Decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs

  • goedkeuringsdatum
    08 MEI 2009
  • publicatiedatum
    B.S.28/08/2009
  • datum laatste wijziging
    01/01/2017

COORDINATIE

Decr. 18-12-2009 - B.S. 30-12-2009

Decr. 18-12-2009 - B.S. 29-1-2010

Decr. 9-7-2010 - B.S. 31-8-2010

B.Vl.R. 17-12-2010 - B.S. 24-6-2011

Decr. 1-7-2011 - B.S. 30-8-2011

Decr. 8-7-2011 - B.S. 25-7-2011

Decr. 1-6-2012 - B.S. 22-6-2012

Decr. 29-6-2012 - B.S. 27-7-2012

Decr. 13-7-2012 - B.S. 24-7-2012

Decr. 21-12-2012 - B.S. 31-12-2012

Decr. 21-12-2012 - B.S. 19-2-2013

Decr. 5-7-2013 - B.S. 30-7-2013

Decr. 19-7-2013 - B.S. 27-8-2013

Decr. 20-12-2013 - B.S. 31-12-2013

Decr. 21-3-2014 - B.S. 28-8-2014

Decr. 25-4-2014 - B.S. 25-9-2014

Decr. 19-12-2014 - B.S. 30-12-2014

Decr. 19-12-2014 - B.S. 27-1-2015

Decr. 19-6-2015 - B.S. 17-7-2015

Decr. 19-6-2015 - B.S. 21-8-2015

Decr. 17-6-2016 - B.S. 10-8-2016

Decr. 23-12-2016 - B.S. 13-2-2017

B.Vl.R. 28-10-2016 - B.S. 29-12-2016

Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : Decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs.

DEEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2.

Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :

1° basisonderwijs : het gewoon en buitengewoon basisonderwijs;

2° bestuur : het orgaan dat voor de onderwijsinstelling of het CLB de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden;

3° CLB : een centrum voor leerlingenbegeleiding, als vermeld in het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding;

4° consortium : het consortium zoals vermeld in artikel 2, 8°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenonderwijs;

5° competenties : de kennis, vaardigheden en attitudes die het personeelslid nodig heeft om zijn taken naar behoren te kunnen uitoefenen;

6° decretale en reglementaire bepalingen inzake minimumdoelen : de specifieke reglementering per onderwijsniveau inzake ontwikkelingsdoelen, eindtermen, basiscompetenties, leerplannen, handelingsplannen, minimumleerplannen en minimumlessenroosters;

7° deeltijds kunstonderwijs : [het deeltijds kunstonderwijs]³;

8° erkenningsvoorwaarden : de wettelijke of decretale voorwaarden waaraan een onderwijsinstelling moet voldoen om aan haar leerlingen of cursisten de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen;

9° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;

10° hoger beroepsonderwijs : het onderwijs zoals vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende het hoger beroepsonderwijs;

11° instelling : onderwijsinstelling of CLB;

12° nascholing : het geheel van vormingsactiviteiten die tot doel hebben de kennis, vaardigheden en attitudes die personeelsleden tijdens hun opleiding of tijdens hun werkervaring hebben verworven, te verbreden en te verdiepen met het oog op hun verdere professionalisering;

13° onderwijsinstelling : een pedagogisch geheel waar onderwijs georganiseerd wordt en waaraan een uniek instellingsnummer toegekend is;

14° onderwijskoepels : een van volgende representatieve groeperingen van inrichtende machten van gesubsidieerde instellingen :

a) Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap;

b) Provinciaal Onderwijs Vlaanderen;

c) Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs;

d) Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodescholen;

e) Vlaams Onderwijs Overlegplatform;

f) Federatie van Steinerscholen in Vlaanderen;

g) Raad van Inrichtende Machten van het Protestants-Christelijk onderwijs VZW;

15° organieke betrekkingen : het geheel van organieke betrekkingen, omgerekend in voltijdse eenheden, waarop de instelling recht heeft bij toepassing van de bestaande reglementering voor de personeelscategorieën, vermeld in :

a) artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst en het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel;

b) artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

16° pedagogische begeleiding : de externe professionele ondersteuning van onderwijsinstellingen en CLB's in hun zorg voor kwaliteitsonderwijs en kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding;

17° representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een syndicale organisatie die vertegenwoordigd is in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en die een werking ontplooit ten behoeve van de inspectie;

18° scholengemeenschap : de scholengemeenschap zoals bedoeld in [artikel 3, 39°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]¹ en de scholengemeenschap basisonderwijs zoals bedoeld in artikel 3, 52bis, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;

19° secundair onderwijs : het gewoon voltijds secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

20° structuuronderdeel : onderverdeling in het onderwijsaanbod die afzonderlijk erkend kan worden;

21° volwassenenonderwijs : onderwijs dat erkend en gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap en dat georganiseerd wordt door de erkende centra voor volwassenenonderwijs en de erkende centra voor basiseducatie, vermeld in het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;

[22° leeftijdsgrens : na het einde van het jaar waarin een personeelslid de leeftijd van 65 heeft bereikt.]²

[ ]¹ B.Vl.R. 17-12-2010; [ ]² Decr. 21-12-2012; [ ]³ B.Vl.R. 28-10-2016

DEEL II. - WAARBORGEN VOOR KWALITEITSVOL ONDERWIJS EN KWALITEITSVOLLE LEERLINGENBEGELEIDING

TITEL I. - Algemene bepalingen

Art. 3.

Dit deel is, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstellingen van het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs en op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding en op de pedagogische begeleidingsdiensten.

TITEL II. - Onderwijsinstellingen en CLB's

HOOFDSTUK I. - Rol van de instellingen

Art. 4.

§ 1. Elke onderwijsinstelling is, rekening houdend met haar pedagogisch of agogisch project, ervoor verantwoordelijk kwaliteitsonderwijs te verstrekken en het geboden onderwijs kwaliteitsvol te ondersteunen.

Elk CLB is, rekening houdend met de eigen missie en het eigen begeleidingsproject, ervoor verantwoordelijk een kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding te verstrekken en de schoolinterne leerlingenbegeleiding te ondersteunen en te helpen optimaliseren.

§ 2. Het verstrekken van kwaliteitsonderwijs, zoals vermeld in § 1, eerste lid, houdt minimaal in dat de onderwijsinstelling de onderwijsreglementering respecteert.

Het verstrekken van kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding, zoals vermeld in § 1, tweede lid, houdt minimaal in dat het CLB de CLB-reglementering respecteert.

Art. 5.

De realisatie van het in artikel 4 bepaalde, veronderstelt dat de instelling beschikt over het beleidsvoerend vermogen dat haar in staat stelt om zelfstandig een kwaliteitsvol beleid te voeren. Dat zelfstandige beleid respecteert de beleidscontext die door de overheid wordt vastgelegd in de regelgeving.

Art. 6.

Elke instelling onderzoekt en bewaakt op systematische wijze haar eigen kwaliteit. De instelling kiest zelf de wijze waarop zij dit doet.

HOOFDSTUK II. - Ondersteuning van de kwaliteit

Afdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 7.

Dit hoofdstuk is, met uitzondering van afdeling II, niet van toepassing op de basiseducatie en de Centra voor Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 44 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

Afdeling II. - Nascholingsmiddelen voor de instellingen

Art. 8.

Elke instelling stelt jaarlijks een nascholingsplan op. Dat nascholingsplan bevat op een samenhangende wijze alle vormingsinspanningen die erop gericht zijn de kennis, vaardigheden en attitudes van de personeelsleden van de instelling te ontwikkelen, te verbreden of te verdiepen en begeleidingsinitiatieven die gericht zijn op organisatieontwikkeling.

Het nascholingsplan wordt goedgekeurd door ofwel het lokaal comité ofwel, bij ontstentenis hiervan, door de algemene personeelsvergadering.

Onder lokaal comité wordt verstaan : het voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokale overlegorgaan of onderhandelingsorgaan.

Art. 9.

§ 1. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar nascholingsmiddelen ter beschikking van de instellingen om het nascholingsplan uit te voeren.

§ 2. [De nascholingsmiddelen per niveau bedragen voor het begrotingsjaar 2015 :

1° voor het basisonderwijs: 4.007.000 euro;

2° voor het secundair onderwijs: 6.335.000 euro;

3° voor het volwassenenonderwijs, met uitzondering van de basiseducatie: 418.000 euro;

4° voor het deeltijds kunstonderwijs: 255.000 euro;

5° voor de CLB's: 178.000 euro;

6° voor de basiseducatie: 28.000 euro.

Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.]

§ 3. Het aandeel in de middelen waarop elke instelling recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aantal organieke betrekkingen in de instelling op 1 februari van het voorafgaande begrotingsjaar, rekening houdend met het niveau waarvoor de middelen, vermeld in § 2, bestemd zijn.

In afwijking van het eerste lid worden voor de centra voor basiseducatie de middelen pro rata verdeeld op basis van het aantal contractuelen Departement Onderwijs en Vorming, uitgedrukt in voltijdse equivalenten.

Decr. 19-12-2014

Art. 10.

De nascholingsmiddelen worden in twee schijven aan de besturen van de instellingen uitbetaald. De eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar, de tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar.

Elk bestuur wendt de middelen uitsluitend aan voor de nascholing van de personeelsleden van de instelling die recht heeft op de nascholingsmiddelen, en dit overeenkomstig het goedgekeurde nascholingsplan.

Er kan een reserve worden opgebouwd ten bedrage van maximaal 50 % van de jaarlijkse middelen.

Art. 11.

Nascholingsmiddelen die niet tijdig aangewend worden, moeten onmiddellijk worden terugbetaald.

Bij afwending van de middelen kan de Vlaamse Regering een administratieve geldboete opleggen van ten hoogste het vijfvoud van de afgewende nascholingsmiddelen. De geldboete kan in mindering worden gebracht van de nog aan het bestuur verschuldigde middelen, met inbegrip van de werkingsmiddelen of -toelagen.

Een terugvordering of inhouding van de nascholingsmiddelen kan er niet toe leiden dat het gedeelte van de werkingsmiddelen voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.

Afdeling III. - Nascholing op initiatief van de Vlaamse Regering

Art. 12.

§ 1. [De Vlaamse Regering stelt voor scholen, centra, internaten en instellingen beleidsprioriteiten vast voor de nascholingsinitiatieven die noodzakelijk zijn om de implementatie van onderwijshervormingen te ondersteunen. Ze bepaalt eveneens de doelgroepen die kunnen deelnemen aan deze nascholingsinitiatieven.]²

Ze bepaalt de wijze waarop die beleidsprioriteiten worden vastgesteld. Deze beleidsprioriteiten worden meegedeeld aan het Vlaams Parlement.

§ 2. De Vlaamse Gemeenschap stelt elk jaar een bedrag ter beschikking voor deze nascholingsinitiatieven.

[Voor het begrotingsjaar [[2015]] is dit bedrag gelijk aan [[614.000]] euro. Vanaf het begrotingsjaar [[2016]] wordt dit bedrag aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.]¹

§ 3. De Vlaamse Regering wijst de uitvoering van de nascholingsinitiatieven projectmatig toe aan nascholingsorganisaties volgens de regels die ze zelf vaststelt.

[ ]¹ Decr. 18-12-2009; [ ]² Decr. 25-4-2014;[[ ]] Decr. 19-12-2014

[Afdeling IV. - Databank Beleidsinformatie Onderwijs en Vorming

Art. 12/1.

Deze afdeling is ook van toepassing op de universiteiten en hogescholen.

Art. 12/2.

De Vlaamse Regering regelt de uitbouw en het beheer van een databank Beleidsinformatie Onderwijs en Vorming, met informatie rond onderwijs en vorming in Vlaanderen.

Die databank heeft de volgende doelstellingen :

1° het ondersteunen van de voorbereiding en evaluatie van het Vlaamse onderwijsbeleid;

2° het ondersteunen van het beleidsvoerend vermogen en de interne en externe kwaliteitszorg van en over de onderwijsinstellingen door een aanbod van informatierijke omgevingen;

3° het aanleveren van data voor wetenschappelijk onderzoek rond onderwijs en vorming;

4° het beantwoorden van informatievragen van derden rond onderwijs en vorming;

5° het genereren van officiële onderwijsstatistieken voor historische en beleidsdoeleinden.

Om de doelstellingen, vermeld in het eerste lid, te bereiken, worden in de databank Beleidsinformatie Onderwijs en Vorming de volgende categorieën van gegevens verzameld over het Vlaamse onderwijsbeleid :

1° gegevens over de instroom, doorstroom en uitstroom van lerenden, hun socio-economische situatie en hun prestaties, met inbegrip van hun identificatiegegevens, financiële bijzonderheden, persoonlijke kenmerken, gezinssamenstelling, opleiding en vorming, beroep en betrekking;

2° gegevens over de instroom, doorstroom en uitstroom van personeelsleden en hun prestaties, met inbegrip van hun identificatiegegevens, financiële bijzonderheden, persoonlijke kenmerken, gezinssamenstelling, opleiding en vorming, beroep en betrekking;

3° gegevens over de werking en organisatie van de instellingen.

De entiteiten van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming en de onderwijsinspectie verstrekken daarvoor de voor het Vlaamse onderwijsbeleid noodzakelijke gegevens waarover ze beschikken, op voorwaarde van machtiging van de mededeling van persoonsgegevens op basis van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens of van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer. De entiteit die door de Vlaamse Regering wordt belast met de voorbereiding van het Vlaamse onderwijsbeleid is verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens.

De gecodeerde persoonsgegevens kunnen onder contractuele voorwaarden ook doorgegeven worden met het oog op wetenschappelijk onderzoek.

Met het oog op statistische verwerkingen die de tijdsevolutie van het onderwijs in Vlaanderen weergeven, worden een aantal gegevens permanent bewaard, maar gegevens die niet langer nuttig zijn voor de doeleinden worden verwijderd.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden voor de raadpleging, het gebruik en de verkrijging van de verwerkte gegevens bepalen. Ze kan ook de algemene organisatorische en technische maatregelen bepalen die genomen moeten worden om de kwaliteit, de vertrouwelijkheid en de veiligheid van de gegevens te garanderen.]

Decr. 19-6-2015

TITEL III. - De pedagogische ondersteuning

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 13.

Deze titel is niet van toepassing op de basiseducatie en de Centra voor Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 44 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

HOOFDSTUK II. - Oprichting en kerntaken van de pedagogische begeleidingsdiensten

Art. 14.

§ 1. De pedagogische begeleidingsdiensten worden georganiseerd door verenigingen zonder winstoogmerk die zijn opgericht door de onderwijskoepels.

Per onderwijskoepel kan één pedagogische begeleidingsdienst in de toelageregeling worden opgenomen.

§ 2. Met behoud van de toepassing van artikel 33, § 1, 6°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs wordt in het gemeenschapsonderwijs door de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, op voorstel van de afgevaardigd bestuurder, een pedagogische begeleidingsdienst opgericht.

§ 3. Instellingen die geen deel uitmaken van een onderwijskoepel of van het gemeenschapsonderwijs, kunnen zich voor de taken beschreven in artikel 15, met uitzondering van artikel 15, § 1, 1°, contractueel laten begeleiden door één pedagogische begeleidingsdienst.

Gesubsidieerde instellingen die wel deel uitmaken van een onderwijskoepel kunnen zich voor de taken beschreven in artikel 15, met uitzondering van artikel 15, § 1, 1°, contractueel laten begeleiden door één andere pedagogische begeleidingsdienst dan deze georganiseerd door de eigen onderwijskoepel.

Art. 15.

§ 1. De pedagogische begeleidingsdiensten hebben de volgende opdrachten :

1° de onderwijsinstellingen in kwestie ondersteunen bij de realisatie van hun eigen pedagogisch of agogisch project en de CLB's in kwestie ondersteunen bij de realisatie van hun eigen missie en hun eigen begeleidingsproject;

2° de onderwijsinstellingen en de CLB's in kwestie ondersteunen bij het bevorderen van hun onderwijskwaliteit, respectievelijk de kwaliteit van hun leerlingenbegeleiding en bij hun ontwikkeling tot professionele lerende organisatie door :

a) netwerkvorming te bevorderen en netwerken te ondersteunen;

b) leidinggevenden te ondersteunen of te vormen;

c) [de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden te ondersteunen binnen een school of centrum en instellingsoverstijgend met bijzondere aandacht voor beginnende personeelsleden, personeelsleden met specifieke opdrachten. Daarnaast dient prioritair aandacht besteed te worden aan de competenties in het kader van het onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften;]

d) het beleidsvoerend vermogen van instellingen te versterken;

e) de kwaliteitszorg van instellingen te ondersteunen;

3° op verzoek van het bestuur van de instelling de instelling ondersteunen en begeleiden bij de uitwerking van de aangegeven actiepunten na een doorlichting;

4° onderwijsinnovaties aanreiken, stimuleren en ondersteunen;

5° aanbodgerichte nascholingsactiviteiten aanreiken en aansturen met inbegrip van de nascholing van directies;

6° met verscheidene onderwijsactoren op verschillende niveaus overleggen over onderwijskwaliteit en de kwaliteit van de leerlingenbegeleiding;

7° participeren aan de aansturing of opvolging van ondersteuningsinitiatieven georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Regering die als doelstelling het ondersteunen van instellingen, leerkrachten of begeleiders hebben.

§ 2. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt driejaarlijks een begeleidingsplan op voor de volgende drie schooljaren. De pedagogische begeleidingsdienst deelt dat begeleidingsplan mee aan de instellingen en aan de Vlaamse Regering.

Jaarlijks rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het vorige schooljaar, met inbegrip van een financiële verantwoording over de ontvangen werkingsmiddelen.

§ 3. Iedere pedagogische begeleidingsdienst stelt een werkingscode op en maakt die bekend bij de instellingen en hun personeelsleden.

§ 4. Elke pedagogische begeleidingsdienst onderzoekt en bewaakt op systematische wijze haar eigen kwaliteit. De pedagogische begeleidingsdienst kiest zelf de wijze waarop zij dit doet.

Decr. 25-4-2014

HOOFDSTUK III. - Omkadering en werkingsmiddelen

Afdeling I. - Personeelsformatie

Art. 16.

§ 1. De personeelsformatie van de pedagogische begeleidingsdiensten wordt per schooljaar vastgesteld, afzonderlijk voor :

1° het basisonderwijs;

2° het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs samen;

3° de CLB's.

§ 2. [Per 350 organieke betrekkingen in een van de niveaus, vermeld in § 1, heeft een pedagogische begeleidingsdienst recht op een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur.

Per pedagogische begeleidingsdienst die overeenkomstig het eerste lid over een personeelsformatie beschikt, wordt in een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur voor de centra voor leerlingenbegeleiding voorzien.]²

§ 3. De berekening gebeurt op basis van het aantal organieke betrekkingen, vastgesteld op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de onderwijsinstellingen en CLB's die verbonden zijn aan de pedagogische begeleidingsdienst.

§ 4. Als een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft op twintig halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur, kunnen twee halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur worden omgezet in één voltijdse of twee halftijdse betrekkingen van adviseur-coördinator. [Per aanvullende schijf van 35 halftijdse betrekkingen van pedagogisch adviseur waarop een pedagogische begeleidingsdienst recht heeft, kan een halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur worden omgezet in één bijkomende halftijdse betrekking van adviseur-coördinator.]¹

Een pedagogische begeleidingsdienst die recht heeft op minder dan twintig halftijdse betrekkingen, heeft het recht om één halftijdse betrekking van pedagogisch adviseur om te zetten in één halftijdse betrekking van adviseur-coördinator.

§ 5. Maximaal 85 % van de vastgestelde personeelsformatie van elke pedagogische begeleidingsdienst kan worden ingenomen door personeelsleden die vastbenoemd zijn in een betrekking van pedagogisch adviseur of adviseur-coördinator.

§ 6. Binnen iedere pedagogische begeleidingsdienst kan, met het oog op de uitoefening van bestuurlijke en organisatorische taken ten behoeve van deze pedagogische begeleidingsdienst, aan maximum drie voltijdse of zes halftijdse vastbenoemde pedagogische adviseurs een verlof wegens opdracht worden toegekend, zoals vermeld in artikel 51quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 3, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs.

[ ]¹ Decr. 9-7-2010; [ ]² Decr. 19-6-2015

[§ 7. De pedagogische begeleidingsdienst die op 1 februari 2015 voor het eerst 350 of meer organieke betrekkingen telt in een van de niveaus, vermeld in § 1, zal voor het schooljaar 2015-2016 en voor het schooljaar 2016-2017 niet over een personeelsformatie beschikken.]

Decr. 17-6-2016

Afdeling II. - Verloven wegens bijzondere opdracht

Art. 17.

§ 1. De pedagogische begeleidingsdiensten kunnen beschikken over een aantal personeelsleden uit de instellingen aan wie een verlof wegens bijzondere opdracht, zoals vermeld in artikel 51quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of artikel 77quater, § 2, 1°, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, is toegekend.

Dat verlof wegens bijzondere opdracht kan worden uitgeoefend in 150,5 voltijdse betrekkingen.

§ 2. De betrekkingen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aandeel in de organieke betrekkingen in de instellingen die verbonden zijn aan de pedagogische begeleidingsdiensten. Voor de verdeling van de verloven, vermeld in § 1, worden de organieke betrekkingen van de instellingen die verbonden zijn aan de pedagogische begeleidingsdiensten die niet beschikken over een personeelsformatie, samengeteld.

Afdeling III. - Werkingsmiddelen

Art. 18.

§ 1. De werkingsmiddelen van de pedagogische begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsformatie als vermeld in artikel 16, worden berekend als volgt :

1° het aantal halftijdse adviseurs of adviseurs-coördinatoren wordt vermenigvuldigd met een forfaitair bedrag van [1.864,26 euro];

2° het aantal punten wordt vermenigvuldigd met een forfaitair bedrag van [5.734,08 euro] per punt.

De berekening van het aantal punten per pedagogische begeleidingsdienst gebeurt als volgt :

- een eerste schijf van 20 halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met een factor 2;

- een tweede schijf van 15 halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met een factor 1,6;

- een derde schijf van 15 halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met een factor 1,3;

- een laatste schijf met het resterende aantal halftijdse betrekkingen wordt vermenigvuldigd met 1.

§ 2. De pedagogische begeleidingsdiensten die geen personeelsformatie hebben als vermeld in artikel 16, ontvangen een forfaitaire toelage van [139,76 euro] per organieke betrekking in het basis- en secundair onderwijs.

Decr. 13-7-2012

Art. 19.

De pedagogische begeleidingsdiensten ontvangen jaarlijks 84.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen voor de ondersteuning van het gelijkeonderwijskansenbeleid. De aanvullende werkingsmiddelen worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in het basis- en secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.

Art. 20.

Om nascholings- en begeleidingsactiviteiten te organiseren voor de eigen personeelsleden en voor de personeelsleden van de door hen begeleide instellingen ontvangen de pedagogische begeleidingsdiensten jaarlijks een bedrag van [1.221.000 euro].

[...]

De middelen [...] worden verdeeld over de pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen.

Decr. 19-12-2014

Art. 21.

[...]

Decr. 19-12-2014

[Art. 21/1.

[[De pedagogische begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsformatie als vermeld in artikel 16, ontvangen jaarlijks 5.731.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen.

De werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over deze pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de instellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst.]] ]

Decr. 19-12-2014; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Art. 22.

De bedragen [vermeld in de artikelen 18 en 19]³ in deze afdeling hebben betrekking op het begrotingsjaar [2012]¹. Vanaf het begrotingsjaar [2014]² worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.

[De bedragen vermeld in de artikelen 20 en 21/1 in deze afdeling hebben betrekking op het begrotingsjaar 2015. Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.]³

[ ]¹ Decr. 1-6-2012; [ ]² Decr. 21-12-2012; [ ]³ Decr. 19-12-2014

Art. 23.

De werkingsmiddelen, vermeld in deze afdeling, worden uitbetaald in twee schijven. Een eerste schijf van zestig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand februari van het betreffende begrotingsjaar, een tweede schijf van veertig procent wordt uitbetaald voor het einde van de maand juni van het betreffende begrotingsjaar.

Er kan een reserve worden opgebouwd ten bedrage van maximaal 25 % van de jaarlijkse middelen.

Art. 24.

Werkingsmiddelen die niet tijdig aangewend worden, moeten onmiddellijk worden terugbetaald.

Bij afwending van de middelen kan de Vlaamse Regering een administratieve geldboete opleggen van ten hoogste het vijfvoud van de afgewende werkingsmiddelen. De geldboete kan in mindering worden gebracht van de nog aan het bestuur verschuldigde middelen, met inbegrip van andere werkingsmiddelen of -toelagen.

Een terugvordering of inhouding van de werkingsmiddelen kan er niet toe leiden dat het gedeelte van de werkingsmiddelen voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn.

HOOFDSTUK IV. - Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten

Art. 25 en 26.

[...]

Decr. 19-12-2014

HOOFDSTUK V. - Tijdelijke subsidies

Art. 27.

[...]

Decr. 20-12-2013

[HOOFDSTUK V/1. - Extra ondersteuning voor de Nederlandstalige scholen gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad

Art. 27/1.

Binnen de door de Vlaamse Gemeenschap vastgelegde begrotingskredieten wordt jaarlijks in een krediet voorzien van 609.000 euro voor de werkingskosten van de entiteit Onderwijscentrum Brussel van de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de uitvoering van volgende opdrachten ten aanzien van de scholen en de centra van het basisonderwijs en secundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap en gelegen zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad :

1° het taalvaardigheidsonderwijs van het Nederlands en het talenbeleid verbreden en verdiepen;

2° de toepassing van het Brede Schoolconcept ondersteunen.

Art. 27/2.

De pedagogische begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsformatie als vermeld in artikel 16, ontvangen jaarlijks 609.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen voor de uitvoering van volgende opdrachten :

1° de competentieontwikkeling ondersteunen voor de implementatie van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in een hoofdstedelijke context ten aanzien van de scholen van het basisonderwijs en secundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap en gelegen zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;

2° een transfer voorzien van de inzichten opgedaan onder 1° naar het Vlaamse onderwijs en de ontsluiting van de kennis op het gebied van taalvaardigheidsonderwijs met prioriteit naar de scholen van de Vlaamse Rand realiseren.

De pedagogische begeleidingsdiensten werken nauw samen met het Onderwijscentrum Brussel van de Vlaamse Gemeenschapscommissie teneinde deze opdrachten te kunnen vervullen. Een protocol tussen deze actoren teneinde vorm te geven aan deze samenwerking wordt afgesloten. In hun regulier werkingsverslag/jaarverslag rapporteren de pedagogische begeleidingsdiensten en het Onderwijscentrum Brussel van de Vlaamse Gemeenschapscommissie op welke wijze invulling wordt gegeven aan de opdrachten, welke goede voorbeelden evenals andere multiplicatoreffecten gerealiseerd werden.

De werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over deze pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in [de scholen en de centra van het basisonderwijs en secundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap en gelegen zijn in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en die zij begeleiden].

Decr. 17-6-2016

Art. 27/3.

De bedragen vermeld in dit hoofdstuk hebben betrekking op begrotingsjaar 2015. Vanaf begrotingsjaar 2016 worden deze bedragen aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex.]

Decr. 19-6-2015

HOOFDSTUK VI. - Extra ondersteuning in het volwassenenonderwijs

Art. 28.

§ 1. Binnen de door de Vlaamse Gemeenschap vastgelegde begrotingskredieten wordt jaarlijks in een krediet [...]¹ voorzien voor de uitvoering van de volgende opdrachten :

1°[de begeleiding van de centra voor volwassenenonderwijs :

a) ondersteunen bij de realisatie van hun eigen agogisch project;

b) ondersteunen bij het bevorderen van hun onderwijskwaliteit en bij hun ontwikkeling tot professionele lerende organisatie door :

1) netwerkvorming te bevorderen en netwerken te ondersteunen;

2) leidinggevenden te ondersteunen of te vormen;

3) de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden te ondersteunen binnen een centrum en centrumoverstijgend met bijzondere aandacht voor beginnende personeelsleden, personeelsleden met specifieke opdrachten;

4) het beleidsvoerend vermogen van centra te versterken;

5) de kwaliteitszorg van centra te ondersteunen;

c) op verzoek van het centrumbestuur het centrum ondersteunen en begeleiden bij de uitwerking van de aangegeven actiepunten na een doorlichting;

d) onderwijsinnovaties aanreiken, stimuleren en ondersteunen;

e) aanbodgerichte nascholingsactiviteiten aanreiken en aansturen met inbegrip van de nascholing van directies;

f) met verscheidene onderwijsactoren op verschillende niveaus overleggen over onderwijskwaliteit;

g) participeren aan de aansturing of opvolging van ondersteuningsinitiatieven georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Regering die als doelstelling het ondersteunen van centra of hun leerkrachten of begeleiders hebben;]³

2° de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 49 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, samen met het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs.

[§ 1/1. [[Vanaf het begrotingsjaar 2015 bedraagt het krediet, vermeld in paragraaf 1, 522.000 euro.]]¹ ]¹

§ 2. [Het krediet dat wordt vastgelegd vanaf 2015, vermeld in paragraaf 1/1, volgt vanaf 2015 de evolutie van de gezondheidsindex. Het wordt ter beschikking gesteld van de afzonderlijke begeleidingsdiensten [[die beschikken over een personeelsformatie als vermeld in artikel 16]]² en verdeeld naar rato van de organieke betrekkingen in de centra voor volwassenenonderwijs.

In afwijking van het eerste lid, wordt het krediet, vermeld in paragraaf 1/1, voor het begrotingsjaar 2015 niet aangepast aan de evolutie van de index.]²

§ 3. [Het krediet, vermeld in paragraaf 1, wordt alleen ter beschikking gesteld als :

1° driejaarlijks een beleidsplan wordt opgesteld, waarin de uitvoering van de opdracht, vermeld in paragraaf 1, verduidelijkt wordt en dit beleidsplan toegevoegd wordt aan het begeleidingsplan, vermeld in artikel 15, § 2, eerste lid;

2° jaarlijks een activiteitenverslag en een financieel rapport worden opgesteld en worden toegevoegd aan het activiteitenverslag met inbegrip van een financiële verantwoording, vermeld in artikel 15, § 2, tweede lid.]4

§ 4. [...]4

De toekenning van de middelen, vermeld in § 1, wordt afhankelijk gesteld van de goedkeuring van de samenwerkingsovereenkomst door de Vlaamse Regering.

§ 5. De middelen, zoals vermeld in § 1 kunnen teruggevorderd worden, als blijkt dat ze niet worden aangewend voor de realisatie van de opdrachten, vermeld in § 1 en in artikel 49 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

[ ]¹ Decr. 18-12-2009; [ ]² Decr. 19-12-2014; [ ]³ Decr. 19-6-2015; [ ]4 Decr. 17-6-2016; [[ ]]¹ Decr. 19-12-2014; [[ ]]² Decr. 19-6-2015

[§ 6. [[...]] ]

Decr. 21-12-2012; [[ ]] Decr. 19-12-2014

HOOFDSTUK VII. - Permanente ondersteuningscellen in de CLB's

Art. 29.

§ 1. De permanente ondersteuningscellen vermeld in artikel 89 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding hebben als opdracht om de professionalisering van de personeelsleden van de CLB's te versterken. Zij maken hierover afspraken met de pedagogische begeleidingsdienst van het eigen centrumnet.

§ 2. Iedere permanente ondersteuningscel stelt driejaarlijks een begeleidingsplan op voor de volgende drie schooljaren. De permanente ondersteuningscel deelt dat begeleidingsplan mee aan de CLB's en aan de Vlaamse Regering. Jaarlijks rapporteren de permanente ondersteuningscellen aan de Vlaamse Regering over de activiteiten van het vorige schooljaar, met inbegrip van een financiële verantwoording over de ontvangen werkingsmiddelen.

§ 3. Iedere permanente ondersteuningscel stelt een werkingscode op en maakt die bekend bij de CLB's en hun personeelsleden.

§ 4. Iedere permanente ondersteuningscel onderzoekt en bewaakt op systematische wijze haar eigen kwaliteit. De permanente ondersteuningscel kiest zelf de wijze waarop zij dit doet.

§ 5. Het begeleidingsplan, de jaarlijkse rapportering en de werkingscode kunnen geïntegreerd worden in de documenten vermeld in artikel 15, § 2 en § 3.

HOOFDSTUK VIII. - [Evaluatie van de werking van de pedagogische begeleidingsdiensten en de permanente ondersteuningscellen]

Decr. 19-12-2014

Art. 30.

Ten minste eenmaal om de zes jaar, en voor het eerst tijdens [het schooljaar 2012-2013]¹, wordt de werking geëvalueerd van de pedagogische begeleidingsdiensten [en de permanente ondersteuningscellen]³. De evaluaties worden uitgevoerd door een door de Vlaamse Regering samengestelde commissie.

[De Vlaamse Regering richt de commissie op en bepaalt de wijze waarop de leden van de commissie worden vergoed.]²

De commissie bestaat uit vertegenwoordigers van de academische wereld, vertegenwoordigers van de instellingen en ambtenaren van het Ministerie van Onderwijs en Vorming. De commissie wordt aangevuld met externe leden, deskundig op het vlak van kwaliteitszorg. De vertegenwoordigers van de academische wereld en de vertegenwoordigers van de instellingen worden aangeduid op voorstel van de Vlaamse Onderwijsraad.

De Vlaamse Regering stelt voor de commissie een werkingsprotocol op en maakt die bekend aan de pedagogische begeleidingsdiensten, de permanente ondersteuningscellen, in voorkomend geval het samenwerkingsverband en hun personeelsleden. Dit protocol bevat ten minste het beoordelingskader, de deontologische regels die gelden voor de leden van de commissie, de wijze van verslaggeving en de wijze waarop de personeelsleden van de instellingen zullen worden betrokken.

De conclusies van de evaluatie worden meegedeeld aan het Vlaams Parlement.

De permanente ondersteuningscellen, de pedagogische begeleidingsdiensten en in voorkomend geval het samenwerkingsverband geven gevolg aan de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling in het beleid van hun organisatie.

[ ]¹ Decr. 1-7-2011; [ ]² Decr. 21-12-2012; [ ]³ Decr. 19-12-2014

TITEL IV. - Inspectie

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 31.

Deze titel is niet van toepassing op :

1° de specifieke lerarenopleidingen in het volwassenenonderwijs;

2° het hoger beroepsonderwijs.

[Art. 31/1.

In titel IV wordt verstaan onder kalenderdag : elke dag van het jaar, uitgezonderd de dagen tijdens de herfst-, de kerst-, de krokus-, de paas- en de zomervakantie.]

Decr. 19-6-2015

HOOFDSTUK II. - Opdrachten en bevoegdheden van de inspectie

Afdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 32.

De inspectie oefent volgende opdrachten uit :

1° het verlenen van advies bij de opname van instellingen in de erkenning;

2° het uitvoeren van doorlichtingen van instellingen;

3° alle andere opdrachten die haar worden toegekend bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering.

Art. 33.

De inspectie is niet bevoegd voor de controle op de invulling van het pedagogisch of agogisch project, noch voor de controle op de gebruikte pedagogische, agogische, artistieke of begeleidingsmethoden. Ze is evenmin bevoegd voor het toezicht op het onderwijs in de levensbeschouwelijke vakken.

De inspectie oefent haar opdrachten uit op zodanige wijze dat de gelijke behandeling van de instellingen gegarandeerd wordt.

De inspectie oefent haar opdrachten uit op zodanige wijze dat de instellingen niet meer worden belast dan voor een zorgvuldige uitoefening van het toezicht noodzakelijk is. Daarbij waakt zij erover bij de instellingen alleen gegevens of documenten op te vragen die met het oog op het toezicht noodzakelijke informatie bevatten.

De Vlaamse Regering stelt voor de inspectie een werkingscode op en maakt die bekend bij de instellingen en hun personeelsleden.

Art. 34.

De Vlaamse Regering bezorgt aan het Vlaams Parlement jaarlijks een verslag van de inspectie. Dit verslag is gebaseerd op de werkzaamheden van de inspectie en behandelt een of meer kwaliteitsaspecten van onderwijs.

Afdeling II. - Advies bij opname in de erkenning

Art. 35.

Bij iedere aanvraag tot erkenning van een nieuwe instelling of een structuuronderdeel ervan geeft de inspectie een advies waaruit blijkt of de erkenningsvoorwaarden vervuld zijn.

De inspectie stelt na de indiening van de aanvraag ter plaatse een onderzoek in naar het vervullen van de erkenningsvoorwaarden. Na het onderzoek bezorgt de onderwijsinspectie een rapport, met een advies over de erkenning, aan de Vlaamse Regering. Dat rapport moet uiterlijk zes maanden na de aanvraag tot erkenning bekendgemaakt worden, zo niet wordt het advies geacht gunstig te zijn.

De Vlaamse Regering bepaalt de verdere procedure voor de erkenning. Die procedure waarborgt de rechten van de verdediging en voorziet in een mogelijkheid tot beroep.

[Afdeling IIbis. - [[Ingebruikname van nieuwe vestigingsplaatsen door al erkende instellingen in het basis- en secundair onderwijs]]

Art. 35bis.

[[§ 1. Een instelling die een nieuwe, al dan niet tijdelijke, vestigingsplaats als vermeld in artikel 3, 56°, en artikel 108 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, in gebruik wil nemen, doet hiervan melding bij de bevoegde dienst, aangewezen door de Vlaamse Regering.

De melding, vermeld in het eerste lid, wordt uiterlijk op het tijdstip van ingebruikname ingediend bij de bevoegde dienst, aangewezen door de Vlaamse Regering. In de melding wordt verklaard dat :

1° de vestigingsplaats beantwoordt aan de voorwaarden betreffende hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid zoals is bepaald in artikel 62, § 1, 2°, van het decreet basisonderwijs;

2° de instelling, indien zij een vestigingsplaats in gebruik neemt waar een andere instelling gevestigd is of voordien was, kennis heeft van aanbevelingen of tekorten die de onderwijsinspectie in het meest recente doorlichtingsverslag heeft geformuleerd met betrekking tot de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne van de betreffende gebouwen. De instelling vermeldt in dat geval eveneens of het advies van de onderwijsinspectie met betrekking tot de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne van de nieuwe vestigingsplaats gunstig, beperkt gunstig of ongunstig was.

§ 2. De Vlaamse Regering, legt het model van het meldingsformulier vast. De melding wordt digitaal ingediend.]]

Art. 35ter.

[[§ 1. Een instelling die een nieuwe vestigingsplaats als vermeld in de artikelen 14, § 4, en 15, § 4, van de Codex Secundair Onderwijs, respectievelijk de artikelen 10, § 4, 11, § 4, en 19, § 1/1, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, in gebruik wil nemen, doet hiervan melding bij de bevoegde dienst, aangewezen door de Vlaamse Regering.

De melding, vermeld in het eerste lid, wordt uiterlijk op het tijdstip van de ingebruikname ingediend bij de bevoegde dienst, aangewezen door de Vlaamse Regering. In de melding wordt verklaard dat :

1° de vestigingsplaats beantwoordt aan de voorwaarden betreffende hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid zoals bepaald is in dezelfde codex, respectievelijk hetzelfde decreet;

2° de instelling, indien zij een vestigingsplaats in gebruik neemt waar een andere instelling gevestigd is of voordien was, kennis heeft van aanbevelingen of tekorten die de onderwijsinspectie in het meest recente doorlichtingsverslag heeft geformuleerd met betrekking tot de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne van de betreffende gebouwen. De instelling vermeldt in dat geval eveneens of het advies van de onderwijsinspectie met betrekking tot de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne van de nieuwe vestigingsplaats gunstig, beperkt gunstig of ongunstig was.

§ 2. De Vlaamse Regering legt het model van het meldingsformulier vast. De melding wordt digitaal ingediend.]]

Art. 35quater.

[[...]] ]

Decr. 21-12-2012; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Afdeling III. - Doorlichtingen

Art. 36.

Iedere instelling komt binnen een periode van tien jaar minimaal een keer aan bod om te worden doorgelicht.

Art. 37.

Een doorlichting wordt uitgevoerd door een doorlichtingsteam dat bestaat uit ten minste twee inspecteurs. Het doorlichtingsteam kan worden uitgebreid met een of meer externe deskundigen.

De inspectie motiveert de deelname van die deskundigen aan het doorlichtingsteam en stelt de instelling hiervan vooraf in kennis.

De externe deskundige die deelneemt aan een doorlichting, is volwaardig lid van het doorlichtingsteam. Hij participeert in de voorbereiding, de feitelijke doorlichting en de verslaggeving. Hij is eveneens gehouden aan de werkingscode, vermeld in artikel 33, vierde lid.

De externe deskundige ontvangt voor zijn prestaties een vergoeding, zoals vastgelegd door de Vlaamse Regering.

Art. 38.

§ 1. Tijdens een doorlichting van een onderwijsinstelling gaat de inspectie na of de onderwijstelling de onderwijsreglementering respecteert en of de onderwijsinstelling op systematische wijze haar eigen kwaliteit onderzoekt en bewaakt.

Tijdens een doorlichting van een CLB gaat de inspectie na of het CLB de CLB-reglementering respecteert en of het CLB op systematische wijze haar eigen kwaliteit onderzoekt en bewaakt.

De inspectie onderzoekt daarbij ook de opdrachten die de instelling eventueel heeft toegewezen aan de scholengemeenschap, de scholengroep of het consortium waartoe zij behoort. De scholengemeenschappen, scholengroepen of consortia zijn ertoe gehouden de inspectie alle informatie hierover te verstrekken.

Als de inspectie tijdens een doorlichting tekorten vaststelt, onderzoekt ze of de instelling deze tekorten al dan niet zelfstandig en zonder externe ondersteuning weg kan werken.

§ 2. De Vlaamse Regering expliciteert het referentiekader dat de inspectie hanteert bij de doorlichtingen en kan daarbij differentiëringen aanbrengen per onderwijsniveau of voor de CLB's. Het referentiekader is opgebouwd rond de componenten context, input, proces en output. De component proces wordt verder onderverdeeld in de domeinen algemeen beleid, personeelsbeleid, logistiek beleid en onderwijskundig beleid. De componenten en domeinen worden verder onderverdeeld in indicatoren en variabelen.

De kwaliteitsaspecten en de indicatoren en variabelen die er naar verwijzen, vinden hun legitimering in de regelgeving. Ze zijn niet normerend geformuleerd.

Het referentiekader verwijst op het niveau van indicatoren of variabelen in ieder geval naar de reglementaire verplichtingen van instellingen inzake de minimumdoelen, de erkenningsvoorwaarden en de financierings- en subsidiëringsvoorwaarden en naar de reglementaire verplichtingen van instellingen op het vlak van :

1° het beleid inzake gelijke onderwijskansen;

2° het zorgbeleid en de leerlingenbegeleiding;

3° het talenbeleid;

4° het beleid inzake de oriëntering van leerlingen;

5° het evaluatiebeleid met betrekking tot leerlingen en cursisten;

6° de beleidskeuzes die erop gericht zijn de personeelsleden optimaal in te zetten en te ondersteunen;

7° het nascholings- en professionaliseringsbeleid;

8° het beleid inzake participatie.

§ 3. De inspectie stelt op basis van het referentiekader, vermeld in § 2, de doorlichtingsinstrumenten vast en maakt die bekend.

§ 4. De inspectie baseert zich voor de bepaling van de frequentie en de intensiteit van de doorlichting op het profiel van de instelling dat tot stand komt op basis van :

1° een reeks vooraf vastgestelde en meegedeelde gegevens met betrekking tot de instelling. Die gegevens zijn te relateren aan elementen van het referentiekader, vermeld in § 2;

2° het vorige doorlichtingsverslag en, in voorkomend geval, de opvolgingsverslagen.

In afwijking van het eerste lid, kan de inspectie, naar aanleiding van ernstige klachten over een instelling, op vraag van de Vlaamse Regering een doorlichting uitvoeren.

§ 5. Het toezicht op de voorwaarden inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid van gebouwen en lokalen, vermeld in de reglementering, kan afzonderlijk van de doorlichting uitgevoerd worden. [De Vlaamse Regering bepaalt de verdere procedure.]

§ 6. De inspectie spreekt zich in haar oordeel nooit uit over de rol van het bestuur van de instelling, noch over individuele personeelsleden.

Decr. 19-7-2013

Art. 39.

§ 1. Elke doorlichting resulteert in een schriftelijk doorlichtingsverslag dat bestaat uit een beschrijvend gedeelte, een concluderend gedeelte en een advies aan de Vlaamse Regering.

Het doorlichtingsteam, met inbegrip van de deelnemende externe deskundigen, stelt in consensus het doorlichtingsverslag op.

§ 2. Het beschrijvende gedeelte van het doorlichtingsverslag vermeldt de vaststellingen die naar aanleiding van de doorlichting werden gedaan.

§ 3. Het concluderende gedeelte omvat de conclusies. In dat gedeelte wordt uitdrukkelijk vermeld in welke mate voldaan wordt aan de reglementaire bepalingen, vermeld in artikel 4, § 2, eerste lid, wat de onderwijsinstellingen betreft, en in artikel 4, § 2, tweede lid, wat de CLB's betreft en of de instelling op systematische wijze haar eigen kwaliteit onderzoekt en bewaakt.

§ 4. Het advies, dat betrekking heeft op de hele instelling of op een structuuronderdeel afzonderlijk, kan op drie manieren worden uitgebracht :

1° een gunstig advies : dat houdt in dat de verdere erkenning van de instelling of van structuuronderdelen gunstig wordt geadviseerd;

2° een beperkt gunstig advies : dat houdt in dat de erkenning van de instelling of van structuuronderdelen gunstig wordt geadviseerd als binnen een bepaalde periode voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in het advies;

3° een ongunstig advies : dat houdt in dat geadviseerd wordt om de procedure tot intrekking van de erkenning van de instelling of van structuuronderdelen op te starten.

Enkel bij een ongunstig advies geeft de inspectie aan of de instelling zonder of met externe ondersteuning de vastgestelde tekortkomingen zal kunnen remediëren. De inspectie houdt daarbij ook rekening met de opdrachten die zijn toegewezen aan de scholengemeenschap, de scholengroep of het consortium waartoe de instelling behoort.

Art. 40.

§ 1. Bij een beperkt gunstig advies volgt na de periode, vermeld in het advies, een opvolgingsdoorlichting. Tijdens die opvolgingsdoorlichting gaat de inspectie na of de vastgestelde tekortkomingen voldoende werden geremedieerd. De opvolgingsdoorlichting resulteert in een opvolgingsverslag dat bestaat uit een concluderend gedeelte en een advies.

§ 2. Het concluderende gedeelte omvat de conclusies van de opvolging.

§ 3. Het advies dat betrekking heeft op de hele instelling of op elk structuuronderdeel afzonderlijk kan op twee manieren worden uitgebracht :

1° een gunstig advies : dat houdt in dat de verdere erkenning van de instelling of van structuuronderdelen gunstig wordt geadviseerd;

2° een ongunstig advies : dat houdt in dat geadviseerd wordt om de procedure tot intrekking van de erkenning van de instelling of van structuuronderdelen op te starten.

§ 4. Als de inspectie tijdens een opvolgingsdoorlichting nieuwe tekortkomingen vaststelt, schrijft ze haar conclusies daarover in een aanvullend doorlichtingsverslag, waarop dezelfde procedure van toepassing is als de procedure, vermeld in artikel 39.

Art. 41.

§ 1. Bij een ongunstig advies wordt de procedure tot intrekking van de erkenning van de instelling of van een structuuronderdeel opgestart. De Vlaamse Regering brengt het bestuur van de instelling daarvan op de hoogte.

[Indien in het ongunstig advies zowel tekorten op het vlak van bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne, als andere tekorten vastgesteld worden, kan er een aparte procedure tot intrekking van de erkenning worden opgestart voor de eerstgenoemde tekorten, respectievelijk voor alle andere tekorten.]³

[§ 2. Het bestuur van de instelling kan binnen een termijn van zestig kalenderdagen na die mededeling de opschorting van de procedure tot intrekking van de erkenning aanvragen op basis van een door het bestuur van de instelling uitgewerkt verbeteringsplan.

De termijn van zestig kalenderdagen, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing voor tekorten die op de veiligheid, bewoonbaarheid en hygiëne slaan. De Vlaamse Regering deelt voor die tekorten de termijn mee in de mededeling, vermeld in paragraaf 1.

Indien de Vlaamse Regering een ingediend verbeteringsplan goedkeurt, op basis van de door de Vlaamse Regering vastgelegde criteria, dan deelt zij aan het bestuur van de instelling de termijn van opschorting van de procedure mee. Deze termijn bedraagt minimaal een jaar en maximaal drie jaren, te rekenen vanaf de datum van goedkeuring van het verbeteringsplan. In geval van toepassing van tekorten die op de veiligheid, bewoonbaarheid en hygiëne slaan, geldt er geen minimale termijn.

De Vlaamse Regering deelt binnen zestig kalenderdagen na het indienen van het verbeteringsplan, haar beslissing van goedkeuring aan het bestuur van de instelling mee. Indien de Vlaamse Regering deze termijn overschrijdt, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn en is de termijn van de opschorting van de intrekking van de erkenning deze die door het bestuur van de instelling werd voorgesteld in het verbeterplan.

§ 3. Een nieuwe doorlichting volgt :

1° binnen een termijn van negentig kalenderdagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 2, eerste of tweede lid, indien het bestuur van de instelling geen verbeteringsplan indiende;

2° binnen een termijn van negentig kalenderdagen na de betekening van de niet-goedkeuring van het verbeteringsplan door de Vlaamse Regering;

3° binnen een termijn van negentig kalenderdagen na de periode van opschorting van de procedure tot intrekking van de erkenning, vermeld in paragraaf 2, derde lid.

§ 4. De doorlichting, vermeld in § 3, wordt uitgevoerd door een door de Vlaamse Regering samengesteld paritair college van inspecteurs. Dat college bestaat voor de helft uit inspectieleden afkomstig uit het vrij onderwijs en voor de helft uit inspectieleden afkomstig uit het officieel onderwijs. De Vlaamse Regering kan aan dit paritair college een voorzitter toevoegen, die niet behoort tot de onderwijsinspectie.

Het paritair college kan een beroep doen op externe deskundigen. De externe deskundige neemt geen deel aan de deliberaties, zijn rapport komt onafhankelijk tot stand en wordt bij de eindbespreking van het paritair college ter bespreking voorgelegd.

Bij staking van stemmen bepaalt de inspecteur-generaal, het college gehoord, het advies.]²

§ 5. Na de doorlichting brengt het paritair college aan de Vlaamse Regering een definitief advies uit over de verdere erkenning van de instelling. Dat advies kan alleen betrekking hebben op de elementen die in het eerdere advies expliciet werden opgesomd.

Het advies, dat betrekking heeft op de hele instelling of op een of meer structuuronderdelen, kan op drie manieren worden uitgebracht :

1° een gunstig advies : dat houdt in dat de verdere erkenning van de instelling of van structuuronderdelen gunstig wordt geadviseerd;

2° een beperkt gunstig advies : dat houdt in dat de erkenning van de instelling of van structuuronderdelen gunstig wordt geadviseerd als binnen een bepaalde periode voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in het advies;

3° een advies tot definitieve intrekking van de erkenning. Als het advies alleen betrekking heeft op een structuuronderdeel en niet op het geheel van de instelling, geeft de inspectie in het advies aan welke tijdelijke beperking met betrekking tot het programmeren van bepaalde structuuronderdelen zij voor deze instelling aanbeveelt.

Het voorstel tot opheffing houdt een voorstel in inzake geleidelijkheid tenzij het voorstel tot opheffing betrekking heeft op de voorwaarde, vermeld in :

a) [de bepalingen betreffende de hygiëne en bewoonbaarheid van de lokalen]4;

b) [artikel 15, § 1, 2°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs;]¹

c) artikel 62, § 1, 2°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;

d) artikel 56, 3°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;

e) artikel 10, § 1, 2°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.

§ 6. In afwijking van § 4 en § 5 wordt de doorlichting uitgevoerd door een door de Vlaamse Regering samengesteld college van inspectieleden afkomstig uit het officieel onderwijs indien de doorlichting betrekking heeft op :

1° de voorwaarden vermeld in [artikel 15, § 1, 12°, van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]¹;

2° de voorwaarden vermeld in artikel 62, § 2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;

3° de voorwaarden vermeld in artikel 10, § 1, 13°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.

§ 7. De Vlaamse Regering bepaalt de werking en de organisatie van de colleges vermeld in § 4 en § 6, alsook de procedure voor de opheffing van de erkenning. Die procedure waarborgt de rechten van de verdediging.

In de mate dat het besluit betrekking heeft op het college vermeld in § 6, worden die bepalingen van het besluit aangenomen bij wijze van bekrachtiging van een gezamenlijk voorstel van de Vlaamse Regering, de Raad van het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel onderwijs.

[ ]¹ B.Vl.R. 17-12-2010; [ ]² Decr. 19-7-2013; [ ]³ Decr. 25-4-2014; [ ]4 B.Vl.R. 28-10-2016

[Art. 41bis.

Behoudens de mogelijkheden om een advies tot opheffing van de erkenning op een instelling of op een afzonderlijk structuuronderdeel te betrekken als vermeld in artikel 39, § 4; artikel 40, § 3, en artikel 41, § 1 en § 5, kan in het deeltijds beroepssecundair onderwijs een advies tot opheffing van de erkenning ook enkel betrekking hebben op de bevoegdheid om eindstudiebewijzen, die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, uit te reiken.]

Decr. 21-12-2012

Art. 42.

§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere procedureregels voor de organisatie van de doorlichtingen. Daarbij wordt onder meer aandacht besteed aan :

1° de manier waarop personeelsleden van de instelling, ouders van leerlingen en leerlingen of cursisten worden gehoord bij de doorlichting;

2° de manier waarop personeelsleden van de instelling, ouders van leerlingen en leerlingen of cursisten worden geïnformeerd over het resultaat van de doorlichting.

§ 2. Het bestuur en de personeelsleden van de instelling, de ouders van leerlingen en leerlingen of cursisten worden als eersten geïnformeerd over het resultaat van de doorlichting, vóór de verslagen openbaar worden, zoals bepaald door artikel 44 van dit decreet.

[§ 3. Bij het bepalen van de verdere procedureregels, vermeld in paragraaf 1, draagt de Vlaamse Regering er zorg voor dat de start van de doorlichting tijdig aangekondigd wordt door de onderwijsinspectie. In afwijking hiervan, kan de doorlichting of opvolgingsdoorlichting slechts zeven kalenderdagen op voorhand worden aangekondigd, indien de doorlichting of de opvolgingsdoorlichting beperkt is tot een controle van de bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne.]

Decr. 25-4-2014

Afdeling IV. - Specifieke opdrachten

Art. 43.

[De onderwijsinspectie is, volgens de door de Vlaamse Regering bepaalde modaliteiten, belast met het kwaliteitstoezicht op de opleidings- en vormingsprogramma's georganiseerd door organisaties die geen onderwijsinstellingen zijn maar die leiden tot attesten, certificaten, diploma's of getuigschriften met eenzelfde civiel effect als deze die van rechtswege worden uitgereikt door onderwijsinstellingen.

De onderwijsinspectie is tevens, volgens de door de Vlaamse Regering bepaalde modaliteiten, belast met het kwaliteitstoezicht op de opleidings- en vormingsprogramma's georganiseerd door organisaties waarvan de erkenning of subsidiëring bij decreet of besluit afhankelijk wordt gesteld van desbetreffend toezicht.]

Decr. 21-12-2012

[Art. 43bis.

§ 1. De onderwijsinspectie is belast met het kwaliteitstoezicht op de diagnostische praktijk van de centra voor leerlingenbegeleiding in functie van de opmaak van de verslagen, vermeld in de artikelen 15 en 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en in de artikelen 294 en 352 van de Codex Secundair Onderwijs.

Dit kwaliteitstoezicht kan afzonderlijk van de doorlichting uitgevoerd worden. Als beide doorlichtingen ingepland zijn tijdens hetzelfde schooljaar, gebeuren ze geïntegreerd.

De inspectie stemt voor de uitvoering van deze opdrachten af met [[Zorginspectie van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein]].

De inspectie rapporteert jaarlijks over het kwaliteitstoezicht aan de Vlaamse Regering.

§ 2. De onderwijsinspectie is tevens belast met de toekenning van vrijstelling van leerplicht en het adviseren over aanvragen voor permanent onderwijs aan huis.]

Decr. 21-3-2014; [[ ]] Decr. 19-6-2015

HOOFDSTUK III. - Openbaarheid van de verslagen en adviezen

Art. 44.

De doorlichtingsverslagen, de opvolgingsverslagen en de adviezen met betrekking tot de erkenning van de instelling zijn bestuursdocumenten die vallen onder de toepassing van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur, met uitzondering van vrijwillig door de instelling ter beschikking gestelde documenten in het kader van :

1° de resultaten van wetenschappelijke onderzoeken waaraan de instelling vrijwillig heeft deelgenomen;

2° de interne kwaliteitszorg;

3° de resultaten van voorbereidende en periodieke onderzoeken waaraan een instelling deelneemt met het oog op de interne of externe kwaliteitscontrole.

HOOFDSTUK IV. - Organisatie en financiering

Afdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 45.

Bij de Vlaamse Regering wordt een inspectie opgericht, onder leiding van een inspecteur-generaal. [...]

[De onderwijsinspectie kan voor de uitoefening van haar opdracht beschikken over de leden van de onderwijsinspectie, ondersteunende personeelsleden van de diensten van de Vlaamse Regering en middelen ingeschreven in de Vlaamse begroting.

De Vlaamse Regering kan personeelsleden van het Agentschap Kwaliteit in Onderwijs en Vorming overdragen naar de onderwijsinspectie.]

Decr. 19-6-2015

Afdeling II. - Organisatie van de inspectie

Art. 46.

§ 1. De inspectie bestaat voor minstens 35 % uit personeelsleden afkomstig uit instellingen die behoren tot het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd officieel onderwijs, en voor minstens 35 % uit personeelsleden afkomstig uit de instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs.

De afkomst wordt bepaald door de laatste instelling waar de kandidaat functioneert voor hij aangesteld wordt tot inspecteur en door de instelling waar de kandidaat de grootste opdracht heeft. Bij gelijke opdracht telt de instelling waarin het personeelslid de meeste dienstanciënniteit heeft.

§ 2. De inspectie bestaat voor :

1° minstens 40 % uit personeelsleden met relevante beroepservaring in het gewoon basisonderwijs;

2° minstens 26 % uit personeelsleden met relevante beroepservaring in het gewoon secundair onderwijs;

3° minstens 3 % uit personeelsleden met relevante beroepservaring in het volwassenenonderwijs of in de basiseducatie;

4° minstens 2 % van de personeelsleden met relevante beroepservaring inzake de coördinatie van leerlingenbegeleiding of in de CLB's;

5° minstens 2 % van de personeelsleden met relevante beroepservaring in het kunstonderwijs of in kunstvakken;

6° minstens 7 % van de personeelsleden met relevante beroepservaring in het buitengewoon onderwijs.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt wat moet verstaan worden onder relevante beroepservaring.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de samenstelling van de inspectie, rekening houdend met de bepalingen, vermeld in § 1 en § 2.

Afdeling III. - Financiering

Art. 47.

[Binnen de perken van de begrotingskredieten stelt de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks middelen ter beschikking voor de salarissen en voor de werkingskosten van de onderwijsinspectie.

De uitgaven voor de salarissen bedragen minimaal 80 procent van de jaarlijkse middelen. Het aandeel voor de salarissen volgt de evolutie van de gezondheidsindex aan 100 %. Het aandeel voor de werkingskosten volgt 75 % van de evolutie van de gezondheidsindex.]

Decr. 21-12-2012

TITEL V. - Overleg tussen de pedagogische begeleidingsdiensten en de inspectie

Art. 48.

De Vlaamse Regering richt een permanent overlegorgaan op waarin de inspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten elkaar regelmatig ontmoeten in functie van hun opdrachten.

Voor zover het overleg ook betrekking heeft op het volwassenenonderwijs, wordt ook het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 43 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs betrokken.

Het overlegorgaan maakt jaarlijks een rapport op over haar werking en bezorgt dit aan de Vlaamse Regering.

DEEL III. - RECHTSPOSITIE INSPECTIE

HOOFDSTUK I. - Aanwervingsvoorwaarden

Art. 49.

§ 1. De volgende personeelsleden kunnen lid worden van de inspectie :

1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

3° het zelfstandig en het assisterend academisch personeel van de universiteiten;

4° het onderwijzend personeel van de hogescholen;

5° de leraars basiseducatie, de stafmedewerkers en de directeurs in een centrum voor basiseducatie en de educatieve personeelsleden tewerkgesteld in het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs.

§ 2. De personeelsleden, vermeld in § 1, kunnen zich kandidaat stellen voor een ambt van de inspectie als ze ten minste acht jaar dienstanciënniteit hebben in het onderwijs, ten minste acht jaar gepresteerde diensten in de basiseducatie hebben of ten minste acht jaar dienstanciënniteit/gepresteerde diensten hebben in het onderwijs als in de basiseducatie samen.

§ 3. In afwijking van § 1 en § 2 kan iemand zich ook kandidaat stellen als hij ten minste acht jaar relevante ervaring heeft in of met het onderwijs of de basiseducatie, aangevuld met ervaring in kwaliteitszorg en evaluatie in educatieve sectoren.

§ 4. De algemene voorwaarden voor de toelating tot een ambt bij de inspectie zijn :

1° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;

2° van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt uit een uittreksel uit het strafregister dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven;

3° de burgerlijke en politieke rechten genieten behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling, vermeld in punt 1°;

4° voldoen aan de dienstplichtwetten;

5° voldoen aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 50 van dit decreet.

§ 5. De kandidaat moet aan de aanwervingsvoorwaarden voldoen uiterlijk op het ogenblik van de kandidaatstelling voor de test van de generieke competenties.

§ 6. De voorzitter van de selectiecommissie, vermeld in artikel 65, § 3, gaat na of de kandidaat voldoet aan de aanwervingsvoorwaarden. Hij baseert zich hiervoor op het dossier, vermeld in artikel 64, § 2. Indien de voorzitter van de selectiecommissie, vermeld in artikel 65, § 3, oordeelt dat de kandidaat niet aan de aanwervingsvoorwaarden voldoet, kan de kandidaat, binnen zeven kalenderdagen na de kennisname van zijn beslissing, vragen om gehoord te worden. De voorzitter van de selectiecommissie, vermeld in artikel 65, § 3, hoort de kandidaat in ieder geval voor de test van de generieke competenties.

§ 7. De Vlaamse Regering bepaalt hoe de dienstanciënniteit in het onderwijs en de gepresteerde diensten in de basiseducatie worden berekend.

Art. 50.

§ 1. Een personeelslid bedoeld in artikel 49, § 1, 1°, 2° en 5°, voldoet voor zijn toelating tot een ambt van de inspectie aan de taalvereisten voor de onderwijstaal, als hij aan de taalvereisten inzake onderwijstaal voldoet die worden vastgelegd in de regelgeving van kracht op het onderwijsniveau, waar hij volgens artikel 49, § 1, 1°, 2° en 5°, voorafgaand aan toelating tot een ambt van de inspectie, was aangesteld.

§ 2. Een personeelslid dat niet voldoet aan § 1, moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.

§ 3. Het personeelslid bewijst de in § 2 vereiste taalkennis :

1° aan de hand van alle studiebewijzen van door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstellingen die het in § 2 vereiste niveau van taalkennis aantonen; of

2° aan de hand van alle studiebewijzen die gelijkwaardig zijn met de in 1° vermelde studiebewijzen en die het in § 2 vereiste niveau van taalkennis aantonen; of

3°[of aan de hand van een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het personeelslid heeft behaald, op voorwaarde dat het getuigschrift, het certificaat of het attest het vereiste niveau van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont. De Vlaamse Regering is gemachtigd een examencommissie in te richten of examens te laten organiseren door een of meerdere instellingen van door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs. De Vlaamse Regering is gemachtigd om een getuigschrift, een certificaat of een attest dat behaald is via een wettelijk of reglementair bepaalde examencommissie, in te schalen in de niveaus van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.]²

[§ 3bis. De personeelsleden die de doorlichtingen doen in de scholen waar de onderwijstaal het Frans is, moeten het Frans beheersen op niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees referentiekader voor Talen. Onverminderd de bepalingen van § 3 bewijzen de personeelsleden hun kennis van het vak Frans indien ze in het bezit zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs om Frans te onderwijzen in een instelling voor secundair onderwijs.]¹

§ 4. Als het personeelslid bij zijn toelating tot een ambt van de inspectie de in § 3 vereiste bewijzen niet kan voorleggen, kent de Vlaamse Regering op aanvraag aan het personeelslid een tijdelijke afwijking toe die geldt voor een termijn van drie jaren, te rekenen vanaf de datum van de eerste aanstelling als lid van de inspectie.

Tijdens voormelde periode van drie jaren komt het personeelslid niet in aanmerking voor een vaste benoeming, tenzij het personeelslid voor het einde van deze periode voldoet aan de voorwaarde inzake taalvereisten zoals bedoeld in § 2.

[ ]¹ Decr. 9-7-2010; [ ]² Decr. 23-12-2016

HOOFDSTUK II. - Plichten en onverenigbaarheden

Afdeling I. - Plichten

Art. 51.

Het personeelslid moet de belangen behartigen van het onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 52.

Het personeelslid vervult de taken die hem worden opgedragen nauwgezet, met inachtneming van de verplichtingen die hem door of krachtens de wet of het decreet of bij dienstorder zijn opgelegd [en respecteert daarbij de internationale en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder]².

[Het personeelslid moet de uitdrukkelijke toestemming krijgen van de inspecteur-generaal om naast het ambt van inspecteur of coördinerend inspecteur andere activiteiten te ondernemen die een inhoudelijke band hebben met het ambt en, of gebruikmaken van het prestige van het ambt van inspecteur of coördinerend inspecteur. De inspecteur-generaal moet de uitdrukkelijke toestemming krijgen van de Vlaamse Regering om naast het ambt van inspecteur-generaal andere activiteiten te ondernemen die een inhoudelijke band hebben met het ambt en, of gebruikmaken van het prestige van het ambt van inspecteur-generaal.]¹

[ ]¹ Decr. 21-12-2012; [ ]² Decr. 19-7-2013

Art. 53.

Het personeelslid moet zich in zijn dienstbetrekkingen op een correcte wijze gedragen.

Art. 54.

Het personeelslid moet alles vermijden, wat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van zijn ambt.

Art. 55.

Het is het personeelslid verboden rechtstreeks of door een tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambt maar omwille ervan, giften, geschenken, beloningen of enig ander voordeel aan te nemen.

Art. 56.

Behoudens overmacht mag het personeelslid de uitoefening van zijn ambt niet onderbreken zonder voorafgaande toestemming van de leidinggevende.

Art. 57.

Het personeelslid is ertoe gehouden het ambtsgeheim te bewaren.

Art. 58.

[De plichten worden nader toegelicht in een deontologische code, vastgesteld door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering stelt een deontologische adviescommissie aan die zal toezien op de toepassing en de interpretatie van de deontologische code.]

Decr. 29-6-2012

Afdeling II. - Onverenigbaarheden

Art. 59.

Een mandaat bij een bestuur is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de inspectie, tenzij het gaat om een politiek mandaat. De inspecteur die een politiek mandaat opneemt, dient dit onmiddellijk te melden.

Een opdracht in een onderwijsinstelling of in een centrum voor leerlingenbegeleiding, waarover de inspectie toezicht houdt, is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de inspectie.

De uitoefening van een ambt bij de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, is onverenigbaar met de uitoefening van een ambt als lid van de inspectie.

Art. 60.

Indien het betrokken personeelslid niet vrijwillig een einde stelt aan een vastgestelde onverenigbaarheid wordt hij ontslagen.

Voor een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde duur of tot de proeftijd toegelaten of vastbenoemd is, geldt de procedure van ontslag bij tucht zoals vermeld in hoofdstuk IX.

Voor een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor bepaalde duur of een mandaat bekleedt, geldt de procedure voor ontslag om dringende redenen zoals bepaald in respectievelijk artikel 87, § 4, en artikelen 96 en 105.

HOOFDSTUK III. - Vaststelling van de ambten

Art. 61.

De ambten die de leden van de inspectie kunnen uitoefenen, worden als volgt vastgesteld :

1° inspecteur;

2° coördinerend inspecteur;

3° inspecteur-generaal.

HOOFDSTUK IV. - Het ambt van inspecteur

Afdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 62.

§ 1. Het ambt van inspecteur wordt uitgeoefend door personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld, die tot de proeftijd zijn toegelaten of die vastbenoemd zijn.

§ 2. Maximaal 85 % van de ambten van inspecteur wordt uitgeoefend door inspecteurs die tot de proeftijd zijn toegelaten of die vastbenoemd zijn.

§ 3. Bij de werving wordt rekening gehouden met de waarborgregeling en met de vereiste samenstelling van de inspectie zoals vermeld in artikel 46.

§ 4. Het ambt van inspecteur wordt toegewezen volgens de hieronder bepaalde regels.

Afdeling II. - De selectie

Art. 63.

[§ 1.]¹ Voor de toegang tot het ambt van inspecteur wordt een selectie georganiseerd die bestaat uit twee fasen :

1° de eerste fase : de test van de generieke competenties;

2° de tweede fase : het interview, eventueel aangevuld met [een bijkomende test]² waarbij specifieke competenties worden getest die nodig zijn voor de concrete functie.

[§ 2. [[...]] ]¹

[ ]¹ Decr. 21-12-2012; [ ]² Decr. 25-4-2014; [[ ]] Decr. 19-7-2013

Art. 64.

§ 1.[De oproep voor de test van de generieke competenties wordt bekendgemaakt volgens de door de Vlaamse Regering bepaalde regels en wordt via Jobpunt Vlaanderen of zijn rechtsopvolger gepubliceerd. Deze bekendmaking vermeldt de voorwaarden waaraan de kandidaten moeten voldoen, evenals de vormvereisten en de termijn voor de kandidaatstelling.]

§ 2. De kandidaat moet minstens dertig kalenderdagen voor de test van de generieke competenties een dossier indienen. Dit dossier bevat een curriculum vitae en een competentieportfolio.

§ 3. Enkel kandidaten die voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden, vermeld in artikel 49, kunnen deelnemen aan de selectieprocedure.

§ 4. Jobpunt Vlaanderen, of zijn rechtsopvolger test de generieke competenties.

§ 5. Jobpunt Vlaanderen, of zijn rechtsopvolger stelt [...] een lijst op van de geslaagde kandidaten.

§ 6. De kandidaten die op de bovenvermelde lijst voorkomen, blijven gedurende zes jaar opgenomen in de algemene wervingsreserve. De periode van zes jaar begint te lopen op het ogenblik dat de geslaagde kandidaten in kennis worden gesteld van de opname in de algemene wervingsreserve.

§ 7. De termijn, vermeld in § 6, wordt zonodig verlengd gedurende de tijdelijke aanstelling van een inspecteur.

Decr. 19-7-2013

Art. 65.

§ 1. Alle kandidaten uit de algemene wervingsreserve ontvangen een schriftelijke oproep voor de tweede fase van de selectie. Die oproep geeft aan of het om een toelating tot de proeftijd, een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur of een tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur gaat. De oproep is gebaseerd op een concreet functieprofiel dat een aanduiding bevat van de inzetbaarheid.

§ 2. Enkel de kandidaten die opgenomen zijn in de algemene wervingsreserve kunnen deelnemen aan de tweede fase van de selectie.

§ 3. Een selectiecommissie die bestaat uit inspectieleden en externe deskundigen neemt het interview [...] af.

§ 4. De commissie, vermeld in § 3, stelt een lijst op van de geslaagde kandidaten in volgorde van de mate waarin de kandidaten beantwoorden aan het vereiste functieprofiel. Die volgorde is dwingend. De commissie beslist bij consensus. Indien geen consensus wordt bereikt, wordt overgegaan tot stemming. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter. De commissie legt die lijst met inbegrip van een motivatie voor aan de Vlaamse Regering.

§ 5. De geslaagde kandidaten die op de lijst, vermeld in § 4, staan en niet tot de proeftijd worden toegelaten, worden gedurende vier jaar opgenomen in een specifieke wervingsreserve gebaseerd op het desbetreffende concrete functieprofiel. De periode van vier jaar begint te lopen op het ogenblik dat de geslaagde kandidaten in kennis worden gesteld van de opname in de specifieke wervingsreserve.

Deze kandidaten komen in aanmerking om voorgedragen te worden voor een tijdelijke aanstelling of voor de toelating tot de proeftijd.

§ 6. Wanneer er een vacature ontstaat voor het ambt van inspecteur moet in eerste instantie nagegaan worden of er zich kandidaten bevinden in de specifieke wervingsreserve voor het gevraagde functieprofiel. De kandidaten van deze wervingsreserve komen in volgorde van rangschikking in aanmerking om voorgedragen te worden voor de vacante functie.

Er wordt steeds rekening gehouden met de waarborgregeling en met de vereiste samenstelling van de inspectie zoals vermeld in artikel 46.

[...]

Decr. 19-7-2013

[Art. 65/1.

§ 1. In afwijking van artikel 63 kan in geval van dringende tekorten voor bepaalde concrete functieprofielen een aangepaste wervingsprocedure toegepast worden. Wanneer de wervingsreserve voor een concreet functieprofiel uitgeput is en niet kan aangelegd worden bij gebrek aan geschikte kandidaten uit de generieke wervingsreserve, kan een profielgerichte oproep voor de test van de specifieke en de generieke competenties opgestart worden.

§ 2. De selectie van de kandidaten voor de profielgerichte oproep bestaat uit drie fasen :

1° de eerste fase : een screening van de portfolio's van de kandidaten;

2° de tweede fase : een interview, eventueel aangevuld met [[een bijkomende test]] waarbij specifieke competenties worden getest die nodig zijn voor het concrete functieprofiel;

3° de derde fase : de test van de generieke competenties.

§ 3. Een screeningscommissie, voorgezeten door de inspecteur-generaal, beoordeelt en selecteert de portfolio's in de eerste fase. De criteria voor deze beoordeling en de principes van samenstelling van de screeningcommissie worden generiek vastgelegd in een reglement dat in het onderhandelingscomité wordt onderhandeld. De screeningcommissie stelt een lijst op van de kandidaten die kunnen deelnemen aan het vervolg van de selectieprocedure. Een selectiecommissie die bestaat uit inspectieleden en externe deskundigen neemt het interview af. Jobpunt Vlaanderen, of zijn rechtsopvolger, test de generieke competenties.

§ 4. De selectiecommissie, vermeld in § 3, tweede lid, stelt een lijst op van de kandidaten die voor de drie fases geslaagd zijn in volgorde van de mate waarin de kandidaten beantwoorden aan het vereiste functieprofiel. Die volgorde is dwingend. De selectiecommissie beslist bij consensus. Indien geen consensus wordt bereikt, wordt overgegaan tot stemming. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter. De selectiecommissie legt die lijst met inbegrip van een motivatie voor aan de Vlaamse Regering.

§ 5. Enkel de kandidaten die voor de drie fases slagen, blijven gedurende zes jaar opgenomen in de algemene wervingsreserve en gedurende vier jaar in de specifieke wervingsreserve. Deze periodes beginnen te lopen op het ogenblik dat de kandidaten schriftelijk in kennis worden gesteld van de opname in de wervingsreserves.

§ 6. Enkel wie opgenomen is in de specifieke wervingsreserve komt in aanmerking om voorgedragen te worden voor een aanstelling.

§ 7. Wanneer er een vacature ontstaat voor het ambt van inspecteur, moet in eerste instantie nagegaan worden of er zich kandidaten bevinden in de specifieke wervingsreserve voor het gevraagde functieprofiel. De kandidaten van deze wervingsreserve komen in volgorde van rangschikking in aanmerking om voorgedragen te worden voor de vacante functie. Er wordt steeds rekening gehouden met de waarborgregeling en met de vereiste samenstelling van de inspectie, zoals vermeld in artikel 46.]

Decr. 19-7-2013; [[ ]] Decr. 25-4-2014

Art. 66.

Als een kandidaat wordt toegelaten tot de proeftijd of wordt vastbenoemd, wordt die kandidaat uit de algemene en de specifieke wervingsreserve geschrapt.

Art. 67.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten met betrekking tot de selectieprocedure, de inhoud van het dossier, vermeld in artikel 64, § 2, en de generieke competenties. Ze bepaalt de samenstelling en de werking van de selectiecommissie, vermeld in [artikel 65, § 3 en artikel 65/1, § 3, tweede lid, en § 4].

Decr. 19-7-2013

Afdeling III. - De proeftijd en de vaste benoeming

Art. 68.

De Vlaamse Regering laat de kandidaten toe tot de proeftijd, die ingaat op de eerste dag van de maand.

Art. 69.

§ 1. De toelating tot de proeftijd wordt schriftelijk vastgelegd. Dit geschrift wordt overhandigd aan het personeelslid, en vermeldt ten minste :

1° de identiteit van het personeelslid;

2° het uit te oefenen ambt;

3° de ingangsdatum;

4° de duur van de proeftijd;

5° het functieprofiel waarop de toelating tot de proeftijd is gebaseerd;

6° de standplaats.

§ 2. Bij ontstentenis van een geschrift bij de aanvang van de proeftijd, wordt het personeelslid geacht toegelaten te zijn tot de proeftijd, voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.

Art. 70.

§ 1. De proeftijd moet één volledig en effectief te presteren jaar omvatten. Prestaties die geleverd zijn als tijdelijk aangestelde inspecteur, worden van die periode in mindering gebracht. Op basis van de evaluatie van de proeftijd zoals vermeld in artikel 72, kan de eerste evaluator beslissen om de proeftijd met maximaal één jaar te verlengen met het oog op de verdere ontwikkeling van de competenties.

§ 2. De inspecteur beschikt tijdens de proeftijd over een contingent van 25 werkdagen waarop hij afwezig kan zijn zonder dat de duur van de proeftijd wordt verlengd. Dit contingent kan in één keer of gefractioneerd gebruikt worden.

Indien het aantal dagen afwezigheid tijdens de proeftijd meer bedraagt dan het contingent, wordt de proeftijd verlengd met het aantal dagen waarmee het contingent overschreden wordt.

§ 3. Indien de prestaties als tijdelijk inspecteur in mindering worden gebracht van de proeftijd, wordt het contingent, vermeld in § 2, verminderd in verhouding tot de resterende duur van de proeftijd.

Indien de eerste evaluator beslist om de proeftijd te verlengen, wordt het contingent, vermeld in § 2, vermeerderd in verhouding tot de verlenging van de proeftijd.

Art. 71.

§ 1. Aan het begin van de proeftijd wordt een geïndividualiseerde functiebeschrijving opgesteld conform artikel 107 en artikel 108.

§ 2. Tijdens de proeftijd volgt het personeelslid een opleidingsprogramma.

Art. 72.

In de loop van de laatste maand van de proeftijd wordt het betrokken personeelslid geëvalueerd conform de bepalingen van artikel 109, § 1, en artikel 111 tot en met artikel 114, § 2. Het evaluatieverslag van de proeftijd wordt besloten met het gemotiveerd voorstel tot :

1° benoeming in vast verband; of

2° ontslag van het betrokken personeelslid; of

3° verlenging van de proeftijd met maximaal één jaar. Deze verlenging kan slechts één maal gebeuren.

Indien het evaluatieverslag het gemotiveerd voorstel tot ontslag bevat, moet het, op straffe van nietigheid, de beroepsmogelijkheden bevatten.

Art. 73.

Het personeelslid kan binnen zeven kalenderdagen na ontvangst van het gemotiveerd voorstel tot ontslag, een bezwaarschrift indienen tegen het gemotiveerde voorstel tot ontslag bij de raad van beroep, vermeld in artikel 135.

De raad van beroep hoort het personeelslid en kan de betrokken evaluatoren horen.

De raad van beroep adviseert binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het bezwaarschrift. Zoniet wordt geacht dat de raad van beroep eenparig adviseert om het voorstel tot ontslag te verwerpen. Bij eenparigheid is het advies van de raad van beroep bindend en neemt de raad van beroep de eindbeslissing.

Indien de raad van beroep geen eenparig advies uitbrengt, wordt het dossier binnen vijftien kalenderdagen voorgelegd aan de Vlaamse Regering die bevoegd is voor de definitieve beslissing over het ontslag na de proeftijd. De Vlaamse Regering beslist binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep, zoniet wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.

De proeftijd van het personeelslid dat een beroepsprocedure heeft lopen tegen het ontslag na de proeftijd, wordt verlengd tot op het ogenblik van de definitieve uitspraak over het ontslag na de proeftijd.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels en de procedure volgens welke het betrokken personeelslid een bezwaarschrift kan indienen tegen het gemotiveerde voorstel tot ontslag.

Art. 74.

§ 1. Als het personeelslid binnen de termijn, vermeld in artikel 73, eerste lid, geen beroep aantekent, is het ontslag definitief, nadat die termijn verstreken is.

§ 2. Als het personeelslid binnen de termijn, vermeld in artikel 73, eerste lid, beroep aantekent, is het ontslag definitief als respectievelijk de raad van beroep of de Vlaamse Regering beslist om het gemotiveerd voorstel tot ontslag te bevestigen.

§ 3. Wanneer het personeelslid wordt ontslagen gelden de opzeggingstermijn en voorwaarden, vermeld in artikel 131. De opzeggingstermijn gaat in op het ogenblik van de definitieve uitspraak in de beroepsprocedure of op het ogenblik dat de termijn van zeven kalenderdagen, vermeld in artikel 73 verstreken is.

Art. 75.

Het personeelslid kan een einde maken aan de proeftijd door vrijwillig ontslag. De opzeggingstermijn bedraagt vijftien kalenderdagen, tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen.

Art. 76.

§ 1. De Vlaamse Regering benoemt het personeelslid dat de proeftijd heeft doorlopen in het ambt van inspecteur als dat personeelslid het voorwerp uitmaakt van een gemotiveerd voorstel tot benoeming in vast verband als vermeld in artikel 72. De vaste benoeming gaat in de eerste kalenderdag volgend op het einde van de proeftijd.

§ 2. De Vlaamse Regering benoemt eveneens het personeelslid dat de proeftijd heeft doorlopen, in het ambt van inspecteur als na de toepassing van artikel 73 respectievelijk de raad van beroep of de Vlaamse Regering beslist heeft om het voorstel tot ontslag te verwerpen. De vaste benoeming gaat in de eerste kalenderdag volgend op de beslissing van de raad van beroep, respectievelijk de Vlaamse Regering.

§ 3. De vaste benoeming wordt schriftelijk vastgelegd. Dit geschrift wordt overhandigd aan het personeelslid, en vermeldt ten minste :

1° de identiteit van het personeelslid;

2° het uit te oefenen ambt;

3° de ingangsdatum van de vaste benoeming;

4° het functieprofiel waarop de vaste benoeming is gebaseerd;

5° de standplaats.

§ 4. Bij ontstentenis van een geschrift bij de aanvang van de vaste benoeming, wordt het personeelslid geacht vastbenoemd te zijn in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.

HOOFDSTUK V. - Het ambt van coördinerend inspecteur en inspecteur-generaal

Afdeling I. - Mandaat

Art. 77.

Elke aanstelling in het ambt van coördinerend inspecteur of in het ambt van inspecteur-generaal wordt toegewezen bij mandaat.

Het mandaat heeft een duur van vier jaar.

Art. 78.

Prestaties die geleverd zijn tijdens een mandaat, worden in aanmerking genomen voor de dienstanciënniteit bedoeld in dit decreet en voor de geldelijke anciënniteit van het personeelslid.

Afdeling II. - Aanwervingsvoorwaarden

Art. 79.

§ 1. Om tot het mandaat van coördinerend inspecteur te worden toegelaten, moet de kandidaat voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° vastbenoemd inspecteur zijn;

2° ten minste drie jaar dienstanciënniteit hebben in het ambt van inspecteur;

3° geen definitieve eindevaluatie met eindconclusie onvoldoende in het ambt van inspecteur gekregen hebben;

4° zich kandidaat hebben gesteld, zoals bepaald in de vacature.

In afwijking van de bepalingen in het eerste lid kan het ambt van coördinerend inspecteur ook bij mandaat worden toegewezen aan een externe kandidaat, wanneer tijdens een eerste selectieprocedure geen kandidaat of geen geschikte kandidaat wordt gevonden bij inspecteurs die voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden, vermeld in § 1. De externe kandidaat moet voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° gedurende ten minste vijf jaar een leidinggevende functie hebben uitgeoefend;

2° ten minste acht jaar relevante ervaring hebben in of met het onderwijs;

3° zich kandidaat hebben gesteld volgens de vorm en binnen de termijn vermeld in het schrijven waarbij de vacature ter kennis werd gebracht;

4° voldoen aan de algemene aanwervingsvoorwaarden zoals vermeld in artikel 49, § 4.

§ 2. Om tot het mandaat van inspecteur-generaal te worden toegelaten, moet de kandidaat voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° vastbenoemd inspecteur of coördinerend inspecteur zijn of een mandaat bekleden van coördinerend inspecteur;

2° ten minste drie jaar dienstanciënniteit hebben in het ambt van inspecteur;

3° geen definitieve eindevaluatie met eindconclusie onvoldoende in het ambt van inspecteur of coördinerend inspecteur gekregen hebben;

4° zich kandidaat hebben gesteld, zoals bepaald in de vacature.

In afwijking van de bepalingen in het eerste lid kan het ambt van inspecteur-generaal ook bij mandaat worden toegewezen aan een kandidaat extern aan de inspectie die voldoet aan de volgende voorwaarden :

1° gedurende ten minste tien jaar een leidinggevende functie hebben uitgeoefend;

2° ten minste vijftien jaar relevante ervaring hebben in of met het onderwijs;

3° zich kandidaat hebben gesteld volgens de vorm en binnen de termijn vermeld in het schrijven waarbij de vacature ter kennis werd gebracht; 4° voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden zoals vermeld in artikel 49, § 4.

§ 3. De voorzitter van de selectiecommissie, vermeld in artikel 82, § 3, gaat na of de kandidaat voldoet aan de aanwervingsvoorwaarden. Hij baseert zich hiervoor op het dossier, vermeld in artikel 81, § 2. Indien de voorzitter van de selectiecommissie, vermeld in artikel 82, § 3, oordeelt dat de kandidaat niet aan de aanwervingsvoorwaarden voldoet, kan de kandidaat vragen om gehoord te worden binnen zeven kalenderdagen na de kennisname van de beslissing. De voorzitter van de selectiecommissie, vermeld in artikel 82, § 3, hoort in ieder geval de kandidaat voor de test van de generieke competenties.

§ 4. De kandidaat moet aan de aanwervingsvoorwaarden voldoen uiterlijk op het ogenblik van de kandidaatstelling voor de test van de generieke competenties.

§ 5. De extern geworven inspecteur-generaal wordt beschouwd als een tijdelijk personeelslid, tot op het ogenblik van de vaste benoeming conform artikel 88.

§ 6. De Vlaamse Regering bepaalt hoe de dienstanciënniteit, vermeld in § 1 en § 2 wordt berekend.

Afdeling III. - Selectieprocedure

Art. 80.

Voor de toegang tot het ambt van coördinerend inspecteur en inspecteur-generaal wordt een selectie georganiseerd die bestaat uit twee fasen :

1° de eerste fase : de test van de generieke competenties;

2° de tweede fase : het interview.

Art. 81.

§ 1. De oproep voor de test van de generieke competenties wordt bekendgemaakt volgens de door de Vlaamse Regering bepaalde regels en wordt minstens in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Deze bekendmaking vermeldt de voorwaarden waaraan de kandidaten moeten voldoen, alsmede de vormvereisten en de termijn voor de kandidaatstelling.

§ 2. De kandidaat moet minstens dertig kalenderdagen voor de test van de generieke competenties een dossier indienen. Dit dossier bevat een curriculum vitae en een competentieportfolio.

§ 3. Enkel kandidaten die voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden, vermeld in artikel 79, kunnen deelnemen aan de selectieprocedure.

§ 4. Jobpunt Vlaanderen, of zijn rechtsopvolger test de generieke competenties.

§ 5. Jobpunt Vlaanderen, of zijn rechtsopvolger stelt een lijst op van de geslaagde kandidaten.

§ 6. De kandidaten die op de bovenvermelde lijst voorkomen, blijven gedurende zes jaar opgenomen in de algemene wervingsreserve voor respectievelijk het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal. De periode van zes jaar begint te lopen vanaf het ogenblik dat de geslaagde kandidaten in kennis worden gesteld van de opname in de algemene wervingsreserve.

§ 7. Met behoud van het in § 6 vermelde, wordt een coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal die tijdelijk is aangesteld niet uit de algemene wervingsreserve geschrapt gedurende de periode van de tijdelijke aanstelling.

Art. 82.

§ 1. Alle kandidaten uit de algemene wervingsreserve ontvangen een schriftelijke oproep voor het interview. Die oproep vermeldt het ambt waarover het gaat en geeft aan of het om een mandaat of een tijdelijke aanstelling gaat.

§ 2. Enkel de kandidaten uit de algemene wervingsreserve kunnen deelnemen aan het interview.

§ 3. Het interview wordt afgenomen door een selectiecommissie, die verschillend kan zijn afhankelijk van het ambt.

§ 4. De kandidaten stellen een beleidsnota op waarbij ze de prioriteiten voorstellen die ze wensen te leggen in het ambt waarvoor zij kandideren.

§ 5. De commissie, vermeld in § 3, stelt een lijst op van de geslaagde kandidaten in volgorde van geschiktheid. Die volgorde is dwingend. De commissie beslist bij consensus. Indien geen consensus wordt bereikt, wordt overgegaan tot stemming. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter. De commissie legt die lijst met inbegrip van een motivatie voor aan de Vlaamse Regering.

Art. 83.

§ 1. De Vlaamse Regering wijst het mandaat toe.

§ 2. De toewijzing van het mandaat wordt schriftelijk vastgelegd. Dit geschrift wordt aan het personeelslid overhandigd en vermeldt ten minste :

1° de identiteit van het personeelslid;

2° het uit te oefenen ambt;

3° de ingangsdatum van het mandaat;

4° de standplaats.

§ 3. Bij ontstentenis van een geschrift bij de aanvang van het mandaat, wordt het personeelslid geacht het mandaat te bekleden in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.

Art. 84.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten met betrekking tot de selectieprocedure, de inhoud van het dossier, vermeld in artikel 81, § 2, en de generieke competenties. Ze bepaalt de samenstelling en de werking van de selectiecommissie, vermeld in artikel 82, § 3.

Afdeling IV. - Einde mandaat

Art. 85.

§ 1. Drie maanden voor het einde van het mandaat van een coördinerend inspecteur vindt een algemene eindevaluatie plaats door de evaluatoren, vermeld in artikel 109, § 2. Als die eindevaluatie niet resulteert in een eindconclusie onvoldoende, wordt het mandaat vernieuwd voor vier jaar.

§ 2. De bepalingen van artikel 114 tot en met artikel 116 zijn van toepassing op de eindevaluatie van het mandaat van een coördinerend inspecteur.

§ 3. Het personeelslid dat er niet mee kan instemmen dat de eindevaluatie wordt besloten met een eindconclusie onvoldoende, kan binnen twintig kalenderdagen na ontvangst van de ondertekende kopie van het evaluatieverslag met de eindconclusie onvoldoende, beroep aantekenen bij de raad van beroep vermeld in artikel 135, volgens de procedure vermeld in artikel 138.

§ 4. De raad van beroep hoort het personeelslid en kan de betrokken evaluatoren horen.

§ 5. De raad van beroep brengt een met redenen omkleed advies uit binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Zo niet wordt het advies van de raad geacht eenparig gunstig te zijn. Bij eenparigheid is het advies van de raad van beroep bindend en neemt de raad van beroep de eindbeslissing.

§ 6. Indien de raad van beroep geen eenparig advies uitbrengt, wordt het dossier van een coördinerend inspecteur binnen vijftien kalenderdagen voorgelegd aan de Vlaamse Regering die bevoegd is voor de definitieve beslissing over de toekenning van de eindconclusie onvoldoende. De Vlaamse Regering beslist binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep, zoniet wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.

§ 7. Als het personeelslid binnen de termijn, vermeld in § 3, geen beroep aantekent, is de evaluatie met eindconclusie onvoldoende definitief, nadat die termijn verstreken is.

§ 8. Als het personeelslid binnen de termijn, vermeld in § 3, beroep aantekent, is de evaluatie met eindconclusie onvoldoende definitief als respectievelijk de raad van beroep of de Vlaamse Regering beslist om de eindconclusie onvoldoende te bevestigen.

Art. 86.

Als de eindevaluatie van het mandaat van de inspecteur-generaal niet resulteert in een vermelding onvoldoende, wordt het mandaat vernieuwd voor vier jaar.

Art. 87.

§ 1. Een personeelslid dat belast is met een mandaat, kan vrijwillig afzien van het mandaat. Hij deelt dat per aangetekende brief mee aan de Vlaamse Regering ten minste zes maanden voor het neerleggen van het mandaat. In onderling overleg kan van die periode van zes maanden worden afgeweken.

§ 2. Het mandaat wordt beëindigd na een definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende.

§ 3. Het mandaat wordt beëindigd op het ogenblik dat het personeelslid wordt vastbenoemd bij toepassing van [artikel 88, behalve indien het een vaste benoeming betreft volgens artikel 88, § 1/1].

§ 4. Het personeelslid dat belast is met een mandaat kan, zonder opzegging, om dringende redenen worden ontslagen.

Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van het mandaat onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is bij de Vlaamse Regering.

Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven per aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Deze brief vermeldt, op straffe van nietigheid, de beroepsmogelijkheden.

Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na ontvangst van het ontslag om dringende redenen per aangetekende brief beroep aantekenen bij de raad van beroep, vermeld in artikel 135, volgens de procedure, vermeld in artikel 138. Bij ontvangst van het ontslag tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt voornoemde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode.

Het beroep wordt ingesteld bij bezwaarschrift. Het beroep heeft een opschortende werking. Het personeelslid kan tijdens het beroep preventief worden geschorst. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de preventieve schorsing. Dit besluit garandeert het recht van verdediging.

§ 5. Bij de beëindiging van het mandaat neemt het vastbenoemde personeelslid opnieuw zijn ambt als inspecteur op.

Decr. 17-6-2016

Afdeling V. - Vaste benoeming

Art. 88.

§ 1. Het personeelslid belast met een mandaat van coördinerend inspecteur wordt op zijn verzoek in dat ambt benoemd als aan de volgende voorwaarden is voldaan :

1° het personeelslid heeft de leeftijd van ten minste 55 jaar bereikt op het ogenblik van de vaste benoeming;

2° het personeelslid heeft op het ogenblik van de vaste benoeming ten minste vier jaar het mandaat van coördinerend inspecteur uitgeoefend.

[§ 1/1. Het volgens artikel 79, § 1, extern geworven personeelslid dat belast is met een mandaat van coördinerend inspecteur wordt op zijn verzoek in het onderliggend ambt van inspecteur benoemd, als aan de volgende voorwaarden is voldaan :

1° het personeelslid heeft in het ambt van coördinerend inspecteur geen definitieve eindevaluatie met eindconclusie onvoldoende gekregen;

2° het personeelslid wordt voorgedragen door de inspecteur-generaal;

3° het personeelslid heeft op het ogenblik van de vaste benoeming ten minste 2 jaar het mandaat van coördinerend inspecteur voltijds uitgeoefend.]

§ 2. Het personeelslid belast met een mandaat van inspecteur-generaal wordt op zijn verzoek in dat ambt benoemd als aan de volgende voorwaarden is voldaan :

1° het personeelslid heeft de leeftijd van ten minste 55 jaar bereikt op het ogenblik van de vaste benoeming;

2° het personeelslid heeft op het ogenblik van de vaste benoeming ten minste vier jaar het mandaat van inspecteur-generaal uitgeoefend.

§ 3. De vaste benoeming gaat steeds in op de eerste dag van de maand die volgt op de aanvraag bij de Vlaamse Regering.

§ 4. Indien op het ogenblik dat het personeelslid de vaste benoeming aanvraagt, een beroepsprocedure loopt tegen een evaluatie met eindconclusie onvoldoende of tegen een ontslag om dringende redenen, wordt de vaste benoeming uitgesteld tot er een definitieve uitspraak in deze zaak is. Indien na de beroepsprocedure de evaluatie met eindconclusie onvoldoende of het ontslag om dringende redenen niet wordt bevestigd, gaat de vaste benoeming in op de eerste dag van de maand die volgt op het ogenblik van de definitieve uitspraak.

§ 5. De vaste benoeming wordt schriftelijk vastgelegd. Dit geschrift wordt aan het personeelslid overhandigd en vermeldt ten minste :

1° de identiteit van het personeelslid;

2° het uit te oefenen ambt;

3° de ingangsdatum;

4° het functieprofiel waarop de vaste benoeming is gebaseerd;

5° de standplaats.

§ 6. Bij ontstentenis van een geschrift bij de aanvang van de vaste benoeming, wordt het personeelslid geacht vastbenoemd te zijn in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.

Decr. 17-6-2016

HOOFDSTUK VI. - Tijdelijke uitoefening van de ambten, vermeld in artikel 61

Afdeling I. - De tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt van inspecteur

Art. 89.

De Vlaamse Regering kan binnen de toegekende enveloppe een personeelslid tijdelijk aanstellen voor bepaalde duur.

Art. 90.

§ 1. Voor de aanstelling van bepaalde duur wordt de selectieprocedure gevolgd zoals vermeld in [artikel 63 tot en met artikel 65/1].

§ 2. Het eerste jaar van de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur volgt het tijdelijk personeelslid een opleidingsprogramma, indien het voor de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur nog niet was aangesteld bij de inspectie.

Decr. 17-6-2016

Art. 91.

§ 1. Elke tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt van inspecteur moet schriftelijk worden vastgelegd. Dit geschrift wordt aan het personeelslid overhandigd en vermeldt ten minste :

1° de identiteit van het personeelslid;

2° het uit te oefenen ambt;

3° de ingangsdatum en einddatum van de aanstelling;

4° het functieprofiel waarop de aanstelling is gebaseerd;

5° de standplaats.

§ 2. Bij ontstentenis van een geschrift bij de aanvang van de tijdelijke aanstelling, wordt het personeelslid geacht tijdelijk aangesteld te zijn voor onbepaalde duur in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.

Art. 92.

Een aanstelling van bepaalde duur heeft een minimale duur van een jaar.

Art. 93.

De tijdelijke aanstelling die volgt op twee aaneensluitende tijdelijke aanstellingen van bepaalde duur is een tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur.

Art. 94.

§ 1. Het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor bepaalde duur in het ambt van inspecteur wordt op zijn verzoek in dat ambt benoemd als aan de volgende voorwaarden is voldaan :

1° het personeelslid heeft de leeftijd van ten minste 55 jaar bereikt op het ogenblik van de vaste benoeming;

2° het personeelslid heeft op het ogenblik van de vaste benoeming ten minste vier jaar het ambt van inspecteur uitgeoefend;

3° het personeelslid heeft geen definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende gekregen in de vier jaar die de aanvraag tot vaste benoeming voorafgaan.

§ 2. De vaste benoeming gaat steeds in op de eerste dag van de maand die volgt op de aanvraag bij de Vlaamse Regering.

§ 3. Indien op het ogenblik dat het personeelslid de vaste benoeming aanvraagt, een beroepsprocedure loopt tegen een evaluatie met eindconclusie onvoldoende of tegen een ontslag om dringende redenen, wordt de vaste benoeming uitgesteld tot er een definitieve uitspraak in deze zaak is. Indien na de beroepsprocedure de evaluatie met eindconclusie onvoldoende of het ontslag om dringende redenen niet wordt bevestigd gaat de vaste benoeming in op de eerste dag van de maand die volgt op het ogenblik van de definitieve uitspraak.

§ 4. De vaste benoeming moet schriftelijk worden vastgelegd. Dit geschrift wordt aan het personeelslid overhandigd, en vermeldt ten minste :

1° de identiteit van het personeelslid;

2° het uit te oefenen ambt;

3° de ingangsdatum;

4° het functieprofiel waarop de vaste benoeming is gebaseerd;

5° de standplaats.

§ 5. Bij ontstentenis van een geschrift bij aanvang van de vaste benoeming, wordt het personeelslid geacht vastbenoemd te zijn in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.

Art. 95.

De aanstelling van een personeelslid dat is aangesteld voor bepaalde duur wordt zonder opzegging beëindigd :

1° op het ogenblik dat het personeelslid tot de proeftijd toegelaten of vastbenoemd wordt;

2° als het personeelslid een definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen;

3° na afloop van de aanstellingsperiode zonder dat hiervoor formaliteiten te vervullen zijn;

4° om dringende redenen, onder de voorwaarden vermeld in artikel 96;

5° door vrijwillig ontslag.

Art. 96.

De Vlaamse Regering kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur in het ambt van inspecteur zonder opzegging om dringende redenen ontslaan.

Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende reden overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is bij de Vlaamse Regering.

Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven per aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Deze brief vermeldt, op straffe van nietigheid, de beroepsmogelijkheden.

Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na ontvangst van het ontslag om dringende redenen bij een ter post aangetekende brief beroep aantekenen bij de raad van beroep, vermeld in artikel 135, volgens de procedure, vermeld in artikel 138. Bij ontvangst van het ontslag tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt voornoemde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode.

Het beroep wordt ingesteld bij bezwaarschrift. Het beroep heeft een opschortende werking. Het personeelslid kan tijdens het beroep preventief worden geschorst. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de preventieve schorsing. Dit besluit garandeert het recht van verdediging.

Deze preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing aan het betrokken personeelslid wordt meegedeeld en tot de beroepsprocedure is beëindigd, met dien verstande dat de periode alleszins nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.

Afdeling II. - De tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur in het ambt van inspecteur

Art. 97.

De Vlaamse Regering kan binnen de toegekende enveloppe een personeelslid tijdelijk aanstellen voor onbepaalde duur.

Art. 98.

§ 1. Voor de tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur wordt de selectieprocedure gevolgd zoals vermeld in [artikel 63 tot en met artikel 65/1].

§ 2. Het eerste jaar van de tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur volgt het tijdelijk personeelslid een opleidingsprogramma, indien het voor de tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur nog niet was aangesteld bij de inspectie.

Decr. 17-6-2016

Art. 99.

§ 1. Elke tijdelijke aanstelling voor onbepaalde duur in het ambt van inspecteur moet schriftelijk worden vastgelegd. Dit geschrift wordt aan het personeelslid overhandigd en vermeldt ten minste :

1° de identiteit van het personeelslid;

2° het uit te oefenen ambt;

3° de ingangsdatum van de aanstelling;

4° de aard van de tijdelijke aanstelling;

5° het functieprofiel waarop de aanstelling is gebaseerd;

6° de standplaats.

§ 2. Bij ontstentenis van een geschrift bij aanvang van de tijdelijke aanstelling, wordt het personeelslid geacht aangesteld te zijn voor onbepaalde duur in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.

Art. 100.

§ 1. Het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde duur in het ambt van inspecteur, wordt op zijn verzoek in dat ambt benoemd als aan de volgende voorwaarden is voldaan :

1° het personeelslid heeft de leeftijd van ten minste 55 jaar bereikt op het ogenblik van de vaste benoeming;

2° het personeelslid heeft op het ogenblik van de vaste benoeming ten minste vier jaar het ambt van inspecteur uitgeoefend;

3° het personeelslid heeft geen definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende gekregen in de vier jaar die de aanvraag tot vaste benoeming voorafgaan.

§ 2. De vaste benoeming gaat steeds in op de eerste dag van de maand die volgt op de aanvraag bij de Vlaamse Regering.

§ 3. Indien op het ogenblik dat het personeelslid de vaste benoeming aanvraagt, een beroepsprocedure loopt tegen een evaluatie met eindconclusie onvoldoende of tegen een tuchtstraf, wordt de vaste benoeming uitgesteld tot er een definitieve uitspraak in deze zaak is. Indien na de beroepsprocedure de evaluatie met eindconclusie onvoldoende of de tuchtstraf niet wordt bevestigd gaat de vaste benoeming in op de eerste dag van de maand die volgt op het ogenblik van de definitieve uitspraak.

§ 4. De vaste benoeming moet schriftelijk worden vastgelegd. Dit geschrift wordt aan het personeelslid overhandigd en vermeldt ten minste :

1° de identiteit van het personeelslid;

2° het uit te oefenen ambt;

3° de ingangsdatum;

4° het functieprofiel waarop de vaste benoeming is gebaseerd;

5° de standplaats.

§ 5. Bij ontstentenis van een geschrift bij aanvang van de vaste benoeming, wordt het personeelslid geacht vastbenoemd te zijn in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.

Art. 101.

De aanstelling van een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde duur wordt zonder opzegging beëindigd :

1° op het ogenblik dat het personeelslid tot de proeftijd toegelaten of vastbenoemd wordt;

2° als het personeelslid gedurende twee opeenvolgende evaluaties of drie keer tijdens de loopbaan in hetzelfde ambt bij de inspectie een definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen;

3° als het personeelslid ontslagen wordt na een tuchtmaatregel;

4° door vrijwillig ontslag.

Afdeling III. - De tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal

Art. 102.

§ 1. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van artikel 77, binnen de toegekende enveloppe een personeelslid tijdelijk aanstellen voor bepaalde duur in het ambt van coördinerend inspecteur ter vervanging van een afwezige coördinerend inspecteur. Dit personeelslid moet voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden, vermeld in artikel 79, § 1.

§ 2. De Vlaamse Regering kan, in afwijking van artikel 77, binnen de toegekende enveloppe een personeelslid tijdelijk aanstellen voor bepaalde duur in het ambt van inspecteur-generaal ter vervanging van de afwezige inspecteur-generaal. Dit personeelslid moet voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden, vermeld in artikel 79, § 2.

§ 3. De tijdelijke aanstelling in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal heeft een maximale duur van vier jaar.

§ 4. Het vastbenoemd personeelslid van de inspectie dat tijdelijk wordt aangesteld in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal, wordt tijdelijk belast met een andere opdracht. Tijdens de periode dat het personeelslid tijdelijk belast is met een andere opdracht, gelden de regels die van toepassing zijn op de tijdelijke personeelsleden in het ambt waarin het personeelslid tijdelijk fungeert.

§ 5. In afwijking van § 4, wordt het vastbenoemd personeelslid tijdens de periode van tijdelijke aanstelling verder beschouwd als vastbenoemd personeelslid voor de toepassing van de reglementaire bepalingen inzake :

1° het bevallingsverlof;

2° het verlof wegens een bedreiging door een beroepsziekte en het verlof wegens moederschapsbescherming;

3° het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, met inbegrip van arbeidsongevallen, van ongevallen op de weg van en naar het werk en van beroepsziekten;

4° de anciënniteit voor het bepalen van het recht op verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;

5° de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van deze personeelsleden.

Art. 103.

§ 1. Elke tijdelijke aanstelling van bepaalde duur in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal moet schriftelijk worden vastgelegd. Dit geschrift wordt aan het personeelslid overhandigd en vermeldt ten minste :

1° de identiteit van het personeelslid; 2° het uit te oefenen ambt;

3° de duur van de aanstelling;

4° de ingangsdatum;

5° de standplaats;

6° de naam van het afwezige personeelslid.

§ 2. Bij ontstentenis van een geschrift bij de aanvang van de tijdelijke aanstelling, wordt het personeelslid geacht aangesteld te zijn voor een jaar in het ambt en voor de opdracht die het werkelijk uitoefent.

Art. 104.

De aanstelling van een personeelslid dat is aangesteld voor bepaalde duur in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal wordt, zonder opzegging, beëindigd :

1° na afloop van de aanstellingsperiode zonder dat hiervoor formaliteiten te vervullen zijn;

2° als het personeelslid een definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen;

3° om dringende redenen, onder de voorwaarden vermeld in artikel 105;

4° door vrijwillig ontslag.

Art. 105.

De Vlaamse Regering kan een tijdelijk personeelslid dat aangesteld is voor bepaalde duur in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal zonder opzegging om dringende redenen ontslaan.

Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende reden overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is bij de Vlaamse Regering.

Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven per aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Deze brief vermeldt, op straffe van nietigheid, de beroepsmogelijkheden.

Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na ontvangst van het ontslag om dringende redenen per aangetekende brief beroep aantekenen bij de raad van beroep, vermeld in artikel 135, volgens de procedure, vermeld in artikel 138. Bij ontvangst van het ontslag tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt voornoemde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode.

Het beroep wordt ingesteld bij bezwaarschrift. Het beroep heeft een opschortende werking. Het personeelslid kan tijdens het beroep preventief worden geschorst.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de preventieve schorsing. Dit besluit garandeert het recht van verdediging.

Deze preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik dat de beslissing aan het betrokken personeelslid wordt meegedeeld en tot de beroepsprocedure is beëindigd, met dien verstande dat de periode alleszins nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.

HOOFDSTUK VII. - Functiebeschrijving en evaluatie

Afdeling I. - Functiebeschrijving

Art. 106.

Voor elk lid van de inspectie wordt in het kader van zijn begeleiding een geïndividualiseerde functiebeschrijving opgesteld.

Een functiebeschrijving moet gezien worden als een constructief en positief beleidsinstrument.

Art. 107.

§ 1. Een functiebeschrijving wordt opgesteld op basis van een functieprofiel en bevat twee delen, namelijk : de permanente opdracht en de periodegebonden doelstellingen.

De permanente opdracht bestaat uit de volgende twee delen :

1° de resultaatgebieden : de taken die het personeelslid tot een goed einde moet brengen;

2° de competenties.

§ 2. De functiebeschrijving kan worden aangepast :

1° bij een substantiële wijziging van de opdracht;

2° na afspraken die de eerste evaluator en het personeelslid maken tijdens een functioneringsgesprek;

3° bij de aanvang van een nieuwe evaluatieperiode.

Art. 108.

Elke functiebeschrijving of wijziging wordt opgemaakt in onderling overleg tussen de eerste evaluator en het betrokken personeelslid. Als geen consensus bereikt kan worden, ligt de beslissing bij de inspecteur-generaal, indien het om de functiebeschrijving van een inspecteur gaat. In het geval van de coördinerend inspecteur en de inspecteur-generaal ligt de beslissing, als er geen consensus kan bereikt worden, bij de minister bevoegd voor onderwijs.

Afdeling II. - De evaluatoren

Art. 109.

§ 1. Voor een inspecteur gelden de volgende bepalingen :

1° de eerste evaluator is een coördinerend inspecteur;

2° de tweede evaluator is de inspecteur-generaal of een ander coördinerend inspecteur.

§ 2. Voor een coördinerend inspecteur gelden de volgende bepalingen :

1° de eerste evaluator is de inspecteur-generaal;

2° de tweede evaluator is de minister bevoegd voor onderwijs.

§ 3. De eerste evaluator heeft als voornaamste taak het personeelslid te coachen bij zijn functioneren. Het houden van functioneringsgesprekken is een onderdeel van die taak.

§ 4. De tweede evaluator is tijdens het volledige proces belast met de kwaliteitsbewaking.

Art. 110.

De inspecteur-generaal wordt geëvalueerd zoals bepaald in artikel V.13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid.

Afdeling III. - De evaluatie

Art. 111.

De evaluatie is het beoordelen van het functioneren van een personeelslid op basis van de functiebeschrijving en is de appreciatie van het totale functioneren van het betrokken personeelslid.

Een personeelslid voor wie geen functiebeschrijving werd opgesteld volgens de bepalingen, vermeld in artikel 107, kan niet worden geëvalueerd.

Art. 112.

In de loop van de evaluatieperiode kan de geëvalueerde bij zijn evaluatoren terecht voor opvolging en ondersteuning om de verwachte resultaten te behalen.

Art. 113.

De evaluatie moet op een zorgvuldige wijze uitgevoerd worden.

Een opleiding tot evaluator is verplicht voor alle leden van de inspectie die met evaluatie belast zijn. Alleen de evaluaties, opgemaakt door personeelsleden die de opleiding hebben gevolgd, zijn geldig.

De evaluatoren worden geëvalueerd op de kwaliteit van de evaluaties die ze opmaken.

Art. 114.

§ 1. Met het oog op de evaluatie, vermeld in artikel 111, wordt er een evaluatiegesprek gehouden tussen de eerste evaluator en het betrokken personeelslid.

Het evaluatiegesprek heeft als eerste doel het functioneren van het personeelslid te verbeteren waar dat nodig is, en het te ondersteunen. Het is niet louter op het verleden gericht. Na het gesprek moeten niet alleen de goede en sterke punten, maar ook de eventueel te verbeteren punten van het personeelslid duidelijk zijn. Het evaluatiegesprek kan bijgevolg aanleiding geven tot bijsturingen in de toekomst en kan leiden tot nieuwe, duidelijke afspraken.

Op verzoek van de geëvalueerde of één van zijn evaluatoren vindt het evaluatiegesprek plaats met twee evaluatoren. Het evaluatiegesprek leidt altijd tot een evaluatieverslag.

§ 2. Het evaluatieverslag opgesteld door de eerste evaluator, beschrijft op zorgvuldige wijze het volledige functioneren van het personeelslid ten opzichte van de functiebeschrijving en bevat steeds een eindconclusie.

Het verslag wordt door beide evaluatoren ondertekend. De eerste evaluator legt het evaluatieverslag voor aan het betrokken personeelslid. Het personeelslid ondertekent en dateert het evaluatieverslag ter kennisneming en bezorgt het onmiddellijk terug aan de eerste evaluator. De eerste evaluator bezorgt onmiddellijk een kopie van het evaluatieverslag aan het personeelslid.

§ 3. Als het evaluatieverslag de eindconclusie onvoldoende bevat, moet het, op straffe van nietigheid, altijd de beroepsmogelijkheden bevatten.

Art. 115.

Het originele evaluatieverslag, vermeld in artikel 114 en de opmerkingen van het personeelslid worden bewaard in het evaluatiedossier van het personeelslid.

Het personeelslid ontvangt een afschrift. Het personeelslid kan op elk ogenblik zijn evaluatiedossier inzien.

Art. 116.

Een evaluatie kan leiden tot een evaluatieverslag met eindconclusie onvoldoende.

Art. 117.

§ 1. Een personeelslid van de inspectie dat er niet mee akkoord gaat dat zijn evaluatieverslag wordt besloten met de eindconclusie onvoldoende, kan binnen twintig kalenderdagen na ontvangst van de ondertekende kopie van het evaluatieverslag beroep aantekenen bij de raad van beroep, vermeld in artikel 135, volgens de procedure, vermeld in artikel 138.

§ 2. De raad van beroep hoort het betrokken personeelslid en kan de betrokken evaluatoren horen.

§ 3. De raad van beroep brengt een met redenen omkleed advies uit binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Zo niet wordt het advies van de raad geacht eenparig gunstig te zijn. Bij eenparigheid is het advies van de raad van beroep bindend en neemt de raad van beroep de eindbeslissing.

§ 4. Indien de raad van beroep geen eenparig advies uitbrengt, wordt het dossier, in het geval van een inspecteur of een coördinerend inspecteur, binnen vijftien kalenderdagen voorgelegd aan de Vlaamse Regering die bevoegd is voor de definitieve beslissing over de toekenning van de eindconclusie onvoldoende. De Vlaamse Regering beslist binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep, zoniet wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.

§ 5. Als het personeelslid binnen de termijn, vermeld in § 1, geen beroep aantekent, is de evaluatie met eindconclusie onvoldoende definitief nadat die termijn verstreken is.

§ 6. Als het personeelslid binnen de termijn, vermeld in § 1, beroep aantekent is, de evaluatie definitief als respectievelijk de raad van beroep of de Vlaamse Regering beslist om de eindconclusie onvoldoende te bevestigen.

Art. 118.

De gemotiveerde beslissing na het beroep wordt bij het evaluatiedossier van de geëvalueerde gevoegd.

Art. 119.

§ 1. Het vastbenoemde lid van de inspectie en het tijdelijk personeelslid dat is aangesteld voor onbepaalde duur wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid als hij gedurende twee opeenvolgende evaluaties of drie keer tijdens zijn loopbaan in hetzelfde ambt bij de inspectie de definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen.

Bij het ontslag van een vastbenoemd personeelslid gelden de opzeggingstermijnen en voorwaarden, vermeld in artikel 131. De opzeggingstermijn gaat in op het ogenblik van de definitieve uitspraak in de beroepsprocedure of op het ogenblik dat de termijn van twintig kalenderdagen, vermeld in artikel 117, verstreken is.

§ 2. Het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor bepaalde duur wordt ontslagen als hij één definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen.

§ 3. Het ontslag wordt uitgesproken door de Vlaamse Regering.

Afdeling IV. - De evaluatieperiode

Art. 120.

§ 1. Elk personeelslid dat tijdelijk is aangesteld of vast benoemd is in het ambt van inspecteur moet eenmaal per jaar geëvalueerd worden in de eerste drie jaar van zijn loopbaan bij de inspectie.

De evaluatie van de proeftijd wordt beschouwd als een evaluatie.

§ 2. Vanaf het vierde jaar moet het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld of vast benoemd is in het ambt van inspecteur minstens om de drie jaar geëvalueerd worden, tenzij het personeelslid vraagt om sneller geëvalueerd te worden.

Als een personeelslid dat vast benoemd is in het ambt van inspecteur een definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende krijgt, moet het na één jaar opnieuw geëvalueerd worden.

§ 3. Het personeelslid dat een mandaat bekleedt of tijdelijk is aangesteld in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal moet jaarlijks worden geëvalueerd.

§ 4. De eindevaluatie van het mandaat vervangt in het desbetreffend jaar de evaluatie zoals bedoeld in § 3.

§ 5. Indien er geen evaluatie heeft plaatsgevonden, wordt de evaluatie geacht gunstig te zijn.

HOOFDSTUK VIII. - Preventieve schorsing

Art. 121.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de personeelsleden die :

- tijdelijk zijn aangesteld voor onbepaalde duur;

- tot de proeftijd zijn toegelaten;

- vast benoemd zijn.

Art. 122.

Met behoud van de bepalingen inzake preventieve schorsing bij een ontslag om dringende redenen zoals vermeld in artikel 87, § 4, artikel 96 en artikel 105, is een preventieve schorsing alleen mogelijk indien het personeelslid tuchtrechtelijk of strafrechtelijk wordt vervolgd en zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst. De preventieve schorsing is een bewarende maatregel, uitgesproken door de Vlaamse Regering, en mag, behoudens bij strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, niet meer dan één jaar bedragen.

[Wanneer het personeelslid strafrechtelijk vervolgd wordt of wanneer het personeelslid tuchtrechtelijk vervolgd wordt wegens een ernstig vergrijp waarbij het personeelslid op heterdaad betrapt is of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn, kan de Vlaamse Regering beslissen tot een inhouding van salaris. Er mag niet meer dan een vijfde van het laatste bruto-activiteitssalaris of het laatste bruto-wachtgeld worden afgehouden. De afhouding van het salaris of van het wachtgeld mag niet tot gevolg hebben dat het salaris of het wachtgeld van het personeelslid verminderd wordt tot een bedrag, dat lager is dan het belastbare nettobedrag van de werkloosheidsuitkering, waarop de betrokkene recht zou hebben, als hij het voordeel zou genieten van het stelsel van sociale zekerheid van werknemers.

Indien in aansluiting op een preventieve schorsing met afhouding van salaris beslist wordt geen tuchtstraf of de tuchtstraf blaam op te leggen, wordt het afgehouden salaris betaald.

Indien in aansluiting op een preventieve schorsing met afhouding van salaris een tuchtstraf opgelegd wordt waar een salarisverlies aan verbonden is, dan wordt het bedrag van het tijdens de preventieve schorsing afgehouden salaris in mindering gebracht op het bedrag van het salarisverlies verbonden aan de tuchtstraf. Indien het bedrag van het afgehouden salaris groter is dan het bedrag van het salarisverlies verbonden aan de tuchtstraf, wordt het verschil aan de betrokkene betaald.]

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de preventieve schorsing. Dit besluit garandeert het recht van verdediging.

Decr. 9-7-2010

Art. 123.

Het personeelslid kan tegen de preventieve schorsing [of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris,] in beroep gaan bij de raad van beroep vermeld in artikel 135. Op straffe van verval dient het beroep ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen volgend op de schriftelijke mededeling van de preventieve schorsing.

Het beroep wordt ingesteld bij bezwaarschrift.

De procedure, vermeld in artikel 138, is van toepassing.

Decr. 1-7-2011

HOOFDSTUK IX. - Tuchtregeling

Art. 124.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de personeelsleden die :

- tijdelijk zijn aangesteld voor onbepaalde duur;

- tot de proeftijd zijn toegelaten;

- vast benoemd zijn.

Afdeling I. - Tuchtstraffen

Art. 125.

§ 1. In geval van tekortkoming aan zijn plichten kan het personeelslid één van de volgende tuchtstraffen worden opgelegd :

1° blaam;

2° afhouding van salaris;

3° schorsing bij tuchtmaatregel;

4° terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel;

5° ontslag;

6° afzetting.

§ 2. [Een tuchtmaatregel is definitief op het ogenblik dat de Vlaamse Regering de tuchtstraf definitief heeft uitgesproken of op het ogenblik dat de raad van beroep na een beroepsprocedure een eenparig advies heeft uitgebracht.]

Decr. 9-7-2010

Art. 126.

Een coördinerend inspecteur stelt de tuchtstraf van een inspecteur voor.

De inspecteur-generaal stelt de tuchtstraf van een coördinerend inspecteur voor.

De minister bevoegd voor onderwijs stelt de tuchtstraf van de inspecteur-generaal voor.

De Vlaamse Regering spreekt de tuchtstraf definitief uit.

[In beroep wordt een tuchtstraf uitgesproken door :

1° de Vlaamse Regering, als de raad van beroep geen eenparig advies heeft uitgebracht;

2° de raad van beroep, als de raad van beroep een eenparig advies heeft uitgebracht.]

Decr. 9-7-2010

Art. 127.

Afhouding van het salaris wordt toegepast gedurende ten minste een maand en ten hoogste twaalf maanden en mag niet meer dan een vijfde van het laatste brutoactiviteitssalaris of het laatste brutowachtgeld bedragen.

Art. 128.

De schorsing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor ten hoogste één jaar. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd, maar blijft in de administratieve stand waarin het zich bevond op de dag voor de schorsing.

De schorsing bij tuchtmaatregel heeft de halvering van het laatste brutoactiviteitssalaris of het laatste brutowachtgeld tot gevolg.

Art. 129.

De terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel mag niet minder dan één jaar duren en niet langer dan twee jaar.

Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en ontvangt een wachtgeld ten bedrage van de helft van zijn laatste brutoactiviteitssalaris of zijn laatste brutowachtgeld.

Art. 130.

De afhouding of de halvering van het salaris of van het wachtgeld of de toekenning van een wachtgeld mag niet tot gevolg hebben dat het salaris of het wachtgeld van het personeelslid verminderd wordt tot een bedrag, dat lager is dan het belastbare nettobedrag van de werkloosheidsuitkering, waarop de betrokkene recht zou hebben, als hij het voordeel zou genieten van het stelsel van sociale zekerheid van werknemers.

Art. 131.

In geval van ontslag of afzetting bij tuchtmaatregel wordt het personeelslid dat tot de proeftijd is toegelaten of het vastbenoemd personeelslid definitief uit zijn ambt verwijderd na een opzeggingstermijn waarvan de duur wordt vastgesteld afhankelijk van het aantal arbeidsdagen dat vereist is om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen in het kader van de werkloosheidsreglementering en van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.

Tijdens die opzeggingstermijn wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en wordt het met een opdracht belast. Het personeelslid geniet het brutoactiviteitssalaris of het brutowachtgeld dat verbonden is aan het ambt waarin het vast benoemd was.

Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.

Art. 132.

Het personeelslid kan binnen twintig kalenderdagen, ingaande op de dag waarop hem een tuchtstraf ter visering is voorgelegd, hiertegen beroep aantekenen bij de raad van beroep, vermeld in artikel 135, volgens de procedure, vermeld in artikel 138.

Het beroep wordt ingesteld bij bezwaarschrift.

Het beroep heeft een opschortende werking.

Art. 133.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitoefening van de tuchtmacht, alsmede de toepasselijke procedure.

Het besluit, vermeld in het eerste lid, garandeert het recht van verdediging.

Afdeling II. - Doorhaling van tuchtstraffen

Art. 134.

§ 1. De doorhaling van de tuchtstraf gebeurt, het ontslag en de afzetting uitgezonderd, van rechtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op :

1°één jaar voor de blaam;

2° drie jaar voor de afhouding van het salaris;

3° vijf jaar voor de tuchtschorsing;

4° zeven jaar voor de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel.

De periode loopt vanaf de datum van de tuchtuitspraak.

§ 2. De doorhaling heeft tot gevolg dat met de doorgehaalde tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden. De doorgehaalde tuchtstraf wordt uit het personeelsdossier verwijderd.

Afdeling III. - Raad van beroep

Art. 135.

Bij het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming wordt een raad van beroep ingesteld, bevoegd voor de inspecteurs, de coördinerend inspecteurs, en de inspecteur-generaal.

Art. 136.

De raad van beroep heeft tot opdracht advies uit te brengen in beroepsprocedures tegen :

1° een tuchtstraf;

2° een evaluatie met eindconclusie onvoldoende, met uitzondering van deze van de inspecteur-generaal;

3° een voorstel tot ontslag na de beëindiging van de proeftijd;

4° een ontslag om dringende redenen;

5° een preventieve schorsing [of, als dat van toepassing is, tegen de afhouding van salaris].

De raad van beroep heeft een adviserende bevoegdheid. Bij eenparigheid is het advies van de raad van beroep bindend en neemt de raad van beroep de eindbeslissing.

Decr. 1-7-2011

Art. 137.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen inzake de samenstelling en de uitoefening van het mandaat van de leden van de raad van beroep, met dien verstande dat :

1° de raad van beroep wordt voorgezeten door een onafhankelijk persoon;

2° er een pariteit is tussen de vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties en de vertegenwoordigers van de inspectie.

De Vlaamse Regering wijst de voorzitter en zijn plaatsvervanger aan. Hij wijst eveneens de leden en hun plaatsvervangers aan.

Art. 138.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels betreffende de procedure voor het instellen en behandelen van het beroep. Zij bepaalt eveneens de nadere regels voor de vergoedingen, de werking van de raad van beroep, de procedure en de redenen tot wraking, met dien verstande dat de rechten van verdediging tijdens de procedure worden gewaarborgd.

HOOFDSTUK X. - Administratieve standen

Afdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 139.

De administratieve standen waarin een personeelslid zich geheel of gedeeltelijk kan bevinden zijn :

1° dienstactiviteit;

2° non-activiteit;

3° terbeschikkingstelling.

Art. 140.

Een personeelslid wordt voor de vaststelling van zijn administratieve stand altijd geacht zich in dienstactiviteit te bevinden, behoudens een uitdrukkelijke bepaling die het personeelslid van rechtswege of bij beslissing van de Vlaamse Regering in een andere administratieve stand plaatst.

Afdeling II. - Dienstactiviteit

Art. 141.

Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepalingen heeft het personeelslid in dienstactiviteit recht op een salaris en op een verhoging van het salaris.

Art. 142.

Het personeelslid krijgt onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden verlof, gelijkgesteld met dienstactiviteit.

In afwachting van de uitvaardiging van die verlofstelsels door de Vlaamse Regering blijven de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet geldende wettelijke of reglementaire verlofstelsels van toepassing.

[Als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering uitgevaardigde verlofstelsels wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten verlof het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar, enkel voor de bezoldiging, een aantal kalenderdagen eveneens als dergelijk verlof wordt beschouwd. De aldus met een periode van verlof gelijkgestelde dagen worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van verlof waarop het personeelslid nog recht heeft. Voor het berekenen van dit aantal kalenderdagen :

1° worden het aantal kalenderdagen genoten verlof opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;

2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;

3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.]

De Vlaamse Regering bepaalt eveneens de prestatieregeling van de personeelsleden.

Decr. 17-6-2016

Afdeling III. - Non-activiteit

Art. 143.

Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepalingen heeft het personeelslid in de stand non-activiteit geen recht op een salaris. Het personeelslid kan alleen onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden aanspraak maken op een salarisverhoging.

Art. 144.

Onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden is het personeelslid in de stand non-activiteit als :

1° het in vredestijd sommige militaire prestaties vervult of voor de civiele bescherming of voor taken van openbaar nut wordt aangewezen op grond van de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980;

2° een afwezigheid van lange duur die gewettigd is door familiale redenen, wordt toegestaan;

3° het personeelslid afwezig is op grond van een machtiging om zijn ambt met verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden uit te oefenen, in dit geval is het personeelslid in non-activiteit voor de niet-uitgeoefende prestaties;

4° het met politiek verlof is, met inbegrip van de periode van eventuele uitgestelde indiensttreding na de beëindiging van het mandaat.

In afwachting dat de Vlaamse Regering de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, vastlegt, gelden voor de personeelsleden de bepalingen die van toepassing zijn op de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.

Art. 145.

Ongewettigde afwezigheid plaatst het personeelslid ambtshalve in de stand non-activiteit.

Tijdens de periodes van ongewettigde afwezigheid kan het personeelslid zijn aanspraak op verhoging van het salaris en op een ander ambt niet doen gelden.

Afdeling IV. - Terbeschikkingstelling

Art. 146.

Het personeelslid kan, onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden, ter beschikking worden gesteld wegens :

1° ziekte;

2° persoonlijke aangelegenheden;

3° persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen.

Een personeelslid dat ter beschikking gesteld is om de reden, vermeld in het eerste lid, 1°, kan gedurende twee jaar zijn aanspraak op een ander ambt en op bevordering tot een hoger salaris doen gelden.

In afwachting dat de Vlaamse Regering de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, vaststelt, gelden voor de personeelsleden de bepalingen die van toepassing zijn op de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.

[Als in de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering uitgevaardigde verlofstelsels wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar, enkel voor de bezoldiging, een aantal kalenderdagen eveneens als dergelijk verlof wordt beschouwd. De aldus met een periode van verlof gelijkgestelde dagen worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van verlof waarop het personeelslid nog recht heeft. Voor het berekenen van dit aantal kalenderdagen :

1° worden het aantal kalenderdagen genoten verlof opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;

2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;

3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.]

Decr. 17-6-2016

Art. 147.

Niemand kan ter beschikking gesteld of gehouden worden wegens ziekte [vanaf de datum waarop hij aanspraak kan maken op een rustpensioen] en dertig dienstjaren telt die in aanmerking komen voor de berekening van het rustpensioen.

Decr. 21-12-2012

Art. 148.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een personeelslid ter beschikking gesteld wordt om de redenen, vermeld in artikel 146, eerste lid, 1°, 2°, en 3°.

Het wachtgeld, de toelagen en de vergoedingen die eventueel aan dat personeelslid wordt toegekend, zijn onderworpen aan de mobiliteitsregeling die geldt voor de bezoldiging van een personeelslid in dienst-activiteit.

HOOFDSTUK XI. - Definitieve ambtsneerlegging

Art. 149.

§ 1. Voor zover dat niet anders is bepaald, wordt het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld, tot de proeftijd is toegelaten, vastbenoemd is of een mandaat bekleedt, zonder opzegging uit zijn ambt ontslagen als :

1° hij niet meer voldoet aan een van de volgende voorwaarden :

a) onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;

b) de burgerlijke en politieke rechten genieten;

c) voldoen aan de dienstplichtwetten;

2° hij na een geoorloofde afwezigheid zonder geldige redenen, behoudens overmacht, zijn dienst niet hervat en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijft;

3° hij zonder geldige redenen zijn betrekking verlaat en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijft;

4° hij zich bevindt in een van de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten, de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;

5° is vastgesteld dat hij wegens een overeenkomstig de wet, het decreet of een reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is zijn ambt naar behoren te vervullen.

§ 2. Met behoud van de toepassing van de bepalingen in § 1, wordt een vastbenoemd personeelslid uit zijn ambt ontslagen als :

1° hij gedurende twee opeenvolgende evaluaties of drie keer tijdens de loopbaan in hetzelfde ambt bij de inspectie een definitieve evaluatie met eindconclusie onvoldoende heeft gekregen;

2° hij wordt ontslagen of afgezet na een tuchtmaatregel.

Bij ontslag van een vastbenoemd personeelslid op grond van § 2, 1° en 2°, wordt een opzeggingstermijn bepaald waarvan de duur wordt vastgesteld volgens het aantal arbeidsdagen dat vereist is om aanspraak te kunnen maken op uitkeringen in het kader van de werkloosheidsreglementering en van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.

Tijdens die opzeggingstermijn :

1° wordt het personeelslid beschouwd als tijdelijk aangesteld in zijn ambt;

2° geniet het personeelslid het brutoactiviteitssalaris dat verbonden is aan het ambt waarin het vastbenoemd was.

Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.

Art. 150.

Voor zover dat niet anders is bepaald, geven de volgende situaties voor een tijdelijk aangesteld, tot de proeftijd toegelaten en een vastbenoemd personeelslid eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging of tot beëindiging van de tijdelijke aanstelling :

1° het vrijwillige ontslag. De opzeggingstermijn bedraagt vijftien kalenderdagen, tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen. Het personeelslid deelt het vrijwillig ontslag mee per aangetekende brief;

2° de pensionering wegens het bereiken van de leeftijdsgrens.

[In afwijking van artikel 150, eerste lid, 2°, en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 62, § 2 en § 3, eindigt de aanstelling niet na het bereiken van de leeftijdsgrens indien het betrokken personeelslid en de inspecteur-generaal overeenkomen de aanstelling te verlengen. Dergelijke verlenging van de aanstelling geldt telkens enkel voor de duur van maximum één jaar.]

Decr. 21-12-2012

Art. 151.

Voor zover dat niet anders is bepaald, geven de volgende situaties voor een personeelslid dat een mandaat bekleedt, eveneens aanleiding tot beëindiging van het mandaat :

1° het vrijwillige ontslag. De opzeggingstermijn zoals vermeld in artikel 87, § 1, moet worden nageleefd;

2° de pensionering wegens het bereiken van de leeftijdsgrens.

[In afwijking van artikel 151, eerste lid, 2°, en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 62, § 2 en § 3, eindigt het mandaat niet na het bereiken van de leeftijdsgrens indien het betrokken personeelslid en de inspecteur-generaal overeenkomen het mandaat te verlengen. Dergelijke verlenging van het mandaat geldt telkens enkel voor de duur van maximum één jaar.]

Decr. 21-12-2012

Art. 152.

De Vlaamse Regering bezorgt de gemotiveerde beslissing tot ontslag met toepassing van artikel 149 aan het personeelslid per aangetekende brief.

HOOFDSTUK XII. - Bezoldigingsregeling

Art. 153.

[Met behoud van de toepassing van de bepalingen van de geldelijke rechtspositie, zoals vermeld in de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs] blijven het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs en de ter uitvoering ervan genomen bepalingen van toepassing op de leden van de inspectie.

B.Vl.R. 28-10-2016

DEEL IV. - WIJZIGINGS-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

TITEL I. - Wijzigingsbepalingen met betrekking tot de pedagogische begeleidingsdiensten

HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs

...

HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding

...

TITEL II. - Wijzigingsbepalingen met betrekking tot het syndicaal statuut

...

Art. 185.

In afwijking van artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 september 1984, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2007, wordt met betrekking tot de materies, bedoeld in artikel 11, § 1 en § 2, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, een onderhandelingscomité opgericht. De coördinerend inspecteur-generaal en met ingang van 1 september 2009 de inspecteur-generaal of zijn gemandateerde zit dit onderhandelingscomité voor.

TITEL III. - Overige wijzigingsbepalingen

HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving

...

HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs

...

HOOFDSTUK III. - Wijzigingen in het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV

...

HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken

...

HOOFDSTUK V. - Wijzigingen in het decreet van 16 april 1996 betreffende het mentorschap en de nascholing in Vlaanderen

...

HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen in het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997

...

HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen in het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs

...

HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingen in het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding

...

HOOFDSTUK IX. - Wijzigingen in het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek

...

HOOFDSTUK X. - Wijzigingen in het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen

...

HOOFDSTUK XI. - Wijzigingen aan het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs

...

HOOFDSTUK XII. - Wijzigingen aan het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap

...

TITEL IV. - Opheffings- en overgangsbepalingen

Art. 215.

In afwachting van de vaststelling door de Vlaamse Regering van de nadere regels vermeld in artikel 12, blijft het besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 1996 tot regeling van de procedure voor de toewijzing van nascholingsprojecten op initiatief van de Vlaamse Regering van toepassing.

Art. 216.

Het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, wordt opgeheven.

Art. 217.

In afwijking van artikel 28, § 3 en § 4 van onderhavig decreet, wordt het krediet, vermeld in artikel 28, § 1, aan de pedagogische begeleidingsdiensten die in uitvoering van artikel 92ter van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten een samenwerkingsovereenkomst gesloten hebben, toegekend gedurende de resterende looptijd van deze overeenkomst, indien voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld door artikel 92ter van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten.

[In afwijking van artikel 28, § 4, wordt de in 2008 afgesloten vijfjaarlijkse samenwerkingsovereenkomst tussen de Vlaamse Regering en de pedagogische begeleidingsdiensten over de aanwending van de toegekende middelen en de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 28, § 1, verlengd tot uitvoering is gegeven aan de evaluatie, zoals vermeld in artikel 30. Deze verlenging kan maximum twee jaar duren.]

Decr. 19-7-2013

Art. 218.

§ 1. De personeelsleden van de inspectie die op 31 augustus 2009 als coördinerend inspecteur op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten tijdelijk zijn aangesteld, een mandaat bekleden of vastbenoemd zijn, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk tijdelijk aangesteld, mandaathouder of vastbenoemd in het ambt van coördinerend inspecteur, indien ze werden aangesteld conform artikel 34 tot en met 47 van voornoemd decreet. Ze behouden de salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten verbonden aan het ambt van coördinerend inspecteur, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling voor dat ambt gunstiger is.

De personeelsleden van de inspectie die op 31 augustus 2009 als inspecteur-generaal basisonderwijs of inspecteur-generaal secundair onderwijs op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten tijdelijk zijn aangesteld, een mandaat bekleden of vastbenoemd zijn, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk tijdelijk aangesteld, mandaathouder of vastbenoemd in het ambt van coördinerend inspecteur, indien ze werden aangesteld conform artikel 34 tot en met 47 van voornoemd decreet. Ze behouden de salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten verbonden aan het ambt van inspecteur-generaal basisonderwijs of inspecteur-generaal secundair onderwijs, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling voor het ambt van coördinerend inspecteur gunstiger is.

De diensten tot 31 augustus 2009 gepresteerd in het ambt van coördinerend inspecteur, van inspecteur-generaal basisonderwijs of inspecteur-generaal secundair onderwijs worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van coördinerend inspecteur.

§ 2. Het personeelslid dat op 31 augustus 2009 als coördinerend inspecteur-generaal op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten vastbenoemd is, wordt vanaf 1 september 2009 beschouwd als vastbenoemd in het ambt van inspecteur-generaal. Het behoudt de salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten verbonden aan het ambt van coördinerend inspecteur-generaal, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling voor het ambt van inspecteur-generaal gunstiger is.

De diensten tot 31 augustus 2009 gepresteerd in het ambt van coördinerend inspecteur-generaal worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur-generaal.

§ 3. De personeelsleden vermeld in § 1, worden op hun verzoek de eerste dag van de maand volgend op hun verzoek vastbenoemd in het ambt van coördinerend inspecteur indien zij :

- de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt;

- ten minste vier jaar het mandaat van coördinerend inspecteur hebben uitgeoefend of ten minste vier jaar tijdelijk zijn aangesteld in voormelde ambt.

§ 4. De personeelsleden vermeld in § 1 en die gebruik maken van de benoemingsmogelijkheid voorzien in § 3, behouden ook na hun benoeming de salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten die hen op basis van § 1 werd toegekend.

§ 5. De personeelsleden die in toepassing van § 1, tweede lid, geconcordeerd worden in het ambt van coördinerend inspecteur en die voorheen bij mandaat waren aangesteld in het ambt van inspecteur-generaal basisonderwijs of in het ambt van inspecteur-generaal secundair onderwijs mogen ten persoonlijken titel verder de naam van het ambt gebruiken dat zij op 31 augustus 2009 uitoefenden en dit ook nadat zij in toepassing van § 3 vastbenoemd worden in het ambt van coördinerend inspecteur.

Art. 219.

De personeelsleden van de inspectie die op 31 augustus 2009 tijdelijk zijn aangesteld, tot de proeftijd zijn toegelaten of vastbenoemd zijn in het ambt van inspecteur basisonderwijs, inspecteur secundair onderwijs, inspecteur kunstonderwijs, inspecteur volwassenenonderwijs of inspecteur van de centra op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk tijdelijk aangesteld, tot de proeftijd toegelaten of vastbenoemd in het ambt van inspecteur. Ze behouden hun salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling gunstiger is.

De diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur basisonderwijs, inspecteur secundair onderwijs, inspecteur kunstonderwijs, inspecteur volwassenenonderwijs of inspecteur van de centra worden beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur.

Art. 220.

In afwijking van artikel 62, wordt, zolang er kandidaten zijn opgenomen op een lijst, vermeld in artikel 28 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten en voor zover de periode van vier jaar te rekenen vanaf de datum van het afsluiten van de werkzaamheden van de selectiecommissie nog niet verstreken is, aan deze kandidaten prioritair de mogelijkheid geboden om zich kandidaat te stellen wanneer er een vacature ontstaat voor het ambt van inspecteur. Zij worden vrijgesteld van de eerste fase van de selectieprocedure. Zij ontvangen een oproep zoals vermeld in artikel 65, § 1. De bepalingen, vermeld in artikel 65, § 1 tot en met § 6, zijn van toepassing. Indien er zich geen enkele kandidaat uit voormelde lijst kandidaat stelt of indien er geen enkele kandidaat geslaagd is in de tweede fase van de selectie, wordt de selectieprocedure, vermeld in artikel 63 tot en met 65, gevolgd.

Art. 221.

Personeelsleden van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling die op 31 augustus 2009 vastbenoemd, tot de proeftijd zijn toegelaten of tijdelijk zijn aangesteld in het ambt van adviseur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling of in het ambt van navorser bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden vanaf 1 september 2009 beschouwd als respectievelijk vastbenoemd, tot de proeftijd toegelaten of tijdelijk aangesteld in het ambt van inspecteur. Ze behouden hun salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten, tenzij de nieuwe bezoldigingsregeling gunstiger is.

De diensten gepresteerd in het ambt van adviseur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling of navorser bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling worden beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van inspecteur.

Art. 222.

Het personeelslid dat op 31 augustus 2009 vastbenoemd is in het ambt van directeur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling op basis van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, wordt vanaf 1 september 2009 beschouwd als vastbenoemd in het ambt van coördinerend inspecteur. Hij behoudt daarbij de salarisschaal en forfaitaire vergoeding voor reis-, verblijfs- en werkingskosten verbonden aan het ambt van directeur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling, tenzij de bezoldigingsregeling verbonden aan het ambt van coördinerend inspecteur gunstiger is. Hij mag eveneens ten persoonlijken titel verder de naam van het ambt gebruiken dat hij op 31 augustus 2009 uitoefende.

De diensten gepresteerd in het ambt van directeur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling worden beschouwd als diensten gepresteerd in het ambt van coördinerend inspecteur.

Art. 223.

De personeelsleden die op 31 augustus 2009 een verlof wegens bijzondere opdracht of een verlof wegens opdracht uitoefenen bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling of bij de inspectie, krijgen op hun vraag, mits toestemming van hun inrichtende macht en mits instemming van de leidinggevende van een dienst van de Vlaamse Regering tot 31 augustus 2011 een verlof wegens opdracht bij die dienst.

Art. 224.

In afwijking van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 1991 tot uitvoering van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden de kandidaten die geslaagd zijn in de proef, vermeld in artikel 23 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, vanaf 1 mei 2009, ambtshalve toegelaten tot de proeftijd in het ambt van onderwijsadviseur bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling.

[De prestaties die door de personeelsleden, vermeld in het eerste lid, worden uitgeoefend binnen een door de Vlaamse Regering aangeduide dienst en die slaan op opdrachten die tot 31 augustus 2009 behoorden tot de opdrachten van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling, vermeld in artikel 9, § 1, van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, worden beschouwd als effectieve prestaties tijdens de proeftijd in het ambt van inspecteur, zoals vermeld in artikel 70.]

Decr. 9-7-2010

Art. 225.

Er kunnen geen personeelsleden tot de proeftijd toegelaten of vastbenoemd worden in het ambt van inspecteur, zolang het percentage, vermeld in artikel 62, § 2, bereikt of overschreden is.

[In afwijking van het eerste lid kunnen de personeelsleden die op 31 augustus 2009 tot de proeftijd toegelaten zijn, vastbenoemd worden na het doorlopen van de proeftijd als de evaluatie van de proeftijd wordt afgesloten met het gemotiveerd voorstel tot benoeming in vast verband of als na toepassing van artikel 73 respectievelijk de raad van beroep of de Vlaamse Regering beslist heeft om het voorstel tot ontslag te verwerpen.]

Decr. 9-7-2010

TITEL V. - Slotbepaling

Art. 226.

Dit decreet treedt in werking op 1 september 2009, met uitzondering van :

1° artikel 26, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2009;

2° artikel 185, dat uitwerking heeft met ingang van 1 april 2009;

3° artikel 224, dat uitwerking heeft met ingang van 1 mei 2009.