Koninklijk besluit betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra.

  • goedkeuringsdatum
    12 AUGUSTUS 1991
  • publicatiedatum
    B.S.27/08/1991
  • zie ook
  • datum laatste wijziging
    22/07/2019

COORDINATIE

(1) K.B. van 20/08/1996 (B.S. 06/09/1996)

(2) K.B. van 08/08/1997 (B.S. 19/09/1997)

(3) K.B. van 04/06/1999 (B.S. 06/07/1999)

(4) K.B. van 15/06/2005 (B.S. 29/06/2005)

(5) K.B. van 20/07/2005 (B.S. 29/07/2005)

(6) K.B. van 07/06/2007 (B.S. 26/06/2007)

(7) K.B. van 04/03/2010 (B.S. 19/03/2010)

(8) K.B. van 28/12/2011 (B.S. 30/12/2011)

(9) K.B. van 20/07/2012 (B.S. 01/08/2012)

(10) K.B. van 25/08/2012 (B.S. 31/08/2012)

(11) K.B. van 03/09/2012 (B.S. 12/09/2012)

(12) K.B. van 20/09/2012 (B.S. 04/10/2012)

(13) K.B. van 14/04/2013 (B.S. 25/04/2013)

(14) K.B. van 12/07/2013 (B.S. 19/07/2013)

(15) K.B. van 12/05/2014 (B.S. 27/05/2014)

(16) K.B. van 09/07/2014 (B.S. 07/08/2014)

(17) K.B. van 19/12/2014 (B.S. 12/01/2015)

(18) B.Vl.R. van 26/07/2016 (B.S. 03/08/2016)

(19) K.B. van 23/05/2017 (B.S. 01/06/2017)

(20) K.B. van 27/04/2018 (B.S. 22/05/2018)

(21) K.B. van 06/12/2018 (B.S. 17/01/2019)

(22) K.B. van 18/07/2019 (B.S. 22/07/2019) detail
Koninklijk Besluit betreffende de cumulatie van onderbrekingsuitkeringen en de uitoefening van een bijkomende zelfstandige activiteit in geval van vermindering van de arbeidsprestaties
;

(23) K.B. van 18/07/2019 (B.S. 22/07/2019) detail
Koninklijk Besluit tot wijziging van sommige koninklijke besluiten betreffende de stelsels van onderbreking van de beroepsloopbaan en tijdskrediet inzake de terugvordering van onverschuldigde bedragen
;

(24) K.B. van 18/07/2019 (B.S. 22/07/2019) detail
Koninklijk Besluit tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de thematische verloven in de publieke sector
;

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, inzonderheid op artikel 7, gewijzigd bij de wetten van 14 juli 1951, 14 februari 1961, 16 april 1963, 11 januari 1967, 10 oktober 1967, de koninklijke besluiten nr. 13 van 11 oktober 1978 en nr. 28 van 24 maart 1982, en de wetten van 22 januari 1985 en 30 december 1988;

Gelet op de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, inzonderheid op de artikelen 99, gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1985 en bij het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986 en de artikelen 100, 102, 106bis en 107, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986;

Gelet op de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut van sociale zekerheid en sociale voorzorg, inzonderheid op artikel 15;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 19 juli 1991;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid gemotiveerd door het feit dat de scholen en de betrokken personeelsleden kennis dienen te kunnen nemen van de nieuwe maatregelen vóór het begin van het nieuwe schooljaar.

Op de voordracht van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.

[11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden van het onderwijs bedoeld in artikel 127, § 1, van de Grondwet, die onderworpen zijn aan een statuut en die hun loopbaan onderbreken op grond van de reglementaire bepalingen vastgelegd door de bevoegde Gemeenschap onder dewelke ze ressorteren en in zoverre de voorwaarden en de modaliteiten bepaald door deze Gemeenschap vervuld werden.

[14K.B. van 12/07/2013
B.S. 19/07/2013
De bepalingen van de artikelen 4ter, 4ter/1 en 4quater zijn eveneens van toepassing op de contractuele personeelsleden van het onderwijs.14K.B. van 12/07/2013
B.S. 19/07/2013
]

11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
]

Art. 2.

[1K.B. van 20/08/1996
B.S. 06/09/1996
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "de directeur" de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening in het ambtsgebied waarvan het personeelslid bedoeld in artikel 1 verblijft, of de door de Administrateur-generaal van deze Rijksdienst aangeduide ambtenaar.1K.B. van 20/08/1996
B.S. 06/09/1996
]

HOOFDSTUK II. - [3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
Onderbreking van de beroepsloopbaan3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
]

[3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
Afdeling 1. - Algemeen stelsel3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
]

Art. 3.

[18B.Vl.R. van 26/07/2016
B.S. 03/08/2016
...18B.Vl.R. van 26/07/2016
B.S. 03/08/2016
]

Art. 4.

[18B.Vl.R. van 26/07/2016
B.S. 03/08/2016
...18B.Vl.R. van 26/07/2016
B.S. 03/08/2016
]

[3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
Afdeling 2. - Specifieke stelsels3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
]

[2K.B. van 08/08/1997
B.S. 19/09/1997

Art. 4bis.

[3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999

De personeelsleden die op basis van de artikelen 100bis of 102bis van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen [11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
hun loopbaan volledig, met één vijfde of tot de helft van een voltijdse betrekking onderbreken11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
] hebben recht op de onderbrekingsuitkeringen bedoeld in artikel 4quinquies gedurende een maand eventueel verlengbaar met een maand. Voor de berekening van de termijnen van [10K.B. van 25/08/2012
B.S. 31/08/2012
60 maanden10K.B. van 25/08/2012
B.S. 31/08/2012
] voorzien bij artikel 3 en de termijn van één jaar voorzien bij artikel 4, § 6, wordt geen rekening gehouden met deze periodes. Deze personeelsleden dienen niet vervangen te worden.

3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
] 2K.B. van 08/08/1997
B.S. 19/09/1997
] [3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999

Art. 4ter.

[11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012

§ 1. Op voorwaarde dat de bevoegde Gemeenschap de mogelijkheid voorzien heeft en dat de voorwaarden en modaliteiten bepaald door deze Gemeenschap vervuld werden, kunnen de personeelsleden hun loopbaan volledig onderbreken op basis van artikel 100 van de voormelde wet van 22 januari 1985 of gedeeltelijk met een vijfde of tot de helft van een voltijdse betrekking onderbreken op basis van artikel 102 van dezelfde wet voor het verlenen van bijstand of verzorging aan een gezinslid of een familielid tot de tweede graad, dat lijdt aan een zware ziekte.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder gezinslid, elke persoon die samenwoont met het personeelslid en als familielid zowel de bloed- als de aanverwanten.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder zware ziekte verstaan, elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende arts als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de arts oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging noodzakelijk is voor het herstel.

Het bewijs van de reden van deze loopbaanonderbreking wordt geleverd door het personeelslid bij middel van een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van het zwaar ziek gezins- of familielid tot de tweede graad, waaruit blijkt dat het personeelslid bereid is bijstand of verzorging te verlenen aan de zwaar zieke persoon.

§ 2. De mogelijkheid om zijn loopbaan volledig te onderbreken om de in dit artikel aangehaalde reden is beperkt tot maximum 12 maanden per patiënt. De onderbrekingsperiodes kunnen enkel opgenomen worden met periodes van minimum één en maximum drie maanden, aaneensluitend of niet, tot de maximum termijn van 12 maanden bereikt is. Nochtans wordt de maximumperiode van 12 maanden per patiënt verminderd met de periodes van volledige loopbaanonderbreking die het personeelslid reeds genoten heeft voor dezelfde patiënt op basis van een andere wettekst of reglementaire tekst ter uitvoering van de voornoemde herstelwet van 22 januari 1985, die dezelfde mogelijkheid voorzag.

§ 3. De in dit artikel bedoelde mogelijkheid van gedeeltelijke loopbaanonderbreking is beperkt tot maximum 24 maanden per patiënt. De periodes van gedeeltelijke loopbaanonderbreking kunnen enkel opgenomen worden met periodes van minimum één maand tot maximum drie maanden, aaneensluitend of niet tot een maximum van 24 maanden bereikt is.

Nochtans wordt de maximumperiode van 24 maanden per patiënt verminderd met de periodes van gedeeltelijke loopbaanonderbreking die het personeelslid reeds genoten heeft voor dezelfde patiënt op basis van een andere wettekst of reglementaire tekst ter uitvoering van de voornoemde herstelwet van 22 januari 1985, die dezelfde mogelijkheid voorzag.

§ 4. Voor het personeelslid dat alleenstaand is, wordt, in geval van zware ziekte van zijn kind dat hoogstens 16 jaar oud is, de maximumperiode van volledige loopbaanonderbreking bedoeld in paragraaf 2 van dit artikel uitgebreid naar 24 maanden per patiënt en wordt de maximumperiode van gedeeltelijke loopbaanonderbreking bedoeld in paragraaf 3 van dit artikel uitgebreid naar 48 maanden per patiënt.

De periodes van volledige en gedeeltelijke loopbaanonderbreking kunnen enkel worden opgenomen met periodes van minimum één maand en maximum drie maanden, aaneensluitend of niet.

Onder alleenstaande in de zin van dit artikel wordt verstaan het personeelslid dat uitsluitend en effectief samenwoont met één of meerdere van zijn kinderen.

In geval van toepassing van deze paragraaf moet het personeelslid bovendien het bewijs leveren van de samenstelling van zijn gezin door middel van een attest dat wordt afgeleverd door de gemeentelijke overheid en waaruit blijkt dat het personeelslid op het moment van de aanvraag uitsluitend en effectief samenwoont met één of meerdere van zijn kinderen.

Voor iedere verlenging van een periode van volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking dient het personeelslid dezelfde procedure te volgen en de door dit artikel vereiste attest(en) in te dienen.

11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
] 3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
] [14K.B. van 12/07/2013
B.S. 19/07/2013

Art 4ter/1.

In afwijking van de duur van minimum één maand, zoals vermeld in artikel 4ter, kan het personeelslid voor de bijstand of de verzorging van een minderjarig kind, tijdens of vlak na de hospitalisatie van het kind als gevolg van een zware ziekte, zijn beroepsloopbaan volledig onderbreken voor een duur van één week, eventueel verlengbaar met één week.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder zware ziekte, elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de geneesheer oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of psychologische bijstand of verzorging noodzakelijk is.

De door het eerste lid geboden mogelijkheid staat open voor :

- het personeelslid dat ouder is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en ermee samenwoont;

- het personeelslid dat samenwoont met het zwaar zieke kind en belast is met de dagelijkse opvoeding.

Wanneer de in het derde lid bedoelde personeelsleden geen gebruik kunnen maken van de door het eerste lid geboden mogelijkheid, kunnen ook de volgende personeelsleden zich op die mogelijkheid beroepen :

- het personeelslid dat ouder is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en er niet mee samenwoont;

- of wanneer laatstgenoemd personeelslid in de onmogelijkheid verkeert dit verlof op te nemen, een familielid van het zwaar zieke kind tot de tweede graad.

De volledige onderbreking van de beroepsloopbaan kan genomen worden voor een periode die het mogelijk maakt de minimum duur van een maand te bereiken wanneer het personeelslid aansluitend op de in het eerste lid bedoelde volledige onderbreking zijn recht bedoeld in artikel 4ter wenst uit te oefenen voor hetzelfde zwaar zieke kind.

Het bewijs van de reden van deze loopbaanonderbreking wordt geleverd door het personeelslid bij middel van een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van het zwaar ziek kind, waaruit blijkt dat het personeelslid bereid is bijstand of verzorging te verlenen aan het zwaar ziek kind.

Het bewijs van hospitalisatie van het kind wordt geleverd door een attest van het betrokken ziekenhuis.

Wanneer de hospitalisatie van het kind onvoorzienbaar is, kan worden afgeweken van de termijn voor de aanvraag bij de overheid waaronder hij ressorteert. In dat geval bezorgt het personeelslid zo spoedig mogelijk een attest van de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind waaruit het onvoorzienbaar karakter van de hospitalisatie blijkt. Deze mogelijkheid geldt ook ingeval het verlof verlengd wordt met een week.]]6

14K.B. van 12/07/2013
B.S. 19/07/2013
] [24K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019

Art. 4ter/2.

§ 1. Dit artikel is van toepassing op voorwaarde dat de bevoegde Gemeenschap de mogelijkheid voorzien heeft en dat de voorwaarden en modaliteiten bepaald door deze Gemeenschap vervuld werden.

§ 2. In afwijking van artikel 4ter, § 2 en § 4, tweede lid, kan de minimumperiode van onderbreking mits akkoord van de overheid worden ingekort tot hetzij een week, hetzij twee weken, hetzij drie weken.

Wanneer het resterend gedeelte van de maximumperiode van onderbreking als bedoeld in artikel 4ter, § 2 en § 4, eerste lid, ingevolge de toepassing van het eerste lid, minder bedraagt dan de minimale onderbrekingsperiode van één maand, heeft het personeelslid het recht om dit saldo zonder akkoord van de overheid op te nemen.?

24K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019
] [3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999

Art. 4quater.

[9K.B. van 20/07/2012
B.S. 01/08/2012

De personeelsleden kunnen bij de geboorte of adoptie van een kind, in het kader van ouderschapsverlof :

- ofwel hun loopbaan volledig onderbreken op bassis van artikel 100 van de voormelde wet van 22 januari 1985 voor een periode van maximum vier maanden;

- ofwel hun arbeidsprestaties verminderen tot de helft van een voltijdse betrekking op basis van artikel 102 van dezelfde wet voor een periode van acht maanden;

- ofwel hun arbeidsprestaties verminderen met 1/5e van een voltijdse betrekking op basis van artikel 102 van dezelfde wet voor een periode van maximum twintig maanden.

[24K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019
- ofwel hun arbeidsprestaties verminderen met 1/10 van een voltijdse betrekking op basis van artikel 102 van dezelfde wet voor een periode van maximum veertig maanden.24K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019
]

Het recht op een onderbrekingsuitkering in hoofde van personeelsleden die de vierde maand of een ander gelijkwaardig regime opnemen wordt slechts toegekend voor kinderen geboren of geadopteerd vanaf 8 maart 2012.

9K.B. van 20/07/2012
B.S. 01/08/2012
] [13K.B. van 14/04/2013
B.S. 25/04/2013

Het personeelslid heeft recht op het ouderschapsverlof :

- naar aanleiding van de geboorte van zijn kind tot het kind twaalf jaar wordt;

- in het kader van de adoptie van een kind, gedurende een periode die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn verblijfplaats heeft, tot het kind twaalf jaar wordt.

Wanneer het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft, die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag [24K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019
of dat ten minste 9 punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag24K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019
] , wordt de leeftijdsgrens vastgesteld op 21 jaar.

Aan de voorwaarden van de twaalfde en de eenentwintigste verjaardag moet voldaan zijn uiterlijk gedurende de periode van het ouderschapsverlof.

13K.B. van 14/04/2013
B.S. 25/04/2013
]

Het personeelslid dat al genoten heeft van één of ander vorm van ouderschapsverlof voor het betrokken kind vooraleer hij een personeelslid geworden is in de zin van artikel 1, kan voor het zelfde kind niet meer genieten van de bepalingen van dit artikel.

3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
] [24K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019

Art. 4quater/1.

§ 1. In afwijking van artikel 4quater, eerste lid, eerste gedachtestreep, kan de periode van vier maanden, mits akkoord van de overheid, geheel of gedeeltelijk worden opgesplitst in periodes van een week of een veelvoud hiervan. Bij een opsplitsing in weken moet rekening worden gehouden met het principe dat vier maanden volledige onderbreking van de loopbaan gelijk is aan zestien weken volledige onderbreking van de loopbaan.

Het personeelslid heeft de mogelijkheid om bij het opnemen van zijn ouderschapsverlof gebruik te maken van de verschillende modaliteiten vermeld in het eerste lid en in artikel 4quater, eerste lid. Bij een wijziging van opnamevorm moet, na een gedeeltelijke opsplitsing in weken, rekening worden gehouden met het principe dat vier weken volledige onderbreking van de loopbaan gelijk is aan één maand volledige onderbreking van de loopbaan.

Wanneer ingevolge een gedeeltelijke opsplitsing in weken, het resterend gedeelte minder dan vier weken bedraagt, heeft het personeelslid het recht om dit saldo zonder akkoord van de overheid op te nemen.

§ 2. In afwijking van artikel 4quater, eerste lid, tweede gedachtestreep, kan de periode van acht maanden mits akkoord van de overheid geheel of gedeeltelijk worden opgesplitst in periodes van een maand of een veelvoud hiervan.

Wanneer ingevolge een gedeeltelijke opsplitsing in maanden, het resterend gedeelte een maand bedraagt, heeft het personeelslid het recht om dit saldo zonder akkoord van de overheid op te nemen.

§ 3. De overheid kan de uitoefening van het in paragraaf 1, eerste lid, of paragraaf 2, eerste lid, van dit artikel of in artikel 4quater, eerste lid, vierde gedachtestreep, bedoelde recht weigeren.

In dit geval dient de overheid zijn beslissing schriftelijk mee te delen aan het personeelslid die de onderbreking van de loopbaan als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, of paragraaf 2, eerste lid, of de onderbreking van de loopbaan als bedoeld in artikel 4quater, eerste lid, vierde gedachtestreep, heeft aangevraagd, binnen een maand na de schriftelijke mededeling waarbij het personeelslid de overheid informeert van zijn wens om zijn recht op onderbreking uit te oefenen.

24K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019
] [3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999

Art. 4quinquies.

[11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012

§ 1. Voor de personeelsleden die hun loopbaan volledig onderbreken krachtens de bepalingen van deze afdeling bedraagt het bedrag van de onderbrekingsuitkering 596,27 euro per maand indien het ambt dat onderbroken wordt een volledige opdracht omvat. Wanneer dit ambt geen volledige opdracht omvat wordt dit bedrag verminderd naar rato van de prestaties die onderbroken worden.

§ 2. [19K.B. van 23/05/2017
B.S. 01/06/2017
Voor de personeelsleden die hun beroepsloopbaan verminderen tot de helft van een voltijdse betrekking bedraagt het maandbedrag van de onderbrekings-uitkeringen een gedeelte van 596,27 euro, berekend volgens het aantal uren waarmee de opdracht verminderd wordt in verhouding tot het aantal uren van een volledige opdracht.

Voor het personeelslid dat de leeftijd van 50 jaar bereikt heeft, wordt het bedrag in het eerste lid vervangen door 803,83 euro.

19K.B. van 23/05/2017
B.S. 01/06/2017
]

§ 3. [19K.B. van 23/05/2017
B.S. 01/06/2017
Voor de personeelsleden die hun beroepsloopbaan verminderen met 1/5de van een voltijdse betrekking bedraagt het maandbedrag van de onderbrekings-uitkeringen een gedeelte van 596,27 euro, berekend volgens het aantal uren waarmee de opdracht verminderd wordt in verhouding tot het aantal uren van een volledige opdracht.

Voor het personeelslid dat uitsluitend samenwoont met één of meerdere kinderen die hij ten laste heeft, wordt het bedrag in het eerst lid vervangen door 680,05 euro.

Voor het personeelslid dat de leeftijd van 50 jaar bereikt heeft, wordt het bedrag in het eerste lid vervangen door 803,83 euro.

19K.B. van 23/05/2017
B.S. 01/06/2017
] [24K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019

§ 4. Voor de personeelsleden die hun beroepsloopbaan verminderen met 1/10 van een voltijdse betrekking bedraagt het maandbedrag van de onderbrekingsuitkeringen een gedeelte van 596,27 euro, berekend volgens het aantal uren waarmee de opdracht verminderd wordt in verhouding tot het aantal uren van een volledige opdracht.

Voor het personeelslid dat uitsluitend samenwoont met één of meerdere kinderen die hij ten laste heeft, wordt het bedrag in het eerste lid vervangen door 680,05 euro.

Voor het personeelslid dat de leeftijd van 50 jaar bereikt heeft, wordt het bedrag in het eerste lid vervangen door 803,83 euro.

§ 5. Als een personeelslid, op grond van een koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 105, § 1, vierde lid, 2o , van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, met de overheid overeenkomt het recht op een onderbreking van de beroepsloopbaan in het kader van ouderschapsverlof of voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid te verdelen in weken, is het bedrag van de uitkering van de wekelijkse onderbreking gelijk aan het maandbedrag gedeeld door 26 en vermenigvuldigd met het aantal dagen van het verlof.

24K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019
]

11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
] 3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
]

Art. 5.

[3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999

De onderbrekingsuitkeringen worden uitbetaald door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.

[11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
...11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
]

3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
]

Art. 6.

[3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999

§ 1. Onverminderd de onverenigbaarheden die voortvloeien uit het statuut dat op het personeelslid toepasselijk is, kunnen de onderbrekingsuitkeringen gecumuleerd worden met de inkomsten die voortvloeien ofwel uit het uitoefenen van een politiek mandaat, ofwel uit een bijkomende activiteit als loontrekkende, die reeds werd uitgoefend vóór de onderbreking van de loopbaan.

Deze bijkomende activiteit als loontrekkende moet reeds uitgeoefend geweest zijn gedurende ten minste de drie maanden die het begin van de volledig of gedeeltelijke loopbaanonderbreking voorafgaan.

In geval van volledige onderbreking kunnen de onderbrekingsuitkeringen eveneens gecumuleerd worden met de uitoefening van een zelfstandige activiteit, gedurende een periode van maximum 1 jaar. [17K.B. van 19/12/2014
B.S. 12/01/2015
[22K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019

De onderbrekingsuitkeringen kunnen ook gecumuleerd worden met de uitoefening van een bijkomende zelfstandige activiteit in geval van een vermindering van de arbeidsprestaties. In dat geval, in zoverre deze zelfstandige activiteit reeds uitgeoefend werd gedurende ten minste twaalf maanden die het begin van de vermindering van de arbeidsprestaties voorafgaan, wordt de cumulatie toegelaten gedurende een periode van maximum :

- vierentwintig maanden, in geval van vermindering met 1/2 van een voltijdse betrekking;

- zestig maanden, in geval van vermindering met 1/5 of 1/10 van een voltijdse betrekking.

22K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019
] [21K.B. van 06/12/2018
B.S. 17/01/2019

De onderbrekingsuitkeringen kunnen niet gecumuleerd worden met een pensioen, uitgezonderd:

a) met een overgangsuitkering overeenkomstig het Eerste Boek, Titel 1, Hoofdstuk II bis van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, Hoofdstuk II van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen of Hoofdstuk IV van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;

b) met een overlevingspensioen gedurende een eenmalige periode van maximaal 12 al dan niet opeenvolgende kalendermaanden.

21K.B. van 06/12/2018
B.S. 17/01/2019
] [21K.B. van 06/12/2018
B.S. 17/01/2019

De onder b) genoemde periode van 12 kalendermaanden wordt verminderd met het aantal maanden waarin:

- een vergoeding in de zin van artikel 64quinquies van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;

- een vergoeding in de zin van artikel 107quater van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;

- een vervangingsinkomen in de zin van artikel 76, 10° van de programmawet van 28 juni 2013,

gecumuleerd werd met het genot van een overlevingspensioen.

21K.B. van 06/12/2018
B.S. 17/01/2019
]

Worden voor de toepassing van deze bepaling als een pensioen aangemerkt de ouderdoms-, rust-, anciënniteits-, of overlevingspensioenen, en andere als dusdanig geldende voordelen, toegekend :

a) door of krachtens een Belgische of buitenlandse wet;

b) door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut.

17K.B. van 19/12/2014
B.S. 12/01/2015
]

De loopbaanonderbreking zonder uitkeringen kan wel worden toegekend aan rechthebbenden op een overlevingspensioen.

§ 2. Voor de toepassing van § 1 wordt beschouwd als bijkomende activiteit als loontrekkende, de activiteit in loondienst waarvan de tewerkstellingsbreuk niet groter is dan deze van de betrekking waarvan de uitvoering geschorst wordt of waarin de arbeidsprestaties verminderd worden.

Voor de toepassing van § 1 wordt als zelfstandige activiteit beschouwd, deze activiteit waardoor volgens de terzake geldende reglementering, de betrokken persoon verplicht is zich in te schrijven bij het Rijksinstituut voor Sociale Verzekering der Zelfstandigen.

3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
]

Art. 7.

[3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999

Het recht op onderbrekingsuitkeringen gaat verloren vanaf de dag dat het personeelslid dat een onderbrekingsuitkering geniet om het even welke bezoldigde activiteit aanvangt, een bestaande bijkomende activiteit uitbreidt [22K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019
of langer een zelfstandige activiteit uitoefent dan toegelaten op basis van artikel 6, § 1, derde of vierde lid22K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019
] .

De werknemer die toch een in het eerste lid bedoelde activiteit begint, dient vooraf de directeur hiervan op de hoogte te stellen, bij gebreke waarvan de reeds uitbetaalde onderbrekingsuitkeringen teruggevorderd worden.

3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
]

Art. 8.

[3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999

Het personeelslid wordt, voor de betwistingen die voortvloeien uit de uitoefening van de in artikelen 6 en 7 bedoelde activiteiten en voor de controle op deze activiteiten, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen.

Indien het personeelslid geen recht heeft op onderbrekingsuitkeringen als gevolg van een beslissing van de directeur of uit eigen wil afziet van deze uitkeringen, wordt hij niet beschouwd als zijnde in loopbaanonderbreking.

3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
]

Art. 9.

[3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999

De bevoegde Gemeenschap stelt de regels vast die van toepassing zijn voor het geval het personeelslid in loopbaanonderbreking zijn ambt opnieuw wenst op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen vooraleer de periode van loopbaanonderbreking verlopen is.

Bij toepassing van de bepalingen van het vorig lid dient de directeur binnen de vijftien dagen verwittigd te worden van de datum waarop het ambt terug wordt opgenomen of terug volledig uitgeoefend.

3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
]

Art. 10.

[4K.B. van 15/06/2005
B.S. 29/06/2005

Om te kunnen genieten van onderbrekingsuitkeringen dient het betrokken personeelslid over een woonplaats te beschikken in een land behorende tot de [6K.B. van 07/06/2007
B.S. 26/06/2007
Europese Economische Ruimte of in Zwitserland.6K.B. van 07/06/2007
B.S. 26/06/2007
]

[20K.B. van 27/04/2018
B.S. 22/05/2018
...20K.B. van 27/04/2018
B.S. 22/05/2018
]

De onderbrekingsuitkeringen worden echter slechts in België uitbetaald. De artikelen 161 en 162 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering zijn naar analogie van toepassing.

4K.B. van 15/06/2005
B.S. 29/06/2005
]

Art. 11.

[3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999

De ziekten of gebrekkigheden opgelopen tijdens de periode van loopbaanonderbreking, of het feit dat het personeelslid valt onder de toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 stellen geen einde aan de lopende onderbrekingsperiode, tenzij de bevoegde Gemeenschap er anders over beslist.

3K.B. van 04/06/1999
B.S. 06/07/1999
]

HOOFDSTUK III. - [11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
...11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
]

Art. 12 t.e.m. 15

[11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
...11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
]

HOOFDSTUK IV. - Aanvraag van de onderbrekingsuitkering en procedure

Art. 16.

§ 1. [20K.B. van 27/04/2018
B.S. 22/05/2018
De personeelsleden die hun loopbaan geheel of gedeeltelijk onderbreken dienen bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een aanvraag in voor het bekomen van de onderbrekingsuitkeringen. De aanvraag dient bij een ter post aangetekende brief te worden verzonden naar het adres van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat is vermeld op het aanvraagformulier bedoeld in § 2.20K.B. van 27/04/2018
B.S. 22/05/2018
]

§ 2. De aanvraag dient te gebeuren door middel van het formulier waarvan het model en de inhoud vastgesteld wordt door het beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening [20K.B. van 27/04/2018
B.S. 22/05/2018
...20K.B. van 27/04/2018
B.S. 22/05/2018
] .

De aanvraag omvat inzonderheid het eigenlijk aanvraagformulier, alsmede een attest afgeleverd door [1K.B. van 20/08/1996
B.S. 06/09/1996
de directeur1K.B. van 20/08/1996
B.S. 06/09/1996
] in wiens ambtsgebied de vervanger woont, waaruit blijkt dat de vervanger voldoet aan de voorwaarden vervat in artikel 12 of artikel 13, 2° tot 6° .

Ingeval de vervanger voldoet aan de voorwaarden vervat in artikel 13, 1° , dient een afschrift bijgevoegd van het aanstellingsbericht.

De aanvraagformulieren kunnen worden bekomen op [1K.B. van 20/08/1996
B.S. 06/09/1996
het werkloosheidsbureau1K.B. van 20/08/1996
B.S. 06/09/1996
] .

§ 3. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid bepaalt welke bewijsstukken de werknemer bij zijn aanvraag dient te voegen indien hij aanspraak maakt op de verhoogde uitkering voorzien in artikel 4, §§ 3 en 4.

[11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012

Art. 16bis.

[16K.B. van 09/07/2014
B.S. 07/08/2014
[20K.B. van 27/04/2018
B.S. 22/05/2018
Het recht op uitkeringen gaat in de dag aangeduid op de aanvraag om uitkeringen, wanneer alle nodige documenten, behoorlijk en volledig ingevuld, verzonden zijn naar het adres van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat is vermeld op het aanvraagformulier, binnen de termijn van twee maanden, die ingaat de dag na de dag aangeduid in de aanvraag, en berekend van datum tot datum.20K.B. van 27/04/2018
B.S. 22/05/2018
] Wanneer de documenten behoorlijk en volledig ingevuld ontvangen worden na die termijn, gaat het recht op uitkeringen slechts in de dag van de ontvangst ervan.16K.B. van 09/07/2014
B.S. 07/08/2014
]

11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
]

Art. 17.

[11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
...11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
]

Art. 18.

[1K.B. van 20/08/1996
B.S. 06/09/1996
De directeur1K.B. van 20/08/1996
B.S. 06/09/1996
] neemt alle beslissingen inzake toekenning of ontzegging van het recht op onderbrekingsuitkeringen na de nodige onderzoekingen en navorsingen te hebben verricht of laten verrichten. Hij noteert zijn beslissing op een onderbrekingsuitkeringskaart waarvan het model en de inhoud worden vastgesteld door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening. [1K.B. van 20/08/1996
B.S. 06/09/1996
De directeur1K.B. van 20/08/1996
B.S. 06/09/1996
] stuurt een exemplaar van deze onderbrekingsuitkeringskaart aan het personeelslid. Deze kaart wordt geacht toegekomen te zijn op de derde dag na de afgifte ervan ter post.

Art. 19.

[16K.B. van 09/07/2014
B.S. 07/08/2014

§ 1. Alvorens hij een beslissing tot uitsluiting of terugvordering van de uitkeringen neemt, roept de directeur het personeelslid op teneinde hem te horen. Het personeelslid moet evenwel niet worden opgeroepen om te worden gehoord in verband met zijn verweermiddelen :

1° wanneer de beslissing tot uitsluiting het gevolg is van een werkhervatting, een pensionering of een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, of van het feit dat het personeelslid de uitoefening van een zelfstandige activiteit voortzet, terwijl hij de uitoefening ervan reeds gedurende een jaar heeft gecumuleerd met het recht op onderbrekingsuitkeringen;

2° in geval van terugvordering ten gevolge van de toekenning van een uitkeringsbedrag dat niet overeenstemt met de bepalingen van de artikelen 4, en 4quinquies;

3° wanneer het personeelslid schriftelijk heeft meegedeeld dat hij niet wenst te worden gehoord.

Indien het personeelslid de dag van de oproeping verhinderd is, mag hij vragen dat het verhoor wordt verschoven naar een latere datum die niet later mag vallen dan vijftien dagen na de datum die voor het eerste verhoor was vastgesteld.

Behoudens gevallen van overmacht wordt slechts éénmalig uitstel verleend.

De aanvraag tot uitstel moet, behoudens in geval van overmacht, door het werkloosheidsbureau worden ontvangen uiterlijk de dag vóór de dag waarop het personeelslid wordt opgeroepen.

Het personeelslid kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat of door een vertegenwoordiger van een representatieve werknemersorganisatie.

De beslissing van de directeur, waarbij onrechtmatig ontvangen onderbrekingsuitkeringen worden teruggevorderd, wordt bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis van het betrokken personeelslid gebracht en dient te vermelden voor welke periode er wordt teruggevorderd alsook welk bedrag wordt teruggevorderd.

De directeur zendt een afschrift van deze beslissing aan de schooloverheid onder dewelke het personeelslid ressorteert.

Het personeelslid kan tegen de beslissingen van de directeur tot uitsluiting van het recht of tot terugvordering van de uitkeringen, op straffe van verval, binnen 3 maanden na de kennisgeving bij de bevoegde arbeidsrechtbank in beroep gaan.

§ 2. De bepalingen in § 1, eerste lid, zijn evenwel niet van toepassing, indien onderstaande voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :

1° de Rijksdienst heeft een niet toegelaten cumulatie vastgesteld met een bijkomende activiteit als loontrekkende in de zin van artikel 6;

2° het personeelslid werd schriftelijk in kennis gesteld van deze vaststelling en van de mogelijkheid om binnen de vijftien dagen na de afgifte ter post van de brief van de Rijksdienst schriftelijk verweer te laten geworden of schriftelijk te vragen om gehoord te worden.

Indien het personeelslid in toepassing van deze paragraaf, vraagt gehoord te worden, wordt toepassing gemaakt van § 1.

§ 3. De directeur kan afzien van de terugvordering wanneer:

- ofwel de onderbrekingsuitkeringen ten onrechte zijn uitbetaald ten gevolge van een juridische of materiële vergissing van het werkloosheidsbureau;

- ofwel het personeelslid die een vereiste aangifte niet heeft gedaan of deze laattijdig heeft gedaan, bewijst dat hij te goeder trouw heeft gehandeld en dat hij recht zou gehad hebben op uitkeringen indien hij tijdig zijn aangifte zou hebben gedaan

[23K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019
Wanneer het personeelslid evenwel bewijst dat hij te goeder trouw uitkeringen ontvangen heeft waarop hij geen recht had, wordt in elk geval de terugvordering beperkt tot de laatste honderdvijftig dagen van onverschuldigde toekenning. Deze beperking wordt niet in acht genomen in geval van cumulatie met een prestatie toegekend krachtens een regeling van sociale zekerheid.23K.B. van 18/07/2019
B.S. 22/07/2019
]

16K.B. van 09/07/2014
B.S. 07/08/2014
] [12K.B. van 20/09/2012
B.S. 04/10/2012

Art. 19/1.

Het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is gemachtigd om geheel of gedeeltelijk af te zien van de nog terug te betalen bedragen overeenkomstig de artikelen 171 tot en met 174, met uitzondering van artikel 173, 5o, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.

12K.B. van 20/09/2012
B.S. 04/10/2012
]

HOOFDSTUK V. - Toezicht

Art. 20.

Onverminderd de plichten van de officieren van de gerechtelijke politie, worden de personeelsleden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening aangewezen overeenkomstig artikel 22 van de wet van 14 februari 1961, van economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, belast met het toezicht op de bepalingen van dit besluit.

HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen

Art. 21.

[11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012

§ 1. De bedragen van de uitkeringen vermeld in onderhavig besluit, zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100). Deze bedragen worden verhoogd of verminderd overeenkomstig artikel 4 van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bedragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. De verhoging of de vermindering wordt toegepast vanaf de dag, bepaald in artikel 6, 3°, van voornoemde wet.

Het nieuwe bedrag wordt bekomen door het basisbedrag te vermenigvuldigen met een coëfficiënt gelijk aan 1,0200n, waarbij n overeenstemt met de rang van de bereikte spilindex, zonder dat een intermediaire afronding geschiedt. De spilindex volgend op deze vermeld in het eerste lid wordt als rang 1 beschouwd. De coëfficiënt wordt uitgedrukt in eenheden, gevolgd door 4 cijfers. Het vijfde cijfer na de komma wordt weggelaten en leidt tot een verhoging met één eenheid van het vorige cijfer indien het minstens 5 bereikt.

§ 2. Wanneer het overeenkomstig § 1 berekende bedrag van de uitkering, een gedeelte van een cent bevat, wordt het tot de hogere of lagere cent afgerond naargelang het gedeelte al dan niet 0,5 bereikt.

11K.B. van 03/09/2012
B.S. 12/09/2012
]

Art. 22.

Het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan in het onderwijs en de psycho-medisch sociale centra, wordt opgeheven.

Art. 23.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 1991.

Art. 24.

Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid is belast met de uitvoering van dit besluit.