hogescholen

Art. IV.49.

Bij de oprichting van een publiekrechtelijke hogeschool waarbij gesubsidieerde hogescholen betrokken zijn, kunnen de gebouwen waarin voorheen hoger onderwijs werd verstrekt van het gesubsidieerd onderwijs geheel of gedeeltelijk naar de nieuwe publiekrechtelijke hogeschool worden overgedragen. Dit kan gebeuren, al dan niet in volle eigendom, door gebruik te maken van 1 van de bestaande rechtsfiguren van het burgerlijk recht.

Indien voor het bedoelde gebouw of voor het gedeelte ervan de AGIOn een subsidie heeft verleend, treedt de nieuwe publiekrechtelijke hogeschool ten aanzien van de AGIOn in de rechten en verplichtingen van de vroegere inrichtende overheid, op voorwaarde dat deze publiekrechtelijke hogeschool eigenaar wordt van het gebouw of het zakelijk recht overneemt van de vroegere inrichtende macht of het zakelijk recht verwerft op het gebouw met een duur gelijk aan de resterende termijn van het zakelijk recht dat de vroegere inrichtende overheid bezit.

Indien 1 van de hiervoor bedoelde voorwaarden niet wordt vervuld en er hoger onderwijs wordt verstrekt in dit gebouw, blijft de vroegere inrichtende overheid verantwoordelijk ten opzichte van de AGIOn. In dit geval dient artikel 19, §2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving niet te worden toegepast.

Art. IV.50.

Bij fusies of overnamen in het gesubsidieerd onderwijs zonder dat hierbij wordt overgegaan tot de oprichting van een publiekrechtelijke hogeschool, kunnen de gebouwen waarin het hoger onderwijs werd verstrekt geheel of gedeeltelijk worden overgedragen. Dit kan gebeuren al dan niet in volle eigendom, door gebruik te maken van 1 van de bestaande rechtsfiguren van het burgerlijk recht.

Indien voor het bedoelde gebouw of voor het gedeelte ervan de AGIOn een subsidie heeft verleend, treedt de nieuwe gesubsidieerde hogeschool ten aanzien van de AGIOn in de rechten en verplichtingen van de vroegere inrichtende overheid, op voorwaarde dat deze gesubsidieerde hogeschool eigenaar wordt van het gebouw of het zakelijk recht overneemt van de vroegere inrichtende overheid of een zakelijk recht verwerft op het gebouw met een duur gelijk aan de resterende termijn van het zakelijk recht dat de vroegere inrichtende overheid bezit.

Indien 1 van de hiervoor bedoelde voorwaarden niet wordt vervuld en er hoger onderwijs wordt verstrekt in dit gebouw, blijft de vroegere inrichtende overheid verantwoordelijk ten opzichte van de AGIOn. In dit geval dient artikel 19, §2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving niet toegepast te worden.

Art. IV.51.

Indien ten gevolge van de herstructurering van inrichtende overheden en instellingen van het gesubsidieerd hoger onderwijs gebouwen, waarvoor de AGIOn een tegemoetkoming heeft verleend, niet langer gebruikt worden voor het hoger onderwijs, kan de verantwoordelijke inrichtende overheid deze gebouwen gebruiken voor haar eigen niet-hoger onderwijs ofwel overdragen aan of ter beschikking stellen van inrichtende overheden die onderwijs van een ander niveau organiseren.

Als hierbij de eigendom of het zakelijk recht dat noodzakelijk was om in aanmerking te komen voor een subsidie van de AGIOn overgaat naar de verkrijgende inrichtende overheid of deze een zakelijk recht verwerft op het gebouw met een duur gelijk aan de resterende termijn van het zakelijk recht dat de vroegere inrichtende overheid bezit, treedt deze laatste in de rechten en verplichtingen ten opzichte van de AGIOn. In dit geval dient artikel 19, §2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving niet toegepast te worden.

Als de eigendom of het hiervoor vermelde zakelijk recht niet wordt overgedragen of gevestigd en het gebouw verder voor onderwijsdoeleinden wordt gebruikt, dient het hiervoor vermelde artikel 19, §2 evenmin te worden toegepast. De oorspronkelijke inrichtende macht blijft wel verantwoordelijk ten opzichte van de AGIOn voor de naleving van de verplichtingen die werden aangegaan bij de toekenning van de subsidie.

Art. IV.52.

De uitvoering van de verbintenissen die door DIGO voor 1 september 1995 werden aangegaan voor onroerende investeringen van gesubsidieerde hogescholen die toetreden tot een publiekrechtelijke hogeschool, blijft ten laste van de dotatie van de AGIOn.

Alle na 1 januari 1996 aangegane verbintenissen die een verhoging betekenen van de in het vorig lid bedoelde verbintenissen komen ten laste van de middelen toegekend aan AGIOn.

Hoofdstuk 10. Overgangsbepalingen betreffende de studentenvoorzieningen

Art. IV.53.

Het nettoactief van de vzw studentenvoorzieningen van de hogeschool wordt bij de ontbinding of de fusie toegewezen aan het eigen vermogen van de hogescholen en geboekt in een fonds dat bestemd is voor de werking van de studentenvoorziening. Dat bestemd fonds en de opbrengsten ervan, kunnen alleen aangewend worden voor doeleinden van de studentenvoorzieningen.

De regeling, vermeld in het eerste lid, is ook van toepassing op onroerende goederen die de vzw's studentenvoorzieningen in erfpacht hebben op het moment van de ontbinding en waarvan die erfpacht vooraf betaald is. In dat geval wordt de resterende boekwaarde in het nettoactief ondergebracht bij de ontbinding en vereffening en integraal toegewezen aan het fonds dat bestemd is voor de werking van de studentenvoorzieningen.

Als er onroerende goederen deel uitmaken van het nettoactief van de vzw studentenvoorzieningen van de hogeschool, worden die tegen boekwaarde ingebracht in het fonds, vermeld in het eerste lid. Als er een lening is aangegaan, neemt de hogeschool die over en wordt de nettoboekwaarde voor de inbreng in het fonds verminderd met de nog af te lossen leninglast. Indien de betreffende lening door de hogeschool verder wordt afgelost met middelen vanuit de sociale toelage wordt het bestemd fonds vermeld in het eerste lid, overeenkomstig verhoogd.

Art. IV.54.

Als de hogeschool het ingebrachte patrimonium verkoopt, zal de meerwaarde die voortvloeit uit het verschil tussen de verkoopwaarde en de boekwaarde, vermeld in artikel IV.53, derde lid, toekomen aan de werking voor studentenvoorzieningen.

TITEL 2. Deelname in rechtspersonen en dienstverlening

Hoofdstuk 1. Algemeen

Art. IV.55.

§ 1. Hogescholen en universiteiten kunnen op grond van een formele beslissing van het instellingsbestuur deelnemen in volgende rechtspersonen :

1° de spin-off bedrijven en spin-offondersteunende bedrijven, bedoeld in hoofdstuk 2 en 3;

2° de in artikel II.12, 2° bedoelde voor valorisatie bevoegde dienst;

3° de instanties bedoeld in artikel II.12, 3°, a) en IV.48, §8;

4° de rechtspersonen zonder winstoogmerk die het beheer of de coördinatie van sociale voorzieningen tot doel hebben;

5° de rechtspersonen zonder winstoogmerk met een maatschappelijk doel gericht op onderzoek, de organisatie of coördinatie van contractonderwijs, sociaal-culturele dienstverlening of de organisatie of coördinatie van administratieve diensten of dienstverlening;

6° de rechtspersonen met als maatschappelijk doel het verwerven of beheren van gebouwen en infrastructuur bestemd voor onderwijs, onderzoek, wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening, verblijven van studenten, onderzoekers en gastprofessoren of voor de valorisatie van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek.

De bepalingen van het eerste lid doen geen afbreuk aan :

1° de bepalingen van deel 2, titel 1, hoofdstuk 2;

2° de mogelijkheid om effecten aan te houden in de zin van artikel 2 van de wet van 22 april 2003 betreffende de openbare aanbiedingen van effecten.

§ 2. Instellingsbesturen kunnen een personeelslid met zijn instemming belasten met een taak bij de in paragraaf 1, eerste lid bedoelde rechtspersonen.

Het betrokken personeelslid blijft gedurende de opdracht juridisch en administratief behoren tot de terbeschikkingstellende hogeschool of universiteit.

§ 3. Aan een in paragraaf 1, eerste lid bedoelde rechtspersoon kan een gebruiksrecht worden toegekend op lokalen, infrastructuur, diensten of personeel van de hogeschool of de universiteit. Dit gebruiksrecht moet het voorwerp uitmaken van een overeenkomst tussen het instellingsbestuur en de rechtspersoon.

Het in het eerste lid bedoelde gebruiksrecht kan niet in een rechtspersoon worden ingebracht.

§ 4. De in paragraaf 1, eerste lid bedoelde rechtspersonen leggen de jaarrekeningen en jaarverslagen ter kennisgeving aan het instellingsbestuur voor. Deze verplichting doet geen afbreuk aan eventuele bijkomende of zwaardere rapporteringsverplichtingen die door bijzondere regelgeving of op grond van een overeenkomst worden opgelegd.

§ 5. Indien de rechtspersonen waarin hogescholen en universiteiten deelnemen, niet voldoen aan de bij of krachtens decreet gestelde voorwaarden :

1° ontzegt het instellingsbestuur aan deze rechtspersoon elk gebruik van lokalen, infrastructuur, diensten en personeel, en

2° neemt het instellingsbestuur de nodige maatregelen opdat de hogeschool of de universiteit zich uit de rechtspersoon terugtrekt, behoudens indien de onregelmatigheid onverwijld kan worden rechtgezet.

§ 6. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder "deelnemen" verstaan :

1° een rechtspersoon oprichten, of

2° een participatie in een rechtspersoon verwerven of houden, of

3° zich in een rechtspersoon laten vertegenwoordigen.

Hoofdstuk 2. Deelname in spin-off bedrijven

Art. IV.56.

Onder spin-off bedrijven moeten, voor de toepassing van deze titel, worden verstaan ondernemingen met rechtspersoonlijkheid overeenkomstig de wetten op de handelsvennootschappen waarvan de bedrijfsactiviteit gericht is op de valorisatie van de wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of [praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek], technologie of administratieve of logistieke innovaties van de universiteit of hogeschool, en waar de universiteit of hogeschool aan deelneemt.

Een spin-offbedrijf neemt de vorm aan van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.

Decr. 19-6-2015

Art. IV.57.

Onder deelnemen moet, voor de toepassing van deze titel, verstaan worden de rechtstreekse inbreng van de universiteit of hogeschool in die spin-off bedrijven als vennoot van immateriële activa of van financiële middelen.

Art. IV.58.

Het Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring, zoals vermeld in [titel IV, hoofdstuk VI, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie van het wetenschaps- en innovatiebeleid] stelt jaarlijks een lijst vast van de spin-offbedrijven, zoals bedoeld in artikel IV.56.

De universiteiten en hogescholen leveren de daartoe nodige en nuttige gegevens aan, onder de voorwaarden als bepaald door de Vlaamse Regering.

Decr. 19-6-2015

Art. IV.59.

§ 1. Rechtstreekse financiële inbreng door de universiteit of de hogeschool is slechts mogelijk wanneer de wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of [praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek], technologie of administratieve of logistieke innovaties waarvan de terbeschikkingstelling de basis vormt voor de oprichting van, of de deelname aan een spin-off bedrijf, op een billijke wijze door het spin-off bedrijf of door andere deelnemende vennoten aan de deelnemende universiteit of hogeschool wordt vergoed. De vergoeding wordt bepaald in gemeen overleg tussen de universiteit of hogeschool en de andere deelnemende vennoten.

De valorisatie van deze wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of [praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek], technologie of administratieve of logistieke innovaties kan eveneens gebeuren door de inbreng van de waarde ervan, geheel of gedeeltelijk, als immateriële activa in het spin-off bedrijf. In ruil voor deze immateriële inbreng en naargelang van de vorm ervan, kan de universiteit of hogeschool hetzij aandelen of winstbewijzen verkrijgen, met of zonder stemrecht. Desgevallend kunnen aan de universiteit of hogeschool obligaties worden toegekend.

§ 2. Het gebruik van infrastructuur, personeel of lokalen van de universiteit of hogeschool kan nooit als inbreng in een spin-off bedrijf beschouwd worden, maar dient steeds het voorwerp van een overeenkomst tussen het bedrijf en de universiteit of hogeschool te zijn. De vergoeding die het bedrijf hiervoor betaalt, moet minstens kostendekkend zijn voor de universiteit of de hogeschool.

Decr. 19-6-2015

Art. IV.60.

De financiële inbreng mag niet ten laste komen van middelen, die door de overheid rechtstreeks of onrechtstreeks aan de universiteit of hogeschool worden verstrekt.

Art. IV.61.

Indien de universiteit of hogeschool in ruil voor haar rechtstreekse inbreng aandelen in het spin-off bedrijf ontvangt mogen deze op geen enkel ogenblik een meerderheid van de maatschappelijke aandelen uitmaken en mag de universiteit of hogeschool in ruil voor haar rechtstreekse inbreng nimmer een meerderheid van de stemrechten verwerven.

Voor het bepalen van de positie van meerderheidsaandeelhouder moeten ook de door de universiteit of hogeschool verleende achtergestelde en converteerbare leningen in aanmerking worden genomen.

Art. IV.62.

De universiteit of hogeschool kan zich nooit tot meer verbinden dan haar inbreng en neemt inzonderheid ter zake van oprichtersaansprakelijkheid, daartoe alle nodige maatregelen.

Art. IV.63.

Het universiteits- of hogeschoolbestuur kan 1 of meer van haar bestuurders of personeelsleden aanwijzen om namens de universiteit of hogeschool zitting te hebben in de raad van bestuur van het spin-off bedrijf, op voorwaarde dat voor de betrokken persoon of personen een verzekeringspolis tot dekking van hun bestuurdersaansprakelijkheid wordt gesloten.

Art. IV.64.

De maatschappelijke zetel van het spin-off bedrijf mag niet gevestigd zijn in de lokalen die aan de universiteit of hogeschool toebehoren, indien deze lokalen door de instelling ook gebruikt worden voor onderwijs, onderzoek, sociaal-culturele voorzieningen of administratie.

Art. IV.65.

§ 1. Iedere deelname in een spin-off bedrijf dient te worden goedgekeurd door het universiteits- of hogeschoolbestuur. Bij deze goedkeuring dient het universiteits- of hogeschoolbestuur zich uitdrukkelijk akkoord te verklaren met :

1° de oprichtingsakte van de vennootschap;

2° het businessplan waaruit blijkt hoe de ingebrachte wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of [praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek], technologie of administratieve of logistieke innovaties gevaloriseerd zullen worden;

3° de waarde van de wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of [praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek], technologie of administratieve of logistieke innovaties;

4° in voorkomend geval de grootte van de financiële inbreng;

5° in voorkomend geval het ontwerp van overeenkomst tussen het spin-off bedrijf en de universiteit of hogeschool voor het gebruik van lokalen, infrastructuur, diensten of personeel.

§ 2. Het universiteits- of hogeschoolbestuur kan in een reglement bijkomende voorwaarden vastleggen voor het nemen van participaties in een spin-off bedrijf.

§ 3. Het universiteits- of hogeschoolbestuur beslist over de bestemming van de opbrengsten van de participatie.

Decr. 19-6-2015

Art. IV.66.

§ 1. Jaarlijks dienen de balans en de winst- en verliesrekening van het spin-off bedrijf ter kennisgeving aan het universiteits- of hogeschoolbestuur te worden voorgelegd.

§ 2. Ten minste om de 5 jaar dient het universiteits- of hogeschoolbestuur een evaluatie te maken over de participatie in het spin-off bedrijf.

Hoofdstuk 3. Deelname in spin-offondersteunende bedrijven

Art. IV.67.

§ 1. Een universiteit of hogeschool kan als rechtspersoon slechts deelnemen in de in paragraaf 2, 3 en 4 bedoelde spin-offondersteunende bedrijven op grond van een formele beslissing van het universiteits- of hogeschoolbestuur en met inachtname van het beoordelingskader bedoeld in artikel II.12, 5°, a).

Zo de universiteit of hogeschool niet behoort tot een associatie, wordt de formele beslissing van het universiteits- of hogeschoolbestuur genomen op grond van een intern reglement, dat vertrekt vanuit het gegeven dat dergelijke deelname slechts aangewezen is indien de vooropgestelde doelstellingen niet even efficiënt en effectief nagestreefd kunnen worden door de instelling zelf of door middel van een overeenkomst.

§ 2. De universiteiten of hogescholen kunnen deelnemen in vennootschappen die als maatschappelijk doel de uitbouw, de uitbating en het beheer van incubatie- en innovatiecentra of van researchparken hebben. De artikelen IV.58, IV.60 tot IV.65 en IV.66, §1, zijn eveneens van toepassing voor de deelname in de vennootschappen zoals bedoeld in deze paragraaf.

§ 3. De universiteiten of hogescholen kunnen deelnemen in vennootschappen die als maatschappelijk doel hebben kapitaal, financiële know how of management know how ter beschikking te stellen van spin-off bedrijven zoals bedoeld in hoofdstuk 2. De artikelen IV.58, IV.60 tot IV.64 en IV.65, behoudens de bepalingen inzake wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of [praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek], technologie of administratieve of logistieke innovaties ontwikkeld aan de universiteit of hogeschool, en artikel IV.66 zijn eveneens van toepassing op de deelname in vennootschappen zoals bedoeld in deze paragraaf.

§ 4. De universiteiten of hogescholen kunnen deelnemen in vennootschappen die een afsplitsing zijn, met het oog op industriële of commerciële exploitatie, van de bedrijfsactiviteiten die binnen de universiteiten of hogescholen werden ontwikkeld. De artikelen IV.58, IV.60, IV.62 tot IV.64 en IV.65, behoudens de bepalingen inzake wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of [praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek], technologie of administratieve of logistieke innovaties ontwikkeld aan de universiteit of aan de hogeschool, en artikel IV.66 zijn eveneens van toepassing op de deelname in vennootschappen zoals bedoeld in deze paragraaf.

§ 5. Spin-offondersteunende bedrijven nemen de vorm aan van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.

Decr. 19-6-2015

Art. IV.68.

Het Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring, [vermeld in titel IV, hoofdstuk VI, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie van het wetenschaps- en innovatiebeleid] stelt jaarlijks een lijst vast van de spin-offondersteunende bedrijven.

De universiteiten en hogescholen leveren de daartoe nodige en nuttige gegevens aan, onder de voorwaarden als bepaald door de Vlaamse Regering.

Decr. 19-6-2015

Art. IV.69.

Spin-offondersteunende bedrijven die voor de uitvoering van hun activiteiten geheel of gedeeltelijk gebruik wensen te maken van lokalen, infrastructuur, diensten of personeel van de universiteit of hogeschool dienen hiervoor vooraf toestemming verkregen te hebben van het universiteits- of hogeschoolbestuur.

Art. IV.70.

De universiteits- en hogescholenbesturen stellen ter uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk een intern reglement op.

Hoofdstuk 4. Wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen

Art. IV.71.

Onder de wetenschappelijke of de maatschappelijke dienstverlening wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan alle prestaties ten behoeve van derden, tegen vergoeding geleverd door diensten van een universiteit of een hogeschool of hieraan verbonden personen in uitoefening van hun opdracht aan de universiteit of hogeschool en die voortvloeien uit aan de universiteit of hogeschool aanwezige kennis, resultaten van wetenschappelijk of [praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek] of technologie.

Decr. 19-6-2015

Art. IV.72.

Er mogen geen overeenkomsten van wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening afgesloten worden zonder voorafgaande toestemming van het universiteits- of hogeschoolbestuur.

Art. IV.73.

De kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de uitvoering van de overeenkomsten van wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening ingevolge het gebruik van lokalen, infrastructuur, diensten of personeel van de universiteit of de hogeschool en die door deze instelling eenduidig bepaald of gemeten kunnen worden, komen volledig voor rekening van de opdrachtgever.

Indien de universiteit of hogeschool personeel aanwerft voor de uitvoering van de overeenkomst, vallen de betrokken personeelsleden onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Art. IV.74.

Ingeval de overeenkomst onderzoek betreft, dient zij voor de betrokken onderzoekers of instelling de voorwaarden te bepalen van het recht op publicatie, van het gebruik van resultaten in colleges of wetenschappelijke bijeenkomsten en van de valorisatie van het onderzoek.

Hierbij kan bepaald worden dat publicatie, gebruik of mededeling gedurende een redelijke termijn worden uitgesteld, om een partij de mogelijkheid te geven de resultaten van de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening te valoriseren.

Art. IV.75.

Indien de prestaties kunnen leiden tot het nemen van octrooien, licenties of het vestigen van andere intellectuele rechten, moet reeds bij het afsluiten van het contract tussen de universiteit of hogeschool en opdrachtgever in een regeling worden voorzien die een billijke return verzekert voor de universiteit of hogeschool. Deze return kan niet alleen de vorm aannemen van een reële en billijke financiële vergoeding, maar ook van het gedeelde eigendomsrecht van de onderzoeksresultaten, zonder evenwel afbreuk te doen aan het geldende auteursrecht.

Art. IV.76.

De overeenkomsten die onderzoek betreffen mogen geen verbintenis inhouden die het resultaat van het wetenschappelijk of [praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek] betreft.

Decr. 19-6-2015

Art. IV.77.

De universiteiten of hogescholen stellen een intern reglement op dat het afsluiten, het beheer en de uitvoering van de dienstverleningscontracten regelt, en dat bepaalt op welke wijze de inkomsten van de overeenkomsten, na aftrek van alle kosten, binnen de universiteit of hogeschool bestemd worden.

De overeenkomsten dienen, behoudens ingeval van een overeenkomst met een overheid waarbij een voorafname door een regelgeving, een besluit of de overeenkomst zelf is uitgesloten, in een voorafname van ten minste 10% te voorzien op de middelen die door de contractanten ter uitvoering van de overeenkomst besteed zullen worden, exclusief de voorafname zelf. Het bedrag overeenkomend met deze voorafname moet expliciet in de overeenkomsten vermeld worden onder een rubriek "centrale beheerskosten en algemene exploitatiekosten". Het wordt door de universiteit of hogeschool voorafgenomen als minimum vergoeding voor de terbeschikkingstelling van haar algemene infrastructuur en diensten en voor kosten die voortvloeien uit de uitvoering van de overeenkomsten maar niet eenduidig door de universiteiten of hogeschool bepaald of gemeten kunnen worden.

Het intern reglement kan tevens voorzien in de mogelijkheid tot uitkering van een persoonlijke vergoeding aan de personeelsleden van de universiteit of hogeschool die het dienstverleningscontract hebben uitgevoerd. Het totaal bedrag van deze vergoeding bedraagt hoogstens de helft van de in het eerste lid bedoelde inkomsten. Deze vergoedingen kunnen uitbetaald worden voor wetenschappelijke dienstverleningen uitgevoerd vanaf 1 oktober 1993.

[...]

Decr. 25-4-2014

TITEL 3. Verantwoording

Hoofdstuk 1. Aanleveren van gegevens, jaarrekening en jaarverslag

Afdeling 1. Associaties

Art. IV.79.

De statuten en de ledenlijst van de associatie, evenals elke wijziging daarvan, worden onverwijld aan de Vlaamse Regering bezorgd.

Art. IV.80.

De associaties voeren betreffende alle voorzieningen van de associatie een algemene boekhouding door middel van een stelsel van boeken en rekeningen gevoerd met inachtneming van de gebruikelijke regels van het dubbel boekhouden en een aangepaste analytische boekhouding. Deze boekhouding omvat alle verrichtingen, bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook. De boekhouding wordt voorgelegd aan een bedrijfsrevisor. De Vlaamse Regering legt het boekhoudschema van de associaties vast.

Afdeling 2. Universiteiten en hogescholen

Art. IV.81.

Indien een hogeschool of universiteit nalaat de gegevens die vereist zijn voor de berekening van de financiering tijdig aan te leveren, dan worden de sancties zoals vastgelegd in artikel IV.35, derde, vierde, vijfde en zesde lid, toegepast op de desbetreffende hogeschool of universiteit.

Art. IV.82.

Behoudens in geval van fraude geven wijzigingen van de verstrekte gegevens geen aanleiding tot een retroactieve herziening van de hoogte van de financiering.

Art. IV.83.

§ 1. [Het instellingsbestuur dient elk jaar bij de Vlaamse Regering een jaarrekening in waarin het rekenschap aflegt over het financiële beheer van de instelling.

Voor de indiening van de jaarrekeningen geldt het volgende tijdsschema :

1° een prefiguratie van de jaarrekening die betrekking heeft op het lopende begrotingsjaar t, opgemaakt volgens het ESR-schema, wordt ingediend bij de Vlaamse Regering vóór 15 november van het begrotingsjaar t;

2° een update van de prefiguratie van de jaarrekening die betrekking heeft op het begrotingsjaar t, opgemaakt volgens het ESR-schema, wordt ingediend bij de Vlaamse Regering vóór 15 februari van het begrotingsjaar t+1;

3° een prefiguratie van de jaarrekening die betrekking heeft op het begrotingsjaar t, opgemaakt volgens het ESR-schema en voorgelegd aan de bedrijfsrevisor, wordt ingediend bij de Vlaamse Regering vóór 30 maart van het begrotingsjaar t+1;

4° de definitieve jaarrekening die betrekking heeft op het begrotingsjaar t en opgemaakt conform de voorschriften van de Vlaamse Regering, vermeld in paragraaf 2 van dit artikel, wordt ingediend bij de Vlaamse Regering vóór 15 april van het begrotingsjaar t+1.

Onder ESR-schema wordt begrepen het schema van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie, in navolging van de verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap.

De definitieve jaarrekening gaat vergezeld van een door het instellingsbestuur opgesteld jaarverslag ten aanzien van alle voorzieningen van de instelling. De jaarrekening en het jaarverslag zijn openbare documenten.]

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de voorschriften betreffende de inhoud en het opstellen van de jaarrekening en het jaarverslag.

In het jaarverslag rapporteren de hogescholen mede over :

1° de besteding van de academiseringsmiddelen, vermeld in artikel III.37, §1. Zij nemen ook een jaarlijkse evaluatie op van de vooropgestelde planning;

2° de besteding van de middelen voor de versteviging van de onderzoeksbetrokkenheid van de academisch gerichte opleidingen, vermeld in artikel III.40;

3° de besteding van de middelen voor het praktijkgericht wetenschappelijke onderzoek, vermeld in artikel III.44.

In het jaarverslag rapporteren de hogescholen en de universiteiten mede over :

1° het aanbieden van flexibele studietrajecten en de keuze- en studievoortgangsbegeleiding van studenten, zoals vermeld in artikel IV.84;

2° de voortgang van de uitvoering van de beheersovereenkomsten, vermeld in artikel III.61, en over de realisaties in het betreffende jaar;

3° de besteding van de aanvullende onderzoeksmiddelen, vermeld in artikel III.38.

Bij de universiteiten omvat het jaarverslag tevens een overzicht van het personeelsbestand dat geheel of gedeeltelijk bezoldigd wordt met overheidsgeld en van het vermogensbestand dat bij middel van bijdragen van de Vlaamse Gemeenschap werd bekomen. De universiteiten rapporteren ook over de evolutie van het aantal leden van het zelfstandig academisch personeel in relatie tot de bijkomende middelen VOWun2014ZAP en VOZunZAP, vermeld in artikel III.5, §13. Ze rapporteren daarbij ook over het gevoerde diversiteitsbeleid en over de resultaten en effecten hiervan, ten aanzien van deze personeelsleden.

§ 3. De rekening van het universitair ziekenhuis dat deel uitmaakt van de rechtspersoon van de universiteit wordt als bijlage gevoegd bij de jaarrekening. Een overzicht van de geldstromen tussen het universitair ziekenhuis en de rest van de universiteit, en voor wat de Universiteit Gent betreft tussen het Universitair Ziekenhuis Gent en de Universiteit Gent, wordt eveneens als bijlage bij de jaarrekening gevoegd.

§ 4. De jaarrekening wordt goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Zij deelt de jaarrekening en haar bijlagen en het jaarverslag mee aan het Vlaams Parlement.

Decr. 8-7-2016

Art. IV.84.

Het instellingsbestuur rapporteert over het beleid omtrent het aanbieden van flexibele studietrajecten en de keuze- en studievoortgangbegeleiding van studenten in het jaarverslag vermeld in artikel IV.83.

Art. IV.85.

De saldi van de verschillende onderdelen van de jaarrekening worden overgedragen naar het volgende begrotingsjaar. Het saldo van de werkingsuitkeringen, beschikbaar op het einde van het begrotingsjaar, behoudt de bestemming bepaald in artikel III.2.

Art. IV.86.

De instelling legt ieder jaar verantwoording af over de organisatie en het beheer betreffende studentenvoorzieningen en de besteding van de sociale toelage en eventueel van andere roerende en onroerende middelen via een jaarverslag, dat opgesteld wordt door de stuvoraad. Dat jaarverslag bestaat uit een inhoudelijk en een financieel gedeelte.

Art. IV.87.

Het inhoudelijk deel vormt een onderdeel van het algemene jaarverslag dat het instellingsbestuur moet indienen overeenkomstig artikel IV.83, §1. Het geeft een overzicht van de activiteiten die gedurende het jaar ontplooid zijn om de doelstellingen betreffende studentenvoorzieningen na te streven.

Het financiële deel vormt een duidelijk herkenbaar onderdeel van de jaarrekening die het instellingsbestuur moet indienen overeenkomstig artikel IV.83, §1. Het bestaat tenminste uit een resultatenrekening, een overzicht van de gerealiseerde investeringen en een overzicht van de financiële middelen die ingezet zijn per werkveld. Het financiële deel wordt opgesteld krachtens de regels die gelden voor de jaarrekening.

Art. IV.88.

[...]

Het jaarverslag, vermeld in artikel II.375, eerste lid, 6°, vormt een onderdeel van het jaarverslag dat het instellingsbestuur moet indienen overeenkomstig artikel IV.83.

[...]

Decr. 17-6-2016

Art. IV.89.

Het instellingsbestuur geeft rekenschap van zijn beleid inzake het gebruik van een andere onderwijstaal dan het Nederlands in het jaarverslag dat het jaarlijks, conform artikel IV.83, aan de Vlaamse Regering moet bezorgen. De Vlaamse Regering rapporteert daarover jaarlijks aan het Vlaams Parlement.

Hoofdstuk 2. Databank Hoger Onderwijs

Art. IV.90.

De Vlaamse Regering organiseert een Databank Hoger Onderwijs, gericht op het verzamelen en verwerken van gegevens, of het coördineren van gegevensstromen, met het oog op ten minste volgende doelstellingen :

1° het opvolgen van studieloopbanen;

2° de implementatie deel 2, titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 3, artikel III.1, eerste lid en III.2, deel 3, titel 1, hoofdstuk 1, afdeling 2, 3 en 4, deel 3, titel 1, hoofdstuk 2, afdeling 2, artikel III.45, deel 3, titel 1, hoofdstuk 2, afdeling 6, 8, 9 en 10, deel 3, titel 2, hoofdstuk 2 en 5, deel III, titel 3, hoofdstuk 3, deel 3, titel 4, artikel IV.81, IV.82, IV.83, IV.85 en IV.122 van deze codificatie;

3° het verzamelen van statistisch materiaal;

4° de voorbereiding, monitoring en evaluatie van het overheidsbeleid.

De Vlaamse Regering kan deze doelstellingen verfijnen en aanvullende doelstellingen bepalen.

Art. IV.91.

§ 1. De Vlaamse overheid staat in voor de verzameling en het beheer van de gegevens bedoeld in artikel IV.90 en doet dit in nauw partnerschap met de hogescholen en universiteiten. Daartoe wordt een stuurgroep opgericht die paritair samengesteld is uit gemandateerde vertegenwoordigers van de overheid en van de hogeronderwijsinstellingen. De Vlaamse Regering benoemt de leden van de stuurgroep, die zijn voorgedragen door de VLUHR en het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming. Deze stuurgroep stuurt werkgroepen aan, die actief zijn rond het verzamelen en beheren van de data, de kwaliteit van de processen van de dataverzameling aan de instellingen en bij de overheid en het begeleiden van de financieringsberekening op basis van deze data. De stuurgroep rapporteert jaarlijks aan een breder samengestelde commissie, waarin ten minste de Vlaamse overheid, de hogeronderwijsinstellingen, de representatieve vakorganisaties, de erkende studentenkoepelverenigingen en het Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitor vertegenwoordigd zijn. Die commissie keurt de jaarplanning goed en kan adviezen formuleren met betrekking tot dit proces en de resultaten ervan.

§ 2. De stuurgroep stelt een huishoudelijk reglement op, dat door de Vlaamse Regering wordt bekrachtigd.

§ 3. De identificatiegegevens van studenten die in de Databank Hoger Onderwijs zijn opgenomen, worden uitgewisseld tussen het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming en de betrokken instellingen voor hoger onderwijs. Uitwisseling met derden is enkel mogelijk overeenkomstig de vigerende regelgeving inzake de elektronische verwerking van persoonsgegevens.

Art. IV. 92.

De Vlaamse Regering sluit met de instellingsbesturen een overeenkomst af met betrekking tot het doorgeven van de studievoortganggegevens van de studenten naar de in artikel IV.90 bedoelde centrale databank.

Art. IV.93.

De hogeronderwijsinstellingen stellen een procedure op betreffende de melding en behandeling van verzoeken tot rechtzetting van materiële vergissingen en onjuistheden die de grondslag vormen voor een studievoortgangsbeslissing, een weigering tot inschrijving als vermeld in artikel II.205, of de vaststelling, vermeerdering of vermindering van het leerkrediet overeenkomstig deel 2, titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 3.

De stuurgroep vermeld in artikel IV.91 stelt een procedure op betreffende de melding en behandeling van verzoeken tot rechtzetting van materiële vergissingen en onjuistheden, zoals vermeld in het vorige lid, die vastgesteld zijn na het afsluiten van de gegevens van het desbetreffende academiejaar.

Art. IV.94.

De Vlaamse Regering kan verdere regels vastleggen met betrekking tot de registratie en de validatie van de gegevens in de Databank Hoger Onderwijs (DHO), inbegrepen een bindende gedragscode voor alle instellingen en actoren die gegevens in DHO registreren en valideren

TITEL 4. Toezicht

Hoofdstuk 1. Toezicht op de universiteiten

Art. IV.95.

De Vlaamse Regering benoemt een commissaris van de Vlaamse Regering bij iedere universiteit. Eénzelfde commissaris kan bij meerdere universiteiten worden aangesteld.

Art. IV.96.

De commissarissen van de Vlaamse Regering worden benoemd onder de houders van een diploma van master die ten minste 5 jaar nuttige ervaring hebben. Hun statuut wordt door de Vlaamse Regering vastgesteld.

Het ambt van commissaris is onverenigbaar met elk ambt in de universiteit waarbij het ambt wordt uitgeoefend.

De bezoldiging van gewoon hoogleraar is op hen van toepassing. Hun dienstjaren als commissaris worden gelijkgesteld met academische dienstjaren.

Art. IV.97.

De commissarissen van de Vlaamse Regering mogen geen andere beroepsactiviteiten of andere bezoldigde activiteiten uitoefenen dan met toestemming van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.

Art. IV.98.

Binnen het door de Vlaamse Regering beschikbaar gestelde budget kunnen de commissarissen van de Vlaamse Regering voor de uitoefening van hun functie een beroep doen op personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid zoals bedoeld in artikelen I.1. en I.2., 1°, van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, van de Vlaamse openbare instellingen of van het onderwijs.

De personeelsleden van de Vlaamse openbare instellingen en van het onderwijs worden in deze hoedanigheid belast met een opdracht. Deze opdracht wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit, overeenkomstig de statutaire bepalingen op hen van toepassing. Deze personeelsleden worden door de Vlaamse Regering aangesteld. Tijdens de duur van de opdracht wordt aan het betrokken personeelslid bij zijn instelling van herkomst vrijstelling van dienst verleend.

Art. IV.99.

§ 1. De commissaris van de Vlaamse Regering waakt erover dat het universiteitsbestuur geen enkele beslissing neemt die strijdig is met het bij of krachtens de wet of decreet bepaalde of die het financieel evenwicht van de instelling in gevaar brengt. De commissaris van de Vlaamse Regering kan evenwel niet oordelen over de opportuniteit van beleidsbeslissingen van het universiteitsbestuur.

[Aan de commissaris van de Vlaamse Regering kunnen binnen zijn decretaal omlijnde opdrachten bijkomende controletaken worden toegewezen door de Vlaamse Regering.]

§ 2. [...]

Decr. 21-3-2014

Art. IV.100.

De commissaris van de Vlaamse Regering woont alle vergaderingen bij van de universiteitsbesturen waarop punten worden behandeld waarvoor zij bevoegd zijn. Hij heeft er raadgevende stem [binnen het kader van zijn controleopdracht].

Decr. 21-3-2014

Art. IV.101.

Behoudens de gevallen van dringende noodzakelijkheid die hij aanvaardt, ontvangt de commissaris van de Vlaamse Regering 5 vrije dagen voor de vergadering de volledige agenda van de vergadering alsmede alle stukken.

Binnen de bevoegdheid, vastgelegd in artikel IV.99, heeft hij steeds het recht om door het universiteitsbestuur gehoord te worden over alle punten en geeft hij aan het universiteitsbestuur alle opmerkingen die hij noodzakelijk acht in het kader van zijn opdracht.

Hij heeft tevens het recht tot inzage van de dossiers die voor deze punten voorgelegd worden aan de beraadslaging en beslissing van het universiteitsbestuur. Hij ontvangt daarenboven binnen de 5 dagen een afschrift van al de beslissingen genomen door het universiteitsbestuur over de punten die zijn bevoegdheid betreffen.

Art. IV.102.

Tegen elke beslissing van het universiteitsbestuur die hij respectievelijk strijdig acht met het bij of krachtens de wet of decreet bepaalde of het financieel evenwicht van de universiteit in gevaar brengt, dient de commissaris van de Vlaamse Regering beroep in bij de Vlaamse Regering.

Dit beroep wordt met redenen omkleed. De commissarissen van de Vlaamse Gemeenschap oefenen dit beroep uit binnen 7 kalenderdagen. Deze termijn begint te lopen na de dag van ontvangst van de beslissing door de commissaris van de Vlaamse Gemeenschap.

Van dit beroep wordt binnen dezelfde termijn kennis gegeven aan het universiteitsbestuur. De uitvoering van de beslissing wordt door het beroep geschorst.

Art. IV.103.

Indien daartoe aanleiding bestaat, stelt de Vlaamse Regering, binnen de 30 dagen na het beroep, het universiteitsbestuur in kennis dat zijn beslissing strijdig is met het bij of krachtens de wet of decreet bepaalde of het financieel evenwicht van de instelling in gevaar brengt.

De Vlaamse Regering verzoekt het universiteitsbestuur in dezelfde mededeling binnen 30 dagen een nieuwe beslissing te treffen die niet onwettelijk of onregelmatig is, ofwel de beslissing in te trekken.

Art. IV.104.

Indien bij het verstrijken van deze termijn, geen enkele nieuwe beslissing werd genomen, spreekt de Vlaamse Regering binnen 20 dagen de vernietiging uit van de beslissing indien deze genomen werd door het universiteitsbestuur van de universiteiten vermeld onder artikel II.2, 2°, 3° en 4°.

Indien het gaat om een universiteit vermeld onder artikel II.2, 1° en 5°, kan de Vlaamse Regering binnen 20 dagen de toekenning van het geheel of een gedeelte van de jaarlijkse uitkeringen voor werkings- en investeringsuitgaven aan de betrokken universiteit schorsen.

De door de Vlaamse Regering genomen maatregel is met redenen omkleed en wordt binnen een termijn van 7 vrije werkdagen ter kennis gebracht van het bestuur van de betrokken universiteit.

Het eventueel beroep bij de rechtbank ingesteld door de betrokken universiteit vermeld onder artikel II.2, 1°, 2° en 6°, tegen de getroffen maatregel, schorst de uitvoering van deze maatregel tot aan de definitieve uitspraak van het gerecht.

De gewraakte beslissing heeft enkel uitwerking indien, binnen 30 dagen na het beroep, de Vlaamse Regering geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel IV.103 bepaalde prerogatieven.

Art. IV.105.

De Vlaamse Regering benoemt onder de inspecteurs van Financiën geaccrediteerd bij de Vlaamse Gemeenschap een afgevaardigde van financiën bij iedere universiteit. Eénzelfde afgevaardigde kan bij meerdere universiteiten aangesteld worden. De afgevaardigde van financiën oefent in samenwerking met de commissaris van de Vlaamse Regering dezelfde functies uit als deze laatste voor alle handelingen die een budgettaire of financiële weerslag hebben en dit onder dezelfde voorwaarden en dezelfde modaliteiten.

Hoofdstuk 2. Toezicht op de hogescholen

Art. IV.106.

De controle van de Vlaamse Regering ten aanzien van het beheer van de hogescholen omvat :

1° de controle van de wettelijkheid en regelmatigheid van alle ontvangsten en uitgaven, waarbij de conformiteit met het bij of krachtens de wet of het decreet bepaalde enerzijds, en het financiële evenwicht van de hogeschool anderzijds wordt onderzocht;

2° het onderzoek van de rekeningen en de financiële staten : de rekeningen moeten een juist beeld geven van de gedane verrichtingen en van de financiële toestand, en zij moeten in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde boekhoudprincipes.

Art. IV.107.

De Vlaamse Regering vertrouwt deze controletaken toe aan commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen.

Art. IV.108.

§ 1. De Vlaamse Regering benoemt een commissaris van de Vlaamse Regering bij iedere hogeschool. Eenzelfde commissaris kan bij meerdere hogescholen worden aangesteld.

De commissarissen van de Vlaamse Regering worden benoemd onder de houders van een masterdiploma of een bij of krachtens de wet of het decreet of internationaal verdrag gelijkgesteld diploma, die ten minste 5 jaar nuttige ervaring hebben.

Het ambt van commissaris van de Vlaamse Regering bij de hogescholen is onverenigbaar met elk ambt of bestuursmandaat in een universiteit, hogeschool, associatie [of] instelling voor postinitieel onderwijs [...] binnen de Vlaamse Gemeenschap.

Decr. 19-6-2015

§ 2. De commissarissen van de Vlaamse Regering ontvangen de bezoldiging die op een gewoon hoogleraar aan een Vlaamse universiteit van toepassing is. Hun dienstjaren als commissaris worden gelijkgesteld met academische dienstjaren.

De rechtspositieregeling van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid is op hen van toepassing. De Vlaamse Regering is gemachtigd met betrekking tot de commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen aanvullende of afwijkende rechtspositieregels vast te stellen.

§ 3. De commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen mogen geen andere beroepsactiviteiten of andere bezoldigde activiteiten uitoefenen dan met toestemming van de Vlaamse minister bevoegd voor onderwijs.

§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de ambtsgebieden van de commissarissen.

Art. IV.109.

§ 1. De titularissen die op 31 december 2008 benoemd waren hetzij in het ambt van commissaris-coördinator van de Vlaamse Regering bij de hogescholen hetzij in het ambt van commissaris van de Vlaamse Regering bij de hogescholen, worden met ingang van 1 januari 2009 geacht benoemd te zijn in het ambt van commissaris van de Vlaamse Regering bij de hogescholen zoals bedoeld in artikel IV.108.

§ 2. De commissarissen van de Vlaamse Regering die op 31 december 2008 belast waren met het toezicht op een of meer instellingen behouden vanaf 1 januari 2009 het ambtsgebied dat hen toegewezen was.

Art. IV.110.

§ 1. De commissarissen van de Vlaamse Regering zien erop toe dat het hogeschoolbestuur geen enkele beslissing neemt, die strijdig is met het bij of krachtens de wet of het decreet bepaalde, of die het financiële evenwicht van de instelling in gevaar brengt.

[Aan de commissaris van de Vlaamse Regering kunnen binnen zijn decretaal omlijnde opdrachten bijkomende controletaken worden toegewezen door de Vlaamse Regering.]

§ 2. Het college van commissarissen van de Vlaamse Regering beschikt over alle bevoegdheden noodzakelijk voor de uitoefening van zijn opdracht.

Teneinde deze opdracht te kunnen uitoefenen, kan het college een beroep doen op personeelsleden van de Vlaamse overheid of van het onderwijs.

De Vlaamse Regering stelt het personeelseffectief vast van de diensten van het college van commissarissen van de Vlaamse Regering, de wijze en de functie waarop de in het tweede lid vermelde personeelsleden kunnen worden aangeduid, alsmede de jaarlijkse toelage die aan de betrokken personeelsleden omwille van de specificiteit van hun opdracht kan worden uitbetaald. Deze toelagen worden gelijkgesteld met de jaarlijkse toelagen van attaché, respectievelijk uitvoerend personeelslid tot een maximumbedrag van 3.403 euro, respectievelijk 2.382 euro. Deze toelagen worden maandelijks na vervallen termijn uitbetaald en gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld door de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van het stelsel tot koppeling aan het indexcijfer van de consumptieprijzen; daartoe worden ze gekoppeld aan het indexcijfer 138.01 Deze toelage wordt niet toegekend aan nieuwe personeelsleden die na 1 september 2013 belast worden met een opdracht bij de diensten van het college van commissarissen.

De personeelsleden van de Vlaamse openbare instellingen en van het onderwijs worden in deze hoedanigheid belast met een opdracht. Deze opdracht wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit, overeenkomstig de statutaire bepalingen op hen van toepassing. Deze personeelsleden worden door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, aangesteld. Tijdens de duur van de opdracht wordt aan het betrokken personeelslid bij zijn instelling van herkomst vrijstelling van dienst verleend.

Decr. 21-3-2014

Art. IV.111.

De commissarissen van de Vlaamse Regering kunnen met raadgevende stem alle vergaderingen bijwonen van het hogeschoolbestuur, waarop punten worden behandeld waarvoor zij bevoegd zijn. [Ze oefenen hun raadgevende stem uit binnen het kader van hun controletaken.]

Decr. 21-3-2014

Art. IV.112.

§ 1. Behoudens de gevallen van dringende noodzakelijkheid die zij aanvaarden, krijgen de commissarissen van de Vlaamse Regering 5 vrije dagen voor de vergadering de volledige agenda van de vergadering, alsmede alle stukken toegestuurd.

§ 2. Zij hebben te allen tijde het recht om door het hogeschoolbestuur te worden gehoord over alle punten die tot hun bevoegdheid behoren. Zij hebben inzagerecht in de dossiers die voor deze punten voorgelegd worden aan de beraadslaging en beslissing van het hogeschoolbestuur. Zij krijgen binnen 5 dagen een afschrift van alle beslissingen van het hogeschoolbestuur over de punten waarvoor ze bevoegd zijn.

§ 3. Zij geven aan het hogeschoolbestuur alle opmerkingen die zij noodzakelijk achten in het kader van hun opdracht.

Art. IV.113.

[...]

Decr. 21-3-2014

Art. IV.114.

§1. Tegen elke beslissing van het hogeschoolbestuur, die zij strijdig achten met het bij of krachtens de wet of het decreet bepaalde of die het financieel evenwicht van de hogeschool in gevaar brengt, dienen de commissarissen van de Vlaamse Regering een met redenen omkleed beroep in bij de Vlaamse Regering.

§2. Zij oefenen dit beroep uit binnen 7 kalenderdagen. Deze termijn begint te lopen na de dag van ontvangst van de beslissing door de commissaris. Zij geven het hogeschoolbestuur binnen dezelfde termijn kennis van dit beroep dat de uitvoering van de beslissing schorst.

Art. IV.115.

§1. Als de Vlaamse Regering vaststelt dat een beslissing van het hogeschoolbestuur strijdig is met het bij of krachtens de wet of het decreet bepaalde, of het financiële evenwicht van de hogeschool in gevaar brengt, deelt zij dat binnen 30 dagen na het door de commissarissen van de Vlaamse Regering aangetekende beroep aan het hogeschoolbestuur mee.

§2. In dezelfde mededeling verzoekt de Vlaamse Regering het hogeschoolbestuur binnen 30 dagen hetzij een nieuwe beslissing te nemen die van onwettigheid of onregelmatigheid vrij is of het financieel evenwicht van de hogeschool niet in gevaar brengt, hetzij de betrokken beslissing in te trekken.

§3. De gewraakte beslissing heeft alleen uitwerking als de Vlaamse Regering, binnen 30 dagen na het beroep, geen gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid, bedoeld in paragraaf 1.

Art. IV.116.

§1. Als bij het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel IV.115, §2, het hogeschoolbestuur geen enkele nieuwe beslissing neemt, spreekt de Vlaamse Regering binnen 20 dagen de vernietiging uit van de beslissing van de publiekrechtelijke hogeschool, of schorst zij binnen 20 dagen de toekenning van het geheel of een gedeelte van de uitkeringen van de gesubsidieerde hogeschool.

§2. De Vlaamse Regering motiveert haar maatregel en deelt hem binnen een termijn van 7 werkdagen aan het hogeschoolbestuur mee.

§3. Wanneer de betrokken gesubsidieerde hogeschool tegen de getroffen maatregel beroep instelt bij de rechtbank, wordt de uitvoering van de maatregel van de Vlaamse Regering tot aan de definitieve uitspraak van het gerecht geschorst.

Art. IV.117.

[...]

Decr. 25-4-2014

Hoofdstuk 3. Toezicht op de associaties

Art. IV.118.

De Vlaamse Regering oefent toezicht uit op de associaties inzake :

1° de overeenstemming van de beslissingen van de associatie met de regelgeving;

2° de vrijwaring van het financieel evenwicht.

De Vlaamse Regering belast een commissaris van de Vlaamse Regering bij de universiteiten of bij de hogescholen met de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid.

Art. IV.119.

Tegen elke beslissing van de associatie die hij strijdig acht met de regelgeving of met het financieel evenwicht, dient de commissaris van de Vlaamse Regering beroep in bij de Vlaamse Regering.

Indien daartoe aanleiding bestaat, stelt de Vlaamse Regering de associatie in kennis van de strijdigheid met de regelgeving of met het financieel evenwicht. De Vlaamse Regering verzoekt de associatie daarbij een nieuwe beslissing te treffen of de kwestieuze beslissing in te trekken.

Indien op dit verzoek niet wordt ingegaan, kan de Vlaamse Regering op gemotiveerde wijze een financiële sanctie opleggen. De financiële sanctie wordt verhaald op de totaliteit van de werkingsuitkeringen, bedoeld in deel 3, titel 1, hoofdstuk 1, die toekomen aan de universiteit en de hogescho(o)l(en) die onder de associatie ressorteren en bedraagt ten hoogste 10% daarvan. De partners kunnen solidair en in solidum worden aangesproken.

Het eventueel jurisdictioneel beroep ingesteld door de betrokken associatie tegen de beslissing waarbij een financiële sanctie wordt opgelegd, schorst de uitvoering van deze maatregel tot een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing voorhanden is.

Art. IV.120.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake het toezicht, inzonderheid de termijnen die bij de toepassing van artikel IV.119 in acht dienen te worden genomen. Zij houdt daarbij rekening met de regelen inzake de hoorplicht.

Hoofdstuk 4. Toezicht op sommige instellingen voor postinitieel onderwijs

Art. IV.121.

Een ambtenaar van de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap, aangeduid door de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs, ziet bij de Vlerick Business School en de Antwerp Management School toe op de uitvoering van de beheersovereenkomst en de naleving van de subsidiëringsvoorwaarden.

Een commissaris van de Vlaamse Regering als vermeld in artikel IV.95 of IV.108, ziet bij het Instituut voor Tropische Geneeskunde toe op de uitvoering van de beheersovereenkomst en de naleving van de subsidiëringsvoorwaarden.

Het instellingsbestuur bezorgt daartoe aan de ambtenaar of de commissaris van de Vlaamse Regering alle nodige informatie en documenten.

Hoofdstuk 5. College van regeringscommissarissen

Art. IV.122.

De commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen en de universiteiten vormen een college. Het college vergadert ten minste 6 maal per jaar.

Het voorzitterschap van het college wordt onbezoldigd waargenomen volgens een beurtrol en afwisselend door 1 van de commissarissen van de Vlaamse regering bij de universiteiten en door 1 van de commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen. De duur van het voorzitterschap bedraagt 2 jaar. Deze termijn kan door het college worden hernieuwd. Het college bepaalt bij consensus de volgorde van de komende voorzitterschappen.

Een afgevaardigde van het Ministerie van Onderwijs en Vorming en een afgevaardigde van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, kunnen de vergaderingen van het college bijwonen.

Het college is onder meer belast met de volgende taken :

1° het college zorgt voor een coherente interpretatie van de regelgeving bij de uitoefening van zijn controletaken;

2° het college is belast met :

a) de coördinatie van de werkzaamheden van de commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen en de universiteiten;

b) een billijke en objectieve verdeling van de beschikbare personeelsleden en middelen over de diensten van de commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen en de universiteiten, desgevallend voor de vorming van regionale teams;

3° het college brengt jaarlijks verslag uit aan de Vlaamse Regering over de werkzaamheden van de commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen en de universiteiten, over de financiële toestand van de universiteiten, hogescholen en associaties en over de evolutie van het personeelsbestand van universiteiten en hogescholen. Het verslag over de evolutie van het personeelsbestand wordt via de Vlaamse Regering voor advies bezorgd aan het Vlaams Onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs.

De Vlaamse Regering kan het college belasten met bijzondere opdrachten.

DEEL 5. RECHTSPOSITIEREGELING VAN HET PERSONEEL

TITEL 1. Personeel van de universiteiten

Hoofdstuk 1. Het academisch personeel

Afdeling 1. Toepassingsgebied en algemene bepaling

Art. V.1.

In deze titel wordt verstaan onder :

1° academische hogeschoolopleidingen: de academische opleidingen die tot en met het academiejaar 2012-2013 aangeboden worden door de hogescholen en die met ingang van het academiejaar 2013-2014 geïntegreerd worden in de universiteiten;

2° vakgebied: tak van de wetenschap waarover het zelfstandig academisch personeel onderwijs verstrekt, wetenschappelijk onderzoek verricht of wetenschappelijke dienstverlening verleent.

Art. V.2.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het academisch personeel van de universiteiten bezoldigd ten laste van de werkingsuitkeringen verschaft door de Vlaamse Gemeenschap.

De Vlaamse Regering stelt voor het academisch personeel een regeling vast omtrent de afwezigheden, de tucht, de administratieve standen, het verlof, de ambtsbeëindiging en de mandaatsbeëindiging.

Afdeling 2. Samenstelling en opdrachten van het academisch personeel

Art. V.3.

[Bij het zelfstandig academisch personeel bestaan de volgende graden: docent, hoofddocent, hoogleraar en gewoon hoogleraar.]

Binnen de formatie van het zelfstandig academisch personeel kunnen de universiteiten docenten aanstellen in het tenure trackstelsel, waarvan de aanstellings- en benoemingsvoorwaarden worden beschreven in artikel V.29.

Bij het assisterend academisch personeel bestaan de volgende graden : assistent, praktijkassistent en doctor-assistent.

Decr. 19-6-2015

Art. V.4.

De leden van het zelfstandig academisch personeel hebben tot opdracht het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het verschaffen van academisch onderwijs in het vakgebied of de vakgebieden die hen zijn toegewezen. Deze opdracht kan tevens prestaties van wetenschappelijke dienstverlening aan de gemeenschap omvatten. De onderwijsopdracht kan geheel of gedeeltelijk bestaan uit de begeleiding van studenten bij scripties of eindverhandelingen en van promovendi tijdens de voorbereiding van hun doctoraats-proefschrift.

Naast de academische taken bedoeld in het eerste lid kan het universiteitsbestuur de leden van het zelfstandig academisch personeel ook belasten met organisatorische, coördinerende of administratieve taken.

Art. V.5.

De leden van het assisterend academisch personeel staan de leden van het zelfstandig academisch personeel bij in de hun bij artikel V.4 toebedeelde opdracht.

Art. V.6.

Assistenten hebben tot opdracht zich verder te bekwamen in de wetenschappen. Behoudens het bepaalde in artikel V.7, hebben zij als personeelslid het recht om door het verrichten van wetenschappelijk onderzoek of het ontvangen van academisch onderwijs ten minste de helft van hun werktijd aan de voorbereiding van een doctoraatsproefschrift te besteden.

Art. V.7.

Praktijkassistenten zijn in hoofdzaak belast met taken van praktijkgebonden onderwijs.

Art. V.8.

Doctor-assistenten kunnen benevens hun wetenschappelijke activiteiten belast worden met het verstrekken van onderwijs. Het universiteitsbestuur legt bij het begin van ieder academiejaar de opleidingsonderdelen vast die door de doctor-assistenten verzorgd worden.

Ook gepromoveerde onderzoekers in vast of tijdelijk dienstverband van de universiteiten of van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen kunnen onder dezelfde voorwaarden belast worden met het verstrekken van onderwijs.

Art. V.9.

Het universiteitsbestuur legt bij reglement de regels vast volgens dewelke de opdrachten van een lid van het academisch personeel worden toegewezen of gewijzigd.

Een toewijzing of wijziging naar inhoud, omvang of aard kan slechts gebeuren na advies van het orgaan of de organen waaraan die opdrachten verbonden zijn, en, ingeval van een wijziging, ofwel met de instemming van het betrokken personeelslid of nadat het betrokken personeelslid werd gehoord door het adviesgevend orgaan.

Art. V.10.

Het universiteitsbestuur bepaalt voor elk lid van het academisch personeel het voltijds of deeltijds karakter van zijn opdracht. Het wijst tevens de organen aan waaraan die opdracht verbonden is.

De opdracht van een docent in het tenure trackstelsel bedraagt ten minste 50% van een voltijdse opdracht.

Art. V.11.

Het universiteitsbestuur bepaalt bij de vacantverklaring van een opdracht of die opdracht voltijds of deeltijds is dan wel tot een voltijdse en/of deeltijdse benoeming of aanstelling aanleiding kan geven.

Tevens bepaalt het universiteitsbestuur het deeltijds karakter van een opdracht wanneer een lid van het academisch personeel met een voltijdse opdracht ofwel om een deeltijdse opdracht verzoekt en het universiteitsbestuur hiermee instemt, ofwel in toepassing van artikel V.13 ambtshalve in een deeltijdse opdracht wordt geplaatst.

Art. V.12.

De leden van het academisch personeel met een voltijdse opdracht mogen geen andere beroepsactiviteit of een andere bezoldigde activiteit uitoefenen dan met toestemming van het universiteitsbestuur.

Het universiteitsbestuur stelt jaarlijks de naamlijst op van de voltijdse en van de deeltijdse leden van het academisch personeel die ten minste een halftijdse opdracht uitoefenen, en die andere bezoldigde of onbezoldigde activiteiten uitoefenen die verenigbaar worden geacht met hun opdracht aan de universiteit.

De aard en de omvang van die externe activiteiten, evenals de omvang van hun opdracht aan de universiteit, worden in een tabel aangegeven tegenover de naam van ieder personeelslid. Het universiteitsbestuur maakt deze lijst openbaar in de universiteit.

De opdrachten van de leden van het academisch personeel toegewezen krachtens artikel V.17 en Titel 3 dienen op deze lijst niet vermeld te worden.

Art. V.13.

Deeltijds wordt ambtshalve de opdracht van het lid van het academisch personeel dat een andere beroepsactiviteit of een andere bezoldigde activiteit uitoefent welke een groot gedeelte van zijn tijd in beslag neemt.

Als andere beroepsactiviteiten of bezoldigde activiteiten die een groot gedeelte van de tijd in beslag nemen, worden beschouwd alle activiteiten waarvan de omvang 2 halve dagen per week overschrijdt of die voorkomen op een lijst vastgesteld door de Vlaamse Regering, eventueel aangevuld door het universiteitsbestuur. De Vlaamse Regering kan bij het vaststellen van de lijst tevens de voorwaarden en de procedure vastleggen waaronder het universiteitsbestuur bij met redenen omklede beslissing individueel een afwijking kan toestaan aan een lid van het academisch personeel dat een bepaalde activiteit uitoefent die voorkomt op die lijst.

Voor de toepassing van het bepaalde in artikel V.12 en V.13 worden de medische en paramedische activiteiten uitgeoefend door een lid van het academisch personeel in uitvoering van een arbeidsovereenkomst of van een reglement inzake kliniekvergoedingen niet beschouwd als zijnde andere beroepsactiviteiten of andere bezoldigde activiteiten indien ze uitsluitend worden uitgeoefend in het Universitair Ziekenhuis Gent voor wat de Universiteit Gent betreft, of, voor wat de andere universiteiten vermeld in artikel II.2 betreft, in het universitair ziekenhuis, deel uitmakend van de eigen universiteit of hiervan afgesplitst en omgevormd in een autonome rechtspersoon. Voor wat de Vrije Universiteit Brussel betreft is het bovenstaande eveneens van toepassing op de personeelsleden verbonden aan de tandheelkundige kliniek.

Art. V.14.

De opdracht van een lid van het zelfstandig academisch personeel in een deeltijds dienstverband kan ofwel uitsluitend onderwijsactiviteiten, ofwel uitsluitend onderzoeksactiviteiten of een combinatie van beide bevatten. Ook wetenschappelijke dienstverlening kan tot de taakstelling van die leden van het zelfstandig academisch personeel behoren.

Deze deeltijdse opdrachten worden uitgedrukt als een procentueel aandeel van een voltijdse opdracht. Voor het bepalen van een procentueel aandeel komt elke halve dag per week die besteed wordt ten dienste van de universiteit overeen met 10%. Het procentueel aandeel moet minstens 10% van een voltijdse aanstelling omvatten en wordt altijd als een veelvoud van 5 uitgedrukt. In afwijking van het vorenstaande bedraagt het procentueel aandeel van een deeltijdse opdracht die uitsluitend onderwijsactiviteiten omvat, ten minste 5%.

Art. V.15.

Een deeltijdse opdracht van een lid van het assisterend academisch personeel wordt als een procentueel aandeel van een voltijdse opdracht bepaald. Voor de bepaling van het procentueel aandeel komt elke halve dag per week die besteed wordt ten dienste van de universiteit overeen met 10%. Het procentueel aandeel moet ten minste 10% van een voltijdse opdracht omvatten en wordt steeds uitgedrukt in een veelvoud van 5. In afwijking van het vorenstaande bedraagt het procentueel aandeel van een deeltijdse opdracht van assistenten die uitsluitend belast zijn met taken van praktijkgebonden onderwijs, ten minste 5%.

Art. V.16.

Een deeltijdse opdracht van een bepaalde graad van het zelfstandig academisch personeel kan in dezelfde universiteit niet gecombineerd worden met een deeltijdse opdracht van een andere graad van het zelfstandig academisch personeel.

Art. V.17.

Bij overeenkomst gesloten tussen 2 of meer universiteiten, kunnen afzonderlijke onderwijs- en onderzoeksopdrachten verdeeld over de betrokken universiteiten als 1 voltijdse opdracht omschreven worden. In de overeenkomst wordt de universiteit aangewezen die als werkgever van de betrokken personen moet worden beschouwd en worden de opdrachten van de betrokken personen in de verschillende universiteiten procentsgewijs ten opzichte van een voltijdse opdracht bepaald.

Art. V.18.

Het universiteitsbestuur stelt een reglement op dat de tijdelijke vervanging van de leden van het academisch personeel regelt. Een tijdelijke vervanging van een lid van het zelfstandig academisch personeel door een externe persoon is uitzonderlijk en kan nooit langer duren dan een academiejaar en eindigt in ieder geval op het einde van het academiejaar. Deze vervangingen in hoofde van de vervanger zijn maximaal 4 maal hernieuwbaar.

Art. V.19.

Naast het academisch personeel kan het universiteitsbestuur contractueel en buiten de personeelsformatie voltijdse en deeltijdse gastprofessoren aanstellen voor een periode van maximum 5 jaar. Opeenvolgende aanstellingen van voltijdse gastprofessoren mogen in ieder geval de totale duur van 5 opeenvolgende jaren niet overschrijden. Aanstellingen van deeltijdse gastprofessoren zijn hernieuwbaar.

Afdeling 3. Benoeming en aanstelling van het academisch personeel

Art. V.20.

Niemand kan benoemd of aangesteld worden tot lid van het zelfstandig academisch personeel of tot doctor-assistent tenzij hij houder is van een diploma van doctor op proefschrift of van een diploma of certificaat dat in toepassing van de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord hiermee als gelijkwaardig wordt erkend.

In uitzonderlijke gevallen kan het universiteitsbestuur, na advies van het orgaan waartoe de opdracht behoort en op grond van een omstandige motivering, personen die blijk hebben gegeven van een buitengewone wetenschappelijke verdienste of een specifieke deskundigheid, tot deeltijds lid van het zelfstandig academisch personeel benoemen of aanstellen met vrijstelling van het onder lid een bedoelde diploma.

Art. V.21.

Behoudens het in het tweede lid bepaalde kan niemand tot assistent [of praktijkassistent] worden aangesteld tenzij hij houder is van een diploma van master of van een diploma of certificaat dat in toepassing van de Europese richtlijnen of een bilateraal akkoord hiermee als gelijkwaardig wordt erkend.

In uitzonderlijke omstandigheden kan het universiteitsbestuur, na advies van het orgaan waartoe de opdracht behoort en op grond van een omstandige motivering, personen die een ander buitenlands einddiploma van een instelling van academisch onderwijs hebben behaald dan het in lid een bedoelde, aanstellen tot assistent [of praktijkassistent] met vrijstelling van de in lid een bedoelde diplomavereisten.

Decr. 19-6-2015

Art V.22.

In het belang van het onderwijs of het onderzoek kan het universiteitsbestuur ook personen die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie tot lid van het academisch personeel benoemen of aanstellen.

Art. V.23.

Met behoud van de toepassing van artikel V.20 en V.24, legt het universiteitsbestuur bij reglement de voorwaarden vast waaraan voldaan moet zijn om tot docent, hoofddocent, hoogleraar benoemd of aangesteld te worden.

Art. V.24.

Het universiteitsbestuur legt voorafgaandelijk de criteria vast voor de benoeming van hoofddocent, hoogleraar [en gewoon hoogleraar] en maakt deze in de universiteit bekend.

Decr. 19-6-2015

Art. V.25.

Het universiteitsbestuur benoemt en stelt de leden van het academisch personeel aan. Het bepaalt bij reglement de wijze waarop de ambten vacant worden verklaard.

Een eerste benoeming of aanstelling in, hetzij het zelfstandig academisch personeel, hetzij het assisterend academisch personeel kan niet gebeuren dan na een openbare oproep.

Art. V.26.

Vóór elke benoeming of aanstelling tot lid van het academisch personeel wint het universiteitsbestuur een met redenen omkleed advies in van de facultaire of andere organen die het hiervoor heeft aangeduid. Het universiteitsbestuur kan tevens het advies inwinnen van externe deskundigen.

Art. V.27.

Het besluit tot benoeming of aanstelling van een lid van het zelfstandig academisch personeel moet gemotiveerd zijn. In het bijzonder moet de benoeming of aanstelling gegrond zijn op een vergelijking van de wetenschappelijke en de onderwijskundige kwaliteiten van de kandidaten in het betrokken vakgebied. Het universiteitsbestuur leeft de objectiviteit bij de selectie na.

Het benoemings- of aanstellingsbesluit vermeldt het vakgebied of de vakgebieden waarop het betrokken lid werkzaam zal zijn. Het universiteitsbestuur stelt bij de indiensttreding van ieder personeelslid vast of het al dan niet ten laste valt van de werkingsuitkeringen van de Vlaamse Gemeenschap.

Art. V.28.

Een lid van het zelfstandig academisch personeel met een voltijdse opdracht wordt benoemd.

Een lid van het zelfstandig academisch personeel met een deeltijdse opdracht kan ofwel benoemd worden, ofwel tijdelijk worden aangesteld voor hernieuwbare termijnen van ten hoogste 6 jaar.

Het universiteitsbestuur kan in geval van eerste benoeming tot lid van het zelfstandig academisch personeel de personen aanstellen in een tijdelijk dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel voor een periode van ten hoogste 3 jaar met uitzicht op een vaste benoeming zonder nieuwe vacature, indien het universiteitsbestuur de prestaties van de betrokkene gunstig beoordeelt. In geval van zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte tijdens de termijn van de aanstelling wordt op verzoek van het betrokken zelfstandig academisch personeelslid de aanstelling met een bijkomende termijn van een jaar verlengd.

Art. V.29.

In afwijking van het bepaalde in artikel V.28 worden de in artikel V.3, tweede lid bedoelde docenten aangesteld voor een termijn van 5 jaar. Indien het universiteitsbestuur aan het einde van die termijn de prestaties van een docent gunstig beoordeelt, wordt het betrokken personeelslid zonder nieuwe vacature benoemd in de graad van hoofddocent. De beoordeling wordt grondig gemotiveerd op basis van de academische verdiensten van de docent in het tenure trackstelsel.

Het universiteitsbestuur legt voorafgaandelijk de criteria vast voor de beoordeling van de docenten in het tenure trackstelsel en maakt deze in de universiteit bekend.

In geval van zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte tijdens de termijn van de aanstelling wordt op verzoek van de betrokken docent de aanstelling met een bijkomende termijn van een jaar verlengd.

Art. V.30.

Behoudens het bepaalde in artikel V.31 en V.32 en behoudens bij vervangingsovereenkomsten worden leden van het assisterend academisch personeel aangesteld voor een termijn van 2 jaar, die tweemaal kan worden hernieuwd. Een verlenging van de aanstelling van een lid van het assisterend academisch personeel kan slechts na een gunstige evaluatie.

Wanneer uitzonderlijk geachte omstandigheden zulks vereisen, kunnen zij voor een bijkomende termijn van een jaar worden aangesteld. In het geval van zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte tijdens de eerste, de tweede of de derde termijn van het mandaat worden de assistenten voor een bijkomende termijn van een jaar aangesteld. Het mandaat wordt in ieder geval verlengd met een periode gelijk aan de duur die men tijdens het mandaat besteedde aan het volbrengen van de militie-verplichtingen of de vervangende burgerdienst.

Voor de toepassing van deze mandaatsanciënniteit worden de jaren gepresteerd als mandaathouders van het Vlaams Instituut voor de Bevordering van het Wetenschappelijk-Technologisch Onderzoek in de Industrie, van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek of als bursalen van het Instituut tot Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in de Nijverheid en Landbouw of van andere door de Vlaamse Regering erkende instellingen voor wetenschappelijk onderzoek hiermee gelijkgesteld. Voor de berekening van de maximaal toelaatbare aanstellingsduur van assistenten bedoeld in het eerste lid, wordt de periode gedurende dewelke de betrokkene een stipendium van een universiteit in de Vlaamse Gemeenschap genoot voor de voorbereiding van een doctoraal proefschrift, in rekening gebracht. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de lopende aanstellingen doorlopen tot het einde van het tweejarig mandaat in het geval dat de maximaal toelaatbare aanstellingsduur overschreden is.

Art. V.31.

Voltijdse en deeltijdse praktijkassistenten worden aangesteld voor een periode van maximum 5 jaar. Opeenvolgende aanstellingen van voltijdse praktijkassistenten mogen de totale duur van 5 opeenvolgende jaren niet overschrijden. Aanstellingen van deeltijdse praktijkassistenten zijn onbeperkt hernieuwbaar.

Art. V.32.

Doctor-assistenten worden aangesteld voor maximaal 2 termijnen van ten hoogste 3 jaar.

De aanstelling voor de tweede periode kan slechts na een gunstige evaluatie van de geleverde wetenschappelijke onderzoeksprestaties.

In geval van zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte tijdens de eerste of de tweede termijn van het mandaat worden de doctor-assistenten voor een bijkomende termijn van een jaar aangesteld.

Afdeling 4. Salarisschalen, vergoedingen en toelagen

Art. V.33.

De Vlaamse Regering bepaalt de salarisschalen van de leden van het assisterend academisch personeel. De salarisschaal van praktijkassistenten is dezelfde als deze van assistenten.

Het universiteitsbestuur schaalt de leden van het assisterend academisch personeel bij een aanstelling in de overeenstemmende salarisschaal in, rekening houdend, geheel of gedeeltelijk, met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties.

Het salaris van een deeltijds assisterend academisch personeelslid is een evenredig deel van het salaris van een voltijds assisterend academisch personeelslid. Bij de uitbreiding van een deeltijdse naar een voltijdse aanstelling kan de inschalingsanciënniteit worden heroverwogen indien het betrokken personeelslid tijdens de deeltijdse aanstelling nieuwe beroepservaring verworven heeft. De heroverweging van de inschalingsanciënniteit moet uitdrukkelijk en grondig gemotiveerd zijn.

De anciënniteitsopbouw in een salarisschaal is gelijk aan de nominale aanstellingsduur, ongeacht de omvang van het dienstverband.

Art. V.34.

De Vlaamse Regering bepaalt de salarisschalen van de leden van het zelfstandig academisch personeel.

Voor de graden van docent en hoofddocent kan de Vlaamse Regering 2 salarisschalen vastleggen. De hogere salarisschaal kan zowel worden toegekend bij een aanstelling of benoeming als bij de bevordering van een personeelslid dat reeds in dienst is. Overgang van de laagste salarisschaal naar de hogere salarisschaal van dezelfde graad is slechts mogelijk na een gunstige evaluatie van het betrokken personeelslid.

Het universiteitsbestuur houdt bij de toekenning van de hogere salarisschaal rekening met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties.

Art. V.35.

Bij de benoeming of aanstelling in een graad van het zelfstandig academisch personeel schaalt het universiteitsbestuur de leden van het zelfstandig academisch personeel in, in de overeenstemmende salarisschaal op grond van een gemotiveerde beoordeling van de doorlopen academische carrière, de academische verdiensten, de doorlopen carrière buiten de academische wereld en de verworven ervaring en kwalificaties. Als een universiteit een personeelslid van een andere universiteit aanstelt of benoemt, dan neemt de universiteit bij deze beoordeling de inschalingsanciënniteit verworven in dezelfde salarisschaal aan de universiteit van herkomst mee in overweging.

Onverminderd het eerste lid moeten in het geval van instellingsoverschrijdende mobiliteit te allen tijde de diensten in overweging worden genomen die in een andere geregistreerde hoger onderwijsinstelling werden gepresteerd binnen dezelfde graad van het zelfstandig academisch personeel of in een overeenstemmend ambt van het onderwijzend personeel zoals beschreven in artikel V.121, eerste lid, 3°.

Het salaris van een deeltijds zelfstandig academisch personeelslid is een evenredig deel van het salaris van een voltijds zelfstandig academisch personeelslid.

Bij de uitbreiding van een deeltijds naar een voltijds dienstverband of bij het heropnemen van een voltijds dienstverband zoals bedoeld in artikel V.45, kan de inschalingsanciënniteit worden heroverwogen indien het betrokken personeelslid tijdens de aanstelling in het deeltijds dienstverband belangrijke nieuwe beroepservaring verworven heeft. De heroverweging van de inschalingsanciënniteit moet uitdrukkelijk en grondig gemotiveerd worden.

De anciënniteitsopbouw in een salarisschaal met het oog op het verkrijgen van de volgende salaristrappen is gelijk aan de nominale aanstellingsduur, ongeacht de omvang van het dienstverband.

Het ten laste van de universiteit komende jaarsalaris van de gepromoveerde onderzoekers in dienst van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen of van het Vlaams Instituut voor de bevordering van het Wetenschappelijk-Technologisch onderzoek in de Industrie, die voor 1 oktober 1999 werden benoemd of aangesteld in 1 van de graden van het zelfstandig academisch personeel en waarvan de opdracht uitsluitend onderwijsactiviteiten omvat, wordt beperkt tot het verschil tussen het jaarsalaris dat zij zouden ontvangen als lid van het zelfstandig academisch personeel in een voltijds dienstverband met dezelfde anciënniteit, en het jaarsalaris à 100% dat zij ontvangen als onderzoeker in dienst van 1 van de eerder genoemde instellingen.

Art. V.36.

§1. Het salaris van de leden van het assisterend academisch personeel die tevens benoemd of aangesteld zijn als lid van het zelfstandig academisch personeel met een deeltijds dienstverband, is samengesteld uit 2 delen. Elk deel is hetzelfde evenredig aandeel als de omvang van het dienstverband van het salaris aan 100% dat de betrokkene zou genoten hebben in geval van een benoeming of aanstelling in een voltijds dienstverband.

In geval van uitbreiding van het dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel tot een voltijds dienstverband in dezelfde graad, wordt het betrokken personeelslid ingeschaald op dezelfde salaristrap in de schaal verbonden aan die graad.

§2. De omvang van de gecombineerde opdrachten samen is beperkt tot het equivalent van een voltijds dienstverband.

§3. In geval van de combinatie van een voltijds dienstverband als lid van het assisterend academisch personeel met een deeltijds dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel waarvan de opdracht uitsluitend onderwijsactiviteiten omvat, is de omvang van de opdracht beperkt tot ten hoogste 2 jaaruren. Bij benoeming of aanstelling in een voltijds dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel gebeurt de inschaling in de overeenkomstige salarisschaal, rekening houdend met het salaris dat de betrokkene genoot als lid van het zelfstandig academisch personeel.

Art. V.37.

Bij elke benoeming of aanstelling stelt het universiteitsbestuur de datum van ranginneming vast voor het verkrijgen van de periodieke verhogingen in de salarisschalen van de ambten van het academisch personeel, rekening houdend met de toegekende inschalingsanciënniteit.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan de Vlaamse Regering in het uitvoeringsbesluit genomen krachtens artikel V.2, tweede lid bepalen dat bepaalde onderbrekingen van de ambtsvervulling niet meegerekend worden in de anciënniteit met het oog op het verkrijgen van een periodieke verhoging in de salarisschaal.

Art. V.38.

Voor de toepassing van artikel V.33, tweede lid, en artikel V.35, eerste lid, bepaalt het universiteitsbestuur de algemene bezoldigingsvoorschriften.

Art. V.39.

Aan de personen die in de universiteit een bestuursmandaat bekleden, kan een vergoeding worden toegekend waarvan het bedrag door het universiteitsbestuur of het ermee gelijk te stellen orgaan wordt bepaald.

[Het universiteitsbestuur kan in het kader van haar aanwervingsbeleid, excellentiebeleid en retentiebeleid gedurende een bepaald aantal jaren aan leden van het zelfstandig academisch personeel een salaristoeslag toekennen.] Deze [salaristoeslagen] worden aangerekend op de uitgaven voor het academisch personeel. Het totaal bedrag aan voorziene [salaristoeslagen] beloopt ten hoogste 1% van de geraamde personeelsuitgaven voor het academisch personeel zoals die blijken uit afdeling I van de begroting bedoeld in artikel IV.14. De [salaristoeslagen] worden meegerekend als personeelsuitgaven voor het bepalen van de in artikel IV.19 bedoelde 80%- of 85%-norm.

Het universiteitsbestuur kan ten laste van de inkomsten uit postacademische vorming aan leden van het academisch personeel die in het kader van hun opdracht belast worden met het verschaffen van postacademische vorming een persoonlijke vergoeding toekennen. Het totaal bedrag aan vergoedingen die kunnen worden toegekend, bedraagt ten hoogste de helft van de totale inkomsten voortvloeiend uit postacademische vorming, na aftrek van alle kosten.

Decr. 25-4-2014

Art. V.40.

De gastprofessoren kunnen ten hoogste de bezoldiging van een gewoon hoogleraar genieten. De gastprofessoren mogen daarenboven vergoedingen ontvangen voor kosten inherent aan hun overkomst en tijdelijk verblijf, zij het maximum ten belope van hun werkelijke reis- en verblijfkosten.

Art. V.41.

Leden van het academisch personeel die in toepassing van artikel V.226 prestaties verschaffen in een andere universiteit of hogeschool, mogen vergoedingen ontvangen voor kosten inherent aan hun overkomst en tijdelijk verblijf, zij het maximum tot beloop van hun werkelijke reis- en verblijfkosten.

Art. V.42.

Voor de in deze titel bepaalde salarissen en vergoedingen, met uitsluiting van de vergoedingen bedoeld in artikel V.39, geldt de indexregeling die wordt toegepast op de salarissen van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid.

Art. V.43.

§1. De Vlaamse Regering stelt voor het academisch personeel de haard- en standplaatstoelage, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage vast.

Het universiteitsbestuur bepaalt de overige vergoedingen en toelagen.

§2. Tot op de datum waarop het in paragraaf 1, eerste lid, vermelde besluit in werking treedt, ontvangen de leden van het academisch personeel de haard- en standplaatstoelage, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage zoals die op 31 december 2005 voor de personeelsleden van de Vlaamse Gemeenschap en hun rechthebbenden van toepassing waren. Hierop wordt wel nog de indexeringsregeling, bedoeld in artikel V.42, toegepast.

Art. V.44.

§1. In afwijking van artikel 2, §1, van de wet van 4 augustus 1986 tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving kan de benoeming van een in het artikel 1 van de wet van 4 augustus 1986 bedoeld personeelslid na het academiejaar waarin het de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft, telkens met maximum 1 academiejaar en telkens met instemming van het universiteitsbestuur verlengd worden. Het universiteitsbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de benoeming.

§2. Het universiteitsbestuur kan beslissen dat een lid van het zelfstandig academisch personeel dat met pensioen is een deel van de activiteiten van onderwijs onderzoek of dienstverlening mag voortzetten. Het universiteitsbestuur kan hiervoor een vergoeding ten laste van de werkingsuitkeringen geven. De beslissing geldt voor maximum 1 jaar en kan telkens met maximum 1 jaar verlengd worden.

Art. V.45.

Het voltijds lid van het zelfstandig academisch personeel dat op zijn verzoek of in toepassing van artikel V.13 ambtshalve in een deeltijds statuut wordt geplaatst, verkrijgt vanaf het ogenblik dat hij opnieuw aan de gestelde voorwaarden voldoet, en indien het nog geen 60 jaar oud is, opnieuw een voltijdse opdracht en geniet het overeenkomstige salaris.

Dit recht vervalt indien het betrokken lid langer dan 8 al dan niet opeenvolgende academiejaren een dergelijke bezoldigde activiteit uitoefent. Evenwel kan het universi-teitsbestuur het deeltijds dienstverband, vanaf het ogenblik dat het betrokken lid aan de gestelde voorwaarden voldoet, uitbreiden tot een voltijds dienstverband.

Afdeling 5. Evaluatie

Art. V.46.

Het universiteitsbestuur legt de regels vast voor de evaluatie van de prestaties en de wijze van functioneren van de leden van het academisch personeel.

Ten minste om de 5 jaar moet er een evaluatie plaatsvinden van de wijze waarop elk lid van het academisch personeel zijn taak heeft vervuld in de voorbije periode. De evaluatieprocedure moet voorzien in een beroepsmogelijkheid met onafhankelijke beroepsinstanties. De procedure moet de rechten van het personeelslid maximaal waarborgen. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin moet er evenwel een evaluatie plaatsvinden 3 jaar na de eerste aanstelling [...].

Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar wordt gehalveerd.

Indien het eindoordeel van een evaluatie "onvoldoende" is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar stopzetten.

Indien het eindoordeel van 2 opeenvolgende evaluaties "onvoldoende" is of driemaal "onvoldoende" is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid ontslaan. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.

Het universiteitsbestuur deelt de vastgestelde evaluatieprocedure mee aan de Vlaamse Regering.

Decr. 21-3-2014

Hoofdstuk 2. Het administratief en technisch personeel

Afdeling 1. Toepassingsgebied

Art. V.47.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het administratief en technisch personeel van de universiteiten bezoldigd ten laste van de werkingsuitkeringen verschaft door de Vlaamse Gemeenschap.

Afdeling 2. Loopbaankader

Art. V.48.

Het loopbaankader van het administratief en technisch personeel omvat het geheel van de functies en de daaraan gekoppelde graden die de leden van het administratief en technisch personeel kunnen vervullen. Het universiteitsbestuur stelt voor elke functie een functiebeschrijving en -profiel vast.

Art. V.49.

Als diplomavoorwaarde geldt het bezit van het desbetreffende Belgische diploma dan wel het bezit van een diploma of certificaat dat in toepassing van de Europese richtlijnen of een bilateraal akkoord daarmee als gelijkwaardig wordt erkend.

Afdeling 3. Toewijzing van betrekkingen en definitieve ambtsneerlegging

Art. V.50.

Benoemingen of aanstellingen in de functies waarin het loopbaankader voorziet, gebeuren door werving, bevordering, overheveling of mutatie.

De benoemingen of aanstellingen vinden in principe plaats in een voltijds of deeltijds vast dienstverband. De omvang van een deeltijds dienstverband wordt uitgedrukt in een procentueel aandeel van een voltijds dienstverband. Het procentueel dienstverband moet ten minste 10% van een voltijdse aanstelling omvatten en wordt als een veelvoud van 5 uitgedrukt. Een halve dag per week komt overeen met 10%. De betrokkenen verkrijgen hetzelfde procentueel aandeel van het salaris dat zij zouden genieten in een voltijds dienstverband. Om te voorzien in tijdelijke personeelsbehoeften of in tijdelijke vervangingen van personeelsleden, kan het universiteitsbestuur personeel aanwerven, doch enkel op contractuele basis. De duur van de waarneming van vacante betrekkingen in afwachting van de definitieve opvulling ervan kan ten hoogste 2 jaar bedragen.

Het universiteitsbestuur kan de omvang van het dienstverband wijzigen met instemming of op verzoek van het personeelslid. In geval van een vermindering van de omvang behoudt het personeelslid gedurende 6 jaar het recht van terugkeer naar de oorspronkelijke omvang.

Art. V.51.

Onder werving wordt verstaan het aantrekken van personeelsleden na een openbare vacature en na een vergelijkende selectieprocedure. Een vacature wordt via ten minste 2 openbare informatiekanalen bekendgemaakt. Het universiteitsbestuur kan een wervingsreserve aanleggen voor een cluster van verwante functies.

Het vacaturebericht vermeldt ten minste de volgende gegevens :

1° de functie-inhoud;

2° de functie-eisen, inclusief specifieke diploma-eisen indien nodig;

3° de graad of de graden;

4° de omvang van de functie;

5° het vaste of tijdelijk karakter;

6° de selectieprocedure.

Het universiteitsbestuur kan de kandidaat in kwestie, afhankelijk van diens beroepservaring en aantoonbare kwaliteiten, benoemen of aanstellen in 1 van de graden vermeld in het vacaturebericht. In het vacaturebericht mogen ten hoogste 3 opeenvolgende graden vermeld worden.

Art. V.52.

[§ 1.] Een universiteit kan een vacante betrekking in het administratief en technisch personeel ook invullen via de overname van een benoemd lid van het administratief en technisch personeel van een andere universiteit. Het overgenomen personeelslid behoudt bij de overname de salarisschaal en anciënniteit die het genoot aan de universiteit waar het benoemd was, tenzij de overnemende universiteit het personeelslid in een hogere salaristrap of salarisschaal inschaalt.

De overname van een benoemd personeelslid is niet mogelijk zonder de instemming van het betrokken personeelslid.

[§ 2. Een universiteit kan een vacante betrekking in het administratief en technisch personeel ook invullen via de overname van een personeelslid uit een ander Vlaams onderwijsniveau dan het hoger onderwijs, dat daarvoor via een verlof wegens opdracht aan de universiteit werkzaam was. Het overgenomen personeelslid verkrijgt in de graad waarin het gerangschikt wordt, ten minste het jaarsalaris dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan het jaarsalaris aan 100% dat het genoot in het niet-hoger onderwijs.

De overname van een personeelslid is niet mogelijk zonder de instemming van het betrokken personeelslid.]

Decr. 25-4-2014

Art. V.53.

In afwijking van de voorwaarden, vermeld in artikel V.51, kan het universiteitsbestuur [een praktijkassistent met een opdracht van ten minste 70 procent van een voltijdse opdracht] die op 1 oktober 2013 5 jaar of langer aangesteld is als praktijkassistent [...] zonder openbare vacature rangschikken in een graad van het administratief en technisch personeel ten laste van de werkingsuitkeringen van de Vlaamse Gemeenschap.

[De rangschikking van een in het eerste lid bedoeld personeelslid is niet mogelijk zonder de instemming van het betrokken personeelslid.]

Decr. 25-4-2014

Art. V.54.

Onder bevordering wordt verstaan de benoeming of aanstelling in een functie van een hogere graad na interne bekendmaking en na het met succes doorlopen van de door het universiteitsbestuur vastgelegde selectieprocedure.

In afwijking van het eerste lid kan een bevordering in een functie van de onmiddellijk hogere graad en van de daaropvolgende graad plaatsvinden zonder interne bekendmaking en zonder selectie indien dit gebeurt in het kader van een vooraf door het universiteitsbestuur bepaalde loopbaanplanning. Deze afwijking geldt enkel voor de zeer goed functionerende en presterende personeelsleden. De bevordering moet afdoende gemotiveerd worden op basis van een evaluatie van de door de betrokkene geleverde prestaties.

Een eerste bevordering in een leidinggevende functie vindt steeds plaats na interne bekendmaking en selectie.

Art. V.55.

Bij de aanwerving doorloopt het personeelslid een stage, respectievelijk een proefperiode van minimum een maand en maximum een jaar, naargelang de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspositieregeling van de universiteit.

Art. V.56.

Het universiteitsbestuur weegt bij elke selectie minstens de verworven kennis en ervaring, de opleiding, de technische en persoonlijke bekwaamheden en de potentialiteit van de kandidaten af tegen de functiebeschrijving en het functieprofiel. De beslissing wordt gemotiveerd op grond van die afweging.

Art. V.57.

Onder mutatie wordt verstaan de verandering van functie in dezelfde graad op verzoek van het betrokken personeelslid, ambtshalve of als resultaat van een selectie na interne bekendmaking. Het universiteitsbestuur legt de procedure voor mutatie vast.

Art. V.58.

Personeelsleden ten laste van het patrimonium van de universiteit kunnen overgeheveld worden naar een functie van het loopbaankader, vermeld in artikel V.48 en bezoldigd ten laste van de werkingsuitkeringen van de Vlaamse Gemeenschap met behoud van hun verworven graad, salarisschaal en anciënniteit op voorwaarde dat :

1° zij geworven werden volgens de procedure die beantwoordt aan de in artikel V.51 bepaalde wervingseisen;

2° zij de graad, anciënniteit en salarisschaal bezitten die zij zouden bekomen hebben indien de voorgaande diensten gepresteerd werden overeenkomstig de wettelijke, decretale en reglementaire bepalingen van toepassing op het personeel ten laste van de jaarlijkse werkingsuitkeringen.

Voor de toepassing van dit artikel moet beschouwd worden als personeelslid ten laste van het patrimonium, elk personeelslid dat verbonden is door een arbeidsovereenkomst met de universiteit, met inbegrip van het universitair ziekenhuis voor zover dit deel uitmaakt van de universitaire rechtspersoon, en gefinancierd wordt buiten de werkingsuitkeringen van de Vlaamse Gemeenschap.

Art. V.59.

Een benoeming eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg bij pensionering wegens het bereiken van de leeftijdsgrens van 65 jaar of, mits toestemming van het universiteitsbestuur, op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

In afwijking van het eerste lid, kan de benoeming van het personeelslid na het academiejaar waarin het de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft, telkens met maximum 1 jaar en telkens met instemming van het universiteitsbestuur verlengd worden. De definitieve ambtsneerlegging gaat pas in na het einde van de benoeming. Het universiteitsbestuur bepaalt bij reglement de procedure voor een verlenging van de benoeming.

Afdeling 4. Bezoldigingen

Art. V.60.

De Vlaamse Regering bepaalt de graden en de niveaus en stelt de daaraan verbonden salarisschalen van het administratief en technisch personeel vast.

Het universiteitsbestuur schaalt de leden van het administratief en technisch personeel bij eerste aanstelling of benoeming in de overeenstemmende salarisschaal, rekening houdend, geheel of gedeeltelijk, met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties.

Het salaris van een lid van het administratief en technisch personeel in deeltijds dienstverband is een evenredig deel van het salaris van een lid van het administratief en technisch personeel in voltijds dienstverband.

De anciënniteitsopbouw in een salarisschaal is gelijk aan de nominale aanstellingsduur, ongeacht de omvang van het dienstverband.

Het universiteitsbestuur kan aan door hem bepaalde categorieën van het administratief en technisch personeel een arbeidsmarktschaarstetoeslag toekennen van maximaal 20% van het jaarsalaris voor een periode van maximum 2 jaar. Deze toeslag is hernieuwbaar zolang de arbeidsmarktkrapte voortduurt.

Het universiteitsbestuur kan jaarlijks een premie toekennen aan leden van het administratief en technisch personeel na evaluatie van de geleverde prestaties. De premies worden aangerekend op de personeelsuitgaven voor het administratief en technisch personeel. Het totaal bedrag aan voorziene premies beloopt ten hoogste 1% van de geraamde personeelsuitgaven voor het administratief en technisch personeel zoals die blijken uit afdeling I van de begroting bedoeld in artikel IV.14. De premies worden meegerekend als personeelsuitgaven voor het bepalen van de in artikel IV.19 bedoelde 80%- of 85% norm.

Art. V.61.

§1. De Vlaamse Regering stelt voor het administratief en technisch personeel de haard- en standplaatstoelage, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage vast.

Het universiteitsbestuur bepaalt de overige vergoedingen en toelagen.

§2. Tot op de datum waarop het in paragraaf 1, eerste lid, vermelde besluit in werking treedt, ontvangen de leden van het administratief en technisch personeel de haard- en standplaatstoelage, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage zoals die op 31 december 2005 voor de personeelsleden van de Vlaamse Gemeenschap en hun rechthebbenden van toepassing waren. Hierop wordt wel nog de indexeringsregeling, bedoeld in artikel V.42, toegepast.

Afdeling 5. Evaluatie

Art. V.62.

Het universiteitsbestuur legt een evaluatieprocedure vast met inbegrip van een beroepsmogelijkheid met onafhankelijke beroepsinstanties. De procedure moet de rechten van het personeelslid maximaal waarborgen.

Ten minste om de 5 jaar vindt er een evaluatie plaats van de geleverde prestaties, de bereikte resultaten en de wijze van functioneren van elk lid van het administratief en technisch personeel, gerelateerd aan de functiebeschrijving en het functieprofiel. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin moet er evenwel een evaluatie plaatsvinden 3 jaar na de eerste aanstelling [...].

Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar wordt gehalveerd.

Indien het eindoordeel van een evaluatie "onvoldoende" is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende een jaar stopzetten.

Indien het resultaat van deze evaluatie tweemaal na elkaar of driemaal in de loop van de beroepscarrière een "onvoldoende" oplevert, kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid ontslaan. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.

Indien de prestaties van een personeelslid als ondermaats of als onvoldoende worden beoordeeld, kan het universiteitsbestuur het personeelslid op zijn verzoek terugzetten in een lagere graad.

Het universiteitsbestuur deelt de vastgestelde evaluatieprocedure mee aan de Vlaamse Regering.

Decr. 21-3-2014

Afdeling 6. Tuchtregeling, administratieve standen, verlofregeling en ambtsneerlegging

Art. V.63.

Bij ontstentenis van een regeling opgenomen in een collectieve arbeids-overeenkomst of vastgesteld na onderhandeling in het bevoegde sectorcomité, is de regeling met betrekking tot de tucht, de administratieve standen, de toelaatbare onderbrekingen van de ambtsuitoefening op verzoek van het betreffende personeelslid wegens persoonlijke dan wel sociale redenen, en de definitieve ambtsneerlegging van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid van toepassing.

Als de universiteiten een eigen tuchtregeling uitwerken, voorzien zij daarin in de mogelijkheid van een preventieve schorsing van het personeelslid in het belang van de dienst. Ten minste in de volgende gevallen kan daarbij een deel van het salaris worden ingehouden :

1° wanneer het personeelslid strafrechtelijk vervolgd wordt;

2° wanneer het personeelslid tuchtrechtelijk vervolgd wordt wegens een ernstig vergrijp waarbij het personeelslid op heterdaad betrapt is of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn.

De inhouding van het salaris bij preventieve schorsing mag niet meer bedragen dan 1/5 van de nettobezoldiging. De regeling inzake preventieve schorsing waarborgt maximaal de rechten van het personeelslid en bevat een beroepsmogelijkheid.

Hoofdstuk 3. De integratie van het hogescholenpersoneel dat verbonden is aan één of meerdere academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten

Afdeling 1. Personeelsleden in het integratiekader

Art. V.64.

Een universiteit die academische hogeschoolopleidingen integreert, neemt met ingang van 1 oktober 2013 de personeelsleden in het integratiekader over van die hogeschool of hogescholen die academische opleidingen overdragen aan de desbetreffende universiteit, en dit voor de omvang van de opdracht, zoals opgenomen in de lijst vermeld in artikel V.209, §7, 7°.

De personeelsleden in het integratiekader worden vanaf 1 oktober 2013 personeelsleden van de desbetreffende universiteit, en dit voor de omvang van de opdracht, zoals opgenomen in de lijst vermeld in artikel V.209, §7, 7°.

De universiteit treedt ten opzichte van de personeelsleden in het integratiekader vanaf 1 oktober 2013 in de rechten en verplichtingen van de hogeschool die voor de integratie de betrokken personeelsleden tewerkstelde. In deze overdracht zijn alle rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige procedures inbegrepen.

Art. V.65.

De rechtspositieregeling, zoals vastgelegd bij of krachtens deel 5, titel 2, blijft, met behoud van toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk, van toepassing op de personeelsleden in het integratiekader. Ze behouden hun hoedanigheid van personeel van het niet-universitair onderwijs.

Het universiteitsbestuur oefent tegenover de personeelsleden in het integratiekader de bevoegdheden uit die overeenkomstig de rechtspositieregeling, zoals vastgelegd bij of krachtens deel 5, titel 2, deel 5, titel 3, deel 5, titel 4, hoofdstuk 3 en 5 en deel 5, titel 5, hoofdstuk 2 en 5 toegewezen zijn aan het bestuursorgaan van de hogeschool dat door of krachtens de wet, het decreet of de statuten is aangewezen om de door of krachtens deel 5, titel 2, deel 5, titel 3, deel 5, titel 4, hoofdstuk 3 en 5 en deel 5, titel 5, hoofdstuk 2 en 5 toegewezen bevoegdheden uit te oefenen.

[Art. V.65/1.

De bepalingen over de samenstelling van het college van beroep inzake evaluatie, vermeld in artikel V.93, § 3, tweede lid, en het college van beroep inzake tucht, vermeld in artikel V.101, zijn niet van toepassing op de personeelsleden in het integratiekader. Indien een personeelslid in het integratiekader beroep wil indienen tegen een evaluatie- of een tuchtbeslissing, kan het terecht bij een beroepsinstantie die is ingesteld voor de personeelsleden in het universitaire kader. De samenstelling van de beroepsinstantie wordt voorgelegd aan het medezeggenschapsorgaan of de ondernemingsraad.

Alle personeelsleden uit het integratiekader zijn uiterlijk 3 jaar na de inwerkingtreding van dit artikel minstens eenmaal geëvalueerd door het universiteitsbestuur.]

Decr. 17-6-2016

Art. V.66.

§ 1 De personeelsleden in het integratiekader oefenen na de integratie in de universiteit de opdracht uit die ze voor de integratie aan de hogeschool uitoefenden.

§ 2. Het universiteitsbestuur kan na de integratie de opdracht en de taakomschrijving van de leden van het onderwijzend personeel in het integratiekader wijzigen op het vlak van inhoud en aard onder de volgende voorwaarden :

1° het universiteitsbestuur heeft bij reglement de regels vastgelegd volgens dewelke de opdrachten van de personeelsleden worden gewijzigd;

2° het orgaan of de organen waaraan de opdrachten verbonden zijn heeft advies gegeven over de wijziging;

3° het betrokken personeelslid heeft ingestemd met de wijziging of het betrokken personeelslid is gehoord door het adviesgevende orgaan.

Het universiteitsbestuur kan na de integratie de opdracht en de taakomschrijving van de leden van het administratief en technisch personeel in het integratiekader wijzigen conform de reglementen die van toepassing zijn binnen de universiteit.

Art. V.67.

§ 1. De regelingen en reglementen, opgesteld door het hogeschoolbestuur overeenkomstig deel 5, titel 2, deel 5, titel 3, deel 5, titel 4, hoofdstuk 3 en 5 en deel 5, titel 5, hoofdstuk 2 en 5 en de daaruit volgende uitvoeringsbesluiten, of overeenkomstig andere wettelijke of decretale bepalingen [zoals die op de dag voor de overgang naar het integratiekader van toepassing waren], blijven na de integratie in de universiteit van toepassing op de personeelsleden in het integratiekader.

[Wanneer het universiteitsbestuur in uitvoering van paragraaf 2 een eigen regeling of reglement uitgewerkt heeft, is, in afwijking van het eerste lid, deze regeling of reglement meteen van toepassing op het personeelslid dat na 1 oktober 2013 naar het integratiekader overgaat.]

§ 2. Het universiteitsbestuur kan na de integratie een eigen regeling of reglement uitwerken voor de personeelsleden in het integratiekader. Bij de uitwerking van deze aangepaste regelingen of reglementen neemt het universiteitsbestuur de bepalingen, vermeld in deel 5, titel 2, deel 5, titel 3, deel 5, titel 4, hoofdstuk 3 en 5 en deel 5, titel 5, hoofdstuk 2 en 5 en de daaruit voortvloeiende bepalingen, in acht, alsook alle andere bij wet of decreet opgelegde voorwaarden.

Deze regelingen of reglementen zijn het voorwerp van onderhandelingen in de bestaande medezeggenschapsorganen binnen de universiteit of worden onderhandeld in het kader van het afsluiten van een collectieve arbeidsovereenkomst binnen de universiteit. Voor deze onderhandelingen is de afvaardiging van het personeel samengesteld overeenkomstig artikel V.239, §2, derde lid, c.q. voor ten minste de helft samengesteld uit afgevaardigden van het personeel in het integratiekader.

Decr. 17-6-2016

Art. V.68.

§ 1. Het universiteitsbestuur kan een mandaat, vermeld in artikel V.80, 16°, of een mandaat van departementshoofd, vermeld in artikel V.127, toegekend aan een personeelslid in het integratiekader vóór de integratie in de universiteit, vroegtijdig stopzetten als de bijzondere opdracht of de functie van departementshoofd binnen de universiteit zonder voorwerp is.

Met behoud van de toepassing van artikel V.156, §3, artikel V.180, §3, en artikel V.183, tweede lid, vervallen in dat geval, vanaf de datum van de beslissing, de mandaatsvergoeding of de niet-verworven salarisschaal, verbonden aan het mandaat.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 worden de personeelsleden die voor de integratie belast waren met het mandaat van algemeen directeur en die na de integratie opgenomen zijn in het integratiekader van een universiteit, definitief ingeschaald in de salarisschaal van gewoon hoogleraar. De betrokken personeelsleden verliezen wel de bevoegdheid van algemeen directeur en kunnen evenmin deze titel nog dragen.

In afwijking van paragraaf 1 verwerft een personeelslid dat voor de integratie belast was met het mandaat van bibliothecaris, en dat na de integratie opgenomen is in het integratiekader van een universiteit, definitief de salarisschaal, vermeld in artikel V.156, §1.

Art. V.69.

Een universiteit kan in het integratiekader geen nieuwe personeelsleden aanstellen of benoemen. Nieuwe personeelsleden zijn personeelsleden die op 1 februari 2013 niet opgenomen zijn in het integratiekader. Personeelsleden die overeenkomstig artikel V.220 overgedragen worden naar het integratiekader worden niet beschouwd als nieuwe personeelsleden in het integratiekader.

Een personeelslid dat op 1 februari 2013 een titularis in een betrekking vervangt, kan na beëindiging van die aanstelling niet opnieuw aangesteld worden in het integratiekader.

Art. V.70.

Statutair tijdelijk aangestelde lectoren en praktijkassistenten in het integratiekader, met een dienstanciënniteit van tien jaar op 30 september 2013, worden door de universiteit bij een gunstige evaluatie benoemd in het ambt van lector in het integratiekader. Voor de berekening van de vereiste dienstanciënniteit worden de diensten meegenomen, vermeld in artikel V.118, en de werkelijke diensten die het personeelslid in een contractueel dienstverband gepresteerd heeft in de hogeschool.

Art. V.71.

Statutair tijdelijk aangestelde leden van het administratief en technisch personeel in het integratiekader, met een dienstanciënniteit van 5 jaar in de hogescholen op 30 september 2013, berekend overeenkomstig artikel V.195, 1°, worden door de universiteit bij een gunstige evaluatie benoemd in het integratiekader.

Art. V.72.

Na de integratie geeft de universiteit de wijzigingen, vermeld in artikel V.210, door aan de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap volgens de geldende afspraken of regelgeving.

De Vlaamse Regering maakt jaarlijks een aangepaste lijst van de personeelsleden in het integratiekader kenbaar die de situatie op 1 januari van dat jaar weergeeft.

Art. V.73.

Het universiteitsbestuur kan met het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming een overeenkomst sluiten over de betaling van de salarissen, in voorkomend geval met inbegrip van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage, de mandaatsvergoedingen, de premies en vergoedingen vermeld in artikel V.162 en V.179, de vergoedingen vermeld in artikel V.163, van de personeelsleden in het integratiekader.

In voorkomend geval verzorgt de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap de betalingen voor de personeelsleden in het integratiekader overeenkomstig de artikelen V.165, V.166, V.167, V.184, V.185 en V.186. De betaling gebeurt op basis van de gegevens verstrekt door het universiteitsbestuur en onder zijn verantwoordelijkheid.

De eerste overeenkomst heeft een minimale looptijd van 5 jaar.

Afdeling 2. Rangschikking in het kader van het academisch personeel of van het administratief en technisch personeel

Art.V.74.

§ 1. Het universiteitsbestuur kan de leden van het onderwijzend personeel van groep 3 in het integratiekader vanaf het begin van het academiejaar 2013-2014 rangschikken in een graad van het zelfstandig academisch personeel of van het administratief en technisch personeel in het universitaire kader. De universiteit stelt daartoe een reglement op vóór 1 april 2013. Bij de onderhandelingen over dit reglement wordt de samenstelling van de personeelsafgevaardigden, zoals vastgelegd in artikel V.67, §2, gerespecteerd.

In afwijking van artikel V.25 en V.51 is voor een rangschikking in het universitaire kader van een personeelslid van groep 3 uit het integratiekader geen voorafgaande openbare vacature vereist.

§ 2. Bij de vaststelling van de voorwaarden en criteria, vermeld in artikel V.23 en V.24, houdt het universiteitsbestuur rekening met het profiel van het vakgebIed van de overgenomen opleiding.

§ 3. De vast benoemde personeelsleden van groep 3 die, overeenkomstig paragraaf 1, gerangschikt worden in 1 van de,graden van het zelfstandIg academisch personeel, worden benoemd als lid van het zelfstandig academisch personeel.

Bij de tijdelijk aangestelde personeelsleden van groep 3 die, overeenkomstig paragraaf 1, gerangschikt worden in 1 van de graden van het zelfstandig academisch personeel, wordt de periode die het betrokken personeelslid in het integratiekader tewerkgesteld is vanaf 1 oktober 2013 meegerekend voor het berekenen van de periode van aanstelling in tijdelijk dienstverband met uitzicht op een vaste benoeming, vermeld in artikel V.28.

De vast benoemde personeelsleden van groep 3 die, overeenkomstig paragraaf 1, gerangschikt worden in 1 van de graden van het administratief en technisch personeel aan de Universiteit Gent, de Universiteit Hasselt en de Universiteit Antwerpen, worden benoemd als lid van het administratief en technisch personeel.

§ 4. De personeelsleden die gerangschikt worden in 1 van de graden van het zelfstandig academisch personeel, verkrijgen in de salansschaal die verbonden is aan hun graad, ten minste het jaarsalaris dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan het jaarsalaris aan 100%, dat ze genoten in hun vorige dienstverband.

De personeelsleden die gerangschikt worden in 1 van de graden van het administratief en technisch personeel, verkrijgen in de salarisschaal die verbonden is aan hun graad, ten minste het jaarsalaris dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan het jaarsalaris aan 100% dat ze genoten in hun vorige dienstverband.

Art. V.75.

§ 1.Tijdelijke assistenten van het onderwijzend personeel van groep 2 in het integratiekader kunnen door het universiteitsbestuur bij de verlenging van hun mandaat gerangschikt worden in de graad van assistent in het universitaire kader.

Doctor-assistenten van het onderwijzend personeel van groep 2 in het integratiekader kunnen bij de verlenging van hun mandaat gerangschikt worden in de graad van doctor-assistent in het universitaire kader.

§ 2. Voor de berekening van de maximale duur van een aanstelling als tijdelijk assistent of doctor-assistent in het universitaire kader, als vermeld in artikel V.30, worden voor de persineelsleden vermeld in paragraaf 1, de gepresteerde jaren als assistent of doctor-assistent aan een hogeschool of In het integratiekader mee in rekening gebracht.

Een personeelslid dat aan een hogeschool of in het integratiekader het volledige mandaat voltooid heeft, kan niet aangesteld worden als tijdelijke assistent of doctor-assistent in het universitaire kader.

§ 3. Het universiteitsbestuur kan [de lectoren en hoofdlectoren van het onderwijzend personeel van groep 1 en] de werkleiders en vast benoemde assistenten van het onderwijzend personeel van groep 2 in het integratiekader vanaf het begin van het academiejaar 2013-2014 rangschikken in een graad van het administratief en technisch personeel in het universitaire kader. In afwijking van artikel V.51 zijn in dat geval geen openbare vacature en vergelijkende selectieprocedure vereist.

De in het eerste lid vermelde personeelsleden die gerangschikt worden in een van de graden van het administratief en technisch personeel, verkrijgen in de salarisschaal die verbonden is aan hun graad, ten minste het jaarsalaris dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan het jaarsalaris aan 100% dat ze in hun vorige dienstverband genoten.

De vast benoemde personeelsleden [...] die, overeenkomstig het eerste lid, gerangschikt worden in een van de graden van het administratief en technisch personeel aan de Universiteit Gent, de Universiteit Hasselt en de Universiteit Antwerpen, worden benoemd als lid van het administratief en technisch personeel.

Decr. 25-4-2014

Art.V.76.

§ 1. Het universiteitsbestuur kan de leden van het administratief en technisch personeel in het integratiekader vanaf het begin van het academiejaar 2013-2014 rangschikken in een graad van het administratief en technisch personeel in het universitaire kader, alsook de leden van het administratief en technisch personeel, vermeld in artikel V.220. In afwijking van artikel V.51 zijn in dat geval geen openbare vacature en vergelijkende selectieprocedure vereist.

De vastbenoemde leden van het administratief en technisch personeel die, overeenkomstig het eerste lid, gerangschikt worden in 1 van de graden van het administratief en technisch personeel aan de Universiteit Gent, de Universiteit Hasselt en de Universiteit Antwerpen, worden benoemd als lid van het administratief en technisch personeel.

De in het eerste lid vermelde personeelsleden die gerangschikt worden in 1 van de graden van het administratief en technisch personeel, verkrijgen in de salarisschaal die verbonden is aan hun graad ten minste het jaarsalaris dat gelijk is aan of onmiddellijk hoger is dan het jaarsalaris aan 100% dat ze in hun vorig dienstverband genoten.

§ 2. Voorafgaand aan de integratieoperatie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten en tot op het einde van het academiejaar 2012-2013, kan het universiteitsbestuur een lid van het administratief en technisch personeel of van het contractueel personeel, voor zover deze laatste voldoet aan de voorwaarden van artikel V.191, §3, en in dienst was op 1 oktober 2012, van een hogeschool die behoort tot de associatie van de desbetreffende universiteit, rangschikken in een graad van het administratief en technisch personeel in het universitaire kader zonder voorafgaande openbare vacature.

De bepalingen van het tweede en derde lid van paragraaf 1 van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op deze personeelsleden.

Art. V.77.

Een rangschikking in het universitaire kader van een personeelslid van het integratiekader of van een personeelslid opgenomen in de lijst vermeld in artikel V.219 vereist de instemming van het betrokken personeelslid.

De personeelsleden die gerangschikt worden in het universitaire kader, worden geschrapt van de lijst, vermeld in artikel V.209 of van de lijst, vermeld in artikel V.219. De rechtspositieregeling zoals vastgelegd in dit decreet is vanaf de rangschikking in het universitaire kader op deze personeelsleden van toepassing.

Afdeling 3. Contractuele personeelsleden verbonden aan de academische hogeschoolopleidingen

Art. V.78.

De arbeidsovereenkomst van de personeelsleden die op het ogenblik van de integratie verbonden zijn aan een academische opleiding die met ingang van het academiejaar 2013-2014 integreert in een universiteit of aan een onderzoeksproject gerelateerd aan een dergelijke opleiding, wordt met ingang van 1 oktober 2013 overgenomen door de desbetreffende universiteit.

Art. V.79.

Personeelsleden waarvan de universiteit de arbeidsovereenkomst overgenomen heeft en die overeenkomstig artikel V.191 voldeden aan de voorwaarden om binnen de hogeschool zonder nieuwe vacature overgeheveld te worden naar een betrekking van de personeelsformatie van het administratief en technisch personeel met behoud van hun verworven graad, salarisschaal en anciënniteit, worden binnen de universiteit geacht te voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in artikel V.58 of V.306.

TITEL 2. Personeel van de hogescholen

Hoofdstuk 1. Gemeenschappelijke bepalingen

Afdeling 1. Definities

Art. V.80.

In de bepalingen van deze codificatie die betrekking hebben op het personeel van de hogescholen wordt verstaan onder :

1° aanstelling : het tijdelijk voor bepaalde of voor onbepaalde duur toewijzen van een betrekking aan een personeelslid;

2° ambt : een functie die door een personeelslid in de hogeschool wordt uitgeoefend, door de Vlaamse Gemeenschap wordt gefinancierd en waarvan de arbeidsvoorwaarden in hoofdzaak in onderhavige rechtspositieregeling vastgelegd zijn;

3° ambtswijziging : de aanstelling of benoeming van een personeelslid van de hogeschool in een ander ambt of een andere graad of niveau, zoals bedoeld in artikel V.174, binnen de hogeschool;

4° artistiek gebonden onderwijsactiviteiten : door het hogeschoolbestuur bepaalde onderwijsactiviteiten van zuiver artistieke aard in de studiegebieden Architectuur, Audiovisuele en beeldende kunst, Muziek en podiumkunsten, en Productontwikkeling die rechtstreeks gericht zijn op de beoefening van de kunst;

5° artistieke faam : de erkenning van de vermaardheid van een persoon in een kunsttak of aan de kunsten gerelateerde beroepstak als voorwaarde tot concordantie tot docent, zoals bedoeld in artikel V.263;

6° benoeming : het in vast verband toewijzen van een betrekking aan een personeelslid;

7° bekwaamheidsbewijs : het samenhangend geheel van vereisten die aan een persoon worden gesteld voor de uitoefening van een bepaald ambt. Deze vereisten kunnen een combinatie zijn van onder andere het bezit van een bepaald diploma, nuttige ervaring, een aanvullend getuigschrift;

8° betrekking : de concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt in een hogeschool, uitgedrukt in een door het hogeschoolbestuur bepaald procentueel aandeel per week. Een betrekking kan voltijds of deeltijds zijn;

9° bevordering : de benoeming van een benoemd personeelslid in een ambt waaraan een hogere salarisschaal verbonden is dan aan het ambt waarvan hij titularis was vóór zijn bevordering;

10° contractuele functie : een functie uitgeoefend door een personeelslid dat door de hogeschool in dienst genomen is overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of bij contract op zelfstandige basis;

11° deeltijdse betrekking voor leden van het administratief en technisch personeel : een betrekking met een opdracht waarvan de omvang ten minste 10% van een voltijdse betrekking bedraagt;

12° deeltijdse betrekking voor leden van het onderwijzend personeel : een betrekking met een opdracht waarvan de omvang een procentueel aandeel van een voltijdse betrekking bedraagt. Het procentueel aandeel bedraagt ten minste 10% van een voltijdse betrekking, en wordt steeds uitgedrukt in een veelvoud van 5. Voor de bepaling van het procentueel aandeel komt elke halve dag per week die besteed wordt ten dienste van de hogeschool overeen met 10%;

13° diensturen : de tijd die de leden van het administratief en technisch personeel ambtshalve dienen te besteden aan de uitoefening van de opdracht waarmee zij door de hogeschool werden belast binnen het kader van de gangbare arbeidsduurregeling;

14° geldelijke anciënniteit : het totaal van de in aanmerking komende diensten voor de vaststelling van het salaris van het personeelslid;

15° inschaling : het toekennen van een salarisschaal, met inbegrip van geldelijke anciënniteit, aan een personeelslid;

16° mandaat : een bijzondere taak die tijdelijk aan een personeelslid toegewezen wordt krachtens een bijzondere machtiging van het hogeschoolbestuur;

17° nevenactiviteiten : elke bezigheid door een personeelslid uitgeoefend naast de opdracht waarvoor het ten principale titel aangesteld of benoemd is aan de hogeschool;

18° nuttige anciënniteit : het aantal jaren van de totale geldelijke anciënniteit dat op de eerste dag van de maand recht geeft op een salarisverhoging;

19° onderwijsactiviteiten : de algemene benaming voor theoretische vakken, oefenzittingen, practica, laboratoria, didactische activiteiten, de aan de student individueel opgelegde werken en de stages;

20° onderwijsbevoegdheid : het geheel van opleidingen [...]¹ die de hogeschool bij of krachtens deze codificatie kan organiseren;

21° opdracht : de prestaties, uitgedrukt in procenten, per week door het personeelslid geleverd in een bepaald ambt in een hogeschool;

22°[praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek]² : onderzoek in samenwerking met de universiteiten of derden waarbij vooraf het onderwerp, de duur en de modaliteiten worden vastgelegd;

23° salaris : de bezoldiging die een personeelslid ingevolge zijn betrekking overeenkomstig een vastgestelde schaal ontvangt;

24° titularis : het personeelslid dat in een vacante betrekking benoemd of aangesteld werd; het personeelslid dat tijdelijk de titularis vervangt is geen titularis van de betrekking;

25° vacante betrekking : een betrekking die niet toegewezen is aan een titularis door benoeming of aanstelling;

26° voltijdse betrekking : een betrekking waaraan een opdracht van 100% verbonden is en die een volledige beschikbaarheid voor de hogeschool inhoudt, gedefinieerd overeenkomstig de gangbare arbeidsduurregeling;

27° werving : eerste aanstelling of benoeming tot personeelslid in een ambt voorzien op de personeelsformatie van de hogeschool.

[ ]¹ Decr. 25-4-2014; [ ]² Decr. 19-6-2015

Afdeling 2. Administratieve standen

Onderafdeling 1. Algemene bepalingen

Art. V.81.

De administratieve standen waarin de personeelsleden zich geheel of gedeeltelijk kunnen bevinden zijn :

1° dienstactiviteit;

2° non-activiteit;

3° terbeschikkingstelling.

Art. V.82.

Voor de vaststelling van zijn administratieve stand wordt een personeelslid altijd geacht zich in dienstactiviteit te bevinden, behoudens een uitdrukkelijke bepaling die het personeelslid van rechtswege of bij beslissing van het hogeschoolbestuur in een andere administratieve stand plaatst.

Onderafdeling 2. Dienstactiviteit

Art. V.83.

Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling, heeft het personeelslid in dienstactiviteit recht op een salaris en op verhoging in salaris en kan het zijn aanspraak doen gelden op bevordering.

Art. V.84.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een personeelslid verlof gelijkgesteld met dienstactiviteit kan krijgen.

Art. V.85.

§1. Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de vakantieregeling van het personeel.

De leden van het onderwijzend personeel hebben per academiejaar recht op minstens 9 weken vakantie.

De leden van het administratief en technisch personeel hebben jaarlijks recht op minstens 35 werkdagen vakantie.

§2. Het tijdstip van het opnemen van de vakantiedagen kan afhankelijk gemaakt worden van de organisatie van het academiejaar. De bezoldigde vakantiedagen worden gelijkgesteld met dienstactiviteit.

[Art. V.85/1.

Het personeelslid heeft recht op borstvoedingspauzes op het werk conform de bepalingen die opgenomen zijn in de cao nr. 80 van de Nationale Arbeidsraad van 27 november 2001 zoals gewijzigd bij de cao nr. 80bis van 13 oktober 2010.

De periode van de borstvoedingspauze wordt bezoldigd en is gelijkgesteld met dienstactiviteit.]

Decr. 17-6-2016

Onderafdeling 3. Non-activiteit

Art. V.86.

Behoudens andersluidende bepaling, heeft het personeelslid in de stand non-activiteit geen recht op salaris. Het maakt alleen onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden aanspraak op verhoging tot een hoger salaris en op bevordering.

Art. V.87.

Niemand kan volledig in de stand non-activiteit gesteld of gehouden worden na het einde van de maand waarin hij of zij aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de schatkist en 30 dienstjaren telt die in aanmerking komen voor de berekening van het rustpensioen.

Art. V.88.

Onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden bevindt het personeelslid zich in de stand non-activiteit :

1° wanneer het in vredestijd sommige militaire prestaties vervult of voor de civiele bescherming dan wel voor taken van openbaar nut wordt aangewezen op grond van de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980;

2° wanneer het een afwezigheid van lange duur gewettigd door familiale redenen wordt toegestaan;

3° wanneer het afwezig is op grond van een toestemming om zijn ambt met verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid uit te oefenen. In dit geval is het personeelslid in non-activiteit voor de niet-uitgeoefende prestaties;

4° wanneer het met politiek verlof is met inbegrip van de periode van eventuele uitgestelde indiensttreding na het beëindigen van het mandaat;

5° wanneer het personeelslid met toepassing van artikel V.170 ambtshalve deeltijds wordt. De non-activiteit heeft betrekking op het gedeelte van de opdracht dat niet meer uitgeoefend wordt.

Art. V.89.

Ongewettigde afwezigheid plaatst het personeelslid ambtshalve in de stand non-activiteit, onverminderd de tuchtstraf die eraan kan worden verbonden.

Tijdens de periodes van ongewettigde afwezigheid kan het personeelslid geen aanspraak maken op bevordering tot een hoger salaris, noch op bevordering.

Onderafdeling 4. Terbeschikkingstelling