Koninklijk besluit genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.

  • goedkeuringsdatum
    15 JANUARI 1974
  • publicatiedatum
    B.S.26/02/1974
  • datum laatste wijziging
    27/09/2016

COORDINATIE

K.B. 15-4-1977 - B.S. 4-5-1977

K.B. 30-3-1981 - B.S. 8-4-1981

K.B. nr. 69, 20-7-1982 - B.S. 29-7-1982

K.B. nr. 70, 20-7-1982 - B.S. 29-7-1982

K.B. 28-4-1983 - B.S. 7-7-1983

Arr. Nr. 23.479, 14-9-1983

Wet 31-7-1984 - B.S. 10-8-1984

K.B. 22-3-1985 - B.S. 6-6-1985

K.B. 27-3-1985 - B.S. 21-6-1985

Wet 1-8-1985 - B.S. 6-8-1985

K.B. 12-11-1986 - B.S. 10-1-1987

K.B. 13-1-1988 - B.S. 5-2-1988

K.B. 20-12-1988 - B.S. 30-12-1988

B.Vl.R. 26-4-1990 - B.S. 25-7-1990

B.Vl.R. 13-11-1991 - B.S. 18-1-1992

B.Vl.R. 19-12-1991 - B.S. 20-3-1992

B.Vl.R. 16-12-1992 - B.S. 7-4-1993

B.Vl.R. 22-7-1993 - B.S. 15-9-1993

B.Vl.R. 8-12-1993 - B.S. 23-3-1994

B.Vl.R. 9-11-1994 - B.S. 21-1-1995

B.Vl.R. 20-1-2006 - B.S. 4-4-2006

B.Vl.R. 31-3-2006 - B.S. 19-4-2006

B.Vl.R. 15-2-2008 - B.S. 10-4-2008

B.Vl.R. 3-7-2009 - B.S. 13-10-2009

B.Vl.R. 9-9-2011 - B.S. 24-10-2011

B.Vl.R. 9-9-2016 - B.S. 27-9-2016

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs;

Gelet op het koninklijk besluit van 22 maart 1969, tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;

Gelet op het advies van de Syndicale Raden van Advies;

Gelet op het advies van de paritaire commissie voor het statuut van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel van de rijksonderwijsinrichtingen en van de leden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen;

Gelet op de gecoördineerde wetten op de Raad van State, inzonderheid op artikel 3, eerste lid;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Op de voordracht van Onze Minister van Nationale Opvoeding, van Onze Minister van Nederlandse Cultuur en Vlaamse Aangelegenheden en van Onze Minister van Franse Cultuur en van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting.

HOOFDSTUK I. - Jaarlijks vakantieverlof

Artikel 1.

De in dienst zijnde vastbenoemde en stagedoende personeelsleden, onderworpen aan het koninklijk besluit van 22 maart 1969, tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, genieten een jaarlijks vakantieverlof dat als volgt wordt vastgesteld.

Paragraaf 1.

De leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, met uitzondering van de inrichtingshoofden, de provisors, de onderdirecteurs en de hoofdonderwijzers, genieten een jaarlijks vakantieverlof, vastgesteld als volgt :

a) Kerstvakantie : van 21 december tot 3 januari inbegrepen of van 22 december tot 4 januari inbegrepen of van 23 december tot 5 januari inbegrepen;

b) Paasvakantie : twee weken;

c) Zomervakantie : van 1 juli tot 31 augustus inbegrepen.

Paragraaf 2.

De inrichtingshoofden genieten een jaarlijks vakantieverlof, vastgesteld als volgt :

a) Kerstvakantie : van 21 december tot 3 januari inbegrepen of van 22 december tot 4 januari inbegrepen of van 23 december tot 5 januari inbegrepen;

b) Paasvakantie : twee weken;

c) Zomervakantie : van 6 juli tot 15 augustus.

Paragraaf 3.

De provisors, onderdirecteurs en hoofdonderwijzers genieten een jaarlijks vakantieverlof, vastgesteld als volgt :

a) Kerstvakantie : van 21 december tot 3 januari inbegrepen, of van 22 december tot 4 januari inbegrepen, of van 23 december tot 5 januari inbegrepen;

b) Paasvakantie : twee weken;

c) Zomervakantie : van 6 juli tot 25 augustus.

Paragraaf 4.

De leden van het opvoedend hulppersoneel genieten een jaarlijks vakantieverlof, vastgesteld als volgt :

a) Kerstvakantie : van 21 december tot 3 januari inbegrepen, of van 22 december tot 4 januari inbegrepen, of van 23 december tot 5 januari inbegrepen;

b) Paasvakantie : twee weken;

c) Zomervakantie : van 1 juli tot 25 augustus of van 6 juli tot 31 augustus.

In een inrichting met minstens twee leden van het opvoedend hulppersoneel is de ene helft van dat personeel met verlof van 1 juli tot 25 augustus en de andere helft van 6 juli tot 31 augustus.

Paragraaf 5.

De leden van het paramedisch personeel genieten een jaarlijks vakantieverlof, vastgesteld als volgt :

a) Kerstvakantie : van 21 december tot 3 januari inbegrepen, of van 22 december tot 4 januari inbegrepen, of van 23 december tot 5 januari inbegrepen;

b) Paasvakantie : twee weken;

c) Zomervakantie : van 1 juli tot 15 augustus.

Paragraaf 6.

Wanneer de zomervakantie vastgesteld is van 15 juli tot 15 september, worden de data hierboven vervangen zoals hierna wordt aangegeven :

Vakantie van 1 juli tot 31 augustus

Vakantie van 15 juli tot 15 september

1 juli

15 juli

6 juli

20 juli

15 augustus

1 september

25 augustus

10 september

31 augustus

15 september

Paragraaf 7.

In de land- en tuinbouwscholen, de scholen voor verpleegsters, de scholen voor het hotelbedrijf en in de internaten die gerechtskinderen herbergen, kunnen de inrichtingshoofden in april bijzondere maatregelen treffen, na advies van de in hun inrichting opgerichte personeelsraad en met de instemming van de Minister van Nationale Opvoeding.

Paragraaf 8.

De personeelsleden van de inspectiedienst genieten een jaarlijks vakantieverlof, vastgesteld als volgt :

a) Kerstvakantie : van 21 december tot 3 januari inbegrepen, of van 22 december tot 4 januari inbegrepen, of van 23 december tot 5 januari inbegrepen;

b) Paasvakantie : twee weken;

c) Zomervakantie : van 6 juli tot 15 augustus.

Art. 2.

Het jaarlijks vakantieverlof moet in elk geval een ononderbroken periode van ten minste dertig dagen omvatten tijdens de zomervakantie.

Art. 3.

[...]

B.Vl.R. van 9-9-2016

Art. 4.

Het jaarlijks vakantieverlof wordt vergoed en met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

HOOFDSTUK II. - Verlof voor persoonlijke omstandigheden of aangelegenheden

Art. 5.

[...]

B.Vl.R. van 3-7-2009

[Art. 5bis.

[[...]] ]

K.B. 15-4-1977; [[ ]] B.Vl.R. van 9-9-2011

Art. 6. t.e.m. 8.

[...]

B.Vl.R. van 22-7-1993

Art. 9.

Verlof kan door de Minister [of zijn gemachtigde] aan de in artikel één bedoelde personeelsleden toegestaan worden :

a) uit hoofde van dwingende redenen van familiaal belang, voor een periode van maximum één maand per jaar;

b) om een stage in een andere betrekking van de Staat, de provincies, de gemeenten, een daarmee gelijkgestelde openbare instelling, een officiële of een gesubsidieerde vrije school te vervullen, voor een duur die overeenstemt met de normale duur van de voorgeschreven stage;

c) om hun kandidatuur voor de wetgevende of provinciale verkiezingen voor te dragen, voor een periode die overeenstemt met de duur van de verkiezingscampagne waaraan de betrokkenen als kandidaat deelnemen.

K.B. van 13-1-1988

Deze verloven worden niet vergoed. Zij worden met periodes van dienstactiviteit gelijkgesteld.

De duur van de onder a, b en c, van dit artikel bedoelde verloven wordt echter niet in aanmerking genomen om de duur te vormen van de stage, bepaald in artikel 42 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969.

Art. 10.

Verlof kan door de Minister [of zijn gemachtigde] aan bovenbedoelde personeelsleden toegestaan worden :

a) om de cursussen bij te wonen van de school voor burgerlijke bescherming, hetzij als vrijwillige dienstnemer bij dit korps hetzij als niet tot dit korps behorende leerling;

b) om in vredestijd prestaties te verrichten bij het korps voor burgerlijke bescherming als vrijwillige dienstnemer bij dit korps.

K.B. van 13-1-1988

Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Het wordt bezoldigd.

De duur van het onder a en b van dit artikel bedoeld verlof wordt echter niet in aanmerking genomen om de duur te vormen van de stage, bepaald in artikel 42 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969.

Art. 11.

Aan bovenbedoelde personeelsleden kan verlof toegestaan worden om cursussen bij te wonen, om zich voor te bereiden op het afleggen van examens en om examens af te leggen voor een periode van ten hoogste dertig dagen per jaar.

Dit verlof wordt niet vergoed. Het wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

De duur van dat verlof wordt echter niet in aanmerking genomen om de duur te vormen van de stage, bepaald in artikel 42 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969.

Art. 12.

Aan bovenvermelde personeelsleden kan verlof toegestaan worden om de examens af te leggen, bepaald in het voormeld koninklijk besluit van 22 maart 1969, voor de dagen van de examens.

Dat verlof wordt vergoed. Het wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

Art. 13.

Voor zover zulks niet ingaat tegen het belang van de dienst kan verlof voor sociale promotie toegestaan worden aan de in artikel één bedoelde personeelsleden, die ten minste 16 en ten hoogste 26 jaar oud zijn, om hun in staat te stellen cursussen van intellectuele, morele en sociale vorming te volgen, die voldoen aan de vereisten bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 21 augustus 1970 betreffende de toekenning van verlof en van een vergoeding van sociale promotie aan sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel.

Dit verlof waarvan de duur niet meer dan vijf werkdagen per jaar mag bedragen, wordt vergoed en met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

De duur van dat verlof wordt echter niet in aanmerking genomen om de duur te vormen van de stage, bepaald in artikel 42, van voornoemd koninklijk besluit van 22 maart 1969.

HOOFDSTUK IIBIS.

[...]

B.Vl.R. van 9-11-1994

HOOFDSTUK III. - Verlof wegens ziekte of gebrekkigheid

(voetnoot 1)

Art. 14.

Het in artikel één bedoeld personeelslid, dat wegens ziekte of gebrekkigheid verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen kan, voor de ganse duur van zijn loopbaan, tot dertig dagen ziekte- of gebrekkigheidsverlof per twaalf maanden sociale anciënniteit krijgen. Het personeelslid dat geen zesendertig maanden sociale anciënniteit telt, kan niettemin negentig dagen verlof krijgen.

Voor het personeelslid dat oorlogsinvalide is wordt dit aantal dagen onderscheidenlijk op vijfenveertig en honderd vijfendertig gebracht.

Deze verloven worden met perioden van dienstactiviteit gelijkgesteld.

De duur van dat verlof wordt echter niet in aanmerking genomen om de duur te vormen van de stage, bepaald in artikel 42 van het voormeld koninklijk besluit van 22 maart 1969.

Art. 15.

In afwijking van artikel 14, wordt het ziekte- en gebrekkigheidsverlof toegestaan zonder tijdsbeperking naar aanleiding van :

a) een arbeidsongeval;

b) een ongeval op de weg van en naar het werk;

c) een beroepsziekte.

De in deze drie gevallen toegestane verlofdagen komen niet in aanmerking om het aantal verlofdagen te bepalen dat het personeelslid krachtens artikel 14 kan genieten.

Onder arbeidsongeval moet worden verstaan, het ongeval dat zich in de loop en door de uitoefening van het opgedragen ambt heeft voorgedaan.

Onder ongeval op de weg van en naar het werk moet worden verstaan, het ongeval dat zich heeft voorgedaan onder de voorwaarden vereist opdat het als zodanig kan worden aangemerkt in de zin van de wetgeving op het herstel van de schade veroorzaakt door ongevallen die zich hebben voorgedaan op de weg van en naar het werk.

Onder beroepsziekten moet worden verstaan, de door Ons als dusdanig erkende ziekten.

Art. 16.

Het wegens ziekte of gebrekkigheid afwezige personeelslid staat onder het geneeskundig toezicht van [het door de Vlaamse minister van Onderwijs aangeduide controle-organisme].

B.Vl.R. van 8-12-1993

Art. 17.

Het personeelslid kan niet definitief ongeschikt worden verklaard wegens ziekte of gebrekkigheid alvorens hij de gezamenlijke verloven heeft opgebruikt waarop hij krachtens artikel 14 voor het geheel van zijn loopbaan recht heeft.

Art. 18.

Is de afwezigheid te wijten aan een ongeval veroorzaakt door de schuld van een derde, dan ontvangt het personeelslid zijn activiteitswedde op voorwaarde dat hij de Staat, bij iedere betaling, ten bedrage van de door de Staat gestorte som in zijn rechten doet treden tegen hem die het ongeval heeft veroorzaakt.

De verlofdagen die als dusdanig door een vergoeding van een derde aan de Staat zijn gedekt, komen niet in aanmerking om het aantal verlofdagen te bepalen dat het personeelslid krachtens artikel 14 kan genieten.

HOOFDSTUK IV. - Verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid

(voetnoot 2)

Art. 19.

Het wegens ziekte of gebrekkigheid afwezige personeelslid kan zijn ambt opnieuw opnemen met halvedagprestaties wanneer hij hierom verzoekt, wanneer hij een attest van zijn geneesheer tot staving van zijn verzoek overlegt en wanneer [het door de Vlaamse minister van Onderwijs aangeduide controle-organisme] oordeelt dat de lichaamstoestand van de betrokkene het mogelijk maakt.

B.Vl.R. van 8-12-1993

Art. 20.

Acht [het door de Vlaamse minister van Onderwijs aangeduide controle-organisme] een wegens ziekte of gebrekkigheid afwezig personeelslid geschikt om zijn ambt weder op te nemen met halvedagprestaties dan geeft hij daarvan kennis aan de Minister.

B.Vl.R. van 8-12-1993

De Minister [of zijn gemachtigde] roept het personeelslid opnieuw in dienst en staat hem toe die verminderde prestaties te verrichten. Het personeelslid dat een dergelijke toestemming gekregen heeft is ertoe gehouden elke week de helft van de duur van de volledige prestaties die normaal voor het door hem uitgeoefende ambt bepaald zijn, te volbrengen.

K.B. van 13-1-1988

Die beslissing van de Minister [of zijn gemachtigde] mag niet worden genomen voor een periode van meer dan dertig kalenderdagen. Nochtans mogen voor ten hoogste dezelfde periode verlengingen worden toegestaan wanneer de administratieve gezondheidsdienst bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de lichaamstoestand van het personeelslid het rechtvaardigt.

K.B. van 13-1-1988

Art. 21.

In een periode van tien jaar dienstactiviteit mag het personeelslid zijn ambt in totaal niet meer dan negentig dagen lang in halvedagprestaties uitoefenen.

Art. 22.

Gedurende de verminderde prestaties die het personeelslid volbrengt bij toepassing van de artikelen 19 en 21 van dit besluit worden zijn afwezigheidsperiodes beschouwd als verlof gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Art. 20.

Acht [het door de Vlaamse minister van Onderwijs aangeduide controle-organisme] een wegens ziekte of gebrekkigheid afwezig personeelslid geschikt om zijn ambt weder op te nemen met halvedagprestaties dan geeft hij daarvan kennis aan de Minister.

B.Vl.R. van 8-12-1993

De Minister [of zijn gemachtigde] roept het personeelslid opnieuw in dienst en staat hem toe die verminderde prestaties te verrichten. Het personeelslid dat een dergelijke toestemming gekregen heeft is ertoe gehouden elke week de helft van de duur van de volledige prestaties die normaal voor het door hem uitgeoefende ambt bepaald zijn, te volbrengen.

K.B. van 13-1-1988

Die beslissing van de Minister [of zijn gemachtigde] mag niet worden genomen voor een periode van meer dan dertig kalenderdagen. Nochtans mogen voor ten hoogste dezelfde periode verlengingen worden toegestaan wanneer de administratieve gezondheidsdienst bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de lichaamstoestand van het personeelslid het rechtvaardigt.

K.B. van 13-1-1988

HOOFDSTUK V.

[...]

B.Vl.R. van 26-4-1990

HOOFDSTUK VI. - Verlof voor het vervullen van sommige militaire prestaties in vredestijd

Art. 27.

De in artikel één bedoelde personeelsleden zijn van ambtswege met verlof, met recht op wedde :

a) gedurende de fracties van kalendermaanden tijdens dewelke ze in vredestijd, in het Belgisch leger, militaire prestaties van welke aard ook vervullen, hetzij diensten bij de burgerlijke bescherming, in toepassing van artikel 18 van de wet van 3 juni 1964, houdende statuut van de gewetensbezwaarden;

b) gedurende de periode waarin zij bij de strijdkrachten of bij de burgerlijke bescherming gewone of spoedwederoproepingen vervullen.

De duur van de onder a en b van dit artikel bedoelde verloven wordt echter niet in aanmerking genomen om de duur te vormen van de stage, bepaald in artikel 42 van voormeld koninklijk besluit van 22 maart 1969.

HOOFDSTUK VII.

[...]

B.Vl.R. van 13-11-1991

HOOFDSTUK VIII. - Verlof voor vakbondsopdrachten

Art. 29.

De in artikel 1 bedoelde personeelsleden, die aangeduid worden om een vakbondsopdracht uit te oefenen, zoals bepaald in het vakbondsstatuut, worden met verlof gestuurd overeenkomstig de bepalingen van het reglement houdende het vakbondsstatuut.

De duur van dat verlof wordt echter niet in aanmerking genomen om de duur te vormen van de stage, bepaald in artikel 42, van voornoemd koninklijk besluit van 22 maart 1969. [...]

Arr. Nr. 23.479, van 14-9-1983

HOOFDSTUK IX.

[...]

B.Vl.R. van 26-4-1990

[HOOFDSTUK X. - Verlof wegens opdracht

Art. 33.

De in artikel 1 bedoelde personeelsleden worden met verlof wegens opdracht gestuurd, voor een periode van ten hoogste twee jaar, om regelmatig en doorlopend een opdracht te vervullen die hun door de Minister van Onderwijs wordt toevertrouwd in het belang van het Rijksonderwijs.

Art. 34.

Het verlof wegens opdracht is vernieuwbaar voor [[...]] perioden van ten hoogste twee jaar. [[...]]

Art. 35.

De verloven wegens opdracht worden bezoldigd en met perioden van dienstactiviteit gelijkgesteld.

De duur van die verloven wordt echter niet in aanmerking genomen om de duur te vormen van de stage, bepaald in artikel 42 van voornoemd koninklijk besluit van 22 maart 1969.

Art. 36.

De in artikel 1 bedoelde vastbenoemde personeelsleden kunnen met verlof worden gestuurd voor een halve prestatie, voor een periode van maximum twee jaar.

Het verlof wegens opdracht voor een halve prestatie is vernieuwbaar voor [[...]] perioden van ten hoogste twee jaar. [[...]]

Art. 37.

De verloven wegens opdracht voor een halve prestatie worden bezoldigd en met perioden van dienstactiviteit gelijkgesteld.

Art. 38.

[[...]] ]

K.B. 27-3-1985; [[ ]] K.B. van 20-12-1988

[HOOFDSTUK XI. - Verlof om van het Kabinet van de Koning deel uit te maken

Art. 39.

De duur van het verlof, toegekend aan de in artikel 1 bedoelde personeelsleden, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 november 1980 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde rijksambtenaren die ter beschikking van de Koning worden gesteld, wordt niet in aanmerking genomen om de duur te vormen van de stage bepaald in artikel 42 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969.]

K.B. van 27-3-1985

[HOOFDSTUK XII.

[[...]] ]

K.B. 27-3-1985; [[ ]] B.Vl.R. van 19-12-1991

HOOFDSTUK [XIII]. - Slotbepalingen

(voetnoot 3)

K.B. van 27-3-1985

Art. [41].

Voor de toepassing van artikel 14.

K.B. van 27-3-1985

1 [worden de sociale anciënniteit verworven in een hoofdambt in het onderwijs met volledig leerplan, de anciënniteit verworven in een bijbetrekking in het onderwijs met volledig leerplan en die verworven in een betrekking in het onderwijs voor sociale promotie, afzonderlijk berekend.]

K.B. van 28-4-1983

2 [stemt de sociale anciënniteit verworven in een hoofdambt in het onderwijs met volledig leerplan, het voltijds onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs voor elk betrokken personeelslid overeen met zijn weddeanciënniteit, vastgesteld op basis van de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, mits echter, in voorkomend geval, volgende aanpassingen :

1. de diensten in aanmerking te nemen die eventueel door het betrokken personeelslid gepresteerd werden vóór de leeftijd vermeld in de klasse van zijn weddeschaal, voor zover deze diensten voldoen aan de vereisten gesteld in het koninklijk besluit van 15 april 1958, de klasse van de weddeschaal uitgezonderd,

2. geen rekening te houden met de eventuele tijd, die als in aanmerking komende dienst geldt op grond van artikel 17 van het koninklijk besluit van 15 april 1958.]

B.Vl.R. van 16-12-1992

3 [stemt de sociale anciënniteit verworven in een bijbetrekking in het onderwijs met volledig leerplan, overeen met de duur van de werkelijke diensten verstrekt in een bijbetrekking in :

- een school met volledig leerplan van de Staat, van de kolonie, van een provincie, van een gemeente, van een aan een provincie of een gemeente ondergeschikt bestuur, door de Staat of door de kolonie gesubsidieerd of geïnspecteerd;

- een door een privaat persoon tot stand gebrachte inrichting voor middelbaar onderwijs, welke bij het einde van het schooljaar waarin de diensten werden verstrekt, behoorlijk gehomologeerde of aanvaarde eindgetuigschriften van volledig middelbaar onderwijs heeft uitgereikt, ofwel aanvullende getuigschriften die betrekking hebben op de drie jaren middelbare studiën van de lagere graad, en die de nodige waarborgen bieden met het oog op latere homologatie of aanvaarding van de eindgetuigschriften van volledig middelbaar onderwijs, vóór 1 januari 1951;

- een door een privaat persoon tot stand gebrachte inrichting voor normaalonderwijs voor kleuteronderwijzeressen of voor middelbaar normaalonderwijs, welke bij het einde van het schooljaar waarin de diensten werden verstrekt, diploma's uitgereikt heeft onder het toezicht van een door de Staat samengestelde examencommissie, vóór 1 september 1952.]

K.B. van 28-4-1983

4 [stemt de sociale anciënniteit verworven in een betrekking in het onderwijs voor sociale promotie, overeen met de duur van de werkelijke diensten verstrekt in :

- een leergang met beperkt leerplan of een leergang voor sociale promotie van de Staat, van de kolonie, van een provincie, van een gemeente, van een aan een provincie of gemeente onderschikt bestuur, door de Staat of door de kolonie gesubsidieerd of geïnspecteerd.]

K.B. van 28-4-1983

5 worden de afwezigheden wegens ziekte of gebrekkigheid vóór de inwerkingtreding van dit besluit voor elk personeelslid eerst van 1 januari 1958 af samengeteld. Het langdurig verlof, toegestaan tussen 1 januari 1958 en 1 juli 1968 krachtens artikel 3, derde en vierde lid van het koninklijk besluit van 30 december 1959 betreffende de ziekte- en bevallingsverloven der leden van het personeel van het Rijksonderwijs, wordt echter niet meegeteld.

6 [indien een personeelslid nu eens een hoofdambt dan weer een bijbetrekking in het onderwijs met volledig leerplan uitoefent, worden de in beide betrekkingen verworven sociale anciënniteiten samengeteld, om het aantal bezoldigde verlofdagen wegens ziekte of gebrekkigheid te bepalen, waarop het personeelslid aanspraak kan maken in de betrekking die hij uitoefent op het ogenblik dat het wegens ziekte of gebrekkigheid verhinderd wordt zijn ambt normaal uit te oefenen.]

K.B. van 28-4-1983

7 [indien een inrichting voor onderwijs met volledig leerplan tot inrichting voor onderwijs voor sociale promotie omgevormd wordt, en omgekeerd, wordt de sociale anciënniteit die vóór de omvorming van de inrichting door het personeelslid, titularis van éénzelfde ambt, verworven is, met de na de omvorming van de inrichting verworven sociale anciënniteit samengeteld, om het aantal bezoldigde verlofdagen wegens ziekte of gebrekkigheid te bepalen, waarop het personeelslid aanspraak kan maken, op het ogenblik dat het wegens ziekte of gebrekkigheid verhinderd wordt zijn ambt normaal uit te oefenen.]

K.B. van 28-4-1983

Art. [42].

Voor de berekening van de werkelijke diensten die in aanmerking komen om de sociale anciënniteit te vormen :

K.B. van 27-3-1985

a) worden de werkelijke diensten, verstrekt als tijdelijke in een ambt met volledige prestaties, meegeteld voor een anciënniteit gelijk aan het aantal dagen gerekend vanaf het begin tot het einde van de verstrekte diensten, de ontspannings- en de Kerst- en Paasvakanties inbegrepen indien ze in de ononderbroken activiteitsperiode vallen; dat aantal dagen wordt vermenigvuldigd met 1,2;

b) worden de werkelijke diensten verstrekt in een andere hoedanigheid dan tijdelijk personeelslid in een ambt met volledige prestaties berekend per kalendermaand, die welke geen volle maand bedragen, worden niet meegeteld.

De in aanmerking komende diensten verstrekt gedurende de maand waarin het personeelslid voor het eerst is aangesteld in een andere hoedanigheid dan die van tijdelijke, worden als tijdelijke diensten beschouwd;

c) [worden de werkelijke diensten verstrekt in een ambt met onvolledige prestaties berekend, alsof ze in een ambt met volledige prestaties verstrekt waren. Indien ze echter verstrekt zijn in een ambt met minder dan de helft van het minimum aantal uren prestaties dat voor het ambt met volledige prestaties bepaald is, worden ze slechts meegeteld voor een anciënniteit gelijk aan de helft van de duur ervan;]

K.B. van 28-4-1983

d) vormen dertig dagen een maand;

e) mag de duur van de diensten verstrekt in twee of verschillende gelijktijdig uitgeoefende ambten met volledige of onvolledige prestaties, de duur nooit overschrijden van de diensten verstrekt in een gedurende dezelfde periode uitgeoefend ambt met volledige prestaties;

f) mag de duur van de in aanmerking komende diensten welke dat personeelslid heeft nooit meer bedragen dan twaalf maanden voor een kalenderjaar.

Art. [43].

Onverminderd de eventuele oplegging van een tuchtstraf of het nemen van een administratieve maatregel, verliest het personeelslid dat zonder machtiging afwezig blijft of dat zonder geldige reden de termijn van het verlof, zoals het bij dit besluit wordt vastgesteld, overschrijdt, zijn recht op wedde voor de duur van die afwezigheid. Het behoudt echter zijn recht op bevordering tot een hogere wedde.

Gedurende die afwezigheid kan het geen aanspraak maken op een benoeming tot een selectieambt, noch op een benoeming tot een bevorderingsambt.

K.B. van 27-3-1985

Art. [44].

Opgeheven worden :

1° het koninklijk besluit van 17 september 1954 betreffende de buitengewone verlofdagen der personeelsleden van sommige rijksonderwijsinrichtingen, zoals het gewijzigd werd;

2° het koninklijk besluit van 8 januari 1965 tot vaststelling van de administratieve en geldelijke toestand der leden van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur die hun dienstplicht vervullen in vredestijd, wat betreft de in dit besluit bedoelde personeelsleden;

3° het koninklijk besluit van 20 mei 1968 betreffende de verloven wegens ziekte, bevalling, borstvoeding en voor verminderde prestaties wegens ziekte of gebrekkigheid van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel en het paramedisch personeel der rijksonderwijsinrichtingen en van de personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen;

4° alle vroegere bepalingen die strijdig zijn met dit besluit.

K.B. van 27-3-1985

Art. [45].

Dit besluit treedt in werking de eerste van de maand volgende op de datum van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

K.B. van 27-3-1985

Art. [46].

Onze Ministers van Nationale Opvoeding, onze Minister van Nederlandse Cultuur en Vlaamse Aangelegenheden en Onze Minister van Franse Cultuur zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

K.B. van 27-3-1985

- (1): Art. 14 t.e.m. 18 worden opgeheven voor de instellingen en de personeelsleden waarop B.Vl.R. 15-2-2008 van toepassing is (B.Vl.R. 15-2-2008; Art. 36)

- (2): Art. 19 t.e.m. 22 worden opgeheven voor de instellingen en de personeelsleden waarop B.Vl.R. 15-2-2008 van toepassing is (B.Vl.R. 15-2-2008; Art. 36)

- (3): Art. 41 en 42 worden opgeheven voor de instellingen en de personeelsleden waarop B.Vl.R. 15-2-2008 van toepassing is (B.Vl.R. 15-2-2008; Art. 36)