Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het tijdelijke project "schoolbank op de werkplek" rond duaal leren in de leertijd

  • goedkeuringsdatum
    28 oktober 2016
  • publicatiedatum
    B.S.31/01/2017
  • datum laatste wijziging
    01/09/2017

COORDINATIE

Decr. 16-6-2017 - B.S. 18-8-2017

DE VLAAMSE REGERING,

Gelet op het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs, artikel 3, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, artikel 4, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, en artikel 6, § 2, ingevoegd bij het decreet van 22 juni 2007;

Gelet op het advies van de Raad van Bestuur van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, gegeven op 29 juli 2016;

Gelet op het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, gegeven op 1 augustus 2016;

Gelet op het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, gegeven op 6 september 2016;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 5 juli 2016;

Gelet op advies nr. 60.123/1 van de Raad van State, gegeven op 18 oktober 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.

In dit besluit wordt verstaan onder :

1° begeleidingsteam: het begeleidingsteam, vermeld in artikel 75 van het decreet van 10 juli 2008;

2° betrokken personen: de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben, of de meerderjarige leerling zelf;

3° centrum: een centrum voor de vorming van zelfstandigen en kmo's als vermeld in artikel 36 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen", wat de leertijd betreft;

4° cluster: een samenhangend geheel van algemeenvormende competenties en/of beroepsgerichte competenties;

5° decreet van 10 juli 2008: het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;

6° lescomponent: het deel van de opleiding dat lessen in het centrum of met lessen gelijkgestelde activiteiten omvat, buiten de werkplekcomponent;

7° mentor: de persoon die binnen de onderneming wordt aangeduid om de opleiding van de leerling op de werkplek te begeleiden en op te volgen;

8° onderneming: een bedrijf of organisatie uit de publieke of private profit- of non-profitsector die, in voorkomend geval, voldoet aan de voorwaarden die de decreetgever heeft vastgelegd voor ondernemingen in het systeem van duaal leren;

9° opleidingsplan: een plan dat het individuele leertraject van de leerling bevat;

10° sector: een groep professionele activiteiten, ingedeeld naar belangrijkste dienst, product, technologie, naar belangrijkste economische functie of naar bedrijfstak;

11° standaardtraject: een eenvormig traject per opleiding dat de minimale inhoudelijke en organisatorische modaliteiten van het traject bevat;

12° trajectbegeleider: de persoon die door het centrum aangeduid is om de trajectbegeleiding van de leerling op zich te nemen;

13° trajectbegeleiding: een continu proces van begeleiding en opvolging van de persoonlijke ontwikkeling en de vorming van de leerling door een leraar tijdens de schoolcomponent en de werkplekcomponent met het oog op de volledige realisatie van het opleidingsplan;

14° Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen: het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen als vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen;

15° Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding: de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding als vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;

16° werkplekcomponent: het deel van de opleiding dat op een gesimuleerde of reële werkplek buiten de school plaatsvindt. Gesimuleerde werkplekken komen evenwel enkel in aanmerking voor zover ze eigen zijn aan de sector of de onderneming of ook door werknemers binnen een sector of onderneming gebruikt dienen te worden.

Art. 2.

Tijdens de schooljaren 2016-2017, 2017-2018 en 2018-2019 wordt in een aantal centra het tijdelijke project "schoolbank op de werkplek" georganiseerd.

HOOFDSTUK 2. - Opzet en organisatie

Art. 3.

Het tijdelijke project wordt opgevat als een experiment rond duaal leren, waarbij een lescomponent en een werkplekcomponent met elkaar worden gecombineerd. Beide componenten zijn inhoudelijk op elkaar afgestemd.

Het tijdelijke project richt zich tot de volgende doelgroep :

1° quasi arbeidsrijpe leerlingen;

2° arbeidsrijpe leerlingen.

Voor een quasi arbeidsrijpe leerling als vermeld in het tweede lid, 1°, wordt in een aanloopfase gewerkt aan de verbetering van zijn arbeidsattitudes, tot het centrum en de onderneming samen bepalen dat de leerling arbeidsrijp is. De werkplekcomponent wordt ingevuld via een overeenkomst als vermeld in artikel 3 van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen.

Art. 4.

De doelstelling van het tijdelijke project is om, met het oog op al dan niet organieke implementatie, gegevens te verzamelen die moeten toelaten om beleidsconclusies te trekken over de volgende items :

1° de implementatie van standaardtrajecten binnen een schoolse context én een ondernemingscontext;

2° de studiekeuzebegeleiding, toeleiding en screening van leerlingen binnen het centrum, naargelang van hun quasi arbeidsrijpheid of arbeidsrijpheid, naar opleidingen binnen het tijdelijke project;

3° de match van de leerling met de werkplek met het oog op het duale leren;

4° de diverse vormen van begeleiding van de leerling en de onderlinge afstemming tussen die begeleidingsvormen;

5° het proces van evaluatie van de leerling, zowel door het begeleidingsteam als door de onderneming, met het oog op de studiebekrachtiging;

6° de ontwikkeling van het competentiegerichte handelen ten aanzien van leerlingen binnen de onderneming;

7° de aanwending van de subsidiemiddelen voor het duale leren;

8° de organisatie van het personeelsbeleid van het centrum en daaruit voortvloeiend de taakomschrijving en inzetbaarheid van personeelsleden binnen het duale leren;

9° de professionalisering en ondersteuning van de lesgever, de trajectbegeleider en de mentor met het oog op het duale leren;

10° de inhoud en werkwijze van kwaliteitstoezicht in het duale leren;

11° het maatschappelijk draagvlak voor duaal leren;

12° de omgang binnen het duale leren met kwetsbare leerlingen.

Art. 5.

In het tijdelijke project kunnen de volgende opleidingen opgenomen worden :

1° chemische procestechnieken duaal;

2° elektrische installaties duaal;

3° elektromechanische technieken duaal;

4° groen- en tuinbeheer duaal;

5° haarverzorging duaal;

6° ruwbouw duaal;

7° zorgkundige duaal.

De opleidingen, vermeld in het eerste lid, zijn tweejarig, met uitzondering van de opleidingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 7° die eenjarig zijn.

Een opleiding kan in de loop van het schooljaar uiterlijk op de eerste lesdag van oktober met leerlingen worden opgestart.

Een opleiding kan in het schooljaar 2018-2019 niet meer worden opgestart.

De opname van die opleidingen in het opleidingsaanbod vindt plaats in afwijking van artikel 23, 24 en 25 van het decreet van 10 juli 2008, en artikel 6, 7 en 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 houdende uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.

De afwijking is noodzakelijk aangezien door opname van de component "duaal" in de benaming van de opleidingen van het tijdelijke project verduidelijkt wordt dat het conceptueel nieuwe opleidingen zijn met een vaste duur van een of twee jaar.

Art. 6.

In het tijdelijke project kunnen alle opleidingen, samengenomen, maximaal vijf keer worden aangeboden. De centra overleggen gezamenlijk met het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen en de betrokken sectoren welke opleiding in welk centrum zal worden georganiseerd. Daarbij wordt rekening gehouden met de volgende voorwaarden :

1° de niet-duale gelijknamige opleiding of, als een dergelijke opleiding niet voorkomt in het opleidingsaanbod van de leertijd, een nauw verwante niet-duale opleiding wordt in het centrum in kwestie tijdens het schooljaar 2015-2016 georganiseerd; deze voorwaarde geldt niet voor de opleiding chemische procestechnieken;

2° de projectdeelname kan alleen op basis van vrijwilligheid van het centrumbestuur;

3° de deelname aan het tijdelijk project, wordt na kennisname van de bepalingen van dit besluit, in voorkomend geval besproken in de ondernemingsraad;

4° er zijn ondernemingen beschikbaar waarmee het centrum kan samenwerken, en die zijn bereikbaar, zowel voor de trajectbegeleider als voor de leerling;

5° er wordt gestreefd naar een zo evenwichtig mogelijke geografische spreiding over alle Vlaamse provincies en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

De voorstellen voor deelname aan het tijdelijke project worden ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor werk.

Art. 7.

In het tijdelijke project is een opleidingsdag, elke kalenderdag waarop opleiding onder vorm van lessen of met lessen gelijkgestelde activiteiten of opleiding op de werkplek wordt georganiseerd.

In het tijdelijke project is een opleidingsuur, een tijdspanne van vijftig minuten waarin een les of een met een les gelijkgestelde activiteit wordt georganiseerd, dan wel een tijdspanne van zestig minuten waarin opleiding op de werkplek wordt georganiseerd.

Art. 8.

Voor elke opleiding wordt een standaardtraject gehanteerd. De standaardtrajecten zijn dezelfde als die voor de scholen die participeren aan het tijdelijke project "Schoolbank op de werkplek" rond duaal leren in het secundair onderwijs.

Met uitzondering van de leerplannen voor de algemene vorming, vindt het hanteren van standaardtrajecten plaats in afwijking van artikel 37, § 5, 2°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen" en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2006 tot vaststelling van de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van leerplannen.

De afwijking, vermeld in het tweede lid, is noodzakelijk voor het hanteren van beroepskwalificaties als referentiekader, het flexibel spreiden van een opleiding over een schoolse context én een ondernemingscontext, en het clusteren van competenties binnen een, vanwege kwaliteitsborging, door de overheid afgelijnd kader over de aanbieders van het duaal leren heen. Die aanpak komt in de plaats van het gebruikelijke instrumentarium van door de overheid goedgekeurde leerplannen. Dat sluit evenwel niet uit dat de centra binnen het tijdelijke project standaardtrajecten, voor intern gebruik, toch kunnen vertalen naar eigen leerplannen die enerzijds geen overheidsgoedkeuring behoeven maar anderzijds onverkort aan alle voorwaarden van die standaardtrajecten moeten voldoen.

HOOFDSTUK 3. - Leerlingen

Art. 9.

Zodra, in voorkomend geval, de betrokken personen in samenspraak met de leerling kiezen voor een opleiding van het tijdelijke project, zal aan hen, gezien de doelgroep van het duale leren, een niet-bindend advies worden gegeven over de quasi arbeidsrijpheid of arbeidsrijpheid van de leerling. Dat advies, op basis van een screening, gaat uit van de twee volgende instanties samen :

1° de voltallige klassenraad van het laatste structuuronderdeel dat de leerling in kwestie heeft gevolgd in het secundair onderwijs of het begeleidingsteam van de laatste opleiding die de leerling binnen de leertijd heeft gevolgd;

2° de trajectbegeleider van de opleiding en het centrum binnen het tijdelijke project die door de betrokken personen worden gekozen.

[Als het niet mogelijk is een beroep te doen op de voltallige klassenraad van het laatste structuuronderdeel dat door de leerling in kwestie is gevolgd in het secundair onderwijs of het begeleidingsteam van de laatste opleiding die de leerling binnen de leertijd heeft gevolgd, kunnen de trajectbegeleider van de opleiding en het centrum binnen het tijdelijke project die door de betrokken personen worden gekozen, een alternatieve werkwijze vastleggen om tot desbetreffend advies te komen.]

Decr. 16-6-2017

Art. 10.

Het centrum en de leerling kiezen samen een geschikte onderneming. Ze kunnen daarbij een beroep doen op bemiddeling door de sector en, zo nodig, het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen en de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding.

Tussen de onderneming en de leerling vindt vóór of tijdens het schooljaar een intakegesprek plaats, waarbij de match tussen leerling en werkplek met het oog op het duale leren wordt onderzocht. De trajectbegeleider kan bij dat gesprek worden betrokken.

Als er binnen twintig opleidingsdagen, hetzij vanaf de start van de effectieve eerste lesbijwoning, hetzij na de beëindiging van een eerdere overeenkomst, geen overeenkomst als vermeld in artikel 3, vierde lid, is gesloten, moet de duale opleiding worden stopgezet. Bij zijn studieverandering naar een andere opleiding in hetzelfde of een ander centrum of naar een school, en met behoud van de toepassing van de toelatingsvoorwaarden kan een eventuele volzetverklaring of capaciteitsoverschrijding nooit op die leerling van toepassing zijn. Het centrum zal de noodzaak van studieverandering schriftelijk bevestigen en in het leerlingdossier opnemen.

Zolang er geen overeenkomst als vermeld in artikel 3, vierde lid, loopt, wordt de opleiding georganiseerd via lessen in het centrum. De afwezigheid van de leerling is evenwel van rechtswege gewettigd tijdens de opleidingsuren waarop intakegesprekken zijn gepland, met inbegrip van de verplaatsingen die daarbij horen.

De noodzaak tot studieverandering vindt plaats in afwijking van artikel 110/1, § 3, artikel 110/9, § 2, § 3 en § 7, artikel 110/10, § 2, en artikel 110/12, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.

De afwijkingen, vermeld in het vijfde lid, zijn noodzakelijk om de secundaire onderwijsloopbaan of de opleidingsloopbaan van een leerling te vrijwaren en eventuele verandering van opleidings-, studie- of schoolloopbaan altijd mogelijk te maken, ervan uitgaande dat het in geen geval zinvol is om een duale opleiding voort te zetten zonder werkplekcomponent.

Art. 11.

Bij een overeenkomst als vermeld in artikel 3, vierde lid, wordt een opleidingsplan gevoegd. Het opleidingsplan wordt uitgetekend door de trajectbegeleider in overleg met de leerling en de onderneming. Het opleidingsplan heeft betrekking op het individuele leertraject, dat wordt afgeleid van het standaardtraject. Het opleidingsplan slaat zowel op de lescomponent als op de werkplekcomponent en is afgestemd op de specifieke behoeften en mogelijkheden van de leerling. Het houdt in elk geval rekening met de ondernemingscontext en het feit of de leerling quasi arbeidsrijp dan wel arbeidsrijp is.

De trajectbegeleider is belast met de opvolging van het opleidingsplan, de eventuele actualisatie ervan, en de begeleiding van de leerling in overleg met de mentor. De trajectbegeleider, het begeleidingsteam en de mentor bewaken de trajectvoortgang van de leerling.

Art. 12.

Als specifieke voorwaarden om als regelmatige leerling te worden toegelaten gelden :

1° voor de opleiding chemische procestechnieken duaal: houder zijn van een diploma van secundair onderwijs uitgereikt binnen een opleiding van het studiegebied chemie van het technisch secundair onderwijs;

2° voor de opleiding elektromechanische technieken :

a) ofwel houder zijn van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs, uitgereikt in het algemeen, technisch of kunstsecundair onderwijs;

b) ofwel een gunstige beslissing van het begeleidingsteam over een leerling die aan de voltijdse leerplicht heeft voldaan;

3° voor de opleidingen elektrische installaties duaal, groen- en tuinbeheer duaal, haarverzorging duaal en ruwbouw duaal :

a) ofwel houder zijn van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;

b) ofwel een gunstige beslissing van het begeleidingsteam over een leerling die aan de voltijdse leerplicht heeft voldaan;

4° voor de opleiding zorgkundige duaal :

a) ofwel houder zijn van een diploma van secundair onderwijs, uitgereikt binnen een opleiding van het studiegebied personenzorg van het technisch secundair onderwijs;

b) ofwel houder zijn van een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, uitgereikt binnen een opleiding van het studiegebied personenzorg van het beroepssecundair onderwijs of uitgereikt op basis van een certificaat van verzorgende in het deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd.

Art. 13.

Op een leerling die vrijwillig de duale opleiding stopzet en, met behoud van de toepassing van de toelatingsvoorwaarden, overstapt naar een andere opleiding in hetzelfde centrum, kan een eventuele volzetverklaring of capaciteitsoverschrijding nooit van toepassing zijn.

De overstapmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, vindt plaats in afwijking van artikel 110/1, § 3, artikel 110/9, § 2, § 3 en § 7, artikel 110/10, § 2, en artikel 110/12, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.

De afwijkingen, vermeld in het tweede lid, zijn noodzakelijk om een eventuele uitstap uit een onderwijsproject, vanuit het beginsel van de rechtsbescherming, altijd mogelijk te maken en zodoende de secundaire onderwijsloopbaan van de leerling te vrijwaren.

Art. 14.

Het begeleidingsteam beslist, na leerlingenevaluatie, over de studiebekrachtiging voor elke regelmatige leerling op het einde van de duale opleiding of bij de vroegtijdige stopzetting van de duale opleiding. In afwijking van de bestaande studiebekrachtiging kunnen de volgende studiebewijzen in duale opleidingen worden toegekend :

1° een diploma van secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad (specialisatiejaar), naargelang van het geval. Dit studiebewijs geldt met toepassing van artikel 14 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur als een onderwijskwalificatie, wat expliciet op het model wordt vermeld, samen met het niveau van de onderwijskwalificatie binnen de Vlaamse kwalificatiestructuur en het Europese kwalificatiekader;

2° een certificaat. Dit studiebewijs geldt met toepassing van het voormelde artikel 14 niet als een onderwijskwalificatie, maar wel als een beroepskwalificatie, wat expliciet op het model wordt vermeld, samen met de benaming van de beroepskwalificatie en het niveau ervan binnen de Vlaamse kwalificatiestructuur en het Europese kwalificatiekader. In een opleiding die op meer dan één beroepskwalificatie is gebaseerd, kunnen verschillende certificaten worden toegekend;

3° een deelcertificaat. Dit studiebewijs wordt toegekend als de leerling niet in aanmerking komt voor een van de studiebewijzen, vermeld in punt 1° of 2°, maar wel een cluster van competenties of een combinatie van clusters van competenties, die overeenkomstig het standaardtraject recht geeft op een deelcertificaat, heeft voltooid. Dit studiebewijs geldt als een deel van een beroepskwalificatie, wat expliciet op het model wordt vermeld, samen met de benaming van de beroepskwalificatie. In een opleiding die op meer dan één beroepskwalificatie is gebaseerd, kunnen verschillende deelcertificaten worden toegekend;

4° een attest van verworven competenties. Dit studiebewijs wordt toegekend als de leerling niet in aanmerking komt voor een van de studiebewijzen, vermeld in punt 1°, 2° of 3°.

Op het model van een studiebewijs als vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, dat wordt uitgereikt in de opleiding zorgkundige duaal, wordt vermeld dat de wettelijke voorschriften van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen zijn nageleefd.

Een studiebewijssupplement is onlosmakelijk verbonden met een studiebewijs, met uitzondering van het studiebewijs, vermeld in het eerste lid, punt 4°. Het is een document dat de inhoud van de opleiding van de leerling en de structuur van het onderwijs in het land waar de leerling zijn opleiding heeft gevolgd, verduidelijkt.

Met inachtname van het eerste en het tweede lid legt de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, het model van de studiebewijzen, het model van het studiebewijssupplement en de invulonderrichtingen voor de modellen vast.

De studiebekrachtiging in het tijdelijke project vindt plaats in afwijking van artikel 81 van het decreet van 10 juli 2008 en artikel 16 tot en met 16ter van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 houdende uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.

De afwijkingen, vermeld in het vijfde lid, zijn noodzakelijk om in de opleidingen van het tijdelijke project de studiebekrachtiging in lijn te brengen met zowel het systeem van clusteren van competenties als de introductie van de concepten onderwijskwalificatie, beroepskwalificatie en deelkwalificatie.

Art. 15.

De trajectbegeleider en de mentor zijn ambtshalve leden van het begeleidingsteam. Als de leerling de werkplekcomponent achtereenvolgens in verschillende ondernemingen invult en er derhalve verschillende mentoren bij die leerling zijn betrokken tijdens eenzelfde schooljaar, maken alle leden deel uit van het begeleidingsteam.

Tussen het centrum en de onderneming worden praktische afspraken gemaakt over het functioneren van de mentor in het begeleidingsteam, met inbegrip van het al dan niet aanwezig zijn van de mentor op vergaderingen van het begeleidingsteam.

Die voorwaarde voor de samenstelling van het begeleidingsteam is een afwijking van artikel 75 van het decreet van 10 juli 2008.

De afwijking is noodzakelijk omdat de opdrachten waarmee het begeleidingsteam is belast binnen duale opleidingen slechts optimaal kunnen worden uitgevoerd mits rechtstreekse betrokkenheid van de personen die de begeleiding van de leerling naar en op de werkplek op zich hebben genomen.

Art. 16.

Voor de opleidingen in het tijdelijke project worden de volgende gegevens als verplichte onderdelen in een addendum bij het centrumreglement opgenomen :

1° de screening, het intakegesprek en de trajectbegeleiding waaraan de leerling zich moet onderwerpen;

2° de vermelding dat het niet-sluiten van een overeenkomst als vermeld in artikel 3, vierde lid, binnen de vastgelegde termijn tot de verplichte vroegtijdige beëindiging van de opleiding zal leiden;

3° de verduidelijking van het orgaan "begeleidingsteam", met de expliciete vermelding dat de trajectbegeleider en mentor er deel van uitmaken;

4° de vermelding, afhankelijk van de duale opleiding die het centrum organiseert, dat in een duale opleiding overzitten uitgesloten is, uitgezonderd het overzitten in een eenjarige opleiding tijdens het schooljaar 2017-2018 en het overzitten in het tweede jaar van een tweejarige opleiding tijdens het schooljaar 2018-2019.

De toevoeging, vermeld in het eerste lid, wordt gedaan in afwijking van artikel 112 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.

De afwijking, vermeld in het tweede lid, is noodzakelijk om de betrokken personen en de leerling te informeren over procedures en modaliteiten die innovatief zijn, en om de implicaties van de keuze voor duaal leren te kennen.

Art. 17.

Tijdens de periodes dat de leerling de werkplekcomponent effectief invult, moet een vertegenwoordiger van het centrum waar de leerling is ingeschreven of een trajectbegeleider van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, bereikbaar zijn.

HOOFDSTUK 4. - Kwaliteitstoezicht

Art. 18.

In dit artikel wordt verstaan onder Onderwijsinspectie: de Onderwijsinspectie bedoeld in titel IV van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.

Tijdens het tijdelijke project wordt toezicht gehouden volgens het geïntegreerde kwaliteitskader voor beroepskwalificerende trajecten. Dat gebeurt door een team, samengesteld uit leden van de Onderwijsinspectie, afgevaardigden van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen en afgevaardigden van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, in een steekproef van centra en ondernemingen, gespreid over de opleidingen van het tijdelijke project. Zowel in het centrum als op de werkvloer wordt er toezicht gehouden op het traject.

Het kwaliteitstoezicht tijdens het tijdelijke project geeft geen aanleiding tot een advies als vermeld in artikel 19, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 betreffende het kwaliteitstoezicht op de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat de leertijd betreft, maar kan wel leiden tot een advies over de lokale bijsturing van het tijdelijke project.

Het toezicht wordt gehouden in afwijking van artikel 4 tot en met 32 van het voormelde besluit.

De afwijking is noodzakelijk voor het hanteren van een ander referentiekader en een andere methodiek dan die van de reguliere doorlichtingen door de Onderwijsinspectie, voor de gezamenlijke uitoefening van toezicht door de Onderwijsinspectie en toezichthouders van een ander beleidsdomein en voor de uitoefening van toezicht op een deel van de opleiding die op de werkplek plaatsvindt.

HOOFDSTUK 5. - Opvolging en evaluatie

Art. 19.

Het project wordt opgevolgd door het expertenpanel vermeld in artikel 23, eerste lid van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende het tijdelijke project "schoolbank op de werkplek" rond duaal leren in het secundair onderwijs. De opvolging mondt uit in tussentijdse evaluaties van het tijdelijke project en, in het schooljaar 2018-2019, in een eindevaluatie.

De centrumbesturen en centra zullen hun medewerking verlenen aan de werkzaamheden, al dan niet ter plaatse in de deelnemende centra, van het expertenpanel.

HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen

Art. 20.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2016.

Dit besluit houdt op uitwerking te hebben op 1 september 2019.

Art. 21.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor werk, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.