Koninklijk besluit houdende toekenning van een bijwedde voor buitengewone en veranderlijke dienstverstrekkingen, die terzelfdertijd bestaan uit nachtwerk, zondagswerk en werk op feestdagen, aan sommige leden van het paramedisch personeel van het rijksonderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    20 JULI 1971
  • publicatiedatum
    B.S.25/01/1972
  • datum laatste wijziging
    10/10/2000

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het rijksonderwijs, zoals zij werd gewijzigd;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, zoals het werd gewijzigd;

Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel bij de inrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, en van de ambten der leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen, zoals het gewijzigd werd;

Gelet op het advies van de Syndicale Raad van Advies;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiƫn;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van het Openbaar Ambt, gegeven op 24 september 1970;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 3 juni 1971;

Gelet op artikel 2, tweede lid, van de wet van 23 december 1946, houdende instelling van een Raad van State;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Op de voordracht van Onze Ministers van Nationale Opvoeding,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.

Er wordt aan de verpleegsters en kinderverzorgsters van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, secundair en niet-universitair hoger onderwijs, voor buitengewone en veranderlijke dienstverstrekkingen die terzelfdertijd bestaan uit nachtwerk, zondagswerk en werk op feestdagen, een bijwedde toegediend, die jaarlijks niet meer mag bedragen dan 10 pct van de minimumwedde der normale schaal van de graad waarvan zij titularis zijn.

Art. 2.

Voor de bijwedde geldt de mobiliteitsregeling die van toepassing is op de wedden van het personeel der ministeries. Zij is verschuldigd wanneer de activiteitswedde verschuldigd is en wordt samen met deze laatste en op dezelfde voet uitbetaald.

Zij is onderworpen aan de inhoudingen ofwel voor de Dienst van de overlevingspensioenen, ofwel ten behoeve van de Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid.

Zij wordt in aanmerking genomen voor de toekenning van de haard- of standplaatstoelage.

Art. 3.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 1969.

Art. 4.

Onze Ministers van Nationale Opvoeding zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.