Koninklijk besluit genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs.

  • goedkeuringsdatum
    08 DECEMBER 1967
  • publicatiedatum
    B.S.02/02/1968
  • datum laatste wijziging
    24/10/2011

COORDINATIE

K.B. 16-9-1968 - B.S. 10-10-1968

K.B. 30-5-1975 - B.S. 14-6-1975; err. B.S. 18-8-1979

K.B. 25-11-1976 - B.S. 29-3-1977

K.B. 20-12-1976 - B.S. 9-3-1977

K.B. 16-12-1981 - B.S. 23-3-1982

K.B. nr. 72, 20-7-1982 - B.S. 29-7-1982

K.B. 1-2-1988 - B.S. 17-3-1988

B.Vl.R. 26-4-1990 - B.S. 25-7-1990

B.Vl.R. 13-11-1991 - B.S. 18-1-1992

B.Vl.R. 23-6-1993 - B.S. 2-9-1993

B.Vl.R. 22-7-1993 - B.S. 15-9-1993

B.Vl.R. 8-12-1993 - B.S. 23-3-1994

B.Vl.R. 9-11-1994 - B.S. 21-1-1995

Decr. 21-12-1994 - B.S. 16-3-1995

B.Vl.R. 12-9-2003 - B.S. 12-11-2003

B.Vl.R. 29-10-2004 - B.S. 10-1-2005

B.Vl.R. 20-1-2006 - B.S. 4-4-2006

B.Vl.R. 31-3-2006 - B.S. 19-4-2006

B.Vl.R. 15-2-2008 - B.S. 10-4-2008

B.Vl.R. 3-7-2009 - B.S. 13-10-2009

B.Vl.R. 27-5-2011 - B.S. 29-6-2011

B.Vl.R. 9-9-2011 - B.S. 24-10-2011

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut van de personeelsleden van het rijksonderwijs, zoals ze gewijzigd werd;

Gelet op het koninklijk besluit van 29 augustus 1966 houdende het statuut van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs;

Gelet op het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs inzonderheid op artikel 3;

Gelet op het advies van de Syndicale Raad van Advies;

Gelet op de wet van 23 december 1946 houdende instelling van de Raad van State, inzonderheid op artikel 2, lid 2;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Op de voordracht van Onze Minister van de Franse Cultuur, van Onze Minister van de Nederlandse Cultuur, van Onze Minister van Nationale Opvoeding en van Onze Minister-Staatssecretaris voor Nationale Opvoeding,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

HOOFDSTUK I. - Jaarlijks vakantieverlof

(voetnoot 1)

Artikel 1.

[ [[De leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinstellingen van de Vlaamse Gemeenschap, krijgen een jaarlijks vakantieverlof, zaterdag niet inbegrepen, waarvan de duur als volgt wordt bepaald :

1° met ingang van 1 januari 1990 :

minder dan vijfenveertig jaar : 28 werkdagen;

van vijfenveertig tot negenenveertig jaar : 29 werkdagen;

van vijftig jaar af : 30 werkdagen.

2° met ingang van 1 januari 1991 :

minder dan vijfenveertig jaar : 29 werkdagen;

van vijfenveertig tot negenenveertig jaar : 30 werkdagen;

van vijftig jaar af : 31 werkdagen.

3° met ingang van 1 januari 1992 :

minder dan vijfenveertig jaar : 30 werkdagen;

van vijfenveertig tot negenenveertig jaar : 31 werkdagen;

van vijftig jaar af : 32 werkdagen.]]

De voor de berekening van de duur van het verlof in aanmerking te nemen leeftijd is die welke het personeelslid bereikt op 1 juli van het jaar.

Gerekend bij het jaarlijks vakantieverlof genieten bovendien alle personeelsleden, ongeacht hun leeftijd, eveneens de compensatieverlofdagen zoals ze worden toegekend aan het personeel van de ministeries en aan het personeel van de andere openbare diensten die een regeling inzake jaarlijkse vakantie hebben welke identiek is met die vastgesteld bij het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de Rijksbesturen.]

K.B. 30-5-1975; [[ ]] B.Vl.R. 23-6-1993

[Art. 1bis.

De in artikel één bedoelde personeelsleden genieten een bijkomend jaarlijks vakantieverlof waarvan de duur naargelang van hun leeftijd als volgt wordt bepaald :

op zestig jaar : één werkdag

op eenenzestig jaar : twee werkdagen

op tweeënzestig jaar : drie werkdagen

op drieënzestig jaar : vier werkdagen

op vierenzestig jaar : vijf werkdagen.]

K.B.16-12-1981

Art. 2.

[1° Het jaarlijks vakantieverlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

2° Het jaarlijks vakantieverlof wordt genomen tijdens de zomervakantie, hetzij van 1 juli tot en met 31 juli hetzij van 1 augustus tot en met 31 augustus. Na aftrek van de tijdens de maand juli of augustus genomen verlofdagen, mogen de betrokken personeelsleden naar keuze de hun overblijvende dagen verlof uitsluitend nemen op die dagen, waarop volgens de beschikkingen van het koninklijk besluit van 22 mei 1955 houdende vakantie- en verlofregeling in het onderwijs, zoals het werd gewijzigd, in de onderwijsinrichtingen geen lessen worden gegeven.

3° Ten einde de onderwijsinrichtingen toegankelijk te stellen, wordt tijdens de zomervakantie een beurtrol georganiseerd, derwijze dat in de inrichtingen, waar het mogelijk is, minstens twee leden van het administratief personeel en/of van het meesters-, vak- en dienstpersoneel aanwezig zijn, zulks ongeacht de eventuele verplichtingen op te leggen, in toepassing van 4° van dit artikel, aan sommige andere leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel.

4° Onze Ministers die de Nationale Opvoeding, de Nederlandse Cultuur en de Franse Cultuur in hun bevoegdheid hebben zullen een reglementering tot stand brengen, waarbij per groep en/of soort van scholen wordt omschreven welke hun respectievelijke behoeften zijn inzake dienstprestaties tijdens de vakanties en welke maatregelen dienen genomen om aan deze behoeften te voldoen. Deze reglementering zal in het bijzonder rekening houden met de dienstverplichtingen in verband met :

a) de verplichte doorlopende werking van sommige inrichtingen;

b) de afhandeling van een aantal administratieve taken;

c) het tijdelijk gebruik van de lokalen en de erbij horende installaties voor de organisatie van vakantiekolonies en dagkuren, voor de uitwisseling van leerlingen en voor elke andere verantwoorde activiteit;

d) de noodzakelijke onderhoudswerken.]

K.B.30-5-1975

Art. 3.

[Wanneer een personeelslid slechts gedurende een gedeelte van het jaar in dienstactiviteit is, wanneer hij geen volledige wekelijkse prestaties verstrekt, wanneer hij zijn wekelijkse prestaties niet volledig verstrekt of indien hem een verlof voor verminderde prestaties gewettigd door sociale of familiale redenen is toegestaan of hij met verlof is voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden, wordt het jaarlijks vakantieverlof in evenredige mate verminderd. De aftrekbare gedeelten van dagen vallen weg.]

K.B. nr. 72,20-7-1982

[Art. 3bis.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de personeelsleden die vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn in een ambt :

1° van administratief medewerker in de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs;

2° van administratief medewerker in de personeelscategorie van het ondersteunend personeel in het secundair onderwijs of het volwassenenonderwijs;

3° van het administratief personeel in een instelling van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs of van het deeltijds kunstonderwijs.]

B.Vl.R. 27-5-2011

HOOFDSTUK II. - Omstandigheidsverlof en verlof wegens persoonlijke aangelegenheden

Art. 4.

[...]

B.Vl.R. 3-7-2009

[Art. 4bis.

[[...]] ]

K.B. 20-12-1976; [[ ]] B.Vl.R. 9-9-2011

Art. 5. en 6.

[...]

B.Vl.R.22-7-1993

Art. 7.

Aan de bedoelde personeelsleden kan verlof worden toegestaan :

a) uit hoofde van dwingende redenen van familiaal belang en dit voor maximumduur van één maand 's jaars;

b) om een proeftijd in een andere betrekking van de Staat, provincies, gemeenten, een gelijkgestelde openbare instelling, een officiële school of een gesubsidieerde vrije school te vervullen en dit voor een periode die overeenstemt met de normale duur van de voorgeschreven proeftijd;

c) om hun kandidatuur voor de wetgevende of provinciale verkiezingen voor te dragen en dit voor een periode die overeenstemt met de duur van de verkiezingscampagne waaraan de betrokkenen als kandidaat deelnemen.

Deze verloven worden niet vergoed maar worden met periodes van dienstactiviteit gelijkgesteld.

Art. 8.

De bedoelde personeelsleden kunnen verlof bekomen :

a) om de cursussen bij te wonen van de school voor burgerlijke veiligheid, hetzij als vrijwillige dienstnemer bij dit korps, hetzij als niet tot dit korps behorende leerling;

b) om in vredestijd prestaties te verrichten bij het korps burgerlijke veiligheid als vrijwillige dienstnemer bij dit korps.

Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

HOOFDSTUK II BIS

[...]

B.Vl.R.9-11-1994

HOOFDSTUK III. - Verlof wegens ziekte of gebrekkigheid

(voetnoot 2) (voetnoot 3)

Art. 9.

[Het in artikel 1 genoemde personeelslid dat wegens ziekte verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, kan, voor de ganse duur van zijn loopbaan, ziekteverlof krijgen tot maximum dertig kalenderdagen per twaalf maanden sociale anciënniteit. Het personeelslid dat geen zesendertig maanden sociale anciënniteit telt, kan niettemin negentig kalenderdagen ziekteverlof krijgen.

Voor het personeelslid dat oorlogsinvalide is, wordt het in het eerste lid vastgestelde aantal kalenderdagen respectievelijk op vijfenveertig en honderdvijfendertig gebracht.

Het ziekteverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Tijdens dit verlof heeft het personeelslid recht op wedde of weddentoelage en op verhoging tot een hogere wedde of weddentoelage.]

BVl..R. 29-10-2004

[Art. 9bis.

[[Voor de toepassing van artikel 9 :

1° stemt de sociale anciënniteit voor elk betrokken personeelslid overeen met zijn weddenanciënniteit, vastgesteld op basis van de bepalingen van de bezoldigingsregeling die op hem van toepassing is voor het ambt waarin hij afwezig is wegens ziekte, mits echter, in voorkomend geval, volgende aanpassingen :

a) de diensten in aanmerking te nemen die het betrokken personeelslid eventueel gepresteerd heeft vóór de leeftijd vermeld in de klasse van zijn weddenschaal, voor zover deze diensten voldoen aan de vereisten gesteld in de toe te passen bezoldigingsregeling, de klasse van de weddenschaal uitgezonderd;

b) geen rekening te houden met de eventuele tijd, die als in aanmerking komende dienst geldt op grond van artikel 17 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;

2° worden de afwezigheden wegens ziekte of gebrekkigheid vóór de inwerkingtreding van dit besluit voor elk personeelslid eerst van 1 januari 1958 af samengeteld. Het langdurig verlof, toegestaan tussen 1 januari 1958 en 1 juli 1968 krachtens artikel 3, derde en vierde lid, van het koninklijk besluit van 30 december 1959 betreffende de ziekte- en bevallingsverloven der leden van het personeel van het Rijksonderwijs, wordt echter niet meegeteld.]] ]

K.B. 16-12-1981; [[ ]] Decr. 29-10-2004

[Art. 9ter.

In afwijking van de artikelen 9 en 9bis wordt, voor wat de periode vóór 1 september 2003 betreft, het aantal dagen ziekte- of gebrekkigheidsverlof voor de administratief medewerker van de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs, per twaalf maanden sociale anciënniteit berekend op basis van de prestaties zoals bedoeld in artikelen 14bis, 14ter en 14quater van het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters- vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, en op basis van de prestaties geleverd als werknemer in het "Bijzonder tijdelijk kader" en in het "Derde arbeidscircuit", bepaald op tien dagen, waarbij geen rekening wordt gehouden met het reeds genoten aantal dagen afwezigheid wegens ziekte of gebrekkigheid.]

BVl..R. 29-10-2004

Art. 10.

In afwijking van artikel 9, wordt ziekte- of gebrekkigheidsverlof toegestaan, zonder tijdsbeperking, naar aanleiding van :

a) een arbeidsongeval;

b) een ongeval op de weg van en naar het werk;

c) een beroepsziekte.

De in deze drie gevallen toegestane verlofdagen komen niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal verlofdagen welke het personeelslid kan krijgen bij toepassing van artikel 9.

Onder arbeidsongeval dient men ten verstaan, het ongeval dat zich in de loop en ter zake van de uitoefening van het opgedragen ambt heeft voorgedaan.

Onder ongeval op de weg van en naar het werk dient men te verstaan, het ongeval dat zich heeft voorgedaan onder de voorwaarden vereist opdat het als zodanig kan worden aangemerkt naar de zin van de wetgeving op het herstel van de schade veroorzaakt door ongevallen die zich hebben voorgedaan op de weg van en naar het werk.

Onder beroepsziekten dient men te verstaan de ziekten die als zodanig door Ons erkend zijn ter uitvoering van de wetgeving betreffende het herstel van de schade veroorzaakt door beroepsziekten.

Art. 11.

Het wegens ziekte of gebrekkigheid afwezig personeelslid staat onder het geneeskundig toezicht van [het door de Vlaamse minister van Onderwijs aangeduide controle-organisme].

BVl..R. 8-12-1993

Art. 12.

Het personeelslid kan niet voorgoed ongeschikt worden verklaard wegens ziekte of gebrekkigheid alvorens het de gezamenlijke verloven heeft uitgedaan waarop het recht heeft voor de ganse duur van zijn loopbaan, overeenkomstig artikel 9.

Art. 13.

Het personeelslid waarvan de afwezigheid te wijten is aan een ongeval veroorzaakt door de schuld van een derde, ontvangt zijn activiteitswedde als voorschot betaald op de door de derde verschuldigde vergoeding en op de derde te verhalen. Het personeelslid ontvangt die wedde alleen op voorwaarde dat het de Staat, in zijn rechten doet treden tegen hem die het ongeval heeft veroorzaakt, en dit ten bedrage van de door de Staat gestorte som.

HOOFDSTUK IV. - Verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid

(voetnoot 4)

Art. 14.

Het personeelslid afwezig wegens ziekte of gebrekkigheid, mag op aanvraag zijn ambt weder opnemen met halvedagprestaties indien het tot staving van die aanvraag een doktersattest overlegt, en indien [het door de Vlaamse minister van Onderwijs aangeduide controle-organisme] oordeelt dat de lichaamstoestand van de betrokkene het toelaat.

B.Vl.R. 8-12-1993

Art. 15.

Indien [het door de Vlaamse minister van Onderwijs aangeduide controle-organisme]² een wegens ziekte of gebrekkigheid afwezig personeelslid geschikt acht om zijn ambt weder op te nemen met halvedagprestaties, dan geeft hij daarvan kennis aan de Minister. [De Minister of zijn gemachtigde]¹ beslist het personeelslid opnieuw in dienst te roepen en staat het toe die verminderde prestaties te verrichten.

[ ]¹ K.B. 1-2-1988; [ ]² B.Vl.R. 8-12-1993

[De beslissing van de Minister of van zijn gemachtigde] mag niet worden genomen voor een periode van meer dan dertig kalenderdagen. Nochtans mogen verlengingen van een periode van dertig kalenderdagen toegestaan worden indien de administratieve gezondheidsdienst, bij een nieuw onderzoek, oordeelt dat de lichaamstoestand van het personeelslid het wettigt.

K.B.1-2-1988

Art. 16.

In een periode van tien jaar dienstactiviteit mag het personeelslid zijn ambt in totaal niet meer dan negentig dagen lang in halvedagprestaties uitoefenen.

Art. 17.

Tijdens de periode van verminderde prestaties welke het verricht bij toepassing van de artikelen 14 tot 16 van dit besluit worden de halve dagen afwezigheid van een personeelslid beschouwd als verlof gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

HOOFDSTUK V.

[...]

B.Vl.R.26-4-1990

[HOOFDSTUK VI. - Verloven voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de civiele bescherming of van taken van openbaar nut]

Art. 22.

[De in artikel 1 bedoelde personeelsleden zijn ambtshalve met verlof :

a) gedurende de gedeelten van kalendermaanden waarin zij, in vredestijd, om het even welke militaire prestaties verrichten, of diensten volbrengen bij toepassing van artikel 17bis of 18 van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden;

b) gedurende de periode waarin zij bij de strijdkrachten of bij de civiele bescherming gewone of spoedwederoproepingen verrichten.]

K.B.25-11-1976

HOOFDSTUK VII.

[...]

B.Vl.R.13-11-1991

HOOFDSTUK VIII. - Verlof voor vakbondsopdrachten

Art. 24.

De in artikel 1 bedoelde personeelsleden, aangewezen om een bij het syndicaal statuut bepaalde vakbondsopdracht te vervullen, zijn met verlof geplaatst overeenkomstig de bepalingen van het reglement houdende het syndicaal statuut.

HOOFDSTUK IX.

[...]

B.Vl.R.26-4-1990

[HOOFDSTUK X. - Slotbepalingen

Art. 29.

(voetnoot 5)

Voor de toepassing van artikel 9 van dit besluit, worden afwezigheden wegens ziekte of gebrekkigheid van voor 4 april 1967, voor ieder personeelslid, pas vanaf 1 januari 1958 samengeteld.

Art. 30.

De bepalingen van dit besluit hebben uitwerking op 4 april 1967.

Art. 31.

Onze Minister van de Franse Cultuur, Onze Minister van de Nederlandse Cultuur, Onze Minister van Nationale Opvoeding en Onze Minister-Staatssecretaris voor Nationale Opvoeding zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.]

K.B. nr. 72, 20-7-1982

- (1): Met ingang van 1/1/2003 niet meer van toepassing op de in art. 1 bedoelde personeelsleden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel. (B.Vl.R. 12-9-2003; Art. 4)

- (2): NOOT VAN DE REDACTIEVoor het hoger onderwijs gelden nog altijd de artikelen 9 en 9bis in de vorige lezing, zoals hierna volgt."Art. 9. Voor de ganse duur van zijn loopbaan, kan het in artikel 1 bedoeld personeelslid dat wegens ziekte of gebrekkigheid verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, tot dertig dagen ziekte- of gebrekkigheidsverlof per twaalf maanden dienstanciënniteit krijgen. Het personeelslid dat geen zesendertig maanden dienstactiviteit telt, kan evenwel negentig dagen verlof krijgen. Voor het personeelslid dat oorlogsinvalide is wordt dit aantal dagen onderscheidenlijk op vijfenveertig en honderdvijfendertig gebracht. Deze verloven worden met periodes van dienstactiviteit gelijkgesteld.[Art. 9bis. De dienstanciënniteit bedoeld in dit besluit wordt gevormd door : 1° de werkelijke diensten die het personeelslid, [[als stagedoende of als vastbenoemde,]] zonder vrijwillige onderbreking heeft gepresteerd, in een rijksonderwijsinrichting als titularis van een betrekking van één van de ambten van het administratief, het meesters-, vak- en dienstpersoneel met volledige of met onvolledige prestaties. [[Als overgangsbepaling komen de diensten gepresteerd als tijdelijk of contractueel aangesteld lid van het administratief personeel en van het meester-, vak- en dienstpersoneel eveneens in aanmerking wanneer het personeelslid voor of uiterlijk op 31 augustus 1987 ter beschikking was gesteld wegens ziekte.]](1) De werkelijke diensten in een betrekking met onvolledige prestaties worden geteld alsof ze gepresteerd waren in een betrekking met volledige prestaties. Niettemin, indien deze diensten gepresteerd werden in een betrekking die minder dan de helft bedroeg dan het minimumaantal uren om een betrekking met volledige prestaties te vormen, dan worden ze slechts aangerekend voor een anciënniteit gelijk aan de helft van hun duur; 2° de werkelijke diensten die het personeelslid [[als stagedoende of als vastbenoemde]] sedert 1 januari 1964 zonder vrijwillige onderbreking heeft gepresteerd in een ministerie als titularis van een betrekking met volledige prestaties. [[Als overgangsbepaling komen de diensten sedert 1 januari 1964 gepresteerd als tijdelijk of contractueel aangesteld lid van het administratief personeel en van het meester-, vak- en dienstpersoneel in een betrekking met volledige prestaties, eveneens in aanmerking wanneer het personeelslid vóór of uiterlijk op 31 augustus 1987 ter beschikking was gesteld wegens ziekte]](1); 3° de werkelijke diensten die het personeelslid sedert 1 januari 1964 [[als stagedoende of als vastbenoemde]] en zonder vrijwillige onderbreking heeft gepresteerd in een betrekking met volledige prestaties : - behorende tot een andere categorie van personeel van een rijksonderwijsinrichting dan deze bedoeld in 1° hierboven; - in een P.M.S.-centrum van de Staat; - in één of meer inrichtingen, centra, diensten of organismen van openbaar nut voorkomende onder de rubrieken A.2 en B van de lijst gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 september 1979 tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen. [[Als overgangsbepaling komen de diensten sedert 1 januari 1964 gepresteerd als tijdelijk of contractueel aangesteld lid van het administra-tief personeel en van het meester-, vak- en dienstpersoneel in een betrekking met volledige prestaties, eveneens in aanmerking wanneer het personeelslid vóór of uiterlijk op 31 augustus 1987 ter beschikking was gesteld wegens ziekte]](1)] (K.B. 16-12-1981 ; [[ ]] Decr. 21-12-1994)"(1) De toepassing van de voorgaande bepalingen mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden die tussen 1 september 1987 en 31 augustus 1994 ter beschikking wegens ziekte werden gesteld geldelijk nadeel ondervinden. (Decr. 21-12-1994; Art. 44, § 4)

- (3): Art. 9 t.e.m. 13 worden opgeheven voor de instellingen en de personeelsleden waarop B.Vl.R. 15-2-2008 van toepassing is (B.Vl.R. 15-2-2008; Art. 34)

- (4): Art. 14 t.e.m. 17 worden opgeheven voor de instellingen en de personeelsleden waarop B.Vl.R. 15-2-2008 van toepassing is (B.Vl.R. 15-2-2008; Art. 34)

- (5): Art. 29 wordt opgeheven voor de instellingen en de personeelsleden waarop B.Vl.R. 15-2-2008 van toepassing is (B.Vl.R. 15-2-2008; Art. 34)