Besluit van de Vlaamse Regering tot ontvankelijkheid en gelijkwaardigheid van een aanvraag tot afwijking van de eindtermen, wat de tweede graad technisch secundair onderwijs betreft

  • goedkeuringsdatum
    23 december 2016
  • publicatiedatum
    B.S.06/03/2017
  • datum laatste wijziging
    06/03/2017

DE VLAAMSE REGERING,

Gelet op de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2011, artikel 147;

Gelet op de aanvraag van augustus 2016 van de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw, Gitsschotellei 188 in 2140 Antwerpen, tot afwijking van de eindtermen van de tweede graad technisch secundair onderwijs;

Gelet op het gemotiveerde positieve advies over de ontvankelijkheid en de gelijkwaardigheid van de aanvraag van de Federatie Steinerscholen Vlaanderen, opgesteld op 4 november 2016 door enerzijds een commissie van onafhankelijke deskundigen en anderzijds de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 14 december 2016;

Overwegende het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000 tot vaststelling van de vakgebonden eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs, bekrachtigd bij het decreet van 18 januari 2002, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 maart 2015, bekrachtigd bij het decreet van 29 mei 2015;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

De aanvraag tot afwijking van de eindtermen van de tweede graad van het technisch secundair onderwijs, wat aardrijkskunde, Engels, Frans, geschiedenis, Nederlands, natuurwetenschappen en wiskunde betreft, ingediend door de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw, Gitsschotellei 188 in 2140 Antwerpen, is ontvankelijk. De vervangende eindtermen, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, worden gelijkwaardig verklaard.

Art. 2.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE

Vervangende eindtermen tweede graad technisch secundair onderwijs van de Federatie Steinerscholen Vlaanderen vzw als vermeld in artikel 1

Het geheel van de eindtermen tweede graad technisch secundair onderwijs, met uitzondering van lichamelijke opvoeding, vastgelegd in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2000 tot vaststelling van de vakgebonden eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 maart 2015, wordt voor de Federatie Steinerscholen Vlaanderen VZW vervangen door de hierna volgende eindtermen.

De eindtermen, aangeduid met het symbool *, zijn attitudinale eindtermen.

1. Aardrijkskunde

1.1. Motivering en toelichting

De steinerscholen nemen het standpunt in dat leerlingen eerst de fysische aardrijkskunde grondig moeten beheersen om in een later stadium (derde graad) de sociale en humane geografie aan te kunnen. In hun visie is het zo dat de kennis van de fysische processen van platentektoniek, klimaat enz. noodzakelijk is om in de derde graad de sociale en economische problematiek van de continenten te kunnen behandelen. Ten opzichte van de door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen betekent dit een omgekeerde aanpak.

Een andere - fundamentelere - reden is dat de steinerpedagogie op grond van innerlijke groeiwetmatigheden van jongeren in de tweede graad de innerlijke turbulenties van de 15-16-jarigen wil ondersteunen met leerstof over de fysische turbulenties die zich op de aarde voordoen. Het bewust openstaan voor idealen, gemeenschapszin enz. situeert zich eerder bij adolescenten van de derde graad. Daarom kiest men er in de steinerpedagogie voor om in deze leeftijd de focus te leggen op sociale en economische verhoudingen, woon- en cultuurvormen, volkeren en levensbeschouwingen.

Een gedeelte van de eindtermen aardrijkskunde passen in een vakoverschrijdende planning waarbij de leerplanrealisaties van de vakken exploratie, biologie en chemie met die van het vak aardrijkskunde op elkaar afgestemd worden.

1.2. Vervangende eindtermen

Context, autonomie en verantwoordelijkheid

De volgende eindtermen voor de tweede graad TSO worden gelezen vanuit de persoonlijke, sociale en mondiale context en dat met behulp van ondersteunende technieken.

1.2.1 Algemeen

De leerlingen

ET 1 kunnen aardrijkskundige informatie raadplegen en verwerken gebruikmakend van beschikbare, hedendaagse informatiebronnen en technieken;

ET 2. kunnen een verscheidenheid aan ruimtelijke wetenschappen verbinden met allerlei beroepen en onderzoeksdomeinen;

ET 3. kunnen vereenvoudigde geologische kaarten en bodemkaarten lezen;

ET 4. kunnen een kaartvoorstelling kiezen in functie van het gebruik;

ET 5. bepalen een standplaats door middel van beschikbare hedendaagse technieken en methodes.

1.2.2. Reliëfvormen en opbouw van de aarde

De leerlingen

ET 6. stellen op een eenvoudige manier aardrijkskundige gegevens cartografisch voor;

ET 7. herkennen de voornaamste reliëfvormen in het landschap en op afbeeldingen ervan;

ET 8. beschrijven en lokaliseren op een wereldkaart de belangrijkste reliëfgebieden van de wereld op continenten en oceaanbodem;

ET 9. verklaren de processen van verwering, erosie en sedimentatie, d.w.z. ze kennen de begrippen en herkennen enkele soorten van verschijnselen in het landschap of op afbeeldingen ervan;

ET 10. kennen de samenhang van de grote reliëfstructuren als resultaat van opbouw- en afbraakprocessen;

ET 11. zoeken naar een verklaring voor het ontstaan van een landschap vanuit de directe of indirecte waarneming;

ET 12. kennen de geologische tijdschaal en belangrijke stappen in de evolutie van de aarde, het klimaat en het leven;

ET 13. kennen het theoretische model van de inwendige opbouw van de aarde;

ET 14. kunnen eenvoudige reliëfvormen op een samenhangende manier in verband brengen met lithologische kenmerken, geologische structuren en geomorfologische processen.

1.2.3. Platentektoniek

De leerlingen

ET 15. verwoorden de krachtlijnen van het model van de platentektoniek als verklaring voor de vorming van continenten en reliëf, aardbevingen en vulkanisme;

ET 16. weten dat de theorie van de platentektoniek een model is naast andere mogelijke verklaringen.

1.2.4. Aardbevingen

De leerlingen

ET 17. kennen de verschillen in intensiteit van aardbevingen;

ET 18. beschrijven een aardbeving als uitwerking van verschillende oorzaken;

ET 19. verklaren aan de hand van berichten in verband met aardbevingen (verhalen over historische aardbevingen, pers, internet) en lokalisatie op de wereldkaart mogelijke oorzaken voor deze verschijnselen;

ET 20. brengen aardbevingsgebieden in relatie met het model van de platentektoniek.

1.2.5. Vulkanisme

De leerlingen

ET 21. kunnen de kenmerken (vorm, ligging, begeleidende verschijnselen) van verschillende soorten van vulkanen opsommen en verklaren;

ET 22. beschrijven een vulkaanuitbarsting als uitwerking van verschillende oorzaken;

ET 23. verklaren aan de hand van berichten in verband met vulkaanuitbarstingen (historische uitbarstingen, pers, internet e.d. ) en lokalisatie op de wereldkaart mogelijke oorzaken voor deze verschijnselen;

ET 24. brengen vulkanische gebieden in relatie met het model van de platentektoniek.

1.2.6. Atmosfeer

De leerlingen

ET 25. kennen de samenstelling en de opbouw van de atmosfeer;

ET 26. kunnen een aantal functies van de atmosfeer opsommen en verklaren;

ET 27. brengen weer en klimaat in verband met opbouw van en met processen in de atmosfeer;

ET 28. leggen een verband tussen enkele atmosferische milieuproblemen en menselijk gedrag (op basis van satellietbeelden, kaarten, afbeeldingen e.d.);

ET 29. demonstreren inzicht in een aantal dynamische aspecten van de atmosfeer.

1.2.7. Weerkunde

De leerlingen

ET 30. beschrijven met behulp van eigen waarnemingen en meettoestellen: temperatuur, luchtdruk, luchtvochtigheid, windrichting, windkracht, bewolking enz.;

ET 31. lezen en interpreteren een eenvoudige weerkaart;

ET 32. schatten een weersituatie in door rekening te houden met weerkaarten en -berichten.

1.2.8. Klimatologie

De leerlingen

ET 33. lezen en interpreteren tabellen en grafieken van klimatologische elementen zoals temperatuur- en neerslagverdeling;

ET 34. kennen de verschillende klimaattypes en hun natuurlijke vegetatie;

ET 35. sommen beïnvloedende factoren op de verschillende klimaatelementen op;

ET 36. beschrijven enkele belangrijke windsoorten en hun relatie met enkele klimatologische elementen;

ET 37. beschrijven enkele belangrijke zeestromingen en hun relatie met enkele andere klimatologische elementen;

ET 38. interpreteren een klimaat aan de hand van temperatuur, neerslag en algemene luchtcirculatie;

ET 39. duiden op de wereldkaart grote klimaatzones aan en verklaren deze.

1.2.9. Kosmos

De leerlingen

ET 40. geven de bewegingen in het zonnestelsel en de gevolgen ervan op aarde aan;

ET 41. verwoorden op een samenhangende wijze het ontstaan en de structuur van het heelal aan de hand van een aantal astronomische begrippen;

ET 42. kunnen met een toepassing uit het ruimteonderzoek, het maatschappelijk nut ervan illustreren.

1.2.10. Ecologie

De leerlingen

ET 43. kennen de begrippen biosfeer en ecologie;

ET 44. demonstreren inzicht in de beperkte draagkracht van de aarde in verband met voedsel, energie en grondstoffen;

ET 45. demonstreren begrip van een aantal milieuproblemen vanuit de ecologie;

ET 46. ontwikkelen een op inzicht gestoelde, respectvolle houding tegenover het milieu;*

ET 47. ontwikkelen een verantwoordelijkheidsgevoel voor de aarde.*

1.2.11. Landschappen

De leerlingen

ET 48. beschrijven, op basis van terreinwaarnemingen, minstens één landschaptype gedetailleerd, met aandacht voor reliëf (hoogte, horizonlijn, hoogteverschillen, helling, bodembezetting, plantengroei, ecologische waarde van het gebied enz.);

ET 49. maken gebruik van enkele methodes, o.a. de polygonatiemethode en de voerstraalmethode, om een terrein op te meten;

ET 50. kunnen op basis van terreinmetingen: - minstens één landschapstype gedetailleerd beschrijven, - een afgebakend gebied gedetailleerd in kaart brengen, - een juiste relatie inschatten tussen schaal en kaartinhoud; ET 51. reconstrueren en beschrijven een landschap op basis van cartografisch materiaal;

ET 52. met een toepassing van GIS de betekenis ervan voor de samenleving illustreren.

2. Engels en Frans

2.1. Motivering en toelichting

2.1.1. Toelichting bij de vervangende eindtermen

Voor de eindtermen van het technisch secundair onderwijs is zowel de structurering als het gros van de door de overheid bepaalde eindtermen overgenomen. Er is wel een rubriek "beleving van taalrijkdom" aan toegevoegd.

2.1.2. Toevoeging van de rubriek "beleving van taalrijkdom"

Hoewel het strikt genomen geen vaardigheid genoemd kan worden, en het eerder over het ervaren van de eigenheid van de andere taal gaat, voegen de steinerscholen onder een nieuwe rubriek "beleving van taalrijkdom" een aantal eindtermen toe. Dit heeft enerzijds consequenties voor het soort teksten dat men gebruikt in het vreemdetalenonderwijs en anderzijds heeft het een band met (inter)culturele gerichtheid of de culturele component. De steinerscholen delen de bekommernis van de overheid zoals uitgedrukt in de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen vreemde talen:

"Deze component mag zeker niet worden beperkt tot het belichten van een aantal geografische, historische of literaire gegevens die als typisch voor deze cultuur ervaren worden. Het is belangrijker dat de leerlingen inzicht krijgen in de werking van andere culturen. Meer concreet gaat het om de geldende waarden en attituden zoals zij zich concretiseren in het dagelijks leven en om sociale en rituele conventies. Het betreft niet enkel kunsten en letteren maar ook levenswijzen, waardesystemen, tradities en overtuigingen. Cultuur wordt in de volle breedte beschouwd: van details in de socio-culturele sfeer tot interculturele communicatie tussen culturen. Kortom: cultuur omvat de hele waaier van onderscheiden spirituele, materiële, intellectuele en emotionele uitdrukkingen die een gemeenschap of een sociale groep karakteriseren. Op die manier zal in principe ook een grotere openheid ten opzichte van culturele diversiteit ontstaan." (1)

De steinerpedagogie wil aan al het bovenstaande nog een dimensie toevoegen. In essentie communiceren niet de culturen met elkaar maar wel individuen met een verschillende culturele achtergrond. Leerlingen in contact brengen met een vreemde taal is de manier bij uitstek om openheid en interesse voor het `andere dan ik zelf' te wekken en te ontwikkelen; een pedagogische opdracht die van het grootste belang is in onze tijd.

Taal is sowieso meer dan louter een zakelijk communicatiemiddel en communicatie is meer dan taal. Dit gegeven heeft consequenties voor de visie op vreemdetalenonderwijs van de steinerscholen. Naast communicatiemiddel is een taal dan ook een drager van het cultureel erfgoed van een volk. Taal, als organisch en levend cultuurgoed, mogen we gerust beschouwen als het belangrijkste uitdrukkingsmiddel van de mens. Het weerspiegelt in zijn eigenheid de nuances van hoe de realiteit beleefd wordt door de mens die deze taal spreekt. Taal is a.h.w. een kunstig bouwsel van een diepliggende cultuur en geaardheid. Een vreemde taal leren, als een organisch en levend cultuurgoed, is dus een middel om die cultuur en geaardheid niet oordelend tegemoet te treden. De vreemde taal verbindt ons zo met houdingen, conventies, waarden, denken als uitdrukkingen van een specifieke cultuur.

Meer dan de gewone informatieve, prescriptieve en narratieve teksten zijn artistiek-literaire teksten uitingen van de `levende taal' en middel bij uitstek om zich diepgaand te verbinden met andere culturen. Deze artistiek-literaire teksten kunnen een uiteenlopende moeilijkheidsgraad hebben van eenvoudige kinderpoëzie en rijmpjes tot grote literaire romans en epische gedichten of theaterteksten. Als men de literaire tekst via dramatische werkvormen in de klas kan brengen, komt de vreemde taal op een unieke manier tot leven. Literatuur was in de eerste plaats een orale kunst. Via taalbeleving in een vreemde taal komt men tot het beleven van het eigene van de cultuur van de andere. Daarom kiezen de steinerscholen ervoor om ook een rubriek beleving van taalrijkdom aan de eindtermen toe te voegen. De teksten die men voor deze eindtermen gebruikt, beperken zich niet tot het niveau beschreven voor de teksten van de andere rubrieken.

2.1.3. Taaltaak en tekst

De steinerscholen volgen eveneens de betekenis van het woord "tekst" zoals in de definitie van de Raad van Europa het geval is, waarbij `tekst' verwijst naar elke boodschap die door leerlingen geproduceerd of ontvangen wordt, zowel mondeling als schriftelijk.

Ook het hierna geciteerde uit de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen vreemde talen is van toepassing voor de steinerscholen:

"Bij het bepalen van de moeilijkheidsgraad van eindtermen moet met een aantal factoren rekening worden gehouden. Eerst en vooral zullen niet alle groepen leerlingen met dezelfde teksten moeten kunnen omgaan. Bovendien hoeft de moeilijkheidsgraad van de teksten niet voor alle leerlingen dezelfde te zijn en tenslotte zullen niet alle leerlingen de teksten in dezelfde mate moeten beheersen. Daarom wordt geopteerd voor differentiatie op basis van tekstsoorten, tekstkenmerken en verwerkingsniveaus. Hoewel geen van deze elementen als absoluut criterium voor de aanduiding van de moeilijkheidsgraad van de taaltaak kan gelden, zorgt het samenspel van deze criteria voor voldoende differentiatieruimte." (2)

2.1.4 Tekstsoorten en tekstkenmerken

Voor de tekstsoorten en tekstkenmerken hanteren de steinerscholen eigen criteria omdat de artistiek-literaire teksten zoals hierboven beschreven een grote rol spelen in het vreemdetalenonderwijs van de steinerscholen.

Enerzijds kunnen de steinerscholen eveneens de volgende omschrijvingen hanteren voor hun eindtermen:

"Deze tekstsoorten worden omschreven op basis van wat als het meest dominante kenmerk van de tekst ervaren wordt :

• bij informatieve teksten het overbrengen van informatie;

• bij prescriptieve teksten het rechtstreeks sturen van het handelen van de ontvanger;

• bij narratieve teksten het verhalend weergeven van feiten en gebeurtenissen;

• bij argumentatieve teksten het opbouwen van een redenering;

• bij artistiek-literaire teksten het feit dat de esthetische component expliciet aanwezig is."

Anderzijds wordt er met name door de rubriek "beleving van taalrijkdom" er aan toe te voegen een eigen accent gelegd.

Ook voor de tekstkenmerken worden eigen keuzes gemaakt. Zo krijgen elementen die buiten de eigen leefwereld liggen een grotere aandacht. Het belangrijkste criterium voor een tekst op niveau van de leerlingen binnen de steinerpedagogie, is dat de leerlingen er zich innerlijk mee kunnen verbinden. Wat tot deze innerlijke verbinding leidt, kan soms ook buiten de leefwereld van de leerlingen in stricto senso behoren. Verder wordt er in de steinerscholen een grote waarde gehecht aan de ontwikkeling van het innerlijk van de leerlingen door aandacht te besteden aan de morele en beeldende waarde van de teksten.

Een uitzondering moet gemaakt worden voor de rubriek "beleven van taalrijkdom" waar wordt afgeweken van het bepalen van tekstsoort en tekstniveau.

2.1.5. Verwerkingsniveaus

De door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen Nederlands en Vreemde Talen onderscheiden vier verwerkingsniveaus, waarvan het volgende telkens het voorafgaande insluit (3):

kopiërend niveau

geboden informatie letterlijk weergeven;

beschrijvend niveau

geboden informatie in grote lijnen achterhalen, of ook : ze op een dergelijke wijze te horen of te lezen geven;

structurerend niveau

de informatie achterhalen en op persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen, of ook: ze op een dergelijke wijze te horen of te lezen geven;

beoordelend niveau

de informatie achterhalen, ordenen en beoordelen op basis van informatie uit andere bronnen, of ook: ze op een dergelijke wijze te horen of te lezen geven.

De steinerscholen hebben een enigszins afwijkende visie op de verwerkingsniveaus zoals beschreven in de uitgangspunten van de overheid. Hoewel `kopiëren' in die uitgangspunten als laagste verwerkingsniveau gezien wordt, hechten de steinerscholen er vooral in de basisschool maar vaak ook in de secundaire scholen grote waarde aan. Kopiëren of nabootsen betekent meer dan uitsluitend uiterlijk nadoen. Bij het nabootsen kunnen de leerlingen ook innerlijk meebewegen. Ze kunnen op gevoelsniveau fijne nuances opvangen, ze kunnen innerlijke beelden vormen en er ontstaat een zekere opname in het geheugen. Met name als het om literaire teksten gaat, kan dat nabootsen nog tot in de hoogste klassen van het secundair onderwijs een meerwaarde bieden. Stijloefeningen zoals het nabootsen van de schrijfstijl van een bepaalde schrijver, vragen om een hoge beheersing van de taal. Theaterteksten uit het hoofd leren in het kader van een toneelvoorstelling kan, nadat de voorstelling voorbij is, tot een serieuze verhoging van het zelfvertrouwen aanleiding geven zodat men gemakkelijker spontaan in de vreemde taal durft te spreken.

Verder worden in de steinerschool vaak kunstzinnige werkvormen als evenwaardige verwerkingsvormen gezien op een beschrijvend niveau. Dat wat door de leerling innerlijk werd opgenomen, wordt in zekere zin beschrijvend weergegeven. Er heeft dan, in tegenstelling tot de omschrijving van het verwerkingsniveau `beschrijven' in de uitgangspunten van de door de overheid bepaalde eindtermen, wel al enige vorm van transformatie plaats gevonden.

2.1.6 Het Europees referentiekader MVT

De steinerscholen voeren ook de koppeling met het Europees Referentiekader door zoals weergegeven in de hierna volgende tabel:

Luisteren

Lezen

Spreken

Mondelinge interactie

Schrijven

Globaal

bao

A 1

A 1

A 1

A 1

A 1

A 1

1 A

A 1/A 2

A 1/ A 2

A 2

A 2

A 1/A 2

A 2

1 B

A 1

A 1

A 1

A 1

A 1

A 1

2 aso

A 2/B 1

A 2/B 1

B 1

B 1

B 1

B 1

2 bso

A 1

A 1

Geen ET

A 1

A 1

A 1

2 kso/tso

A 2

A 2

A 2

A 2

A 2

A 2

3 aso

B 1

B 1

B 1

B 1

B 1

B 1

3 bso (1+2)

A 1/A2

A 1/A2

A 1

A1/A 2

A 1

A 1

3 bso (3)

A 2

A1/A 2

A 1

A 2

A 1

A 2

3 kso/tso

A 2/B 1

A 2/B 1

A 2/B 1

A 2/B 1

A 2

A 2/B 1

2.2. Vervangende eindtermen

Taaltaken, verwerkingsniveaus, tekstsoorten, tekstkenmerken en strategieën

2.2.1. Luisteren

In teksten met de volgende kenmerken

- Onderwerp :

• concreet;

• vertrouwd en af en toe minder vertrouwd;

• eigen leefwereld en dagelijks leven;

• af en toe onderwerpen van meer algemene aard.

- Taalgebruiksituatie :

• concrete en voor de leerlingen relevante taalgebruiksituaties;

• af en toe ook met achtergrondgeluiden;

• met en zonder visuele ondersteuning;

• met aandacht voor digitale media.

- Structuur/ Samenhang/ Lengte :

• enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen;

• eenvoudige en duidelijke tekststructuur;

• vrij korte teksten;

• ook met redundante informatie.

- Uitspraak, articulatie, intonatie :

• heldere uitspraak;

• zorgvuldige articulatie;

• duidelijke, natuurlijke intonatie;

• standaardtaal.

- Tempo en vlotheid :

• rustig tempo.

- Woordenschat en taalvariëteit :

• frequente woorden;

• overwegend eenduidig in de context;

• ook met af en toe minimale afwijking van de standaardtaal;

• informeel en formeel;

kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :

ET 1. het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten;

ET 2. de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten;

ET 3. de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten;

ET 4. relevante informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten;

ET 5. een spontane mening vormen over informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten;

ET 6. de tekststructuur en -samenhang herkennen van informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten;

ET 7. cultuuruitingen herkennen die specifiek zijn voor een streek waar de doeltaal gesproken wordt;

ET 8. Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe:

• zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen;

• het luisterdoel bepalen en hun taalgedrag er op afstemmen;

• zeggen dat ze iets niet begrijpen en vragen wat iets betekent;

• gebruik maken van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst;

• vragen om langzamer te spreken, iets te herhalen;

• hypothesen vormen over de inhoud van de tekst;

• de vermoedelijke betekenis van transparante woorden afleiden;

• de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context;

• relevante informatie noteren.

2.2.2. Lezen In teksten met de volgende kenmerken

- Onderwerp :

• concreet;

• vertrouwd en af en toe minder vertrouwd;

• eigen leefwereld en dagelijks leven;

• af en toe ook onderwerpen van meer algemene aard.

- Taalgebruikssituatie :

• concrete en voor de leerlingen relevante taalgebruikssituaties;

• met en zonder visuele ondersteuning;

• ook met socioculturele verschillen tussen de Franstalige/Engelstalige wereld en de eigen wereld;

• met aandacht voor digitale media.

- Structuur/ Samenhang/ Lengte :

• enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen;

• eenvoudige en duidelijke tekststructuur;

• vrij korte teksten;

• ook met redundante informatie.

- Woordenschat en taalvariëteit :

• frequente woorden;

• overwegend eenduidig in de context;

• standaardtaal;

• informeel en formeel;

kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :

ET 9. het onderwerp bepalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;

ET 10. de hoofdgedachte achterhalen in informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;

ET 11. de gedachtegang volgen van informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;

ET 12. relevante informatie selecteren uit informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;

ET 13. een spontane mening vormen over informatieve, prescriptieve, narratieve, argumentatieve en artistiek-literaire teksten;

ET 14. de tekststructuur en -samenhang herkennen van informatieve, prescriptieve en narratieve teksten;

ET 15. cultuuruitingen herkennen die specifiek zijn voor een streek waar de doeltaal gesproken wordt.

ET 16. Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

• zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen;

• onduidelijke passages herlezen;

• het leesdoel bepalen en hun taalgedrag er op afstemmen;

• gebruik maken van ondersteunende gegevens (talige en niet-talige) binnen en buiten de tekst;

• digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen;

• hypothesen vormen over de inhoud van de tekst;

• de vermoedelijke betekenis van transparante woorden afleiden;

• de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context;

• relevante informatie aanduiden.

2.2.3. Spreken

In teksten met de volgende kenmerken

- Onderwerp :

• concreet;

• vertrouwd;

• eigen leefwereld en dagelijks leven;

• af en toe ook onderwerpen van meer algemene aard;

- Taalgebruiksituatie :

• concrete en voor de leerlingen relevante taalgebruiksituaties;

• af en toe met achtergrondgeluiden;

• met en zonder visuele ondersteuning;

• met aandacht voor digitale media; |

- Structuur/ Samenhang/ Lengte :

• enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen;

• eenvoudige en duidelijke tekststructuur;

• vrij korte teksten;

- Uitspraak, articulatie, intonatie :

• uitspraak, articulatie en intonatie die het begrip niet in de weg staan;

• standaardtaal;

- Tempo en vlotheid :

• met eventuele herhalingen en onderbrekingen;

• rustig tempo;

- Woordenschat en taalvariëteit :

• frequente woorden;

• standaardtaal;

• informeel en formeel;

kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :

ET 17. informatie uit informatieve, prescriptieve en narratieve teksten meedelen;

ET 18. beluisterde en gelezen informatieve en narratieve teksten navertellen;

ET 19. een spontane mening geven over informatieve, prescriptieve, narratieve en artistiek-literaire teksten;

ET 20. een situatie, een gebeurtenis of een ervaring beschrijven.

ET 21. Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

• zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen uitdrukken;

• het spreekdoel bepalen en hun taalgedrag er op afstemmen; |

• een spreekplan opstellen;

• gebruik maken van non-verbaal gedrag;

• gebruik maken van ondersteunend visueel en auditief materiaal;

• iets op een andere wijze zeggen; |

• digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen en rekening houden met de consequenties ervan;

• bij een gemeenschappelijke spreektaak talige afspraken maken, elkaars inbreng in de tekst benutten en elkaars tekst nakijken.

2.2.4. Mondelinge interactie

In teksten met de volgende kenmerken

- Onderwerp :

• concreet;

• eigen leefwereld en dagelijks leven;

• af en toe ook onderwerpen van meer algemene aard; |

- Taalgebruikssituatie :

• de gesprekspartners richten zich meestal direct tot elkaar;

• voor de leerlingen relevante taalgebruiksituaties;

• met en zonder visuele ondersteuning, met inbegrip van non-verbale signalen;

• met aandacht voor digitale media;

- Structuur/ Samenhang/ Lengte :

• enkelvoudige en samengestelde zinnen;

• duidelijke tekststructuur;

• korte, eenvoudige elementen verbonden tot een samenhangend geheel;

• vrij korte teksten;

- Uitspraak, articulatie, intonatie :

• heldere uitspraak;

• zorgvuldige articulatie;

• natuurlijke intonatie;

• standaardtaal;

- Tempo en vlotheid :

• met eventuele herhalingen en onderbrekingen;

• normaal tempo;

- Woordenschat en taalvariëteit :

• frequente woorden;

• toereikend om, eventueel met behulp van omschrijvingen, over de eigen leefwereld te spreken;

• standaardtaal;

• informeel en formeel;

kunnen de leerlingen volgende taken uitvoeren :

ET 22. de taaltaken gerangschikt onder "luisteren" en "spreken", in een gesprekssituatie uitvoeren;

ET 23. een eenvoudig gesprek beginnen, aan de gang houden en afsluiten.

ET 24. Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe: |

• zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles begrijpen of kunnen uitdrukken;

• het doel van de interactie bepalen en hun taalgedrag er op afstemmen;

• gebruik maken van non-verbaal gedrag;

• iets op een andere wijze zeggen;

• vragen om langzamer te spreken, iets te herhalen;

• zelf iets herhalen of iets aanwijzen om na te gaan of zij de andere gesprekspartner begrepen hebben;

• eenvoudige technieken toepassen om een kort gesprek te beginnen, gaande te houden en te beëindigen; |

• rekening houden met de belangrijkste conventies bij mondelinge interactie.

2.2.5. Schrijven In teksten met de volgende kenmerken

- Onderwerp :

• concreet;

• vertrouwd;

• eigen leefwereld en dagelijks leven;

- Taalgebruiksituatie :

• voor de leerlingen relevante en vertrouwde taalgebruiksituaties;

• met aandacht voor de digitale media;

- Structuur/ Samenhang/ Lengte :

• enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen;

• eenvoudige en duidelijke tekststructuur;

• vrij korte teksten;

- Woordenschat en taalvariëteit :

• frequente woorden;

• standaardtaal;

• informeel en af en toe formeel;

kunnen de leerlingen volgende taken beschrijvend uitvoeren :

ET 25. formulieren en vragenlijsten invullen;

ET 26. een mededeling schrijven;

ET 27. een situatie, een gebeurtenis, een ervaring beschrijven;

ET 28. alledaagse omgangsvormen en beleefdheidsconventies voor sociale contacten gebruiken.

kunnen de leerlingen volgende taken structurerend uitvoeren :

ET 29. eenvoudige, ook digitale correspondentie voeren.

ET 30. Indien nodig passen de leerlingen volgende strategieën toe :

• zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen uitdrukken;

• het schrijfdoel bepalen en hun taalgedrag er op afstemmen;

• een schrijfplan opstellen;

• gebruik maken van een model of van een in de klas behandelde tekst;

• digitale en niet-digitale hulpbronnen en gegevensbestanden raadplegen en rekening houden met de consequenties ervan;

• de passende lay-out gebruiken;

• de eigen tekst nakijken;

• bij een gemeenschappelijke schrijftaak talige afspraken maken, elkaars inbreng in de tekst benutten en elkaars tekst nakijken;

• rekening houden met de belangrijkste conventies van geschreven taal.

Kennis, beleving van taalrijkdom en attitudes

2.2.6. Kennis

ET 31. Om bovenvermelde taaltaken uit te voeren kunnen de leerlingen op hun niveau functionele beheersing van de volgende taalelementen inzetten :

Voor Engels :

De grammaticale en complementaire lexicale kennis om ...

Personen, dieren en zaken te benoemen

1. Te verwijzen naar personen, dieren en zaken

• Wat?/Wie?

• Zelfstandige naamwoorden: getal

• Lidwoorden: bepaald en onbepaald

• Voornaamwoorden: persoonlijk, bezittelijk en aanwijzend

• Hoeveel? De hoeveelste?

• Uitdrukken van hoeveelheden

2. Personen, dieren en zaken nader te bepalen en te omschrijven

• Bijvoeglijke naamwoorden

• Gelijkenissen en verschillen

• Trappen van vergelijking

3. Relaties aan te duiden

• Genitiefvormen

Uitspraken te doen

4. Te bevestigen, te vragen en te ontkennen

• Bevestigende, ontkennende en vragende zinnen

• Overeenkomst tussen onderwerp en werkwoord

• Vragende woorden

• Gebruik van `do' om iets te benadrukken

5. Te situeren in de ruimte

• Uitdrukken van ruimte, beweging, richting, afstand ...

6. Te situeren in de tijd

• Uitdrukken van tijd, duur, frequentie, herhaling ... |

• Vorming en gebruik van de belangrijkste tijden van de werkwoorden voor de communicatie in de tegenwoordige, de verleden en de toekomende tijd

7. Te argumenteren en logische verbanden te leggen

• Uitdrukken van reden, oorzaak en gevolg

• Uitdrukken van doel

• Uitdrukken van wil en gevoelens

8. Relatie en samenhang tussen tekstgedeelten aan te duiden

• Eenvoudige samengestelde zinnen met nevenschikking

Voor Frans: De grammaticale en complementaire lexicale kennis om ...

Personen, dieren en zaken te benoemen

9. Te verwijzen naar personen, dieren en zaken |

• Wat?/Wie?

• Zelfstandige naamwoorden: getal, telbaar en ontelbaar, genus

• Lidwoorden: getal, bepaald en onbepaald, genus, article zéro, article partitif

• Voornaamwoorden: persoonlijk, bezittelijk, aanwijzend

• Zinsdelen: onderwerp, lijdend en meewerkend voorwerp

• Tussenwerpsels: en/y |

• Hoeveel? De hoeveelste?

• Uitdrukken van hoeveelheden

10. Personen, dieren en zaken nader te bepalen en te omschrijven

• Bijvoeglijke naamwoorden

• Overeenkomst zelfstandig naamwoord - bijvoeglijk naamwoord

• Gelijkenissen en verschillen

• Trappen van vergelijking

Uitspraken te doen

11. Te bevestigen, te vragen en te ontkennen

• Bevestigende, ontkennende en vragende zinnen

• Overeenkomst tussen onderwerp en werkwoord

• Vragende woorden

• Iets benadrukken

12. Te situeren in de ruimte

• Uitdrukken van ruimte, beweging, richting, afstand, ...

13. Te situeren in de tijd

• Uitdrukken van tijd, duur, frequentie, herhaling,...

• Vorming, waarde en gebruik van de tijden van de `indicatif' voor de communicatie in de tegenwoordige, de verleden en de toekomende tijd

14. Te argumenteren en logische verbanden te leggen

• Uitdrukken van reden, oorzaak en gevolg

• Uitdrukken van doel

• Uitdrukken van wil en gevoelens

• Uitdrukken van hypothese

15. Relatie en samenhang tussen tekstgedeelten aan te duiden

• Eenvoudige samengestelde zinnen met nevenschikking

16. Te rapporteren

• Indirecte rede

ET 32. De leerlingen kunnen reflecteren over taal en taalgebruik binnen de vermelde taalgebruiksituaties en daarbij hun functionele kennis ter ondersteuning van hun taalbeheersing uitbreiden door naar aanleiding van zinvolle communicatieve situaties en taaltaken : |

• reeds in de klas behandelde vormen en structuren te herkennen en te ontleden;

• door te observeren hoe vormen en structuren functioneren, onder begeleiding regels te ontdekken en te formuleren;

• gelijkenissen en verschillen tussen talen te ontdekken en hun kennis van andere talen in te zetten.

2.2.7. Beleving van taalrijkdom

De leerlingen beleven

ET 33. de specifieke uitdrukkingswijzen van het Frans en het Engels in verschillende literaire tekstgenres als een organisch en levend cultuurgoed; *

ET 34. aan zinsbouw, uitspraak, klankkleur en ritme van de Franse en Engelse taal het kenmerkende en reflecteren over het onderscheid met de moedertaal; *

ET 35. aan de inhoud van typische Franse en Engelse literaire teksten de socio-culturele karakteristieken van de Franse en Engelse taal en cultuur; *

ET 36. hoe de kennis van een vreemde taal toegang biedt tot het gedachteleven en de cultuur van een taalgemeenschap. *

2.2.8. Attitudes

De leerlingen werken aan de volgende attitudes :

ET 37. tonen bereidheid en durf om te luisteren, te lezen, te spreken, gesprekken te voeren en te schrijven in het Frans/Engels; *

ET 38. streven naar taalverzorging; *

ET 39. tonen belangstelling voor de aanwezigheid van moderne vreemde talen in hun leefwereld, ook buiten de school, en voor de socio-culturele wereld van de taalgebruikers ervan; *

ET 40. staan open voor verschillen en gelijkenissen in leefwijze tussen de eigen cultuur en de cultuur van een streek waar de doeltaal gesproken wordt; *

ET 41. stellen zich open voor de esthetische component van teksten. *

3. Geschiedenis

3.1. Motivering en toelichting

3.1.1. Visie en uitgangspunten

De hieronder voorgestelde eindtermen hebben als referentiekader een eigen visie en eigen uitgangspunten. De alternatieve eindtermen ASO steinerpedagogie werden daarom grotendeels overgenomen en waar nodig aangepast voor het TSO.

Binnen de visie op geschiedenisonderwijs van de steinerscholen wordt groot belang gehecht aan het neerzetten van een zo volledig mogelijk, exact feitelijk maar ook sprekend waarnemingsbeeld. Daarbij wordt ingespeeld op het belevingsniveau van de jongeren, dat verschillend is naargelang de leeftijd. De steinerpedagogie gaat ervan uit dat het denken zich oefent en opgebouwd wordt via de waarneming en het progressief leren ordenen ervan.

In de eerste graad werkt men in het geschiedenisonderwijs nog sterk met de narratieve methode. In de tweede graad wordt deze aangevuld met zo authentiek mogelijke historische bronnen. Op deze manier worden de jongeren ertoe aangezet om, op grond van hun eigen waarneming en met behulp van hun eigen innerlijk voorstellings- en denkvermogen, concreet met het verleden bezig te zijn. Het waarnemings-, inlevings- en voorstellingsvermogen van de jongeren wordt geleidelijk aan geoefend en verfijnd, waardoor het ontwikkelen van een gefundeerd oordeelsvermogen - uiteraard zeer belangrijk in onze tijd - naar het einde van de derde graad mogelijk wordt gemaakt.

Naast inzicht in de principes van temporaliteit en causaliteit (continuïteit) wordt binnen deze visie ook aandacht besteed aan het principe van discontinuïteit. Onverwachte impulsen van bewust, doelgericht, vrij menselijk individueel of collectief handelen en invloeden van de natuur kunnen immers de geschiedenis abrupt een andere wending geven. Geschiedenis evolueert met sprongen en haar onvoorspelbare toekomst is niet alleen bepaald door het verleden.

Er wordt exemplarisch en symptomatisch gewerkt. De behandelde historische periodes, feiten, gebeurtenissen, thema's en persoonlijkheden die kenmerkend en essentieel zijn voor het wordingsverhaal van de mensheid, worden op diepgaande wijze behandeld. Aan de hand hiervan vormen de jongeren zich een tijdsbewustzijn. Bij het kiezen van een bepaalde historische periode als leerinhoud wordt er rekening gehouden met de leeftijdsgebonden ontwikkeling van de leerlingen.

3.1.2. Criteria in verband met het historisch referentiekader

Het historisch referentiekader bestaat uit de dimensies socialiteit, tijd en historische ruimte en omvat een begrippenkader en een kader van maatschappelijke probleemstellingen die het niveau van de afzonderlijke samenlevingen overstijgen. Deze worden gekozen in functie van de leeftijdsgebonden interesses en mogelijkheden van de jongeren.

In de visie van de steinerpedagogie wordt ervan uitgegaan dat de jongeren van de tweede graad een verbinding met de geschiedenis leggen vanuit de vraag naar hoe de hen omringende wereld concreet, feitelijk in elkaar steekt en vervolgens naar de processen die zich in de geschiedenis afspelen. Zo bouwt men verder op de oefening van het causale denken in de eerste graad en leert men combinerend denken op basis van het exacte waarnemen, het ordenen en het afgrenzen en het exact weergeven van de feiten. Vervolgens ontwikkelt zich daaruit het procesdenken: opeenvolgende waarnemingen worden geplaatst in de tijd, complexe gehelen worden waargenomen, processen gevolgd en waarnemingsreeksen opgebouwd en vergeleken.

3.1.3. Criteria uitgewerkt per leerjaar

In het eerste leerjaar van de tweede graad wordt ernaar gestreefd om aan de jongeren een exact ruimtelijk beeld van de werkelijkheid aan te reiken, van de wereld waarin zij nu leven en hoe deze tot stand is gekomen.

De invalshoek voor dit leerjaar is de vraag hoe ideeën in de werkelijkheid worden omgezet. Aan de hand van opmerkelijke biografieën leren de jongeren van 14-15 jaar zeer concreet hoe ideeën worden gerealiseerd en welke de gevolgen ervan kunnen zijn. Ze leren zich een voorstelling maken van wat een verandering in denk- en handelswijze kan betekenen voor het individu, de samenleving en de verdere evolutie. Hiervoor wordt exemplarisch leerstof gekozen uit de periode van de 16de tot en met de 21e eeuw.

In het tweede leerjaar van de tweede graad krijgen de jongeren, die dan 15-16 jaar zijn, een andere en vernieuwde belangstelling voor hun omgeving en met name zijn ze geboeid door procesmatige aspecten, verbanden en interacties. De invalshoek in dit leerjaar is het bestuderen van historische culturen in functie van hun geo-fysische context. Hiervoor wordt exemplarisch leerstof gekozen uit de periode van de prehistorie tot de oudheid.

3.2. Vervangende eindtermen

Context, autonomie en verantwoordelijkheid

De volgende eindtermen voor de tweede graad TSO worden gelezen vanuit de persoonlijke, sociale en mondiale context en dat met behulp van ondersteunende technieken.

Kennis, inzicht en vaardigheden

3.2.1. Algemeen

De leerlingen

ET 1. kennen de belangrijkste feiten en gebeurtenissen uit de verschillende maatschappelijke domeinen van de bestudeerde samenlevingen;

ET 2. illustreren de wisselwerking van enkele maatschappelijke domeinen (dimensie socialiteit) van de bestudeerde samenlevingen;

ET 3. karakteriseren enkele maatschappelijke evoluties in de ontwikkelingsfasen van de bestudeerde samenlevingen vanuit enkele categorieën van de dimensie tijd;

ET 4. kennen de duur en de afstand in tijd van de bestudeerde periodes en hebben oog voor de categorieën van de dimensie tijd;

ET 5. duiden enkele periodiseringsconcepten aan zoals Prehistorie, Oudheid, Nieuwe Tijd;

ET 6. kunnen de belangrijkste feiten en gebeurtenissen uit de samenlevingen situeren binnen de dimensie historische ruimte, met oog voor categorieën van deze dimensie;

ET 7. sommen enkele kenmerken op van minstens één niet-westerse samenleving binnen één van de bestudeerde periodes;

ET 8. verzamelen historische informatie uit aangebracht tekstueel, auditief, visueel of audiovisueel materiaal;

ET 9. kunnen in verband met deze historische informatie uit aangebracht tekstueel, auditief, visueel of audiovisueel materiaal :

- hoofd- en bijzaken onderscheiden in een op hun niveau omschreven probleem en halen er een kernidee uit;

- aan de hand van vragen een op hun niveau omschreven opdracht vergelijken en gelijkenissen en verschillen aanduiden;

- aan de hand van een op hun niveau omschreven opdracht structureren en samenvatten;

- een vraag formuleren binnen een op hun niveau omschreven opdracht;

ET 10. vergelijken verschillende meningen, hypotheses, argumentaties of verklaringen binnen een op hun niveau wel omschreven kader;

ET 11. herkennen de historische begrippen, die opgebouwd werden vanuit de bestudeerde historische werkelijkheid en gebruiken die binnen een afgebakende context;

ET 12. lichten uit de bestudeerde samenlevingen enkele elementen toe die in latere samenlevingen of vandaag invloed uitoefenen.

3.2.2. Voor de periodes en samenlevingen die bestudeerd worden vanuit de vraag hoe ideeën in de werkelijkheid worden omgezet

De leerlingen

ET 13. kennen ideeën en denkbeelden die de geschiedenis bepaald hebben;

ET 14. beschrijven hoe ideeën door menselijke individualiteiten en doorheen hun biografie worden gerealiseerd;

ET 15. illustreren de invloed van reeds bestaande opvattingen, maatschappelijke verhoudingen en structuren op het ontstaan van nieuwe ideeën;

ET 16. typeren de bestudeerde periodes door middel van het leren onderscheiden van oorzaak, aanleiding en gevolg in de historische gebeurtenissen en feiten.

3.2.3. Voor de periodes en samenlevingen die bestudeerd worden vanuit hun geo-fysische context

De leerlingen

ET 17. verklaren de rol die enkele geografische, klimatologische en sociale omstandigheden hebben gespeeld in het tot stand komen van de bestudeerde samenlevingen;

ET 18. verklaren het ontstaan, de organisatie en de uitbouw van verschillende maatschappelijke domeinen (dimensie socialiteit) van de bestudeerde samenlevingen met betrekking tot de geofysische context;

ET 19. kennen de voornaamste kenmerken van de bestudeerde samenlevingen, met aandacht voor de verbanden tussen en de wisselwerkingen binnen verschillende maatschappelijke domeinen;

ET 20. zien verbanden, wisselwerkingen en interacties in de elementen en omstandigheden die een cultuur doen ontstaan en ontwikkelen, met oog voor de rol van verschillende maatschappelijke domeinen en met aandacht voor de kwaliteiten van de dimensie ruimte.

3.2.4. Attitudes

De leerlingen

ET 21. maken zich een concrete voorstelling van de bestudeerde historische feiten en gebeurtenissen;*

ET 22. vormen zich een concrete voorstelling van de onderlinge beïnvloeding van de bestudeerde samenlevingen;*

ET 23. leven zich in en stellen zich open voor situaties en personen uit het verleden;*

ET 24. worden zich bewust van hun eigen sympathieën en antipathieën tegenover ideeën, gebeurtenissen en feiten uit de bestudeerde historische periodes;*

ET 25. gaan in gesprek over historische feiten, gebeurtenissen en personen;*

ET 26. leren de inspanningen die individuen en groepen voer(d)en voor de realisatie van het zelfstandig en vrij worden van de mensheid waarderen;*

ET 27. zien de creatieve kracht waarmee samenlevingen uit het verleden de uitdagingen waarvoor ze stonden, hebben aangepakt;*

ET 28. tonen respect voor de opvatting van de bestudeerde samenlevingen om de geestelijke wereld als een realiteit te beschouwen;*

ET 29. benaderen waarden en normen uit het verleden en heden vanuit de historische en vanuit hun eigen actuele context;*

ET 30. beseffen dat inzicht in het verleden leidt tot een verruimde blik op en een beter begrip van het heden;*

ET 31. beseffen dat ze in onze maatschappij ruimte krijgen om persoonlijk om te gaan met deze vrijheid en gelijkheid;*

ET 32. zien de huidige situatie van vrijheid en gelijkheid in een democratische rechtstaat als een voorlopig eindpunt van een lange en moeizame strijd.*

4. Nederlands

4.1. Motivering en toelichting

Volgens de uitgangspunten van de door het Vlaamse Parlement bekrachtigde eindtermen Nederlands ligt het accent op de informatieve communicatie. De steinerpedagogie heeft daarnaast andere, eveneens primaire doelstellingen, voor het taalonderwijs. Meer in het bijzonder ziet de steinerpedagogie in literatuuronderwijs een mogelijkheid tot vorming van een kritisch bewustzijn, tot verfijning van het gevoelsleven en tot ontwikkeling van de creativiteit. Ook het beoefenen van de specifieke taalkundige vaardigheden zoals spelling, woordgebruik, formulering en zinsbouw - reeds uitvoerig behandeld in de eerste graad van de steinerscholen - wordt als belangrijk beschouwd.

Een aantal door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen TSO werd in deze aanvraag tot afwijking overgenomen, maar de nadruk ligt in het steineronderwijs meer op literaire teksten. Dit stemt overeen met de internationaal gehanteerde curriculuminhoud van de steinerscholen waarbij leerinhouden ook ingezet worden voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid. De steinerpedagogie legt minder nadruk op analytische vaardigheden om prioriteit te kunnen geven aan de levende werkelijkheid van de taal. De analytische vaardigheden staan in functie van een beter begrip van het geheel van de tekst.

De door het Vlaams parlement bekrachtigde eindtermen Nederlands en Vreemde Talen onderscheiden vier verwerkingsniveaus, waarvan het volgende telkens het voorafgaande insluit (4):

kopiërend niveau

geboden informatie letterlijk weergeven;

beschrijvend niveau

geboden informatie in grote lijnen achterhalen, of ook: ze op een dergelijke wijze te horen of te lezen geven;

structurerend niveau

de informatie achterhalen en op persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen, of ook: ze op een dergelijke wijze te horen of te lezen geven;

beoordelend niveau

de informatie achterhalen, ordenen en beoordelen op basis van informatie uit andere bronnen, of ook: ze op een dergelijke wijze te horen of te lezen geven.

De steinerscholen hebben een enigszins afwijkende visie op de verwerkingsniveaus zoals hierboven beschreven in de uitgangspunten van de overheid. Hoewel `kopiëren' in die uitgangspunten als laagste verwerkingsniveau gezien wordt, hechten de steinerscholen er grote waarde aan. Kopiëren of nabootsen betekent meer dan uitsluitend uiterlijk nadoen. Bij het nabootsen kunnen de leerlingen ook innerlijk meebewegen. Ze kunnen op gevoelsniveau fijne nuances opvangen, ze kunnen innerlijke beelden vormen en er ontstaat een zekere opname in het geheugen. Met name als het om literaire teksten gaat kan dat nabootsen nog tot in de hoogste klassen van het secundair onderwijs een meerwaarde bieden. Stijloefeningen zoals het nabootsen van de schrijfstijl van een bepaalde schrijver, vragen om een hoge beheersing van de taal. Theaterteksten uit het hoofd leren in het kader van een toneelvoorstelling kan, nadat de voorstelling voorbij is, tot een serieuze versteviging van het zelfvertrouwen aanleiding geven zodat men ook in andere omstandigheden gemakkelijker voor een publiek durft te spreken. Bovendien is het een oefening bij uitstek voor het zorgvuldig articuleren en om een juiste spreekhouding aan te nemen. De realiteitswaarde binnen de context van een podiumproductie verhoogt eveneens de motivatie om aan dergelijke vaardigheden te werken. Een verscheidenheid aan toneel-, spreek- en speelervaringen bewerkstelligt een evenwicht tussen intellectuele activiteit en verbale expressie in de vorming van karakter en persoonlijkheid. Allerlei vormen van toneel en drama in ruime zin worden beoefend: poëzie-avonden, eenakters, uittreksels en korte scènes en enkele volledige toneelopvoeringen.

In alle attitude-eindtermen, die `zijn bereid om' vragen, werd deze formulering vervangen door `leren' of andere meer actieve werkwoorden. De bedoeling is om te vermijden dat er in de eindtermen morele verwachtingen worden opgenomen omdat zulke verwachtingen contraproductief werken als ze als externe doelstelling worden opgelegd aan leraren en leerlingen.

In het eerste leerjaar van de tweede graad leren de leerlingen de vele uitdrukkingsmogelijkheden voor ernst, humor en tragiek kennen. Dit refereert naar een polariteit die ook in hun eigen gevoelsleven en instelling t.o.v. het dagelijkse leven herkenbaar is: scherpe woordspelingen, ironie en afstandelijkheid enerzijds en sentiment, melancholie en sterke betrokkenheid anderzijds. Het lezen van een verscheidenheid aan humoristische teksten, het zelf beoefenen van de vele vormen van humor, helpt de leerlingen om te gaan met datgene wat in hun eigen natuur in deze ontwikkelingsfase een gelijkaardige polariteit vertoont. Vanuit hetzelfde gezichtspunt worden het rationalisme en de romantiek in de literatuur verkend. De tegenstelling tussen de rationele en gevoelsmatige manier van kijken, met de bijhorende excessen, staat daarbij centraal. Zich in deze stijlen inleven en zelf dergelijke teksten schrijven, heeft naast het oefenen van vaardigheden als achterliggende bedoeling de leerlingen te helpen hun vaak tegenstrijdige gevoelens, meningen en gedachten te uiten.

In het tweede jaar van de tweede graad wordt specifiek gewerkt rond de middeleeuwse literatuur. Er wordt verkend hoe het thema van trouw en vriendschap in de literatuur van de voorhoofse literatuur zich ontwikkelt tot het thema van de `minne' in de hoofse cultuur van geheel West- en Noord- Europa en Italië. Ook deze verkenningen hebben als achterliggende bedoeling de leerlingen referentie- en herkenningspunten in verband met hun eigen ontwikkelingsfase te bieden.

4.2. Vervangende eindtermen

4.2.1. Luisteren

De leerlingen

ET 1. kunnen op structurerend niveau luisteren naar een uiteenzetting met betrekking tot de leerstof;

ET 2. kunnen luisteren naar humoristische, tragische, rationele en gevoelsmatige teksten;

ET 3. leren binnen een gepaste situatie om:

• een onbevooroordeelde luisterhouding aan te nemen;

• een evenwicht tussen spreken en luisteren te vinden en een ander te laten uitspreken;

• te reflecteren op hun eigen luisterhouding;

• het beluisterde te toetsen aan eigen gevoelens, meningen, kennis en inzichten.*

4.2.2 Spreken (koppeling Luisteren)

De leerlingen

ET 4. worden zich bewust van de verschillende spraakorganen en leren goed en zorgvuldig articuleren;

ET 5. kunnen op structurerend niveau:

• deelnemen aan een leer- en klasgesprek, vragen stellen en antwoorden formuleren m.b.t. leerstofonderdelen in schoolvakken;

• informatie presenteren die ze in het kader van een bepaalde opdracht hebben verzameld;

ET 6. kunnen gevoelens uitdrukken, persoonlijke ervaringen en interesses presenteren;

ET 7. kunnen op beoordelend niveau hun eigen standpunten/meningen of hun oplossingswijzen voor problemen in een gedachtewisseling uiteenzetten en motiveren;

ET 8. kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de spreektaken:

• hun spreek- en gespreksdoel(en) bepalen;

• hun publiek beschrijven; • hun voorkennis inzetten;

• bijkomende informatie vragen;

• inhouds- en vormconventies van de taal verzorgen;

• visuele informatie gebruiken;

• een juiste houding aannemen bij het spreken, zowel zittend als staand en in verschillende situaties;

ET 9. kunnen als klasgroep een podiumproject verzorgen waarbij teksten (poëzie of toneel) op een expressieve manier voor een publiek ten gehore worden gebracht;

ET 10. leren binnen een gepaste communicatiesituatie om:

• Algemeen Nederlands te spreken;

• een kritische houding aan te nemen tegenover hun eigen spreek- en gespreksgedrag.*

4.2.3 Lezen

De leerlingen

ET 11. kunnen op structurerend niveau zakelijke teksten lezen: tijdschriftartikels, recensies, gebruiksaanwijzingen, verslagen, instructie- en studieteksten;

ET 12. kunnen verhalende en literaire teksten lezen: gedichten, sprookjes, ballades, korte verhalen, romans;

ET 13. kunnen literaire teksten hardop lezen met gevoel voor de eigen kwaliteit van de betreffende tekst;

ET 14. kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op de leestaken :

• hun leesdoel(en) bepalen;

• het (de) tekstdoel(en) vaststellen;

• hun voorkennis inzetten;

• functie van beeld en opmaak in een tekst herkennen;

• onderwerp en hoofdgedachte(n) aanduiden;

• de structuur in een tekst in grote lijnen aanduiden;

• inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstonderdelen vaststellen;

ET 15. leren binnen een gepaste situatie om :

• lezend informatie te verzamelen over een bepaald onderwerp;

• verkregen informatie aan eigen kennis en inzicht te toetsten en te vergelijken;

• te reflecteren over de inhoud van een tekst;

• zich in te leven in behandelde literaire teksten;

• hun persoonlijke waardering voor bepaalde teksten uit te spreken.*

4.2.4 Schrijven

De leerlingen

ET. 16. kunnen op structurerend niveau, in een voorgestructureerd kader, notities maken en aan de hand daarvan een geordende tekst uitschrijven (lesnotities, verslagen, samenvattingen);

ET 17. kunnen op beoordelend niveau hun eigen standpunten/meningen of hun oplossingswijzen voor problemen schriftelijk uiteenzetten en motiveren;

ET 18. kunnen bij de planning en uitvoering van en bij de reflectie op schrijftaken :

• hun schrijfdoel(en) bepalen;

• het bedoelde publiek beschrijven;

• hun voorkennis inzetten;

• gericht informatie zoeken, ordenen en verwerken;

• een logische tekstopbouw creëren met aandacht voor inhoudelijke en functionele relaties;

• een eigen tekst reviseren;

• inhouds- en vormconventies van de taal verzorgen;

• gebruik maken van informatie - en communicatietechnologie;

ET 19. leren binnen een gepaste situatie om :

• schriftelijk informatie te verstrekken;

• te reflecteren op hun eigen schrijfproces en op de inhoud en vorm van hun schrijfproduct;

• taal, indeling, spelling, handschrift en lay-out te verzorgen.*

4.2.5 Literatuur

De leerlingen

ET 20. kunnen vanuit een tekstervarende manier van lezen :

• verschillen aanwijzen in de benadering van de werkelijkheid in fictie en non-fictie en verhaal, gedicht of toneeltekst;

• enkele literaire vormen herkennen en stijlmiddelen (zoals humoristische stijlmiddelen) bespreken;

• in de teksten die ze lezen enkele verhaalelementen herkennen en bespreken (personages, tijd, ruimte, spanning, thema, ik- en hij-verteller);

ET 21. kunnen informatie over literatuur verzamelen en gebruiken en maken daarbij kennis met het aanbod van informatiekanalen zoals : bibliotheek, krant, tijdschrift en multimedia;

ET 22. leren binnen een gepaste situatie om :

• literaire teksten te lezen;

• over hun eigen literaire leeservaring te spreken en te schrijven.*

4.2.6. Taalbeschouwing

Attitudes :

De leerlingen

ET 23. leren om op hun niveau :

• bewust te reflecteren op taalgebruik en taalsysteem;

• van de verworven inzichten gebruik te maken bij verbale en non-verbale communicatie;*

ET 24. tonen interesse in en respect voor de persoon van de ander en voor de eigen en andermans cultuur, levens- en werkwijze bij het reflecteren op verbale en non-verbale communicatie; *

ET 25. leren elke nieuwe doorbraak en ontwikkelingsstap van klasgenoten bij verbale expressie te respecteren;*

ET 26. leren elkaars onvolkomenheden op het vlak van lichaamsexpressie en taal accepteren en aanvullen;*

ET 27. leren hun angsten overwinnen door middel van confrontatie met het publiek tijdens een podiumproject waarbij teksten (poëzie of toneel) op een expressieve manier voor een publiek ten gehore worden gebracht; *

ET 28. leren zichzelf en hun eigen rol inschakelen in het grotere geheel tijdens een podiumproject.*

Taalgebruik :

De leerlingen

ET 29. reflecteren bewust op hun niveau op een aantal aspecten van het taalgebruik :

29.1. in het tekstuele domein :

• verbanden tussen tekstdelen: alinea - zin, inleiding - midden - slot;

• structuuraanduiders: verbindingswoorden, signaalwoorden, verwijswoorden;

• betekenisrelaties: middel - doel, chronologische relatie, oorzaak - gevolg, voordelen - nadelen, voor - tegen;

• status van een uitspraak: feit - mening;

• metaforiek en expressiviteit in de dagelijkse taal en literaire teksten;

29.2. in het sociolinguïstische domein

• Standaardnederlands en andere standaardtalen;

• nationale, regionale, sociale en situationele taalvariëteiten;

• in onze samenleving voorkomende talen;

29.3. in het pragmatische domein

• het bijsturen van hun eigen lezen, schrijven en spreken d.m.v. herkenning, benoeming en bespreking van taalverschijnselen;

• de gevolgen van hun verbale en non-verbale communicatie voor anderen en voor henzelf;

• talige aspecten van cultuuruitingen in onze samenleving.

Taalsysteem :

De leerlingen

ET 30. reflecteren bewust op hun niveau op een aantal aspecten van het taalsysteem en kunnen de hierna volgende verschijnselen herkennen en onderzoeken :

30.1. in het fonologisch domein :

• de klanken van het Nederlands: klinker, tweeklank en medeklinker;

30.2. in het orthografisch domein :

• vormcorrectheid, spellingconventies en hulpmiddelen bij de spelling van woorden en bij interpunctie;

30.3. in het morfologisch domein :

• de woordsoorten;

• vormen van de tegenwoordige en van de verleden tijd en voltooide deelwoorden van werkwoorden;

30.4. in het syntactische domein :

zinsdelen

• de belangrijkste zinsdelen :

o naamwoordelijke en werkwoordelijk gezegde;

o onderwerp;

o lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp;

o bijwoordelijke bepaling;

zin

• mededelende zin, vragende zin en gebiedende zin;

30.5 in het semantische domein :

woordsemantiek

• woordbetekenis : betekenis, gevoelswaarde;

• betekenisrelaties : homoniemen, synoniemen, antoniemen;

• letterlijke en figuurlijke betekenis, beeldspraak.

5. Natuurwetenschappen

5.1. Motivering en toelichting

De krachtlijnen van de uitgangspunten van waaruit de door de Vlaamse Regering bepaalde eindtermen natuurwetenschappen voor de tweede graad TSO vertrekken kunnen grosso modo ook gelden voor de steinerscholen. Toch is het voor de steinerscholen noodzakelijk om vervangende eindtermen te hanteren omdat anders de horizontale en verticale samenhang van de eigen eindtermen in het gedrang komt.

De consecutieve leer- en ontwikkelingslijn in het geheel van de steinerpedagogie is in dit kader van essentieel belang. Zo loopt bijvoorbeeld de inhoud van het vak biologie binnen de natuurwetenschappen in één stroom door van de basisschool tot in het secundair onderwijs. In de basisschool ligt in het vak wereldoriëntatie natuur de nadruk meer op plant en dier. In de eerste graad secundair onderwijs ligt de klemtoon meer op de mens. Vanaf de tweede graad komen alle natuurrijken opnieuw aan bod in de verschillende natuurwetenschappelijke vakken en dit met een hoger abstractieniveau.

Zoals reeds geargumenteerd in de algemene motiveringen van de eigen vervangende eindtermen hierboven, vertrekken de steinerscholen bij hun wetenschapsonderwijs bij de verschijnselen zelf. Pas na de exacte waarneming en de beschrijving van de verschijnselen, volgt de mogelijke hypothese. De steinerpedagogie gebruikt daarbij de fenomenologische beschouwingswijze. (Zie ook in de algemene motivatie onder 2.2.) Deze werkwijze bevordert bij de leerlingen het inlevingsvermogen en het levendig denken. Ze schept de mogelijkheid om, naast parate kennis, de nodige eerbiedskrachten voor de fenomenen van de natuur en de wetenschappen op te wekken. Deze werkwijze wordt mutatis mutandis ook toegepast in het TSO. Hierdoor werkt men op een indirecte manier ook aan vakoverschrijdende eindtermen uit de context Omgeving en Duurzame Ontwikkeling.

5.2. Vervangende eindtermen

Context, autonomie en verantwoordelijkheid

De volgende eindtermen voor de 2de graad TSO worden gelezen vanuit de persoonlijke, sociale en mondiale context en dat met behulp van ondersteunende technieken.

5.2.1. Materie

De leerlingen

ET 1. classificeren stoffen op basis van hun eigenschappen in metalen/niet-metalen; zuren, basen en zouten; ontvlambare en vluchtige organische stoffen of brandbare en vaste organische stoffen;

ET 2. illustreren dat grondstoffen mengsels zijn en door bewerking kunnen worden gezuiverd en uitleggen dat de oorsprong van een zuivere stof, geen invloed heeft op haar fysische en chemische eigenschappen;

ET 3. kunnen de betekenis van de stofconstanten smeltpunt, kookpunt, massadichtheid toelichten en deze stofconstanten hanteren om een zuivere stof te identificeren;

ET 4. hanteren de reactievergelijking als de samenvatting van een reactie;

ET 5. hanteren het begrip zwaartekracht, veerkracht, gewicht en massadichtheid kwalitatief;

ET 6. hanteren het begrip druk kwalitatief;

ET 7. brengen de invloed van de resulterende kracht in verband brengen met de verandering van de bewegingstoestand.

5.2.2. Energie

De leerlingen

ET 8. hanteren bij energieomzettingen het vermogen, de behoudswet en het begrip rendement kwalitatief;

ET 9. herkennen voorbeelden van stofomzettingen uit de leefwereld als exo- of endo-energetisch.

5.2.3. Mens, samenleving en natuur

De leerlingen

ET 10. voeren macroscopische en microscopische observaties uit in het kader van biologisch onderzoek op het terrein;

ET 11. leggen verbanden tussen enkele orgaanstelsels, hun gezonde werking en mogelijke stoornissen, en de fysieke of psychische activiteit van de mens;

ET 12. beschrijven een eenvoudige materiekringloop en energiedoorstroming in een ecosysteem;

ET 13. kunnen het begrip ecosysteem omschrijven en het belang van biodiversiteit in ecosystemen aantonen en beide begrippen met voorbeelden illustreren;

ET 14. beschrijven de basis van anatomie en fysiologie van de zaadplanten;

ET 15. kunnen bij het verduidelijken van en zoeken naar oplossingen voor duurzaamheidsvraagstukken onder begeleiding wetenschappelijke principes hanteren die betrekking hebben op grondstof- en energieverbruik;

ET 16. duiden, onder begeleiding, de natuurwetenschappen als onderdeel van de culturele ontwikkeling van de maatschappij en illustreren de wisselwerking met de maatschappij op ecologisch, economisch, ethisch en technisch vlak.

5.2.4. Wetenschappelijke vaardigheden

De leerlingen

ET 17. kunnen productinformatie interpreteren om veilig en hygiënisch om te gaan met stoffen, geluid en straling;

ET 18. hanteren courante grootheden en SI-eenheden die voorkomen in leefwereldsituaties;

ET 19. illustreren, onder begeleiding, dat natuurwetenschappelijke kennis wordt opgebouwd via natuurwetenschappelijke methoden.

6. Wiskunde

6.1. Motivering en toelichting

De krachtlijnen van de uitgangspunten van waaruit de door de Vlaamse Regering bepaalde eindtermen wiskunde voor de tweede graad TSO vertrekken kunnen grosso modo ook gelden voor de steinerscholen.

Een markant verschil is echter dat de steinerscholen in de tweede graad elementaire kansberekening aanbieden en nog geen statistiek. De beschrijvende statistiek spreekt nauwelijks het zuivere denken aan, gezien het eerder gaat om het verwerken en analyseren van cijfermateriaal. In de derde graad is statistiek wel op haar plaats omwille van maatschappelijke redenen. Het is nodig dat de leerlingen aan het einde van hun schoolloopbaan er een basiskennis over verworven hebben en er een gezonde kritische houding tegenover kunnen ontwikkelen.

6.2. Vervangende eindtermen

6.2.1. Algemeen

De leerlingen

ET 1. begrijpen en gebruiken wiskundetaal;

ET 2. passen probleemoplossende vaardigheden toe;

ET 3. reflecteren op de gemaakte keuzes voor representatie- en oplossingstechnieken;

ET 4. controleren de resultaten op hun betrouwbaarheid;

ET 5. gebruiken informatie- en communicatietechnologie om wiskundige informatie te verwerken, te berekenen, uit te voeren of om wiskundige problemen te onderzoeken;

ET 6. ervaren dat gegevens uit een probleemstelling toegankelijker worden door ze doelmatig weer te geven in een geschikte wiskundige representatie of model;*

ET 7. ontwikkelen zelfregulatie: het oriënteren op de probleemstelling, het plannen, het uitvoeren en het bewaken van het oplossingsproces;*

ET 8. ontwikkelen zelfvertrouwen door succeservaring bij het oplossen van wiskundige problemen;*

ET 9. ontwikkelen zelfstandigheid en doorzettingsvermogen bij het aanpakken van problemen;*

ET 10. zijn gericht op samenwerken om de eigen mogelijkheden te vergroten;*

ET 11. brengen waardering op voor wiskunde (mogelijkheden en beperkingen) door confrontatie met culturele, historische en wetenschappelijke aspecten van het vak.*

6.2.2. Rekenen en schatten

De leerlingen

ET 12. gebruiken schattend rekenen en hoofdrekenen om eenvoudige berekeningen uit te voeren en bij meer complexe berekeningen een eerste benadering van de uitkomst te voorspellen;

ET 13. gebruiken de zakrekenmachine bij berekeningen met getallen in decimale en breukvorm en wetenschappelijke notatie;

ET 14. herkennen bij het oplossen van een probleem welke grootheden en welke bewerkingen aan de orde zijn;

ET 15. lossen problemen op (o.m. in verband met verhoudingen) waarbij ze bij het uitvoeren van de berekeningen verantwoord kiezen tussen schattend rekenen en benaderend rekenen met de zakrekenmachine;

ET 16. ronden zinvol af bij opeenvolgende berekeningen.

6.2.3. Rijen

De leerlingen

ET 17. berekenen een willekeurige term, een beginterm, de rangorde of het verschil (resp. quotiënt) in een rekenkundige (resp. meetkundige) rij.

6.2.4. Algebraïsche verbanden

6.2.4.1. Tabellen en grafieken

De leerlingen

ET 18. maken een tabel van het verband tussen variabelen in een gegeven betekenisvolle situatie;

ET 19. tekenen, in een opportuun gekozen assenstelsel, een grafiek van het verband tussen variabelen in een gegeven betekenisvolle situatie;

ET 20. kunnen een gegeven tabel en grafiek interpreteren, minstens met betrekking tot :

• het aflezen van bepaalde waarden;

• het aflezen van extreme waarden;

• het interpreteren van het globale verloop (constant, stijgen, dalen);

ET 21. vergelijken en interpreteren de onderlinge ligging van twee grafieken

6.2.4.2. Omgaan met formules

De leerlingen

ET 22. beschrijven eenvoudige verbanden tussen variabelen met behulp van formules en geven het effect aan van de verandering van de ene variabele op de andere;

ET 23. berekenen de waarde van een variabele in formule bij vervanging van de andere variabele(n) door een getal.

6.2.4.3. Samenhang tussen tabellen, grafieken, formules

De leerlingen

ET 24. geven de samenhang aan tussen verschillende voorstellingswijzen van het verband tussen variabelen, m.n. verwoording, tabel, grafiek en de formule van het verband tussen variabelen.

6.2.4.4. Eerstegraadsfuncties

De leerlingen

ET 25. tekenen de grafiek van een eerstegraadsfunctie;

ET 26. leiden nulpunt, tekenverandering, stijgen of dalen af uit de grafiek van een eerstegraadsfunctie;

ET 27. lossen problemen op waarbij verbanden beschreven worden door twee eerstegraadsvergelijkingen.

6.2.4.5. Meetkunde

De leerlingen

ET 28. maken bij het berekenen van hoeken en afstanden in vlakke en beperkte ruimtelijke situaties gebruik van schetsen en tekeningen, van meetkundige begrippen en elementaire eigenschappen, in het bijzonder van :

• evenwijdigheid

• gelijke verhoudingen

• loodrechte stand

• eigenschappen van hoeken

• eigenschappen van driehoeken en cirkels

• de stelling van Pythagoras

• goniometrische verhoudingen in een rechthoekige driehoek.

6.2.4.6. Kansberekening

De leerlingen

ET 29. hanteren de basisbegrippen van de kansberekening en lossen hiermee eenvoudige oefeningen op.

___________________________________________________

(1) Zie punt 4.8 op p.43-44 van de bijlagen bij de Memorie van toelichting bij het decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering betreffende de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs van 13/02/2009.

(2) Zie punt 4.2 op p. 39 van de bijlagen bij de Memorie van toelichting bij het decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering betreffende de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het basis- en secundair onderwijs van 13/02/2009

(3) Uittreksel uit de teksten uitgangspunten eindtermen Nederlands van de Vlaamse Overheid.

(4) Uittreksel uit de teksten uitgangspunten eindtermen Nederlands van de Vlaamse Overheid.