Decreet aangaande de bekrachtiging van de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, gecodificeerd op 28 oktober 2016

  • goedkeuringsdatum
    23 december 2016
  • publicatiedatum
    B.S.13/02/2017
  • datum laatste wijziging
    13/02/2017

Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt :

DECREET aangaande de bekrachtiging van de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, gecodificeerd op 28 oktober 2016

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2.

Deel I tot en met XI en deel XII, punt 1° tot en met 42°, van de Codificatie betreffende sommige bepalingen voor het onderwijs, gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende de codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, worden bekrachtigd.

De bij dit decreet bekrachtigde bepalingen voor het onderwijs worden aangehaald als "Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs".

Art. 3.

De volgende wetten, decreten, koninklijke besluiten en artikelen, zoals gewijzigd tot op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, worden opgeheven, maar zijn opgenomen in de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs :

1° artikel 20 en 21 van het koninklijk besluit van 20 augustus 1957 houdende coördinatie van de wetten op het lager onderwijs;

2° artikel 3, § 1, § 5, § 8, § 9; 4; 6; 6bis; 6quater, eerste lid, derde lid; 7; 12; 24, § 1, eerste lid, § 2, eerste en tweede lid, § 3; 25; 26; 27, § 1; 28; 32; 35; 36 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;

3° artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 april 1967 tot regeling van de wijze waarop het aantal opvoeders in het Rijksonderwijs berekend wordt;

4° artikel 20 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs;

5° artikel 1, 2, 4, 4/1, 7, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15 van het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982 tot vaststelling van de wijze waarop voor de Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs en de tehuizen van het Rijk de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en van het personeel toegekend in het kader van het internaat;

6° artikel 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8 van het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986 houdende rationalisatie en programmatie van de internaten van het door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs;

7° artikel 3ter, 3quater, 3quinquies, 4, 5, 17, 90, 90bis, 91, 92, 93, 93bis, 93ter, 93quater, 94, 95, 95bis tot en met 95sexies, 96, 96bis, 96ter, 97, 97bis, 98, 98bis, 99, 100/1, 100bis tot en met 100sexies, 100septies tot en met 100decies, 191, 199, 200, 190, 192, 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II;

8° artikel 2 tot en met 10, 15, 16, 29, 29/2 tot en met 29/7 van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III;

9° artikel 29 tot en met 36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;

10° artikel 57 van het decreet van 15 december 1993 betreffende het onderwijs V;

11° artikel 50, 51, 54, 80, 169octies, 169novies, 164 van het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs VI;

12° artikel 12, 14, 16, 15, 17, 62, 63, 64, 67 van het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs VII;

13° artikel 12, 13, 14 van het decreet van 14 juli 1998 betreffende het onderwijs IX;

14° artikel 170, 172, 173 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs XI;

15° artikel V.21 tot en met V.35, IX.1, IX.2 tot en met IX.9, XI.1, XI.2, XI.3, XI.6, XIII.9 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek;

16° artikel II.1, IV.1-IV.5, IV.6 tot en met IV.10, VIII.1 tot en met VIII.5 van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen;

17° artikel X.1 tot en met X.17, X.22 tot en met X.26, X.28, X.29, X.35, X.39 tot en met X.43, X.48, X.49 tot en met X.55, X.57, X.58, X.59, X.61 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV;

18° artikel X.2, X.5, X.5bis van het decreet van 15 juli 2005 betreffende het onderwijs XV;

19° artikel IX.4, IX.5 van het decreet van 7 juli 2006 betreffende het onderwijs XVI;

20° artikel V.1 tot en met V.4 van het decreet van 16 mei 2007 betreffende dringende maatregelen voor het onderwijs;

21° artikel XI.6, XI.7, XI.9 van het decreet van 4 juli 2008 betreffende het onderwijs XVIII;

22° artikel 20 van het decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft;

23° artikel 3 tot en met 6, 8 tot en met 8quinquies van het decreet van 10 juli 2008 houdende enkele dringende maatregelen voor het deeltijds kunstonderwijs;

24° artikel VIII.26 van het decreet van 9 juli 2010 betreffende het onderwijs XX;

25° artikel XI.1 tot en met XI.3, XI.4 tot en met XI.7 van het decreet van 1 juli 2011 betreffende het onderwijs XXI;

26° artikel XI.1 van het decreet van 21 december 2012 betreffende het onderwijs XXII;

27° artikel X.1, X.2 tot en met X.8 van het decreet van 25 april 2014 betreffende het onderwijs XXIV.

Art. 4.

De volgende wetten, decreten, koninklijke besluiten, besluiten van de Vlaamse Regering en artikelen, zoals gewijzigd tot op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, worden opgeheven :

1° de wet van 30 december 1952 waarbij de studenten der Rijksuniversiteiten en der met de universiteiten gelijkgestelde Rijksinrichtingen voor hoger onderwijs onderworpen worden aan een geneeskundig onderzoek met het oog op het opsporen der besmettelijke ziekten;

2° de wet van 11 maart 1954 tot instelling van een centrale examencommissie voor de toekenning van de graad van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs voor de handelswetenschappen;

3° de wet van 22 juli 1955 waarbij aan sommige handelshogescholen toelating gegeven wordt tot het verlenen van de graad van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs in de handelswetenschappen;

4° de artikel 3, § 6, § 7bis; 4, vierde lid; 6ter; 6quater, tweede, vierde, vijfde lid; 24, § 1, eerste lid, tweede zin, tweede en derde lid, § 2, derde en vierde lid; 36bis, 38, 39 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;

5° de wet van 9 april 1965 houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie;

6° de wet van 24 maart 1971 tot wijziging van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat, gewijzigd door de wet van 9 april 1965 houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie en van de wet van 5 juli 1920 tot toekenning van rechtspersoonlijkheid aan de Staatsuniversiteiten Gent en Luik;

7° de wet van 28 mei 1971 houdende nieuwe maatregelen van de universitaire expansie;

8° de wet van 6 juli 1972 tot aanvulling, wat betreft de overgangsbepalingen, van de wet van 9 april 1965 houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie;

9° de wet van 20 mei 1976 betreffende het behalen van wettelijke graden door vluchtelingen die aan een Belgische universiteit of daarmee gelijkgestelde inrichtingen, universitaire studiën ten wetenschappelijke titel aangevat of voleindigd hebben;

10° het koninklijk besluit van 28 oktober 1955 betreffende de bezoldigde werkzaamheden verricht door de laboratoria, de klinieken of andere soortgelijke diensten der Rijksuniversiteiten;

11° het koninklijk besluit van 21 november 1955 tot uitvoering van de wet van 30 december 1952 waarbij de studenten der rijksuniversiteiten en der met de universiteiten gelijkgestelde rijksinrichtingen voor hoger onderwijs onderworpen worden aan een geneeskundig onderzoek met het oog op het opsporen der besmettelijke ziekten;

12° het koninklijk besluit van 14 januari 1956 tot regeling van de wijze van toekenning, door sommige handelshogescholen, van de graad van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs voor de handelswetenschappen;

13° het koninklijk besluit van 20 augustus 1957 houdende coördinatie van de wetten op het lager onderwijs;

14° het koninklijk besluit van 26 maart 1960 houdende toepassing van de artikelen 24 en 37 der wet van 29 mei 1959;

15° het koninklijk besluit van 7 maart 1961 betreffende de wedden van sommige leden van het onderwijzend personeel van de Staat;

16° het koninklijk besluit van 13 augustus 1962 tot regeling van de psycho-medisch-sociale centra;

17° het koninklijk besluit van 4 maart 1963 houdende vaststelling van de modaliteiten van eedaflegging voor de personeelsleden van de vrije onderwijsinrichtingen, van de vrije diensten voor studie- en beroepsoriëntering en van de vrije psycho-medisch-sociale centra, met het oog op de betaling der staatstoelagen;

18° het koninklijk besluit van 5 maart 1964 houdende uitvoering van de wet van 31 juli 1963 betreffende het pensioen der leden van het personeel van de diensten voor school- en beroepsoriëntering en van de psycho-medisch-sociale centra, die een weddetoelage van het Rijk ontvangen;

19° het koninklijk besluit van 8 januari 1965 tot vaststelling van de administratieve en geldelijke toestand der leden van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur die hun dienstplicht vervullen in vredestijd;

20° het koninklijk besluit van 26 februari 1965 tot vaststelling van de betrekkingen bij het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur waaraan het voordeel van kosteloze inwoning verbonden is;

21° het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke inrichtingen van de Staat;

22° het koninklijk besluit van 29 augustus 1966 houdende het statuut van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs;

23° het koninklijk besluit van 30 november 1966 houdende toepassing van artikel 7, lid 2, 2°, van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs;

24° artikel 2bis van het koninklijk besluit van 18 april 1967 tot regeling van de wijze waarop het aantal opvoeders in het Rijksonderwijs berekend wordt;

25° het koninklijk besluit van 1 augustus 1967 betreffende de geldelijke toestand van de tot het Gesubsidieerd onderwijs behorende leden van de homologatiecommissie en van de examencommissie van de Staat voor het secundair onderwijs;

26° het koninklijk besluit van 23 oktober 1967 houdende het algemeen reglement voor de rijksuniversiteiten en de rijksuniversitaire centra;

27° het koninklijk besluit van 13 februari 1968 houdende erkenning van de definitieve benoeming van de personeelsleden der gesubsidieerde officiële en vrije inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, secundair en hoger onderwijs van het korte type en het lange type met volledig leerplan en van de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben;

28° het koninklijk besluit van 3 mei 1968 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de houders van de benoemingsbrief ter vervanging van het brevet van officier der artillerie of der genie, die uit de Applicatieschool komt (specialiteit bouwkunde) de graad van burgerlijk metallurgisch ingenieur kan behalen;

29° het koninklijk besluit van 5 juni 1968 tot regeling van de aanpassing aan de schommelingen van het indexcijfer der kleinhandelsprijzen van het Rijk, van de toelagen bepaald bij de wet van 3 augustus 1960 houdende toekenning van sociale voordelen aan de universiteiten en gelijkgestelde inrichtingen;

30° het koninklijk besluit van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel bij de inrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, en van de ambten der leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen;

31° het koninklijk besluit van 22 april 1969 tot vaststelling van de lichamelijke geschiktheid vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen;

32° het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen;

33° het koninklijk besluit van 25 september 1969 houdende opname van de Rijksfaculteit der landbouwwetenschappen te Gent in de Rijksuniversiteit te Gent;

34° het koninklijk besluit van 20 augustus 1970 houdende toepassing van artikel 34 van de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gecoördineerd op 31 december 1949, wat betreft de vrijstelling van ondervraging, het aantal proeven en de duur van de studiën;

35° het koninklijk besluit van 7 september 1970 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder aanstellingen voor een beperkte duur kunnen geschieden aan het College voor de Ontwikkelingslanden van het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen;

36° het koninklijk besluit van 10 september 1971 houdende uitvoering van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat, gewijzigd bij de wet van 9 april 1965, houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie en aangevuld bij de wet van 16 juli 1970 betreffende de financiering van de universitaire investeringen;

37° het koninklijk besluit van 4 augustus 1972 tot vaststelling van de regels voor het bepalen van het aantal studenten in de universitaire instellingen bedoeld in artikel 27, § 1 van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen;

38° het koninklijk besluit van 11 augustus 1972 houdende uitvoering van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat, gewijzigd bij de wetten van 9 april 1965, houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie, 16 juli 1970, betreffende de financiering van de universitaire investeringen en 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen;

39° het koninklijk besluit van 28 juni 1974 tot uitvoering van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat;

40° het koninklijk besluit van 1 juli 1974 waarbij de vakken, het peil van de vereiste kennis en de vrijstellingen van ondervraging worden bepaald voor het door de universiteiten en de `Faculté polytechnique de Mons' georganiseerd examen voor toelating tot de studies van kandidaat burgerlijk ingenieur;

41° het koninklijk besluit van 9 augustus 1974 tot vaststelling van het bedrag der inschrijvingsgelden in het College voor ontwikkelingslanden van het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen;

42° het koninklijk besluit van 12 februari 1975 tot aanpassing aan de evolutie van de bouwkosten van de bedragen der leningen toegestaan aan de universitaire inrichtingen bij artikel 8bis, 1ste alinea, van de wet van 2 augustus 1960;

43° het koninklijk besluit van 14 maart 1975 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van rentetoelagen tot het bouwen van restaurants en tehuizen voor universiteitsstudenten;

44° het koninklijk besluit van 20 juni 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in het kleuter- en lager onderwijs;

45° het koninklijk besluit van 4 augustus 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde vrije inrichtingen die secundair onderwijs verstrekken overeenkomstig de wet 19 juli 1971 betreffende de algemene structuur en de organisatie van het secundair onderwijs;

46° het koninklijk besluit van 14 augustus 1975 tot uitvoering van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat;

47° het koninklijk besluit van 3 juni 1976 waarbij vrijstelling van de vereiste inzake leeftijdsgrens verleend wordt aan sommige leermeesters, leraars en inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat;

48° het koninklijk besluit van 8 juli 1976 genomen voor de toepassing van artikel 40 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat;

49° het koninklijk besluit van 8 juli 1976 genomen voor de toepassing van artikel 45 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat;

50° het koninklijk besluit van 31 december 1976 betreffende de invordering van door de universitaire instellingen van de Staat ten onrechte betaalde bedragen;

51° het koninklijk besluit van 15 april 1977 houdende oprichting en vaststelling van de structuur van een pedagogische leergang bij de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen;

52° het koninklijk besluit van 31 maart 1977 tot regeling van de toestand van sommige personeelsleden van het Rijksonderwijs;

53° het koninklijk besluit van 15 april 1977 tot uitbreiding tot de universitaire instellingen van de Staat van de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 mei 1975 tot regeling van de tegemoetkomingen van de Staat en van sommige instellingen van openbaar nut in de vervoerkosten van het personeel;

54° het koninklijk besluit van 15 april 1977 tot vaststelling van de regelen en de voorwaarden voor de berekening van het aantal betrekkingen in sommige ambten van het opvoedend hulppersoneel en van het administratief personeel van de inrichtingen voor secundair onderwijs en voor het hoger onderwijs, met uitzondering van het universitair onderwijs;

55° het koninklijk besluit van 9 maart 1981 houdende uitvoering van de wet van 2 augustus 1960 betreffende de tussenkomst van de Staat in de financiering van de vrije universiteiten en van diverse inrichtingen voor hoger onderwijs en voor wetenschappelijk onderzoek;

56° het koninklijk besluit van 9 juni 1981 tot vaststelling van de verkiezingsprocedure voor de ambten van rector en vice-rector bij het Rijksuniversitair Centrum te Antwerpen;

57° het koninklijk besluit van 24 augustus 1981 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 augustus 1962 tot regeling van de psycho-medisch-sociale centra en van de diensten voor studie- en beroepsoriëntering;

58° het koninklijk besluit van 6 november 1981 tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 maart 1956 houdende oprichting van een afdeling tot opleiding van bouwkundige tekenaars bij het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedebouw te Antwerpen;

59° het koninklijk besluit nr. 82 van 31 juli 1982 tot sanering van de financiën van deficitaire universitaire instellingen;

60° het koninklijk besluit van 15 december 1982 tot vaststelling van de benaming en de structuur van de door de Staat georganiseerde inrichtingen voor secundair onderwijs;

61° het koninklijk besluit nr. 167 van 30 december 1982 betreffende de financiering van de universitaire investeringen;

62° artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982 tot vaststelling van de wijze waarop voor de Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs en de tehuizen van het Rijk de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en van het personeel toegekend in het kader van het internaat;

63° het koninklijk besluit van 9 maart 1983 houdende uitvoering van de wet van 2 augustus 1960 betreffende de tussenkomst van de Staat in de financiering van de Vrije Universiteiten en van diverse inrichtingen voor hoger onderwijs en voor wetenschappelijk onderzoek en houdende vaststelling van de rentevoet voor de tranche 1981-1982;

64° het koninklijk besluit van 25 mei 1983 betreffende de financiering van acties voor het demonstreren van nieuwe procedés, producten en uitrustingen voor een rationeel energieverbruik uitgevoerd op initiatief van de universitaire instellingen;

65° het koninklijk besluit van 7 december 1983 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van rentetoelagen tot het bouwen van restaurants en tehuizen voor universiteitsstudenten vanaf 1980;

66° het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;

67° het koninklijk besluit van 15 juni 1984 tot vaststelling van de vorm en van de regels voor de uitreiking van het getuigschrift van basisonderwijs;

68° het koninklijk besluit van 8 augustus 1984 houdende uitvoering van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977;

69° het koninklijk besluit van 18 december 1984 tot aanduiding van de Rijksscholen en de Rijksscholengroepen die staatsdiensten zijn met afzonderlijk beheer;

70° het koninklijk besluit van 29 december 1984 betreffende het financieel en materieel beheer van de staatsdiensten met afzonderlijk beheer in het Rijksonderwijs;

71° het koninklijk besluit van 21 oktober 1985 betreffende het verlof wegens opdracht en de terbeschikkingstelling wegens bijzondere opdracht van de gesubsidieerde personeelsleden van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra;

72° het koninklijk besluit nr. 455 van 10 september 1986 houdende de maatregelen tot sanering van het Academisch Ziekenhuis van de Rijksuniversiteit Gent;

73° artikel 6, 9 van het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986 houdende rationalisatie en programmatie van de internaten van het door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs;

74° het koninklijk besluit nr. 470 van 14 oktober 1986 tot vaststelling van het maximaal afwijkingspercentage tussen het totale aantal organieke ambten en het totale aantal budgettaire ambten van sommige categorieën van personeelsleden van het Rijksonderwijs en van het gesubsidieerd onderwijs;

75° het koninklijk besluit nr. 471 van 24 oktober 1986 tot beperking van het aantal verloven wegens opdracht en de terbeschikkingstelling wegens opdracht, verleend aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra;

76° het koninklijk besluit van 1 december 1986 tot aanduiding van de Rijksinrichtingen voor kunstonderwijs die staatsdiensten zijn met afzonderlijk beheer;

77° het koninklijk besluit van 28 december 1987 tot aanduiding van de rijksinternaten en rijkstehuizen die staatsdiensten zijn met afzonderlijk beheer;

78° het koninklijk besluit van 10 januari 1989 houdende klassering van sommige afdelingen in uitvoering van artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit nr. 64 van 20 juli 1982 houdende vaststelling van de minimale schoolbevolking van bepaalde afdelingen in het Nederlandstalig onderwijs voor sociale promotie;

79° het koninklijk besluit van 20 juli 2005 tot wijziging van verschillende bepalingen betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van de overheidssector;

80° het decreet van 1 augustus 1978 houdende maatregelen tot samenwerking onder de Antwerpse universitaire instellingen;

81° artikel 131, 188 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II;

82° het decreet van 23 oktober 1991 houdende wijziging van artikel 19 en artikel 108 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten;

83° artikel 15, 17, 18 van het financiedecreet van 23 oktober 1991 voor het begrotingsjaar 1992;

84° artikel 29/1, 32, 59 van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III;

85° artikel 33 van het decreet van 15 december 1993 betreffende het onderwijs V;

86° artikel 49 van het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs VI;

87° artikel 15 van het decreet van 5 april 1995 tot wijziging van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap om de organisatie van een specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde te organiseren, en andere bepalingen betreffende de universiteiten;

88° artikel 71, 92, 93 van het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs VII;

89° artikel 18 van het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs VIII;

90° artikel 4 van het decreet van 19 december 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1998;

91° het decreet van 19 december 1998 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 1998 betreffende de beroepsprofielen van de leraren;

92° artikel 175 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs XI;

93° het decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt;

94° artikel VI.8 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek;

95° artikel VIII.6 van het decreet van 28 juni 2002 betreffende de gelijke onderwijskansen I;

96° artikel X.31 tot en met X.34 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV;

97° artikel 8 van het decreet van 27 juni 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003;

98° artikel IX.5 van het decreet van 7 juli 2006 betreffende het onderwijs XVI;

99° het decreet van 14 juli 2006 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs;

100° het decreet van 9 maart 2007 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten voor de Opleiding voor Opleiders van Volwassenen;

101° artikel X.2, X.4, X.5 van het decreet van 22 juni 2007 betreffende het onderwijs XVII;

102° het decreet van 13 juli 2007 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2007 betreffende de goedkeuring van tijdelijke projecten in het deeltijds kunstonderwijs vanaf het schooljaar 2007-2008;

103° het decreet van 4 juli 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft;

104° artikel XI.11 van het decreet van 4 juli 2008 betreffende het onderwijs XVIII;

105° het decreet van 10 juli 2008 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2008 tot wijziging van sommige besluiten van de Vlaamse Regering met betrekking tot tijdelijke projecten in het basisonderwijs en secundair onderwijs;

106° het decreet van 10 juli 2008 houdende verlenging van sommige van de tijdelijke projecten die zijn vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het basis- en secundair onderwijs;

107° het decreet van 10 juli 2008 houdende enkele dringende maatregelen voor het deeltijds kunstonderwijs;

108° artikel X.1, X.2 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende het onderwijs XIX;

109° artikel 16 van het decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de derde aanpassing van de begroting 2009;

110° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1990 tot erkenning als kredietinstelling in het kader van artikel 18, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving met het oog op de financiering van onroerende investeringen voor het gesubsidieerd officieel onderwijs;

111° het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 1991 houdende aanvullende maatregelen betreffende de vertegenwoordiging van de personeelsgeledingen in de raad van bestuur van het Limburgs Universitair Centrum nodig om de overgang van het oude naar het nieuwe stelsel te regelen;

112° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 1991 betreffende uitvoering van het decreet van 21 december 1990 houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1991, houdende verdeling van de leningsmachtigingen over universiteiten;

113° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1991 betreffende de toekenning van het provisioneel krediet 1991 voor de speciale fondsen voor onderzoek aan de universitaire instellingen en de geconcerteerde onderzoeksacties;

114° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1991 houdende de overgangsregeling betreffende het verlenen van de academische graad van geaggregeerde voor het hoger onderwijs, in uitvoering van artikel 201, tweede lid, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap;

115° het besluit van de Vlaamse Regering van 12 februari 1992 houdende vaststelling van het reglement voor de verkiezing van de leden van de raad van bestuur van de Universiteit Gent;

116° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 mei 1992 houdende vaststelling van het reglement voor de verkiezing van de leden van de raad van bestuur van het Universitair Centrum Antwerpen;

117° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 mei 1992 houdende vaststelling van de academische opleidingen die slechts door één universiteit in de Vlaamse Gemeenschap worden aangeboden;

118° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 1992 houdende vaststelling, voor de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, van de berekeningswijze van de studiepunten en van de minimale voorwaarden van overdracht van examencijfers en van de voorwaarden voor het aanvullen van een jaarprogramma met opleidingsonderdelen van een volgend jaarprogramma;

119° het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1992 houdende financiering van de schijf 1992 van de speciale fondsen voor het onderzoek in de universitaire instellingen;

120° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 1992 houdende overgangsmaatregel voor het academiejaar 1992-1993 inzake de toelatingsvoorwaarden tot de academische opleiding van burgerlijk ingenieur-architect;

121° het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 1992 betreffende de vorm van de diploma's waarbij een academische graad wordt toegekend;

122° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 februari 1993 betreffende de organisatie en de werking van de examencommissies van de Vlaamse Gemeenschap voor het academisch onderwijs;

123° het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 1994 houdende vaststelling van de benamingen van de academische graden van doctor;

124° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 1995 betreffende de omvorming van de opleidingen en opties van de hogescholen van de Vlaamse Gemeenschap;

125° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende de organisatie van de examens in de hogescholen van de Vlaamse Gemeenschap;

126° het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 1996 houdende bekrachtiging van de werkingscodes van de pedagogische begeleidingsdiensten in het onderwijs;

127° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 oktober 1996 houdende de procedure en de vorm voor de gelijkstelling van de diploma's van een wetenschappelijke graad met de diploma's van een academische graad;

128° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 december 1996 tot opheffing van de commissies tot beheer van het eigen vermogen en de commissies van toezicht in bepaalde instellingen voor hoger kunstonderwijs van het voormalige gemeenschapsonderwijs;

129° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 1996 betreffende de vorm van de diploma's uitgereikt door de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

130° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 1997 betreffende de omvorming van de lerarenopleidingen van de hogescholen van de Vlaamse Gemeenschap;

131° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1997 betreffende de aanwijzing van de personeelsleden bedoeld in artikel 182, § 1, 3°, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

132° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1997 houdende regeling van de procedure en de voorwaarden van subsidiëring van innovatieprojecten op het gebied van het hoger onderwijs;

133° het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 1997 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1990, tot erkenning als kredietinstelling in het kader van artikel 18, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving met het oog op de financiering van onroerende investeringen voor het gesubsidieerd onderwijs;

134° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 mei 1999 tot vaststelling van het administratieve statuut van de commissaris-coördinator bij de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

135° het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 1999 betreffende de verdeling van de personeelsleden die ten behoeve van het secundair onderwijs een verlof krijgen voor de effectieve begeleiding van de vorming en de ondersteuning van de scholengemeenschappen;

136° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 1999 houdende oproep tot de kandidaten inzake het verlenen van een erkenning en een subsidie aan een universitair Steunpunt Nederlands als Tweede Taal;

137° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2000 houdende de organisatie van het toelatingsexamen tot de opleidingen van arts en tandarts in het jaar 2000;

138° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2000 betreffende de overdracht van personeel van de psycho-medisch-sociale centra of de centra voor medisch schooltoezicht naar de centra voor leerlingenbegeleiding;

139° het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2000 betreffende de erkenning van een universitair steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming;

140° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 2000 betreffende de overdracht van de leerlingendossiers van de PMS- en MST-Centra naar de centra voor leerlingenbegeleiding;

141° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 oktober 2000 betreffende de toekenning van subsidies aan Vlaamse universiteiten in 2000 voor de uitvoering van interface-activiteiten;

142° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 houdende voortzetting van subsidiëring van gecoördineerde initiatieven van institutionele en onderwijskundige grensoverschrijdende samenwerking van Vlaamse instellingen voor hoger onderwijs met partners uit regio's begrepen onder het zogenaamde `grenslandenbeleid';

143° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2001 houdende afwijking van de beperking van het prijsindexcijfer tot 75% voor het basisonderwijs in de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2001;

144° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2001 betreffende de toekenning van subsidies aan Vlaamse universiteiten in 2001 voor de uitvoering van interfaceactiviteiten;

145° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 november 2001 houdende overheveling van kredieten met betrekking tot het leerlingenvervoer voor het begrotingsjaar 2001;

146° het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2001 betreffende de opwaardering van het elektronisch netwerk voor de hogescholen;

147° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2002 houdende vaststelling van de benaming van de diploma's van master die de Vrije Universiteit Brussel voor het Instituut voor Europese Studies (IES) uitreikt;

148° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2002 houdende vaststelling van de benaming van de diploma's van master die de Confederale Universiteit Antwerpen voor het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en -beheer (IOB) uitreikt;

149° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2002 betreffende de werking van de adviescommissie projecten hoger kunstonderwijs;

150° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende een geschilberaadslaging;

151° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2002 houdende vaststelling van de procedure en de voorwaarden voor de toekenning van aanvullende middelen in het begrotingsjaar 2002 aan de Vlaamse universiteiten en houdende vaststelling van de vorm en de inhoud van de convenants;

152° het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2003 tot regeling van de situatie van de personeelsleden uit het onderwijs die in het schooljaar 2002-2003 in de instellingen van het Gemeenschapsonderwijs in Duitsland ter beschikking zijn of worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking;

153° het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2003 tot definitieve regeling van de situatie van de personeelsleden uit het onderwijs die tewerkgesteld zijn in de instellingen van het gemeenschapsonderwijs in Duitsland;

154° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2004 tot vaststelling van de lijst van de bachelor- en de masteropleidingen in het hoger onderwijs in Vlaanderen;

155° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende het tijdelijk project zorgondersteuning in de centra voor leerlingenbegeleiding;

156° het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 betreffende de regeling van de wijze van verantwoording van het gebruik van een andere onderwijstaal dan het Nederlands;

157° het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2004 betreffende het percentage van aanwending van het extra lesurenpakket onderwijsvoorrang in het buitengewoon secundair onderwijs voor het schooljaar 2004-2005;

158° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 houdende de vervroegde inwerkingtreding van sommige bepalingen van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen ten aanzien van sommige instellingen van hoger onderwijs;

159° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 betreffende het experimenteel Brussels curriculum in het voltijds secundair onderwijs;

160° het besluit van de Vlaamse Regering van 25 maart 2005 betreffende het project `Huis van het Nederlands';

161° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005 tot vaststelling van de overgangsaccreditatie van sommige hogeschoolopleidingen;

162° het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2006 tot vaststelling van de overgangsaccreditatie van sommige universitaire opleidingen;

163° het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 houdende wijziging van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2004 tot vaststelling van de lijst van de bachelors- en de mastersopleidingen in het hoger onderwijs in Vlaanderen;

164° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 tot tweede aanpassing van de overgangsaccreditatie van sommige universitaire opleidingen;

165° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2007 houdende wijziging van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2004 tot vaststelling van de lijst van de bachelor- en de masteropleidingen in het hoger onderwijs in Vlaanderen;

166° het besluit van de Vlaamse Regering van 11 mei 2007 tot tweede aanpassing van de overgangsaccreditatie van sommige hogeschoolopleidingen;

167° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 november 2007 tot derde aanpassing van de overgangsaccreditatie van sommige hogeschoolopleidingen;

168° het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 tot vaststelling van de methodologie en de criteria van de voortgangstoets voor de academisch gerichte opleidingen van de hogescholen in Vlaanderen;

169° het besluit van de Vlaamse Regering van 21 maart 2008 tot oprichting van overlegorganen die bijdragen tot een optimale deelname van Vlaamse Gemeenschap aan het Europees actieprogramma Een Leven Lang Leren;

170° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 houdende goedkeuring van programmatie van specifieke structuuronderdelen van de tweede of derde graad of van een nieuw studiegebied van scholen al dan niet behorende tot een scholengemeenschap;

171° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2008 houdende vastlegging van een model van overeenkomst tussen de Vlaamse Regering en de expertisenetwerken en regionale platformen in het kader van de lerarenopleidingen in Vlaanderen;

172° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 houdende vastlegging van een lijst van algemene resultaatsindicatoren voor het Aanmoedigingsfonds hoger onderwijs voor de periode 2008-2011;

173° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 aangaande diversiteitsprojecten in de lerarenopleidingen;

174° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende de tegemoetkoming voor het begrotingsjaar 2007 aan de besturen van de Centra voor Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie in het vrij gesubsidieerd onderwijs met betrekking tot de financiële controle;

175° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2008 tot tijdelijke erkenning van de opleiding bachelor in de rechten van de Katholieke Universiteit Brussel, gezamenlijk georganiseerd met de Katholieke Universiteit Leuven;

176° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 tot tijdelijke erkenning van de opleiding bachelor in de journalistiek van de XIOS Hogeschool Limburg;

177° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 tot tijdelijke erkenning van de opleiding bachelor in het communicatiemanagement van de XIOS Hogeschool Limburg;

178° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 tot tijdelijke erkenning van de opleiding `Master of Human Ecology' van de Vrije Universiteit Brussel;

179° het besluit van de Vlaamse Regering van 7 november 2008 betreffende de erkenning en de subsidiëring als Centrum voor Basiseducatie voor het schooljaar 2008-2009;

180° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 maart 2009 tot tijdelijke erkenning van de opleiding bachelor in de vroedkunde van de Artesis Hogeschool Antwerpen;

181° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 maart 2009 tot tijdelijke erkenning van de opleiding bachelor in de verpleegkunde van de Artesis Hogeschool Antwerpen;

182° het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 houdende goedkeuring van programmatie van specifieke structuuronderdelen van de tweede of derde graad of van een nieuw studiegebied van scholen al dan niet behorende tot een scholengemeenschap;

183° het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 tot vierde aanpassing van de overgangsaccreditaties van sommige hogeschoolopleidingen;

184° het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot tijdelijke erkenning van de master-na-masteropleiding master in de internationale betrekkingen en de diplomatie van de Universiteit Antwerpen;

185° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 tot aanpassing van de overgangsaccreditatie van de opleiding `master in de ingenieurswetenschappen: biomedische ingenieurstechnieken';

186° het besluit van de Vlaamse Regering 4 september 2009 tot tijdelijke erkenning van de master-na-masteropleiding master in de actuariële wetenschappen van de Vrije Universiteit Brussel;

187° het besluit van de Vlaamse Regering van 26 november 2010 houdende wijziging van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juni 2007 tot vaststelling van de lijst van bachelor- en masteropleidingen en afstudeerrichtingen binnen een masteropleiding met een bijkomende titel;

188° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 betreffende de toekenning van subsidies aan de expertisenetwerken en het regionaal platform in het kader van de lerarenopleidingen in Vlaanderen;

189° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de vastlegging van de maximale groei in het volwassenenonderwijs en de basiseducatie voor het schooljaar 2009-2010 en schooljaar 2010-2011;

190° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011 houdende de vastlegging van de maximale groei in de basiseducatie en het volwassenenonderwijs voor het schooljaar 2011-2012;

191° het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011 betreffende innovatie in de lerarenopleidingen;

192° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2011 betreffende de subsidiëring van voortrajecten binnen het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;

193° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2012 houdende de vastlegging van de maximale groei voor de Centra voor Basiseducatie en de Centra voor Volwassenenonderwijs inclusief een restrictieve aanwending van de leraarsuren voor de opleidingen NT2 voor vier CVO voor het schooljaar 2012-2013;

194° het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012 betreffende de organisatie van pilootprojecten ter voorbereiding op de hervorming van het deeltijds kunstonderwijs 2012-2014;

195° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2012 betreffende de commissie voor de evaluatie van de werking van de pedagogische begeleidingsdiensten, de permanente ondersteuningscellen en het Samenwerkingsverband Netgebonden Pedagogische Begeleidingsdiensten;

196° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2012 betreffende de subsidiëring van voortrajecten binnen het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap voor het schooljaar 2012-2013;

197° het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2012 betreffende de tegemoetkoming voor het begrotingsjaar 2012 aan de schoolbesturen en aan de besturen van de Centra voor Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie in het gesubsidieerd vrij onderwijs met betrekking tot de financiële controle over het boekjaar 2011;

198° het besluit van de Vlaamse Regering van 31 mei 2013 tot vastlegging van het percentage van de omvang aan opleidingsonderdelen aangeboden in een andere onderwijstaal dan het Nederlands, zoals bedoeld in artikel 91sexies, § 2, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen;

199° het besluit van de Vlaamse Regering van 20 september 2013 betreffende de bepaling van de mobiliteitstoelage per categorie op advies van het Vlaamse Erasmuscomité 2013-2014;

200° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 november 2013 betreffende de tegemoetkoming voor het begrotingsjaar 2013 aan de schoolbesturen en aan de besturen van de Centra voor Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie in het gesubsidieerd vrij onderwijs met betrekking tot de financiële controle over het boekjaar 2012;

201° het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2014 betreffende de toekenning van een subsidie voor de tolkuren Vlaamse Gebarentaal voor secundair, hoger en volwassenenonderwijs voor 2012-2013 en 2013-2014.

Art. 5.

Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2017.