Decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap

  • goedkeuringsdatum
    10 JULI 2008
  • publicatiedatum
    B.S.03/10/2008
  • datum laatste wijziging
    01/09/2016

COORDINATIE

Decr. 30-4-2009 - B.S. 16-7-2009

Decr. 8-5-2009 - B.S. 28-8-2009

Decr. 8-5-2009 - B.S. 28-8-2009

Decr. 18-12-2009 - B.S. 30-12-2009

Decr. 9-7-2010 - B.S. 28-7-2010

Decr. 9-7-2010 - B.S. 31-8-2010

B.Vl.R. 17-12-2010 - B.S. 24-6-2011

Decr. 1-7-2011 - B.S. 30-8-2011

Decr. 8-7-2011 - B.S. 25-7-2011

Decr. 25-11-2011 - B.S. 23-2-2012

Decr. 23-12-2011 - B.S. 30-12-2011

Decr. 13-7-2012 - B.S. 24-7-2012

Decr. 21-12-2012 - B.S. 19-2-2013

Decr. 19-7-2013 - B.S. 27-8-2013

Decr. 21-3-2014 - B.S. 28-8-2014

Decr. 4-4-2014 - B.S. 20-8-2014

Decr. 25-4-2014 - B.S. 25-9-2014

Decr. 19-6-2015 - B.S. 21-8-2015

Decr. 10-6-2016 - B.S. 17-8-2016

Decr. 17-6-2016 - B.S. 10-8-2016

Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering bekrachtigen hetgeen volgt : decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.

HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2.

Dit decreet is van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, centra voor deeltijdse vorming en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen en op het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen.

Art. 3.

Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :

1° anderstalige nieuwkomer : een jongere die aan alle volgende voorwaarden voldoet :

a) een nieuwkomer zijn, dat wil zeggen maximaal één jaar ononderbroken in België verblijven;

b) het Nederlands niet als moedertaal of thuistaal hebben;

c) maximaal negen maanden ingeschreven zijn, de maanden juli en augustus niet inbegrepen, in een onderwijsinstelling met het Nederlands als onderwijstaal;

d) het Nederlands onvoldoende beheersen om deeltijds beroepssecundair onderwijs met goed gevolg te doorlopen;

e) op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt;

2° arbeidsdeelname : de volwaardige arbeidsparticipatie van jongeren in het reguliere economische circuit of de daaraan gelijkwaardige activiteiten als vermeld in dit decreet;

3° betrokken personen : de ouders of de personen die de minderjarige jongere in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, dan wel de meerderjarige jongere zelf;

4° brugproject : een vorm van arbeidsparticipatie, gericht op jongeren die arbeidsbereid zijn, maar hun arbeidsgerichte attitudes en vaardigheden nog verder moeten ontwikkelen;

5° centrumbestuur : het orgaan dat voor het centrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden;

[5°bis compenserende maatregelen: maatregelen waarbij het centrum orthopedagogische of orthodidactische hulpmiddelen aanbiedt, waaronder technische hulpmiddelen, waardoor de doelen van het leerprogramma of de doelen die na dispensatie voor de jongere bepaald zijn, bereikt kunnen worden;

5°ter differentiërende maatregelen: maatregelen, waarbij het centrum binnen het leerprogramma, van een beperkte variatie in het onderwijsleerproces aanbrengt om beter tegemoet te komen aan de behoeften van individuele jongeren of groepen van jongeren;

5°quater dispenserende maatregelen: maatregelen waarbij het centrum doelen aan het leerprogramma toevoegt of de jongere vrijstelt van doelen van het leerprogramma en die, waar mogelijk, vervangt door gelijkwaardige doelen, in die mate dat ofwel de doelen voor de studiebekrachtiging in functie van de finaliteit voor het betreffende onderdeel ofwel de doelen voor het doorstromen naar het beoogde vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt nog in voldoende mate kunnen bereikt worden;]

Decr. 21-3-2014

6° eindtermen : minimumdoelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde jongerenpopulatie in het gewoon secundair onderwijs. Met minimumdoelen wordt bedoeld : een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die jongerenpopulatie;

7° inschrijving : de opname in het leerlingenbestand van een door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, dan wel de heropname na uitschrijving;

[7°bis jongere met specifieke onderwijsbehoeften: jongere met langdurige en belangrijke participatieproblemen die te wijten zijn aan het samenspel tussen :

a) één of meerdere functiebeperkingen op mentaal, psychisch, lichamelijk of zintuiglijk vlak en;

b) beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten en;

c) persoonlijke en externe factoren;]

Decr. 21-3-2014

8° leertijd : de opleiding als vermeld in artikel 26, 1°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen;

9° lokaal comité : het voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokale overlegorgaan of onderhandelingsorgaan;

10° module : het kleinste te certificeren deel van een opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, dat overeenstemt met een bepaalde inhoud;

[10°bis ondernemersopleiding : de opleiding als vermeld in artikelen 26, 2°, en 31, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen;]

Decr. 8-5-2009

11° onthaalonderwijs : een specifiek en tijdelijk onderwijsaanbod dat anderstalige nieuwkomers voorbereidt op betere doorstroming naar arbeidsdeelname. Dit onderwijsaanbod is gericht op taalvaardigheid, inburgering en zelfredzaamheid. [De Vlaamse Regering bakent de doelgroep af, ten minste rekening houdend met de criteria `leeftijd', `taalkennis Nederlands' en `duurtijd van de aanwezigheid op het Belgische grondgebied' van de anderstalige nieuwkomers];

Decr. 17-6-2016

12° persoonlijk ontwikkelingstraject : een traject voor kwetsbare jongeren in problematische situaties waarbij, door middel van intensieve individuele begeleiding en aangepaste activiteiten, de zelfredzaamheid en het maatschappelijk functioneren van jongeren wordt verhoogd en waarbij ze op die wijze worden voorbereid op een arbeidsgericht traject;

13°[...]

Decr. 10-6-2016

[13°bis remediërende maatregelen: maatregelen waarbij het centrum effectieve vormen van aangepaste leerhulp verstrekt binnen het leerprogramma;]

Decr. 21-3-2014

14° scholengemeenschap : één instelling of een groep van instellingen die binnen een geografische omschrijving gezamenlijk instaat voor de onderwijsvoorziening;

[14° /1 leerlingenstage : een vorm van opleiding binnen de component leren :

a) buiten een vestigingsplaats van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;

b) in een reële arbeidsomgeving bij een werkgever;

c) onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers van die werkgever;

d) waarbij effectieve arbeid wordt verricht die aansluit bij de gevolgde opleiding;

e) met de bedoeling beroepservaring op te doen.]

Decr. 19-7-2013

15° Syntra Vlaanderen : het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen als vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen;

16° trajectbegeleider : een leraar die in het deeltijds beroepssecundair onderwijs met trajectbegeleiding is belast;

17° trajectbegeleider Syntra Vlaanderen : de leersecretaris als vermeld in artikelen 39 en 40, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen;

18° trajectbegeleiding : een continu proces van begeleiding en opvolging van de persoonlijke ontwikkeling en de vorming van jongeren tijdens de component leren en de component werkplekleren en dit in overleg met de betrokken actoren met als ultiem doel de toeleiding naar de arbeidsmarkt;

19° uur : hetzij een periode van 50 minuten hetzij, maar uitsluitend in het geval van een voortraject, brugproject of arbeidsdeelname, een periode van 60 minuten; om te komen tot het minimaal aantal uren voltijds engagement wordt een uur omgerekend naar een periode van 50 minuten;

20° VDAB : de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding als vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding : de dienst die voor het Vlaamse Gewest bevoegd is voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding en die voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bevoegd is voor beroepsopleiding;

21° voortraject : een specifieke opleidings- en begeleidingsmodule, gericht op jongeren met ontoereikende attitudes en vaardigheden die nog geen duidelijk loopbaanperspectief hebben, en dat als traject altijd past in een arbeidsgerichte context.

HOOFDSTUK II. - Voltijds engagement

Art. 4.

Het stelsel van leren en werken combineert, voor elke individuele jongere, een component leren en een component werkplekleren. Die combinatie omvat minimaal 28 uren per week, wat een voltijds engagement van de jongere inhoudt, en voldoet voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht waaraan de jongere eventueel is onderworpen.

Art. 5.

De component leren kan als volgt worden ingevuld :

1° via het deeltijds beroepssecundair onderwijs, georganiseerd overeenkomstig de bepalingen van dit decreet;

2° via de theoretische vorming binnen de leertijd.

Art. 6.

§ 1. De invulling van de component werkplekleren is afhankelijk van de invulling van de component leren, zoals hierna bepaald.

In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan de component werkplekleren als volgt worden ingevuld :

1° via arbeidsdeelname;

2° via een brugproject;

3° via een voortraject.

In de leertijd kan de component werkplekleren als volgt worden ingevuld :

1° via de praktijkopleiding binnen de leertijd, die gelijkstaat met arbeidsdeelname;

2° via een voortraject, doch uitsluitend in geval van ontstentenis van de praktijkopleiding ingevolge verbreking of opschorting van [de stageovereenkomst alternerende opleiding, de overeenkomst van alternerende opleiding of een deeltijdse arbeidsovereenkomst]².

§ 2. Voor arbeidsdeelname als vermeld in § 1, tweede lid, 1°, komen in aanmerking :

[de reguliere tewerkstelling op basis van een overeenkomst van alternerende opleiding, een stageovereenkomst alternerende opleiding of een deeltijdse arbeidsovereenkomst conform de bepalingen van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;]²

2° het volgen van een sportgerelateerde opleiding binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs, waarbij de opleiding enerzijds een duidelijke beroepskwalificatie moet hebben die op zijn minst minimale aansluiting vindt bij de beoefende sport en anderzijds georganiseerd wordt in overleg met en na formele instemming van een erkende sportfederatie;

3° het vrijwilligerswerk, zoals bij wet bepaald;

4° het tijdelijk volgen van een bijkomende opleiding of cursus die specifiek gericht is op het verhogen van de tewerkstellingsperspectieven of inzetbaarheid op de arbeidsmarkt;

5° het verrichten van culturele, sociale of sportactiviteiten georganiseerd door een instantie van de overheid of erkend door of namens een overheid.

De invulling van de component werkplekleren door middel van een van voormelde alternatieven kan geenszins afbreuk doen aan artikel 4 dat bepaalt dat de combinatie van de component leren en de component werkplekleren minimaal 28 uren per week omvat.

§ 3. In afwijking van artikel 4 en onverminderd het in § 4 gestelde, is het toegelaten in volgende gevallen de component werkplekleren tijdelijk niet in te vullen :

1° tijdens de periode tussen het sluiten van een overeenkomst en de inwerkingtreding van die overeenkomst;

2° tijdens een periode waarin de jongere actief solliciteert met het oog op invulling van de component werkplekleren;

3° tijdens de periode tussen de inschrijving en de screening als vermeld in artikel 62.

Het niet invullen van de component werkplekleren kan, afzonderlijk voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor de leertijd, maximum 30 dagen per jongere per schooljaar bedragen. Voor de toepassing van deze bepaling worden uitsluitend de gevallen onder 1° en 2° in aanmerking genomen en wordt onder dagen verstaan : alle weekdagen van het schooljaar, met uitzondering van de niet-facultatieve vakantieperiodes zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs.

§ 4. In overeenstemming met [artikel 112, vierde lid, van de Codex Secundair Onderwijs]¹, is het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs bevoegd om een bepaalde concrete invulling van arbeidsdeelname aan de jongere op te leggen of te ontzeggen. Het centrum zal bij die beslissing alleszins het profiel van de jongere, de meerwaarde voor de component leren en de tijdsduur van de arbeidsdeelname in overweging nemen.

Indien zich meerdere concrete alternatieven voordoen, dan beslist het centrum na overleg met de betrokken personen. In elk geval moet steeds maximaal worden gestreefd naar een invulling van de component werkplekleren door middel van het in § 2, 1°, gestelde, waarbij er een inhoudelijke aansluiting is op de component leren.

[ ]¹ Decr. 4-4-2014; [ ]² Decr. 10-6-2016

Art. 7.

In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan, in afwijking van artikelen 5 en 6, § 1, voor een jongere die is ingeschreven in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs de component leren of de component werkplekleren worden vervangen door een persoonlijk ontwikkelingstraject.

De toepassing van deze bepaling kan er niet toe leiden dat voor een jongere een persoonlijk ontwikkelingstraject wordt gecombineerd met arbeidsdeelname.

Een persoonlijk ontwikkelingstraject wordt georganiseerd door een centrum voor deeltijdse vorming. Als jongeren een persoonlijk ontwikkelingstraject volgen, voldoen ze aan de deeltijdse leerplicht.

HOOFDSTUK III. - De component leren

Afdeling I. - De opleidingscentra

Onderafdeling I. - Centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs

Art. 8.

§ 1. Het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan door de Vlaamse Gemeenschap worden erkend, gefinancierd of gesubsidieerd in maximaal 48 centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, verdeeld als volgt : 16 in het Gemeenschapsonderwijs, 8 in het gesubsidieerd officieel onderwijs, 24 in het gesubsidieerd vrij onderwijs.

Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is hetzij verbonden aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, hetzij autonoom, naar keuze van het centrumbestuur en met behoud van de toepassing van de programmatie- en rationalisatienormen. Voor de toepassing van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs wordt een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs beschouwd als een school. Als een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is verbonden aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, dan wordt onder centrumbestuur de inrichtende macht van die instelling verstaan.

§ 2. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing als het deeltijds beroepssecundair onderwijs uitsluitend wordt georganiseerd in de vorm van zeevisserijonderwijs.

In voorkomend geval kan het deeltijds beroepssecundair onderwijs door de Vlaamse Gemeenschap worden erkend, gefinancierd of gesubsidieerd in maximaal drie centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, verdeeld als volgt : één in het Gemeenschapsonderwijs, één in het gesubsidieerd officieel onderwijs, één in het gesubsidieerd vrij onderwijs.

Een dergelijk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is steeds verbonden aan een instelling met voltijds gewoon secundair onderwijs die het studiegebied maritieme opleidingen organiseert.

[§ 3.[[Onverminderd de bepalingen van artikel 8, § 1 en § 2, wordt de oprichting van een erkend, gefinancierd of gesubsidieerd centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs door splitsing van een bestaand centrum, door het centrumbestuur bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk gemeld uiterlijk 1 mei van het voorafgaand schooljaar. Onverminderd de bepalingen van artikel 8, § 1 en § 2, wordt de oprichting van een centrum die niet het gevolg is van splitsing van een bestaand centrum, bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap schriftelijk aangevraagd uiterlijk 1 mei van het voorafgaand schooljaar.]] ]

Decr. 18-12-2009; [[ ]] Decr. 25-4-2014

Art. 9.

Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat is verbonden aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs die tot een scholengemeenschap is toegetreden, behoort van rechtswege tot diezelfde scholengemeenschap.

Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat niet langer verbonden is aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs die tot een scholengemeenschap is toegetreden en dat autonoom wordt, blijft van rechtswege tot die scholengemeenschap behoren voor de resterende duur van de vorming van desbetreffende scholengemeenschap. In de andere gevallen beslist het centrumbestuur van een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs over eventuele toetreding tot een scholengemeenschap.

De criteria voor vorming van scholengemeenschappen secundair onderwijs, evenals de bevoegdheden van en de voordelen voor die scholengemeenschappen, zijn bepaald in [de codificatie betreffende het secundair onderwijs].

B.Vl.R. 17-12-2010

Art. 10.

§ 1. Met de erkenning van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs krijgt het centrumbestuur de bevoegdheid om aan de jongeren de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen.

[Een opleiding deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt erkend als aan alle onderstaande voorwaarden, die betrekking hebben hetzij op de opleiding in kwestie hetzij op de vestigingsplaats van het centrum dat het organiseert, samen is voldaan]³ :

1° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een centrumbestuur;

2° gevestigd zijn in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden op het gebied van hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen;

3° de controle door de onderwijsinspectie mogelijk maken;

4° beschikken over voldoende didactisch materiaal en over een aangepaste schooluitrusting;

5° [de bepalingen naleven over de onderwijstaal en de taalkennis van het personeel;]¹

6° een structuur aannemen en inhoudelijk georganiseerd worden als vermeld in dit decreet;

7° de reglementering betreffende vakantieregeling en aanwending van de onderwijstijd in acht nemen;

8° beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen inzake eindtermen en leerplannen voor zover de uitreiking wordt beoogd van eindstudiebewijzen die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs;

9° beschikken over een beleidscontract, indien het bestuur van beide betrokken centra verschilt, of een beleidsplan, indien het bestuur van beide betrokken centra hetzelfde is, met een centrum voor leerlingenbegeleiding;

10° een samenwerkingsakkoord hebben gesloten met ten minste één door de Vlaamse Gemeenschap erkend centrum voor deeltijdse vorming met het oog op de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten voor jongeren, ingeschreven in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, of de bemiddeling en samenwerking als vermeld in artikel 18, § 1, zijn aangegaan;

11° beschikken over personeel waarvan de gezondheidstoestand de gezondheid van de jongeren niet in gevaar brengt;

12° de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen;

13° voor het officieel onderwijs :

a) een open karakter hebben door open te staan voor alle jongeren, ongeacht de ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de jongere;

b) de leerplannen volgen van het Gemeenschapsonderwijs, het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap of het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen, of eigen leerplannen volgen die ermee verenigbaar zijn vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum;

c) een werkplan, centrumreglement en boeken gebruiken in overeenstemming met het open karakter als vermeld in punt a);

d) begeleid worden door de begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs, het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap of het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum;

[14° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het centrum- of arbeidsreglement;]¹

[15° beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen betreffende de organisatie van het onderwijs.]²

§ 2.[...]4

§ 3. [De in de erkenning opgenomen opleidingen worden per schooljaar met een dienstbrief van het Agentschap voor Onderwijsdiensten bevestigd en meegedeeld aan het betrokken centrumbestuur. Enkel in het geval het centrum niet meer erkend is om bepaalde eindstudiebewijzen uit te reiken identiek aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, wordt dit in de dienstbrief vermeld.]³

§ 4. [De in de erkenning opgenomen opleidingen kunnen slechts worden ingericht in vestigingsplaatsen die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in § 1, 2°. De dienstbrief vermeld in § 3 bevat de vestigingsplaatsen waar de erkende opleidingen kunnen worden ingericht.

[[Voor de ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats gelden de bepalingen van artikel 35ter van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.

De melding tot ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats maakt deel uit van de aanvraag vermeld in artikel 8, § 3, in het geval van een centrum dat wordt opgericht zonder het gevolg te zijn van een splitsing van een bestaand centrum. In dat geval geldt de termijn, waarbinnen de melding moet ingediend worden, vermeld in artikel 35ter van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, niet.

De melding tot ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats wordt gevoegd bij de melding vermeld in artikel 8, § 3, in het geval van een centrum dat wordt opgericht als gevolg van een splitsing van een bestaand centrum. In dat geval geldt de termijn, waarbinnen de melding moet ingediend worden, vermeld in artikel 35ter van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, niet.]] ]³

[§ 5. Met inachtneming van artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, kan de Vlaamse Regering de erkenning van een centrum of een vestigingsplaats of opleiding ervan opheffen. Zij kan echter de opheffing van de erkenning ook beperken tot de opheffing van de bevoegdheid om bepaalde eindstudiebewijzen, die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, uit te reiken.]³

[ ]¹ Decr. 8-5-2009; [ ]² Decr. 9-7-2010; [ ]³ Decr. 21-12-2012; [ ]4 Decr. 25-4-2014; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Art. 11.

§ 1. [Een opleiding deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt gefinancierd of gesubsidieerd als aan alle onderstaande voorwaarden, die betrekking hebben hetzij op de opleiding in kwestie hetzij op de vestigingsplaats van het centrum dat het organiseert, samen is voldaan]¹ :

1° beantwoorden aan alle erkenningsvoorwaarden als vermeld in artikel 10, § 1;

2° voldoen aan de programmatie- en rationalisatienormen als vermeld in artikel 12;

3° deelnemen aan en samenwerken binnen een lokaal overlegplatform, opgericht overeenkomstig artikel IV.2, § 2, eerste lid, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijkeonderwijskansen-I. Onder samenwerken wordt verstaan de gegevens als vermeld in artikel IV.4, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet, leveren, en de afspraken, gemaakt in het kader van artikel IV.4, eerste lid, van hetzelfde decreet, naleven;

4° deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer regionale overlegplatformen als vermeld in artikel 103;

5° voor het Gemeenschapsonderwijs : de bevoegdheden van de schoolraad respecteren als vermeld in artikelen 10 tot en met 12 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs;

6° voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs : geen afbreuk doen aan de besluitvormingsprocedures als vermeld in artikelen 19 tot en met 22 van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Die voorwaarde houdt tevens in dat de directeur voor de aan hem door het centrumbestuur gedelegeerde bevoegdheden die voorwerp uitmaken van advies of overleg, voldoende gemandateerd wordt om in de verhouding tot de schoolraad autonoom te kunnen optreden;

7° maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren.

§ 2. [...]²

§ 3. [De in de financiering of subsidiëring opgenomen opleidingen worden per schooljaar met een dienstbrief van het Agentschap voor Onderwijsdiensten bevestigd en meegedeeld aan het betrokken centrumbestuur.]¹

§ 4. [De in de financiering of subsidiëring opgenomen opleidingen kunnen slechts worden ingericht in vestigingsplaatsen die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in artikel 10, § 1, 2°. De dienstbrief vermeld in § 3 bevat de vestigingsplaatsen waar de gefinancierde of gesubsidieerde opleidingen kunnen worden ingericht.

[[Voor de ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats gelden de bepalingen van artikel 35ter van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.

De melding tot ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats maakt deel uit van de aanvraag vermeld in artikel 8, § 3, in het geval van een centrum dat wordt opgericht zonder het gevolg te zijn van een splitsing van een bestaand centrum. In dat geval geldt de termijn, waarbinnen de melding moet ingediend worden, vermeld in artikel 35ter van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, niet.

De melding tot ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats wordt gevoegd bij de melding vermeld in artikel 8, § 3, in het geval van een centrum dat wordt opgericht als gevolg van een splitsing van een bestaand centrum. In dat geval geldt de termijn, waarbinnen de melding moet ingediend worden, vermeld in artikel 35ter van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, niet.]] ]¹

[§ 5. Met behoud van de erkenning wordt de financiering of subsidiëring van een centrum dat niet meer voldoet aan alle financierings- of subsidiëringsvoorwaarden of een opleiding ervan die niet meer voldoet aan al die voorwaarden, door de Vlaamse Regering geheel of gedeeltelijk ingehouden. Die inhouding kan alleen op voorstel van de onderwijsinspectie als het gaat om de voorwaarden, vermeld in artikel 10, § 1, 2°, 4° en 5°. De Vlaamse Regering bepaalt de aanvullende bepalingen voor die inhouding en regelt de beroepsprocedure.]¹

[ ]¹ Decr. 21-12-2012; [ ]² Decr. 25-4-2014; [[ ]] Decr. 19-6-2015

Art. 12.

§ 1. Voor een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs, bedraagt de programmatienorm 25 jongeren en de rationalisatienorm 40 jongeren.

Voor een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs bedraagt de programmatienorm 260 jongeren en de rationalisatienorm 240 jongeren.

[...]

De desbetreffende norm moet op een van de volgende data worden bereikt :

1° op 1 februari van het voorafgaande schooljaar of op de eerstvolgende lesdag erna als de voormelde datum op een vrije dag valt : voor de programmatienorm als een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs overgaat van niet-autonoom naar autonoom, evenals voor de rationalisatienorm;

2° op 1 oktober van het schooljaar in kwestie of op de eerstvolgende lesdag erna als de voormelde datum op een vrije dag valt : voor de programmatienorm in andere gevallen dan het geval als vermeld in 1°.

Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat de rationalisatienorm niet meer bereikt [op voormelde datum van de twee voorafgaande schooljaren], moet per 1 september daaropvolgend aan een van de volgende voorwaarden voldoen :

1° overgaan tot geleidelijke afbouw;

2° fuseren met een ander al dan niet autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;

3° overgaan van autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs naar centrum, verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waaraan nog geen centrum is verbonden, mits de op dat moment geldende rationalisatienorm wordt bereikt.

§ 2. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing als het deeltijds beroepssecundair onderwijs uitsluitend wordt georganiseerd in de vorm van zeevisserijonderwijs. In voorkomend geval geldt voor het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs geen norm voor de eerste vestigingsplaats en, vanaf de eventueel tweede vestigingsplaats, dat ten minste vijf jongeren ingeschreven moeten zijn in elke vestigingsplaats bij de aanvang van de opleiding.

Decr. 25-4-2014

Art. 13.

§ 1. In elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt een centrumraad opgericht. Deze heeft tot taak aan het centrumbestuur maatregelen voor te stellen die tot de goede werking van het centrum kunnen bijdragen.

§ 2. Aan het advies van de centrumraad worden vooraf onderworpen :

1° het centrumreglement als vermeld in [artikel 111, § 1, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs];

2° de organisatorische en materiële uitbouw van het centrum, met inbegrip van de criteria voor de aanwending van het pakket uren-leraar als vermeld in artikel 90;

3° de pedagogische aanpak van het leerprogramma;

4° de aanwending van de beschikbare middelen;

5° de aansluitingsproblematiek van het deeltijds beroepssecundair onderwijs op de arbeidsmarkt in het algemeen en de aansluitingsproblematiek van de component leren op de component werkplekleren in het bijzonder.

§ 3. De centrumraad telt ten minste zes leden en moet paritair worden samengesteld uit afgevaardigden van het onderwijs, aangewezen door het centrumbestuur, en afgevaardigden van socio-economische organisaties. Een afgevaardigde van elk centrum voor deeltijdse vorming waarmee het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs samenwerkt en een afgevaardigde van het centrum voor leerlingenbegeleiding maken raadgevend deel uit van de centrumraad.

Decr. 4-4-2014

[Art. 13bis.

Een fusie van centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt door het centrumbestuur of de centrumbesturen in kwestie uiterlijk op 1 mei van het voorafgaand schooljaar gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

Een afbouw van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt door het centrumbestuur in kwestie uiterlijk op 1 mei van het voorafgaand schooljaar gemeld aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]

Decr. 21-12-2012

Onderafdeling II. - Centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen

Art. 14.

De theoretische vorming binnen de leertijd wordt door de Vlaamse Gemeenschap erkend en gesubsidieerd in door de Vlaamse Regering erkende centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.

Art. 15.

[Voor de erkenning, binnen de leertijd, van een opleiding van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen moeten alle voorwaarden als vermeld in artikel 37 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, zijn vervuld.

Als aan die voorwaarden niet meer wordt voldaan, kan de Vlaamse Regering, op voorstel van een college dat voor de helft is samengesteld uit leden van de onderwijsinspectie en voor de helft uit personeelsleden van Syntra Vlaanderen, de erkenning binnen de leertijd van een centrum of een opleiding ervan al dan niet geleidelijk opheffen. Zij kan evenwel de opheffing van de erkenning ook beperken tot de al dan niet geleidelijke opheffing van de bevoegdheid om eindstudiebewijzen, die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, uit te reiken.]

De Vlaamse Regering legt de aanvullende bepalingen vast over de werking en de organisatie van dat college, wijst de leden ervan aan en regelt de beroepsprocedure.

Decr. 21-12-2012

Art. 16.

[Voor de subsidiëring, binnen de leertijd, van een opleiding van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen moeten alle voorwaarden als vermeld in artikel 38 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, zijn vervuld.

Met behoud van de erkenning wordt de subsidiëring, binnen de leertijd, van een centrum dat niet meer voldoet aan alle subsidiëringsvoorwaarden of een opleiding ervan die niet meer voldoet aan al die voorwaarden, door Syntra Vlaanderen geheel of gedeeltelijk ingehouden.]

Decr. 21-12-2012

Onderafdeling III. - Centra voor deeltijdse vorming

Art. 17.

§ 1. Een centrum voor deeltijdse vorming kan door de Vlaamse Gemeenschap worden erkend en gesubsidieerd bij besluit van de Vlaamse Regering na advies van een commissie.

Een centrumbestuur dient daartoe uiterlijk op 1 januari van het voorafgaande schooljaar een aanvraagdossier in, waaruit blijkt dat het centrum voor deeltijdse vorming beschikt over de nodige expertise om persoonlijke ontwikkelingstrajecten te organiseren. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere procedureregels.

Uitsluitend verenigingen zonder winstoogmerk die actief zijn in het jeugdwerk of het vormingswerk komen als centrumbestuur in aanmerking.

§ 2. De commissie als vermeld in § 1, wordt paritair samengesteld uit :

1° afgevaardigden van het departement Onderwijs en Vorming, de onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten;

2° deskundigen in de begeleiding van jongeren.

Het departement Onderwijs en Vorming stelt de commissie samen en neemt het voorzitterschap ervan waar.

§ 3. In afwijking van § 1 worden de centra voor deeltijdse vorming van rechtswege door de Vlaamse Gemeenschap erkend en gesubsidieerd indien de organisator ervan tijdens het schooljaar 2007-2008 door de Vlaamse Gemeenschap werd gesubsidieerd voor zijn deeltijdse vormingen.

Art. 18.

§ 1. De commissie als vermeld in artikel 17, § 1, is tevens belast met bemiddeling in het geval dat een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs geen enkel samenwerkingsakkoord kan bereiken met een centrum voor deeltijdse vorming als vermeld in artikel 10, § 1, 10°.

Als na bemiddeling geen samenwerkingsakkoord tot stand komt, legt de Vlaamse Regering samenwerking op tussen het betrokken centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en een of meer centra voor deeltijdse vorming met het oog op de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan die samenwerking minimaal moet voldoen en garandeert daarbij de belangen van de betrokken jongeren en centra.

§ 2. De commissie als vermeld in artikel 17, § 1, is tevens belast met bemiddeling in het geval dat een centrum voor deeltijdse vorming geen enkel samenwerkingsakkoord kan bereiken met een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs als vermeld in artikel 19, § 1, 8°.

Als na bemiddeling geen samenwerkingsakkoord tot stand komt, legt de Vlaamse Regering samenwerking op tussen het betrokken centrum voor deeltijdse vorming en een of meer centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs met het oog op de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan die samenwerking minimaal moet voldoen en garandeert daarbij de belangen van de betrokken jongeren en centra.

Art. 19.

§ 1. Om voor erkenning en subsidiëring in aanmerking te komen, moet een centrum voor deeltijdse vorming aan alle onderstaande voorwaarden samen voldoen :

1° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een centrumbestuur;

2° gevestigd zijn in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden op het gebied van hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen;

3° de controle van de onderwijsinspectie mogelijk maken;

4° beschikken over voldoende didactisch materiaal en over een aangepaste uitrusting;

5° [de bepalingen naleven over de onderwijstaal en de taalkennis van het personeel;]¹

6°[persoonlijke ontwikkelingstrajecten organiseren]³ zoals vastgesteld bij dit decreet [en zijn uitvoeringsreglementering ]²;

7° de reglementering over de vakantieregeling en de aanwending van de onderwijstijd in acht nemen;

8° een samenwerkingsakkoord hebben gesloten met ten minste één door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs met het oog op de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten voor de jongeren, ingeschreven in dat centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, of de bemiddeling en samenwerking als vermeld in artikel 18, § 2, zijn aangegaan. Als dit een samenwerkingsakkoord met een officieel centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs betreft, dan moet het centrum voor deeltijdse vorming het neutraliteitsprincipe respecteren;

9° beschikken over personeel waarvan de gezondheidstoestand de gezondheid van de jongeren niet in gevaar brengt;

10° de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen;

11° deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer regionale overlegplatformen als vermeld in artikel 103;

12° maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren;

[13° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het centrum- of arbeidsreglement.]¹

[§ 1/1. Voor de ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats gelden de bepalingen van artikel 35ter van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.

De melding tot ingebruikname van een nieuwe vestigingsplaats maakt deel uit van het aanvraagdossier vermeld in artikel 17, § 1, in het geval van een centrum dat wordt opgericht. In dat geval geldt de termijn, waarbinnen de melding moet ingediend worden, vermeld in artikel 35ter van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, niet.]4

§ 2. De Vlaamse Regering kan, op voorstel van een college van onderwijsinspecteurs, de erkenning van een centrum voor deeltijdse vorming al dan niet geleidelijk en geheel of gedeeltelijk opheffen en de subsidiëring overeenkomstig inhouden, als niet meer wordt voldaan aan alle erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden. Dat college van onderwijsinspecteurs wordt voor de helft samengesteld uit inspectieleden die afkomstig zijn uit het officieel onderwijs, enerzijds, en voor de helft uit inspectieleden die afkomstig zijn uit het vrij onderwijs, anderzijds.

De Vlaamse Regering legt de aanvullende bepalingen vast over de werking en de organisatie van dat college van onderwijsinspecteurs, wijst de leden ervan aan en regelt de beroepsprocedure.

[ ]¹ Decr. 8-5-2009; [ ]² Decr. 9-7-2010; [ ]³ Decr. 21-12-2012; [ ]4 Decr. 19-6-2015

Onderafdeling IV. - Programmatie van het aanbod

Art. 20.

[De programmatie van een opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs is vrij en kan op elk tijdstip van het schooljaar. In het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs in kwestie liggen, ter eventuele controle door de overheid, het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité, het document waaruit moet blijken dat de programmatie vooraf is besproken in het regionaal overlegplatform waarin het centrum participeert en, in het geval het centrum tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit moet blijken dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.]

Decr. 17-6-2016

Art. 21.

Elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, elk centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen en elk centrum voor deeltijdse vorming is vrij in de ingebruikname van vestigingsplaatsen.

Voor de toepassing van dit decreet kan een locatie alleen de vestigingsplaats van een centrum zijn als er een deel of het geheel van het opleidings- of vormingsaanbod met eigen personeel wordt georganiseerd.

Elk centrum wijst een administratieve zetel aan. Als een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs verbonden is aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, is de hoofdvestigingsplaats van die instelling van rechtswege de administratieve zetel van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Afdeling II. - Aanbod en organisatie

Onderafdeling I. - Opleidingsaanbod deeltijds beroepssecundair onderwijs en leertijd

Art. 22.

De Vlaamse Regering legt, afzonderlijk voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor de leertijd, de lijst van opleidingen vast die kunnen worden georganiseerd.

Art. 23.

§ 1. [Om de lijsten van opleidingen vast te stellen, worden alle bestaande opleidingen gescreend op basis van beroepskwalificaties. De screening strekt ertoe een rationeel en transparant opleidingsaanbod tot stand te brengen door middel van, eventueel, omzetting, samenvoeging of schrapping van opleidingen.]²

§ 2. De screening van de bestaande opleidingen wordt uitgevoerd door een commissie, die bestaat uit :

1° afgevaardigden van [de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap]¹, de onderwijsinspectie, het Agentschap voor Onderwijsdiensten;

2° deskundigen in de beroepswereld, intern of extern aan de opleidingensector.

[De bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap]¹ stelt de commissie samen en neemt het voorzitterschap ervan waar.

De conclusies van de commissie worden voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs ter advies voorgelegd aan de Vlaamse Onderwijsraad en voor de leertijd aan de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen.

Op basis van de conclusies van de commissie en het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, respectievelijk de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen, neemt de Vlaamse Regering een beslissing.

§ 3. [...]²

[ ]¹ Decr. 19-7-2013; [ ]² Decr. 25-4-2014

Art. 24.

§ 1. [De Vlaamse Regering kan op basis van beroepskwalificaties nieuwe opleidingen vastleggen.]

De Vlaamse Regering kan daartoe, al dan niet in het kader van de screening als vermeld in artikel 23, § 1, zelf het initiatief nemen of ze kan onderbouwde voorstellen in overweging nemen die door opleidingsverstrekkers of derden worden ingediend.

§ 2. Een initiatief tot of een voorstel van nieuwe opleiding wordt voorgelegd aan de commissie als vermeld in artikel 23, § 2. De commissie onderzoekt het voorstel ten minste op volledigheid, correctheid en actualiteitswaarde, en formuleert conclusies.

Het oorspronkelijke initiatief of voorstel en de conclusies van de commissie worden ter advies voorgelegd aan de Vlaamse Onderwijsraad, aan de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen of aan beide, afhankelijk van waar de opleiding wordt ondergebracht.

Op basis van de conclusies van de commissie en het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, respectievelijk de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen of beide, neemt de Vlaamse Regering een beslissing.

De Vlaamse Regering legt de termijnen vast met betrekking tot de indienings- en adviseringsprocedure.

Decr. 25-4-2014

Art. 25.

Bij de uitvoering van de opdrachten als vermeld in artikelen 23 en 24, past de commissie al de volgende criteria toe :

1° de opleiding is, in voorkomend geval, in overeenstemming met :

a) maatschappelijke ontwikkelingen;

b) economische ontwikkelingen, waaronder potentiële tewerkstelling;

c) culturele ontwikkelingen;

d) technologische ontwikkelingen;

e) Europese, federale of Vlaamse regelgeving vanuit de beleidsdomeinen en beleidsniveaus;

2° de invulling van de opleiding wordt bepaald vanuit [een beroepskwalificatie];

3° de onderwijskundige en opvoedkundige context :

a) de opleiding is afgestemd op het ontwikkelingsniveau en de talenten van de doelgroep;

b) de opleiding past in het concept van leren en werken;

c) de opleiding stimuleert de motivatie tot leren en werkplekleren bij jongeren;

4° de optimalisering en vrijwaring van de continuïteit in de (studie)loopbaan :

a) de inpassing in het bestaande opleidingsaanbod;

b) het, waar mogelijk, parallellisme tussen het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd, inzonderheid bij opleidingen die tot dezelfde kwalificatie leiden;

c) de waarborgen voor aansluiting op vervolgopleidingen of tewerkstellingsmogelijkheden.

Decr. 25-4-2014

Onderafdeling II. - Aanbod van de centra voor deeltijdse vorming

Art. 26.

Het aanbod van een centrum voor deeltijdse vorming bestaat uit de organisatie van :

1° persoonlijke ontwikkelingstrajecten;

2° eventueel : de algemene vorming binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

3° eventueel : ondersteuning van leerlinggebonden activiteiten in de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Onderafdeling III. - Organisatie deeltijds beroepssecundair onderwijs

Art. 27.

§ 1. Deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt verstrekt naar rata van 15 wekelijkse uren vanaf 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar, met uitzondering van de vakantieperiodes zoals vastgelegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs.

In afwijking hiervan :

1° [kan het centrumbestuur het deeltijds beroepssecundair onderwijs in een ander week- of jaarritme organiseren op voorwaarde enerzijds dat geen afbreuk wordt gedaan aan het aantal uren op jaarbasis, en anderzijds dat een gemotiveerd dossier in het centrum ter beschikking wordt gehouden voor het Agentschap voor Onderwijsdiensten en de onderwijsinspectie;]²

2° kan het centrumbestuur het aantal wekelijkse uren verhogen voor jongeren die de component werkplekleren tijdelijk niet invullen. Het centrumbestuur bepaalt of die bijkomende uren aan algemene vorming of aan beroepsgerichte vorming worden besteed;

3°[...]³

§ 2. Deeltijds beroepssecundair onderwijs, verstrekt door een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, bestaat uit algemene vorming en beroepsgerichte vorming.

In afwijking hiervan :

1° kan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs enkel de beroepsgerichte vorming verstrekken en de algemene vorming laten verstrekken door een centrum voor deeltijdse vorming;

2° kan de klassenraad, vanaf het schooljaar dat begint in het kalenderjaar waarin de jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt, de jongere vrijstellen van de algemene vorming. Als van die mogelijkheid wordt gebruikgemaakt, worden 15 wekelijkse uren volledig aan beroepsgerichte vorming besteed.

§ 3. Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs moet altijd gedurende ten minste 9 halve lesdagen per week opengesteld zijn.

§ 4. [Voor de organisatie van de beroepsgerichte vorming en van activiteiten ter ondersteuning van de beroepsgerichte vorming kan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs samenwerken met instellingen voor voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, met andere centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, met centra voor volwassenenonderwijs of met centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. Voor de organisatie van de algemene vorming en van activiteiten ter ondersteuning van de algemene vorming kan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs samenwerken met instellingen voor voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.

In voorkomend geval wordt er tussen het centrum en de instelling in kwestie of tussen de twee centra in kwestie een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin alle noodzakelijk geachte afspraken en voorwaarden zijn opgenomen.]¹

[ ]¹ Decr. 8-5-2009; [ ]² Decr. 1-7-2011; [ ]³ Decr. 21-12-2012

[Art. 27/1.

In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan de wekelijkse lessentabel, de vakken moderne vreemde talen niet meegerekend, voor maximaal 20 % worden aangeboden in het Frans, Engels of Duits.

Het aanbod, vermeld in het eerste lid, kan worden georganiseerd op voorwaarde dat :

1° de jongere de mogelijkheid heeft om alle niet-taalvakken in het Nederlands in het centrum te volgen;

2° een jongere slechts CLIL kan volgen, indien de betrokken personen er schriftelijk en expliciet voor kiezen het CLIL-traject gedurende het volledige schooljaar te volgen en na positief advies van de klassenraad dat ten minste is gebaseerd op voldoende kennis en beheersing door de jongere van de onderwijstaal;

3° het aanbod voldoet aan de door de Vlaamse Regering bepaalde kwaliteitsstandaard [[die vastgelegd wordt uiterlijk 15 februari 2014]]. De kwaliteitsstandaard omvat enkel voorwaarden op het vlak van :

a) de competenties van het personeel dat deze lessen zal geven op het vlak van de CLIL-methodiek in relatie tot het vak zelf;

b) de vereiste kennis van de doeltaal van de personeelsleden;

c) communicatie met ouders en jongeren; met de expliciete keuzemogelijkheid tussen CLIL of niet-CLIL;

d) de inpassing van dit aanbod in een coherent talenbeleid zowel voor de onderwijstaal als vreemde talen, met formulering van expliciete strategische doelstellingen;

e) monitoring van de resultaten en de leerwinst van de leerlingen in het vak/onderwerp, in de doeltaal en in het Standaardnederlands;

f) de te volgen stappen die een school moet ondernemen die een CLIL-project wil organiseren (beginsituatieanalyse, communicatie, doelen formuleren, actieplan opstellen en actieplan operationaliseren);

4° het centrum kan het aanbod slechts effectief organiseren, als ze beschikt over personeelsleden die op het ogenblik van de organisatie beantwoorden aan de voorwaarden van 3°, a) en b). Daarbij moet ze rekening houden met de rechten van de personeelsleden die vast benoemd zijn of tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur in het vak dat ze wil aanbieden in het Frans, Engels of Duits. Om het aanbod te organiseren mag het centrum een personeelslid dat vast benoemd is voor het vak dat ze in het Frans, Engels of Duits wil aanbieden niet ter beschikking stellen wegens ontstentenis van betrekking. Het centrum mag ook de opdracht van een tijdelijk personeelslid dat voor doorlopende duur is aangesteld in het vak dat ze in het Frans, Engels of Duits wil aanbieden niet verminderen of beëindigen om het aanbod te organiseren. Dit laatste geldt niet als het tijdelijk personeelslid wel voldoet aan de voorwaarden van 3°, a) en b), maar het aanbod weigert om het vak in het Frans, Engels of Duits te geven;

5° het centrum ervoor zorgt dat de kennis van de onderwijstaal bij de jongeren prioritair blijft en dat het Nederlandstalig karakter van het centrum behouden blijft;

6° voorafgaand een plan wordt opgemaakt dat door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap is goedgekeurd.]

Decr. 19-7-2013; [[ ]] Decr. 25-4-2014

Art. 28.

§ 1. Het deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt modulair georganiseerd, waarbij de opleiding wordt aangeboden in modules.

Elke opleiding bestaat uit een of meer modules. Dezelfde module kan in verschillende opleidingen voorkomen.

De Vlaamse Regering ontwikkelt, tezamen met het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, de opleidingenstructuur. Voorafgaand aan een definitieve beslissing, legt ze het resultaat ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor. Onder opleidingenstructuur wordt verstaan :

1° de modules per opleiding;

2° de aanduiding dat de modules zich sequentieel of onafhankelijk tot elkaar verhouden.

[Een opleiding kan starten]¹ op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren. Een module kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een aantal dagen of weken.

[...]²

§ 2. [In het deeltijds beroepssecundair onderwijs schakelt een opleiding om, na screening, van een niet-modulaire naar een modulaire organisatie.]³

§ 3. In afwijking van § 1 en in afwachting van het tijdstip als vermeld in § 2, wordt in de overgangsperiode het deeltijds beroepssecundair onderwijs niet-modulair georganiseerd.

De opleiding wordt er aangeboden door middel van algemene, technische en praktische vakken en, eventueel, seminaries. [...]² De vakbenamingen worden door de Vlaamse Regering vastgelegd en zijn dezelfde als die voor het voltijds gewoon secundair onderwijs.

Een opleiding start bij het begin van het schooljaar en wordt gespreid over een of meer schooljaren.

§ 4. In afwachting van het tijdstip als vermeld in § 2, blijven de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs de opleidingen die ze, op experimentele wijze, reeds modulair organiseerden tot aan de inwerkingtreding van dit decreet overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, op dezelfde wijze verder modulair organiseren.

[§ 5. De Vlaamse Regering kan voor een opleiding en voor de aansluitende component werkplekleren bijzondere organisatievoorwaarden opleggen.]¹

[ ]¹ Decr. 1-7-2011; [ ]² Decr. 19-7-2013; [ ]³ Decr. 25-4-2014

[Art. 28bis.

In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kunnen stages worden georganiseerd.

Een leerlingenstage is gebaseerd op een leerlingenstage-overeenkomst gesloten tussen het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de stagegever en de betrokken personen.

Het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs draagt de eindverantwoordelijkheid voor :

1° de keuze van de stagegever;

2° de vaststelling van de stage-activiteiten;

3°[[de begeleiding en beoordeling van de leerling-stagiair, ermee rekening houdend dat de jongere tijdens de stage wordt begeleid door een personeelslid van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een personeelslid van een andere school of centrum waar het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs op basis van een overeenkomst mee samenwerkt voor de organisatie van de vorming; dat personeelslid is continu op de stageplaats aanwezig.]]

Elke leerlingenstage is onbezoldigd.

De Vlaamse Regering kan de organisatie van en de minimale kwaliteitskenmerken voor leerlingenstages nader bepalen.]

Decr. 19-7-2013; [[ ]] Decr. 25-4-2014

Art. 29.

§ 1. Eindtermen kunnen vakgebonden of vakoverschrijdend zijn.

Vakgebonden eindtermen worden vastgelegd voor de basisvorming, zoals bepaald [in de codificatie betreffende het secundair onderwijs]². De onderwijsinstelling in kwestie heeft de maatschappelijke opdracht de vakgebonden eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht en vaardigheden bij de jongeren te bereiken. Het bereiken van die eindtermen zal worden afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie. Vakgebonden eindtermen met betrekking tot attitudes moeten door de onderwijsinstelling bij de jongeren worden nagestreefd.

Vakoverschrijdende eindtermen zijn minimumdoelen die niet specifiek behoren tot een vakgebied, maar onder meer door middel van meer vakken of onderwijsprojecten worden nagestreefd. Elke instelling heeft de maatschappelijke opdracht de vakoverschrijdende eindtermen bij de jongeren na te streven. De instelling toont aan dat ze met een eigen planning aan de vakoverschrijdende eindtermen werkt.

Elke opleidingsverstrekker beschikt over de vrijheid om leerplannen vast te stellen. Met het oog op de toepassing ervan moeten de leerplannen door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd, volgens de vooraf door haar bepaalde criteria. In leerplannen moeten de vakgebonden eindtermen, als ze bepaald zijn, op een herkenbare wijze worden opgenomen. Leerplannen bevatten daarnaast en desgewenst de doelen die de opleidingsverstrekker uitdrukkelijk formuleert voor de jongeren vanuit het eigen opvoedingsproject in het algemeen of de eigen visie op het vak in het bijzonder. Ook moeten leerplannen voldoende ruimte laten voor de inbreng van onderwijsinstellingen, leraren, lerarenteams of de jongeren zelf.

§ 2. Om het studiepeil te waarborgen, en uitsluitend met het oog op de uitreiking in het deeltijds beroepssecundair onderwijs van graad- of leerjaargebonden eindstudiebewijzen, identiek aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, zijn de bepalingen over eindtermen en leerplannen als vermeld in § 1 en met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding, van toepassing op de algemene vorming.

Dit houdt in dat de algemene vorming wordt verstrekt op basis van enerzijds door de Vlaamse Regering goedgekeurde leerplannen waarin op herkenbare wijze de vakgebonden eindtermen moeten worden opgenomen, en anderzijds, en uiterlijk vanaf [het schooljaar 2010-2011]¹, met inachtname van de vakoverschrijdende eindtermen.

Met vakgebonden eindtermen worden de eindtermen voor de vakken van de basisvorming bedoeld, met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding, van respectievelijk de tweede graad - eerste en tweede leerjaar, de derde graad - eerste en tweede leerjaar, of de derde graad - derde leerjaar, van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs, naargelang van het geval. Met vakoverschrijdende eindtermen worden de eindtermen bedoeld van respectievelijk de tweede graad of de derde graad van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs, naargelang van het geval.

§ 3. Als een centrumbestuur oordeelt dat de eindtermen onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of ermee onverzoenbaar zijn, dient het bij de Vlaamse Regering een aanvraag tot afwijking in. In voorkomend geval gelden de afwijkingsvoorwaarden en -procedure die ook van toepassing zijn in het voltijds gewoon secundair onderwijs als vermeld in [artikel 147 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]².

[ ]¹ Decr. 8-5-2009; [ ]² B.Vl.R. 17-12-2010

Art. 30.

§ 1.[De Vlaamse Regering bepaalt in overleg met de beroepssectoren, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de Vlaamse Onderwijsraad, welke door de Vlaamse Regering vóór 1 januari 2014 vastgelegde referentiekaders worden opgeheven en door welke beroepskwalificaties ze worden vervangen. Van deze beroepskwalificaties worden, onverkort, de doelen voor de beroepsgerichte vorming van de opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs afgeleid.]

[...]

De beroepsgerichte vorming kan enkel gerealiseerd worden door middel van het geïntegreerd doorlopen van de component leren en de component werkplekleren.

Voor een opleiding die zowel in het deeltijds beroepssecundair onderwijs als in de leertijd voorkomt, geldt hetzelfde referentiekader. Als het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd hetzelfde referentiekader hanteren, dan geldt dat vanaf hetzelfde schooljaar.

§ 2. De bepalingen van § 1 gelden niet voor opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs die door de centra niet-modulair worden georganiseerd in afwachting van het opleidingsaanbod dat tot stand komt na screening als vermeld in artikel 23, § 1. In voorkomend geval worden de door de Vlaamse Regering, na advies van de Vlaamse Onderwijsraad, goedgekeurde opleidingskaarten als referentiekader gehanteerd waarin de minimale leerdoelen en inhouden van de opleiding in kwestie worden beschreven.

Decr. 25-4-2014

[Art. 30/1.

Bij de organisatie van het leerprogramma werkt de klassenraad op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de betrokken personen en doet in het bijzonder voor jongeren met specifieke onderwijsbehoeften gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder remediërende, differen- tiërende, compenserende of dispenserende maatregelen naargelang de noden van de jongere. De specifieke onderwijsbehoeften van jongeren en de ondersteuningsbehoeften van het onderwijspersoneel en de ouders staan daarbij centraal.]

Decr. 21-3-2014

Onderafdeling IV. - Organisatie leertijd

Art. 31.

De leertijd bestaat uit een praktijkopleiding in een onderneming, aangevuld met een theoretische vorming in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. Praktijkopleiding en aanvullende theoretische vorming zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De praktijkopleiding staat gelijk met de component werkplekleren en de theoretische vorming staat gelijk met de component leren.

Voor de praktijkopleiding in de leertijd wordt [een stageovereenkomst alternerende opleiding, een overeenkomst van alternerende opleiding of een deeltijdse arbeidsovereenkomst]² voor bepaalde duur tussen een ondernemingshoofdopleider en een jongere gesloten.

De theoretische vorming in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen wordt verstrekt gedurende ten minste 30 weken per schooljaar naar rata van minimaal 8 wekelijkse uren, waaronder minimaal 4 uren algemene vorming en minimaal 4 uren beroepsgerichte vorming. De raad van bestuur van Syntra Vlaanderen kan voor bijzondere gevallen beslissen om een opleiding in een ander week- of jaarritme te organiseren op voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan het totale aantal uren op jaarbasis.

Vanaf het schooljaar dat begint in het kalenderjaar waarin de jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt, kan Syntra Vlaanderen de jongere vrijstellen van de algemene vorming.

[Bij de organisatie van de leertijd werkt een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen op een systematische, planmatige en transparante wijze samen met het centrum voor leerlingenbegeleiding en de betrokken personen en doet in het bijzonder voor jongeren met specifieke onderwijsbehoeften gepaste en redelijke aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen naargelang de noden van de jongere. De specifieke onderwijsbehoeften van jongeren en de ondersteuningsbehoeften van het onderwijspersoneel en de ouders staan daarbij centraal.]¹

[ ]¹ Decr. 21-3-2014; [ ]² Decr. 10-6-2016

[Art. 31/1.

In de leertijd kan de wekelijkse lessentabel, de vakken moderne vreemde talen niet meegerekend, voor maximaal 20 % worden aangeboden in het Frans, Engels of Duits.

Het aanbod, vermeld in het eerste lid, kan worden georganiseerd op voorwaarde dat :

1° de jongere de mogelijkheid heeft om alle niet-taalvakken in het Nederlands in het centrum te volgen;

2° een jongere slechts CLIL kan volgen, indien de betrokken personen er schriftelijk en expliciet voor kiezen het CLIL-traject gedurende het volledige schooljaar te volgenen na positief advies van het ter zake bevoegd orgaan dat ten minste is gebaseerd op voldoende kennis en beheersing door de jongere van de onderwijstaal;

3° het aanbod voldoet aan de door de Vlaamse Regering bepaalde kwaliteitsstandaard [[die vastgelegd wordt uiterlijk 15 februari 2014]]. De kwaliteitsstandaard omvat enkel voorwaarden op het vlak van :

a) de competenties van het personeel dat deze lessen zal geven op het vlak de CLIL-methodiek in relatie tot het vak zelf;

b) de vereiste kennis van de doeltaal van de personeelsleden;

c) communicatie met ouders en jongeren; met de expliciete keuzemogelijkheid tussen CLIL of niet-CLIL;

d) de inpassing van dit aanbod in een coherent talenbeleid zowel voor de onderwijstaal als vreemde talen, met formulering van expliciete strategische doelstellingen;

e) monitoring van de resultaten en de leerwinst van de leerlingen in het vak/onderwerp, in de doeltaal en in het Standaardnederlands;

f) de te volgen stappen die een school moet ondernemen die een CLIL-project wil organiseren (beginsituatieanalyse, communicatie, doelen formuleren, actieplan opstellen en actieplan operationaliseren);

4° het centrum er voor zorgt dat de kennis van de onderwijstaal bij de jongeren prioritair blijft en dat het Nederlandstalig karakter van het centrum behouden blijft;

5° voorafgaand een plan wordt opgemaakt dat door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap is goedgekeurd.]

Decr. 19-7-2013; [[ ]] Decr. 25-4-2014

Art. 32.

§ 1. [De Vlaamse Regering bepaalt in overleg met de beroepssectoren, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen, welke door de Vlaamse Regering vóór 1 januari 2014 vastgelegde referentiekaders worden opgeheven en door welke beroepskwalificaties ze worden vervangen. Van deze beroepskwalificaties worden, onverkort, de doelen voor de beroepsgerichte vorming van de opleidingen binnen de leertijd afgeleid.]

[...]

Voor een opleiding die zowel in de leertijd als in het deeltijds beroepssecundair onderwijs voorkomt, geldt hetzelfde referentiekader. Als de leertijd en het deeltijds beroepssecundair onderwijs hetzelfde referentiekader hanteren, dan geldt dat vanaf hetzelfde schooljaar.

§ 2. De bepalingen van § 1 gelden niet voor opleidingen binnen de leertijd die door de centra worden georganiseerd in afwachting van het opleidingsaanbod dat tot stand komt na screening als vermeld in artikel 23, § 1. In voorkomend geval worden de door de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen goedgekeurde programma's als referentiekader gehanteerd waarin de minimale leerdoelen en -inhouden van de opleiding in kwestie worden beschreven.

Decr. 25-4-2014

Art. 33.

§ 1. Om het studiepeil te waarborgen, en uitsluitend met het oog op de uitreiking in de leertijd van graad- of leerjaargebonden eindstudiebewijzen, identiek aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, zijn de bepalingen over eindtermen en leerplannen als vermeld in artikel 29, van toepassing op de algemene vorming.

Dat houdt in dat de algemene vorming wordt verstrekt op basis van enerzijds door de Vlaamse Regering goedgekeurde leerplannen waarin op herkenbare wijze de vakgebonden eindtermen moeten worden opgenomen, en anderzijds, en uiterlijk vanaf [het schooljaar 2010-2011]¹, met inachtname van de vakoverschrijdende eindtermen.

Met vakgebonden eindtermen worden de eindtermen voor de vakken van de basisvorming bedoeld, met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding, van respectievelijk de tweede graad - eerste en tweede leerjaar, de derde graad - eerste en tweede leerjaar, of de derde graad - derde leerjaar, van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs, naargelang van het geval. Met vakoverschrijdende eindtermen worden de eindtermen bedoeld van respectievelijk de tweede graad of de derde graad van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs, naargelang van het geval.

§ 2. Als Syntra Vlaanderen oordeelt dat de eindtermen onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of ermee onverzoenbaar zijn, dient het bij de Vlaamse Regering een aanvraag tot afwijking in. In voorkomend geval gelden de afwijkingsvoorwaarden en -procedure die ook van toepassing zijn in het voltijds gewoon secundair onderwijs als vermeld in [artikel 147 van de codificatie betreffende het secundair onderwijs]².

[ ]¹ Decr. 8-5-2009; [ ]² B.Vl.R. 17-12-2010

Onderafdeling V. - Organisatie deeltijdse vorming

Art. 34.

Als de deeltijdse vorming de uren algemene vorming behelst die wordt verstrekt in opdracht van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, blijven de bepalingen van artikel 29 onverminderd van toepassing.

Art. 35.

Een persoonlijk ontwikkelingstraject wordt georganiseerd naar rata van 28 uur op weekbasis als het persoonlijke ontwikkelingstraject voor de jongere de component leren en de component werkplekleren vervangt. Uitzonderlijk kan een persoonlijk ontwikkelingstraject hetzij de component werkplekleren vervangen hetzij de component leren voor een jongere in een voortraject of brugproject.

[Een persoonlijk ontwikkelingstraject kan gespreid worden over een aantal weken, eventueel schooljaaroverschrijdend, zonder afbreuk te doen aan het tijdelijke karakter ervan. Voor een jongere die in het deeltijds beroepssecundair onderwijs instapt, kan een persoonlijk ontwikkelingstraject starten op elk ogenblik van het schooljaar. Een jongere die al van vóór juni een persoonlijk ontwikkelingstraject volgt, moet alleszins tijdens de maand juni dit traject met een ongewijzigd uren-aantal blijven volgen.]²

[De Vlaamse Regering kan bijkomende bepalingen vastleggen met betrekking tot de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten.]¹

[ ]¹ Decr. 21-12-2012; [ ]² Decr. 17-6-2016

Art. 36.

Ten minste om de twee maanden is er een overleg waarop telkens het centrum voor leerlingenbegeleiding, het centrum voor deeltijdse vorming dat het persoonlijke ontwikkelingstraject organiseert, en het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de jongere is ingeschreven in kwestie, vertegenwoordigd zijn.

Tijdens dat overleg wordt het persoonlijke ontwikkelingstraject van de jongere geëvalueerd en wordt er in consensus beslist of het voortzetten van het traject noodzakelijk is. Indien geen consensus wordt bereikt, dan beslist het centrum voor leerlingenbegeleiding. Als het voortzetten van het traject niet noodzakelijk is, dan wordt, naargelang van het geval, de component leren ingevuld door middel van het deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd respectievelijk de component werkplekleren ingevuld op een andere wijze dan door middel van een persoonlijk ontwikkelingstraject. Het centrum voor leerlingenbegeleiding kan evenwel ook een advies geven tot heroriëntering naar een andere vorm van onderwijs buiten het stelsel van leren en werken.

Afdeling III. - Doelgroep

Onderafdeling I. - Toelating

Art. 37.

Voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs moeten de bepalingen van deze onderafdeling samengelezen worden met deel III, titel 2, hoofdstuk 1/1, van de Codex Secundair Onderwijs en met het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I.

Decr. 25-11-2011

Art. 38.

In het deeltijds beroepssecundair onderwijs en in de leertijd, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, kunnen geen directe of indirecte inschrijvingsgelden worden gevraagd.

Met indirecte inschrijvingsgelden worden kosten bedoeld, geheven bij het begin of in de loop van het schooljaar door het centrumbestuur, waarvan het bedrag dermate hoog is dat ze een reële belemmering vormen om zich in te schrijven.

Het centrumbestuur bepaalt de lijst van financiële bijdragen die aan de betrokken personen kunnen worden gevraagd, evenals de afwijkingen van die bijdrageregeling die kunnen worden toegekend, in voorkomend geval rekening houdend met de decreet- of regelgeving op het vlak van inspraak en participatie.

Art. 39.

§ 1. Het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd zijn toegankelijk voor jongeren die enerzijds aan de voltijdse leerplicht hebben voldaan en anderzijds de leeftijd van 25 jaar nog niet hebben bereikt. Ze kunnen worden gevolgd uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin jongeren de leeftijd van 25 jaar bereiken.

In afwijking van het voorgaande kan een jongere evenwel bijzondere toelating krijgen om vanaf het begin van het schooljaar waarin hij deeltijds leerplichtig wordt, het deeltijds beroepssecundair onderwijs of de leertijd te volgen. Die toelating wordt gegeven door de directie van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs in kwestie of door Syntra Vlaanderen, naargelang van het geval, op advies van het centrum voor leerlingenbegeleiding waarmee de instelling voor voltijds onderwijs waar de jongere de lessen volgt, samenwerkt.

§ 2. Een jongere die is ingeschreven in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, maar een persoonlijk ontwikkelingstraject volgt in een centrum voor deeltijdse vorming, kan dat traject volgen uiterlijk tot het einde van het schooljaar waarin hij zijn leerplicht beëindigt.

Art. 40.

[Een jongere kan niet tot een opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs of in de leertijd worden toegelaten als hij al in het bezit is van een eindstudiebewijs van dezelfde opleiding, behaald in het secundair onderwijs, in het volwassenenonderwijs, in de leertijd of in de ondernemersopleiding.]

Een jongere kan niet tot een module van een opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs worden toegelaten als hij die module al met vrucht heeft gevolgd in het secundair onderwijs of in het volwassenenonderwijs.

Decr. 21-12-2012

Art. 41.

Voor de toelating tot een bepaalde module van een opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs gelden de door de Vlaamse Regering bepaalde instapvereisten. Deze instapvereisten kunnen slechts betrekking hebben op vooropleiding of medische geschiktheid. Voor zover een opleiding niet-modulair wordt georganiseerd kunnen eveneens instapvereisten worden gesteld die betrekking hebben op medische geschiktheid.

Van instapvereisten die betrekking hebben op vooropleiding kan evenwel per individueel geval, ingevolge een gemotiveerde beslissing van de klassenraad, worden afgeweken. Die beslissing houdt in dat de klassenraad oordeelt dat de algemene en de beroepsgerichte vorming van een of meer nietgevolgde voorafgaande modules binnen de opleiding al eerder zijn behaald. In voorkomend geval levert het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs een attest van vrijstelling af.

Bij verandering van centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs blijft een attest van vrijstelling gelden, tenzij kennelijk blijkt dat het attest werd verkregen zonder dat de jongere het oogmerk had om in het centrum van uitreiking daadwerkelijk en regelmatig een opleiding te volgen.

Art. 42.

[...]

Decr. 17-6-2016

[Art. 42bis.

Voor leerlingen die houder zijn van studiebewijzen, uitgereikt door andere scholen of centra dan de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen en centra en die :

a) zich ofwel binnen de deeltijdse leerplichtleeftijd bevinden zoals die is bepaald bij de wet van 29 juni 1983;

b) ofwel uitdrukkelijk opteren voor het volgen van deeltijds beroepssecundair onderwijs, geldt,

behoudens eventueel andere door de Vlaamse Regering opgelegde toeltingsvoorwaarden, als toelatingsvoorwaarde een gunstige beslissing van de klassenraad van een door de betrokken personen gekozen centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. [[Bij de beslissing houdt de klassenraad rekening met het advies van de klassenraad van het onthaaljaar als het een overstap betreft van het onthaaljaar naar vervolgonderwijs, vermeld in artikel 146, § 4, van de Codex Secundair Onderwijs. Elke beslissing die afwijkt van het advies, wordt afdoende gemotiveerd.]]

Voor de leerlingen in kwestie kan de Vlaamse Regering nooit toelatingsvoorwaarden met betrekking tot de vooropleiding bepalen.]

Decr. 1-7-2011; [[ ]] Decr. 25-4-2014

Art. 43.

In de leertijd kan de praktijkcommissie voor bepaalde opleidingen bijzondere instapvoorwaarden inzake leeftijd of vooropleiding vastleggen.

In de leertijd beslist Syntra Vlaanderen op basis van de leeftijd en de vooropleiding in welk opleidingsjaar de jongere zijn opleiding start.

Art. 44.

Rechtstreekse inschrijving in een centrum om aan de component leren te voldoen, is enkel mogelijk in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of, via de trajectbegeleider Syntra Vlaanderen, in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.

Het volgen van een vorming in een centrum voor deeltijdse vorming, al dan niet nadat de jongere zich daar rechtstreeks heeft aangemeld, kan pas na voorafgaande inschrijving in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs én rekening houdend met het resultaat van de screening als vermeld in artikel 62.

Art. 45.

[§ 1. Voorafgaand aan een inschrijving en bij elke wijziging moet een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of een trajectbegeleider Syntra Vlaanderen, naargelang van het geval, de betrokken personen op de hoogte brengen van het centrumreglement. Daarbij moeten de volgende principes in acht worden genomen :

1° voorafgaand aan een inschrijving wordt het centrumreglement schriftelijk of via elektronische drager aangeboden en verklaren de betrokken personen zich er schriftelijk mee akkoord;

2° bij elke wijziging van het centrumreglement worden de betrokken personen schriftelijk of via elektronische drager geïnformeerd over die wijziging en geven ze opnieuw schriftelijk akkoord. Indien de betrokken personen zich met de wijziging niet akkoord verklaren, dan wordt aan de inschrijving van de jongere een einde gesteld op 31 augustus van het lopende schooljaar;

3° het centrumbestuur vraagt de betrokken personen of ze een papieren versie van het centrumreglement wensen te ontvangen;

4° een wijziging van het centrumreglement kan ten vroegste uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar, tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving.

§ 2. Voor materies waarbij de betrokken personen een individuele keuze kunnen maken, die door een regelgeving gegarandeerd wordt, kan die individuele keuze niet via het centrumreglement geregeld worden.]

Decr. 1-7-2011

Art. 46.

Na inschrijving in het deeltijds beroepssecundair onderwijs of in de leertijd wordt de jongere als deeltijds lerende ingeschreven bij de VDAB.

Art. 47.

De inschrijving in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen is slechts mogelijk onder de volgende gezamenlijke voorwaarden :

1° de jongere voldoet uiterlijk op de eerste lesdag aan de toelatingsvoorwaarden;

2° de betrokken personen stemmen in met het pedagogische project en met het centrumreglement;

3° de jongere is bereid zich te onderwerpen aan een screening en trajectbegeleiding als vermeld in artikelen 62 en 63.

Art. 48.

[...]

Decr. 25-11-2011

Art. 49.

Voor een jongere die bij zijn inschrijving in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs niet meer leerplichtig is, wordt die inschrijving onmiddellijk beëindigd als uit de screening als vermeld in artikel 62, volgt dat hij niet in de arbeidsdeelname wordt ingeschaald.

Voor een jongere wordt de inschrijving in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen onmiddellijk beëindigd als uit de screening als vermeld in artikel 62, volgt dat hij niet in de arbeidsdeelname wordt ingeschaald.

[Art. 49bis.

Voor leerlingen die houder zijn van studiebewijzen, uitgereikt door andere scholen of centra dan de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde scholen en centra en die :

a) zich ofwel binnen de deeltijdse leerplichtleeftijd bevinden zoals die is bepaald bij de wet van 29 juni 1983;

b) ofwel uitdrukkelijk opteren voor het volgen van leertijd;

geldt, behoudens eventueel andere door de Vlaamse Regering opgelegde toelatingsvoorwaarden, als toelatingsvoorwaarde een gunstige beslissing van Syntra Vlaanderen. [[Bij de beslissing houdt Syntra Vlaanderen rekening met het advies van de klassenraad van het onthaaljaar als het een overstap betreft van het onthaaljaar naar vervolgonderwijs, vermeld in artikel 146, § 4, van de Codex Secundair Onderwijs. Elke beslissing die afwijkt van het advies, wordt afdoende gemotiveerd.]] ]

Decr. 1-7-2011; [[ ]] Decr. 25-4-2014

Onderafdeling II. - Centrumreglement

Art. 50 t.e.m. 56.

[...]

Decr. 4-4-2014

Onderafdeling III. - Verplichte aanwezigheid

Art. 57.

De bepalingen van deze onderafdeling moeten samen gelezen worden met de bepalingen van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, voor zover er niet van wordt afgeweken.

Art. 58.

[Van zodra hij met de effectieve lesbijwoning start, moet de jongere een opleiding of vorming in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen volledig en daadwerkelijk volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid.]¹[In afwijking hierop moet de jongere in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, met een verslag zoals bepaald in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs, van zodra hij met de effectieve lesbijwoning start, het individueel aangepast curriculum dat is bepaald door de klassenraad werkelijk en regelmatig volgen, behoudens in geval van gewettigde afwezigheid.]²

De Vlaamse Regering bepaalt welke afwezigheden van rechtswege gewettigd zijn en welke afwezigheden door het centrum kunnen worden gewettigd. De Vlaamse Regering bepaalt ook welke maatregelen in geval van problematische afwezigheden worden genomen. Voor de uitvoering van deze bepaling hanteert de Vlaamse Regering objectieve criteria waaronder alleszins de duur en de aard van de afwezigheid.

[ ]¹ Decr. 25-11-2011; [ ]² Decr. 17-6-2016

Art. 59.

Gedurende de periode dat een jongere een opleiding of vorming volgt, moet hij volledig en daadwerkelijk invulling geven aan de component werkplekleren, behoudens in geval van afwezigheid die bij wet, decreet of besluit als gewettigd wordt of kan worden beschouwd of behoudens in de gevallen als vermeld in artikel 6, § 3.

De Vlaamse Regering bepaalt welke maatregelen in geval van problematische afwezigheden bij het werkplekleren worden genomen. Voor de uitvoering van deze bepaling hanteert de Vlaamse Regering objectieve criteria waaronder alleszins de duur en de aard van de afwezigheid. Als maatregel zijn onder meer sancties mogelijk in de vorm van inhoudingen op financiële vergoedingen of stimuli voor de leerling die aan bepaalde vormen van werkplekleren zijn verbonden.

Art. 60.

Een jongere die voor het einde van zijn leerplicht in het deeltijds beroepssecundair onderwijs werd ingeschreven en die binnen een schooljaar gedurende 30 dagen problematisch afwezig is geweest daar waar hij geacht werd invulling te geven aan een voortraject, brugproject of arbeidsdeelname, wordt bij het bereiken van die 30 dagen uitgeschreven door het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs in het geval hij niet meer leerplichtig is.

Een jongere die na het einde van zijn leerplicht in het deeltijds beroepssecundair onderwijs werd ingeschreven en die binnen een schooljaar gedurende 30 dagen problematisch afwezig is geweest daar waar hij geacht werd invulling te geven aan de arbeidsdeelname, wordt bij het bereiken van die 30 dagen uitgeschreven door het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Een jongere die binnen een schooljaar gedurende 30 dagen problematisch afwezig is geweest daar waar hij geacht werd invulling te geven aan een voortraject of arbeidsdeelname, wordt bij het bereiken van die 30 dagen uitgeschreven door het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.

[In elk van die gevallen kan het centrum dat uitschrijft, weigeren om de betrokken jongere tijdens hetzelfde schooljaar herin te schrijven.]

Decr. 17-6-2016

Art. 61.

Tijdens de periodes dat de jongere de component werkplekleren effectief invult, moet een vertegenwoordiger van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de jongere is ingeschreven of een trajectbegeleider Syntra Vlaanderen bereikbaar zijn. Deze verplichting kan echter geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden. Als de uitvoering van deze bepaling voor personeelsleden verplichtingen met zich meebrengt die er anders niet zouden geweest zijn, moet het centrumbestuur in een passende compensatieregeling voorzien. Deze regeling vergt het uitdrukkelijk, schriftelijk en voorafgaand akkoord van het betrokken personeelslid en wordt desgevallend onderhandeld in het bevoegde lokaal comité.

[Art. 61bis.

[[...]] ]

Decr. 9-7-2010; [[ ]] Decr. 17-6-2016

Onderafdeling IV. - Scree ning en trajectbegeleiding

Art. 62.

Elke jongere die zich inschrijft in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt door dat centrum gescreend.

Elke jongere die zich inschrijft, via de trajectbegeleider Syntra Vlaanderen, in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wordt door die trajectbegeleider gescreend.

Elke jongere die zich aanmeldt in een centrum voor deeltijdse vorming en zich vervolgens inschrijft in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, wordt door eerstgenoemd centrum gescreend. In dat geval zijn een trajectbegeleider van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en een afgevaardigde van het centrum voor leerlingenbegeleiding evenwel medeverantwoordelijk voor die screening.

[Bij inschrijving is de screening evenwel niet verplicht indien het een jongere betreft die al gescreend werd in het kader van een eerdere inschrijving in een ander centrum of in hetzelfde centrum. In het geval het centrum of, voor wat betreft de leertijd, de trajectbegeleider afziet van een nieuwe screening, dan blijft het resultaat van de vorige screening gelden.]

De screening heeft betrekking op arbeidsrijpheid, interesses, motivatie en eerder verworven competenties.

De middelen of methodieken voor de screening moeten, voor wat betreft de component werkplekleren, door de VDAB worden gevalideerd met het oog op kwaliteitsborging.

Het resultaat van de screening is een inschaling van de jongere in hetzij de arbeidsdeelname, hetzij het brugproject, hetzij het voortraject, hetzij het persoonlijke ontwikkelingstraject. Voor inschaling in het persoonlijke ontwikkelingstraject is een gemotiveerd verslag van het centrum voor leerlingenbegeleiding vereist.

Het resultaat van de screening bepaalt of de inschrijving in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of in het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen al dan niet wordt beëindigd als vermeld in artikel 49.

Het resultaat van de screening wordt opgenomen in een trajectvolgsysteem van de VDAB.

Decr. 8-5-2009

Art. 63.

Trajectbegeleiding strekt er steeds toe om de jongere in een aangepast tempo naar de arbeidsdeelname, als ultiem doel, te loodsen, eventueel door een of meer voorafgaande fasen te doorlopen. Onder fasen moet dan worden verstaan : het persoonlijke ontwikkelingstraject, het voortraject en het brugproject.

Bij inschaling in hetzij de arbeidsdeelname, hetzij het brugproject, hetzij het voortraject, wordt een trajectbegeleidingsplan opgesteld door de trajectbegeleider van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of de trajectbegeleider Syntra Vlaanderen, in overleg met de actoren die betrokken zijn bij de invulling van de component leren en de component werkplekleren.

Bij inschaling in het persoonlijke ontwikkelingstraject, wordt een trajectbegeleidingsplan opgesteld gezamenlijk door het centrum voor deeltijdse vorming en de trajectbegeleider van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, in overleg met de actoren die betrokken zijn bij de invulling van de component leren en de component werkplekleren.

Om de twee maanden is er een overleg tussen de trajectbegeleider van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of de trajectbegeleider Syntra Vlaanderen, het centrum voor leerlingenbegeleiding, zonodig de VDAB, en in voorkomend geval het centrum voor deeltijdse vorming, ter eventuele bijsturing van het trajectbegeleidingsplan. Met betrekking tot een jongere in een persoonlijk ontwikkelingstraject valt dit overleg samen met het overleg als vermeld in artikel 36.

De opeenvolgende fasen die de jongere in zijn traject doorloopt, worden geregistreerd in het trajectvolgsysteem van de VDAB. Onder fasen moet dan worden verstaan : het persoonlijke ontwikkelingstraject, het voortraject, het brugproject en de arbeidsdeelname.

Bij trajectbegeleiding kan er een beroep worden gedaan op de trajectbegeleiding van de VDAB.

Art. 64.

De screening als vermeld in artikel 62, vindt zo spoedig mogelijk plaats en uiterlijk op 14 september van het schooljaar waarop de inschrijving betrekking heeft dan wel, in geval van laattijdige inschrijving, binnen 14 dagen na die inschrijving. Afhankelijk van het resultaat van de screening wordt de jongere onmiddellijk in de arbeidsdeelname, het brugproject, het voortraject of het persoonlijke ontwikkelingstraject ingeschakeld.

Het opstellen van het trajectbegeleidingsplan als vermeld in artikel 63 vindt zo spoedig mogelijk en uiterlijk een maand na de screening plaats.

Art. 65.

Het departement Onderwijs en Vorming, de VDAB, het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, het Gemeenschapsonderwijs, de representatieve verenigingen van inrichtende machten en van centra voor leerlingenbegeleiding van het gesubsidieerd onderwijs, en de vertegenwoordiging van de centra voor deeltijdse vorming sluiten een samenwerkingsprotocol ter uitvoering van de bepalingen van artikelen 62 tot en met 64. Dit samenwerkingsprotocol moet op 1 januari 2009 in werking treden.

Indien de betrokken partijen geen samenwerkingsprotocol kunnen bereiken, dan neemt de Vlaamse Regering maatregelen die de uitvoering van de bepalingen van artikelen 62 tot en met 64 verzekeren.

Afdeling IV. - Evaluatie en studiebekrachtiging

Onderafdeling I. - Deeltijds beroepssecundair onderwijs

Art. 66.

De klassenraad heeft als orgaan, ingesteld door het centrumbestuur, de exclusieve bevoegdheid om te beslissen of een jongere voor een opleiding of voor een module is geslaagd.

De klassenraad bepaalt de vorm waarin de jongere individueel wordt geëvalueerd en gaat daarbij na of hij in voldoende mate de module- of opleidingsdoelstellingen, naargelang van het geval, heeft bereikt om een door de Vlaamse Gemeenschap erkend studiebewijs te verwerven. Bij het nemen van evaluatiebeslissingen wordt er rekening gehouden met de concrete gegevens uit het dossier van de jongere, inzonderheid met de resultaten die voortvloeien uit de evaluatie van de jongere tijdens het schooljaar.

De klassenraad beslist op gemotiveerde wijze en deelt die beslissing schriftelijk en gemotiveerd mee aan de betrokken personen. Van de beslissingen van de klassenraad wordt een procesverbaal opgemaakt en worden er notulen gemaakt. Het proces-verbaal bevat de lijst van de geslaagde en niet-geslaagde jongeren. De notulen bevatten een synthese van de elementen die tot de beslissingen hebben geleid, waaronder eventueel het resultaat van een stemming. De processenverbaal en de notulen moeten gedurende 30 jaar bewaard worden.

Art. 67.

De klassenraad bestaat uit :

1° ambtshalve stemgerechtigde leden die elk over één stem beschikken : enerzijds de directeur of een afgevaardigde van de directeur, die de klassenraad voorzit, en anderzijds alle leden van het onderwijzend personeel die aan de jongere onderricht hebben verstrekt of in trajectbegeleiding hebben voorzien;

2° eventueel ambtshalve raadgevende leden, aangewezen door de voorzitter : enerzijds andere personeelsleden van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of externen aan het centrum, als die betrokken zijn bij de psychosociale of pedagogische begeleiding van de jongere, en anderzijds deskundigen in de te beoordelen opleiding of module.

De Vlaamse Regering kan aanvullende bepalingen vastleggen met betrekking tot de organisatie en werking van de klassenraad.

Art. 68.

[...]

Decr. 19-6-2015

Art. 69.

De studiebekrachtiging in de vorm van toekenning van studiebewijzen als vermeld in deze onderafdeling, kan op elk tijdstip van het schooljaar plaatsvinden.

[Art. 69/1.

De centra zijn ertoe gemachtigd om een attest uit te reiken ter vervanging van een verloren studiebewijs aan de houders van het studiebewijs. Het attest vermeldt de datum van uitreiking van het studiebewijs.

Personen die in toepassing van de wetgeving betreffende de namen en de voornamen een wijziging van hun naam of voornaam hebben verkregen, kunnen bij de centra waar ze een studiebewijs hebben behaald of bij de Vlaamse Gemeenschap een verzoek indienen om het studiebewijs te laten vervangen door een studiebewijs met hun nieuwe naam.

Bij de aanvraag moet het oorspronkelijk behaalde studiebewijs worden ingeleverd en moeten stukken worden gevoegd die de naamswijziging aantonen.]

Decr. 21-12-2012

Art. 70.

Aan een jongere die een module van een opleiding in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, ingevolge een beslissing van de klassenraad, met vrucht heeft gevolgd, wordt een deelcertificaat uitgereikt.

Aan een jongere die een module van een opleiding in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, ingevolge een beslissing van de klassenraad, niet met vrucht heeft gevolgd, wordt een attest van verworven competenties uitgereikt. [Een attest van verworven competenties wordt eveneens uitgereikt aan de jongeren met een verslag zoals bepaald in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs, die een individueel aangepast curriculum volgen.]

Decr. 17-6-2016

Art. 71.

Aan een jongere die een opleiding in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, ingevolge een beslissing van de klassenraad, met vrucht heeft gevolgd, wordt een certificaat uitgereikt.

Met het oog op de toepassing van die bepaling wordt een attest van vrijstelling voor een of meer modules van een opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs gelijkwaardig beschouwd aan de deelcertificaten voor de desbetreffende modules.

Aan een jongere die een niet modulair georganiseerde opleiding in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, ingevolge een beslissing van de klassenraad, niet met vrucht heeft gevolgd, wordt een attest van verworven competenties uitgereikt. [Een attest van verworven competenties wordt eveneens uitgereikt aan de jongeren met een verslag zoals bepaald in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs, die een individueel aangepast curriculum volgen.]

Decr. 17-6-2016

Art. 72.

[§ 1. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs uitgereikt :

1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 2 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht;

2° ten minste één certificaat behaald hebben;

3° ingevolge een beslissing van de klassenraad, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben voor het geheel van de vorming.

§ 2. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs uitgereikt :

1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 4 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht;

2° ten minste één certificaat behaald hebben;

3° ingevolge een beslissing van de klassenraad, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben voor het geheel van de vorming.

§ 3. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een diploma van secundair onderwijs uitgereikt :

1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 5 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht;

2° in het bezit zijn van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;

3° ten minste één certificaat behaald hebben;

4° ingevolge een beslissing van de klassenraad, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben voor het geheel van de vorming.]

Decr. 8-5-2009

Art. 73.

Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer uitgereikt :

1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 4 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht;

2° de voorwaarden van de basiskennis van het bedrijfsbeheer als vermeld in de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap en in het koninklijk besluit van 21 oktober 1998 tot uitvoering van hoofdstuk I van titel II van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap.

Art. 74.

De Vlaamse Regering stelt de modellen en de invulonderrichtingen vast van de studiebewijzen als vermeld in deze onderafdeling.

[Art. 74bis.

De Vlaamse Regering kan de algemene gelijkwaardigheid vastleggen van buitenlandse studiebewijzen met de volgende studiebewijzen, uitgereikt door centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap :

1° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;

2° het diploma van het secundair onderwijs;

3° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;

4° het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer;

5° het certificaat van een opleiding deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Bij de vastlegging van de algemene gelijkwaardigheid houdt de Vlaamse Regering rekening :

1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties hanteert de Vlaamse Regering als referentiekader, in voorkomend geval, de eindtermen, de doelen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet-of regelgeving zijn bepaald;

2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.]

Decr. 1-7-2011

[Art. 74ter.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure, met inbegrip van een beroepsprocedure, tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen die niet in een besluit als vermeld in artikel 74bis zijn opgenomen met de volgende studiebewijzen, uitgereikt door centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap :

1° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;

2° het diploma van het secundair onderwijs;

3° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;

4° het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer;

5° het certificaat van een opleiding deeltijds beroepssecundair onderwijs.

De Vlaamse Regering waarborgt dat binnen deze procedure rekening wordt gehouden :

1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties worden, in voorkomend geval, de eindtermen, de doelen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet- of regelgeving zijn bepaald, als referentiekader gebruikt;

2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.

[[De financiële bijdrage die de houder van een buitenlands studiebewijs moet betalen aan de erkenningsautoriteit voor een onderzoek met betrekking tot de erkenning van de gelijkwaardigheid van het buitenlands studiebewijs bedraagt 90 euro per aanvraag en per studiebewijs. Indien een onderzoek wordt gevraagd naar de gelijkwaardigheid van het buitenlands studiebewijs met een aanduiding van een structuuronderdeel, bedraagt de financiële bijdrage 180 euro per aanvraag en per studiebewijs. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2013. De bedragen worden afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. De Vlaamse Regering kan de bedragen verminderen voor specifieke doelgroepen. Voor asielzoekers, vluchtelingen en subsidiair-beschermden is de behandeling van de erkenningsaanvraag gratis. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor een versnelde procedure tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen. De Vlaamse Regering kan het bedrag vermeerderen tot maximaal 500 euro indien de houder van het buitenlands studiebewijs opteert voor deze versnelde procedure.]] ]

Decr. 1-7-2011; [[ ]] Decr. 19-7-2013

Onderafdeling II. - Leertijd

Art. 75.

Syntra Vlaanderen richt in elke vestigingsplaats van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen waar de leertijd wordt aangeboden, een begeleidingsteam op.

Het begeleidingsteam bestaat uit een afgevaardigde van Syntra Vlaanderen, die het begeleidingsteam voorzit, de betrokken trajectbegeleider Syntra Vlaanderen, de directeur van het centrum of zijn afgevaardigde en, afhankelijk van de jongere, de lesgevers algemene en beroepsgerichte vorming en de medewerkers van de centra voor leerlingenbegeleiding.

Het begeleidingsteam mag zich steeds laten bijstaan door andere personen die nuttige beoordelingselementen kunnen aanbrengen voor de begeleiding of de evaluatie van een of meer jongeren.

Art. 76.

Het begeleidingsteam volgt de vorderingen en de houding van de jongeren tijdens de component leren en de component werkplekleren. Het begeleidingsteam kan daartoe op elk ogenblik overleg plegen, maar in ieder geval op het einde van het eerste semester, voor 15 januari, van elk schooljaar en op het einde van elk schooljaar. Op het einde van elk schooljaar beraadslaagt het begeleidingsteam in het bijzonder over het verdere verloop van de leertijd van de jongeren.

Art. 77.

[Het begeleidingsteam kan gemotiveerde voorstellen doen voor het verdere verloop van de leertijd en [[de stageovereenkomst alternerende opleiding, de overeenkomst van alternerende opleiding of de deeltijdse arbeidsovereenkomst]]. Die voorstellen kunnen zijn : voortzetting, verlenging of opheffing van de erkenning van [[de stageovereenkomst alternerende opleiding, de overeenkomst van alternerende opleiding of de deeltijdse arbeidsovereenkomst]].

Daarbij wordt rekening gehouden met de concrete gegevens uit het dossier van de jongere, inzonderheid met de resultaten die voortvloeien uit de evaluatie van de jongere. De evaluatie slaat op de theoretische vorming en de praktijkopleiding in de onderneming en gebeurt permanent om enerzijds de jongere te ondersteunen in zijn leerproces en anderzijds te beslissen of hij in voldoende mate de opleidingsdoelstellingen heeft bereikt. Het begeleidingsteam bepaalt de vorm waarin de jongere wordt geëvalueerd.]

Decr. 17-6-2016; [[ ]] Decr. 10-6-2016

Art. 78.

De voorstellen van het begeleidingsteam worden [bezorgd aan Syntra Vlaanderen, dat een beslissing neemt]. Als het voorstel van het begeleidingsteam niet eenparig wordt gedaan, moeten de standpunten die afwijken van het voorstel, eraan toegevoegd worden.

Decr. 10-6-2016

Art. 79.

[...]

Decr. 19-6-2015

Art. 80.

De studiebekrachtiging in de vorm van toekenning van studiebewijzen als vermeld in deze onderafdeling, kan op elk tijdstip van het schooljaar plaatsvinden.

[Art. 80/1.

Syntra Vlaanderen is ertoe gemachtigd om een attest uit te reiken ter vervanging van een verloren studiebewijs aan de houders van het studiebewijs. Het attest vermeldt de datum van uitreiking van het studiebewijs.

Personen die in toepassing van de wetgeving betreffende de namen en de voornamen een wijziging van hun naam of voornaam hebben verkregen, kunnen bij Syntra Vlaanderen een verzoek indienen om het studiebewijs te laten vervangen door een studiebewijs met hun nieuwe naam.

Bij de aanvraag moet het oorspronkelijk behaalde studiebewijs worden ingeleverd en moeten stukken worden gevoegd die de naamswijziging aantonen.]

Decr. 19-7-2013

Art. 81.

Aan een jongere die een opleiding in de leertijd met vrucht heeft gevolgd, wordt een certificaat uitgereikt.

[De Vlaamse Regering bepaalt welk certificaat of welke combinatie van certificaten aanleiding geeft tot uitreiking van een getuigschrift leertijd.]

Decr. 1-7-2011

Art. 82.

[§ 1. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs uitgereikt :

1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 2 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht;

2° ten minste één certificaat behaald hebben;

3° ingevolge een beslissing van Syntra Vlaanderen, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben voor het geheel van de vorming.

§ 2. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs uitgereikt :

1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 4 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht;

2° ten minste één certificaat behaald hebben;

3° ingevolge een beslissing van Syntra Vlaanderen, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben voor het geheel van de vorming.

§ 3. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een diploma van secundair onderwijs uitgereikt :

1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 5 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht;

2° in het bezit zijn van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;

3° ten minste één certificaat behaald hebben;

4° ingevolge een beslissing van Syntra Vlaanderen, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben voor het geheel van de vorming.]

Decr. 8-5-2009

Art. 83.

Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden, wordt een getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer uitgereikt :

1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 4 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht;

2° de voorwaarden van de basiskennis van het bedrijfsbeheer als vermeld in de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap en in het koninklijk besluit van 21 oktober 1998 tot uitvoering van hoofdstuk I van titel II van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap.

[Art. 84bis.

De Vlaamse Regering kan de algemene gelijkwaardigheid vastleggen van buitenlandse studiebewijzen met de volgende studiebewijzen, uitgereikt in de leertijd :

1° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;

2° het diploma van het secundair onderwijs;

3° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;

4° het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer;

5° het certificaat van een opleiding leertijd.

Bij de vastlegging van de algemene gelijkwaardigheid houdt de Vlaamse Regering rekening :

1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties hanteert de Vlaamse Regering als referentiekader, in voorkomend geval, de eindtermen, de doelen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet-of regelgeving zijn bepaald;

2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.]

Decr. 1-7-2011

[Art. 84ter.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure, met inbegrip van een beroepsprocedure, tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen die niet in een besluit, vermeld in artikel 84bis zijn opgenomen met de volgende studiebewijzen uitgereikt, in leertijd :

1° het getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;

2° het diploma van het secundair onderwijs;

3° het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs;

4° het getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer;

5° het certificaat van een opleiding leertijd.

De Vlaamse Regering waarborgt dat binnen deze procedure rekening wordt gehouden :

1° met de onderwijskwalificaties beschreven krachtens het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur. Bij ontstentenis van de onderwijskwalificaties hanteert de Vlaamse Regering als referentiekader, in voorkomend geval, de eindtermen, de doelen of de minimale leerinhouden die in federale of Vlaamse wet-, decreet-of regelgeving zijn bepaald;

2° of, met de niveaus en niveaudescriptoren als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.

[[De financiële bijdrage die de houder van een buitenlands studiebewijs moet betalen aan de erkenningsautoriteit voor een onderzoek met betrekking tot de erkenning van de gelijkwaardigheid van het buitenlands studiebewijs bedraagt 90 euro per aanvraag en per studiebewijs. Indien een onderzoek wordt gevraagd naar de gelijkwaardigheid van een buitenlands studiebewijs met een aanduiding van een structuuronderdeel, bedraagt de financiële bijdrage 180 euro per aanvraag en per studiebewijs. Deze bedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2013. De bedragen worden afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. De Vlaamse Regering kan de bedragen verminderen voor specifieke doelgroepen. Voor asielzoekers, vluchtelingen en subsidiair-beschermden is de behandeling van de erkenningsaanvraag gratis. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen voor een versnelde procedure tot de erkenning van de individuele gelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen. De Vlaamse Regering kan het bedrag vermeerderen tot maximaal 500 euro indien de houder van het buitenlands studiebewijs opteert voor deze versnelde procedure.]] ]

Decr. 1-7-2011; [[ ]] Decr. 19-7-2013

Art. 84.

De Vlaamse Regering stelt de modellen en de invulonderrichtingen vast van de studiebewijzen als vermeld in deze onderafdeling.

Onderafdeling III. - Deeltijdse vorming

Art. 85.

Aan een jongere die een persoonlijk ontwikkelingstraject in een centrum voor deeltijdse vorming heeft gevolgd, wordt door het centrumbestuur een attest van verworven competenties uitgereikt. Het attest vermeldt op gedetailleerde wijze de stappen van het persoonlijke ontwikkelingstraject die met vrucht werden doorlopen.

Afdeling V. - Financiering en subsidiëring

Onderafdeling I. - Deeltijds beroepssecundair onderwijs

Art. 86.

§ 1. De financiering of subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs vindt plaats in de vorm van :

1° personeelsomkadering, zoals hierna bepaald;

2° [het werkingsbudget als vermeld in de codificatie betreffende het secundair onderwijs;]¹

3° aanvullende werkingsmiddelen die zijn voorbehouden voor activiteiten of producten die bijdragen tot optimalisering van de band tussen de component leren en de component werkplekleren. Deze aanvullende middelen worden berekend in functie van het aantal door jongeren effectief gepresteerde [uren in het voorafgaande schooljaar in een voortraject, brugproject, arbeidsdeelname of een door de Vlaamse Regering bepaald project dat voorbereidt op arbeidsdeelname]²; voor de toepassing van deze bepaling wordt onder arbeidsdeelname het in artikel 6, § 2, 1°, gestelde verstaan, waarbij er een inhoudelijke aansluiting is op de component leren. De Vlaamse Regering legt de overeenkomstige financierings- of subsidiebedragen vast en kan bijkomende voorwaarden bepalen.

§ 2. Voor de toepassing van de financierings- en subsidiëringsnormen geldt als datum voor de telling van het aantal jongeren dat in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is ingeschreven, 1 februari van het voorafgaande schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna als de voormelde datum op een vrije dag valt, met uitzondering van het in artikel 89, § 1, tweede lid, gestelde.

Als een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt opgericht door fusie van bestaande centra of door afsplitsing van een of meer vestigingsplaatsen van een bestaand centrum, of als een centrum toetreedt tot of uittreedt uit een scholengemeenschap, dan wordt voor de berekening van de financiering of subsidiëring, respectievelijk de fusie, de afsplitsing, de toetreding of de uittreding geacht op de voormelde datum te hebben plaatsgevonden. Als een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs niet langer verbonden is aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs en autonoom wordt, dan wordt die omschakeling geacht op de voormelde datum te hebben plaatsgevonden.

Als de oprichting van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs niet het gevolg is van een fusie of een afsplitsing, dan geldt voor het schooljaar van oprichting als teldatum 1 oktober van dat schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna als de voormelde datum op een vrije dag valt. Vanaf het daaropvolgende schooljaar geldt als teldatum 1 februari van het voorafgaande schooljaar of de eerstvolgende lesdag erna als de voormelde datum op een vrije dag valt.

[ ]¹ B.Vl.R. 17-12-2010; [ ]² Decr. 17-6-2016

Art. 87.

[...]²

[De wekelijkse uren-leraar praktische vakken of gelijkgesteld met praktische vakken georganiseerd door een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, komen in aanmerking voor de globale puntenenveloppe, zoals bepaald [[in de codificatie betreffende het secundair onderwijs]], zoals die, naargelang van het geval, wordt berekend voor de scholengemeenschap waartoe de instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar die uren worden georganiseerd, behoort, of wordt berekend voor de instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar die uren worden georganiseerd en die niet tot een scholengemeenschap behoort. De globale puntenenveloppe strekt ertoe enerzijds om op het niveau van de instelling het kader bestuurspersoneel en ondersteunend personeel in te vullen en anderzijds om op het niveau van de instelling en van de scholengemeenschap een beleid inzake taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven.]¹

Voor de toepassing van deze bepaling worden de urenleraar, aangewend voor voordrachtgevers als vermeld in artikel 90, 3°, voor een derde als praktische vakken of gelijkgesteld met praktische vakken beschouwd.

[ ]¹ Decr. 8-5-2009; [ ]² Decr. 9-7-2010; [[ ]] B.Vl.R. 17-12-2010

Art. 88.

[Voor de categorie van het bestuurspersoneel wordt aan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, één betrekking in het ambt van directeur toegekend.

De jongeren van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en de wekelijkse uren-leraar praktische vakken of gelijkgesteld met praktische vakken georganiseerd door dergelijk centrum, komen in aanmerking voor de globale puntenenveloppe, zoals bepaald [[in de codificatie betreffende het secundair onderwijs]], zoals die, naargelang van het geval, wordt berekend voor de scholengemeenschap waartoe het centrum behoort of wordt berekend voor het centrum dat niet tot een scholengemeenschap behoort. De globale puntenenveloppe strekt ertoe enerzijds om op het niveau van de instelling het kader bestuurspersoneel en ondersteunend personeel in te vullen en anderzijds om op het niveau van de instelling en van de scholengemeenschap een beleid inzake taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven.

Voor de toepassing van deze bepaling worden de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers als vermeld in artikel 90, 3°, voor een derde als praktische vakken of gelijkgesteld met praktische vakken beschouwd.]

Decr. 8-5-2009; [[ ]] B.Vl.R. 17-12-2010

Art. 89.

§ 1. Voor de categorie van het onderwijzend personeel wordt aan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs een pakket wekelijkse uren-leraar toegekend, dat wordt vastgesteld naar rata van [3,66]² uren-leraar per jongere voor de schijf van 1 jongere tot en met 49 jongeren, en van [2,69]² uren-leraar per jongere voor de schijf van 50 jongeren en meer.

Bovenop het aldus berekende pakket uren-leraar wordt voor elke jongere die anderstalige nieuwkomer is 1,20 uren-leraar toegekend. Deze verhoging kan enkel aangewend worden om onthaalonderwijs te organiseren. De verhoging geldt uitsluitend voor de periode van inschrijving van de betrokken jongere in het centrum tijdens het eerste schooljaar waarin hij deeltijds beroepssecundair onderwijs volgt en wordt tijdens dat schooljaar verstrekt.

§ 2. [...]³

[§ 3. [[...]] ]¹

[ ]¹ Decr. 9-7-2010; [ ]² Decr. 8-7-2011; [ ]³ Decr. 21-12-2012; [[ ]] Decr. 8-7-2011

Art. 90.

§ 1. Het centrumbestuur beslist, na advies van de centrumraad en vervolgens onderhandeling in het lokale comité, over de aanwending van het pakket uren-leraar binnen de volgende aanwendingsmogelijkheden :

1° organisatie van lessen, met dien verstande dat minimaal een derde van de uren-leraar in kwestie als lesuren praktische vakken of gelijkgesteld met praktische vakken moet worden aangewend. Voor de toepassing van deze bepaling worden voordrachten als lessen aanzien en worden de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers als vermeld in 3°, voor een derde als praktische vakken of gelijkgesteld met praktische vakken beschouwd;

2° organisatie van trajectbegeleiding;

3° aanwerving van voordrachtgevers; in voorkomend geval wordt maximaal 20 % van het pakket uren-leraar omgezet in een krediet. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van die aanwerving aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten, de grootte van dat krediet per uur-leraar dat wordt omgezet, en de wijze van toekenning ervan;

4° overdracht van uren-leraar naar een centrum voor deeltijdse vorming voor realisatie van het in artikel 26, 2°, gestelde; in voorkomend geval worden de overgedragen uren-leraar omgezet in een krediet. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van die overdracht aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten, de grootte van dat krediet per uur-leraar dat wordt omgezet, en de wijze van toekenning ervan;

5° overdracht van uren-leraar naar een centrum voor deeltijdse vorming voor realisatie van het in artikel 26, 3°, gestelde; in voorkomend geval worden de overgedragen uren-leraar omgezet in een krediet. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van die overdracht aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten, de grootte van dat krediet per uur-leraar dat wordt omgezet, en de wijze van toekenning ervan;

6° [overdracht van uren-leraar naar een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, naar een ander centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of naar een centrum voor volwassenenonderwijs waarop een beroep wordt gedaan voor de organisatie van algemene vorming, beroepsgerichte vorming of activiteiten ter ondersteuning ervan als vermeld in artikel 27, § 4, onder de volgende voorwaarden :

a) uren-leraar die worden overgedragen voor de organisatie van activiteiten ter ondersteuning van algemene vorming of beroepsgerichte vorming kunnen door de begunstigde instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs slechts worden aangewend onder vorm van met lesuren gelijkgestelde uren, meer bepaald als "bijzondere pedagogische taken";

b) uren-leraar die worden overgedragen voor de organisatie van activiteiten ter ondersteuning van beroepsgerichte vorming kunnen door het begunstigd centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs slechts worden aangewend onder vorm van met lesuren gelijkgestelde uren, meer bepaald als "uren leren en werken";

c) uren-leraar die worden overgedragen voor de organisatie van activiteiten ter ondersteuning van beroepsgerichte vorming kunnen door het begunstigd centrum voor volwassenenonderwijs slechts worden aangewend onder vorm van leraarsuren als vermeld in artikel 102, § 2, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;

d) vanaf het schooljaar 2010-2011 kan het totale aantal uren-leraar dat wordt overgedragen voor de organisatie van algemene vorming of van activiteiten ter ondersteuning van algemene vorming of beroepsgerichte vorming nooit hoger liggen dat het totale aantal uren-leraar dat met datzelfde doel door het centrum in kwestie werd overgedragen tijdens het voorafgaande schooljaar.]

7° overdracht van uren-leraar naar de instelling met voltijds gewoon secundair onderwijs waaraan het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is verbonden;

8° omzetting naar een of meer betrekkingen in het ambt van opvoeder of administratief medewerker van de categorie van het ondersteunend personeel; in voorkomend geval moeten voor een volledige betrekking 24 wekelijkse uren-leraar en voor een halve betrekking 12 wekelijkse uren-leraar in mindering gebracht worden van het pakket uren-leraar;

9° overdracht van tijdens een bepaald schooljaar niet-georganiseerde uren-leraar naar het daaropvolgende schooljaar onder de volgende voorwaarden :

a) de overdracht bedraagt maximaal 2 % van het aantal aanwendbare uren-leraar van dat bepaalde schooljaar;

b) het maximale aantal uren-leraar dat wordt overgedragen, moet uiterlijk op 1 november van dat bepaalde schooljaar vastgelegd worden;

c) de overgedragen uren-leraar van een bepaald schooljaar kunnen enkel in het daaropvolgende schooljaar worden aangewend;

d) overdracht is alleen mogelijk als het centrumbestuur in kwestie op erewoord verklaart dat het tijdens dat schooljaar in de onderwijsinstelling waarvan het centrum in kwestie deel uitmaakt, of in het autonome centrum zelf, overeenkomstig de geldende reglementering, geen nieuwe of aanvullende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel moet uitspreken. De niet-naleving van die bepaling heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid;

e) in de overgedragen uren-leraar kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. Het centrumbestuur moet een verklaring op erewoord afleggen dat in de vermelde uren-leraar geen personeelsleden vastbenoemd worden. De niet-naleving van die bepaling heeft tot gevolg dat de vaste benoeming geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid.

§ 2. Voor het schooljaar 2008-2009 is in elk geval het aantal uren-leraar als vermeld in § 1, 4°, ten minste gelijk aan het resultaat van de vermenigvuldiging van 0,85 met het aantal jongeren van het betrokken centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waarvoor het betrokken centrum voor deeltijdse vorming op 1 februari 2008 de algemene vorming heeft georganiseerd.

Decr. 8-5-2009

Art. 91.

Het pakket uren-leraar van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs mag nooit rechtstreeks of onrechtstreeks worden aangewend voor de organisatie van een persoonlijk ontwikkelingstraject, een voortraject of een brugproject.

Art. 92.

De uren-leraar binnen een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs worden aangewend :

1° voor modulair georganiseerde opleidingen : in de vorm van met lesuren gelijkgestelde uren, meer bepaald als "uren leren en werken";

2° voor, in de overgangsperiode, niet modulair georganiseerde opleidingen : in de vorm van lesuren algemene vakken, technische vakken of praktische vakken of in de vorm van met lesuren gelijkgestelde uren, meer bepaald als "uren leren en werken" of als seminaries.

Onderafdeling II. - Leertijd

Art. 93.

§ 1. De centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen worden gesubsidieerd op basis van de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, zoals gewijzigd.

§ 2. De Vlaamse Regering kent aanvullende werkingsmiddelen toe aan Syntra Vlaanderen, die zijn voorbehouden voor activiteiten of producten die bijdragen tot optimalisering van de band tussen de component leren en de component werkplekleren. Deze aanvullende middelen worden berekend in functie van het aantal door jongeren effectief gepresteerde uren in een voortraject tijdens het schooljaar waarop de subsidiëring is gebaseerd. De Vlaamse Regering legt het subsidiebedrag vast en kan bijkomende voorwaarden bepalen.

Onderafdeling III. - Deeltijdse vorming

Art. 94.

De subsidiëring als vermeld in deze onderafdeling van de centra voor deeltijdse vorming is bedoeld voor zowel de personeels- als de werkingskosten die verband houden met de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten.

Art. 95.

[§ 1. Onverminderd het in paragraaf 2 gestelde, wordt het maximum aantal subsidieerbare en gegarandeerde deelnemersuren per schooljaar voor de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten, voor de respectieve centra voor deeltijdse vorming en gespreid over de werkingsgebieden van de regionale overlegplatformen als vermeld in artikel 103, als volgt bepaald :

1° werkingsgebied regionaal overlegplatform Antwerpen :

a) Arktos : 56.843,50;

b) Lejo : 37.878,00;

[[c) Profo : 15.360;]]¹

2° werkingsgebied regionaal overlegplatform Brugge :

Groep Intro : 13.593,60;

3°[[werkingsgebied regionaal overlegplatform Brussel :

Groep Intro : 51.054,20;]]³

4° werkingsgebied regionaal overlegplatform Gent :

a) De Werf : 27.448,10;

b) Groep Intro : 24.152,60;

c) Lejo : 23.614,60;

5° werkingsgebied regionaal overlegplatform Halle-Vilvoorde :

Groep Intro : 6.869,10;

6° werkingsgebied regionaal overlegplatform Kempen :

Arktos : 32.176,40;

7° werkingsgebied regionaal overlegplatform Leuven :

Arktos : 30.858,50;

8° werkingsgebied regionaal overlegplatform Limburg :

a) Arktos : 35.687,40;

b) Groep Intro : 22.157,80;

9° werkingsgebied regionaal overlegplatform Mechelen :

Arktos : 22.631,90;

10° werkingsgebied regionaal overlegplatform Meetjesland :

Groep Intro : 7.664,50;

11° werkingsgebied regionaal overlegplatform Midden-West-Vlaanderen :

Groep Intro : 6.941,40;

12° werkingsgebied regionaal overlegplatform Oostende :

Groep Intro : 14.871,60;

13° werkingsgebied regionaal overlegplatform Waas & Dender :

Groep Intro : 26.247,30;

14°[[werkingsgebied regionaal overlegplatform Westhoek :

a) Groep Intro : 10.629,10;

b) Profo : 7.680;]]¹

15° werkingsgebied regionaal overlegplatform Zuid-Oost-Vlaanderen :

a) De Werf : 10.749,15

b) Groep Intro : 19.619,55;

16° werkingsgebied regionaal overlegplatform Zuid-West-Vlaanderen :

a) Aura : 56.262,10;

b) Groep Intro : 5.376,00.

[[§ 1/1. Een herziening van het aantal deelnemersuren als vermeld in § 1, voor een bepaald centrum voor deeltijdse vorming kan slechts na indiening van een schriftelijke aanvraag door het betrokken centrumbestuur bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten [[[uiterlijk 30 juni]]] van het voorafgaand schooljaar.

De toekenning van het aantal deelnemersuren als vermeld in § 1, voor een bepaald centrum voor deeltijdse vorming dat met de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten later opstart dan het schooljaar vanaf wanneer het is erkend of heropstart na tijdelijke stopzetting, kan slechts na indiening van een schriftelijke aanvraag door het betrokken centrumbestuur bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk 31 januari van het voorafgaand schooljaar.

De tijdelijke of definitieve stopzetting door een centrum voor deeltijdse vorming van de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten waardoor het aantal deelnemersuren als vermeld in § 1, niet meer wordt toegekend, wordt door het betrokken centrumbestuur aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten meegedeeld [[[uiterlijk 30 juni]]] van het voorafgaand schooljaar.

[[[Voor de aanvragen vermeld in het eerste en tweede lid verloopt het beslissingsproces analoog aan dat voor de gevallen bedoeld in paragraaf 2.]]] ]]²

§ 2. Indien tijdens een bepaald schooljaar het door een centrum voor deeltijdse vorming georganiseerd aantal deelnemersuren minder dan 85 % bedraagt van het maximum aantal subsidieerbare deelnemersuren, dan kan vanaf het daaropvolgend schooljaar het maximum aantal gesubsidieerde deelnemersuren voor dat centrum verminderd worden tot maximum 85 % van het aantal gegarandeerde deelnemersuren. Het op die wijze vrijgekomen aantal uren kan door de Vlaamse Regering geheel of gedeeltelijk worden aangewend om nieuwe behoeften te dekken bij bestaande of nieuwe centra voor deeltijdse vorming.

§ 3. De uitbetaling van de subsidies voor een bepaald schooljaar gebeurt door middel van een eerste schijf in het begin van de maand februari van het schooljaar in kwestie en een tweede schijf in de loop van de maand oktober daaropvolgend.

§ 4. De berekening van de subsidies per centrum voor deeltijdse vorming is als volgt :

1° de eerste schijf bedraagt 75 % van het maximum aantal subsidieerbare deelnemersuren, vermenigvuldigd met het door de Vlaamse Regering vastgelegde bedrag per deelnemersuur;

2° de tweede schijf wordt berekend door het aantal georganiseerde deelnemersuren te vermenigvuldigen met het door de Vlaamse Regering vastgelegde bedrag per deelnemersuur en dit resultaat te verminderen met het bedrag van de eerste schijf. Indien dit saldo negatief is, wordt tot terugvordering ervan overgegaan.

§ 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder georganiseerd aantal deelnemersuren verstaan : het, voor alle jongeren van een centrum voor deeltijdse vorming samen, totaal aantal uren dat een jongere opgenomen is in een persoonlijk ontwikkelingstraject, te rekenen vanaf de datum van het gemotiveerd verslag van het centrum voor leerlingenbegeleiding als vermeld in artikel 62, tot en met de laatste lesdag waarin het persoonlijk ontwikkelingstraject wordt gevolgd.]

Decr. 8-7-2011; [[ ]]¹ Decr. 23-12-2011; [[ ]]² Decr. 21-12-2012; [[ ]]³ Decr. 19-6-2015; [[[ ]]] Decr. 17-6-2016

[Art. 95bis.

Voor het schooljaar 2010-2011 wordt het subsidiebedrag van een centrum voor deeltijdse vorming opgetrokken tot het subsidiebedrag voor het schooljaar 2009-2010 in het geval dat de berekening, met toepassing van de voor het schooljaar 2010-2011 vigerende bepalingen, tot een lager resultaat leidt.]

Decr. 8-7-2011

Art. 96.

De subsidiëring van een centrum voor deeltijdse vorming als vermeld in deze onderafdeling, mag nooit rechtstreeks of onrechtstreeks worden aangewend voor de organisatie van een voortraject of brugproject.

Onderafdeling IV. - Nascholing trajectbegeleiders

Art. 97.

[...]

Decr. 21-12-2012

HOOFDSTUK IV. - De component werkplekleren

Afdeling I. - Toelating en attestering

Art. 98.

§ 1. Als de component werkplekleren niet door middel van de arbeidsdeelname wordt ingevuld, moet met de volgende beperkingen rekening worden gehouden :

1° een jongere kan een voortraject maximaal 312 uren, al dan niet onderbroken en al dan niet schooljaaroverschrijdend, volgen;

2° een jongere kan een brugproject maximaal 800 uren, al dan niet onderbroken en al dan niet schooljaaroverschrijdend, volgen.

§ 2. [...]

Decr. 19-7-2013

Art. 99.

Aan een jongere die een voortraject heeft gevolgd, wordt door de verantwoordelijke organisator van dat voortraject een attest van verworven competenties uitgereikt.

Aan een jongere die een brugproject heeft gevolgd, wordt door de verantwoordelijke organisator van dat brugproject een attest van verworven competenties uitgereikt.

Afdeling II. - Subsidiëring

Onderafdeling I. - Voortrajecten

Art. 100.

[ [[Met ingang van het schooljaar 2015-2016]] lanceert de Vlaamse Regering minimaal om de vier schooljaren en zo spoedig mogelijk vóór de start van het eerste schooljaar in kwestie, een oproep bij verenigingen met publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid om vóór een bepaalde datum voorstellen van voortrajecten in te dienen binnen het stelsel van leren en werken. In de overgangsperiode blijven de voortrajecten die door de Vlaamse Regering worden gesubsidieerd voor het schooljaar 2012-2013, [[verder gesubsidieerd voor de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015]].

De Vlaamse Regering kan steeds beslissen om de subsidiëring vroegtijdig te beëindigen als bij de implementatie wordt afgeweken van het voorstel zoals initieel ingediend.]²

Noch Syntra Vlaanderen, noch een centrumbestuur van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, noch - met uitzondering van de bestuursorganen van het centrale bestuursniveau van het Gemeenschapsonderwijs - een centrumbestuur van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs kan promotor zijn van een voortraject.

De oproep bevat inhoudelijke, organisatorische of vormelijke voorwaarden of criteria waaraan het voortraject of de vereniging, als promotor, moet voldoen. In elk geval moet het voortraject als doelstelling hebben de kansen op een reguliere tewerkstelling te verhogen door de bereidheid en de mogelijkheid van de jongere om deel te nemen aan het reguliere arbeidscircuit te ontwikkelen, te versterken of te verhogen door goed uitgebouwde opleidings- en begeleidingsmodules aan te bieden die inspelen op zijn specifieke individuele behoeften.

De ingediende voorstellen worden beoordeeld en geselecteerd door een commissie, bestaande uit :

1° afgevaardigden van het departement Onderwijs en Vorming;

2° afgevaardigden van de VDAB. Het departement Onderwijs en Vorming stelt de commissie samen en neemt het voorzitterschap ervan waar.

Op basis van het advies van de commissie wijst de Vlaamse Regering de voortrajecten aan die ze voor [de periode]² in kwestie subsidieert.

De voortrajecten worden gesubsidieerd op basis van het aantal gepresteerde deelnemersuren met een gewaarborgd forfait. Onder deelnemersuur wordt een uur van het voortraject verstaan dat de deelnemer effectief presteert. [De Vlaamse Regering bepaalt jaarlijks enerzijds het maximaal aantal subsidieerbare deelnemersuren en anderzijds het gesubsidieerd forfaitaire bedrag evenals het subsidiebedrag per gepresteerd deelnemersuur.]¹

De subsidiëring wordt uitbetaald door middel van een voorschot in de loop van de maand februari van het betrokken schooljaar en een saldo in de loop van de maand oktober daaropvolgend. Het voorschot bedraagt minimaal 50 % en maximaal 60 % van de subsidiëring. Het saldo wordt uitbetaald na voorafgaande verificatie en aanvaarding van de schriftelijke bewijsstukken over de reële uitgaven tijdens het schooljaar waarvoor de subsidiëring werd verleend.

[ ]¹ Decr. 13-7-2012; [ ]² Decr. 19-7-2013; [[ ]] Decr. 25-4-2014

Onderafdeling II. - Brugprojecten

Art. 101.

[ [[Met ingang van het schooljaar 2015-2016]]¹ lanceert de Vlaamse Regering minimaal om de vier schooljaren en zo spoedig mogelijk vóór de start van het eerste schooljaar in kwestie, een oproep bij verenigingen met publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid om vóór een bepaalde datum voorstellen van brugprojecten in te dienen binnen het stelsel van leren en werken. In de overgangsperiode blijven de brugprojecten die door de Vlaamse Regering worden gesubsidieerd voor het schooljaar 2012-2013, [[verder gesubsidieerd voor de schooljaren 2013-2014 en 2014-2015]].

De Vlaamse Regering kan steeds beslissen om de subsidiëring vroegtijdig te beëindigen als bij de implementatie wordt afgeweken van het voorstel zoals initieel ingediend.]¹

De oproep bevat inhoudelijke, organisatorische of vormelijke voorwaarden of criteria waaraan het brugproject of de vereniging, als promotor, moet voldoen [, waaronder de toekenning van [[een vergoeding]]² aan jongeren in een brugproject]². In elk geval moet het brugproject als doelstelling hebben de kansen op een reguliere tewerkstelling te verhogen door bij de jongere de werkattitudes te versterken en aan te scherpen, die noodzakelijk zijn om een reguliere arbeidsplaats te verwerven of te behouden, door middel van een sterk begeleide werkervaring in een ondersteunende werkomgeving.

De ingediende voorstellen worden beoordeeld en geselecteerd door een commissie, bestaande uit :

1° afgevaardigden van het departement Onderwijs en Vorming;

2° afgevaardigden van de VDAB.

Het departement Onderwijs en Vorming stelt de commissie samen en neemt het voorzitterschap ervan waar.

Op basis van het advies van de commissie wijst de Vlaamse Regering de brugprojecten aan die ze voor [de periode]¹ in kwestie subsidieert.

De brugprojecten worden gesubsidieerd op basis van het aantal gepresteerde deelnemersuren. Onder deel-nemersuur wordt een uur van het brugproject verstaan dat de deelnemer effectief presteert. De Vlaamse Regering bepaalt het subsidiebedrag per gepresteerd deelnemersuur.

De subsidiëring wordt uitbetaald door middel van een voorschot in de loop van de maand februari van het betrokken schooljaar en een saldo in de loop van de maand oktober daaropvolgend. Het voorschot bedraagt minimaal 50 % en maximaal 60 % van de subsidiëring. Het saldo wordt uitbetaald na voorafgaande verificatie en aanvaarding van de schriftelijke bewijsstukken over de reële uitgaven tijdens het schooljaar waarvoor de subsidiëring werd verleend.

[ ]¹ Decr. 19-7-2013; [ ]² Decr. 25-4-2014; [[ ]]¹ Decr. 25-4-2014; [[ ]]² Decr. 17-6-2016

Onderafdeling III. - Arbeidsdeelname

Art. 102.

[...]

Decr. 17-6-2016

HOOFDSTUK V. - Regionale overlegplatformen

Art. 103.

§ 1. Binnen het werkingsgebied van elk regionaal sociaal-economisch overlegcomité, opgericht ter uitvoering van het decreet van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaaleconomische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités en de uitvoeringsreglementering ervan, wordt één regionaal overlegplatform opgericht.

Binnen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt één regionaal overlegplatform opgericht.

§ 2. In afwijking van § 1 kan de Vlaamse Regering, op voorstel van de geledingen die in een regionaal overlegplatform zetelen als vermeld in artikel 105, de oprichting van meerdere regionale overlegplatformen binnen het werkingsgebied van een regionaal sociaal-economisch overlegcomité toestaan. Deze afwijking impliceert een opsplitsing van desbetreffend werkingsgebied over meerdere platformen ten einde de praktische uitoefening van de bevoegdheden als vermeld in artikel 106, niet in het gedrang te brengen.

Art. 104.

Een regionaal overlegplatform komt tot stand bij schriftelijke overeenkomst tussen de betrokken partijen. De schriftelijke overeenkomst moet op 1 januari 2009 in werking treden en bepaalt de duur ervan.

Art. 105.

Een regionaal overlegplatform is ten minste als volgt samengesteld :

1°één afgevaardigde van elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, waarvan een of meer vestigingsplaatsen binnen het werkingsgebied van het regionaal overlegplatform zijn gelegen;

2°één afgevaardigde van elk centrum voor deeltijdse vorming, waarvan een of meer vestigingsplaatsen binnen het werkingsgebied van het regionaal overlegplatform zijn gelegen;

3°één afgevaardigde van elk centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, waarvan een of meer vestigingsplaatsen binnen het werkingsgebied van het regionaal overlegplatform zijn gelegen; 4°één trajectbegeleider Syntra Vlaanderen;

5°één VDAB-account Leren en Werken van elk lokaal klantencentrum van de VDAB binnen het werkingsgebied van het regionaal overlegplatform;

6°één waarnemer namens het departement Onderwijs en Vorming;

7°één waarnemer namens het departement Werk en Sociale Economie;

8°één afgevaardigde van respectievelijk de officiële centra voor leerlingenbegeleiding en de vrije centra voor leerlingenbegeleiding, waarvan het werkingsgebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met het werkingsgebied van het regionaal overlegplatform in kwestie;

9°één afgevaardigde van het regionaal sociaal-economisch overlegcomité in kwestie.

Art. 106.

Een regionaal overlegplatform oefent, binnen het raam van dit decreet, ten minste de volgende bevoegdheden uit :

1° bespreken van het regionale opleidings- en vormingsaanbod;

2° deskundigheid en knowhow benutten en uitwisselen vanuit de diverse maatschappelijke domeinen die zich via de samenstelling van het platform aandienen;

3° bespreken van de toeleiding, oriëntering en doorverwijzing van jongeren naar en binnen het stelsel van leren en werken. Voor de uitoefening van die bevoegdheid zal het regionaal overlegplatform regelmatig overleggen met de scholengemeenschappen secundair onderwijs die binnen zijn werkingsgebied fungeren; elke scholengemeenschap secundair onderwijs heeft ter zake een overlegplicht;

4° initiatieven nemen, inzonderheid bij de sociaal-economische actoren en de sociale partners, die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de realisatie van het principe van het voltijds engagement van elke jongere die opteert voor het stelsel van leren en werken;

5° kwalitatief en kwantitatief afstemmen van vraag en aanbod inzake [...] voortrajecten, brugprojecten en arbeidsdeelname tussen de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de centra voor deeltijdse vorming, de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen en de organisatoren van voortrajecten, brugprojecten en arbeidsdeelname. Voor wat het luik arbeidsdeelname betreft, moet de uitoefening van deze bevoegdheid van het regionaal overlegplatform als een tweedelijnfunctie worden beschouwd;

6° bespreken van algemene maatregelen om problematische afwezigheden te bestrijden, zowel binnen de component leren als binnen de component werkplekleren.

Decr. 8-7-2011

Art. 107.

Bij consensus dan wel meerderheid van stemmen wijst een regionaal overlegplatform een voorzitter aan. Bij consensus stelt een regionaal overlegplatform een huishoudelijk reglement op dat de interne werking regelt. Indien geen consensus wordt bereikt, neemt de Vlaamse Regering maatregelen die de interne werking van het regionaal overlegplatform verzekeren.

Een regionaal overlegplatform maakt jaarlijks een voortgangsrapport op, bestemd voor de Vlaamse Regering, dat ten minste het profiel van de jongeren, een overzicht van het voltijds engagement, de studiebekrachtiging en de arbeidsmarktsituatie van de jongeren die uitgestroomd zijn, bevat.

In overeenstemming met artikel 20 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités, kunnen de regionale sociaal-economische overlegcomités, op verzoek van de Vlaamse Regering beleidsvoorbereidende adviezen uitbrengen over het voltijds engagement in het kader van de sociaal-economische streekontwikkeling in de regio.

Art. 108.

Een regionaal overlegplatform wordt opgevolgd door het departement Onderwijs en Vorming en door het departement Werk en Sociale Economie. Het regionaal overlegplatform verleent daartoe alle medewerking.

HOOFDSTUK VI. - Wijzigingsbepalingen

...

HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen

Art. 140.

Dit decreet wordt [in 2014] geëvalueerd. De evaluatie omvat ook een Brusseltoets en een diversiteittoets. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten van de evaluatie. De resultaten van de evaluatie worden aan het Vlaams Parlement meegedeeld.

Decr. 25-4-2014

Art. 141.

De Vlaamse Regering wordt gelast om een samenwerkingsprotocol af te sluiten met de regering van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest om in dat gewest de toekenning mogelijk te maken van dezelfde opdrachten en bevoegdheden als die opdrachten en bevoegdheden die bij dit decreet aan de VDAB respectievelijk aan de regionale sociaal-economische overlegcomités worden toegekend.

Bij ontstentenis van dit samenwerkingsprotocol hebben de bepalingen van dit decreet waarvoor desbetreffend protocol onontbeerlijk is, geen uitwerking.

Art. 142.

De toepassing van de bepalingen van artikel 5 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht kan, voor wat betreft de component werkplekleren, slechts betrekking hebben op inbreuken die zijn gepleegd ten vroegste vanaf de tiende dag na de publicatie van dit decreet in het Belgisch Staatsblad.

Art. 143.

De volgende besluiten worden opgeheven :

1° het besluit van de Vlaamse Regering van 7 november 1984 houdende vaststelling van de bijzondere erkenningsnormen inzake de leerovereenkomsten en de leerverbintenissen voor de beroepen van opticien-brillenmaker, tandprothesetechnicus, bandagist, orthesist, prothesist, kleinhandelaar en groothandelaar, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juli 1989;

2° het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende inrichting van het deeltijds beroepssecundair onderwijs, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 januari 1992, 9 juni 1993, 16 mei 1995, 27 mei 1997, 9 maart 2001, 21 maart 2003, 5 maart 2004, 27 mei 2005, 13 januari 2006 en het decreet van 22 juni 2007;

3° het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende de organisatie, de normering en de financiering van de erkende vorming in het kader van deeltijdse leerplicht, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 juli 1996, 8 juli 2005 en 16 februari 2007;

4° het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende samenstelling van de commissie voor advies inzake erkenning van vormingsprogramma's voor de vervulling van deeltijdse leerplicht, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 en 16 februari 2007;

5° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 houdende uitvoering van artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende inrichting van het deeltijds beroepssecundair onderwijs;

6° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 1991 houdende de organisatie van het secundair zeevisserijonderwijs, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995;

7° het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1996 betreffende de leertijd, vermeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 februari 1998, 3 mei 2002, 28 september 2007 en 7 december 2007;

8° [...]

9° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 1997 houdende erkenning van vormingsprogramma's die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komen;

10° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 1997 houdende erkenning van het vormingsprogramma van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, opgericht bij artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, als vorming die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komt;

11° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 houdende de erkenning van een vormingsprogramma dat voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komt;

12° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2000 houdende de erkenning van vormingsprogramma's die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komen;

13° het besluit van de Vlaamse Regering van 24 september 2001 houdende de erkenning van vormingsprogramma's die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komen;

14° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 houdende de organisatie, de normering en de financiering van deeltijdse vormingen die voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht in aanmerking komen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2007;

15° het ministerieel besluit van 5 juli 1999 tot vastlegging van de benamingen die kunnen voorkomen op de kwalificatiegetuigschriften van het deeltijds beroepssecundair onderwijs, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 7 juni 2000, 2 juli 2001, 22 mei 2002, 21 mei 2003, 6 juli 2004, 18 april 2005, 20 maart 2006, 6 juli 2006, 20 februari 2007, 30 mei 2007 en 4 juli 2007;

16° het ministerieel besluit van 28 mei 2004 tot vaststelling van de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;

17° het ministerieel besluit van 5 juli 2004 tot vaststelling van de modellen van studiebewijzen, uitgereikt in het deeltijds beroepssecundair onderwijs.

Decr. 8-5-2009

Art. 144.

Artikel 1, § 2bis, en artikel 3, § 5, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, ingevoegd bij het decreet van 22 juni 2007, treden in werking op 1 september 2008.

Art. 145.

Dit decreet treedt in werking op 1 september 2008, met uitzondering van :

1° volgende bepalingen die in werking treden op 1 januari 2009 :

a) artikel 11, § 1, 4°;

b) artikel 17, § 1 en 2;

c) artikel 18;

d) artikel 19, § 1, 11°;

e) artikel 20, eerste lid, 3°;

f) artikel 65;

g) artikelen 103 tot en met 108;

h) artikelen 109, 2°, wat betreft de toevoeging van 18°;

i) artikel 125;

j) artikel 134, wat betreft de toevoeging van § 3, 1°;

k) artikel 138, wat betreft de invoeging van 3°;

2° volgende bepalingen die in werking treden op 1 september 2009 :

a) artikel 10, § 1, tweede lid, 10°;

b) artikel 19, § 1, 8°;

c) artikel 44, tweede lid, wat betreft de woorden : "én rekening houdend met het resultaat van de screening als vermeld in artikel 62";

d) artikel 47, 3°;

e) artikel 49;

f) artikel 51, 2°;

g) artikelen 62 tot en met 64;

h) artikel 109, 2°, wat betreft de toevoeging van 17°;

i) artikel 110, wat betreft de woorden "(en ook, maar uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs, 17°)";

j) artikel 120, 1°, wat betreft de toevoeging van 1°.