Decreet betreffende de kwalificatiestructuur

  • goedkeuringsdatum
    30/04/2009
  • publicatiedatum
    B.S. 16/07/2009 (pagina 49597)
  • bron

    Numac : 2009035656
  • datum laatste wijziging
    17/08/2018

HOOFDSTUK I Inleidende bepaling, definities en doelstelling

ART. 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

ART. 2.

In dit decreet wordt verstaan onder :
1° aso : algemeen secundair onderwijs;
2° beroep : een samenhangend geheel van taken met bijbehorende competenties waarover een maatschappelijke consensus bestaat, en waarbij abstractie wordt gemaakt van organisatie- of bedrijfsspecifieke kenmerken;
3° beroepscompetentieprofiel : een afgerond geheel van competenties die een beroepsbeoefenaar in een bepaalde arbeidscontext hanteert om (de) te verwachten resultaten op de werkvloer te realiseren;
4° beroepskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties waarmee een beroep kan worden uitgeoefend;
4°bis beroepskwalificatiedossier : een dossier waarin een geheel aan beroepscompetenties, afgeleid uit één of meer beroepscompetentieprofielen of afgeleid uit andere beroepsreferentiekaders bij ontstentenis van beroepscompetentieprofielen, op een inschaalbare wijze beschreven worden;
5° bso : beroepssecundair onderwijs;
6° competentie : de bekwaamheid om kennis, vaardigheden en attitudes in het handelen geïntegreerd aan te wenden voor maatschappelijke activiteiten. In het hoger onderwijs worden competenties domeinspecifieke leerresultaten genoemd;
7° competentieprofiel : een afgerond geheel van competenties die een persoon in een bepaalde maatschappelijke context hanteert om (de) te verwachten resultaten in die maatschappelijke rol te realiseren en waarvoor geen beroepscompetentieprofiel bestaat of ontwikkeld zal worden;
8° erkende kwalificatie : een onderwijs- of een beroepskwalificatie waarvan de Vlaamse Regering beslist dat ze aan inhoudelijke en vormelijke kwaliteitseisen voldoet en waarvoor een bewijs kan worden uitgereikt;
9° instellingen hoger onderwijs : de instellingen hoger onderwijs als vermeld in artikel II.1 en II.6 van de Codex Hoger Onderwijs;
10° kso : kunstsecundair onderwijs;
11° kwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties;
12° kwalificatiebewijs : een door de Vlaamse Gemeenschap erkend bewijs dat een individu een erkende kwalificatie heeft behaald. Het bewijs geeft aan om welke kwalificatie(s) het gaat en bevat een verwijzing naar een niveau van het Vlaamse kwalificatieraamwerk;
13° kwalificatieraamwerk : het door dit decreet vastgelegd instrument voor het systematisch beschrijven en inschalen van kwalificaties, opgebouwd uit niveaus en niveaudescriptoren;
14° kwalificatiestructuur : de systematische ordening van erkende kwalificaties op basis van een algemeen geldend kwalificatieraamwerk;
15° niveaudescriptor : een generieke omschrijving van de karakteristieken van de competenties die eigen zijn aan de kwalificaties op dat niveau;
15°bis beroepsreferentiekader : een kader met beroepsvoorwaarden waarin competenties zijn beschreven of waaruit competenties kunnen worden afgeleid die noodzakelijk zijn om één of meer beroepen te kunnen uitoefenen;
16° NVAO : de Nederlands-Vlaamse Accreditatie-organisatie;
17° onderwijskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties die noodzakelijk zijn om maatschappelijk te functioneren en te participeren, waarmee verdere studies in het secundair of in het hoger onderwijs kunnen worden aangevat of waarmee beroepsactiviteiten kunnen worden uitgeoefend;
18° sector : een groep professionele activiteiten ingedeeld naar belangrijkste dienst, product, technologie, naar belangrijkste economische functie of naar bedrijfstak of vrijwilligersactiviteiten;
19° SERV : de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
20° tso : technisch secundair onderwijs;
21° VKS : Vlaamse kwalificatiestructuur;
22° VLHORA : de Vlaamse Hogescholenraad;
23° VLIR : de Vlaamse Interuniversitaire Raad;
24° Vlor : de Vlaamse Onderwijsraad.

ART. 3.

De kwalificatiestructuur is een systematische ordening van erkende kwalificaties op basis van een algemeen geldend raamwerk.

Deze ordening beoogt kwalificaties en hun onderlinge verhoudingen transparant te maken zodat onderwijs, opleidingsverstrekkers alsook andere maatschappelijke actoren eenduidig over kwalificaties en de daarin vervatte competenties kunnen communiceren.

HOOFDSTUK II Toepassingsgebied en gebruik

ART. 4.

Dit decreet is van toepassing op erkende en geregistreerde kwalificaties.
De kwalificatiestructuur vormt het kader om opleidingen tot stand te brengen die leiden naar erkende kwalificaties en om kwalificatiebewijzen te vergelijken. De kwalificatiestructuur kan ook als referentiekader worden gebruikt om :
- assessments voor erkenning van verworven competenties uit te werken en de procedures onderling af te stemmen;
- studieloopbanen en loopbanen te oriënteren en/of te begeleiden.

De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering staat in voor de organisatie van het toezicht op de kwaliteit van de onderwijs-, opleidings- en vormingstrajecten en van de trajecten inzake erkenning van verworven competenties die beide leiden naar erkende kwalificaties.

HOOFDSTUK III Algemene kenmerken van het kwalificatieraamwerk

Afdeling I Niveaubeschrijvingen

ART. 5.

Het kwalificatieraamwerk onderscheidt acht niveaus, die oplopen van niveau één naar niveau acht. Elk niveau in het raamwerk wordt beschreven aan de hand van een niveaudescriptor. Een niveaudescriptor geeft een generieke omschrijving van de karakteristieken van de competenties die eigen zijn aan de kwalificaties op dat niveau en bestaat uit vijf descriptorelementen : kennis, vaardigheden, context, autonomie en verantwoordelijkheid. Ze bepalen het niveau van de kwalificatie. De niveaudescriptoren worden gebruikt om zowel onderwijs- als beroepskwalificaties te beschrijven en in te schalen.

ART. 6.

VKS-

§ 1. De descriptorelementen van elke niveaudescriptor krijgen de volgende invulling :

VKS-
niveau

Niveaudescriptorelementen

Kennis
Vaardigheden

Context
Autonomie
Verantwoordelijkheid

VKS 1

- materialen, beknopte, eenduidige informatie, eenvoudige, concrete basisbegrippen en -regels uit een deel van een specifiek domein herkennen
- één of meer van de volgende vaardigheden aanwenden :
- cognitieve : informatie uit het geheugen oproepen, herinneren en toepassen
- motorische : automatismen gebruiken en praktische handelingen nabootsen
- repetitieve en herkenbare handelingen uitvoeren in routinetaken

- handelen in een stabiele, vertrouwde, enkelvoudige en goed gestructureerde context, waarin de tijdsdruk van gering belang is
- handelen met niet-delicate objecten
- onder rechtstreekse leiding functioneren
- blijk geven van persoonlijke doeltreffendheid

VKS 2

- informatie, concrete begrippen en standaardprocedures uit een specifiek domein begrijpen
- één of meer van de volgende vaardigheden aanwenden :
- cognitieve : informatie analyseren door elementen te onderscheiden en verbanden te leggen
- motorische :
- zintuiglijke ervaringen in motorische handelingen omzetten
- aangeleerde praktisch-technische handelingen uitvoeren
- een geselecteerd aantal standaardprocedures bij het uitvoeren van taken toepassen; voorgeschreven strategieën aanwenden voor het oplossen van een beperkt aantal herkenbare concrete problemen

- handelen in een beperkt aantal vergelijkbare, enkelvoudige, vertrouwde contexten
- handelen met delicate, passieve objecten
- onder begeleiding functioneren met beperkte autonomie
- beperkte uitvoerende verantwoordelijkheid opnemen voor eigen werk

VKS 3

- een aantal abstracte begrippen, wetten, formules en methodes uit een specifiek domein begrijpen; hoofd- en bijzaken in informatie onderscheiden
- één of meer van de volgende vaardigheden aanwenden :
-- cognitieve :
- informatie analyseren via deductie en inductie
- informatie synthetiseren
-- motorische :
- constructies maken op basis van een plan
- handelingen verrichten die tactisch en strategisch inzicht vereisen
- artistiek-creatieve vaardigheden toepassen
- standaardprocedures en methodes kiezen, combineren en gebruiken bij het uitvoeren van taken en bij het oplossen van een verscheidenheid van welomschreven concrete problemen

- handelen in vergelijkbare contexten waarin een aantal factoren veranderen
- handelen met delicate, actieve objecten
- binnen een afgebakend takenpakket functioneren met enige autonomie
- beperkte organisatorische verantwoordelijkheid opnemen voor eigen werk

VKS 4

- concrete en abstracte gegevens (informatie en begrippen) uit een specifiek domein interpreteren
- reflectieve cognitieve en productieve motorische vaardigheden toepassen
- gegevens evalueren en integreren en strategieën ontwikkelen voor het uitvoeren van diverse taken en voor het oplossen van diverse, concrete, niet-vertrouwde (maar weliswaar domeinspecifieke) problemen

- handelen in een combinatie van wisselende contexten
- autonoom functioneren met enig initiatief
- volledige verantwoordelijkheid voor eigen werk opnemen; het eigen functioneren evalueren en bijsturen met het oog op het bereiken van collectieve resultaten

VKS 5

- de informatie uit een specifiek domein met concrete en abstracte gegevens uitbreiden of met ontbrekende gegevens aanvullen; begrippenkaders hanteren; zich bewust zijn van de reikwijdte van de domeinspecifieke kennis
- geïntegreerde cognitieve en motorische vaardigheden toepassen
- kennis transfereren en procedures flexibel en inventief aanwenden voor het uitvoeren van taken en voor het strategisch oplossen van concrete en abstracte problemen

- handelen in een reeks van nieuwe, complexe contexten
- autonoom functioneren met initiatief
- verantwoordelijkheid opnemen voor het bereiken van persoonlijke resultaten en voor het stimuleren van collectieve resultaten

VKS 6

- kennis en inzichten uit een specifiek domein kritisch evalueren en combineren
- complexe gespecialiseerde vaardigheden toepassen, gelieerd aan onderzoeksuitkomsten
- relevante gegevens verzamelen en interpreteren en geselecteerde methodes en hulpmiddelen innovatief aanwenden om niet-vertrouwde complexe problemen op te lossen

- handelen in complexe en gespecialiseerde contexten
- functioneren met volledige autonomie en een ruime mate van initiatief
- medeverantwoordelijkheid opnemen voor het bepalen van collectieve resultaten

VKS 7

- kennis en inzichten uit een specifiek domein of op het raakvlak tussen verschillende domeinen integreren en herformuleren
- complexe nieuwe vaardigheden toepassen, gelieerd aan zelfstandig, gestandaardiseerd onderzoek
- complexe, geavanceerde en/of innovatieve probleemoplossende technieken en methodes kritisch beoordelen en toepassen

- handelen in onvoorspelbare, complexe en gespecialiseerde contexten
- volledig autonoom functioneren met beslissingsrecht
- eindverantwoordelijkheid opnemen voor het bepalen van collectieve resultaten

VKS 8

- bestaande kennis uit een substantieel deel van een specifiek domein of op het raakvlak tussen verschillende domeinen uitbreiden en/of herdefiniëren
- nieuwe kennis via origineel onderzoek of geavanceerde wetenschappelijke studie interpreteren en creëren
- projecten ontwerpen en uitvoeren die de bestaande procedurele kennis uitbreiden en herdefiniëren, gericht op het ontwikkelen van nieuwe vaardigheden, technieken, toepassingen, praktijken en/of materialen

- handelen in bijzonder complexe contexten met brede, innoverende implicaties
- met een hoge mate van kritische zin en sturend vermogen de verantwoordelijkheid opnemen voor de ontwikkeling van de professionele praktijk of van wetenschappelijk onderzoek

§ 2. De niveaudescriptoren van bachelor, van master en van doctor, vermeld in artikel II.141 van de Codex Hoger Onderwijs, zijn equivalent aan de niveaudescriptoren van respectievelijk niveau zes, niveau zeven en niveau acht.


ART. 7.

De Vlaamse Regering bepaalt na advies van de Vlor en de SERV de procedure voor beschrijving en inschaling van een beroepskwalificatiedossier. Dit besluit bevat ten minste de volgende elementen :
1° de beschrijving van wat een beroepskwalificatiedossier moet inhouden en hoe dit wordt opgesteld;
2° de wijze waarop de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering het opstellen ervan coördineert en de validering ervan organiseert;
3° de wetenschappelijk geijkte methodiek voor inschaling van een beroepskwalificatiedossier. De methodiek bevat eveneens een besluitvormingsproces dat leidt tot een consensus;
4° de verdere samenstelling van de validerings- en inschalingscommissies;
5° de wijze waarop de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering de marginale toetsing van de werkzaamheden van de validerings- en inschalingscommissie uitvoert. De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering toetst het proces, het gebruik van de descriptorelementen en van de wetenschappelijk geijkte inschalingsmethodiek;
6° de wijze waarop de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering een voorstel tot inschaling formuleert bij ontstentenis van een consensus van de inschalingscommissie.

Afdeling II Soorten kwalificaties

ART. 8.

Beroepskwalificaties zijn afgeronde en ingeschaalde gehelen van competenties waarmee een beroep kan worden uitgeoefend. Beroepskwalificaties situeren zich op elk van de acht niveaus van de kwalificatiestructuur.

Deelkwalificaties zijn samenhangende gehelen van competenties uit eenzelfde beroepskwalificatie die uitstroomkansen bieden in een smaller deel van de arbeidsmarkt dan de volledige beroepskwalificatie. Deelkwalificaties worden afgebakend tijdens de opmaak van een beroepskwalificatie en hebben geen eigen inschalingsniveau.
 

ART. 9.

Onderwijskwalificaties zijn afgeronde en ingeschaalde gehelen van competenties die noodzakelijk zijn om maatschappelijk te functioneren en te participeren, waarmee verdere studies in het secundair of in het hoger onderwijs kunnen worden aangevat of waarmee beroepsactiviteiten kunnen worden uitgeoefend.

Onderwijskwalificaties situeren zich op elk van de acht niveaus van de kwalificatiestructuur.

Onderwijskwalificaties worden enkel via onderwijs verworven en enkel door de Vlaamse overheid erkende instellingen kunnen hiervoor een kwalificatiebewijs afleveren.

HOOFDSTUK IV Erkenning van kwalificaties

Afdeling I Procedure voor de erkenning van beroepskwalificaties

ART. 10.

§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt jaarlijks de prioriteiten inzake het opstellen van beroepskwalificatiedossiers.

§ 2. De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering coördineert het opstellen van de beroepskwalificatiedossiers. Bij deze voorbereiding doet de bevoegde dienst een beroep op sectorale en/of interprofessionele sociale partners, VDAB, Syntra Vlaanderen en onafhankelijke experten.

§ 3. Een beroepskwalificatiedossier komt in eerste instantie tot stand op basis van één of meerdere beroepscompetentieprofielen die door de sociale partners in de SERV zijn gevalideerd. Bij het ontbreken van beroepscompetentieprofielen komt het dossier tot stand aan de hand van normatieve beroepsreferentiekaders en bij ontstentenis daarvan of ter aanvulling ervan aan de hand van niet-normatieve referentiekaders uit binnen- of buitenland. De competenties worden beschreven zodanig dat een inschaling op basis van descriptorelementen mogelijk is.

§ 4. Een valideringscommissie bestaande uit interprofessionele sociale partners, VDAB, Syntra Vlaanderen en onafhankelijke experten valideert het beroepskwalificatiedossier. Deze validering bevestigt dat met het geheel van competenties opgenomen in het beroepskwalificatiedossier een beroep kan worden uitgeoefend.

§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt onder welke voorwaarden en voor welke sectoren ze beroepskwalificatiedossiers opstelt voor maatschappelijke rollen gebaseerd op een competentieprofiel.

ART. 11.

De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering legt een gevalideerd beroepskwalificatiedossier voor inschaling voor aan een inschalingscommissie.

Voor een beroepskwalificatiedossier dat wordt opgesteld volgens paragrafen 2, 3 en 4 van artikel 10 wordt de helft van de deskundigen van de inschalingscommissie aangeduid door de SERV en de andere helft door de Vlor, VDAB en Syntra Vlaanderen.

Voor een beroepskwalificatiedossier dat wordt opgesteld volgens paragraaf 5 van artikel 10 wordt de helft van de deskundigen van de inschalingscommissie aangeduid door hetzij een betrokken overheidsinstantie, hetzij een betrokken sector en de andere helft door de Vlor, VDAB en Syntra Vlaanderen.

Er worden ten minste twee niet-stemgerechtigde onafhankelijke experten door de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering aan de inschalingscommissie toegevoegd.

ART. 12.

De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering formuleert een erkenningsadvies. Het advies bevat het gevalideerde kwalificatiedossier, het inschalingsadvies van de inschalingscommissie en de marginale toetsing van het proces en de methodiek.

De Vlaamse Regering beslist over de erkenning op basis van het erkenningsadvies binnen een termijn van vier weken na indiening van het erkenningadvies.

ART. 13.

De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering registreert de erkende beroepskwalificatie met de daarin vervatte competenties in een kwalificatiedatabank.

ART 13/1.

De Vlaamse Regering bepaalt een verkorte procedure voor het actualiseren of schrappen van een beroepskwalificatie.

Afdeling II Procedure voor de erkenning van onderwijskwalificaties van niveau één tot en met [vier (verv. decr. 23 december 2016, art. 49, I: 1 februari 2017)]

ART. 14.

Onderwijskwalificaties die zich situeren op de niveaus één tot en met vijf bestaan uit eindtermen, specifieke eindtermen of erkende beroepskwalificaties, en zijn als volgt samengesteld :
1° de onderwijskwalificatie op niveau één bestaat uit :
a) de eindtermen lager onderwijs;
2° de onderwijskwalificaties op niveau twee bestaan uit :
a) de eindtermen basiseducatie;
b) de eindtermen tweede graad bso en één of meer erkende beroepskwalificaties;
3° de onderwijskwalificaties op niveau drie bestaan uit :
a) de eindtermen voor het tweede leerjaar derde graad bso en één of meer erkende beroepskwalificaties;
4° de onderwijskwalificaties op niveau vier bestaan uit :
a) de eindtermen derde graad aso, en de specifieke eindtermen voor de derde graad aso die verbonden zijn aan één of meer wetenschapsdomeinen;
b) de eindtermen derde graad tso, en de specifieke eindtermen voor de derde graad tso die verbonden zijn aan één of meer wetenschapsdomeinen;
c) de eindtermen derde graad kso, en de specifieke eindtermen voor de derde graad kso die verbonden zijn aan één of meer wetenschapsdomeinen;
d) de eindtermen derde graad tso of kso en één of meer erkende beroepskwalificaties;
e) de eindtermen derde leerjaar derde graad bso en één of meer erkende beroepskwalificaties;
f) de eindtermen voor de aanvullende algemene vorming voor het volwassenenonderwijs en één of meer erkende beroepskwalificaties;
g) één of meer erkende beroepskwalificaties van niveau vier;
h) de eindtermen en specifieke eindtermen zoals bepaald in a), b) of c) én één of meer erkende beroepskwalificaties.
5° ....

Onder eindtermen en specifieke eindtermen worden in dit artikel ook de gelijkwaardig verklaarde vervangende eindtermen of specifieke eindtermen begrepen zoals bedoeld in artikel 44bis van het decreet betreffende het basisonderwijs van 25 februari 1997, in artikel 147 en artikel 267 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs en zoals bedoeld in artikel 15 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

Onder beroepskwalificatie worden in dit artikel ook de competenties en basiscompetenties begrepen zoals bedoeld in artikel 145 en artikel 265 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs en zoals bedoeld in artikel 12 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
 

ART. 15.

Met het oog op een actueel en rationeel onderwijsaanbod bepaalt de Vlaamse Regering de criteria voor het uitwerken van de onderwijskwalificaties en voor de situering ervan in de opleidingenstructuur.

De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering werkt voorstellen van onderwijskwalificaties uit op eigen initiatief of op vraag van iedere belanghebbende en houdt hierbij rekening met de volgende criteria :
- de maatschappelijke, economische of culturele behoefte;
- de onderwijskundige en opvoedkundige context : aansluitend bij de doelgroep, bij het profiel van onderwijsvorm en graad, stimuleren van de leermotivatie;
- de verwachte instroom en uitstroom;
- de beschikbare materiële en financiële middelen en expertise;
- de mogelijkheid tot samenwerking met andere instellingen of met arbeidsmarkt/bedrijfsleven, indien vereist;
- de continuïteit in de (studie)loopbaan : inpassing in het bestaande studieaanbod, aansluiting op vervolgopleidingen en/of tewerkstellingsmogelijkheden.

Ieder voorstel en iedere vraag, al dan niet omgezet in een voorstel, zal door de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering voor advies aan de Vlor worden voorgelegd. De Vlaamse Regering erkent de onderwijskwalificaties op gezamenlijk voorstel van de minister bevoegd voor Vorming en de minister bevoegd voor Onderwijs.

De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering registreert de erkende onderwijskwalificaties met de daarin vervatte competenties in een kwalificatiedatabank.

[Afdeling II/1 Procedure voor de erkenning van onderwijskwalificaties van niveau 5 (ing. decr. 23 december 2016, art. 51, I: 1 februari 2017)]

ART. 15/1.

§ 1. De onderwijskwalificaties op niveau vijf omvatten een of meer beroepskwalificaties op niveau vijf.

§ 2. De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering formuleert een advies over de wenselijkheid van de ontwikkeling van een onderwijskwalificatie die de erkende beroepskwalificatie(s) van niveau vijf omvat, en houdt daarbij rekening met de volgende criteria :
1° de aangetoonde behoefte op de arbeidsmarkt;
2° de maatschappelijke, economische of culturele behoefte;
3° de onderwijskundige en opvoedkundige context : de aansluiting bij de doelgroep en bij het profiel van onderwijsvorm en graad, de mate waarin de leermotivatie gestimuleerd wordt;
4° de verwachte instroom en uitstroom;
5° de beschikbare materiële en financiële middelen en expertise;
6° de mogelijkheid tot samenwerking met andere instellingen en met de arbeidsmarkt;
7° de continuïteit in de (studie)loopbaan : de inpassing in het bestaande studieaanbod, de aansluiting op vervolgopleidingen of de tewerkstellingsmogelijkheden.

§ 3. Als de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering op basis van de criteria, vermeld in paragraaf 2, adviseert dat de ontwikkeling van een onderwijskwalificatie wenselijk is, omvat het advies ook een uitspraak over de studieomvang, uitgedrukt in studiepunten, van de opleiding die leidt tot de desbetreffende onderwijskwalificatie. Daarvoor vraagt de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering de inbreng van vertegenwoordigers van de samenwerkingsverbanden, vermeld in artikel 50 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

§ 4. Als de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering op basis van de criteria, vermeld in paragraaf 2, adviseert dat de ontwikkeling van een onderwijskwalificatie wenselijk is en de studieomvang van de opleiding die leidt tot de desbetreffende onderwijskwalificatie, kan worden vastgelegd op 90 of 120 studiepunten, verduidelijkt hij in zijn advies :
1° welke beroepskwalificatie(s) de onderwijskwalificatie omvat en eventueel de mogelijke (toekomstige) afstudeerrichtingen;
2° de benaming van de opleiding in het hoger beroepsonderwijs en het studiegebied waartoe ze behoort.

§ 5. Een positief advies over de ontwikkeling van een onderwijskwalificatie kan toch al worden verleend door de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering als die verwacht dat er op een later tijdstip nog beroepskwalificaties op niveau vijf zullen worden erkend die nauw verwant zijn met de beroepskwalificaties die vervat zijn in de desbetreffende onderwijskwalificatie. De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering vermeldt dat in zijn advies, zodat er in de onderwijskwalificatie een gemeenschappelijke stam kan worden ontwikkeld en de later erkende beroepskwalificaties kunnen worden toegevoegd als afstudeerrichting.

§ 6. De Vlaamse Regering beslist of de onderwijskwalificatie al dan niet wordt ontwikkeld.

ART 15/2.

§ 1. Binnen een termijn van zes maanden vanaf de beslissing van de Vlaamse Regering, vermeld in artikel 15/1, § 6, van dit decreet, schrijven de samenwerkingsverbanden, vermeld in artikel 50 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, gezamenlijk de domeinspecifieke leerresultaten uit. Ze organiseren daartoe structureel onderling overleg, waarbij ook de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering wordt betrokken. De samenwerkingsverbanden kunnen voor deze opdracht een beroep doen op externe experten.

Die domeinspecifieke leerresultaten :
1° clusteren alle competenties uit de beroepskwalificatie(s);
2° zijn duidelijk gekoppeld aan de activiteiten uit de beroepskwalificatie(s), met een verwijzing naar de Id-codes, en de descriptorelementen kennis en vaardigheden worden op aantoonbare wijze opgenomen;
3° zijn een vertaling van de niveaudescriptoren, vermeld in artikel 6 van dit decreet;
4° zijn concreet en beroepsgericht geformuleerd;
5° waarborgen de toepassing van Vlaamse, federale en internationale regelgeving over beroepsuitoefening.

§ 2. Er kunnen extra competenties toegevoegd worden aan de competenties, vermeld in de beroepskwalificatie(s), als ze gerealiseerd kunnen worden binnen de vastgelegde studieomvang.

§ 3. De beschrijving van de domeinspecifieke leerresultaten wordt gevalideerd door de accreditatieorganisatie, vermeld in artikel 12 van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

De gevalideerde beschrijvingen van de domeinspecifieke leerresultaten worden automatisch als onderwijskwalificatie erkend.

De gevalideerde beschrijvingen van de opleidingen voor de graad van gegradueerde worden opgenomen als onderwijskwalificaties van niveau 5.

ART 15/3.

De accreditatieorganisatie bezorgt de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering de erkende onderwijskwalificaties met de daarin vervatte competenties voor registratie in een kwalificatiedatabank.

Afdeling III Procedure voor de erkenning van onderwijskwalificaties van niveau zes tot en met acht

ART. 16.

Instellingen in het hoger onderwijs beschrijven gezamenlijk de domeinspecifieke leerresultaten van de opleidingen in het hoger onderwijs als vermeld in artikel II.68 van de Codex Hoger Onderwijs.

ART. 17.

De gevalideerde beschrijvingen van de domeinspecifieke leerresultaten worden automatisch als kwalificatie erkend.

De gevalideerde beschrijvingen van de opleidingen voor de graad van bachelor worden opgenomen als kwalificaties van niveau zes, die voor de graad van master worden opgenomen als kwalificaties van niveau zeven.

Voor de graad van doctor wordt de niveaudescriptor vermeld in artikel II.141, 4°, van de Codex Hoger Onderwijs opgenomen als kwalificatie van niveau acht.

ART. 18.

De NVAO bezorgt de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering de erkende kwalificaties met de daarin vervatte competenties voor registratie in een kwalificatiedatabank.

HOOFDSTUK V Kwalificatiedatabank en leer- en ervaringsbewijzendatabank

ART. 19.

Met het oog op informatieverstrekking aan individuen, instellingen en overheden over het Vlaamse kwalificatiebeleid en met het oog op beleidsontwikkeling worden alle erkende kwalificaties in een kwalificatiedatabank geregistreerd bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering.

In deze databank worden alle erkende onderwijs- en beroepskwalificaties met de daarin vervatte competenties opgenomen alsook de wijze waarop deze kwalificaties kunnen verworven worden.

De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering staat in voor het beheer van de databank en voor de gegevensuitwisseling.

ART. 20.

Met het oog op het verlenen van diensten of met het oog op beleidsontwikkeling worden alle door de Vlaamse Gemeenschap erkende of gelijkwaardig verklaarde leer- en ervaringsbewijzen samen met de bijhorende minimale identificatiegegevens van de houder van de leer- en ervaringsbewijzen in kwestie, in een leer- en ervaringsbewijzendatabank geregistreerd bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering.

Deze registratie gebeurt door de instantie die de leer- en ervaringsbewijzen in kwestie heeft uitgereikt of door de instantie die de gegevens inzake de leer- en ervaringsbewijzen in kwestie heeft ingezameld bij instanties die leer- en ervaringsbewijzen uitreiken, of op basis van een geregistreerde verklaring op eer.

Een leerbewijs is een bewijs dat wordt uitgereikt bij het succesvol beëindigen van een afgerond geheel van onderwijs-, vormings- of opleidingsactiviteiten nadat door middel van een toets werd nagegaan of de voorafbepaalde competenties verworven zijn.

Een ervaringsbewijs is een bewijs zoals bedoeld in artikel 4 van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid.

De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering beheren de databank. Die databank wordt ontsloten door tussenkomst van de Vlaamse dienstenintegrator, vermeld in artikel 3 van het decreet van 13 juli 2012 houdende de oprichting en organisatie van een Vlaamse dienstenintegrator, die tussenbeide komt bij de mededeling van gegevens uit de leer- en ervaringsbewijzendatabank met toepassing van de regelgeving inzake de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of Vlaams niveau verder is of wordt gespecificeerd.
 

HOOFDSTUK VI Wijzigingsbepalingen

21.

ART. 22.

Artikel 3 van het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 3
De eindtermen, de specifieke eindtermen, de ontwikkelingsdoelen voor het gewoon voltijds secundair onderwijs en de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon secundair onderwijs worden vastgelegd door het Vlaams Parlement bij wijze van bekrachtiging van een besluit van de Vlaamse Regering, genomen op advies van de Vlor.

Voor het onderwijs in een erkende godsdienst, een op godsdienst berustende zedenleer, de niet-confessionele zedenleer, de eigen cultuur en religie en de cultuurbeschouwing worden geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen bepaald.

De Vlaamse Regering legt het besluit ten laatste één maand na de goedkeuring ter bekrachtiging voor aan het Vlaams Parlement.

De eindtermen, de specifieke eindtermen en de ontwikkelingsdoelen hebben uitwerking vanaf de datum die het decreet aangeeft.

De eindtermen en specifieke eindtermen worden ontwikkeld gebruik makend van de descriptorelementen vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. ».

ART. 23.

In artikel 5, § 3, van hetzelfde decreet wordt het derde lid vervangen door wat volgt :
« In de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs gelden de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen, de specifieke eindtermen en erkende beroepskwalificaties van het overeenstemmende niveau van het gewoon secundair onderwijs respectievelijk als eindtermen, ontwikkelingsdoelen, specifieke eindtermen en erkende beroepskwalificaties. Voor andere opleidingsvormen of types kan de klassenraad de eindtermen en/of ontwikkelingsdoelen en/of specifieke eindtermen en/of erkende beroepskwalificaties van het overeenstemmende niveau van het gewoon secundair onderwijs, van andere types van het buitengewoon secundair onderwijs, of van het gewoon of buitengewoon basisonderwijs overnemen als ontwikkelingsdoelen. In beide gevallen kan de klassenraad, rekening houdend met de kenmerken eigen aan de leerling, de gelijkwaardigheid beoordelen van prestaties in het betrokken type of de betrokken opleidingsvorm met de prestaties die door de eindtermen en/of ontwikkelingsdoelen en/of specifieke eindtermen en/of erkende beroepskwalificaties van het overeenstemmende niveau van het gewoon secundair onderwijs worden vereist. ».

ART. 24.

In hoofdstuk II van hetzelfde decreet wordt afdeling 3, bestaande uit artikelen 6 en 7, vervangen door wat volgt :
« AFDELING 3. - Specifieke eindtermen en erkende beroepskwalificaties

« Artikel 6
De specifieke eindtermen en de erkende beroepskwalificaties worden verworven door middel van het specifieke gedeelte van een opleiding. Het specifieke gedeelte van de opleiding wordt gedefinieerd als het gedeelte dat niet behoort tot de basisvorming of tot het complementaire gedeelte, zoals gedefinieerd in titel IV van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, zoals gewijzigd.

« Artikel 7
Specifieke eindtermen zijn doelen met betrekking tot de vaardigheden, de specifieke kennis, inzichten en attitudes waarover een leerling van het voltijds secundair onderwijs beschikt om vervolgonderwijs aan te vatten.

Specifieke eindtermen worden vastgelegd voor het tweede leerjaar van de derde graad van het aso, kso en tso en worden ontwikkeld uit de kenmerkende onderdelen van een bepaald wetenschapsdomein.

« Artikel 7bis
Erkende beroepskwalificaties waarover een leerling van het voltijds secundair onderwijs beschikt zijn afgeronde en ingeschaalde gehelen van competenties om als beginnend beroepsbeoefenaar een beroep uit te oefenen. De competenties van de beginnend beroepsbeoefenaar zijn vervat in de beroepskwalificaties die erkend zijn volgens de procedure bepaald in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.

« Artikel 7ter
Voor die specifieke gedeelten van opleidingen die gericht zijn op beroepsuitoefening waarvoor geen erkende beroepskwalificatie bestaat, bepaalt de Vlaamse Regering de competenties, tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn. De Vlaamse Regering bepaalt deze competenties op basis van door sectoren of door overheidsinstanties erkende referentiekaders en gebruik makend van de descriptorelementen. ».

25.

ART. 26.

In artikel 9, § 2, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid, 5°, wordt de zinsnede « en/of als beginnend beroepsbeoefenaar te kunnen fungeren » geschrapt;

2° in het vierde lid wordt de zin « Indien de afwijkingsaanvraag betrekking heeft op specifieke eindtermen waarvoor de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen profielen heeft ingediend, zal de Vlaamse Regering de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vragen een lid aan te duiden om deel uit te maken van de in het vorige lid bedoelde commissie van deskundigen. » geschrapt.

ART. 27.

In artikel 3 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs wordt tussen het streepje « instellingsbestuur » en het streepje « kwalificatie van een graad » een streepje toegevoegd, dat luidt als volgt :
« - kwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties of domeinspecifieke leerresultaten ».

ART. 28.

In artikel 11 van hetzelfde decreet worden na het woord « gegradueerde » de woorden « en specifieke lerarenopleidingen die leiden tot een diploma van leraar » ingevoegd.

ART. 29.

In artikel 58 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan de eerste zin van § 2 worden de woorden « de leerresultaten opgenomen in volgende niveaudescriptoren » toegevoegd;

2° aan § 2 wordt een punt 1° toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 1° in de opleidingen leidend tot de graad van gegradueerde in het hoger beroepsonderwijs :
a) het uitbreiden of met ontbrekende gegevens aanvullen van de informatie uit een specifiek domein met concrete en abstracte gegevens; het hanteren van begrippenkaders en het zich bewust zijn van de reikwijdte van de domeinspecifieke kennis;
b) het toepassen van geïntegreerde cognitieve en motorische vaardigheden;
c) het transfereren van kennis en flexibel en inventief aanwenden van procedures voor het uitvoeren van taken en voor het strategisch oplossen van concrete en abstracte problemen;
d) het handelen in een reeks van nieuwe, complexe contexten;
e) het autonoom functioneren met initiatief;
f) het opnemen van verantwoordelijkheid voor het bereiken van persoonlijke resultaten en voor het stimuleren van collectieve resultaten. »;

3° het bestaande punt 1° in § 2 wordt punt 2°;

4° het bestaande punt 2° in § 2 wordt punt 3°;

5° aan § 2 wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 4° in de doctoraatsopleidingen en doctoraatsvoorbereidingen leidend tot de graad van doctor :
a) het systematisch begrijpen van een vakgebied en het beheersen van de vaardigheden en methodieken van onderzoek in dat vakgebied;
b) de bekwaamheid om met de geëigende integriteit van een onderzoeker een omvangrijk onderzoeksproces te ontwerpen, ontwikkelen, uit te voeren en aan te passen;
c) het door origineel onderzoek leveren van een bijdrage aan verlegging van de grenzen van kennis door een omvangrijke hoeveelheid werk, waarvan een deel een nationaal of internationaal beoordeelde publicatie verdient;
d) het in staat zijn tot kritische analyse, evaluatie en synthese van nieuwe en complexe ideeën;
e) het kunnen communiceren met vakgenoten en de bredere wetenschappelijke gemeenschap nationaal en internationaal en de samenleving als geheel over het terrein waarop men deskundig is;
f) een vernieuwende bijdrage leveren binnen de academische en professionele context, wat leidt tot technologische, sociale of culturele vooruitgang in een kennissamenleving. ».

ART. 30.

Aan artikel 61, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt een punt l) toegevoegd, dat luidt als volgt :
« l) de door de instellingen gezamenlijk beschreven domeinspecifieke leerresultaten als vermeld in artikel 5bis van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen. ».

ART. 31.

Aan artikel 62, § 3, van hetzelfde decreet wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 5° de door de instellingen gezamenlijk beschreven domeinspecifieke leerresultaten. ».

ART. 32.

In het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen wordt een artikel 5bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 5bis
De instelling schrijft voor elke opleiding en voor elk opleidingsonderdeel leerresultaten uit.

Op basis van de niveaudescriptoren zoals bepaald in artikel 58, § 2, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering in het hoger onderwijs, schrijven de instellingen onder coördinatie van de Vlaamse Hogescholenraad en de Vlaamse Interuniversitaire Raad daarenboven gezamenlijk de domein- specifieke leerresultaten uit. Zij waarborgen de toepassing van Vlaamse, federale en internationale regelgeving over beroepsuitoefening.

Die beschrijving van de domeinspecifieke leerresultaten wordt gevalideerd door de Nederlands-Vlaamse accreditatieorganisatie.

De Vlaamse Regering kan daarvoor nadere regels uitwerken. ».

ART. 33.

In artikel 2 van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt een punt 2°bis toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 2°bis competentieprofiel : een afgerond geheel van competenties die een persoon in een bepaalde maatschappelijke context hanteert om (de) te verwachten resultaten in die maatschappelijke rol te realiseren en waarvoor geen beroepscompetentieprofiel bestaat of ontwikkeld zal worden; »;

2° punt 5° wordt vervangen door wat volgt :
« 5° beroepscompetentieprofiel : een afgerond geheel van competenties die een beroepsbeoefenaar in een bepaalde arbeidscontext hanteert om (de) te verwachte resultaten op de werkvloer te realiseren; »;

3° punt 12° wordt vervangen door wat volgt :
« 12° erkende beroepskwalificatie : de beroepskwalificatie als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur; ».

ART. 34.

In artikel 4 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan § 1 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
« In de communicatie naar de burgers, kan als synoniem voor het begrip titel van beroepsbekwaamheid ook het begrip ervaringsbewijs gebruikt worden. »;

2° er wordt een § 1bis toegevoegd, die luidt als volgt :
« § 1bis. De titel van beroepsbekwaamheid geldt eveneens als het bewijs dat de betrokken persoon een erkende beroepskwalificatie heeft behaald. »;

3° in § 2 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
« Diploma's en getuigschriften mede afgeleverd op grond van het voldoen aan de beroepscompetenties vastgelegd in een erkende beroepskwalificatie, worden te allen tijde geacht de ten aanzien van het betrokken beroep of deelberoep vastgelegde competenties te omvatten. ».

ART. 35.

In artikel 6 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 3° wordt het woord « beroepsprofielen » vervangen door de woorden « beroepscompetentieprofielen of competentieprofielen »;

2° in de eerste zin van punt 4° worden de woorden « beroepscompetentieprofielen, bedoeld in 3° » vervangen door de woorden « beroepscompetentieprofielen of competentieprofielen »;

3° in de tweede zin van punt 4° wordt het woord « beroepsprofiel » vervangen door de woorden « beroepscompetentieprofiel of competentieprofiel ».

ART. 36.

In artikel 8 van hetzelfde decreet wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
« § 2. De bevoegde dienst van de Vlaamse Regering staat in voor de organisatie van het toezicht op de kwaliteit van de trajecten tot het bekomen van een titel van beroepsbekwaamheid. ».

ART. 37.

In artikel 15bis van het decreet van 7 mei 2004 inzake de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen worden § 1 en § 2 vervangen door wat volgt :
« § 1. De Raad bepaalt beroepscompetentieprofielen of competentieprofielen hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de Vlaamse Regering, hetzij op verzoek van de sociale partners van een bedrijfstak of een samenhangend geheel van bedrijfstakken zoals door de Vlaamse Regering omschreven, hetzij op verzoek van een maatschappelijke sector zoals omschreven door de Vlaamse Regering.

Een competentieprofiel kan alleen bepaald worden voor maatschappelijke rollen waarvoor geen beroepscompetentieprofiel bestaat of ontwikkeld zal worden.

§ 2. De SERV garandeert bij de ontwikkeling van beroepscompetentieprofielen en competentieprofielen een paritaire vertegenwoordiging van de actoren uit de betrokken bedrijfstak, bedrijfstakken of maatschappelijke sectoren, en waarborgt de toepassing van Vlaamse, federale en internationale regelgeving over beroepsuitoefening. ».

ART. 38.

In artikel 2 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 32° worden tussen de woorden « specifieke eindtermen » en het woord « en » de woorden « , erkende beroepskwalificatie(s) » ingevoegd;

2° in punt 39° wordt de zinsnede « of om als beginnende beroepsbeoefenaar te kunnen fungeren » geschrapt.

ART. 39.

In titel III van hetzelfde decreet wordt het opschrift van hoofdstuk IV vervangen door wat volgt :
« hoofdstuk IV. - De eindtermen, specifieke eindtermen, erkende beroepskwalificaties en basiscompetenties ».

ART. 40.

In artikel 11 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 3 worden tussen de woorden « de specifieke eindtermen » en de woorden « als voor » de woorden « en erkende beroepskwalificaties » ingevoegd;

2° er wordt een § 6 toegevoegd, die luidt als volgt :
« § 6. De eindtermen en specifieke eindtermen worden ontwikkeld gebruik makend van de niveaudescriptoren uit artikel 6 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. ».

ART. 41.

In artikel 12 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2 worden tussen de woorden « specifieke eindtermen » en de woorden « zijn van » de woorden « en erkende beroepskwalificaties » ingevoegd;

2° aan § 3, 1°, wordt de volgende zin toegevoegd :
« De basiscompetenties die worden vastgelegd voor opleidingen die leiden naar een beroep nemen erkende beroepskwalificaties op herkenbare wijze op. »;

3° in § 3, 2,° worden tussen de woorden « specifieke eindtermen » en het woord « bepaald » de woorden « of erkende beroepskwalificaties » ingevoegd;

4° aan § 3 wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
« De basiscompententies voor opleidingen die leiden naar een beroep waarvoor geen erkende beroepskwalificaties bestaan, worden bepaald op basis van door sectoren of door overheidsinstanties erkende referentiekaders en gebruik makend van de descriptorelementen en dit zolang er geen erkende beroepskwalificaties zijn. ».

42.

43.

ART. 44.

In artikel 15, § 2, van hetzelfde decreet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid, 5°, wordt de zinsnede « of als beginnende beroepsbeoefenaar te kunnen fungeren » geschrapt;

2° in het derde lid wordt de zin « Indien de afwijkingsaanvraag betrekking heeft op specifieke eindtermen of basiscompetenties waarvoor de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen beroep- (competentie)profielen heeft gepubliceerd, zal de Vlaamse Regering de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vragen een gemotiveerd advies uit te brengen. » geschrapt.

ART. 45.

In artikel 24, § 1, tweede lid, 4°, van hetzelfde decreet wordt tussen de woorden « specifieke eindtermen » en het woord « of » de woorden « , erkende beroepskwalificaties » ingevoegd.

ART. 46.

In artikel 45, 4°, van hetzelfde decreet wordt tussen de woorden « specifieke eindtermen » en het woord « en » de woorden « , erkende beroepskwalificaties » ingevoegd.

47.

ART. 48.

In artikel 30, § 1, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelstel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap worden de woorden « beroepscompetentieprofielen zoals ontwikkeld door de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen » vervangen door de woorden « erkende beroepskwalificaties vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur ».

ART. 49.

In artikel 32, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden « beroepscompetentieprofielen zoals ontwikkeld door de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen » vervangen door de woorden « erkende beroepskwalificaties vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur ».

HOOFDSTUK VII Slotbepalingen

ART. 50.

De opleidingen die leiden tot een diploma secundair onderwijs en geen onderwijskwalificatie bevatten zoals omschreven in artikel 14, 4°, van dit decreet, worden tot en met het schooljaar 2012-2013 geacht tot een onderwijskwalificatie van niveau vier te leiden.

ART. 51.

Tot en met het academiejaar 2017-2018, worden de leerresultaten, opgenomen in de referentiekaders van de visitatierapporten van de opleidingen uit het hoger onderwijsregister, automatisch als kwalificatie erkend en geregistreerd in een kwalificatiedatabank.

In de in het eerste lid bedoelde overgangsperiode zorgen de instellingen ervoor dat de beschrijvingen van de domeinspecifieke leerresultaten van de opleidingen waarvan de accreditatieperiode eindigt op het einde van het academisch jaar 2013-2014 en volgende, uitgewerkt en gevalideerd zijn vóór dat het zelfevaluatierapport van die opleidingen, dat opgesteld wordt in het kader van de externe kwaliteitszorg en visitatiecyclus, gereed moet zijn.

ART. 52.

De artikelen 21, 25, 42, 43 en 47 treden in werking op een door de Vlaamse Regering nader te bepalen datum.