Besluit van de Vlaamse regering betreffende de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra.

  • goedkeuringsdatum
    20 APRIL 1994
  • publicatiedatum
    B.S.14/07/1994
  • datum laatste wijziging
    01/09/2010

COORDINATIE

Decr. 8-7-1996 - B.S. 5-9-1996

B.Vl.R. 11-2-2000 - B.S. 12-4-2000

B.Vl.R. 22-2-2002 - B.S. 12-6-2002

Decr. 18-12-2009 - B.S. 30-12-2009

De Vlaamse regering,

Gelet op de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, inzonderheid op artikel 12bis, § 3, b), ingevoegd bij de wet van 11 juli 1973 en gewijzigd bij het decreet van 5 juli 1989;

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, inzonderheid op de artikelen 82, eerste lid, f) en 84, eerste lid, a), gewijzigd bij het decreet van 28 april 1993;

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, inzonderheid op de artikelen 56, eerste lid, f) en 58, eerste lid, a), gewijzigd bij het decreet van 28 april 1993;

Gelet op het protocol van 23 december 1993 houdende de conclusies van de onderhandelingen gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X en van onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor begroting, gegeven op 2 december 1993;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken;

Na beraadslaging,

Besluit :

Artikel 1.

[Dit besluit is van toepassing op :

1° de personeelsleden die onderworpen zijn aan het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° de personeelsleden die onderworpen zijn aan het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, voor zover ze behoren tot een van de onderstaande categorieën :

a) bestuurs- en onderwijzend personeel, met inbegrip van de godsdienstleerkrachten;

b) opvoedend hulppersoneel;

c) paramedisch personeel;

d) medisch personeel;

e) sociaal personeel;

f) psychologisch personeel;

g) orthopedagogisch personeel;

h) technisch personeel;

i) administratief personeel;

j) ondersteunend personeel.]

B.Vl.R. van 11-2-2000

Art. 2.

[De personeelsleden, genoemd in artikel 1, kunnen een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgen, als zij :

1° vast benoemd zijn;

2° de leeftijd van vijfenvijftig jaar hebben bereikt;

3° ten minste twintig dienstjaren tellen die in aanmerking komen voor de opening van het recht op een rustpensioen ten laste van de Schatkist;

4° hun ambt uitoefenen als hoofdambt;

5° zich ertoe verbinden op de eerste van de maand volgend op hun zestigste verjaardag met pensioen te gaan;

6° geen aanspraak kunnen maken op een rustpensioen ten laste van de Schatkist.]

B.Vl.R. van 11-2-2000

Daarenboven moeten de personeelsleden die een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgen bij de aanvang van deze terbeschikkingstelling, voor een overeenstemmend volume van de opdracht die ze niet meer uitoefenen, worden vervangen overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage door een personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens volledige of gedeeltelijke ontstentenis van betrekking en nog niet werd gereaffecteerd of wedertewerkgesteld. Dit personeelslid wordt beschouwd als zijnde gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in de zin van voormeld besluit.

In afwijking van titel IV van voormeld besluit van 29 april 1992 kan een personeelslid dat door een inrichtende macht geheel of gedeeltelijk ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en dat gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is in een andere instelling van dezelfde inrichtende macht of van een andere inrichtende macht, niet terug in dienst treden bij de instelling waarvan het ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking op de datum van de aanvang van een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen van een personeelslid van dezelfde instelling. Op het personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking bij de betrokken instelling moet echter terug een beroep gedaan worden met ingang van het schooljaar volgend op de datum van de aanvang van de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen.

De voorgaande voorwaarde inzake vervanging geldt niet voor het personeelslid dat de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt op het ogenblik dat het ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking.

Art. 3.

Het personeelslid dat een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt, moet titularis blijven van of, in het geval van terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, beschikbaar blijven voor een betrekking die de helft bedraagt van de omvang van de volledige prestaties die normaal voor het door hem uitgeoefende ambt bepaald is. De nog te verrichten prestaties moeten eventueel steeds worden afgerond naar de hogere eenheid, naar gelang van het geval, tot een volledig lesuur of tot een volledig uur.

Indien het personeelslid dat een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt, ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking, worden voor de eerstvermelde deeltijdse terbeschikkingstelling eerst die uren in aanmerking genomen waarvoor het ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking.

Art. 4.

§ 1. De deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen is onherroepelijk.

§ 2. Ze kan door de inrichtende macht aan het personeelslid op zijn verzoek worden toegekend tot het einde van de maand waarin het de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt. Wanneer de aanvraag niet wordt ingewilligd, wordt de beslissing omstandig en schriftelijk gemotiveerd.

§ 3. Na de maand waarin de leeftijd van zestig jaar is bereikt, wordt geen wedde of weddetoelage en geen wachtgeld of wachtgeldtoelage meer verleend.

§ 4. Het personeelslid dat een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt, kan de eerste van elke maand overgaan naar een volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen.

Art. 5.

Het personeelslid dat een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen krijgt, geniet :

- de wedde of weddetoelage verbonden aan de opdracht die nog werkelijk uitgeoefend wordt of, in geval van terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking al naar gelang van het geval het wachtgeld of de wachtgeldtoelage, de wedde of de weddetoelage, verbonden aan de opdracht waarvoor het verder ter beschikking gesteld blijft wegens ontstentenis van betrekking;

- een wachtgeld of wachtgeldtoelage voor het gedeelte van de opdracht waarvoor de deeltijdse terbeschikking-stelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen verleend wordt.

Art. 6.

Het bedrag van het wachtgeld of van de wachtgeldtoelage bij deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen wordt vastgesteld op 60 % van de laatste activiteitswedde of de laatste activiteitsweddetoelage verbonden aan het gedeelte van de opdracht waarvoor de terbeschikkingstelling wordt verleend.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor het personeelslid dat overgaat van

- een verlof of afwezigheid voor verminderde prestaties;

- een volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking;

- een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking,

naar een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, als laatste activiteitsweddetoelage beschouwd, de wedde of weddetoelage die het personeelslid zou hebben genoten indien het zijn prestaties voorafgaand aan bovenvermelde periode van :

- verlof of afwezigheid voor verminderde prestaties;

- volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking;

- terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking,

tot op de vooravond van de deeltijdse terbeschikkingstelling verder zou hebben uitgeoefend.

Voor de toepassing van hetzelfde lid worden als prestaties beschouwd die waarvoor het personeelslid vast benoemd is [...].

B.Vl.R. van 11-2-2000

Het bedrag van voormeld wachtgeld of voormelde wachtgeldtoelage schommelt met het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de regelen voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982. Het bedrag wordt aan het spilindexcijfer 138,01 gekoppeld. Het bedrag zal, in voorkomend geval, worden aangepast overeenkomstig de intersectorale akkoorden van sociale programmatie en de akkoorden van sectorale sociale programmatie.

Het bedrag van voormeld wachtgeld of voormelde wachtgeldtoelage zal echter niet worden aangepast rekening houdend met de weddetrappen die het resultaat zijn van de periodieke verhogingen binnen de weddeschaal, indien het personeelslid op het ogenblik van de terbeschikkingstelling niet het maximum van de weddeschaal heeft bereikt.

Art. 7.

§ 1. Gedurende de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, mag het personeelslid, naast zijn onderwijsopdracht zoals bedoeld in artikel 3, in het onderwijs geen andere opdracht uitoefenen.

§ 2. Buiten het onderwijs mag het betrokken personeelslid geen andere winstgevende activiteit uitoefenen dan die welke, bij toepassing van de reglementering inzake cumulatie van een rustpensioen met een beroepsactiviteit, toegestaan is.

§ 3. In afwijking van § 1 mag het personeelslid de onderwijsopdracht die het op de dag voor de ingangsdatum van de deeltijdse terbeschikkingstelling, als bijbetrekking in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan uitoefende, verder blijven uitoefenen als bijbetrekking.

Art. 8.

De deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen vangt aan op 1 januari of 1 april. De aanvraag moet worden ingediend drie maanden voor de aanvangsdatum.

[Voor de personeelsleden vermeld in artikel 1 die tewerkgesteld zijn in instellingen van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra, kan de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen ook aanvangen op de eerste dag van de maand volgend op de ingangsdatum van de reaffectaties en wedertewerkstellingen door de interprovinciale reaffectatiecommissie. De aanvraag voor de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, die op deze datum van het jaar 1996 een aanvang neemt, wordt uiterlijk op 31 augustus 1996 ingediend.]

Decr. van 8-7-1996

Voor de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen die een aanvang neemt op 1 januari 1994 en op 1 april 1994, moet de aanvraag uiterlijk op respectievelijk 31 december 1993 en 1 februari 1994 worden ingediend.

Art. 9.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 31 december 1993.

Art. 10.

De Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs is belast met de uitvoering van dit besluit.

- (1): Opgeheven voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. (B.Vl.R. 22-2-2002; Art. 33, 2°)

- (2): Het besluit wordt geschorst vanaf 1-9-2010. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de voorgaande bepaling te wijzigen, te vervangen of geheel of gedeeltelijk op te heffen (Decr. 18-12-2009; Art. 72). Deze schorsing is niet van toepassing op de personeelsleden die vóór 1 september 2010 en in toepassing van de bepalingen van het besluit vermeld in vorige artikel, reeds genoten van een deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen (Decr. 18-12-2009; Art. 73).