Coronamaatregelen deeltijds kunstonderwijs

  • Aanwezigheidsverplichting leeractiviteiten
  • Rationalisatienormen
  • Overbruggingslestijden
  • Voordrachtgevers

1. Maatregelen voor het einde van het schooljaar 2020-2021

1.1. Aanwezigheidsverplichting

Als leerlingen de lessen niet in de academie kunnen volgen omwille van coronamaatregelen, zijn ze gewettigd afwezig wegens overmacht. Deze gewettigde afwezigheden tellen mee voor de minstens 2/3 aanwezigheid waar leerlingen aan moeten voldoen als voorwaarde om te kunnen slagen.

Bijvoorbeeld: van 1 februari 2021tot 19 mei 2021 kregen dko-leerlingen het nadrukkelijke advies om een dko-opleiding niet te combineren met een andere buitenschoolse activiteit. waardoor ze niet alle geplande leeractiviteiten volgen.

Afwezigheden omwille van coronamaatregelen hebben ook geen gevolgen voor de financierbaarheid van de leerlingen.

1.2. Overdragen krediet voordrachtgevers

Academies kunnen alle niet opgebruikte middelen van het krediet voor voordrachtgevers van het schooljaar 2020-2021 overdragen naar het schooljaar 2021-2022.

2. Overbruggingslestijden voor het schooljaar 2021-2022

2.1. Uitgangspunten

In tegenstelling tot het leerplichtonderwijs, waar een vaste leeftijdscohorte jaarlijks in- en uitstroomt en in tegenstelling tot het hoger onderwijs waar eveneens een vrij stabiel percentage van de generatiestudenten het hoger onderwijs aanvat, is het deeltijds kunstonderwijs jaarlijks afhankelijk van een steeds wisselende populatie leerlingen. Dat maakt de academies extra vatbaar voor de gevolgen van COVID-19.

Voor het schooljaar 2021-2022 wordt een vast volume educatieve overbruggingslestijden voor het deeltijds kunstonderwijs voorzien waarmee de verliezen van academies deels gecompenseerd worden. In totaal zullen er 106 OFT’s gecompenseerd kunnen worden. Boven op de omkadering die een academie met omkaderingsverlies op basis van de regelmatig financierbare leerlingen van 1 februari 2021 zal ontvangen, zoals decretaal bepaald, zal zij een aandeel van dat globale volume ontvangen.

In totaal worden er 882 overbruggingslestijden voor het geheel van de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad en 1333 overbruggingslestijden voor het geheel van de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen voorzien.

Alleen academies die te kampen hebben met een omkaderingsverlies op instellingsniveau ontvangen in het schooljaar 2021-2022 bijkomende overbruggingslestijden.

Voor die academies wordt het verschil berekend tussen hun omkadering voor het schooljaar 2020-2021 en het schooljaar 2021-2022 op basis van de financierbare leerlingen van 1 februari 2021. Het verschil wordt berekend voor de volgende omkaderingsvolumes: 

  • het geheel van de 1e, 2e en 3e graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten; 
  • het geheel van de 1e, 2e en 3e graad van de domeinen muziek, woordkunst-drama en dans; 
  • de domeinoverschrijdende initiatieopleiding in de 1e graad; 
  • het geheel van de 4e graad en kortlopende studierichtingen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten; 
  • het geheel van de 4e graad en kortlopende studierichtingen van de domein muziek, woordkunst-drama en dans. 

Dat verschil vormt het uitgangspunt om de overbruggingslestijden te berekenen. A rato van het omkaderingsverlies dat zich in een academie in een bepaald omkaderingsvolume voordoet, ontvangt de academie een aandeel van de overbruggingslestijden die voor dat omkaderingsvolume voor het geheel van de academies beschikbaar zijn. 

Academies die na de toepassing van de eerste compensatiemaatregel nog meer dan 5% of meer dan 20 lestijden verliezen, krijgen op basis van een bijkomende maatregel nog extra overbruggingslestijden.   

Op die manier krijgt elke academie de garantie dat zij 95% van haar omkadering van het schooljaar 2020-2021 behoudt en in geen geval meer dan 20 lestijden verliest. 

2.2. Berekening en aanwending overbruggingslestijden

2.2.1. Berekening en aanwending gewone overbruggingslestijden

Voor de berekening van de overbruggingslestijden per academie wordt het globale aantal overbrugginslestijden voor het deeltijds kunstonderwijs onderverdeeld in 5 deelvolumes:

  • 1e, 2e en 3e graad beeldende en audiovisuele kunsten;
  • 4 graad en kortlopende studierichtingen beeldende en audiovisuele kunsten;
  • 1e, 2e en 3e graad muziek, woordkunst-drama en dans;
  • 4 graad en kortlopende studierichtingen muziek, woordkunst-drama en dans;
  • 1e graad domeinoverschrijdende initiatie.

Elke academie die geconfronteerd wordt met een omkaderingsverlies in een deelvolume en ook als geheel verliest, krijgt een aantal (Z) van het beschikbare volume overbruggingslestijden (L) naargelang de grootte van dat omkaderingsverlies. De berekening wordt samengevat in de volgende formule:

De daling in lestijden in een academie (A-B) wordt afgezet ten opzichte van de som van alle omkaderingsverliezen van academies in dat deelvolume. Die verhouding wordt vermenigvuldigd met de beschikbare overbruggingslestijden voor dat deelvolume (L).

De berekening wordt herhaald voor elk deelvolume.

Het omkaderingsverlies wordt berekend zonder rekening te houden met de additionele lestijden, de overgedragen lestijden van het schooljaar 2019-2020 of de lestijden beleidsondersteuning voor kunstacademies of intergemeentelijke en regionale samenwerking, aanvangsbegeleiding en Brusselvoordeel. Sommige academies ontvangen op 1 oktober lestijden voor een programmatie van de domeinen die vóór 1 september 2018 is gestart. Ook die omkadering wordt niet meegenomen in de berekening.

De bepalingen over de aanwending van lestijden in het decreet deeltijds kunstonderwijs blijven van toepassing.

Academies kunnen lestijden uitwisselen:

  • tussen de domeinen muziek, woordkunst-drama en dans onderling, maar niet naar het domein beeldende en audiovisuele kunsten of omgekeerd;
  • van de 4 graad naar de (domeingebonden) 1e, 2e en 3e graad maar niet omgekeerd.

Om de schoolbesturen meer wendbaarheid te geven, wordt de uitwisseling van lestijden tussen de 4e graad van een domein en de kortlopende studierichtingen van dat domein mogelijk gemaakt tijdens het schooljaar 2021-2022. Ook academies die geen overbruggingslestijden ontvangen, kunnen gebruik maken van die versoepeling.

Met de overbruggingslestijden kan een academie ook leeractiviteiten op maat organiseren, voor zover ze rekening houdt met de bepalingen over de aanwending van lestijden in het decreet deeltijds kunstonderwijs, zoals hierboven beschreven. Het maximale aantal lestijden voor leeractiviteiten op maat bedraagt maximaal 5 % van het totaal van de organieke omkadering en de overbruggingslestijden.

Het is niet mogelijk om de overbruggingslestijden om te zetten naar een krediet voor voordrachtgevers.

2.2.2. Berekening en aanwending bijkomende overbruggingslestijden

De som van de lestijden onderwijzend personeel op basis van de financierbare leerlingen van 1 februari 2021 en de uitkomst van alle berekeningen op basis van de maatregen onder 2.2.1. wordt vergeleken met de lestijden onderwijzend personeel op basis van de financierbare leerlingen van 1 februari 2020.

Als het verschil groter is dan 5% van de omkadering van 1 februari 2020, krijgt de academie bijkomende overbruggingslestijden tot het verschil maximaal 5% lestijden bedraagt. In grotere academies kan een verlies van 5% van de lestijden groter zijn dan 20 lestijden of één OFT. Daarom worden er in dat geval bijkomende coronalestijden bijgepast tot het verschil maximaal 20 lestijden bedraagt.

Bijkomende overbruggingslestijden zijn vrij inzetbaar in alle structuuronderdelen van de academie. De academie kan er ook leeractiviteiten op maat mee organiseren, rekening houdend met de begrenzing tot 5% van het lestijdenpakket.

Het is niet mogelijk om de bijkomende overbruggingslestijden om te zetten naar een krediet voor voordrachtgevers.

2.3. Aandachtspunten personeelszaken

De overbruggingslestijden zijn tijdelijke lestijden, ze kunnen daardoor niet vacant verklaard worden. Vaste benoeming is dan ook niet mogelijk, net zomin als een affectatie of mutatie.

De verplichtingen van de regelgeving over terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking (TBSOB) zijn volledig van toepassing.

Dit betekent dat deze verplichtingen zowel op het niveau van het schoolbestuur moeten gerespecteerd worden, maar evengoed kan de reaffectatiecommissie reaffecteren of weder tewerkstellen.

2.4. Gevolgen voor werkingsmiddelen

De gesubsidieerde academies krijgen werkingsmiddelen op basis van het totale aantal toegekende lestijden voor het schooljaar in kwestie.

De overbruggingslestijden worden meegenomen in de berekening van het werkingsbudget. Het verlies aan werkingsmiddelen zal daardoor in gelijke mate gecompenseerd worden.

Voor academies van het GO! blijft de berekening van artikel 84 van het decreet deeltijds kunstonderwijs behouden. Ook de berekening in het besluit van de Beiaardschool blijft van toepassing. Die middelen worden onafhankelijk van de omkaderingsevolutie berekend waardoor de overbruggingslestijden geen effect hebben op de berekening van dat bedrag.

3. Bijkomend genadejaar rationalisatie in de schooljaren 2020-2021, 2021-2022 en 2022-2023

Wanneer het aantal leerlingen in een academie, domein of structuuronderdeel voor de eerste keer niet voldoet aan de rationalisatienorm, krijgt de academie een ‘genadejaar’ Als de norm twee schooljaren na elkaar niet bereikt wordt, volgt de stopzetting, maar de leerlingen mogen er in het schooljaar in kwestie nog les blijven volgen. De leerlingen worden niet meer meegerekend in de omkaderingsberekening van het volgende schooljaar.

Omwille van de coronamaatregelen hebben heel wat academies te kampen met minder inschrijvingen waardoor het moeilijk wordt om de rationalisatienorm te bereiken. Om het bestaande aanbod te vrijwaren krijgen academies, domeinen en structuuronderdelen die op de teldagen 1 februari 2021 en 2022 de rationalisatienorm niet behalen, een bijkomend genadejaar.

Op de teldag van 1 februari 2023 wordt er bovendien geen rekening gehouden met de vorige teldagen. Daardoor zullen er geen academies, domeinen en structuuronderdelen stopgezet worden in het schooljaar 2022-2023. Als de rationalisatienorm niet behaald wordt, bevindt de academie, het domein of structuurdeel zich in een genadejaar.

Voorbeeld 1

1/2/20 norm niet gehaald => 2019-2020 = genadejaar

1/2/21 norm opnieuw niet gehaald =>2020-2021 bijkomend genadejaar

1/2/22 norm opnieuw niet gehaald => 2021-2022 = bijkomend genadejaar

1/2/23 norm gehaald => 2022-2023 = normaal schooljaar

Voorbeeld 2

1/2/20 norm gehaald =>2019-2020 = normaal schooljaar

1/2/21 norm niet gehaald => 2020-2021 = genadejaar

1/2/22 norm niet gehaald => 2021-2022 = bijkomend genadejaar

Voorbeeld 3

1/2/21 norm gehaald => 2020-2021 normaal schooljaar

1/2/22 norm niet gehaald => 2021-2022 genadejaar

1/2/23 norm opnieuw niet gehaald => 2022-2023 = genadejaar

De vrijstelling geldt enkel voor rationalisatienormen, programmaties blijven onderhevig aan de regelgeving zoals bepaald in het decreet deeltijds kunstonderwijs.

De maatregel heeft geen gevolgen op de programmatievoorwaarden voor een nieuw structuuronderdeel of domein. Een academie kan enkel programmeren als op 1 februari van het voorafgaande schooljaar alle domeinen en structuuronderdelen voldoen aan de rationalisatienormen.