Decreet betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap

  • goedkeuringsdatum
    08 JUNI 2007
  • publicatiedatum
    B.S.19/07/2007
  • datum laatste wijziging
    01/09/2016

COORDINATIE

Decr. 4-7-2008 - B.S. 1-9-2008

Decr. 10-7-2008 - B.S. 3-10-2008

Decr. 30-4-2009 - B.S. 20-7-2009

Decr. 8-5-2009 - B.S. 28-8-2009

Decr. 9-7-2010 - B.S. 31-8-2010

B.Vl.R. 17-12-2010 - B.S. 24-6-2011

Decr. 1-7-2011 - B.S. 30-8-2011

Decr. 29-6-2012 - B.S. 16-8-2012

Decr. 21-12-2012 - B.S. 19-2-2013

Decr. 19-7-2013 - B.S. 27-8-2013

Decr. 25-4-2014 - B.S. 25-9-2014

Decr. 19-6-2015 - B.S. 21-8-2015

Decr. 17-6-2016 - B.S. 10-8-2016

Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : decreet betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap.

BOEK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2.

Dit decreet regelt de studiefinanciering in het kleuteronderwijs, het leerplichtonderwijs en het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, via een stelsel van schooltoelagen in het kleuteronderwijs en het leerplichtonderwijs, en via een stelsel van studietoelagen in het hoger onderwijs.

Art. 3.

Schooltoelagen en studietoelagen hebben tot doel een bijdrage te leveren aan de democratisering van het onderwijs door financiële drempels weg te werken.

Art. 4.

De Vlaamse Regering verleent schooltoelagen aan minvermogende leerlingen in het kleuteronderwijs en het leerplichtonderwijs, overeenkomstig de regelen die bij en krachtens dit decreet zijn vastgesteld.

De Vlaamse Regering verleent studietoelagen aan minvermogende studenten in het hoger onderwijs, overeenkomstig de regelen die bij en krachtens dit decreet zijn vastgesteld.

De schooltoelagen en studietoelagen mogen alleen worden gebruikt om de kosten te dekken voor het onderhoud van de rechthebbende en het door hem gevolgde onderwijs. Op deze toelagen mag geen beslag worden gelegd wegens schulden die de leerling, de student of hun wettelijke vertegenwoordiger hebben aangegaan en die geen verband houden met deze doeleinden.

[Art. 4bis.

Schuldvorderingen die rechtstreeks en uitsluitend gerelateerd zijn aan de bestedingen, vermeld in artikel 4, derde lid, verricht door de ontvanger van studiefinanciering, zijn bevoorrecht op het toegekende bedrag van de studiefinanciering in dezelfde rangorde als de schuldvorderingen, vermeld in artikel 19, 5°, van de Hypotheekwet.]

Decr. 1-7-2011

Art. 5.

In dit decreet wordt verstaan onder :

1° aanvrager : een leerling, student of de wettelijke vertegenwoordiger bij wie de leerling of student op 31 december van het school- of academiejaar in kwestie zijn hoofdverblijfplaats heeft, die een aanvraag voor een toelage indient;

2° academiejaar : periode van één jaar die op zijn vroegst op 1 september en uiterlijk op 1 oktober begint en die eindigt op de dag voor het begin van het volgende academiejaar. Als conform de vigerende wetgeving uitzonderlijk wordt afgeweken van de bovenvermelde definitie, wordt voor de aanvraag van een studietoelage de opleiding die begint na 31 december en eindigt na 30 september beschouwd als behorend tot het academiejaar, zoals hierboven bepaald, waarin de opleiding eindigt;

3°[...]6

4° ambtshalve geregistreerde instelling : instelling als vermeld in [artikel II.1 van de Codex Hoger Onderwijs]6;

5° [...]¹

6° buitenland : gebied buiten het grondgebied van het rijk;

7° deeltijds leerplichtonderwijs : het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd, gesubsidieerd of erkend deeltijds secundair onderwijs dat aan een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling gevolgd wordt, evenals de vormingsprogramma's aan instellingen die door de Vlaamse Gemeenschap zijn erkend voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in toepassing van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht;

8° afdeling Studietoelagen : de afdeling Studietoelagen van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming die verantwoordelijk is voor de studiefinanciering;

9° diplomacontract : begrip als vermeld in [artikel I.3, 20°, van de Codex Hoger Onderwijs]6;

[9°bis diplomajaar : het academiejaar waarin een student zich met een diplomacontract inschrijft voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 21, § 1, en dat academiejaar voor die opleiding een diploma kan behalen [[of zijn schakel- of voorbereidingsprogramma kan voltooien]]¹;]¹

10° erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs : begrip, gedefinieerd conform hoofdstuk VII van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, zoals gewijzigd;

11° erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds of deeltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs : begrip, gedefinieerd overeenkomstig [artikel 13 tot en met artikel 15 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]4;

12° Europese Hogeronderwijsruimte : alle Europese landen en regio's die de Bolognaverklaring, Joint Declaration of the European Ministers of Education Convened in Bologna on the 19th of June 1999, hebben ondertekend, of die de Bolognaverklaring na die datum hebben onderschreven en die op een Bolognafollow-upconferentie van Europese ministers, bevoegd voor het hoger onderwijs, als lid van het Bolognaproces zijn aanvaard;

13° fiscaal ten laste : ten laste volgens artikelen 136 tot en met 145 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen;

14°[...]6

15° gehuwden : gehuwden en wettelijk samenwonenden overeenkomstig artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek, zoals bepaald bij de wet van 23 november 1998 tot invoering van de wettelijke samenwoning, alsmede twee personen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres en één of meer gemeenschappelijke kinderen hebben. De persoon die op basis van [artikelen 10, 10bis, 40bis of 40ter]² van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, toegelaten werd om in België te verblijven om een duurzame relatie verder te zetten met een persoon die reeds over een verblijfsrecht in België beschikt, wordt eveneens beschouwd als gehuwd;

16° [halftijds studietraject : een studietraject in het hoger onderwijs met een studieprogramma van dertig studiepunten; ]¹

[16°/1 hoger onderwijs : een van volgende opleidingen :

a) een bacheloropleiding en een masteropleiding, [[als vermeld in artikel II.58 van de Codex Hoger Onderwijs]]²;

b) een specifieke lerarenopleiding;

c) een voorbereidingsprogramma dat al dan niet gevolgd wordt in voorbereiding op het volgen van een voortgezette opleiding;

d) een schakelprogramma; e) het hoger beroepsonderwijs, met uitzondering van de opleiding vermeld in artikel 4, § 3, derde lid, van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs;]³

17° [hoofdverblijfplaats : begrip zoals, bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;]¹

18° kadastraal inkomen : het kadastraal inkomen overeenkomstig titel IX van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen;

19° kadastraal inkomen vreemd gebruik : kadastraal inkomen van de onroerende goederen die noch als eigen hoofdverblijfplaats, noch voor eigen beroepsdoeleinden worden gebruikt;

[19°/1 kadastraal inkomen voor eigen beroepsdoeleinden : het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die voor eigen beroepsdoeleinden gebruikt worden, vermeld op het aanslagbiljet van de personenbelasting;]5

20° kalenderjaar : periode van 1 januari tot en met 31 december;

21° leefeenheid : één of meer meerderjarigen, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres, alsook één of meer minderjarige gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerlingen of studenten, ongeacht hun geslacht, met eventueel één of meer minder- en meerderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres;

22° leerling : de persoon, ingeschreven in het kleuteronderwijs of het leerplichtonderwijs;

23° leerplichtonderwijs : het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd, gesubsidieerd of erkend voltijds lager onderwijs en voltijds of deeltijds secundair onderwijs dat aan een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling gevolgd wordt, evenals de vormingsprogramma's aan instellingen die door de Vlaamse Gemeenschap zijn erkend voor de vervulling van de leerplicht in toepassing van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht;

24° [...]¹

25° meeneembaarheid van de toelage : het krijgen van een schooltoelage in het secundair onderwijs of een studietoelage in het hoger onderwijs voor een studieprogramma of opleiding, gevolgd in een andere gemeenschap of in het buitenland;

26° NARIC-Vlaanderen : het National Academic (& Professional) Recognition and Information Centre, opgericht bij de Vlaamse Gemeenschap;

27° niet-verwanten : natuurlijke personen die noch bloedverwanten zijn in de rechte opgaande en nederdalende lijn, of in de zijlijn tot de vierde graad, noch aanverwanten zijn in dezelfde lijn en dezelfde graad;

28° [opgenomen studiepunten : deel van de opleiding, uitgedrukt in het totaal aantal studiepunten dat het omvat, waarvoor een student zich met een diplomacontract aan een hogeronderwijsinstelling heeft ingeschreven voor het volgen van een opleiding, zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en § 2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1;]¹

29° opleidingsonderdeel : begrip als vermeld in [artikel I.3, 49°, van de Codex Hoger Onderwijs]6;

30° rechthebbende : de leerling en student die overeenkomstig dit decreet recht hebben op een schooltoelage of een studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap;

31° schakelprogramma : begrip als vermeld in [artikel I.3, 56°, van de Codex Hoger Onderwijs]6;

32° schooldag : een kalenderdag waarop de leerling dient deel te nemen aan onderwijsactiviteiten, die zowel uit lessen als uit werkplekleren kunnen bestaan;

33° schooljaar : de periode die begint op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar;

34° schooltoelage : financiële middelen, toegekend door de Vlaamse Gemeenschap, aan minvermogende leerlingen in het kleuteronderwijs en het leerplichtonderwijs;

35° specifieke lerarenopleiding : opleiding als vermeld in artikel 55octies van het structuurdecreet;

36° student : de persoon, ingeschreven in een onderwijsinstelling voor hoger onderwijs;

37°[...]6

38° studietoelage : financiële middelen, toegekend door de Vlaamse Gemeenschap, aan minvermogende studenten in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap;

39° toelage : een schooltoelage of een studietoelage;

40° uitschrijven : het vroegtijdig stopzetten van dat deel van de opleiding waarvoor de aanvrager zich voor het school- of academiejaar in kwestie heeft ingeschreven, op verzoek van de aanvrager [, leerling of student]5 of zijn wettelijke vertegenwoordiger;

41° [verworven studiepunten : studiepunten waarvoor aan de student een creditbewijs werd verleend voor het met een diplomacontract volgen van een opleiding zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en § 2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1;]¹

42° [voltijds studietraject : een studietraject in het hoger onderwijs met een studieprogramma van zestig studiepunten;]¹

43° voorbereidingsprogramma : begrip als vermeld in [artikel I.3, 76°, van de Codex Hoger Onderwijs]6 [, dat niet gevolgd wordt in voorbereiding op een bachelor-na-bacheloropleiding of een master-na-masteropleiding]²;

[43°/1 voortgezette opleiding : een bachelor-na-bacheloropleiding, een master-na-masteropleiding, een doctoraat, een doctoraatsopleiding of een postgraduaatsopleiding;]³

44° werkplekleren : elke vorm van activiteit, naast de leercomponent, die samen met die leercomponent het voltijds engagement uitmaakt;

[45° wettig verblijf : de situatie van de vreemdeling die toegelaten is om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven of die gemachtigd is zich er te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, alsook de situatie van personen die als slachtoffer van mensenhandel of -smokkel of als niet-begeleide minderjarige door middel van een aankomstverklaring gemachtigd zijn tot een verblijf in het Rijk van maximaal drie maanden.]¹

[ ]¹ Decr. 4-7-2008; [ ]² Decr. 8-5-2009; [ ]³ Decr. 9-7-2010; [ ]4 B.Vl.R. 17-12-2010; [ ]5 Decr. 21-12-2012; [ ]6 Decr. 19-6-2015; [[ ]]¹ Decr. 8-5-2009; [[ ]]² Decr. 19-6-2015

BOEK II. - Schooltoelagen en studietoelagen

TITEL I. - Algemene bepalingen

Art. 6.

Om in aanmerking te komen voor een toelage, moet tegelijkertijd worden voldaan aan de nationaliteits-voorwaarde, de pedagogische voorwaarden, de financiële voorwaarden en de procedurele voorwaarden, bepaald in dit decreet.

Art. 7.

Om de nationaliteit, hoofdverblijfplaats en de toestand van de leefeenheid te bepalen, wordt bij de toepassing van dit decreet rekening gehouden met de toestand op 31 december van het school- of academiejaar in kwestie.

Om de pedagogische toestand te bepalen, wordt bij de toepassing van dit decreet rekening gehouden met de toestand op 30 juni van het school- of academiejaar in kwestie.

Art. 8.

[De afdeling Studietoelagen kan alle inlichtingen inwinnen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit decreet. [[De afdeling Studietoelagen kan eveneens gegevens uitwisselen met de voor studiefinanciering bevoegde overheden uit het buitenland, voor zover deze informatieuitwisseling noodzakelijk is voor de toepassing van de buitenlandse regelgeving en berust op een schriftelijk afsprakenkader tussen de betrokken overheidsdiensten, met inachtname van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.]]

De aanvrager, de persoon die de toelage ontvangt of de persoon die in het onderhoud van de leerling of student voorziet, moet de afdeling Studietoelagen op de hoogte brengen van nieuwe gegevens die relevant zijn voor de behandeling van het dossier.]

Decr. 21-12-2012; [[ ]] Decr. 17-6-2016

TITEL II. - Nationaliteitsvoorwaarde

Art. 9.

§ 1. Een toelage kan worden toegekend aan leerlingen of studenten met de Belgische nationaliteit.

§ 2. In afwijking van § 1, kan een toelage worden toegekend aan de volgende categorieën van leerlingen of studenten :

1° kinderen van onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op basis van een arbeidsovereenkomst gedurende een periode van twee jaar en uiterlijk op 31 december van het school- of academiejaar in kwestie minstens twaalf maanden minstens 32 uur per maand in België werken of hebben gewerkt en die zich kunnen beroepen op artikel 12 van Verordening (EEG) 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, en kinderen van onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die gedurende een periode van twee jaar en uiterlijk op 31 december van het school- of academiejaar in kwestie in België andere werkzaamheden dan werkzaamheden in loondienst verrichten of hebben verricht op basis van een inschrijving in de Kruispuntbank voor Ondernemingen of in het handelsregister;

2° onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op basis van een arbeidsovereenkomst gedurende een periode van twee jaar, onmiddellijk voorafgaand aan 31 december van het school- of academiejaar in kwestie, minstens twaalf maanden minstens 32 uur per maand in België werken of hebben gewerkt en die zich kunnen beroepen op artikel 7 van Verordening (EEG) 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, en onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die gedurende een periode van twee jaar, onmiddellijk voorafgaand aan 31 december van het school- of academiejaar in kwestie, in België andere werkzaamheden dan werkzaamheden in loondienst verrichten of hebben verricht op basis van een inschrijving in de Kruispuntbank voor Ondernemingen;

3° onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gedurende de periode, onmiddellijk voorafgaand aan 31 december van het school- of academiejaar in kwestie, gedurende vijf jaar onafgebroken in België zijn, waarbij de termijn wordt bewezen door de inschrijving in het Rijksregister of door een gelijkwaardig attest, uit te reiken door het gemeentebestuur;

4° leerlingen of studenten met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van onbeperkte duur in België, zoals bepaald bij de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

5° slachtoffers van mensenhandel, geattesteerd door een door de federale overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel;

6° leerlingen of studenten met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van bepaalde duur in België op basis van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

7° onderdanen van een land dat niet tot de Europese Economische Ruimte behoort die op 31 december van het betrokken school- of academiejaar gedurende een onafgebroken periode van minstens twaalf maanden wettig verblijven in België, en dit wettig verblijf niet verleend werd om in België hoger onderwijs te volgen of te werken, noch verleend werd in afwachting van een uitspraak in een asielprocedure om erkend te worden als vluchteling of als persoon die recht heeft op de subsidiaire bescherming, overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

8° personen die op basis van de artikelen 10, 10bis, [40bis of 40ter] van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de toelating hebben gekregen om een persoon zoals bedoeld in § 1 of § 2, 1° tot en met 7°, van onderhavig artikel, of een persoon die op 31 december van het betrokken school- of academiejaar minstens twaalf maanden wettig verblijft in België om hoger onderwijs te volgen of te werken, te begeleiden of vervoegen.

Decr. 8-5-2009

TITEL III. - Pedagogische voorwaarden

HOOFDSTUK I. - Schooltoelage kleuter- en leerplichtonderwijs

Afdeling I. - Schooltoelage basisonderwijs

Art. 10.

Een schooltoelage kan worden toegekend aan de leerling die is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs.

Art. 11.

Een schooltoelage kan worden toegekend aan leerlingen in het basisonderwijs die gerechtigd zijn om dat onderwijs te volgen overeenkomstig het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.

Art. 12.

§ 1. Om het recht op een toelage voor leerlingen in het kleuteronderwijs vast te stellen, meldt de onderwijsinstelling in kwestie aan de afdeling Studietoelagen :

1° welke leerlingen zijn ingeschreven op de laatste schooldag van juni;

2° het aantal halve schooldagen dat de leerlingen aanwezig waren op school;

3° welke leerlingen die onderworpen zijn aan de leerplicht, dertig of meer al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig zijn geweest.

§ 2. Om het recht op een toelage voor leerlingen in het lager onderwijs vast te stellen, meldt de onderwijsinstelling in kwestie aan de afdeling Studietoelagen :

1° welke leerlingen zijn ingeschreven op de laatste schooldag van juni;

2° welke leerlingen in het lager onderwijs dertig of meer al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig zijn geweest.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in §§ 1 en 2, moeten worden meegedeeld.

Onderafdeling I. - Schooltoelage kleuteronderwijs

Art. 13.

§ 1. [Een leerling heeft geen recht op een schooltoelage voor het kleuteronderwijs als hij :

1° in het schooljaar in kwestie niet ingeschreven is in een onderwijsinstelling, als vermeld in artikel 10;

2° gedurende het schooljaar in kwestie en het daaraan voorafgaande schooljaar niet voldoende aanwezig is geweest.]¹

§ 2. [Een leerling wordt tijdens een schooljaar geacht voldoende aanwezig te zijn als :

1° hij honderd vijftig halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van drie jaar bereikt. In afwijking hiervan moet de leerling die pas na 31 december van hetzelfde schooljaar de leeftijd van drie jaar bereikt, honderd halve schooldagen aanwezig zijn op school;

2° hij honderd vijfentachtig halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van vier jaar bereikt;

3° hij tweehonderd twintig halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van vijf jaar bereikt;

4° hij niet meer dan 29 halve schooldagen ongewettigd afwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van zes of zeven jaar bereikt.]¹

§ 3. Een kleuter wordt geacht een halve dag aanwezig te zijn als dit blijkt uit de registratie in het aanwezigheidsregister van de school.

Een leerplichtige kleuter is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs.

[§ 4. In afwijking van § 3, bepaalt de Vlaamse Regering wanneer een leerling geacht wordt voldoende aanwezig te zijn, wanneer de onderwijsinstelling, vermeld in artikel 10, overeenkomstig artikel 8 van het besluit van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs, in het deeltijds onderwijs en in het onderwijs voor sociale promotie erkend gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt.]¹

[§ 5. In afwijking van § 2 en § 3, eerste lid, wordt een kleuter tijdens het betrokken schooljaar geacht voldoende aanwezig te zijn, indien een attest van een arts, een paramedicus, vermeld in het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de lijst van de paramedische beroepen, of een houder van een diploma in kinesitherapie, vermeld in artikel 21bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitvoering van de gezondheidsberoepen, voorgelegd wordt. Het attest bevat een verklaring dat de in een school ingeschreven kleuter tijdens het betrokken schooljaar niet of slechts onregelmatig naar school kan gaan. Het attest wordt door de aanvrager [[of de wettelijke vertegenwoordiger van de leerling bij wie de betrokken leerling zijn hoofdverblijfplaats heeft,]] teruggestuurd naar de bevoegde afdeling Studietoelagen van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming.]²

[§ 6. In afwijking van § 3 worden halve dagen aanwezigheid in de rijdende kleuterschool zoals bepaald in artikel 168 van het decreet basisonderwijs beschouwd als aanwezigheid in de erkende school waar de leerling ingeschreven is.]³

[ ]¹ Decr. 8-5-2009; [ ]² Decr. 1-7-2011; [ ]³ Decr. 21-12-2012; [[ ]] Decr. 21-12-2012

Onderafdeling II. - Schooltoelage lager onderwijs

Art. 14.

§ 1. Een leerling heeft geen recht op een schooltoelage voor het lager onderwijs als hij :

1° in het schooljaar in kwestie niet ingeschreven is in een onderwijsinstelling, als vermeld in artikel 10;

2° gedurende het schooljaar in kwestie dertig al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest en het daaraan voorafgaande schooljaar hetzij eveneens dertig al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest, hetzij minder dan tweehonderd twintig halve schooldagen aanwezig is geweest indien de leerling toen nog niet onderworpen was aan de leerplicht maar wel ingeschreven was in een kleuterschool.

§ 2. Een leerling in het lager onderwijs wordt geacht aanwezig te zijn als hij niet als ongewettigd afwezig is geregistreerd in het aanwezigheidsregister van de school.

Een leerling is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van de leerlingen in het basisonderwijs.

[§ 3. In afwijking van § 1, 2°, bepaalt de Vlaamse Regering het aantal halve schooldagen dat een leerling maximaal per schooljaar ongewettigd afwezig mag zijn, wanneer de onderwijsinstelling, vermeld in artikel 10, overeenkomstig artikel 8 van het besluit van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs, in het deeltijds onderwijs en in het onderwijs voor sociale promotie erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt.]

Decr. 8-5-2009

Afdeling II. - Schooltoelage voltijds secundair onderwijs en deeltijds leerplichtonderwijs

Onderafdeling I. - Algemene voorwaarden

Art. 15.

§ 1. Een schooltoelage voor het voltijds secundair onderwijs kan worden toegekend aan de leerling die is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor voltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs.

§ 2. Een schooltoelage voor het deeltijdse leerplichtonderwijs kan worden toegekend aan de leerling die is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling voor deeltijds secundair onderwijs of in een door de Vlaamse Regering erkende instelling voor vormingsprogramma's die [...] zijn erkend voor de vervulling van de leerplicht in toepassing van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.

Decr. 9-7-2010

Art. 16.

§ 1. Een leerling heeft geen recht op een schooltoelage voor het voltijds secundair onderwijs of het deeltijds leerplichtonderwijs als hij :

1° in het schooljaar in kwestie niet ingeschreven is in een onderwijsinstelling of instelling voor vormingsprogramma's, als vermeld in artikel 15;

of

2° gedurende het schooljaar in kwestie dertig al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest tijdens de lessen in de onderwijsinstelling of de instelling voor vormingsprogramma's, vermeld in artikel 15, en/of het werkplekleren dat deel uitmaakt van de opleiding in de periode van 1 september tot en met 30 juni, en als hij gedurende het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar in kwestie dertig, al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig is geweest tijdens de lessen in de onderwijsinstelling of de instelling voor vormingsprogramma's, vermeld in artikel 15 of in artikel 10, en/of het werkplekleren dat deel uitmaakt van de opleiding in de periode van 1 september tot en met 30 juni.

§ 2. Een leerling in het secundair onderwijs en het deeltijds leerplichtonderwijs wordt geacht aanwezig te zijn wanneer deze tijdens de lessen of het werkplekleren daadwerkelijk aanwezig is of niet ongewettigd afwezig is.

Een leerling is ongewettigd afwezig wanneer deze problematisch afwezig is, zoals bedoeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van leerlingen in het secundair onderwijs.

[In afwijking van het tweede lid is een leerling die met een erkende leerovereenkomst of -verbintenis in het kader van de leertijd een opleiding volgt in een erkend en gesubsidieerd centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, onwettig afwezig wanneer deze problematisch afwezig is als vermeld in de uitvoeringsreglementering aangenomen door de Vlaamse Regering in het kader van de leertijd krachtens artikelen 58 en 59 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.]

Decr. 10-7-2008

[§ 3. In afwijking van § 1, 2°, bepaalt de Vlaamse Regering het aantal halve schooldagen dat een leerling in het voltijds secundair onderwijs maximaal per schooljaar ongewettigd afwezig mag zijn, wanneer de onderwijsinstelling in kwestie overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs, over een afwijkende uurregeling beschikt.]

Decr. 8-5-2009

Art. 17.

Een leerling heeft recht op een schooltoelage voor het voltijds secundair onderwijs en het deeltijds leerplichtonderwijs tot en met het schooljaar waarin de betrokken leerling 22 jaar wordt.

In afwijking van het eerste lid kan voor leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon secundair onderwijs [, in de vierde graad van het voltijds secundair onderwijs en in de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs], een schooltoelage worden toegekend zonder dat hierbij een leeftijdsbeperking geldt.

Decr. 30-4-2009

Art. 18.

§ 1. Om het recht op een toelage voor leerlingen in het voltijds secundair onderwijs of het deeltijds leerplichtonderwijs vast te stellen, meldt de onderwijsinstelling of de instelling voor vormingsprogramma's, zoals bedoeld in artikel 15, aan de afdeling Studietoelagen :

1° welke leerlingen zijn ingeschreven;

2° de datum van inschrijving;

3° de datum van eventuele uitschrijving;

4° welke leerlingen dertig of meer al dan niet gespreide halve schooldagen ongewettigd afwezig zijn geweest tijdens de lessen en/of het werkplekleren in de periode van 1 september tot en met 30 juni. De werkgever van de leerling deelt hiertoe elke ongewettigde afwezigheid mee aan de onderwijsinstelling of de instelling voor vormingsprogramma's, zoals bedoeld in artikel 15.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens, vermeld in § 1, moeten worden meegedeeld.

Onderafdeling II. - Meeneembaarheid van de schooltoelage

Art. 19.

Leerlingen die in het buitenland [of in een andere gemeenschap]² secundair onderwijs volgen, komen in aanmerking voor een schooltoelage als er voor de in het buitenland of in een andere gemeenschap gevolgde studierichting of opleiding geen equivalente opleiding bestaat in een onderwijsinstelling of een instelling voor vormingsprogramma's, zoals bedoeld in artikel 15 [, en bovendien hetzij de onderwijsinstelling, hetzij de studierichting of opleiding erkend is door de bevoegde overheid in de gemeenschap of het land in kwestie]³.

Artikel 16, artikel 17, tweede lid, artikel 50, §§ 2 en 4, en artikel [66]¹ zijn niet van toepassing op leerlingen die in het buitenland secundair onderwijs volgen.

[ ]¹ Decr. 4-7-2008; [ ]² Decr. 8-5-2009; [ ]³ Decr. 9-7-2010

[Art. 19/1.

Voor het onderzoek of er een equivalente opleiding bestaat als vermeld in artikel 19, baseert de afdeling Studietoelagen zich op het advies van NARIc of op de informatie die NARIC ter beschikking stelt of op het advies van de betrokken overheid.]

Decr. 25-4-2014

HOOFDSTUK II. - Studietoelage hoger onderwijs

Afdeling I. - Algemene voorwaarden

Art. 20.

§ 1. Om in aanmerking te komen voor een studietoelage, moet de student een diplomacontract hebben gesloten met betrekking tot het volgen van een opleiding die geaccrediteerd is, erkend is als nieuwe opleiding, of tijdelijk erkend is, en die georganiseerd wordt door een ambtshalve geregistreerde instelling.

De volgende opleidingen worden eveneens beschouwd als opleidingen die vallen onder het toepassingsgebied van het eerste lid :

1° opleidingen die vallen onder het toepassingsgebied van [artikel II.133, § 2, van de Codex Hoger Onderwijs], voor de student binnen de normale opleidingsduur de opleiding heeft voltooid;

2° opleidingen die geaccrediteerd zijn, erkend zijn als nieuwe opleiding, of die tijdelijk erkend zijn, en die vallen onder het toepassingsgebied van [artikel II.171 of II.172 van de Codex Hoger Onderwijs].

§ 2. In afwijking van § 1, eerste lid, kan voor de volgende opleidingen tevens een studietoelage verkregen worden :

1° een voorbereidingsprogramma;

2° een schakelprogramma;

3° een specifieke lerarenopleiding.

Decr. 19-6-2015

Art. 21.

[§ 1. Iedere student kan een studietoelage krijgen voor het behalen van een diploma voor twee bachelors, een master, een specifieke lerarenopleiding, en voor het voltooien van een voorbereidingsprogramma en een schakelprogramma.

§ 2. Elke student heeft een studietoelagekrediet dat op het einde van elk academiejaar aangevuld wordt met het aantal verworven studiepunten dat de student dat academiejaar verworven heeft bij zijn studies, zoals bedoeld in § 1.

De verworven studiepunten worden in meerdering aangebracht op het studietoelagekrediet, ongeacht het feit of de student voor deze verworven studiepunten een studietoelage zal aanvragen.

§ 3. In afwijking van § 2 kan het studietoelagekrediet nooit meer dan zestig bedragen.]

Decr. 4-7-2008

Art. 22.

[§ 1. In afwijking van artikel 26, § 1, wordt het jokerkrediet niet aangewend voor studenten die zich voor de eerste maal met een diplomacontract in het hoger onderwijs inschrijven voor het volgen van een of meerdere opleidingen, zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en § 2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1.

§ 2. Het studietoelagekrediet van de student, zoals bedoeld in § 1, wordt opgetrokken met het aantal studiepunten dat hij in het academiejaar in kwestie opneemt, met een maximum van zestig.

§ 3. Indien de student in zijn eerste academiejaar hoger onderwijs minder dan zestig studiepunten opnam, wordt het verschil tussen zestig en het aantal in het eerste academiejaar opgenomen studiepunten alsnog voor volgende academiejaren aangevuld op het studietoelagekrediet, op voorwaarde en in de mate dat de student in dat latere academiejaar in kwestie meer studiepunten opneemt dan in het academiejaar waarin de student het hoogste aantal studiepunten opnam, zonder dat de student meer dan zestig studiepunten kan opnemen.]

Decr. 4-7-2008

Art. 23.

[§ 1. Iedere student die zich inschrijft voor een aantal studiepunten om een diploma van een bepaalde opleiding, zoals bedoeld in artikel 21, § 1, te behalen, kan in aanmerking komen voor een studietoelage voor zover en in de mate dat hij over studietoelagekrediet beschikt.

Per academiejaar kan een student maximaal voor zestig studiepunten een studietoelage krijgen.

§ 2. Opgenomen studiepunten, waarvoor al dan niet een studietoelage werd toegekend, worden in mindering gebracht op het studietoelagekrediet.

Het studietoelagekrediet kan nooit minder bedragen dan nul.

§ 3. In afwijking van § 1, eerste lid, kan een student maximum een studietoelage ontvangen voor het aantal opgenomen studiepunten dat gelijk is aan het verschil tussen het aantal studiepunten dat de student voor zijn studietoelagegerechtigdheid maximaal mag verwerven om een diploma te behalen, zoals bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, en de som van het aantal verworven studiepunten dat de student op het einde van het laatst gevolgde academiejaar in totaal behaald heeft voor het volgen van de opleiding of opleidingen in kwestie.

Een student is studietoelagegerechtigd voor het behalen van zijn eerste bachelordiploma totdat hij maximaal 240 studiepunten verworven heeft voor het volgen van bacheloropleidingen.

De student die reeds een bachelordiploma behaald heeft, is studietoelagegerechtigd voor het behalen van zijn tweede bachelordiploma totdat hij in totaal maximaal 420 studiepunten verworven heeft voor het volgen van bacheloropleidingen.

Een student mag voor het behalen van een masterdiploma slechts zo veel studiepunten voor masteropleidingen verwerven dan het aantal studiepunten dat de totale studieomvang van de masteropleiding waarvoor de student zich in het academiejaar in kwestie heeft ingeschreven, telt, vermeerderd met [[dertig]]. Indien de student zich in het academiejaar in kwestie voor meerdere masteropleidingen heeft ingeschreven, is het maximum aantal studiepunten dat verworven mag worden voor masteropleidingen, gelijk aan de totale studieomvang van de masteropleiding die het grootst is vermeerderd met [[dertig]].]

Decr. 4-7-2008; [[ ]] Decr. 1-7-2011

Art. 24.

[§ 1. Bij de berekening van het bedrag van de studietoelage wordt het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar in kwestie in rekening gebracht, voor zover en in de mate dat het studietoelagekrediet toereikend is.

§ 2. Om in aanmerking te komen voor een studietoelage, moet de student minstens 27 studiepunten opnemen, waarbij de studiepunten tegelijkertijd kunnen betrekking hebben op verschillende opleidingen, zoals bedoeld in artikel 21, § 1.

In afwijking van het eerste lid komt de student die minder dan 27 studiepunten opneemt in aanmerking voor een studietoelage als hij in zijn diplomajaar zit.

§ 3. Als de studieomvang van de opleiding niet wordt uitgedrukt in studiepunten, wordt de studieomvang voor een academiejaar vastgesteld op zestig studiepunten.

Als de student kan aantonen dat de door hem gevolgde opleiding, die niet uitgedrukt wordt in studiepunten, niet voltijds is, wordt de studieomvang bepaald op dertig studiepunten.]

Decr. 4-7-2008

Art. 25.

[Indien een student studiepunten opneemt voor een opleiding zoals bedoeld in artikel 21, § 1, doch in hetzelfde academiejaar eveneens is ingeschreven voor het volgen van een voortgezette opleiding [[of een voorbereidingsprogramma dat gevolgd wordt in voorbereiding op het volgen van een voortgezette opleiding]] waarvoor overeenkomstig artikel 21, § 1, geen studietoelage gegeven kan worden, komt de student dat academiejaar evenmin in aanmerking voor een studietoelage voor het volgen van de opleiding die wel beantwoordt aan artikel 21, § 1.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de student in de financierbare opleiding, zoals bedoeld in artikel 21, § 1, in zijn diplomajaar zit.]

Decr. 4-7-2008; [[ ]] Decr. 9-7-2010

Art. 26.

[§ 1. Indien de student een aanvraag indient voor een studietoelage maar voor het academiejaar in kwestie meer studiepunten opneemt dan hij beschikbaar heeft op zijn studietoelagekrediet, wordt het jokerkrediet aangesproken indien hij hiervoor een studietoelage kan ontvangen.

Het jokerkrediet wordt aangesproken om het studietoelagekrediet aan te vullen voor zover en in de mate dat het aantal opgenomen studiepunten het studietoelagekrediet overschrijdt, met een maximum van zestig studiepunten.

§ 2. Het jokerkrediet omvat zestig studiepunten, en geldt voor de hele studieduur.]

Decr. 4-7-2008

Art. 27.

[§ 1. De instellingen voor hoger onderwijs delen aan de afdeling Studietoelagen de volgende informatie mee over de studenten die bij hen zijn ingeschreven :

1° de aard van het contract dat overeenkomstig [[artikel II.199 van de Codex Hoger Onderwijs]] werd gesloten tussen de student en de onderwijsinstelling met betrekking tot het academiejaar in kwestie;

2° het aantal studiepunten van de opleidingsonderdelen die deel uitmaken van een opleiding, zoals bedoeld in artikel 21, § 1, waarvoor de student in het academiejaar in kwestie is ingeschreven;

3° het aantal studiepunten dat de student verworven heeft voor het volgen van de opleidingsonderdelen, zoals bedoeld in 2°;

4° de diploma's, zoals bedoeld in artikel 21, § 1, die de student in het academiejaar in kwestie behaald heeft;

5° het aantal studiepunten waarvoor een student zich tijdens het academiejaar in kwestie heeft uitgeschreven voor opleidingsonderdelen.

Informatie in verband met de opleiding, behaalde diploma's, opgenomen studiepunten en verworven studiepunten waarvoor de student tijdens andere academiejaren in binnen- of buitenland was ingeschreven, wordt door de student aan de afdeling Studietoelagen meegedeeld.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de gegevens in § 1 moeten worden meegedeeld.]

Decr. 4-7-2008; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Afdeling II. - Meeneembaarheid van de studietoelage

Art. 28.

In geval van meeneembaarheid van de studietoelage wordt er een onderscheid gemaakt tussen horizontale en verticale mobiliteit.

Bij horizontale mobiliteit is de student ingeschreven voor een geaccrediteerde, als nieuw erkende of tijdelijk erkende opleiding aan een ambtshalve geregistreerde instelling en volgt de student in het kader van die opleiding een of meer opleidingsonderdelen in een andere gemeenschap van België of in een ander land binnen of buiten de Europese Hogeronderwijsruimte, waarbij dit opleidingsonderdeel integraal deel uitmaakt van de opleiding waarvoor de student is ingeschreven.

Bij verticale mobiliteit is de student ingeschreven voor een opleiding aan een instelling in een andere gemeenschap of in een ander land binnen of buiten de Europese Hogeronderwijsruimte.

Art. 29.

[Bij horizontale mobiliteit kunnen studenten zowel binnen als buiten de Europese Hogeronderwijsruimte in aanmerking komen voor een studietoelage.

Bij verticale mobiliteit kunnen studenten enkel binnen de Europese Hogeronderwijsruimte in aanmerking komen voor een studietoelage.]

Decr. 9-7-2010

Art. 30.

§ 1. In afwijking van artikel 20 moet de opleiding in kwestie die gevolgd wordt in het kader van verticale mobiliteit :

1° door de bevoegde overheid in de gemeenschap of het land in kwestie erkend zijn, of gevolgd worden aan een door de bevoegde overheid erkende instelling; en

2° leiden tot een door de bevoegde overheid erkend diploma.

De opleiding die in het verleden voldeed aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, maar waarvan de erkenning van de opleiding of de instelling vervallen is voor de student binnen de normale opleidingsduur de opleiding heeft voltooid, wordt eveneens beschouwd als een opleiding die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid.

§ 2. [In afwijking van artikel 29 komt de student die in het kader van verticale mobiliteit studies wenst te volgen buiten de Europese Hogeronderwijsruimte, in aanmerking voor studiefinanciering na goedkeuring door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt haar beslissing op basis van de volgende aanvullende cumulatieve criteria :

1° voor de te volgen opleiding bestaat geen gelijkwaardige opleiding tussen de volgens de bepalingen van het Structuurdecreet geaccrediteerde, als nieuw erkende of tijdelijk erkende opleidingen; [[...]]³

2° de opleiding en de organiserende instelling draagt bij aan de verdere uitbouw van de wetenschappelijke discipline. Hierbij wint de Vlaamse Regering het advies in van de [[Commissie Hoger Onderwijs]]¹, vermeld in [[artikel II.23 van de Codex Hoger Onderwijs]]².]

§ 3. Onverminderd het bepaalde in §§ 1 en 2 moet de betrokken student, om in aanmerking te komen voor een studietoelage voor een opleiding in het kader van verticale mobiliteit, voldoen aan een van de volgende voorwaarden :

1° de student heeft zijn hoofdverblijfplaats in het Vlaamse Gewest;

2° de student heeft een diploma secundair onderwijs, uitgereikt door een door het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming gefinancierde, gesubsidieerde of erkende instelling;

3° de student heeft aan een ambtshalve geregistreerde instelling een diploma hoger onderwijs behaald voor een bacheloropleiding of masteropleiding, als vermeld in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2004 tot vaststelling van de lijst van de bachelor- en de masteropleidingen in het hoger onderwijs in Vlaanderen, zoals gewijzigd, of voor een hiermee overeenstemmende opleiding, beëindigd voor de inwerkingtreding van het structuurdecreet.

Decr. 9-7-2010; [[ ]]¹ Decr. 25-4-2014; [[ ]]² Decr. 19-6-2015; [[ ]]³ Decr. 17-6-2016

Art. 31.

[Voor de toepassing van de artikelen 21 en 24 wordt voor de opleidingen die gevolgd worden in het kader van verticale mobiliteit, door de afdeling Studietoelagen bepaald hoeveel opgenomen en verworven studiepunten op het studietoelagekrediet verrekend moeten worden. De afdeling Studietoelagen baseert zich daarbij op het advies van de betrokken overheid, op het advies van NARIC of op de door NARIC ter beschikking gestelde informatie over buitenlandse opleidingen.]

Decr. 25-4-2014

Art. 32.

In afwijking van artikel 27 deelt de student die een opleiding volgt in het kader van verticale mobiliteit alle gegevens in verband met de in de andere gemeenschap of in het buitenland gevolgde opleiding en de behaalde resultaten aan de afdeling Studietoelagen mee op basis van inschrijvingsbewijzen, diploma's en attesten, uitgereikt door de bevoegde overheid in de gemeenschap of in het land in kwestie.

TITEL IV. - Financiële voorwaarden

HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling

Art. 33.

Om te bepalen of een leerling of student in aanmerking komt voor een toelage, wordt uitgegaan van de leefeenheid van de betrokken leerling of student en het referentie-inkomen van zijn leefeenheid.

[In afwijking van het eerste lid heeft een pleegkind of pleeggast als vermeld in artikel 2, 8° en 10°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg recht op een volledige toelage op voorwaarde dat het pleegkind of de pleeggast langer dan één jaar onafgebroken bij hetzelfde pleeggezin verblijft.]²

[Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 7, eerste lid van overeenkomstige toepassing.]¹

[ ]¹ Decr. 25-4-2014; [ ]² Decr. 19-6-2015

HOOFDSTUK II. - Categorieën van leefeenheden

Art. 34.

§ 1. Er wordt rekening gehouden met de volgende categorieën van leefeenheden :

1° de leefeenheid waar de leerling of student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij één of beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat;

[ de leefeenheid waar de leerling of student ingevolge een gerechtelijke uitspraak of een tussenkomst van een publiekrechtelijke overheid of instelling fiscaal ten laste is van een andere natuurlijke persoon dan de ouders van wie zijn afstamming vaststaat, of de leefeenheid waar de leerling of student minstens drie jaar zijn hoofdverblijfplaats heeft bij of fiscaal ten laste is van een andere natuurlijke persoon dan een of beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat;]²

3° gehuwde leerlingen of studenten;

4° zelfstandige leerlingen of studenten;

5° alleenstaande leerlingen of studenten.

§ 2. [De bepaling van de categorie van de leefeenheid gebeurt voor elke leerling of student afzonderlijk.]¹

§ 3. De Vlaamse Regering geeft een nadere begripsomschrijving van de verschillende categorieën van leefeenheden op basis waarvan de toelage van de leerling of student wordt berekend, en bepaalt de persoon of personen van wie het referentie-inkomen in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de toelage.

§ 4. Bij het bepalen van de leefeenheid waartoe een leerling of student behoort, wordt eerst nagegaan of de leerling of student voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van gehuwde leerlingen of studenten, vermeld in § 1, 3°, zo niet of de leerling of student voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van zelfstandige leerlingen of studenten, vermeld in § 1, 4°, zo niet of de leerling of student voldoet aan de voorwaarden van de categorie van leefeenheid waar de leerling of student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij één of beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat, vermeld in § 1, 1°, zo niet of de leerling of student voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van de leefeenheid waar de leerling of student verblijft bij een andere natuurlijke persoon, vermeld in § 1, 2°.

Als wordt vastgesteld dat de leerling of student niet behoort tot een van de categorieën van leefeenheid, vermeld in § 1, 1°, 2°, 3° of 4°, wordt nagegaan of de leerling of student voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van alleenstaande leerling of student, vermeld in § 1, 5°.

Als wordt vastgesteld dat de leerling of student niet behoort tot een van de categorieën van leefeenheden, vermeld in § 1, wordt de leerling of student beschouwd als een persoon die behoort tot de categorie van leefeenheid, vermeld in § 1, 1° of 2°, waarbij desgevallend wordt uitgegaan van de laatste hoofdverblijfplaats van de student of leerling bij een ouder van wie zijn afstamming vaststaat of bij een andere natuurlijke persoon, als vermeld in § 1, 2°.

§ 5. Als een leerling of student bij zijn aanvraag aangeeft dat hij behoort tot een leefeenheid als vermeld in § 1, 3°, 4° of 5°, maar overeenkomstig § 4 deel uitmaakt van een leefeenheid als vermeld in § 1, 1° of 2°, worden de gegevens over de inkomsten bij de toekenning of afwijzing van de aanvraag niet door de afdeling Studietoelagen meegedeeld aan de aanvrager.

[ ]¹ Decr. 21-12-2012; [ ]² Decr. 17-6-2016

HOOFDSTUK III. - Referentie-inkomen

Art. 35.

§ 1. Het referentie-inkomen bestaat uit :

1° het gezamenlijk belastbaar inkomen;

2° het afzonderlijk belastbaar inkomen;

3° tachtig procent van de aan de persoon of personen van wie het referentie-inkomen voor de berekening van de toelage in aanmerking wordt genomen en aan de ten laste zijnde kinderen uitbetaalde onderhoudsgelden, voor zover die nog niet begrepen zijn in het gezamenlijk belastbaar inkomen, vermeld in punt 1°;

4° tweemaal het geïndexeerd kadastraal inkomen vreemd gebruik en eenmaal het geïndexeerd kadastraal inkomen dat voor eigen beroepsdoeleinden wordt aangewend;

5° de inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan gehandicapten;

6° het leefloon, toegekend in het raam van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;

[6°bis het equivalent van leefloon, toegekend in het kader van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;]¹

[...]²

§ 2. Als het referentie-inkomen, vermeld in § 1, voor minstens zeventig procent bestaat uit vervangingsinkomsten, worden die vervangingsinkomsten verminderd met een bedrag dat gelijk is aan de forfaitaire aftrek voor beroepskosten die op fiscaal vlak wordt toegepast op bezoldigingen en baten.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het referentie-inkomen op basis van buitenlandse inkomsten [of van inkomsten verworven bij Europese of internationale instellingen]¹ wordt bepaald, waarbij de geldende regels van het Wetboek der Inkomstenbelastingen gevolgd worden.

[ ]¹ Decr. 4-7-2008; [ ]² Decr. 17-6-2016

Art. 36.

De leerling of student van wie het referentie-inkomen van de leefeenheid waartoe hij behoort de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, niet overschrijdt, wordt voor de toepassing van dit decreet beschouwd als rechthebbende op een toelage.

Art. 37.

De Vlaamse Regering bepaalt het in aanmerking te nemen kalenderjaar waarop het referentie-inkomen wordt bepaald, de uitzonderingen hierop als het inkomen van het kalenderjaar waarin het school- of academiejaar in kwestie begint vermoedelijk lager ligt dan het inkomen van het in aanmerking te nemen kalenderjaar of als de leerling of student pas na het in aanmerking te nemen kalenderjaar voldoet aan de voorwaarden van de leefeenheid waartoe hij behoort, alsmede de attesten op basis waarvan het referentieinkomen wordt aangetoond.

HOOFDSTUK IV. - Kadastraal inkomen

Art. 38.

Het kadastraal inkomen van de leefeenheid wordt gewogen om te bepalen of de leerling of student in aanmerking komt voor een toelage.

[Indien het geïndexeerd kadastraal inkomen vreemd gebruik van de personen van wie het referentie-inkomen overeenkomstig artikel 34 als uitgangspunt wordt genomen voor de berekening van het referentie-inkomen hoger is dan 1250 euro, heeft een leerling of student geen recht op een toelage als het verdrievoudigd geïndexeerd kadastraal inkomen vreemd gebruik van de personen van wie het referentie-inkomen overeenkomstig artikel 34 als uitgangspunt wordt genomen voor de berekening van het referentie-inkomen hoger is dan twintig procent van het referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, verminderd met tweemaal het geïndexeerd kadastraal inkomen vreemd gebruik en eenmaal het geïndexeerd kadastraal inkomen dat voor eigen beroepsdoeleinden wordt aangewend, vermeld in artikel 35, eerste lid, 4°.]²

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als het referentie-inkomen van de leefeenheid geheel of gedeeltelijk is samengesteld uit leefloon [of het equivalent van leefloon]¹, of voor minstens zeventig procent bestaat uit alimentatiegelden, vervangingsinkomsten [, een overlevingspensioen]¹ of een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan gehandicapten.

[Het eerste en tweede lid zijn evenmin van toepassing op alleenstaande leerlingen en studenten, zoals bedoeld in artikel 34, § 1, 5°.]¹

De Vlaamse Regering bepaalt het in aanmerking te nemen kalenderjaar waarop het kadastraal inkomen wordt bepaald, de uitzonderingen hierop als het inkomen van het kalenderjaar waarin het school- of academiejaar in kwestie begint vermoedelijk lager ligt dan het inkomen van het in aanmerking te nemen kalenderjaar of als de leerling of student pas na het in aanmerking te nemen kalenderjaar voldoet aan de voorwaarden van de leefeenheid waartoe hij behoort, alsmede de attesten op basis waarvan het kadastraal inkomen wordt aangetoond.

[ ]¹ Decr. 4-7-2008; [ ]² Decr. 1-7-2011

HOOFDSTUK V. - Bedrag van de toelage

Afdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 39.

§ 1. Een leerling of student heeft recht op een volledige toelage als het referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, gelijk is aan of lager is dan de voor zijn leefeenheid in aanmerking te nemen minimuminkomensgrens, vermeld in artikel 43.

§ 2. Een leerling of student heeft geen recht op een toelage als het referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, hoger is dan de voor zijn leefeenheid in aanmerking te nemen maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43.

§ 3. Als het in aanmerking te nemen referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, hoger is dan de mini-muminkomensgrens, vermeld in artikel 43, doch lager is dan de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, wordt een toelage verleend waarvan het bedrag gelijk is aan het bedrag van de volledige toelage, vermeld in artikel 49, eerste lid, artikel 50, of artikel 51, § 1, vermenigvuldigd met de coëfficiënt van de formule (maximuminkomensgrens min referentie-inkomen)/(maximuminkomensgrens min minimuminkomensgrens).

§ 4. De student ontvangt een uitzonderlijke toelage als het in aanmerking te nemen referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, gelijk is aan of lager is dan een tiende van de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, en als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden :

1° de student valt onder het toepassingsgebied van artikel 34, § 1, 3°, 4° en 5°;

2° het in aanmerking te nemen referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit vervangingsinkomsten;

3° het in aanmerking te nemen referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit alimentatiegelden;

4° het in aanmerking te nemen referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit leefloon, toegekend in het raam van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie [, of het equivalent van leefloon, toegekend in het raam van de wet van 2 april 1965]¹;

5° het in aanmerking te nemen referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.

§ 5. De leerling ontvangt een uitzonderlijke toelage als het in aanmerking te nemen referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, gelijk is aan of lager is dan een tiende van de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43, en als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden :

1° het in aanmerking te nemen referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit vervangingsinkomsten;

2° het in aanmerking te nemen referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit alimentatiegelden;

3° het in aanmerking te nemen referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit leefloon, toegekend in het raam van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie [, of het equivalent van leefloon, toegekend in het raam van de wet van 2 april 1965]¹;

4° het referentie-inkomen bestaat voor minstens zeventig procent uit een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.

In afwijking van het eerste lid komt de leerling in het voltijds secundair onderwijs niet in aanmerking voor een uitzonderlijke toelage als hij aan een van volgende voorwaarden beantwoordt :

1° de leerling is intern, als vermeld in artikel 44, tweede lid;

2° [de leerling zit in in het eerste of tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs of in de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs;]²

3° de leerling behoort tot een leefeenheid als vermeld in artikel 34, § 1, 3°, 4° en 5°.

§ 6. Een leerling of student heeft recht op de minimumtoelage als het referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, gelijk is aan de maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43.

[ ]¹ Decr. 4-7-2008; [ ]² Decr. 30-4-2009

Art. 40.

In afwijking van artikel 39 heeft een leerling in het kleuteronderwijs recht op een schooltoelage als het referentie-inkomen, vermeld in artikel 35, gelijk is aan of lager is dan de voor zijn leefeenheid in aanmerking te nemen maximuminkomensgrens, vermeld in artikel 43.

Art. 41.

§ 1. Bij het vastleggen van de minimum- en maximuminkomensgrens wordt rekening gehouden met de volgende factoren :

1° het aantal personen ten laste in de leefeenheid;

2° het aantal studenten aanwezig in de leefeenheid die tijdens het school- of academiejaar in kwestie hoger onderwijs volgen;

3° het aantal personen aanwezig in de leefeenheid die fiscaal als gehandicapt worden aangemerkt.

§ 2. De waarde van elke factor wordt uitgedrukt in punten.

Art. 42.

§ 1. De volgende personen en categorieën worden voor de berekening van de minimum- en maximuminkomensgrenzen gelijkgesteld met een punt :

1° elke persoon in de leefeenheid die fiscaal ten laste is van de persoon of personen van wie het referentie-inkomen voor de berekening van de toelage in aanmerking wordt genomen;

2° elke leerling of student in de leefeenheid die niet meer fiscaal ten laste is van de persoon of personen van wie het referentie-inkomen voor de berekening van de toelage in aanmerking wordt genomen omdat hij bestaansmiddelen heeft gehad, op voorwaarde dat hij niet in aanmerking komt voor het statuut van gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerling of student;

3° elke persoon van wie het referentie-inkomen voor de berekening van de toelage in aanmerking wordt genomen, en die op 31 december van het school- of academiejaar in kwestie fiscaal als gehandicapt wordt aangemerkt;

4° de categorie van leefeenheid die valt onder het toepassingsgebied van artikel 34, § 1, 1°, 2° of 3°. [De categorie van leefeenheid die valt onder het toepassingsgebied van artikel 34, § 1, 4° of 5°, levert een punt op, op voorwaarde dat het referentie-inkomen van de zelfstandige, respectievelijk alleenstaande leerling of student in aanmerking genomen kan worden voor de berekening van de toelage van de persoon, vermeld in § 1, 1° of 2°. ]¹

§ 2. In afwijking van § 1 wordt elke persoon die valt onder § 1, 1° of 2°, en die op 31 december van het school- of academiejaar in kwestie [fiscaal]¹ als gehandicapt wordt aangemerkt, met twee punten gelijkgesteld.

§ 3. [Voor elke persoon van wie het referentie-inkomen in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de toelage, evenals voor elke persoon bedoeld in § 1, 1° of 2°, van dit artikel, wordt er een punt toegekend indien deze personen aan een erkende instelling tijdens het school- of academiejaar in kwestie hoger onderwijs, een bachelor-na-bachelor-opleiding of een master-na-masteropleiding volgen.

Het totale aantal punten, dat volgt uit de toepassing van het eerste lid, wordt verminderd met één punt.

In afwijking van het tweede lid, bedraagt het totale aantal punten dat volgt uit de toepassing van dit artikel, nooit minder dan nul.]²

§ 4. [Als er in de leefeenheid, vermeld in artikel 34, § 1, waarvan de leerling of student deel uitmaakt tevens één of meerdere niet-verwanten zijn, wordt er voor de berekening van de minimum- en de maximuminkomensgrenzen een punt afgetrokken, tenzij deze niet-verwanten niet beschikken over financiële middelen zoals vermeld in artikel 35, § 1, 1°, 2°, 3°, 4° en 7°.]¹

§ 5. [In afwijking van de §§ 1 tot en met 4, bedraagt het aantal punten van de leefeenheid waarvan de leerling of student deel uitmaakt nooit minder dan nul.]¹

§ 6. [...]¹

[ ]¹ Decr. 8-5-2009; [ ]² Decr. 9-7-2010

Art. 43.

§ 1. De minimum- en maximuminkomensgrenzen worden vastgelegd aan de hand van een puntensysteem, gaande van nul tot twintig :

1° de minimuminkomensgrens stemt voor een leefeenheid met nul punten overeen met 6573,55 euro en voor een leefeenheid met twintig punten met 31.177,76 euro;

2° de maximuminkomensgrens stemt voor een leefeenheid met nul punten overeen met 14.489,77 euro en voor een leefeenheid met twintig punten met 75.362,09 euro.

§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regeling inzake de bepaling van de minimum- en maximuminkomensgrenzen.

Art. 44.

Voor de berekening van het bedrag van de toelage in het voltijds secundair en hoger onderwijs wordt er een onderscheid gemaakt naargelang de leerling of student al dan niet in een internaat of op kamers verblijft.

De volgende leerlingen worden beschouwd als interne leerlingen :

1° de leerling die gedurende het schooljaar in kwestie minstens vijf maanden verblijft in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd internaat;

2° de leerling die gedurende het schooljaar in kwestie een huurovereenkomst heeft gesloten voor minstens vijf maanden met betrekking tot een woonst die zich op een ander adres dan zijn hoofdverblijfplaats bevindt;

3° de leerling die in het buitenland een opleiding volgt;

4° de gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerling.

De volgende studenten worden beschouwd als kotstudenten :

1° de student die zich overeenkomstig zijn diplomacontract heeft ingeschreven voor respectievelijk een volledig academiejaar of een semester en die een huurovereenkomst heeft gesloten voor respectievelijk minstens acht of vier maanden met betrekking tot een woonst die zich op een ander adres dan zijn hoofdverblijfplaats bevindt;

2° de student die een opleiding volgt in het buitenland;

3° de gehuwde, zelfstandige of alleenstaande student.

De student die zich overeenkomstig zijn diplomacontract heeft ingeschreven voor een periode die korter is dan een semester, wordt beschouwd als niet-kotstudent.

Art. 45.

Het bedrag van de toelage is afhankelijk van het door de betrokkene gevolgde onderwijs en van de hoogte van het referentie-inkomen.

Art. 46.

De bedragen, vermeld in artikelen 43, 48, 49, 50 en 51, worden jaarlijks voor de aanvang van het school- of academiejaar geïndexeerd op basis van het indexcijfer van de consumptieprijzen, vermeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop die indexering wordt toegepast.

De Vlaamse Regering onderzoekt minstens om de vijf jaar of de werkelijke kosten voor het onderhoud van de leerling en de student en het door hem gevolgde onderwijs aansluiten bij de uitgekeerde bedragen van de toelagen.

Art. 47.

Alle bedragen inzake inkomensgrenzen en toelagebedragen gelden voor een volledig school- of academiejaar, ongeacht het ogenblik waarop de betrokkene zijn aanvraag indient.

Afdeling II. - Schooltoelage basisonderwijs

Art. 48.

[Voor leerlingen in het kleuteronderwijs bedraagt de schooltoelage 80 euro.]

Decr. 4-7-2008

Art. 49.

[§ 1.]² [Voor leerlingen in het lager onderwijs bedraagt een volledige schooltoelage 135 euro.

De uitzonderlijke schooltoelage bedraagt voor leerlingen in het lager onderwijs 180 euro.

De minimumschooltoelage bedraagt 90 euro.]¹

[§ 2. Het uiteindelijke bedrag van de schooltoelage wordt afgerond tot twee cijfers na de komma.]²

[ ]¹ Decr. 4-7-2008; [ ]² Decr. 9-7-2010

Afdeling III. - Schooltoelage voltijds secundair onderwijs en deeltijds leerplichtonderwijs

Art. 50.

[§ 1. Bij de berekening van het bedrag van de toelage in het voltijds secundair onderwijs wordt eerst nagegaan of de leerling in [[het eerste of tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs of in de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs]] zit, zo niet of hij voldoet aan de voorwaarden voor de categorie van gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerling, vermeld in artikel 34, zo niet of de leerling in het derde leerjaar van de derde graad van het technisch secundair onderwijs of beroepsonderwijs zit.

§ 2. Voor leerlingen in [[het eerste of tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs of in de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs]] bedraagt de volledige schooltoelage :

1° 2683,03 euro voor interne leerlingen;

2° 714,32 euro voor externe leerlingen.

De minimumschooltoelage voor externe en interne leerlingen bedraagt 595,10 euro.

§ 3. Voor gehuwde, zelfstandige en alleenstaande leerlingen in het voltijds secundair onderwijs is het bedrag van de volledige toelage gelijk aan 2475,54 euro.

De minimumschooltoelage bedraagt 493,83 euro.

§ 4. Voor leerlingen in het derde leerjaar van de derde graad van het voltijds technisch secundair onderwijs en voltijds beroepssecundair onderwijs bedraagt de volledige schooltoelage :

1° 1187,49 euro voor interne leerlingen;

2° 595,67 euro voor externe leerlingen.

De uitzonderlijke toelage bedraagt 753,23 euro.

De minimumschooltoelage bedraagt :

1° 493,83 euro voor interne leerlingen;

2° 134,51 euro voor externe leerlingen.

§ 5. Voor andere leerlingen in het voltijds secundair onderwijs dan de leerlingen vermeld in § 2 tot en met § 4, bedraagt de volledige schooltoelage :

1° 989,57 euro voor interne leerlingen;

2° 496,39 euro voor externe leerlingen.

De uitzonderlijke toelage bedraagt 627,70 euro.

De minimumschooltoelage bedraagt :

1° 411,52 euro voor interne leerlingen;

2° 112,09 euro voor externe leerlingen.

§ 6. Voor leerlingen in het deeltijds leerplichtonderwijs, bedraagt de volledige schooltoelage 282,85 euro.

De uitzonderlijke toelage bedraagt 392,85 euro.

De minimumschooltoelage bedraagt 94,28 euro.

§ 7. Het uiteindelijke bedrag van de schooltoelage wordt afgerond tot twee cijfers na de komma.]

Decr. 4-7-2008; [[ ]] Decr. 30-4-2009

Afdeling IV. - Studietoelage hoger onderwijs

Art. 51.

[§ 1. Voor studenten die voor zestig studiepunten toelagegerechtigd zijn, bedraagt de volledige studietoelage :

1° 3404,62 euro voor kotstudenten;

2° 2043,43 euro voor niet-kotstudenten.

§ 2. Voor studenten die voor zestig studiepunten toelagegerechtigd zijn, bedraagt de uitzonderlijke studietoelage :

1° 4583,86 euro voor kotstudenten;

2° 2965,31 euro voor niet-kotstudenten.

§ 3. De minimumstudietoelage bedraagt 220 euro.

§ 4. Het uiteindelijke bedrag van de studietoelage wordt afgerond tot twee cijfers na de komma.]

Decr. 4-7-2008

Art. 52.

§ 1. Als de student voor minder dan zestig studiepunten toelagegerechtigd is, wordt het bedrag van de studietoelage als volgt berekend :

1° een kotstudent ontvangt dertig procent van de studietoelage die hij zou ontvangen als hij voor zestig studiepunten toelagegerechtigd zou zijn, vermeerderd met het resterende zeventig procent dat wordt gedeeld door zestig en vermenigvuldigd met het aantal studiepunten waarvoor hij toelagegerechtigd is;

2° een niet-kotstudent ontvangt twintig procent van de studietoelage die hij zou ontvangen als hij voor zestig studiepunten toelagegerechtigd zou zijn, vermeerderd met het resterende tachtig procent dat wordt gedeeld door zestig en vermenigvuldigd met het aantal studiepunten waarvoor hij toelagegerechtigd is.

§ 2. In afwijking van § 1 wordt voor de student die voor minder dan [zevenentwintig] studiepunten toelagegerechtigd is, het bedrag van de studietoelage dat hij zou ontvangen als hij voor zestig studiepunten toelagegerechtigd zou zijn, gedeeld door zestig en vermenigvuldigd met het aantal studiepunten waarvoor hij toelagegerechtigd is.

§ 3. Een student die zich tijdens een academiejaar tweemaal inschrijft voor een halftijds studietraject, wordt voor de berekening van het bedrag van de studietoelage beschouwd als een student die een voltijds studietraject volgt.

Decr. 4-7-2008

TITEL V. - Procedurele voorwaarden

HOOFDSTUK I. - Aanvraag

Afdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 53.

De aanvraag voor een toelage wordt door de aanvrager bij de afdeling Studietoelagen ingediend vanaf [1 augustus] en uiterlijk op [1 juni] van het school- of academiejaar in kwestie.

De aanvraag die wordt ingediend na [1 juni] van het school- of academiejaar in kwestie wordt niet meer behandeld.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de aanvraag voor een toelage moet worden ingediend.

Decr. 1-7-2011

[Art. 53/1.

Voor de leerling of student die het voorgaande school- of academiejaar in aanmerking kwam voor een school- of studietoelage en waarvoor tijdens het lopende school- of academiejaar geen aanvraag werd ingediend, zal de afdeling Studietoelagen zelf het recht op een school- of studietoelage onderzoeken.

[[De afdeling Studietoelagen bepaalt de datum waarop het onderzoek, vermeld in het eerste lid, start. Het onderzoek kan ten vroegste op 1 september en uiterlijk op 1 juni van het lopende school- of academiejaar starten.]]

De afdeling Studietoelagen zal de start van het onderzoek melden aan de wettelijke vertegenwoordiger van de leerling of de student.

In afwijking van het eerste lid zal de afdeling Studietoelagen het onderzoek niet starten indien de wettelijke vertegenwoordiger van de leerling of de student dit weigert.

Art. 53/2.

De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van het onderzoek naar het recht op studiefinanciering en de communicatie over de studiefinanciering.]

Decr. 21-12-2012; [[ ]] Decr. 25-4-2014

Art. 54.

[Als een dossier voor de aanvraag van een toelage onvolledig werd ingediend, moeten de door de afdeling Studietoelagen gevraagde documenten op straffe van afsluiting zonder gevolg uiterlijk 31 december van het kalenderjaar waarin het school- of academiejaar in kwestie eindigt aan de afdeling Studietoelagen worden bezorgd, tenzij :

1° de in aanmerking te nemen inkomsten nog niet werden nagezien door de Federale Overheidsdienst Financiën;

2° een bezwaarschrift of een verzoekschrift tot ambtshalve ontheffing van belasting werd ingediend overeenkomstig artikel 366 tot en met 376 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen, of een vordering voor de rechtbank werd ingeleid;

3° het een aanvraag betreft waarin de aanvrager deel uitmaakt van of aangeeft deel uit te maken van de leefeenheid, vermeld in artikel 34, § 1, 3°. In dit geval moeten de door de afdeling Studietoelagen gevraagde documenten op straffe van uitsluiting zonder gevolg uiterlijk 31 december van het kalenderjaar dat volgt op het einde van het school- of academiejaar in kwestie aan de afdeling Studietoelagen worden bezorgd.

In geval van de uitzonderingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, moeten de door de federale overheidsdienst Financiën in het kader van lid 1, nageziene inkomsten worden overgemaakt aan de afdeling Studietoelagen uiterlijk zes maanden na het verkrijgen ervan.]

Decr. 9-7-2010

Art. 55.

De toelage wordt op zijn vroegst uitbetaald vanaf 1 september van het school- of academiejaar in kwestie.

Afdeling II. - Schooltoelage kleuter- en leerplichtonderwijs

Art. 56.

De toelage wordt uitbetaald op een rekening van de wettelijke vertegenwoordiger van de betrokken leerling bij wie de betrokken leerling op 31 december van het schooljaar in kwestie zijn hoofdverblijfplaats heeft, tenzij een meerderjarige leerling voorafgaand aan de uitbetaling van de toelage de afdeling Studietoelagen verzoekt de toelage uit te betalen op een andere rekening.

De Vlaamse Regering kan gevallen bepalen waarin ter bescherming van de financiële belangen van de leerling kan worden afgeweken van het eerste lid.

[Art. 56/1.

Als een voorschot op de studietoelage door een OCMW werd betaald aan de leerling, wordt dat bedrag op verzoek van het OCMW door de afdeling Studietoelagen terugbetaald aan het OCMW, voor zover de leerling recht heeft op een studietoelage.

Dat bedrag kan, ongeacht het voorschot, nooit hoger zijn dan de studietoelage waarop de leerling recht heeft.

Het eventuele positieve saldo ten voordele van de leerling wordt rechtstreeks aan de wettelijke vertegenwoordiger van de leerling die in de loop van het betrokken school- of academiejaar nog niet meerderjarig zal zijn, bij wie de betrokken leerling op 31 december van het schooljaar in kwestie zijn hoofdverblijfplaats heeft uitbetaald of rechtstreeks aan de meerderjarige leerling.

Een OCMW kan de afdeling Studietoelagen verzoeken om het eerste lid tot en met het derde lid met betrekking tot de door haar betaalde voorschotten niet toe te passen.]

Decr. 21-12-2012

Afdeling III. - Studietoelage hoger onderwijs

Art. 57.

De studietoelage wordt uitbetaald op een rekening van de student, tenzij de student voorafgaand aan de uitbetaling de afdeling Studietoelagen verzoekt de toelage uit te betalen op een andere rekening.

Art. 58.

Als een voorschot op de studietoelage door een studentenvoorziening [of OCMW] werd betaald aan de student, wordt dat bedrag [op verzoek van de studentenvoorziening of OCMW] door de afdeling Studietoelagen terugbetaald aan de studentenvoorziening [of OCMW], voor zover de student recht heeft op een studietoelage.

Dat bedrag kan, ongeacht het voorschot, nooit hoger zijn dan de studietoelage waarop de student recht heeft.

Het eventuele positieve saldo ten voordele van de student wordt rechtstreeks aan de student uitbetaald.

Een studentenvoorziening [of OCMW] kan de afdeling Studietoelagen verzoeken om het eerste lid tot en met het derde lid met betrekking tot de door haar betaalde voorschotten niet toe te passen.

Decr. 21-12-2012

HOOFDSTUK II. - Herziening

Art. 59.

Als zich met betrekking tot de nationaliteitsvoorwaarde, de pedagogische voorwaarden of de financiële voorwaarden, vermeld in dit decreet, wijzigingen voordoen, kan de aanvrager tot zes maanden na de kennisname van de nieuwe feiten vragen aan de afdeling Studietoelagen om zijn dossier te herzien.

[De vraag tot herziening van een dossier, vermeld in het eerste lid, kan alleen betrekking hebben op het school- of academiejaar waarin de vraag gesteld werd, alsook op de vier school- of academiejaren die eraan voorafgaan.]

Decr. 1-7-2011

Art. 60.

[In de volgende gevallen herziet de afdeling Studietoelagen het dossier op eigen initiatief :

1° als de toelage onjuist werd berekend, al dan niet op basis van bedrieglijke handelingen, valse verklaringen of willens en wetens onvolledige verklaringen;

2° als de toelage werd berekend op basis van een inkomen dat nog niet nagezien werd door de Federale Overheidsdienst Financiën en als nadien blijkt dat het vermoedelijke inkomen verschillend is van het nageziene inkomen;

3° na de kennisneming van feiten waaruit blijkt dat een van de voorwaarden voor toekenning van een toelage niet was vervuld.

De herziening van een dossier kan alleen betrekking hebben op het school- of academiejaar waarin de afdeling Studietoelagen tot herziening beslist, alsook op de vier school- of academiejaren die eraan voorafgaan.]

Decr. 1-7-2011

Art. 61.

Als de herziening van het dossier aanleiding geeft tot een hogere toelage, wordt het positieve saldo bijbetaald.

HOOFDSTUK III. - Terugvordering

Afdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 62.

In de gevallen, vermeld in artikelen 59 en 60, wordt de toegekende en reeds uitbetaalde toelage waarop de betrokkene geen recht heeft, teruggevorderd.

Art. 63.

Sommen die onverschuldigd werden uitbetaald, zijn voorgoed verkregen door degenen die ze hebben ontvangen als de terugvordering daarvan niet gevraagd wordt binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf 1 januari van het begrotingsjaar waarop de uitgave is aangerekend, tenminste als ze niet door bedrieglijke handelingen, door valse verklaringen of door willens en wetens onvolledige verklaringen werden verkregen.

Art. 64.

[De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor de terug te vorderen sommen en de terugvorderingsprocedure.]

Decr. 4-7-2008

Art. 65.

[...]

Decr. 21-12-2012

Afdeling II. - Schooltoelageleerplichtonderwijs

Art. 66.

In geval van uitschrijving in het lager onderwijs, het secundair onderwijs of in het deeltijds leerplichtonderwijs, wordt de toelage integraal teruggevorderd als de betrokken leerling uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van uitschrijving niet opnieuw is ingeschreven in het lager onderwijs, het secundair onderwijs of in het deeltijds leerplichtonderwijs, zoals bedoeld in artikel 10 en artikel 15, §§ 1 en 2.

[Art. 66/1.

In afwijking van artikel 66, behoudt de leerling in het secundair onderwijs die op 30 juni van het schooljaar in kwestie niet langer ingeschreven is zijn toelage, op voorwaarde dat de leerling in de loop van dat schooljaar zijn opleiding reeds voltooid had.]

Decr. 9-7-2010

Afdeling III. - Studietoelage hoger onderwijs

Art. 67.

[Indien de student zijn aantal opgenomen studiepunten in de loop van het academiejaar in kwestie vermindert door zich uit te schrijven, heeft de student slechts recht op een toelage voor het aantal studiepunten waarvoor hij nog ingeschreven is.]

Decr. 4-7-2008

HOOFDSTUK IV. - Beroepsprocedure

Art. 68.

Een georganiseerd beroep kan worden ingediend bij de afdeling Studietoelagen door :

1° de aanvrager die niet akkoord gaat met een negatieve beslissing over zijn aanvraag voor een toelage;

2° de aanvrager die vindt dat het bedrag van de toegekende toelage onjuist berekend is;

3° de aanvrager die niet akkoord gaat met een terugvordering als vermeld in artikelen 62, 65 en 66.

Het beroep wordt aangetekend ingediend binnen een termijn van zestig kalenderdagen die ingaat op de dag na de dag waarop het definitieve bedrag of de weigering van de toelage meegedeeld is, en moet juridische en feitelijke argumenten vermelden die de betrokkene aanvoert tot staving van zijn aanspraak.

Beroepen worden beantwoord binnen [vijfenveertig] kalenderdagen na de ontvangst ervan door de afdeling Studietoelagen.

In afwijking van artikel 34, § 5, wordt het inkomen van de oudergerelateerde leefeenheid, vermeld in artikel 34, § 1, 1° en 2°, in de beroepsbeslissing van de afdeling Studietoelagen meegedeeld aan de aanvrager die bij zijn aanvraag heeft aangegeven dat hij behoort tot een leefeenheid als vermeld in artikel 34, § 1, 3°, 4° of 5°, doch met toepassing van artikel 34, § 4, berekend werd op basis van het inkomen van de leefeenheden vermeld, in artikel 34, § 1, 1° en 2°.

Decr. 4-7-2008

TITEL VI. - Algemene overgangsbepalingen

Art. 69.

In afwijking van artikel 9 komen kandidaat-vluchtelingen, alsook hun kinderen die sinds hun minderjarigheid in België verblijven en niet zelf een asielaanvraag hebben ingediend, van wie de asielaanvraag ontvankelijk werd verklaard onmiddellijk voorafgaand aan het door de Koning, ingevolge artikel 78 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, bepaalde tijdstip waarop deze wet integraal in werking treedt ofwel onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van de dertiende maand na publicatie van voornoemde wet bij gebreke aan een door de Koning bepaalde datum, in aanmerking voor een toelage zolang hun procedure lopende is bij het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen, bij de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen, of bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

TITEL VII. - Overgangsbepalingen hoger onderwijs

Art. 70.

[§ 1. De diploma's en de opleidingen die de student vóór het academiejaar 2008-2009 behaald, respectievelijk voltooid, heeft, worden in rekening gebracht bij het bepalen of de student een studietoelage kan verkrijgen, zoals bedoeld in artikel 21, § 1. Hierbij worden volgende bepalingen in acht genomen :

1° met een bachelordiploma, zoals bedoeld in artikel 21, § 1, worden de volgende diploma's en voltooide opleidingen gelijkgesteld :

a) elke voltooide bacheloropleiding die bekroond werd met een diploma;

b) elke voltooide opleiding die bekroond werd met een diploma van het hoger onderwijs van één cyclus;

c) elke voltooide opleiding die bekroond werd met een diploma van de eerste cyclus van het hogeschoolonderwijs van twee cycli;

d) elke voltooide opleiding die bekroond werd met een diploma van de eerste cyclus van het academisch onderwijs;

2° met een masterdiploma, zoals bedoeld in artikel 21, § 1, worden de volgende diploma's en voltooide opleidingen gelijkgesteld :

a) elke voltooide masteropleiding die bekroond werd met een diploma;

b) elke voltooide opleiding die bekroond werd met een diploma van de tweede cyclus van het hogeschoolonderwijs van twee cycli;

c) elke voltooide opleiding die bekroond werd met een diploma van de tweede cyclus van het academisch onderwijs;

3° met een diploma voor de specifieke lerarenopleiding, zoals bedoeld in artikel 21, § 1, worden de volgende diploma's en voltooide opleidingen gelijkgesteld :

a) elke voltooide specifieke lerarenopleiding;

b) elke voltooide lerarenopleiding als vervolgopleiding, bekroond met een diploma voor geaggregeerde voor secundair onderwijs groep 2 of 3;

4° de student die voor de inwerkingtreding van dit decreet een voorbereidingsprogramma, respectievelijk een schakelprogramma heeft voltooid, komt niet langer in aanmerking voor een studietoelage voor het volgen van een voorbereidingsprogramma, respectievelijk een schakelprogramma.

§ 2. Het jokerkrediet, zoals bedoeld in artikel 26, § 2, wordt verminderd met :

1° zestig studiepunten als de student de jokerbeurs, vermeld in het decreet van 16 februari 2001, heeft opgebruikt;

2° het aantal studiepunten waarvoor de student het jokerkrediet, vermeld in het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij het decreet van 9 november 2005, heeft aangewend tijdens het academiejaar 2004-2005, 2005-2006 of 2006-2007;

3° het aantal studiepunten waarvoor de student het jokerkrediet, vermeld in het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, heeft aangewend tijdens het academiejaar 2007-2008.

§ 3. Studiepunten die studenten voor de inwerkingtreding van dit decreet hebben opgenomen en verworven, worden conform de bepalingen in artikelen 21 en 23, § 2, in rekening gebracht om de actuele toestand van het studietoelagekrediet te bepalen. Daarbij worden volgende bepalingen in acht genomen :

1° voor elk academiejaar dat de student voor het academiejaar 2004-2005 voltijds hoger onderwijs volgde, wordt een inschrijving gelijkgeschakeld met zestig opgenomen studiepunten, en wordt het studietoelagekrediet aangevuld met zestig studiepunten indien de student geslaagd was;

2° voor elk academiejaar dat de student voor het academiejaar 2004-2005 halftijds hoger onderwijs volgde, wordt een inschrijving gelijkgeschakeld met dertig opgenomen studiepunten, en wordt het studietoelagekrediet aangevuld met dertig studiepunten indien de student geslaagd was;

3° indien de student in het academiejaar 2004-2005 ingeschreven was voor het volgen van voltijds hoger onderwijs en de gevolgde opleiding toen nog niet het voorwerp van flexibilisering was, wordt de inschrijving gelijkgeschakeld met zestig opgenomen studiepunten, en wordt het studietoelagekrediet aangevuld met zestig studiepunten indien de student geslaagd was;

4° indien de student in het academiejaar 2004-2005 ingeschreven was voor het volgen van halftijds hoger onderwijs en de gevolgde opleiding toen nog niet het voorwerp van flexibilisering was, wordt de inschrijving gelijkgeschakeld met dertig opgenomen studiepunten, en wordt het studietoelagekrediet aangevuld met dertig studiepunten indien de student geslaagd was;

5° indien de student in het academiejaar 2004-2005 ingeschreven was voor het volgen van hoger onderwijs en de gevolgde opleiding toen het voorwerp van flexibilisering was, wordt het studietoelagekrediet verminderd met het aantal opgenomen studiepunten en vermeerderd met het aantal verworven studiepunten;

6° indien de student in het academiejaar 2005-2006, 2006-2007 of 2007-2008 ingeschreven was voor het volgen van hoger onderwijs, wordt het studietoelagekrediet verminderd met het aantal opgenomen studiepunten en vermeerderd met het aantal verworven studiepunten.

§ 4. Indien een student voorafgaand aan de inwerkingtreding van onderhavig decreet hoger onderwijs, zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en § 2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1, volgde waarbij hij in elk gevolgd academiejaar minder dan zestig studiepunten opnam, wordt het verschil tussen zestig en het in een academiejaar, voor of desgevallend na de inwerkingtreding van onderhavig decreet, hoogste aantal opgenomen studiepunten aangevuld op het studietoelagekrediet voor een of meerdere academiejaren na de inwerkingtreding van onderhavig decreet, op voorwaarde en in de mate dat de student na de inwerkingtreding van onderhavig decreet in het latere academiejaar in kwestie meer studiepunten opneemt dan in het academiejaar, voor of desgevallend na de inwerkingtreding van onderhavig decreet, waarin de student het hoogste aantal studiepunten opnam, zonder dat de student meer dan zestig studiepunten kan opnemen.

§ 5. In afwijking van artikel 7, tweede lid, worden voor de toepassing van § 3 en § 4 van onderhavig artikel de studiepunten waarvoor de student zich heeft uitgeschreven als opgenomen beschouwd wanneer de student zich uitschreef na 31 oktober, respectievelijk 28 februari, van het academiejaar in kwestie, naargelang hij zich enkel had ingeschreven voor een volledig academiejaar of een eerste semester, dan wel voor het tweede semester.]

Decr. 4-7-2008

[§ 6. Indien een student voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel hoger onderwijs, zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en § 2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1, volgde, worden voor de overeenkomstige toepassing van artikel 23, § 3, volgende regels toegepast :

1° voor elk academiejaar dat de student voor het academiejaar 2004-2005 voltijds hoger onderwijs volgde, wordt de student geacht zestig studiepunten verworven te hebben indien hij geslaagd was;

2° voor elk academiejaar dat de student voor het academiejaar 2004-2005 halftijds hoger onderwijs volgde, wordt de student geacht dertig studiepunten verworven te hebben indien hij geslaagd was;

3° indien de student in het academiejaar 2004-2005 ingeschreven was voor het volgen van voltijds hoger onderwijs en de gevolgde opleiding toen nog niet het voorwerp van flexibilisering was, wordt de student geacht zestig studiepunten verworven te hebben indien hij geslaagd was;

4° indien de student in het academiejaar 2004-2005 ingeschreven was voor het volgen van halftijds hoger onderwijs en de gevolgde opleiding toen nog niet het voorwerp van flexibilisering was, wordt de student geacht dertig studiepunten verworven te hebben indien hij geslaagd was;

5° indien de student in het academiejaar 2004-2005 ingeschreven was voor het volgen van hoger onderwijs en de gevolgde opleiding toen het voorwerp van flexibilisering was, wordt het reële aantal verworven studiepunten in rekening gebracht;

6° indien de student in het academiejaar 2005-2006, 2006-2007, 2007-2008 of 2008-2009 ingeschreven was voor het volgen van hoger onderwijs, wordt het reële aantal verworven studiepunten in rekening gebracht.]

Decr. 8-5-2009

[§ 7. In afwijking van artikel 21, § 1, kan een student die beschikt over twee kandidaatsdiploma's die met toepassing van paragraaf 1 van dit artikel gelijkgeschakeld worden met een bachelordiploma, of die beschikt over een kandidaatsdiploma en een ander bachelordiploma, studiefinanciering ontvangen om een derde bachelordiploma te behalen, als de volgende voorwaarden vervuld zijn :

1° de student beschikt nog niet over een licentiaatsdiploma of een masterdiploma;

2° de bacheloropleiding waarvoor studiefinanciering aangevraagd wordt, is de inhoudelijke vervolgopleiding van een kandidaatsdiploma dat de student al heeft behaald.]

Decr. 25-4-2014

BOEK III. - Diverse bepalingen

Art. 71.

Artikel 12 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, vervangen bij het decreet van 18 november 2005, wordt vervangen door wat volgt : ...

Art. 72.

In hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 november 2005, wordt het opschrift van titel IV vervangen door wat volgt : ...

Art. 73.

In artikel 73, 1°, 3° en 7°, van hetzelfde decreet wordt het woord "studiefinanciering" vervangen door de woorden "studietoelagen voor het hoger onderwijs".

Art. 74.

Als een persoon in hetzelfde school- of academiejaar tegelijk voldoet aan de voorwaarden voor een school- en een studietoelage, heeft hij enkel recht op de hoogste toelage.

BOEK IV. - Opheffingsbepalingen

Art. 75.

De wet van 19 juli 1971 betreffende de toekenning van studietoelagen, gewijzigd bij de decreten van 31 juli 1990, 8 juli 1996, 16 december 2001 en 14 februari 2003 wordt opgeheven, doch blijft gelden wat betreft de aanvragen die betrekking hebben op de schooljaren voorafgaand aan 2007-2008.

Art. 76.

Het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij het decreet van 18 november 2005, wordt opgeheven, met uitzondering van :

1° artikel 4;

2° artikel 5;

3° artikel 6, 4°, 23° en 24°;

4° artikel 12;

5° titel III;

6° titel IV;

7° titel V;

8° titel VI.

In afwijking van het eerste lid, blijft voornoemd decreet gelden wat betreft de aanvragen die betrekking hebben op de academiejaren 2004-2005 tot en met 2006-2007.

BOEK V. - Inwerkingtreding

Art. 77.

Dit decreet treedt in werking op 1 juli 2007.

De bepalingen met betrekking tot de schooltoelage in het basisonderwijs en het deeltijdse leerplichtonderwijs treden in werking op 1 juli 2008, met uitzondering van artikel 46 wat betreft de indexering van de inkomstengrenzen vermeld in artikel 43 dat in werking treedt op 1 juli 2007.

[In afwijking van het tweede lid, treedt de bepaling bedoeld in artikel 16, § 1, 2°, ten aanzien van leerlingen in het deeltijds leerplichtonderwijs in werking op de tiende dag na publicatie van het decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap in het Belgisch Staatsblad.]

Decr. 4-7-2008