Besluit van de Vlaamse Regering tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet

  • goedkeuringsdatum
    26 juli 2016
  • publicatiedatum
    B.S.03/08/2016
  • datum laatste wijziging
    18/10/2017

COORDINATIE

B.Vl.R. 22-9-2017 - B.S. 18-10-2017

De Vlaamse Regering,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 87, § 1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, en § 3, vervangen bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 en gewijzigd bij de bijzondere wet van 6 januari 2014;

Gelet op de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, artikel 99, het laatst gewijzigd bij de wet van 21 februari 2010, artikel 100, het laatst gewijzigd bij de wet 30 december 2001, artikel 105, § 1, het laatst gewijzigd bij de wet van 30 december 2009;

Gelet op het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen;

Gelet op het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra;

Gelet op het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 22 september 1998 houdende instelling van een aanmoedigingspremie voor loopbaanonderbreking voor de personeelsleden van de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalig onderwijs in het raam van de maatregelen tot herverdeling van de arbeid;

Gelet op het protocol nr. 8 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de gemeenschappelijke vergaderingen van de sectorcomités XVIII en X, het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (Comité C), afdeling 1, onderafdeling "Vlaams Gewest en Vlaamse Gemeenschap" en het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (comité C), afdeling 2, onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap", het Overkoepelend Onderhandelingscomité Vrij Gesubsidieerd Onderwijs, het Vlaams Onderhandelingscomité voor het Hoger Onderwijs en het Vlaams Onderhandelingscomité voor de Basiseducatie van 17 juni 2016;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 7 maart 2016;

Gelet op advies 59.633/1/V van de Raad van State, gegeven op 25 juli 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. - Definities

Artikel 1.

In dit besluit wordt verstaan onder :

1° voltijdse arbeidsregeling : de voltijdse arbeidsregeling die van toepassing is op het personeelslid en die bepaald is in het statuut, de arbeidsovereenkomst of de uitvoeringsbesluiten.

2° onderbreking : de volledige of gedeeltelijke onderbreking van de arbeidsprestaties;

3° zorgkrediet : onderbreking van de arbeidsprestaties waarvoor een onderbrekingsuitkering wordt toegekend op basis van de voorwaarden bepaald in dit besluit;

4° departement : het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie.

5° kind : het kind waarvan de afstamming van het personeelslid, of de partner met wie het personeelslid gehuwd is of een verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd vaststaat of [het kind van wie het personeelslid, of de partner met wie het personeelslid gehuwd is of een verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd de pleegvoogd is vermeld in artikel 475ter tot en met 475septies van het Burgerlijk Wetboek of] het pleegkind zoals bedoeld in het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van de pleegzorg.

B.Vl.R. 22-9-2017

HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied

Art. 2.

Dit besluit is van toepassing op :

1° de personeelsleden van de Diensten Vlaamse Overheid die vallen onder het Vlaams Personeelsstatuut van 13 januari 2006;

2° de personeelsleden vermeld in artikel 2 § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;

3° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;

4° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;

5° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;

6° de personeelsleden, vermeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;

7° de contractuele personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;

8° de personeelsleden van de universiteiten en de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

9° de personeelsleden van provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de publiekrechtelijke agentschappen en verenigingen die ervan afhangen, alsook de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden;

10° de personeelsleden van SERV zoals bepaald door de raad ter uitvoering van artikel 7, § 3, 6bis, van het decreet van 7 mei 2004 inzake de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;

11° de personeelsleden van het UZ Gent zoals bepaald door de raad van bestuur ter uitvoering van artikel 6, § 2, 1° van het koninklijk besluit nr. 542 van 31 maart 1987 houdende de organisatie, de werking en het beheer van de rijksuniversitaire ziekenhuizen van Gent en Luik;

12° de personeelsleden van de Vlaamse Gemeenschapscommissie;

13° de personeelsleden van de VRT, vermeld in artikel 27 en 28 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie;

14° de personeelsleden van de Maatschappij van de Brugse Zeehaven;

15° de personeelsleden van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 2000 houdende organisatie van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en de regeling van de rechtspositie van het personeel;

16° de personeelsleden van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2013 tot vaststelling van de regeling van de rechtspositie van het personeel van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde;

17° het secretariaatspersoneel van het Vlaams Fonds voor de letteren zoals bepaald door het dagelijks bestuur ter uitvoering van artikel 9, § 5 van het decreet van 30 maart 1999 houdende de oprichting van een Vlaams Fonds voor de letteren;

18° het personeel van de Vlaamse bestuursrechtscolleges, vermeld in het Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende overdracht van personeel van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges naar de dienst van de Bestuursrechtscolleges en tot vaststelling van de rechtspositie van dit personeel en van de bestuursrechters van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges;

[19° de personeelsleden van het Eigen Vermogen Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek, vermeld in artikel 39 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006;

20° de personeelsleden van het Eigen Vermogen Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, vermeld in artikel 30 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006;

21° de personeelsleden van Natuurinvest, Ondersteunend Centrum van het Agentschap voor Natuur en Bos, vermeld in artikel 34 van het decreet van 19 mei 2006 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en energie;

22° de personeelsleden van het Eigen Vermogen Flanders Hydraulics, vermeld in artikel 5 van het decreet van 31 januari 2003 betreffende de oprichting van een Eigen Vermogen "Flanders Hydraulics";

23° de personeelsleden van het Eigen Vermogen Informatie Vlaanderen, vermeld in artikel 9 van het decreet van 15 januari 2016 houdende diverse maatregelen inzake de ontbinding van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen en de oprichting van het Eigen Vermogen Informatie Vlaanderen;

24° de personeelsleden van het Eigen Vermogen van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, vermeld in de wet van 27 juni 1930 waarbij de rechtspersoonlijkheid wordt verleend aan de wetenschappelijke instellingen en kunstinrichtingen welke van het Ministerie van Kunsten en Wetenschappen afhangen of in het koninklijk besluit van 22 september 1931 betreffende het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen - Rechtspersoonlijkheid.]

De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, zijn statutair of contractueel tewerkgesteld.

Dit besluit is niet van toepassing op de personeelsleden vermeld in het eerste lid die aan al de volgende voorwaarden voldoen :

1° ze vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

2° ze vallen onder het toepassingsgebied van het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking.

B.Vl.R. 22-9-2017

HOOFDSTUK 3. - Voorwaarden en modaliteiten

Afdeling 1. - Motief

Art. 3.

Aan een personeelslid wordt een onderbrekingsuitkering toegekend als het zijn arbeidsprestaties onderbreekt om voor een kind te zorgen tot en met de leeftijd van twaalf jaar.

In geval van adoptie kan het zorgkrediet aanvangen vanaf de inschrijving in het bevolkings- of het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn woonplaats heeft.

Art. 4.

Aan een personeelslid wordt een onderbrekingsuitkering toegekend als het zijn arbeidsprestaties onderbreekt om bijstand of verzorging te verlenen aan een zwaar ziek gezins- of familielid.

In het eerste lid wordt verstaan onder :

1° gezinslid : elke persoon die samenwoont met het personeelslid;

2° familielid : zowel de bloed- en aanverwanten tot de tweede graad van het personeelslid als de bloed- en aanverwanten tot de tweede graad van de persoon met wie het personeelslid getrouwd is of een verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd conform artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek;

3° zware ziekte : elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende arts als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de arts oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging noodzakelijk is.

Art. 5.

Aan een personeelslid wordt een onderbrekingsuitkering toegekend als het zijn arbeidsprestaties onderbreekt om palliatieve verzorging te verlenen.

In het eerste lid wordt onder palliatieve verzorging verstaan :

elke vorm van bijstand, meer bepaald van medische, sociale, administratieve en psychologische bijstand aan en verzorging van een persoon die lijdt aan een ongeneeslijke ziekte en die zich in een terminale fase bevindt.

Art. 6.

Aan een personeelslid wordt een onderbrekingsuitkering toegekend als het zijn arbeidsprestaties onderbreekt om zorg te dragen voor een kind met handicap.

In het eerste lid wordt onder een kind met handicap een van de volgende kinderen verstaan :

1° een kind dat voor ten minste 66% getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid;

2° een kind dat een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal als vermeld in de regelgeving betreffende de kinderbijslag;

3° een kind dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of voor wie Integrale Jeugdhulp een indicatiestellingsverslag heeft afgeleverd met een of meer geldige typemodules in het kader van de handicap.

Art. 7.

Aan een personeelslid wordt een onderbrekingsuitkering toegekend als het zijn arbeidsprestaties onderbreekt om een opleiding te volgen die voldoet aan een van de volgende vereisten :

1° elke vorm van onderwijs en opleiding die georganiseerd, gefinancierd, gesubsidieerd of erkend wordt door de Vlaamse overheid, waarvan het programma minimaal 120 contacturen of negen studiepunten op jaarbasis omvat;

2° elke opleiding die georganiseerd wordt door een opleidingsverstrekker die erkend is krachtens het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 betreffende de opleidingscheques voor werknemers of het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2008 tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote ondernemingen voor ondernemerschapsbevorderende diensten, waarvan het programma minimaal 120 contacturen of negen studiepunten op jaarbasis omvat.

Afdeling 2. - Duur van het zorgkrediet

Art. 8.

Het personeelslid ontvangt een onderbrekingsuitkering voor de onderbreking van zijn arbeidsprestaties, met al dan niet opeenvolgende periodes, gedurende een van de volgende termijnen :

1° 18 maanden in geval van volledige onderbreking van de arbeidsprestaties;

2° 36 maanden bij onderbreking tot de helft van een normale voltijdse arbeidsregeling;

3° 90 maanden bij onderbreking van de voltijdse arbeidsprestaties met een vijfde.

Als het personeelslid een onderbrekingsuitkering voor de onderbreking van zijn arbeidsprestaties ontvangt, heeft het de mogelijkheid om gebruik te maken van de modaliteiten uit het eerste lid. Bij wijziging van opnamevorm moet er rekening mee worden gehouden dat één maand onderbreking van de arbeidsprestaties gelijk is aan twee maanden halftijdse onderbreking van de arbeidsprestaties en gelijk is aan vijf maanden onderbreking van de arbeidsprestaties met een vijfde.

Bij de berekening van het resterende krediet wordt afgerond op de hogere maandeenheid.

Om de maximale termijn van de onderbreking, vermeld in het eerste lid, te bepalen, wordt gerekend vanaf 2 september 2016.

Als het zorgkrediet wordt stopgezet door het departement of op verzoek van het personeelslid voor afloop van de toegekende duur, wordt bij de berekening van het aantal opgenomen maanden afgerond naar de hogere maandeenheid.

Art. 9.

Het personeelslid kan de onderbrekingsuitkering omwille van zorgkrediet voor een periode van minimaal drie en maximaal twaalf maanden aanvragen, waarbij de aanvraag bestaat uit een geheel aantal maanden.

[In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag bestaan uit niet gehele maanden in een van de volgende gevallen :

1° de periode waarvoor zorgkrediet wordt aangevraagd, eindigt de dag voordat het kind voor wie zorgkrediet wordt opgenomen, de leeftijd van dertien jaar bereikt;

2° het zorgkrediet wordt opgenomen om een opleiding te volgen conform artikel 7;

3° het tijdelijke personeelslid vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° of 8°, neemt zorgkrediet op dat start na 1 april en afloopt omdat de tijdelijke aanstelling wordt beëindigd op het einde van het schooljaar.

Een tijdelijk personeelslid als vermeld in artikel 2, eerste lid, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° of 8°, kan zorgkrediet aanvragen voor minder dan drie maanden als het zorgkrediet start na 1 april en afloopt omdat de tijdelijke aanstelling wordt beëindigd op het einde van het schooljaar.]

Als de minimumduur van drie maanden voor een aanvraag het personeelslid verhindert de maximumduur van zijn zorgkrediet op te nemen, wordt de minimumduur verminderd tot één maand.

In afwijking van het eerste lid van dit artikel kan zorgkrediet aangevraagd worden om palliatieve verzorging te verlenen voor minimaal één maand en maximaal drie maanden.

In geval van overlijden van de persoon voor wie het zorgkrediet werd opgenomen, blijft de onderbrekingsuitkering behouden voor de duur van de lopende onderbrekingsperiode tot maximaal zes maanden na de dag van het overlijden.

B.Vl.R. 22-9-2017

Art. 10.

Als het personeelslid geen recht heeft op onderbrekingsuitkeringen omdat het personeelslid niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in dit besluit, wordt de onderbreking van de arbeidsprestaties door het departement niet beschouwd als een opname van zorgkrediet.

HOOFDSTUK 4. - Onderbrekingsuitkeringen

Art. 11.

De onderbrekingsuitkering voor het zorgkrediet bedraagt :

1° 527 euro bruto per volledige maand voor het personeelslid dat zijn voltijdse prestaties volledig onderbreekt. Aan het personeelslid dat een deeltijdse arbeidsregeling volledig onderbreekt, wordt per maand een gedeelte van het bedrag toegekend in verhouding tot de prestaties in die deeltijdse arbeidsregeling;

2° 275 euro bruto per volledige maand voor het personeelslid dat zijn voltijdse prestaties onderbreekt tot de helft. Aan het personeelslid dat een deeltijdse arbeidsregeling onderbreekt tot de helft van een normale voltijdse arbeidsregeling, wordt per maand een gedeelte van het bedrag toegekend in verhouding tot de prestaties in die deeltijdse arbeidsregeling;

3° 131 euro bruto per volledige maand voor het personeelslid dat zijn voltijdse prestaties onderbreekt met een vijfde.

Bij opname van een onvolledige maand wordt het bedrag van de onderbrekingsuitkering in verhouding tot het aantal opgenomen dagen verrekend. De berekening gebeurt als volgt : het aantal dagen waarop zorgkrediet werd opgenomen wordt gedeeld door 30,4. Dit aantal wordt vermenigvuldigd met het brutobedrag van toepassing op de vermindering, rekening houdend met het tewerkstellingspercentage.

Art. 12.

§ 1. De onderbrekingsuitkering voor het zorgkrediet bedraagt voor een alleenstaande ouder :

1° 527 euro bruto per volledige maand voor het personeelslid dat zijn voltijdse prestaties volledig onderbreekt. Aan het personeelslid dat een deeltijdse arbeidsregeling volledig onderbreekt, wordt per maand een gedeelte van het bedrag toegekend in verhouding tot de prestaties in die deeltijdse arbeidsregeling;

2° 330 euro bruto per volledige maand voor het personeelslid dat zijn voltijdse prestaties onderbreekt tot de helft. Aan het personeelslid dat een deeltijdse arbeidsregeling onderbreekt tot de helft van een normale voltijdse arbeidsregeling, wordt per maand een gedeelte van het bedrag toegekend in verhouding tot de prestaties in die deeltijdse arbeidsregeling;

3° 200 euro bruto per volledige maand voor het personeelslid dat zijn voltijdse prestaties onderbreekt met een vijfde.

In het eerste lid wordt verstaan onder alleenstaande ouder : ofwel het personeelslid dat alleen woont en minstens één kind heeft dat recht geeft op kinderbijslag ofwel uitsluitend en daadwerkelijk samenwoont met een of meer van zijn kinderen die allemaal recht geven op kinderbijslag.

§ 2. Bij opname van een onvolledige maand wordt het bedrag van de onderbrekingsuitkering in verhouding tot het aantal opgenomen dagen verrekend. De berekening gebeurt als volgt : het aantal dagen waarop zorgkrediet werd opgenomen wordt gedeeld door 30,4. Dit aantal wordt vermenigvuldigd met het brutobedrag van toepassing op de vermindering, rekening houdend met het tewerkstellingspercentage.

Art. 13.

§ 1. De onderbrekingsuitkeringen worden gekoppeld aan de afgevlakte gezondheidsindex, overeenkomstig het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen met als basis mei 2016 = 100. Bij overschrijding van de spilindex wordt de verhoging toegepast vanaf de eerste maand die volgt op de maand waarvan het indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt.

De toepassing van het eerste lid mag niet leiden tot een nominale vermindering van de onderbrekingsuitkeringen, in de periode van 1 april 2015 tot aan de refertemaand, vermeld in artikel 2, § 4, van het voormelde koninklijk besluit.

§ 2. Het nieuwe bedrag wordt verkregen door de onderbrekingsuitkeringen te vermenigvuldigen met een multiplicator die gelijk is aan 1,0200n, waarbij n overeenstemt met de rang van de bereikte spilindex, zonder dat een intermediaire afronding doorgevoerd wordt. De spilindex die volgt op de spilindex, vermeld in de eerste paragraaf, wordt als rang 1 beschouwd. De multiplicator wordt uitgedrukt in eenheden, gevolgd door vier cijfers. Het vijfde cijfer na de komma wordt weggelaten en leidt tot een verhoging met één eenheid van het vorige cijfer als het vijf of meer is.

Als het bedrag van de onderbrekingsuitkeringen, berekend conform het eerste lid van paragraaf 2, een gedeelte van een cent bevat, wordt het op de hogere of de lagere cent afgerond naargelang het gedeelte meer of minder dan 0,5 is.

HOOFDSTUK 5. - Cumulatie

Art. 14.

§ 1. De onderbrekingsuitkeringen kunnen niet gecumuleerd worden met :

1° een bijkomende activiteit als loontrekkende, behalve als die al, samen met de activiteit waarvoor het zorgkrediet wordt opgenomen, uitgeoefend werd gedurende ten minste drie maanden vóór het begin van de onderbreking van de arbeidsprestaties, vermeld in dit besluit;

2° de uitoefening van een bijkomende zelfstandige activiteit, behalve in geval van volledige onderbreking van de arbeidsprestaties als de zelfstandige activiteit al, samen met de activiteit waarvoor het zorgkrediet wordt opgenomen, uitgeoefend werd gedurende ten minste drie maanden vóór het begin van de volledige onderbreking van de arbeidsprestaties. De cumulatie wordt dan toegelaten gedurende een periode van maximaal twaalf maanden;

3° een werkloosheidsuitkering, behalve als er bij gedeeltelijke onderbreking van de arbeidsprestaties sprake is van tijdelijke werkloosheid. De cumulatie wordt dan toegelaten voor de resterende tewerkstelling tijdens het zorgkrediet;

4° een uitkering voor een volledige of gedeeltelijke onderbreking van de arbeidsprestaties voor dezelfde periode bij dezelfde werkgever ter uitvoering van een of meer van de volgende artikelen :

a) artikel 4, 6, § 3, artikel 7bis of 8, § 2bis, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen;

b) artikel 3, § 2, 3, § 4, of artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra;

c) artikel 9, 10, 11, 11bis, 12 of 13 van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen;

5° een pensioen, met uitzondering van :

a) een overgangsuitkering, overeenkomstig boek I, titel 1, hoofdstuk IIbis, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, hoofdstuk II van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen of hoofdstuk IV van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;

b) een overlevingspensioen gedurende een periode van maximaal twaalf al dan niet opeenvolgende kalendermaanden.

In het eerste lid, 1°, wordt niet verstaan onder een bijkomende activiteit als loontrekkende : een bijkomende activiteit als loontrekkende waardoor het personeelslid onder het toepassingsgebied van dit besluit valt.

In het eerste lid, 2°, wordt verstaan onder bijkomende zelfstandige activiteit : de activiteit waardoor volgens de ter zake geldende reglementering de betrokken persoon verplicht is zich in te schrijven bij het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekering der Zelfstandigen.

De periode van twaalf maanden, vermeld in het eerste lid, 5°, b), wordt verminderd met het aantal maanden waarin een van de volgende vergoedingen of inkomens wordt ontvangen :

a) een vergoeding als vermeld in artikel 64quinquies van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;

b) een vergoeding als vermeld in artikel 107quater van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;

c) een vervangingsinkomen als vermeld in artikel 76, 10°, van de programmawet van 28 juni 2013, gecumuleerd met het genot van een overlevingspensioen.

In het eerste lid, 5°, wordt verstaan onder pensioen : het ouderdoms-, rust-, anciënniteits- of overlevingspensioen, en andere als dusdanig geldende voordelen die worden toegekend :

1° door of krachtens een Belgische of buitenlandse wet;

2° door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut.

§ 2. Het personeelslid, dat een bijkomende activiteit als loontrekkende of als zelfstandige uitoefent of dat een werkloosheidsuitkering ontvangt of dat een uitkering voor loopbaanonderbreking ontvangt als vermeld in paragraaf 1, 4°, of dat een pensioen als vermeld in paragraaf 1, 5°, geniet, doet daarvan aangifte op het ogenblik van zijn aanvraag van een onderbrekingsuitkering. Bij gebrek aan aangifte of in geval van laattijdige aangifte worden de al betaalde onderbrekingsuitkeringen teruggevorderd vanaf de aanvangsdatum van het zorgkrediet tot op de dag van de eventuele laattijdige aangifte.

Art. 15.

Het recht op een onderbrekingsuitkering gaat verloren vanaf de dag waarop het personeelslid dat een onderbrekingsuitkering ontvangt, om het even welke bezoldigde of zelfstandige activiteit aanvangt of een bestaande bijkomende bezoldigde activiteit uitbreidt.

Het personeelslid dat toch een activiteit als vermeld in het eerste lid, uitoefent, brengt het departement daarvan vooraf op de hoogte. Als het personeelslid dat niet doet, worden de al betaalde onderbrekingsuitkeringen teruggevorderd vanaf de dag van de uitoefening of de uitbreiding van die activiteit.

HOOFDSTUK 6. - Procedure

Afdeling 1. - Wijze van indiening

Art. 16.

Personeelsleden die hun arbeidsprestaties onderbreken, dienen bij het departement een aanvraag in om een onderbrekingsuitkering voor zorgkrediet te verkrijgen.

De aanvraag wordt ingediend met het papieren aanvraagformulier of, als dat door het departement ter beschikking wordt gesteld, met een elektronisch aanvraagformulier.

Art. 17.

Het departement stelt de aanvraagformulieren ter beschikking van de personeelsleden.

Op het aanvraagformulier worden de volgende gegevens gevraagd over het personeelslid dat de aanvraag indient :

1° zijn identiteit;

2° zijn tewerkstellingsgegevens;

3° zijn gezinssituatie;

4° zijn motief voor het zorgkrediet;

5° de gewenste arbeidsregeling : een volledige of gedeeltelijke onderbreking van de arbeidsprestaties;

6° de duur van het zorgkrediet;

7° gegevens over cumulatie;

8° betalingsgegevens;

9° de identiteit van de werkgever;

10° de bevestiging van het motief voor het zorgkrediet door de werkgever;

11° de bevestiging van de volledige of gedeeltelijke onderbreking van de arbeidsprestaties door de werkgever;

12° de bevestiging van de duur van het zorgkrediet door de werkgever;

13° het bewijs of de bewijzen voor het motief;

14° het bewijs van het recht op een verhoogde onderbrekingsuitkering.

De Vlaamse minister, bevoegd voor Werk, kan de gegevens van het aanvraagformulier uitbreiden.

Art. 18.

De aanvraag is alleen ontvankelijk als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden :

1° het aanvraagformulier wordt volledig correct ingevuld en ondertekend;

2° alle verplichte bewijsstukken worden bij het aanvraagformulier gevoegd, overeenkomstig de vereisten die zijn opgenomen in het aanvraagformulier.

Art. 19.

Afhankelijk van het motief waarvoor het zorgkrediet wordt aangevraagd, is minstens een van de volgende bewijsstukken verplicht :

1° een attest van de behandelende geneesheer van de zwaar zieke persoon die medische bijstand of verzorging nodig heeft, waarin wordt bevestigd dat de patiënt die bijstand of verzorging nodig heeft en dat het personeelslid zich bereid heeft verklaard aan de zwaar zieke persoon bijstand of verzorging te verlenen;

2° een attest van de behandelende geneesheer van de persoon die palliatieve verzorging nodig heeft, waarin wordt bevestigd dat de patiënt die verzorging nodig heeft en dat het personeelslid zich bereid heeft verklaard die palliatieve verzorging te verlenen;

3° een attest van de kinderbijslag waarmee wordt aangetoond dat het kind voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, tweede lid, 1° of 2°;

4° een attest van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, Integrale Jeugdhulp, waarmee wordt aangetoond dat het kind voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, tweede lid, 3°;

5° een attest van inschrijving, waarmee wordt aangetoond dat de opleiding voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 7;

6° een attest van gezinssamenstelling, uitgereikt door de gemeente;

7° een attest van pleegzorg;

8° de geboorteakte of de akte van de burgerlijke stand waaruit de afstamming blijkt;

[9° de authentieke overeenkomst waarbij de pleegvoogdij tot stand komt en bekrachtigd is conform artikel 475ter van het Burgerlijk Wetboek.]

B.Vl.R. 22-9-2017

Art. 20.

Om geldig te zijn, kan de aanvraag van een onderbrekingsuitkering voor zorgkrediet op zijn vroegst ingediend worden zes maanden voor de gewenste aanvangsdatum van de onderbrekingsuitkering, zoals aangegeven op het aanvraagformulier.

Art. 21.

Het recht op een onderbrekingsuitkering gaat in op de dag die aangegeven is in het aanvraagformulier als alle nodige documenten behoorlijk en volledig ingevuld verstuurd zijn aan het departement binnen een termijn van twee maanden, die ingaat op de dag die is aangegeven in het aanvraagformulier, en die berekend is van datum tot datum. Als de documenten behoorlijk en volledig ingevuld verzonden worden na die termijn, gaat het recht op een onderbrekingsuitkering pas in op de dag van de verzending ervan.

Art. 22.

Elke verlenging of nieuwe aanvraag wordt ingediend met inachtneming van dezelfde formaliteiten en termijnen als de eerste aanvraag. Als een verlenging of nieuwe aanvraag nodig is vanwege de zorg voor een kind met handicap, is een attest waarmee wordt aangetoond dat het kind voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, tweede lid, alleen vereist als het attest gegevens bevat die nieuw zijn voor het departement.

Art. 23.

Het departement neemt alle beslissingen over de toekenning of de weigering van het recht op een onderbrekingsuitkering na het nodige onderzoek. Het departement brengt het personeelslid en zijn werkgever schriftelijk op de hoogte van zijn beslissing.

Art. 24.

Het departement betaalt de onderbrekingsuitkeringen maandelijks uit.

Art. 25.

Wanneer een onderbrekingsuitkering met toepassing van artikel 7 wordt toegekend, dient het personeelslid bij het departement binnen twintig kalenderdagen na elk kwartaal een attest in dat het bewijs levert van zijn regelmatige aanwezigheid in de opleiding tijdens dat kwartaal. De dagen schoolvakantie in de loop van of aansluitend op een periode van opleiding worden gelijkgesteld met dagen van regelmatige aanwezigheid in een opleiding. Regelmatige aanwezigheid in de zin van deze bepaling betekent dat het personeelslid niet meer dan een tiende van de duur van de opleiding in dat kwartaal ongewettigd afwezig mag zijn. Als het personeelslid een opleiding met afstandsonderwijs volgt, dient hij bij het departement binnen twintig kalenderdagen na elk kwartaal een attest in dat het bewijs levert dat hij is ingeschreven voor de opleiding tijdens dat kwartaal.

Het personeelslid verliest zijn recht op een onderbrekingsuitkering als hij het attest niet tijdig voorlegt, of als hij zijn regelmatige aanwezigheid of inschrijving niet aantoont.

Art. 26.

Het personeelslid dat onderbrekingsuitkeringen ontvangt, is ertoe gehouden om elke verandering in de situatie zoals hij die heeft omschreven in het aanvraagformulier, te melden aan het departement.

Art. 27.

Onrechtmatig verkregen onderbrekingsuitkeringen worden teruggevorderd.

Het departement ziet af van de terugvordering als het personeelslid dat onderbrekingsuitkeringen ontvangt, is overleden.

Art. 28.

Het departement hoort het personeelslid voor het beslist om het recht op onderbrekingsuitkeringen stop te zetten of om de onderbrekingsuitkeringen terug te vorderen, als het personeelslid daarom verzoekt en als de stopzetting of terugvordering niet het gevolg is van :

1° een werkhervatting, een pensionering of een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, van een cumulatie die niet wordt toegestaan, of van het feit dat het personeelslid de uitoefening van een zelfstandige activiteit voortzet, terwijl hij de uitoefening ervan al gedurende een jaar heeft gecumuleerd met het recht op onderbrekingsuitkeringen;

2° de toekenning van een uitkeringsbedrag dat niet overeenstemt met de bepalingen van artikel 11 en 12.

Het departement brengt het personeelslid schriftelijk op de hoogte van de voorgenomen beslissing en van het recht om gehoord te worden.

Het personeelslid dat wordt gehoord, kan zich bij de uitoefening van zijn recht om te worden gehoord, laten bijstaan of vertegenwoordigen door een persoon naar zijn keuze.

Art. 29.

Het personeelslid wordt op de hoogte gebracht van de beslissing van het departement, waarbij onrechtmatig ontvangen onderbrekingsuitkeringen worden teruggevorderd. De beslissing vermeldt voor welke periode er wordt teruggevorderd, alsook welk bedrag wordt teruggevorderd.

HOOFDSTUK 7. - Wijzigingsbepalingen

Art. 30.

In het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen worden de volgende artikelen opgeheven :

1° artikel 3, 2°, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 maart 1996 en 10 augustus 1998;

2° artikel 5, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 maart 1996 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 augustus 1998 en 28 december 2011.

Art. 31.

In artikel 6 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juli 2005, worden paragraaf 1 en 2 opgeheven.

Art. 32.

In artikel 7 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 maart 1996 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 augustus 1998, wordt § 1, 1° opgeheven.

Art. 33.

In artikel 8 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 maart 1996 en het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 mei 2014, worden paragraaf 1, 2, 3 en 4 opgeheven.

Art. 34.

In het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra worden de volgende artikelen opgeheven :

1° artikel 3, vervangen bij het koninklijk besluit van 25 augustus 2012;

2° artikel 4, vervangen bij het koninklijk besluit van 4 juni 1999 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 september 2012 en 12 mei 2014.

Art. 35.

In het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen worden de volgende artikelen opgeheven :

1° artikel 4, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 2011;

2° artikel 5;

3° artikel 6, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 december 2001 en 25 augustus 2012;

4° artikel 7, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 augustus 2012;

5° artikel 8, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 augustus 2012;

6° artikel 8bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 augustus 2015 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 mei 2014;

7° artikel 21.

Art. 36.

Het besluit van de Vlaamse regering van 22 september 1998 houdende instelling van een aanmoedigingspremie voor loopbaanonderbreking voor de personeelsleden van de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalig onderwijs in het raam van de maatregelen tot herverdeling van de arbeid, gewijzigd bij de besluiten van 10 juni 2005, 19 december 2008, 25 oktober 2013, 20 juni 2014 en 22 januari 2016, wordt opgeheven.

HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen

Art. 37.

De beslissingen, genomen ter uitvoering van artikel 3, 5, 6, 7, 8, § 1 8bis, 9 en 11 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, met betrekking tot een volledige schorsing of vermindering van de beroepsloopbaan ingegaan vóór 2 september 2016, [of vanaf 2 september 2016 de beslissingen ingegaan vóór 1 januari 2017 voor de personeelsleden gedetacheerd in de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen in de gemeenten en die worden overgedragen aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest en voor de personeelsleden die de opdracht PWA-coördinatie uitoefenen en worden overgedragen aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest] blijven van kracht voor de toegestane periode. De beslissingen, genomen ter uitvoering van artikel 8, § 2, § 3 en § 4, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, blijven van kracht tot aan de effectieve datum van het pensioen. De personeelsleden die vóór 2 september 2016 [of de personeelsleden gedetacheerd in de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen in de gemeenten en die worden overgedragen aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest en de personeelsleden die de opdracht PWA-coördinatie uitoefenen en worden overgedragen aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest, en die vanaf 2 september 2016 op basis van beslissingen ingegaan vóór 1 januari 2017,] een onderbrekingsuitkering ontvangen ter uitvoering van artikel 8, § 2, § 3 of § 4, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen en die de onderbrekingsuitkering na 2 september 2016 [of na hun overdracht aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap op 1 januari 2017 ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden gedetacheerd in de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen in de gemeenten of het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden die de opdracht PWA-coördinatie uitoefenen] stopzetten om palliatieve zorgen te verlenen op basis van artikel 100bis of 102bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, behouden het recht op een onderbrekingsuitkering ter uitvoering van artikel 8, § 2, § 3 en § 4, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen.

De beslissingen, genomen ter uitvoering van artikel 3, § 1 en artikel 4, § 1, § 2, § 4, § 5, § 6, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, met betrekking tot een volledige schorsing of vermindering van de beroepsloopbaan ingegaan vóór 2 september 2016, blijven van kracht voor de toegestane periode. De beslissingen, genomen ter uitvoering van artikel 3, § 2, § 3 en § 4, en artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, blijven van kracht tot aan de effectieve datum van het pensioen. De personeelsleden die vóór 2 september 2016 een onderbrekingsuitkering ontvangen ter uitvoering van artikel 3, § 2, § 3 en § 4, en artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra en die de onderbrekingsuitkering na 2 september 2016 stopzetten om palliatieve zorgen te verlenen op basis van artikel 100bis of 102bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, behouden het recht op een onderbrekingsuitkering ter uitvoering van artikel 3, § 2, § 3 en § 4, en artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra.

De beslissingen, genomen ter uitvoering van artikel 4, 5, 6, 7, en 21 van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, met betrekking tot een volledige schorsing of vermindering van de beroepsloopbaan ingegaan vóór 2 september 2016, [of vanaf 2 september 2016 de beslissingen ingegaan vóór 1 januari 2017 voor de personeelsleden die worden overgedragen aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden gedetacheerd in de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen in de gemeenten of het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden die de opdracht PWA-coördinatie uitoefenen] blijven van kracht voor de toegestane periode. De beslissingen, genomen ter uitvoering van artikel 8 en 8bis van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, blijven van kracht tot aan de effectieve datum van het pensioen. De personeelsleden die vóór 2 september 2016 [of de personeelsleden die worden overgedragen aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden gedetacheerd in de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen in de gemeenten of het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden die de opdracht PWA-coördinatie uitoefenen en vanaf 2 september 2016 op grond van beslissingen ingegaan vóór 1 januari 2017] een onderbrekingsuitkering ontvangen ter uitvoering van artikel 8 en 8bis van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen en die de onderbrekingsuitkering na 2 september 2016 [of na hun overdracht aan het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap op 1 januari 2017 ingevolge het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden gedetacheerd in de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen in de gemeenten of het koninklijk besluit van 25 december 2016 tot overdracht van personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening naar het Vlaams Gewest voor de personeelsleden die de opdracht PWA-coördinatie uitoefenen] stopzetten om palliatieve zorgen te verlenen op basis van artikel 100bis of 102bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, behouden het recht op een onderbrekingsuitkering ter uitvoering van artikel 8 en 8bis van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen.

De beslissingen, genomen ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse regering van 22 september 1998 houdende instelling van een aanmoedigingspremie voor loopbaanonderbreking voor de personeelsleden van de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalig onderwijs in het raam van de maatregelen tot herverdeling van de arbeid, met betrekking tot een volledige schorsing of vermindering van de beroepsloopbaan ingegaan vóór 2 september 2016, blijven van kracht voor de toegestane periode. De personeelsleden die vóór 2 september 2016 een aanmoedigingspremie ontvangen voor een gedeeltelijke loopbaanonderbreking ter uitvoering van een van de hierna opgesomde artikelen en een gedeeltelijke loopbaanonderbreking na 2 september 2016 stopzetten om palliatieve zorgen te verlenen op basis van artikel 100bis of 102bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen behouden het recht op een aanmoedigingspremie voor een gedeeltelijke loopbaanonderbreking ter uitvoering van een van volgende artikelen :

1° artikel 8, § 2, § 3 of § 4, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit;

artikel 3, § 2, § 3 en § 4, en artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit;

3° artikel 8 en 8bis van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

B.Vl.R. 22-9-2017

[Art. 37/1.

De beslissingen ingegaan vóór datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet en die betrekking hebben op de personeelsleden vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° of 24° van dit besluit en zijn genomen ter uitvoering van artikel 3, 5, 6, 7, 8, § 1, artikel 8bis, 9 en 11, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, met betrekking tot een volledige schorsing of vermindering van de beroepsloopbaan, blijven van kracht voor de toegestane periode. De beslissingen ingegaan vóór datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet en die betrekking hebben op de personeelsleden vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° of 24° van dit besluit en zijn genomen ter uitvoering van artikel 8, § 2, § 3 en § 4, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, blijven van kracht tot aan de effectieve datum van het pensioen. De personeelsleden vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° of 24° van dit besluit en die vóór datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet een onderbrekingsuitkering ontvangen ter uitvoering van artikel 8, § 2, § 3 of § 4, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen en die de onderbrekingsuitkering stopzetten na datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet om palliatieve zorgen te verlenen als vermeld in artikel 100bis of 102bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, behouden het recht op een onderbrekingsuitkering ter uitvoering van artikel 8, § 2, § 3 en § 4, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen.

De beslissingen ingegaan vóór datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet en die betrekking hebben op de personeelsleden vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° of 24° van dit besluit en zijn genomen ter uitvoering van artikel 4, 5, 6, 7, en 21, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, met betrekking tot een volledige schorsing of vermindering van de beroepsloopbaan, blijven van kracht voor de toegestane periode. De beslissingen ingegaan vóór datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet die betrekking hebben op de personeelsleden vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° of 24° van dit besluit en zijn genomen ter uitvoering van artikel 8 en 8bis, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, blijven van kracht tot aan de effectieve datum van het pensioen. De personeelsleden vermeld in artikel 2, eerste lid, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° of 24° van dit besluit en die vóór datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet een onderbrekingsuitkering ontvangen ter uitvoering van artikel 8 en 8bis, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen en die de onderbrekingsuitkering stopzetten na datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet om palliatieve zorgen te verlenen als vermeld in artikel 100bis of 102bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, behouden het recht op een onderbrekingsuitkering ter uitvoering van artikel 8 en 8bis, zoals van kracht vóór 2 september 2016, van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen.]

B.Vl.R. 22-9-2017

Art. 38.

De personeelsleden die op 1 september 2016 een verlof genieten in het kader van de vermindering van arbeidsprestaties vanaf de leeftijd van 50 jaar als vermeld in artikel 1, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende het verlof voor onderbreking of vermindering van de arbeidsprestaties voor sommige personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie, en die op 1 september 2016 nog geen 55 jaar zijn, hebben tot aan de effectieve datum van het pensioen recht op een onderbrekingsuitkering conform artikel 8, § 2, van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen.

Wanneer deze personeelsleden de onderbrekingsuitvoering na 2 september 2016 stopzetten om palliatieve zorgen te verlenen op basis van artikel 100bis of 102bis van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, behouden ze het recht op een onderbrekingsuitkering.

Art. 39.

Dit besluit treedt in werking op 2 september 2016.

Art. 40.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.