Decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I.

  • goedkeuringsdatum
    28 JUNI 2002
  • publicatiedatum
    B.S.14/09/2002
  • datum laatste wijziging
    10/08/2016

COORDINATIE

Decr. 14-2-2003 - B.S. 1-7-2003

Decr. 30-4-2004 - B.S. 29-6-2004

Decr. 7-5-2004 - B.S. 31-8-2004

Decr. 7-5-2004 - B.S. 9-11-2004

Decr. 15-7-2005 - B.S. 30-8-2005

Decr. 15-7-2005 - B.S. 16-9-2005

Decr. 7-7-2006 - B.S. 31-8-2006

Decr. 22-6-2007 - B.S. 21-8-2007

Decr. 4-7-2008 - B.S. 1-9-2008

Decr. 10-7-2008 - B.S. 3-10-2008

Decr. 6-3-2009 - B.S. 2-4-2009

Decr. 20-3-2009 - B.S. 6-4-2009

Decr. 20-3-2009 - B.S. 9-4-2009

Decr. 8-5-2009 - B.S. 28-8-2009

B.Vl.R. 26-2-2010 - B.S. 11-5-2010

Decr. 9-7-2010 - B.S. 31-8-2010

B.Vl.R. 17-12-2010 - B.S. 24-6-2011

Decr. 27-5-2011 - B.S. 17-6-2011

Decr. 1-7-2011 - B.S. 30-8-2011

Decr. 25-11-2011 - B.S. 23-2-2012

Arr. nr. 7/2012, 18-1-2012 - B.S. 7-5-2012

Decr. 8-6-2012 - B.S. 23-7-2012

Decr. 21-3-2014 - B.S. 28-8-2014

Decr. 17-6-2016 - B.S. 10-8-2016

Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen

Artikel I.1

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Artikel I.2

De bepalingen van dit decreet zijn, tenzij anders vermeld, van toepassing op het basisonderwijs, zijnde het gewoon en buitengewoon basisonderwijs en het secundair onderwijs, zijnde het gewoon voltijds secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs [, de leertijd ] en het deeltijds beroepssecundair onderwijs, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap en de centra voor leerlingenbegeleiding.

Decr. 9-7-2010

Artikel I.3

[De bepalingen van dit decreet moeten worden gelezen in het licht van :

1° het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen en dit voor het basisonderwijs, voor zover mogelijk, in een school in hun buurt;

2° het vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie;

3° het bevorderen van sociale mix en cohesie;

4° onverminderd de toepassing van punt 1°, 2°, en 3°, voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, daarnaast ook de bescherming van de gelijke onderwijs- en inschrijvingskansen van Nederlandstaligen en het behoud van het Nederlandstalige karakter van het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs.]

De rechten bepaald in dit decreet moeten worden uitgeoefend met respect voor de fundamentele vrijheden van de school, inzonderheid het recht om een eigen pedagogisch project en een eigen schoolreglement te ontwikkelen, de belangen van de schoolgemeenschap en het recht op onderwijs van de individuele leerling.

Decr. 25-11-2011

[HOOFDSTUK II. - Algemene bepaling

Artikel II.1.

Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :

1°[[...]]8

2°[[...]]8

3° anderstalige nieuwkomer : de leerling bedoeld in artikel 2, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs, respectievelijk artikel 4, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 1995 betreffende de organisatie van een onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers in het voltijds secundair onderwijs;

[[3°bis [[[...]]]¹ ]]4

4° inrichtende macht : de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor één of meer scholen, in het basisonderwijs wordt hiermee het schoolbestuur bedoeld. [[In de leertijd en in het deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt hiermee het centrumbestuur bedoeld.]]5 Wat het gemeenschapsonderwijs betreft, worden met inrichtende macht inzonderheid de bestuursorganen bedoeld die zijn vermeld, naargelang van het geval, in het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, respectievelijk in het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;

5° integratiesector : de integratiecentra en de integratiediensten bedoeld in artikel 2, 9° en 10°, van het decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaamse beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden;

6°[[...]]8

7° leefeenheid : leerlingen met ten minste één gemeenschappelijke ouder of ouders en leerlingen met eenzelfde hoofdverblijfplaats;

8° leerling : elke onderwijszoekende die voldoet aan de bij of krachtens wet of decreet bepaalde toelatingsvoorwaarden of overeenkomstig [[artikel 252 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]]6 als vrije leerling wordt beschouwd;

[[8°/1 leertijd : de opleiding zoals bepaald in artikel 26, 1°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen;]]5

9°[[...]]8

10° onderwijsniveau : indeling van het leerplichtonderwijs in kleuteronderwijs, lager onderwijs, en secundair onderwijs;

11°[[...]]8

12° onthaalbureau : de rechtspersoon die aangeduid wordt voor het realiseren van inburgeringstrajecten in het kader van het Vlaamse inburgeringsbeleid;

13° onthaaljaar : het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers bedoeld in [[artikel 135 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]]6;

14° ouders : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de leerling onder hun bewaring hebben. In het geval de leerling meerderjarig is, wordt onder dit begrip de meerderjarige leerling verstaan;

15°[[...]]8

16° puntenwaarden : de puntenwaarden bedoeld in [[bepalingen inzake de globale puntenenveloppe van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]]6;

17°[[...]]8

18° relatieve aanwezigheid in het werkingsgebied : de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen dat beantwoordt aan één of meerdere van deze gelijke kansenindicatoren zoals bepaald in [[artikel 139bis, § 1, van het decreet basisonderwijs en artikel 225, § 1, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]]6, en het totaal aantal leerlingen van alle scholen binnen het werkingsgebied van een lokaal overlegplatform, binnen een deelgebied van het werkingsgebied of binnen een gemeente indien er geen lokaal overlegplatform is. [[De Vlaamse Regering berekent de procentuele verhouding op basis van de beschikbare cijfergegevens]]² afkomstig van een driejaarlijkse centraal georganiseerde telling op de eerste schooldag van februari, tenzij het lokaal overlegplatform beslist om tussentijds op de eerste schooldag van februari te hertellen;

19° school : een pedagogisch geheel, waar onderwijs georganiseerd wordt en dat onder leiding staat van één directeur. [[Onder school en school voor gewoon secundair onderwijs wordt met uitzondering van de bepalingen van hoofdstuk VI ook een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor wat betreft de opleiding in de leertijd ook een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen begrepen;]]5

20° schoolse achterstand : het niet meer op leeftijd zitten van een leerling in het betrokken leerjaar;

21°[[...]]8

22°[[...]]8

23°[[...]]8

24° vestigingsplaats : het gebouw of gebouwencomplex waarin een school of een gedeelte van een school gevestigd is.

HOOFDSTUK III. - Recht op inschrijving

[[...]]7

HOOFDSTUK IV. - Institutionele bepalingen

Afdeling 1. - De lokale overlegplatforms

Onderafdeling 1. - Oprichting en samenstelling

Artikel IV.1.

Voor de toepassing van dit decreet worden lokale overlegplatforms voor het basisonderwijs en lokale overlegplatforms voor het secundair onderwijs opgericht.

Artikel IV.2.

§ 1. Het werkingsgebied van een lokaal overlegplatform stemt in beginsel overeen met het grondgebied van een gemeente.

De Vlaamse Regering kan dit werkingsgebied beperken tot het grondgebied van de op basis van artikel 41 van de Grondwet opgerichte binnengemeentelijke territoriale organen of uitbreiden tot het grondgebied van verschillende aangrenzende gemeenten.

Een wijkgerichte werking van het lokaal overlegplatform leidt niet tot het oprichten van een lokaal overlegplatform op wijkniveau.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de gemeenten of regio's waar bij prioriteit een lokaal overlegplatform moet worden opgericht.

Voor de toepassing van dit decreet kunnen eveneens lokale overlegplatforms worden ingericht in andere dan de in het eerste lid bedoelde gemeenten of regio's, voor zover zij aan alle voorwaarden van deze afdeling voldoen.

Artikel IV.3.

§ 1. Een lokaal overlegplatform omvat alle ondergenoemde participanten die in het werkingsgebied aanwezig zijn en zich aanmelden :

1° de directies en inrichtende machten van alle in het werkingsgebied gelegen scholen;

2° directies en inrichtende machten van de niet in het werkingsgebied gelegen scholen voor buitengewoon onderwijs wanneer tussen deze scholen en de in het werkingsgebied gelegen scholen frequent leerlingenstromen bestaan;

3° de directies en inrichtende machten van de centra voor leerlingenbegeleiding die de in het werkingsgebied gelegen scholen begeleiden;

4° een vertegenwoordiger van elke representatieve vakorganisatie die de beroepsbelangen van het personeel van de in het werkingsgebied gelegen scholen behartigt;

5° twee vertegenwoordigers van erkende ouderverenigingen;

6° twee vertegenwoordigers van leerlingenraden, indien het gaat om lokale overlegplatforms voor het secundair onderwijs;

7° ten hoogste [[tien]]¹ vertegenwoordigers van lokale socio-culturele en/of -economische partners;

8° twee vertegenwoordigers van organisaties van etnisch-culturele minderheden in de zin van artikel 1, 7°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1999 houdende de erkenning en subsidiëring van het forum van organisaties van etnisch-culturele minderheden;

9° twee vertegenwoordigers van een vereniging waar armen het woord nemen;

10° een vertegenwoordiger van de integratiesector. Wanneer in het werkingsgebied zowel een integratiecentrum als een integratiedienst werkzaam zijn, wordt vanuit beide organisaties in een vertegenwoordiger voorzien;

11 ° een vertegenwoordiger van elk van de in het werkingsgebied gelegen onthaalbureaus;

12° een vertegenwoordiger van het schoolopbouwwerk.

De Vlaamse Regering bepaalt welke organen worden belast met de coordinatie van het aanduiden van de in het eerste lid, 4°, 5°, 6°, 8°, 9° en 10°, bedoelde participanten.

De in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 8°, 9°, 10° en 11°, bedoelde participanten duiden bij een eerste samenkomst de in het eerste lid, 7° en 12°, bedoelde participanten aan. Zij worden daartoe samengeroepen door de in § 3 bedoelde deskundige.

§ 2. De Vlaamse Regering stelt na overleg met het lokaal overlegplatform een voorzitter aan, die vertrouwd is met het ruime onderwijsveld. De voorzitter zetelt niet in een inrichtende macht en is geen personeelslid van één van de betrokken scholen, scholengroepen, scholengemeenschappen of centra voor leerlingenbegeleiding.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de voorzitter wordt vergoed.

§ 3. De Vlaamse Regering voorziet, rekening houdend met artikel IV 2, § 2, eerste lid, in de financiering of subsidiëring van een deskundige die de inhoudelijke en organisatorische ondersteuning van het lokaal overlegplatform waarneemt. Zij bepaalt de nadere aanwervings- en functioneringsvoorwaarden van de deskundige.

De deskundige kan niet worden aangesteld als voorzitter.

§ 4. Een vertegenwoordiger van het betrokken gemeentebestuur of de betrokken gemeentebesturen - in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad : van de Vlaamse Gemeenschapscommissie - dient het lokaal overlegplatform van advies over gemeentelijke aangelegenheden die een nauwe band vertonen met de in artikel 1V4, eerste lid, bedoelde bevoegdheden. Deze persoon treedt niet op in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van de gemeente, respectievelijk de Vlaamse Gemeenschapscommissie als inrichtende macht.

[[§ 5. De inrichtende machten zoals bedoeld in artikel IV.3, § 1, 1°, 2° en 3°, kunnen zich respectievelijk laten vertegenwoordigen door een directie van de school van de eigen inrichtende macht of door een directie van een centrum voor leerlingenbegeleiding van de eigen inrichtende macht.]]¹

Onderafdeling 2. - Bevoegdheid

Artikel IV.4.

Een lokaal overlegplatform heeft volgende opdrachten :

1° het opmaken van een omgevingsanalyse inzake ongelijke onderwijskansen binnen het werkingsgebied. De participanten van het lokaal overleg leveren daartoe de noodzakelijke kwantitatieve en kwalitatieve gegevens;

2° het maken van afspraken inzake het nastreven van de in artikel 1.3, eerste lid, bedoelde doelstellingen;

3° het maken van afspraken inzake de opvang, het aanbod en de toeleiding van leerlingen naar het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers [[en de opvolging van gewezen anderstalige nieuwkomers in het gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs]]¹;

4° het herberekenen van de relatieve aanwezigheid van leerlingen die beantwoorden aan ten minste één van de in [[artikel 37septies, § 3, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 110/7, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs]]7 bedoelde gelijke kansenindicatoren in het werkingsgebied en het opdelen van het werkingsgebied in deelgebieden;

5° het maken van afspraken inzake de uitoefening van de bemiddelingsbevoegdheid;

6° het maken van afspraken over het hanteren van gezamenlijke inschrijvingsperiodes;

7° het maken van afspraken over de toepassing van de voorrangsregels zoals bepaald in [[hoofdstuk IV, afdeling 3, onderafdeling B, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en hoofdstuk 1/1, afdeling 2, van de Codex Secundair Onderwijs]]7, inzonderheid afspraken over het effectief voorzien in de scholen betrokken bij het lokaal overlegplatform van een voorrangsrecht voor leerlingen die beantwoorden aan de gelijke kansenindicatoren zoals bepaald in [[artikel 37septies, § 3, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 110/7, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs]]7;

8° het maken van afspraken over de communicatie over het inschrijvingsbeleid van de scholen;

9° het vastleggen van de criteria en de procedures volgens dewelke scholen voor secundair onderwijs de inschrijving van een elders definitief uitgesloten leerling kunnen weigeren zoals bepaald in [[artikel 110/10, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs]]7;

10° het ontwikkelen van instrumenten om dubbele inschrijvingen te voorkomen;

[[11° maakt afspraken over het verhogen van de kleuterparticipatie;]]¹

[[12° het uitwerken van aanvullende bepalingen over het positieve engagement van ouders ten aanzien van de onderwijstaal.]]³

Een lokaal overlegplatform kan beslissen om bijkomende opdrachten op te nemen.

De Vlaamse Regering kan bijkomende opdrachten toewijzen aan de lokale overlegplatforms.

Onderafdeling 3. - Werking

Artikel IV.5.

De werking van een lokaal overlegplatform wordt geregeld in een bij consensus tot stand gekomen huishoudelijk reglement dat :

1° voorziet in de oprichting van een orgaan dat de besprekingen en beslissingen van het lokaal overlegplatform voorbereidt en dat gemachtigd kan worden de bevoegdheden van het lokaal overlegplatform uit te oefenen. Het huishoudelijk reglement bepaalt op welke wijze de verschillende participanten in dit orgaan worden vertegenwoordigd;

2° voldoet aan de door de Vlaamse Regering bepaalde minimale eisen. De regering waakt erover dat de administratieve planlast voor de scholen en de centra voor leerlingenbegeleiding niet wordt verzwaard.

Afdeling 2. - De Commissie inzake leerlingenrechten

Onderafdeling 1. - Oprichting en samenstelling

Artikel IV.6.

Bij het [[Agentschap voor Onderwijsdiensten]]7 wordt een onafhankelijke commissie ingesteld, "Commissie inzake leerlingenrechten" genaamd, verder genoemd "de Commissie".

Artikel IV.7.

§ 1. De Commissie bestaat uit een voorzitter en zes leden en wordt bijgestaan door een ambtenaar van het [[Agentschap voor Onderwijsdiensten]]7, die fungeert als secretaris.

De voorzitter is een jurist.

Twee leden zijn vertrouwd met de onderwijsregelgeving en het ruime onderwijsveld.

Twee leden hebben een bijzondere kennis of verdienste op het vlak van de kinderrechtenbescherming.

Twee leden zijn vertrouwd met het grondwettelijk en administratief recht.

§ 2. De leden van de Commissie genieten de burgerlijke en politieke rechten en bieden alle waarborgen met het oog op een onafhankelijke uitoefening van hun opdracht.

Het lidmaatschap van de Commissie is onverenigbaar met :

1° het lidmaatschap van een wetgevende vergadering, een provincieraad, een gemeenteraad of een raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een regering, een bestendige deputatie, of de hoedanigheid van burgemeester;

2° de hoedanigheid van personeelslid van het onderwijs of van een centrum voor leerlingenbegeleiding, het hoger onderwijs uitgezonderd;

3° [[afgevaardigden van het Gemeenschapsonderwijs of personeel van de administratieve diensten van het gemeenschapsonderwijs of leden van de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, van een inrichtende macht of schoolbestuur, van een centrum voor leerlingenbegeleiding, het hoger onderwijs uitgezonderd;]]¹

4° de hoedanigheid van personeelslid van de pedagogische begeleidingsdiensten;

5° de hoedanigheid van verantwoordelijk leider, vast gevolmachtigde of vast afgevaardigde van een vakorganisatie die de beroepsbelangen van het personeel van het onderwijs behartigt;

6° de hoedanigheid van personeelslid van de onderwijsinspectie van de Vlaamse Gemeenschap;

[[7° de functie van kabinetslid bij een minister van de federale regering, van de Vlaamse Regering of van de Brusselse Gewestregering;]]¹

[[8° lidmaatschap van de Vlaamse Bemiddelingscommissie.]]10

§ 3. De Vlaamse Regering stelt de leden en hun plaatsvervangers aan en bepaalt de wijze waarop zij vergoed worden.

[[§ 4. Wanneer de Commissie ten gronde adviseert en oordeelt naar recht over klachten die betrekking hebben op de toepassing van [[[artikel 37undecies, § 2 en § 3, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 110/11, § 2 en § 3, van de Codex Secundair Onderwijs]]]² dan wordt de samenstelling van de Commissie, in afwijking van paragraaf 1 en paragraaf 2, uitgebreid met leden met expertise op het gebied van de praktische realisatie van redelijke aanpassingen. Daarbij wordt, in afwijking van paragraaf 1 en paragraaf 2, in elk geval de betrokkenheid verzekerd van personen met een handicap of een organisatie die hen vertegenwoordigt, van een personeelsvertegenwoordiging en een vertegenwoordiging van de onderwijsverstrekkers. [[[Deze leden zetelen met een raadgevend mandaat.]]]²]]9

Onderafdeling 2. - Bevoegdheid

Artikel IV.8.

De Commissie adviseert en oordeelt naar recht inzake het recht op inschrijving, overeenkomstig de bepalingen van [[artikel 37quater decies en artikel 37sedecies van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 110/14 en 110/16 van de Codex Secundair Onderwijs]]7. Tegen een uitspraak van de Commissie staat geen beroep open bij de Vlaamse Regering.

[[...]]7

[[Art. IV.8bis.

De Commissie toetst een voorstel van aanmeldingsprocedure aan de uitgangspunten van dit decreet, als vermeld in artikel 1.3, en de bepalingen inzake de aanmeldingsprocedures en het inschrijvingsrecht, als vermeld in afdelingen 3 en 4 van hoofdstuk IV van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en deel III, titel 2, hoofdstukken 1/1 en 1/2, van de Codex Secundair Onderwijs.]]7

Onderafdeling 3. - Werking

Artikel IV.9.

De Commissie stelt binnen een maand na haar instelling haar reglement van orde op. Zij garandeert daarbij de hoorplicht. Het reglement wordt bekrachtigd door de Vlaamse Regering.

Artikel IV.10.

De zittingen van de Commissie zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.

HOOFDSTUK V. - Rechtsbescherming

[[...]]7 ]

Decr. 15-7-2005; [[ ]]¹ Decr. 22-6-2007; [[ ]]² Decr. 6-3-2009; [[ ]]³ Decr. 20-3-2009; [[ ]]4 Decr. 8-5-2009; [[ ]]5 Decr. 9-7-2010; [[ ]]6 B.Vl.R. 17-12-2010 ; [[ ]]7 Decr. 25-11-2011; [[ ]]8 Decr. 8-6-2012; [[ ]]9 Decr. 21-3-2014; [[ ]]10 Decr. 17-6-2016; [[[ ]]]¹ Decr. 8-6-2012; [[[ ]]]² Decr. 17-6-2016

HOOFDSTUK VI. - Geïntegreerd ondersteuningsaanbod

[...]

Decr. 27-5-2011

HOOFDSTUK VII. - Aanvullende lestijden voor het voeren van een zorgbeleid

[...]

Decr. 22-6-2007

HOOFDSTUK VIII. - Tijdelijk project kunstinitiatie

Artikel VIII.1

[De Vlaamse Regering kent gedurende de schooljaren 2005-2006, 2006-2007 en 2007-2008 aan scholen voor basis- en secundair onderwijs een puntenenveloppe en/of werkingsbudget toe in het kader van projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen. Deze projecten hebben als doelstelling :

1° het zelfbeeld bevorderen bij leerlingen met een risico op schoolse achterstand;

2° de cultuurcompetentie bij deze doelgroep verhogen;

3° de betrokkenheid van de buurt en de ouders bij de school te vergroten.]

Decr.15-7-2005

Artikel VIII.2

[De in artikel VIII.1, tweede lid, bedoelde doelstelling wordt verwezenlijkt door :

1° een artistieke begeleiding van de betrokken minderjarigen door kunstenaars; en/of

2° de professionalisering van leerkrachten van een school voor basisonderwijs of secundair onderwijs inzake de integratie van muzische vorming in een interculturele schoolomgeving; en/of

3° de organisatie van een kunstinitiatie die nauw aansluit bij de leefwereld van de betrokken minderjarigen.]

Decr.15-7-2005

Artikel VIII.3

[§ 1. De in artikel VIII.1, eerste lid, bedoelde ondersteuning wordt toegekend aan een school voor basisonderwijs of secundair onderwijs.

§ 2. De puntenenveloppe en het werkingsbudget worden ingezet in het kader van een samenwerkingsovereenkomst tussen scholen voor basis- of secundair onderwijs en alle hierna vermelde partners :

1° een instelling voor deeltijds kunstonderwijs;

2° een erkende professionele culturele organisatie;

3° een buurtgerichte organisatie.

§ 3. De scholen voor basis- en secundair onderwijs kunnen de toegekende punten in het kader van een samenwerkingsovereenkomst overdragen naar een meewerkende [[school voor basis- en secundair onderwijs of ]] instelling voor deeltijds kunstonderwijs, op voorwaarde dat vooraf een akkoord tussen de betrokken schoolbesturen, dan wel inrichtende machten wordt afgesloten.

§ 4. De puntenenveloppes kunnen omgezet worden in een werkingsbudget [[bestemd voor materiaalkosten, vervoerskosten en uitrustingskosten of ]] om voordrachtgevers in te zetten.

§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de puntenwaarden op basis waarvan de betrekkingen in de ambten van het onderwijzend, beleids- en ondersteunend personeel, het ondersteunend personeel, het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel kunnen worden opgericht. Dit aantal punten wordt bepaald op basis van de weddenschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent. De Vlaamse Regering legt de puntenwaarde vast volgens de weddenschaal. ]

Decr. 15-7-2005; [[ ]] Decr. 7-7-2006

Artikel VIII.4

[De scholen voor basis-, secundair en deeltijds kunstonderwijs kunnen de punten aanwenden voor het oprichten van één of meer betrekkingen in ambten van het onderwijzend, beleids- en ondersteunend personeel, dan wel het ondersteunend personeel en het opvoedend hulppersoneel.

Het personeelslid dat in een school voor basis-, secundair dan wel deeltijds kunstonderwijs wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid.

De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, zijn van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen :

- de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling. Het schoolbestuur, dan wel de inrichtende macht kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking. Deze reaffectatie, wedertewerkstelling of tewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikking gestelde personeelslid. De tewerkstelling wordt beschouwd als een wedertewerkstelling;

- het schoolbestuur, dan wel de inrichtende macht van de instelling waar de betrekking wordt opgericht, is niet verplicht om in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat voorrang heeft voor een tijdelijke aanstelling of dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven overeenkomstig de bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;

- de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur, dan wel de inrichtende macht kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.]

Decr. 15-7-2005

[Het betrokken personeelslid kan, mits zijn instemming, voor de vervulling van zijn opdracht in het kader van het tijdelijk project kunstinitiatie worden ingezet voor en in andere scholen of instellingen die de in artikel VIII.3, § 2, vermelde samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten.]

Decr. 7-7-2006

Artikel VIII.5

[De Vlaamse Regering bepaalt :

1° [[het bedrag dat toegekend wordt aan elk punt dat omgezet wordt in een werkingsbudget, bestemd voor materiaalkosten, vervoerskosten en uitrustingskosten of om voordrachtgevers in te zetten;]]

2° de modaliteiten voor de toekenning en de aanwending van het werkingsbudget.]

Decr. 15-7-2005; [[ ]] Decr. 7-7-2006

Artikel VIII.6

De onderwijsinspectie evalueert de projecten op het einde van het schooljaar 2004-2005 [en 2007-2008;] en formuleert de resultaten daarvan in een advies aan de Vlaamse regering dat voorgelegd wordt aan het Vlaams Parlement.

Decr.15-7-2005

HOOFDSTUK IX. - Wijzigingsbepalingen

Afdeling 1. - Basisonderwijs

Artikel IX.1

Aan artikel 3 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, gewijzigd bij de decreten van 14 juli 1998 en 22 december 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht : ...

Artikel IX.2

Artikel 31 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Artikel IX.3

In artikel 37 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2001, wordt § 4 vervangen door wat volgt : ...

Artikel IX.4

Aan artikel 62 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 juli 1998 en 1 december 1998, wordt een 11° toegevoegd, dat luidt als volgt : ...

Artikel IX.5

Aan artikel 68, § 1, van hetzelfde decreet wordt een 3° toegevoegd, dat luidt als volgt : ...

Artikel IX.6

Aan hetzelfde decreet wordt een artikel 71bis toegevoegd, dat luidt als volgt : ...

Artikel IX.7

In artikel 125 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 oktober 2000, wordt § 1 opgeheven.

Artikel IX.8

In hoofdstuk IX, afdeling 2, onderafdeling B, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : ...

Artikel IX.9

Aan artikel 140 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 juli 1998, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : ...

Artikel IX.10

Artikel 145 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Artikel IX.11

Artikel 156 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Afdeling 2. - Secundair onderwijs

Artikel IX.12

Artikel 6 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij het decreet van 24 juli 1996 en opgeheven door het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : ...

Artikel IX.13

In artikel 6quater , derde lid, van dezelfde wet worden de woorden "het 1e lid" vervangen door de woorden "het 1e lid en artikel 6".

Artikel IX.14

Aan artikel 24, § 2, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1975 en het decreet van 31 juli 1990, wordt een 11° toegevoegd, dat luidt als volgt : ...

Afdeling 3. - Centra voor leerlingenbegeleiding

Artikel IX.15

Aan artikel 41 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding worden een 13° en 14° toegevoegd, die luiden als volgt : ...

HOOFDSTUK X. - Andere bepalingen

Artikel X.1

[...]

Decr. 27-5-2011

[Artikel X.1bis.

[[...]] ]

Decr. 15-7-2005; [[ ]] Decr. 27-5-2011

[Artikel X.2

[[...]] ]

Decr. 4-7-2008; [[ ]] Decr. 8-6-2012

HOOFDSTUK XI. - Inwerkingtreding

Artikel XI.1

De bepalingen van dit decreet treden in werking op 1 september 2002, uitgezonderd :

1° artikel IV.4, 6°, IX.2, IX.3, IX.5, IX.6, IX.14 en IX.15, evenals de bepalingen van afdeling 2 van hoofdstuk IV en de bepalingen van hoofdstuk III en V, die alle in werking treden op 1 januari 2003;

2° de bepalingen van hoofdstuk VII, die in werking treden op 1 september 2003.

Dit decreet wordt ten laatste tegen 1 september 2006 onderworpen aan een evaluatie.