Besluit van de Vlaamse regering betreffende de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor sommige personeelsleden van het voltijds gewoon secundair onderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    14 SEPTEMBER 1999
  • publicatiedatum
    B.S.28/12/1999
  • datum laatste wijziging
    17/01/2002
  • erratum
    B.S.21-1-2000

COORDINATIE

B.Vl.R. 14-9-2001 - B.S. 17-1-2002

De Vlaamse regering,

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, inzonderheid op artikel 82, eerste lid, f), en 84, eerste lid, a), gewijzigd bij het decreet van 28 april 1993;

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, inzonderheid op artikel 56, eerste lid, f), en 58, eerste lid, a), gewijzigd bij het decreet van 28 april 1993;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 8 maart 1999;

Gelet op het protocol nr. 329 van 11 mei 1999 houdende de conclusies van de onderhandelingen gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X en van onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap " van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op het protocol nr. 104 van 11 mei 1999 houdende de conclusies van de onderhandelingen gevoerd in het Overkoepelend onderhandelingscomité, bedoeld in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat ingevolge de bepalingen van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, de inrichtende machten thans de organisatie van de nieuwe scholengemeenschappen ten volle voorbereiden en dat het personeelsbeleid in de individuele scholen steeds meer wordt afgestemd op het beleid van de hele scholengemeenschap; dat het uiteraard vereist is te weten hoeveel personeelsleden op 1 september dit beleid zullen kunnen schragen; dat het daarom dringend noodzakelijk is aan de scholen te kunnen meedelen welke personeelsleden al dan niet een bijzondere terbeschikkingstelling kunnen verkrijgen zodat zij in de mogelijkheid zijn zo snel mogelijk het aantal personeelsleden te kennen waarop zij op 1 september 1999 binnen de nieuwe scholengemeenschap een beroep kunnen doen. Aangezien de voormelde terbeschikkingstelling tijdig moet worden aangevraagd, moeten de scholen spoedig worden ingelicht;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 17 juni 1999, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

Dit besluit is van toepassing op de leden van :

1° het bestuurs- en onderwijzend personeel, met inbegrip van de godsdienstleerkrachten;

2° het administratief personeel, het opvoedend hulppersoneel en het ondersteunend personeel,

die onderworpen zijn aan het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs en het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra en die vast benoemd zijn in het voltijds gewoon secundair onderwijs, dat gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 2.

§ 1. De leden van het administratief personeel, het opvoedend hulppersoneel en het ondersteunend personeel, genoemd in artikel 1, kunnen een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgen, als zij op de vooravond van de terbeschikkingstelling :

1° vastbenoemd zijn;

2° de leeftijd van vijfenvijftig jaar hebben bereikt;

3° hun ambt als hoofdambt uitoefenen.

§ 2. De leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, genoemd in artikel 1, kunnen een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgen, als zij op de vooravond van de terbeschikkingstelling in het voltijds gewoon secundair onderwijs :

1° a) ofwel vastbenoemd zijn voor ten minste een halve opdracht;

b) ofwel ter beschikking gesteld zijn wegens volledige ontstentenis van betrekking en niet voor ten minste een halftijdse opdracht gereaffecteerd en/of wedertewerkgesteld zijn in een organieke betrekking;

2° de leeftijd van vijfenvijftig jaar hebben bereikt;

3° ten minste twintig jaren geldelijke anciënniteit hebben;

4° hun ambt als hoofdambt uitoefenen.

§ 3. Aan het personeelslid dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in § 2, 1°, a), 2°, 3° en 4° kan de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen slechts worden toegekend als de instelling waaraan de betrokkene geaffecteerd is of de scholengemeenschap waartoe die instelling behoort, minder uren per vak/specialiteit of minder ambten organiseert ten gevolge van :

1° de splitsing van de instellingen met het oog op de programmatie van een nieuwe instelling bedoeld in artikel 2, 27°, 10, 25, § 3 tot en met § 6, en 31, § 3, § 4, en § 5, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;

2° de omvorming van een structuuronderdeel, bedoeld in artikel 2, 16° en 44 van decreet genoemd in 1°;

3° de overheveling van een structuuronderdeel, bedoeld in artikel 2, 25° en 45 van het decreet genoemd in 1°;

4° de maatregelen, bedoeld in artikel 92 van het decreet genoemd in 1°;

5° de opheffing of de afbouw van een structuuronderdeel;

6° de vrijwillige fusies van instellingen, bedoeld in artikel 58bis van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II die werden doorgevoerd vanaf september 1994.

§ 4. Of een personeelslid, bedoeld in § 3, recht heeft op een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen wordt als volgt vastgesteld :

1° per instelling wordt berekend hoeveel ambten en voor het ambt van leraar hoeveel uren per vak of specialiteit minder worden georganiseerd dan het jaar voorheen. Voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren, wordt dit aantal ambten en voor het ambt van leraar en godsdienstleraar dit aantal uren vervolgens voor de hele scholengemeenschap samengebundeld per ambt en voor het ambt van leraar per vak en per specialiteit;

2° het personeelslid kan de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen slechts verkrijgen als het vastbenoemd is voor het ambt dat minder wordt georganiseerd of voor het ambt van leraar of godsdienstleraar als het vastbenoemd is voor het vak/specialiteit waarvoor uren worden ingeleverd of voor dit vak of deze specialiteit over een vereist bekwaamheidsbewijs beschikt;

3° het personeelslid dat vastbenoemd is voor minder dan de helft van een voltijdse betrekking in het vak/specialiteit waarvoor uren worden ingeleverd, en tevens voor minder dan de helft van een voltijdse betrekking vastbenoemd is voor een ander vak/specialiteit maar bij wie beide betrekkingen samen meer dan de helft van een voltijdse opdracht bedragen, komt ook in aanmerking voor de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen;

4° voor het ambt van leraar of godsdienstleraar wordt het pakket uren dat in de instelling of in de scholengemeenschap per vak/specialiteit wordt ingeleverd, verminderd met het aantal uren dat in dit vak of in deze specialiteit zou worden toegekend aan het personeelslid dat de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen neemt. Als de overblijvende uren ten minste een halftijdse opdracht bedragen, kan aan nog een personeelslid voor hoogstens een voltijdse opdracht een bijzondere terbeschikkingstelling worden toegekend;

5° als een instelling of een scholengemeenschap per vak of specialiteit een totaal pakket uren inlevert dat lager is dan een volledige opdracht maar hoger is dan of gelijk is aan een halve opdracht kan een personeelslid de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor een volledige opdracht verkrijgen;

6° de aanvragen voor de bijzondere terbeschikkingstelling worden verzameld per instelling of per scholengemeenschap voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren. Zijn er té veel kandidaten voor een bepaald ambt, en voor het ambt van leraar voor een bepaald vak of een bepaalde specialiteit, dan moet de instelling of de scholengemeenschap de volgende criteria in dalende volgorde toepassen :

a) de personeelsleden, terbeschikking gesteld wegens volledige of gedeeltelijke ontstentenis van betrekking voor ten minste een halve opdracht in een ambt en voor het ambt van leraar voor een bepaald vak of een bepaalde specialiteit;

b) de personeelsleden die titularis zijn van ten minste een halve opdracht in een ambt en voor het ambt van leraar voor een bepaald vak of een bepaalde specialiteit.

Binnen elk van deze categorieën wordt eerst met de leeftijd, dan met de dienstanciënniteit en vervolgens met de ambtsanciënniteit rekening gehouden;

7° de scholengemeenschappen zijn vrij om met de aangrenzende scholengemeenschappen samen te werken om meer personeelsleden de kans te geven om een bijzondere terbeschikkingstelling te genieten.

§ 5. De bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen kan slechts worden toegekend als het personeelslid op de aanvangsdatum van de terbeschikkingstelling geen aanspraak kan maken op een rustpensioen ten laste van de Schatkist.

§ 6. Een personeelslid dat vast benoemd is :

1° voor een halve opdracht in een ambt van het administratief personeel of in het ambt van administratief medewerker en tevens voor de andere helft van een voltijdse opdracht in een ambt van het opvoedend hulppersoneel of in het ambt van opvoeder;

2° of voor een halve opdracht in een ambt van het opvoedend hulppersoneel/administratief/ondersteunend personeel en tevens voor een onvolledige opdracht in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, kan voor het geheel van deze opdrachten aanspraak maken op een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen op voorwaarde dat het voor elk ambt aan alle voorwaarden voldoet.

§ 7. In afwijking van § 6 kan het personeelslid dat vast benoemd is voor een halve opdracht in een ambt van het opvoedend hulppersoneel, het administratief personeel of het ondersteunend personeel en ook vastbenoemd is in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, maar voor dit laatste ambt niet voldoet aan de voorwaarden om een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen te verkrijgen, voor eerstgenoemd ambt een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen verkrijgen en voor het laatstgenoemd ambt een volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen.

§ 8. De bijzondere terbeschikkingstelling wordt toegekend tot de vooravond van de dag waarop het personeelslid op een rustpensioen ten laste van de Schatkist aanspraak kan maken.

Art. 3.

Personeelsleden die in het voltijds gewoon secundair onderwijs met volledig leerplan en in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan prestaties uitoefenen die worden bezoldigd op grond van de bepalingen van artikel 2, § 4, van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 houdende harmonisering van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, kunnen eveneens de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen verkrijgen.

Als het personeelslid in het voltijds gewoon secundair onderwijs aan alle voorwaarden voldoet, wordt de bijzondere terbeschikkingstelling toegekend voor het geheel van de genoemde prestaties.

Art. 4.

Het personeelslid dat prestaties uitoefent in het voltijds gewoon secundair onderwijs en aan alle voorwaarden voldoet om de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen te bekomen en tevens prestaties uitoefent op een ander onderwijsniveau en op dit niveau eveneens aan alle voorwaarden voldoet om een volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen te verkrijgen, kan voor de hogervermelde prestaties aanspraak maken op respectievelijk de voormelde bijzondere terbeschikkingstelling en volledige terbeschikkingstelling.

Deze terbeschikkingstellingen worden toegekend volgens de nadere bepalingen en onder de voorwaarden die gelden voor elk onderwijsniveau afzonderlijk.

Art. 5.

§ 1. De bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen is onherroepelijk.

§ 2. De betrekking waarvoor het personeelslid aangewezen is of waarin het geaffecteerd is, mag vacant worden verklaard volgens de bepalingen van :

1° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;

2° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra.

Art. 6.

Op verzoek van het personeelslid kent de inrichtende macht de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen toe. Als de betrokkene aan alle voorwaarden voldoet, kan de inrichtende macht die terbeschikkingstelling niet weigeren.

Art. 7.

§ 1. Het personeelslid dat een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt, geniet een wachtgeld of wachtgeldtoelage.

Het bedrag van het wachtgeld of van de wachtgeldtoelage is gedurende de hele periode van de terbeschikkingstelling gelijk aan een percentage van de laatste activiteitswedde of laatste activiteitsweddetoelage. Dit percentage wordt vastgesteld op :

1° 70 % voor :

a) de opvoeder-huismeester;

b) de directiesecretaris;

c) de secretaris-bibliothecaris, andere dan bedoeld in 2°, b);

d) de bibliothecaris;

e) het personeelslid, bedoeld onder a), b), c) of d) dat herbenoemd wordt in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel en dat op grond van overgangsbepalingen zijn weddenschaal behoudt;

f) het lid van het opvoedend hulppersoneel of het ondersteunend personeel met recht op de weddenschaal 106;

g) de administratief medewerker en de opvoeder met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het lange type of universitair onderwijs;

h) het bestuurs- en onderwijzend personeel;

2° 72 % voor :

a) de studiemeester-opvoeder, andere dan bedoeld in 1°, f);

b) de secretaris-bibliothecaris met recht op weddenschaal code 122 of 158 andere dan bedoeld in 1°, f);

c) het personeelslid, bedoeld onder a) en b), dat herbenoemd wordt in een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel en dat op grond van overgangsbepalingen zijn weddenschaal behoudt;

d) de administratief medewerker en de opvoeder met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het korte type en met weddenschaal 158;

3° 75 % voor :

a) het administratief personeel;

b) de administratief medewerker en de opvoeder, andere dan bedoeld in 1°, e), f) en g) of 2°, c) en d).

Voor de personeelsleden, bedoeld in artikel 3, wordt het percentage vastgesteld op grond van het ambt dat in het voltijds gewoon secundair onderwijs wordt uitgeoefend.

Voor de toepassing van het tweede lid wordt de laatste activiteitswedde of laatste activiteitsweddetoelage beperkt tot de wedde of weddetoelage die het personeelslid op de vooravond van de bijzondere terbeschikkingstelling genoot voor het door hem uitgeoefende hoofdambt met volledige prestaties.

Als het personeelslid op de vooravond van de terbeschikkingstelling vastbenoemd is voor een opdracht die meer bedraagt dan een ambt met volledige prestaties, dan wordt voor de toepassing van het tweede en het vierde lid, bij de vaststelling van de laatste activiteitswedde of laatste activiteitsweddentoelage voor een ambt met volledige prestaties eerst de wedde of weddentoelage genomen verbonden aan de opdracht die bezoldigd is op grond van de hoogste weddenschaal.

§ 2. Voor de toepassing van § 1, tweede lid, wordt voor het personeelslid dat overgaat van :

1° een verlof of afwezigheid voor verminderde prestaties;

2° een volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking;

3° een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen;

4° een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking;

5° een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen;

6° een terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid,

naar een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, als laatste activiteitswedde of laatste activiteitsweddetoelage beschouwd, de wedde of weddentoelage die het personeelslid zou hebben genoten indien het zijn prestaties voorafgaand aan de periode, vermeld in 1° tot en met 6°, tot op de vooravond van de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen verder zou hebben uitgeoefend.

§ 3. Voor de toepassing van § 1 wordt met prestaties bedoeld : prestaties waarvoor het personeelslid vastbenoemd is.

§ 4. Het bedrag van voormeld wachtgeld of voormelde wachtgeldtoelage schommelt met het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de regelen voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Het bedrag wordt aan het spilindexcijfer 138,01 gekoppeld. Het bedrag zal, in voorkomend geval, worden aangepast overeenkomstig de intersectorale akkoorden van sociale programmatie en de akkoorden van sectorale sociale programmatie.

Het bedrag van voormeld wachtgeld of voormelde wachtgeldtoelage zal echter niet worden aangepast rekening houdend met de weddentrappen die het resultaat zijn van de periodieke verhogingen binnen de weddenschaal, indien het personeelslid op het ogenblik van de bijzondere terbeschikkingstelling niet het maximum van de weddenschaal heeft bereikt.

[Art. 7bis.

§ 1. Dit artikel is van toepassing op de in artikel 1 bedoelde personeelsleden die recht hebben op een overlevingspensioen.

§ 2. In afwijking van de bepalingen van artikel 7 kan een personeelslid als bedoeld in § 1 dat een bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt of heeft gekregen, op zijn verzoek, geheel of gedeeltelijk afstand doen van het recht op het wachtgeld dat of de wachtgeldtoelage die hem op grond van artikel 7 kan worden toegekend.

§ 3. Een personeelslid dat geheel of gedeeltelijk afstand doet van het wachtgeld of de wachtgeldtoelage, bedoeld in § 2, verklaart dat in een aangetekende brief aan het departement Onderwijs. Bij gedeeltelijke afstand van wachtgeld of wachtgeldtoelage verklaart hij in die brief welk bedrag à 100 % hij wil ontvangen.

De eerste verklaring heeft uitwerking op de aanvangsdatum van de terbeschikkingstelling, op de eerste dag van de maand die volgt op de ontvangst ervan of op een latere datum die door het personeelslid wordt bepaald. Een eerste verklaring kan reeds worden gevoegd bij de aanvraag om de terbeschikkingstelling te krijgen.

§ 4. De verklaring, bedoeld in § 3, blijft onverminderd van toepassing tot op het einde van de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen tenzij het personeelslid door een nieuwe verklaring vóór 1 november om een aanpassing van zijn wachtgeld of wachtgeldtoelage verzoekt. Dat verzoek om aanpassing heeft uitwerking vanaf de eerste januari van het daaropvolgend jaar.]

B.Vl.R. van 14-9-2001

Art. 8.

Het personeelslid dat al ter beschikking gesteld is wegens ziekte of gebrekkigheid op de dag waarop de door hem aangevraagde bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen ingaat, wordt opgeroepen om te verschijnen voor de pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst. Als die commissie het personeelslid definitief ongeschikt acht om zijn ambt uit te oefenen en het personeelslid de voorwaarden vervult om vroegtijdig met pensioen te gaan, wordt de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen beëindigd door de pensionering van het personeelslid.

Art. 9.

§ 1. Gedurende de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen mag het personeelslid in het onderwijs of de psycho-medisch-sociale centra geen bezoldigde prestaties uitoefenen.

§ 2. In afwijking van § 1 mag het personeelslid de onderwijsopdracht die het op de dag voor de ingangsdatum van de terbeschikkingstelling, als bijbetrekking in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan uitoefende, verder als bijbetrekking blijven uitoefenen. Het personeelslid mag ook bezoldigde prestaties uitoefenen in het kader van :

1° de voor- en naschoolse opvang in het basisonderwijs;

2° het middagtoezicht in het basisonderwijs;

3° de busbegeleiding.

§ 3. Buiten het onderwijs mag het betrokken personeelslid geen andere winstgevende activiteit uitoefenen dan de activiteit die toegestaan is bij cumulatie van een rustpensioen met een beroepsactiviteit, zoals bepaald in artikel 4, § 1 tot en met § 3, en artikel 9 van de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen.

Art. 10.

De bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen vangt aan :

1° voor het administratief personeel, het opvoedend hulppersoneel of voor het ondersteunend personeel : op de eerste dag van de maand [en ten laatste de eerste dag van de maand die volgt op december 2001];

2° voor het bestuurs- en onderwijzend personeel : op 1 september. Na overleg van het personeelslid met de inrichtende macht kan die datum worden vastgesteld op 1 oktober. [Tijdens het schooljaar 2001-2002 kan de terbeschikkingstelling enkel op 1 oktober 2001 aanvangen.]

De aanvraag voor het verkrijgen van de terbeschikkingstelling moet via de hiërarchische meerdere worden ingediend, uiterlijk drie maanden vóór de aanvangsdatum ervan. Na overleg van het personeelslid met de inrichtende macht kan die termijn worden ingekort. Voor het schooljaar 1999-2000 [en voor de periode 1 september 2001 tot en met 31 december 2001] wordt de termijn van drie maanden teruggebracht op één maand.

B.Vl.R. van 14-9-2001

Art. 11.

[De in dit besluit vastgestelde maatregelen worden vanaf 1 september 1998 tot en met 31 augustus 2001 jaarlijks geëvalueerd.]

B.Vl.R. van 14-9-2001

Art. 12.

§ 1. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998.

§ 2. De bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen kan vanaf 1 september 2001 niet meer worden toegekend.

§ 3. In afwijking van de bepalingen van § 2, kan de bijzondere terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen wel nog worden toegestaan aan :

1° de leden van het ondersteunend personeel, bedoeld in artikel 1, 2°, die uiterlijk tot en met 31 december 2001 aan de voorwaarden, gesteld in artikel 2, § 1, voldoen;

2° de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, bedoeld in artikel 1, 1°, die op het ogenblik dat de terbeschikkingstelling aanvangt, voldoen aan de voorwaarden, gesteld in artikel 2, § 2, 1°, b, 2°, 3° en 4°, en aan de voorwaarde dat zij op 30 juni 2001 wedertewerkgesteld waren in een betrekking van het administratief personeel, het opvoedend hulppersoneel of het ondersteunend personeel.

B.Vl.R. van 14-9-2001

Art. 13.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.