Decreet tot het nemen van dringende tijdelijke maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis (VI)

  • goedkeuringsdatum
    12 FEBRUARI 2021
  • publicatiedatum
    B.S.17/02/2021
  • zie ook
  • datum laatste wijziging
    17/02/2021

Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt:

DECREET tot het nemen van dringende tijdelijke maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis (VI)

HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

HOOFDSTUK 2. — Afwijkingen van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997

Art. 2.

Artikel 14/1, § 3, tweede tot en met vierde lid, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 is niet van toepassing tijdens het schooljaar 2020-2021.

Art. 3.

In aanvulling op artikel 84 van hetzelfde decreet kan de Vlaamse Regering in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2021 aan scholen voor gewoon basisonderwijs bijkomende werkingsmiddelen toekennen om de kosten te compenseren die ze gemaakt hebben om hun onderwijsaanbod in veilige omstandigheden te organiseren. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het bedrag per school berekend wordt en de wijze waarop het uitbetaald wordt.

Art. 4.

In aanvulling op artikel 85sexies van hetzelfde decreet kan de Vlaamse Regering in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2021 aan scholen voor buitengewoon basisonderwijs bijkomende werkingsmiddelen toekennen om de kosten te compenseren die ze gemaakt hebben om hun onderwijsaanbod in veilige omstandigheden te organiseren. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het bedrag per school berekend wordt en de wijze waarop het uitbetaald wordt.

Art. 5

In afwijking van artikel 169, § 5, van hetzelfde decreet wordt de subsidie de eerste keer toegekend voor de periode van 1 september 2015 tot en met 31 december 2021, en wordt het verlof wegens bijzondere opdracht toegekend voor zes schooljaren.

HOOFDSTUK 3. — Afwijking van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap

Art. 6.

In afwijking van artikel 26 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt de student voor het opleidingsonderdeel, vermeld in artikel 12 en 13, § 1, van dit decreet, ook een jokerbonus waarmee het jokerkrediet van de student wordt vermeerderd.

HOOFDSTUK 4. — Afwijkingen van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010

Art. 7.

In aanvulling op artikel 248 van de Codex Secundair Onderwijs kan de Vlaamse Regering in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2021 aan scholen voor gewoon secundair onderwijs en centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs bijkomende werkingsmiddelen toekennen om de kosten te compenseren die ze gemaakt hebben om hun onderwijsaanbod in veilige omstandigheden te organiseren. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het bedrag per school of per centrum berekend wordt en de wijze waarop het uitbetaald wordt.

Art. 8.

Artikel 259, § 4, van dezelfde codex, is niet van toepassing in het schooljaar 2020-2021.

Art. 9.

. In aanvulling op artikel 328 van dezelfde codex kan de Vlaamse Regering in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2021 aan scholen voor buitengewoon secundair onderwijs bijkomende werkingsmiddelen toekennen om de kosten te compenseren die ze gemaakt hebben om hun onderwijsaanbod in veilige omstandigheden te organiseren. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het bedrag per school berekend wordt en de wijze waarop het uitbetaald wordt.

HOOFDSTUK 5. — Afwijkingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013

Art. 10.

Een hogeronderwijsinstelling kan voor het academiejaar 2020-2021 de evaluatie of deliberatie van een student voor een opleidingsonderdeel of voor een opleiding uitstellen tot een later ogenblik dan het ogenblik dat is opgenomen in het onderwijs- en examenreglement, vermeld in artikel II.220, II.221 en II.222 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, als die evaluatie of deliberatie door de impact van COVID-19 niet op het vastgestelde ogenblik kan plaatsvinden en de instelling daardoor niet tijdig kan oordelen of de student voor het opleidingsonderdeel of de opleiding geslaagd is.

De hogeronderwijsinstelling legt vooraf vast op welk ogenblik de uitgestelde evaluatie of deliberatie, vermeld in het eerste lid, zal plaatsvinden. Die uitgestelde evaluatie of deliberatie kan in uitzonderlijke gevallen plaatsvinden op een datum die na het beëindigen van het academiejaar 2020-2021 valt.

Als de hogeronderwijsinstelling beslist om de evaluatie of deliberatie uit te stellen overeenkomstig de bepalingen van het eerste en tweede lid, worden de algemene voorwaarden van de toetredingsovereenkomst, vermeld in artikel II.273 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, daaraan aangepast, op voorwaarde dat de studentenvertegenwoordiging op een van de volgende wijzen wordt geraadpleegd:

1° via de studentenraad;

2° via een vorm van studentenvertegenwoordiging op opleidings-, faculteits- of departementsniveau waarover de studentenraad geraadpleegd werd;

3° via de individuele student.

Studenten van wie de evaluatie of deliberatie door de impact van COVID-19 op een later tijdstip plaatsheeft dan het tijdstip dat is bepaald in het onderwijs- en examenreglement, vermeld in artikel II.220, II.221 en II.222 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, en van wie daardoor het diploma op een later tijdstip wordt uitgereikt, worden, als ze slagen, toch geproclameerd op de vastgestelde proclamatiedatum.

Art. 11.

Universiteiten kunnen de wegings- en selectiecriteria van het bekwaamheidsonderzoek voor de toelating tot de master-na-masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde, vermeld in artikel II.190 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, wijzigen voor het academiejaar 2020-2021 om de gelijke behandeling van studenten te waarborgen.

Art. 12.

Het leerkrediet, vermeld in artikel II.203 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, van een student die tijdens het academiejaar 2020-2021 was ingeschreven voor een opleidingsonderdeel waarvan de hogeronderwijsinstelling aan de bevoegde instanties van de Vlaamse overheid verklaart dat de evaluatie of het examen niet kon worden georganiseerd ten gevolge van de COVID-19-maatregelen, wordt aan die student teruggegeven voor de opgenomen studiepunten die betrekking hebben op dat opleidingsonderdeel.

Art. 13.

§ 1. Het leerkrediet, vermeld in artikel II.203 van dezelfde codex, van een student die tijdens het academiejaar 2020-2021 was ingeschreven voor een opleidingsonderdeel waarvoor de eerste examenkans voor 22 februari 2021 viel en die na deelname aan de laatste examenkans tijdens het academiejaar 2020-2021 niet geslaagd is voor dat opleidingsonderdeel, wordt aan die student teruggegeven voor de opgenomen studiepunten die betrekking hebben op het opleidingsonderdeel waarvoor de student niet geslaagd is, als die student verklaart dat hij zich bevond in een overmachtssituatie die toe te schrijven is aan COVID-19. Deze regeling geldt uitsluitend voor opleidingsonderdelen waarvan het resultaat werd bekendgemaakt voor 22 februari 2021.

§ 2. Studenten die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, die zich tijdens het academiejaar 2020- 2021 in een overmachtssituatie bevonden die toe te schrijven is aan COVID-19 en die daardoor na deelname aan hun laatste examenkans niet geslaagd zijn voor een opleidingsonderdeel, kunnen bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering rechtstreeks een aanvraag indienen om hun leerkrediet aan te passen. Die dienst controleert of de aanvraag voldoet aan de voorwaarden, past het leerkredietsaldo in voorkomend geval aan en deelt de beslissing aan de student mee.

§ 3. De student dient de aanvraag, vermeld in paragaaf 2, in bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de dag van de proclamatie van de examenresultaten van de laatste zittijd.

De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering stelt een aanvraagformulier ter beschikking waarmee studenten een aanvraag kunnen indienen voor de teruggave van leerkrediet in het kader van een overmachtssituatie die toe te schrijven is aan COVID-19. Daarin wordt minstens opgenomen dat de student de volgende gegevens op erewoord verklaart:

1° de naam, het rijksregisternummer en het e-mailadres van de student;

2° de naam en het adres van de onderwijsinstelling waar de student ingeschreven was tijdens het academiejaar 2020-2021;

3° de verklaring dat de student zich in een overmachtssituatie bevond die toe te schrijven was aan COVID-19;

4° het aantal opgenomen studiepunten voor de opleidingsonderdelen waarvoor de eerste examenkans voor 22 februari 2021 viel, waarvoor de student niet geslaagd is na deelname aan de laatste examenkans en waarvoor het leerkrediet wordt teruggevraagd.

De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering kan aan een student die een aanvraag als vermeld in paragraaf 2 heeft ingediend, vragen om een document van de hogeschool of de universiteit te bezorgen waarin de examenresultaten van de opleidingsonderdelen, vermeld in het tweede lid, 4°, zijn opgenomen.

Art. 14.

In afwijking van artikel II.205, eerste lid, van dezelfde codex wordt een student die bij de start van het academiejaar 2021-2022 onvoldoende leerkrediet heeft en die overeenkomstig artikel 14 een aanvraag bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering heeft ingediend, in afwachting van een definitieve beslissing over de teruggave van zijn leerkrediet, onder voorbehoud ingeschreven onder de voorwaarden die gelden bij een gunstige beslissing van de bevoegde dienst. Na de beslissing van de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering neemt de instelling een definitieve beslissing over de inschrijving van die student.

Art. 15.

De Vlaamse Regering monitort de impact van de teruggave van het leerkrediet, vermeld in artikel 13, op de financiering van de hogescholen en de universiteiten.

Op basis van de monitoring, vermeld in het eerste lid, kan de Vlaamse Regering ingrijpen als er door die teruggave verschuivingen in het toekennen van de werkingsmiddelen zouden plaatsvinden die zich zonder die teruggave niet zouden voordoen.

Art. 16.

§ 1. Als de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering beslist om de teruggave van het leerkrediet overeenkomstig artikel 13 te weigeren, kan die beslissing worden aangevochten bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen.

De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen doet als administratief rechtscollege uitspraak over de beroepen van studenten over de weigering om hun leerkrediet terug te geven.

§ 2. De beroepen bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen worden ingesteld binnen een vervaltermijn van zeven kalenderdagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van de beslissing, vermeld in paragraaf 1, over de teruggave van het leerkrediet, vermeld in artikel 13.

Als de zevende dag van de vervaltermijn een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag waarop de postdiensten open zijn.

§ 3. De beroepen worden ingesteld bij wijze van verzoekschrift. Daarin zijn ten minste de gegevens, vermeld in artikel 13, § 3, opgenomen, alsook een feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren.

Het verzoekschrift is gedateerd en is alleen ontvankelijk als het ondertekend is door de verzoeker of zijn raadsman.

§ 4. Het verzoekschrift wordt met een aangetekende brief aan de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen bezorgd.

§ 5. De beroepsprocedure bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen verloopt, na mededeling van een vereenvoudigde procedurekalender, louter schriftelijk. Er volgt geen concrete oproeping van de partijen, tenzij die raad dat noodzakelijk acht voor de behandeling van de zaak of tenzij een van de partijen uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoekt om gehoord te worden.

§ 6. De uitspraak van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen wordt met een aangetekende brief aan de partijen bezorgd.

HOOFDSTUK 6. — Aanvulling van de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016

Art. 17.

In aanvulling op artikel III.1 tot en met III.45 van de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016, kan de Vlaamse Regering in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2021 aan de daarin opgesomde internaten en tehuizen voor kinderen met ouders die geen vaste verblijfplaats hebben, bijkomende werkingsmiddelen toekennen voor de vergoeding van de kosten van de veilige organisatie van het aanbod.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het bedrag per internaat of tehuis berekend wordt en de wijze waarop het uitbetaald wordt.

HOOFDSTUK 7. — Aanvullingen van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs

Art. 18.

In aanvulling op artikel 83 van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs kan de Vlaamse Regering in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2021 tijdens de duur van de COVID-19-pandemie aan academies van het gesubsidieerd onderwijs bijkomende werkingsmiddelen toekennen om de kosten te compenseren die ze gemaakt hebben om het onderwijsaanbod in veilige omstandigheden te organiseren tijdens de COVID-19-pandemie. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het bedrag per academie berekend wordt en de wijze waarop het uitbetaald wordt.

Art. 19.

In aanvulling op artikel 84 van hetzelfde decreet kan de Vlaamse Regering in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2021 aan academies van het gemeenschapsonderwijs bijkomende werkingsmiddelen toekennen om de kosten te compenseren die ze gemaakt hebben om het onderwijsaanbod in veilige omstandigheden te organiseren tijdens de coronapandemie. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het bedrag per academie berekend wordt en de wijze waarop het uitbetaald wordt.

HOOFDSTUK 8. — Aanvulling van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding

Art. 20.

In aanvulling op artikel 26 van het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding kan de Vlaamse Regering in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 augustus 2021 aan centra voor leerlingenbegeleiding bijkomende werkingsmiddelen toekennen om de kosten te compenseren die ze gemaakt hebben om hun werking in veilige omstandigheden te organiseren. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het bedrag per centrum berekend wordt en de wijze waarop het uitbetaald wordt.

HOOFDSTUK 9. — Inwerkingtreding

Dit decreet treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Artikel 3, 4, 7, 9, 17, 18, 19 en 20 hebben uitwerking met ingang van 1 maart 2020.

Artikel 5 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2021.