Besluit van de Vlaamse Regering [omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en de tucht in het gemeenschapsonderwijs (verv. BVR 15 september 2000, art. 2)]

  • goedkeuringsdatum
    22/05/1991
  • publicatiedatum
    B.S. 11/04/1992 (pagina 8260)
  • bron

    Numac : 0
  • datum laatste wijziging
    15/05/2019

HOOFDSTUK I INLEIDENDE BEPALINGEN

ART. 1.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° het bijzonder decreet: het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;
2° het decreet: het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
3° instellingshoofd: het hoofd van een instelling zoals bepaald in artikel 3, 27°, van het decreet;
4° tuchtoverheid: de instantie die bevoegd is om een tuchtsanctie op te leggen, als bepaald in artikel 62 van het decreet;
5° afgevaardigd bestuurder: de afgevaardigd bestuurder van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs zoals bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet;
6° raad van bestuur: de raad van bestuur van een scholengroep zoals bedoeld in artikel 5, § 5, van het bijzonder decreet;
7° algemeen directeur: de algemeen directeur zoals bedoeld in artikel 5, § 3, van het bijzonder decreet;
8° college van directeurs: het college van directeurs zoals bedoeld in artikel 5, § 3, van het bijzonder decreet;
9° raadsman: een advocaat, een personeelslid van de onderwijsinstellingen of van de centra voor leerlingenbegeleiding of wat de werknemer betreft een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie en wat de werkgever betreft een vertegenwoordiger van het Gemeenschapsonderwijs;
10° de instelling: een instelling zoals bedoeld in artikel 3, 3°, van het decreet;
11° het schooljaar: de periode van 1 september tot 31 augustus van het daaropvolgend jaar voor het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en voor de CLB's;
12° evaluator: het instellingshoofd zoals bepaald in artikel 3, 27°, van het decreet, of de algemeen directeur voor de personeelsleden die aan een scholengroep zijn geaffecteerd of aangesteld.

ART. 1bis.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de vastbenoemde personeelsleden en op de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur, vermeld in artikel 2 van het decreet met uitzondering van de instellingshoofden en de leden van de pedagogische begeleidingsdienst.

Dit hoofdstuk is met ingang van 1 september 2007 niet van toepassing op de personeelsleden, aangesteld in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en de CLB's, en het is met ingang van 1 september 2009 ook niet meer van toepassing op de andere personeelsleden op wie het decreet van toepassing is.

In afwijking van het tweede lid moeten de evaluatieprocedures, ingezet met toepassing van dit hoofdstuk, worden voortgezet overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

HOOFDSTUK II DE EVALUATIE

ART. 2.

Het instellingshoofd of de algemeen directeur evalueert het personeelslid in een periode van drie jaar tenminste eenmaal. [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 5, I: 1 januari 2000) ]

ART. 3.

Een evaluatie kan slechts worden gegeven op grond van de uitoefening van diensten in het gemeenschapsonderwijs. Voor de personeelsleden van de CLB's heeft de evaluatie daarenboven betrekking op prestaties die verricht werden in het kader van contracten, afgesloten met het gesubsidieerd officieel onderwijs. [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 6, I: 1 januari 2000) ]

ART. 4.

De evaluatie wordt met redenen omkleed en opgetekend in een evaluatieverslag.

ART. 5.

De evaluator houdt voor ieder personeelslid een evaluatiedossier bij, dat de raad van bestuur, de algemeen directeur of de pedagogische begeleidingsdienst op elk ogenblik kunnen opvragen. De afgevaardigd bestuurder kan de dossiers in het vormingscentrum opvragen. [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 7, I: 1 januari 2000) ]

Dit dossier bevat uitsluitend:

- de verslagen van de pedagogische begeleidingsdiensten en van de inspectie met betrekking tot het personeelslid;

- de over het personeelslid uitgebrachte beoordelingen en evaluaties;

- de persoonlijke nota's, zoals omschreven in de artikelen 9 en 11;

- de gegevens met betrekking tot de prestaties inzake beroepsvervolmaking;

- in voorkomend geval, de staat van de tuchtstraffen.

Het evaluatiedossier bevat bovendien het beoordelingsdossier dat in voorkomend geval van het personeelslid reeds bestond in het kader van de statutaire bepalingen die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit op hem van toepassing waren.

ART. 6.

Met uitzondering van de staat van de tuchtstraffen, wordt ieder document door het personeelslid geviseerd alvorens het bij het evaluatiedossier wordt gevoegd.

ART. 7.

Onverminderd het bepaalde in artikel 41, § 2, en artikel 55bis, § 6, van het decreet, kent de evaluator bij wie het personeelslid effectief diensten presteert en voor elk ambt dat het daar uitoefent de evaluatie toe. [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 8, I: 1 januari 2000) ]

ART. 8.

§ 1. Het evaluatieverslag wordt voorgelegd aan het betrokken personeelslid dat een afschrift ervan bekomt. Het personeelslid viseert en dateert het origineel verslag en bezorgt het onmiddellijk terug.

§ 2. Het evaluatieverslag wordt desgevallend besloten met de vermelding "onvoldoende".

§ 3. Vindt het personeelslid dat de hem toegekende vermelding "onvoldoende" niet gerechtvaardigd is, dan viseert hij het evaluatieverslag onder voorbehoud en vermeldt hij of een bezwaar volgt. Na visering van het evaluatieverslag bezorgt hij binnen zeven kalenderdagen een gemotiveerd antwoord aan zijn evaluator. Deze viseert een kopie ervan voor ontvangst. Dit antwoord wordt bij het evaluatieverslag gevoegd.

§ 4. Binnen zeven kalenderdagen na ontvangst van het antwoord, deelt de evaluator aan het betrokken personeelslid zijn beslissing mee.

§ 5. In afwijking van artikel 2 evalueert de evaluator het personeelslid aan wie de evaluatie "onvoldoende" is toegekend, vanaf het daarop volgende schooljaar en ten vroegste acht maanden nadat de in artikel 3 bedoelde evaluatie werd gegeven, opnieuw. Bovendien moet in dit geval het personeelslid afzonderlijk geëvalueerd worden door een door het college van directeurs aangesteld persoon. Voor het vormingscentrum wordt hij aangewezen door de afgevaardigd bestuurder, indien een van beide evaluaties opnieuw "onvoldoende" is, wordt aan het personeelslid de evaluatie "onvoldoende" gegeven.

§ 6. Indien aan het personeelslid na toepassing van § 5 een evaluatie "onvoldoende" wordt gegeven, kan het langs hiërarchische weg beroep instellen, zoals bepaald in dit besluit.

Wordt geoordeeld dat het beroep gegrond is, dan wordt de evaluatie "onvoldoende" vernietigd en wordt ze uit het evaluatiedossier verwijderd. [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 9, I: 1 januari 2000) ]

ART. 9.

Telkens als de evaluator dit nodig vindt, kan hij een persoonlijke nota opmaken, De persoonlijke nota bevat een nauwkeurig verslag van concrete gunstige of ongunstige feiten die betrekking hebben op de uitoefening van het ambt en die vastgesteld werden in de loop van veertien kalenderdagen, voorafgaand aan de ondertekening van de nota door de evaluator.

De persoonlijke nota wordt onmiddellijk aan het personeelslid voorgelegd, dat de nota ondertekent voor kennisname. Het personeelslid ontvangt een kopie. Wanneer het personeelslid vindt dat deze nota niet gerechtvaardigd is, kan hij aan de evaluator schriftelijk een gemotiveerd antwoord geven. Dat antwoord moet worden gegeven binnen zeven kalenderdagen na de ondertekening van de nota. De evaluator meldt aan het personeelslid de ontvangst van zijn antwoord. Het antwoord wordt bij de persoonlijke nota gevoegd. [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 10, I: 1 januari 2000) ]

ART. 10.

Ieder personeelslid mag aan de evaluator een persoonlijke nota geven met gunstige feiten die zich voordeden in de loop van een termijn van veertien kalenderdagen, voorafgaand aan de ondertekening van de nota door het personeelslid, de evaluator ondertekent deze nota voor kennisname en ontvangt hiervan een kopie. Vindt de evaluator dat de nota niet gerechtvaardigd is, dan geeft hij aan het personeelslid binnen zeven kalenderdagen schriftelijk een gemotiveerd antwoord. Dat antwoord wordt bij de persoonlijke nota gevoegd. Het personeelslid ontvangt een kopie. [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 11, I: 1 januari 2000) ]

ART. 11.

Bij de evaluatie van het personeelslid kan met de in de artikelen 9 en 10 bedoelde persoonlijke nota's slechts rekening worden gehouden inzoverre ze opgesteld werden na het opmaken van de laatste voorafgaande evaluatie.

ART. 12.

[Ieder personeelslid en/of zijn raadsman heeft het recht om op elk ogenblik zijn evaluatiedossier in te kijken. [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 12, I: 1 januari 2000) ]

HOOFDSTUK III MAATREGELEN VAN ORDE

AFDELING 1 OVERPLAATSING IN HET BELANG VAN DE DIENST

ART. 12bis.

Deze afdeling is van toepassing op de vastbenoemde personeelsleden zoals bedoeld in artikel 2 van het decreet. [ (ing. B.V.R. 15 september 2000, art. 13, I: 1 januari 2000) ]

ART. 13.

§ 1. De maatregel van overplaatsing in het belang van de dienst kan worden toegepast op elk personeelslid wanneer is vastgesteld dat de minimale verstandhouding die voor de goede werking van de dienst of van het onderwijs nodig is, blijvend verstoord is. [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 14, I: 1 januari 2000) ]

§ 2. Uit een administratief onderzoek waarbij alle betrokken partijen moeten worden gehoord moet blijken of de overplaatsing in het belang van de dienst verantwoord is en welk personeelslid of welke personeelsleden best worden overgeplaatst om de problemen in de instelling op te heffen.

§ 3. Het in § 2 bedoelde onderzoek moet worden ingesteld door de raad van bestuur op verzoek van het instellingshoofd. De raad van bestuur kan ook op eigen initiatief een onderzoek instellen. Voor de instellingshoofden stelt de algemeen directeur van de scholengroep een onderzoek in. Voor een personeelslid van het vormingscentrum of voor een lid van de pedagogische begeleidingsdienst stelt de afgevaardigd bestuurder een onderzoek in. [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 14, I: 1 januari 2000) ]

§ 4. Ten aanzien van een godsdienstleerkracht is deze maatregel slechts mogelijk met het akkoord van de afgevaardigde van de betrokken eredienst.

ART. 14.

§ 1. De raad van bestuur beslist over de overplaatsing in het belang van de dienst na advies van de instellingshoofden. De afgevaardigd bestuurder beslist over de overplaatsing in het belang van de dienst voor een personeelslid van het vormingscentrum of van de pedagogische begeleidingsdienst.

De overplaatsing geschiedt met behoud van de administratieve en geldelijke toestand van het betrokken personeelslid.

Deze beslissing wordt gemotiveerd.

§ 2. Het personeelslid dat overgeplaatst wordt in het belang van de dienst, wordt na één jaar geëvalueerd, zoals bepaald in het decreet.

ART. 15.

De overplaatsing in het belang van de dienst heeft voor gevolg dat het personeelslid geaffecteerd wordt aan [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 16, I: 1 januari 2000) ] een andere instelling.

AFDELING 2 PREVENTIEVE SCHORSING

ART. 15bis.

Deze afdeling is van toepassing op de vastbenoemde personeelsleden en de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur, vermeld in artikel 2 van het decreet, en op de personeelsleden die met toepassing van artikel 24, 4e lid, artikel 52bis, 4e lid, artikel 53bis, § 5, en artikel 73undecies, § 4, van het decreet tijdens hun beroepsprocedure preventief worden geschorst.

ART. 16.

§ 1. Het personeelslid mag, zelfs op het ogenblik dat het een proeftijd doorloopt, preventief worden geschorst indien het belang van de dienst of het onderwijs dat vereist. De preventieve schorsing is een bewarende maatregel. Het personeelslid blijft tijdens deze schorsing in de administratieve stand waarin het zich bevond tot op de dag voor de preventieve schorsing. Tijdens de preventieve schorsing mag het personeelslid geen dienstprestaties verrichten.

§ 2. Onverminderd de toepassing van artikel 59 van het decreet, stelt het instellingshoofd waaronder het personeelslid ressorteert, de preventieve schorsing voor. Voor de instellingshoofden stelt de algemeen directeur van de scholengroep de preventieve schorsing voor.

§ 3. Voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en de personeelsleden van het vormingscentrum stelt het instellingshoofd de preventieve schorsing voor.

§ 4. Vooraleer de preventieve schorsing wordt opgelegd, hoort naar gelang het geval de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder het personeelslid. De redenen om over te gaan tot een preventieve schorsing worden ten laatste drie werkdagen, voorafgaand aan dit verhoor, schriftelijk meegedeeld aan het personeelslid.

In hoogdringende gevallen kan naar gelang het geval de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder de preventieve schorsing onmiddellijk uitspreken met de verplichting het personeelslid onverwijld te horen.

Tijdens dit verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan door een raadsman.

§ 5. De raad van bestuur legt de preventieve schorsing op bij een met redenen omklede beslissing. Voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en de personeelsleden van het vormingscentrum legt de afgevaardigd bestuurder de preventieve schorsing op.

De preventieve schorsing wordt aan het personeelslid meegedeeld per aangetekende brief. Die brief vermeldt de beroepsmogelijkheden. Als de beroepsmogelijkheden niet worden vermeld, begint de beroepstermijn, vermeld in artikel 59ter, § 1 van het decreet, niet te lopen.

De preventieve schorsing gaat in de derde kalenderdag nadat de aangetekende brief met de post is verstuurd. Bij hoogdringende omstandigheden als vermeld in paragraaf 4, tweede lid, heeft de preventieve schorsing onmiddellijk uitwerking.

ART. 17.

§ 1. De preventieve schorsing mag niet meer dan één jaar bedragen. In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten kan de preventieve schorsing echter tot maximum één jaar lopen na de kennisgeving vermeld in artikel 19, § 5, laatste lid.

§ 2. Behoudens strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging, kan de preventieve schorsing ten hoogste zes maanden bedragen als er binnen die periode geen tuchtprocedure is ingesteld.

§ 3. Aan de preventieve schorsing komt van rechtswege een einde bij de tuchtrechtelijke uitspraak over dezelfde feiten waarvoor het personeelslid preventief werd geschorst.

In geval van beroep tegen de uitgesproken maatregel kan de preventieve schorsing worden verlengd totdat de secretaris de beslissing, vermeld in artikel 33decies, § 1 heeft meegedeeld.

HOOFDSTUK IV [DE TUCHTREGELING (verv. BVR 3 juli 2009, art. 7)]

ART. 17bis.

...

ART. 18.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 60bis van het decreet.

ART. 19.

§ 1. De bevoegde tuchtoverheid gaat over tot de nodige vaststellingen en verhoren zodra de feiten, die de toepassing van een tuchtmaatregel kunnen verantwoorden, haar ter kennis worden gebracht.

Wanneer meerdere feiten die verband hebben met elkaar ten laste van het personeelslid worden gelegd, kan dit slechts aanleiding geven tot één tuchtprocedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf.

Wanneer in de loop van de tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd dat geen verband heeft met de lopende tuchtprocedure kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven.

De tuchtoverheid deelt onmiddellijk per aangetekende brief aan het personeelslid mee dat ze een tuchtonderzoek instelt, alsook de reden die daartoe aanleiding geeft. De tuchtrechtelijke vervolging begint op de datum van verzending van de aangetekende brief.

§ 2. Vooraleer de tuchtoverheid een tuchtmaatregel kan opleggen, dient zij de betrokkene in zijn middelen van verdediging te horen over alle ten laste gelegde feiten.

De betrokkene mag zich tijdens het verhoor laten bijstaan door een raadsman.

§ 3. De tuchtoverheid stelt een tuchtdossier samen.

Dit tuchtdossier mag door belanghebbende en zijn raadsman op verzoek worden geraadpleegd vooraleer het verhoor plaats heeft. Zij beschikken over een termijn van tenminste tien werkdagen na ontvangst van de oproepingsbrief.

Desgewenst kan het personeelslid kosteloos een kopie van het dossier bekomen.

§ 4. Indien het betrokken personeelslid strafrechtelijk wordt vervolgd voor dezelfde feiten kan de tuchtoverheid de behandeling van de tuchtvordering opschorten tot na de kennisgeving bedoeld in § 5, laatste lid.

§ 5. De oproeping van het personeelslid om voor de tuchtoverheid te verschijnen moet betekend worden bij een ter post aangetekende brief.

De oproeping dient op straffe van nietigheid melding te maken van :
1° de ten laste gelegde feiten;
2° het voorstel van tuchtsanctie;
3° de plaats, dag en uur van het verhoor;
4° het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een raadsman;
5° de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien.

De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten.

In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, begint deze termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat er een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt.

§ 6. Van het verhoor wordt ter zitting een proces-verbaal opgemaakt, dat getrouw de verklaringen van de gehoorde weergeeft; er wordt voorlezing van gedaan en de betrokkene wordt verzocht het te ondertekenen.

Indien de betrokkene ofschoon behoorlijk opgeroepen, niet verschijnt, beslist de tuchtoverheid bij verstek.

Blijkt de verhindering gewettigd, dat kan het personeelslid tegen de beslissing verzet aantekenen binnen de tien werkdagen nadat de beslissing hem met een ter post aangetekende brief werd betekend.

In dit geval wordt het dossier heropend en beslist de tuchtoverheid, na een nieuwe behoorlijke oproep, ongeacht het al dan niet aanwezig zijn van het personeelslid.

§ 7. De tuchtoverheid kan ambtshalve, en moet op verzoek van de betrokkene, ter zitting getuigen horen.

In dit geval heeft het verhoor plaats in aanwezigheid van de betrokkene.

§ 8. De tuchtoverheid beslist onverwijld en in ieder geval uiterlijk binnen de zes weken na het opmaken van het proces-verbaal van verhoor of van niet-verschijnen. Na het verstrijken van deze termijn wordt zij geacht af te zien van de uitoefening van haar tuchtrechtelijke bevoegdheid.

De beslissing waarbij een tuchtstraf wordt opgelegd, wordt met redenen omkleed.

§ 9. De volledige beslissing van de tuchtoverheid waarbij de tuchtstraf wordt opgelegd dient zonder verwijl aan het personeelslid te worden betekend bij ter post aangetekende brief.

Deze brief dient de beroepsmogelijkheden te vermelden.

Indien de beroepsmogelijkheden niet worden vermeld, begint de beroepstermijn, vermeld in artikel 73, 2e lid, van het decreet, niet te lopen.

[HOOFDSTUK IVbis BEROEP TEGEN ONTSLAG OM DRINGENDE REDENEN, VERMELD IN ARTIKEL 24 (ing. BVR 3 juli 2009, art. 8)] [, ARTIKEL 52BIS (ing. BVR 24 september 2010, art. 5)] EN ARTIKEL 55undecies, § 2, 2°, VAN HET DECREET (ing. BVR 3 juli 2009, art. 8)]

ART. 20.

De brief waarbij naar gelang het geval de directeur, de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder het ontslag om dringende redenen, vermeld in artikel 24, artikel 52bis en artikel 55undecies, § 2, 2°, van het decreet, meedeelt, moet de beroepsmogelijkheden vermelden.

Indien de beroepsmogelijkheden niet worden vermeld, begint de beroepstermijn, vermeld in artikel 24, vierde lid en artikel 52bis, vierde lid, van het decreet, niet te lopen.

ART. 21.

...

ART. 20bis.

...

ART. 22.

...

ART. 23.

...

HOOFDSTUK V DE RAAD VAN BEROEP

ART. 23bis.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de vastbenoemde personeelsleden en op de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur, vermeld in artikel 2 van het decreet.

Dit hoofdstuk is met ingang van 1 september 2007 niet van toepassing op de personeelsleden, aangesteld in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en de CLB's, en het is met ingang van 1 september 2009 ook niet meer van toepassing op de andere personeelsleden op wie het decreet van toepassing is.

In afwijking van het tweede lid moeten de evaluatieprocedures, ingezet met toepassing van hoofdstuk II worden voortgezet overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II en indien het personeelslid beroep aantekent overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

ART. 24.

§ 1. De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters en de leden van de raad van beroep worden aangesteld voor een periode van vier jaar. Hun mandaat is hernieuwbaar.

In geval het mandaat van een lid voortijdig beëindigd wordt of een lid niet langer de hoedanigheid bezit op basis waarvan het mandaat is verleend, wordt een opvolger aangesteld die het mandaat van zijn voorganger voltooit.

§ 2. Onverminderd het bepaalde in § 1 oefent de raad van beroep zijn bevoegdheden uit tot de nieuwe raad van beroep is samengesteld.

§ 3. De effectieve voorzitter ontvangt een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 2.500 euro.

Wanneer de effectieve voorzitter verhinderd is en diens functie waargenomen wordt door een plaatsvervangende voorzitter, dan wordt aan deze laatste een vergoeding van 50 euro per zitting toegekend."

De secretaris ontvangt een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 500 euro als de zittingen geheel of gedeeltelijk plaatsvinden buiten de normale diensttijd.

§ 4. De leden kunnen aanspraak maken op de reis- en dagvergoeding voor binnenlandse reizen overeenkomstig de geldende reglementering die van toepassing is op de personeelsleden van de Vlaamse overheid.

§ 5. De samenstelling van de raad van beroep wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

ART. 25.

Om beroep in te stellen, beschikt het personeelslid over een termijn van twintig kalenderdagen. Deze termijn begint te lopen op de dag dat het personeelslid een evaluatie "onvoldoende", bedoeld in artikel 8, § 6, van dit besluit, wordt gegeven.

Het beroep wordt schriftelijk ingesteld bij bezwaarschrift.

ART. 26.

§ 1. De zaak wordt bij de raad van beroep langs hiërarchische weg aanhangig gemaakt via de centrale raad en vanaf 1 januari 2003 via de afgevaardigd bestuurder van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs. De centrale raad en vanaf 1 januari 2003 de afgevaardigd bestuurder van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs zendt het volledige dossier van de zaak samen met het beoordelings- of evaluatiedossier van het personeelslid naar de raad van beroep. [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 28, I: 1 januari 2000) ]

§ 2. De raad van beroep mag over geen aanvraag beraadslagen dan nadat het personeelslid met een ter post aangetekende brief is opgeroepen.

ART. 27.

§ 1. Zodra de zaak aanhangig is gemaakt deelt de secretaris aan de verzoeker de lijst mee van de effectieve leden van de raad van beroep.

Hij die een wraking wil voordragen moet dit doen voor de aanvang van de beraadslaging, tenzij de reden tot wraking later ontstaan is.

De redenen tot wraking zijn deze voorzien in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.

De voorzitter of een lid van de raad van beroep die weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden.

§ 2. Zonder opgave van redenen kan de verzoeker één lid wraken.

§ 3. Na toepassing van de mogelijkheden tot wraking, bedoeld in § 1 en § 2, wijst de voorzitter de twee leden aan die in de zaak zullen zetelen. Hij kiest hierbij tussen de leden die net zoals de verzoeker behoren tot ofwel het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het buitengewoon onderwijs, het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, de CLB's of het administratief meesters-, vak- en dienstpersoneel. Bovendien behoren deze leden tot dezelfde categorie van personeelsleden zoals bedoeld in artikel 40bis, § 3, van het decreet, als de verzoeker. Voor de toepassing hiervan worden de titularissen van het wervings- of selectiearnbt als één groep beschouwd en wordt het bevorderingsambt voor de leden van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel vervangen door het selectieambt. [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 29, I: 1 januari 2000) ]

ART. 28.

De raad van beroep kan een aanvullende onderzoek bevelen en getuigen horen.

Het instellingshoofd, de afgevaardigde van de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en voor het vormingscentrum het instellingshoofd, de afgevaardigd bestuurder of zijn afgevaardigde - alsmede al degenen die betrokken waren bij het onderzoek zijn aanwezig op de zitting en kunnen door de partijen als getuigen worden gehoord.

In elke zaak wijst de Raad van het Gemeenschapsonderwijs een deskundige aan die de instantie die het voorstel heeft gedaan, moet bijstaan. [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 30, I: 1 januari 2000) ]

ART. 29.

§ 1. De voorzitter regelt de werkzaamheden van de raad van beroep.

§ 2. De zittingen van de raad van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of goede zeden of de verzoeker hierom vraagt.

ART. 30.

Om geldig te beraadslagen moeten de voorzitter en de twee leden aanwezig zijn.

De stemming is verplicht en geheim.

Alleen de voorzitter en de leden hebben stemrecht.

De raad van beroep beslist bij meerderheid van stemmen en geeft aan de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder en aan het personeelslid onmiddellijk kennis van zijn gemotiveerde beslissing.

Deze beslissing vermeldt de uitslag van de stemmen.

Onthoudingen en ongeldige stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter.

ART. 31.

De verzoeker mag een raadsman met zijn verdediging belasten. Hij dient echter persoonlijk ter zitting te verschijnen, behoudens in geval van gewettigde verhindering.

Indien de verzoeker ofschoon bij aangetekende brief opgeroepen, niet verschijnt, beslist de raad van beroep bij verstek. Blijkt de verhindering gewettigd, dan kan het personeelslid verzet aantekenen binnen de vijftien werkdagen nadat de beslissing hem met een ter post aangetekende brief werd betekend. In dit geval, wordt de raad van beroep opnieuw bijeengeroepen, en beslist hij, ongeacht de aan- of afwezigheid.

ART. 32.

De instantie die de maatregel heeft voorgesteld, geeft uitvoering aan de beslissing binnen een maand na ontvangst ervan. [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 32, I: 1 januari 2000) ]

ART. 33.

De raad van beroep stelt een huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Raad van het gemeenschapsonderwijs. [ (verv. B.V.R. 15 september 2000, art. 33, I: 1 januari 2000) ]

[HOOFDSTUK Vbis DE KAMER VAN BEROEP (ing. BVR 3 juli 2009, art. 14)]

ART. 33bis.

...

ART. 33ter.

§ 1. De kamer van beroep wordt samengesteld uit een effectieve voorzitter en twee plaatsvervangende voorzitters en uit twaalf effectieve en twaalf plaatsvervangende leden. Een plaatsvervangend lid kan pas zitting hebben als het effectieve lid afwezig is of als het effectieve lid gewraakt wordt.

§ 2. De effectieve voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters worden benoemd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.

§ 3. Het gemeenschapsonderwijs enerzijds en de representatieve vakorganisaties anderzijds wijzen een gelijk aantal effectieve en plaatsvervangende leden van de kamer van beroep aan.

§ 4. Tijdens hun mandaat in de kamer van beroep kunnen de effectieve en de plaatsvervangende voorzitters en leden geen personeelslid of tuchtoverheid bijstaan of vertegenwoordigen in de kamer van beroep.

§ 5. De leden ontvangen een terugbetaling van de reis- en verblijfskosten overeenkomstig de geldende reglementering die van toepassing is op de personeelsleden van de Vlaamse overheid.

§ 6. De effectieve voorzitter ontvangt een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 4.000 euro.

Wanneer de effectieve voorzitter verhinderd is en diens functie waargenomen wordt door een plaatsvervangende voorzitter, dan wordt aan deze laatste een vergoeding van 150 euro per zitting toegekend.

De vergoeding volgt de evolutie van het gezondheidsindexcijfer overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het rijk worden gekoppeld, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982 en onverminderd artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.

De voorzitters ontvangen een terugbetaling van de reis- en verblijfskosten overeenkomstig de geldende reglementering die van toepassing is op de personeelsleden van de Vlaamse overheid.

ART. 33quater.

Het mandaat van de effectieve en de plaatsvervangende voorzitters en van de leden is van onbepaalde duur.

Het mandaat eindigt :
1° in geval van ontslagneming;
2° op vraag van de organisatie die de betrokkene heeft aangewezen;
3° in geval van overlijden.

ART. 33quinquies.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, wijst voor de kamer van beroep een secretaris en twee plaatsvervangende secretarissen aan onder de ambtenaren van zijn diensten of instellingen.

De secretaris ontvangt een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 500 euro als de zittingen geheel of gedeeltelijk plaatsvinden buiten de normale diensttijd.

Als de secretaris verhinderd is en zijn functie waargenomen wordt door een plaatsvervangende secretaris, wordt aan die laatste een vergoeding van 25 euro per zitting toegekend die geheel of gedeeltelijk plaatsvindt buiten de normale diensttijd.

ART. 33sexies.

§ 1. De kamer van beroep heeft rechtsgeldig zitting zodra de voorzitter en twee leden, aangewezen door het gemeenschapsonderwijs, en twee leden, aangewezen door de representatieve vakorganisaties, aanwezig zijn.

§ 2. De kamer van beroep beslist bij gewone meerderheid van stemmen. De stemming is geheim. Er moeten evenveel leden die zitting hebben namens het gemeenschapsonderwijs als leden die zitting hebben namens de representatieve vakorganisaties aan de stemming deelnemen.

In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door loting.

In afwijking van het eerste lid beslist de kamer van beroep bij unanimiteit wanneer ze de preventieve schorsing wenst te vernietigen, als de preventieve schorsing waartegen beroep werd aangetekend, gepaard gaat met een tuchtonderzoek.

§ 3. Bij staking van stemmen na een tweede stemronde is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

§ 4. In afwijking van § 1 en § 2 beslist de kamer van beroep op een tweede zitting ongeacht of de vertegenwoordigers, vermeld in § 1 en § 2, aanwezig zijn.

[HOOFDSTUK Vter PROCEDURE IN BEROEP (ing. BVR 3 juli 2009, art. 15)]

[Afdeling I Tucht (ing. BVR 3 juli 2009, art. 16)]

ART. 33septies.

§ 1. Het personeelslid beschikt over de in artikel 73, 2e lid, van het decreet vermelde termijn om met een aangetekende brief beroep in te stellen bij de kamer van beroep.

De termijn begint te lopen op de dag volgend op de schriftelijke mededeling van de sanctie door de tuchtoverheid.

Als het einde van de termijn zoals bedoeld in het eerste lid, valt binnen de herfst-, kerst-, krokus-, paas- of zomervakantie zoals die voorzien zijn in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap of in het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs, dan wordt die termijn opgeschort gedurende de duur van de betrokken vakantie.

Het beroep moet op straffe van niet-ontvankelijkheid gemotiveerd zijn.

Op hetzelfde ogenblik als het personeelslid het beroepschrift indient, stuurt het met een aangetekende brief of tegen ontvangsbewijs een kopie daarvan naar zijn tuchtoverheid.

Het beroep moet de naam en het adres van de tuchtoverheid bevatten.

§ 2. Na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 73, tweede lid, van het decreet, of nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, wordt de tuchtmaatregel definitief.

§ 3. Bij de ontvangst van het beroepschrift vraagt de secretaris onmiddellijk het tuchtdossier op bij de tuchtoverheid.

§ 4. De kamer van beroep kan de door de tuchtoverheid uitgesproken sanctie niet verzwaren.

ART. 33octies.

§ 1. Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters en leden van de kamer van beroep.

Binnen tien werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en een of meer leden van de kamer, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.

De redenen tot wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking, kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.

Als de voorzitter of een lid van de kamer van beroep weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet hij zich van de zaak onthouden.

§ 2. Als zowel de effectieve voorzitter als beide plaatsvervangende voorzitters worden gewraakt, wijst de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.

ART. 33novies.

§ 1. De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de kamer van beroep die plaatsvindt binnen zestig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, dan wordt de termijn verlengd tot 31 augustus.

De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.

Het personeelslid of zijn raadsman kan een toelichtende memorie indienen tot uiterlijk 20 werkdagen nadat het beroepschrift is ingediend. Die memorie mag aanvullende middelen bevatten.

De tuchtoverheid of haar raadsman kan een verweerschrift indienen tot uiterlijk 20 werkdagen na de ontvangst van de toelichtende memorie van het personeelslid of tot uiterlijk 20 werkdagen na het verstrijken van de termijn ingeval het personeelslid geen toelichtende memorie heeft ingediend.

De toelichtende memorie en het verweerschrift worden aangetekend of tegen ontvangstbewijs verstuurd naar de kamer van beroep en naar de tegenpartij.

Verweerschriften en toelichtende memories die na de gestelde termijn zijn bezorgd, worden uit de debatten geweerd.

§ 2. De kamer van beroep kan een aanvullend onderzoek bevelen en kan ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid.

De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.

§ 3. De zittingen van de kamer van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.

Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.

§ 4. Als het personeelslid wegens dezelfde feiten strafrechtelijk wordt vervolgd en de tuchtoverheid geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel 19, § 4, kan de kamer van beroep de behandeling van het beroep opschorten tot na de kennisgeving, vermeld in artikel 19, § 5, laatste lid.

§ 5. Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de kamer van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, dan kan het personeelslid binnen tien werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dat geval wordt de kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist ze, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk.

ART. 33decies.

§ 1. De secretaris deelt de met redenen omklede beslissing binnen een termijn van twintig werkdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen, met een aangetekende brief mee aan de tuchtoverheid en aan het personeelslid. De beslissing is bindend voor beide partijen.

De beslissing vermeldt de uitslag van de stemming.

§ 2. De tuchtoverheid brengt de tuchtmaatregelen die een financiële implicatie hebben voor het personeelslid binnen een termijn van orde van twintig kalenderdagen ter kennis van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde. Deze termijn begint te lopen de dag na het verstrijken van de beroepstermijn, vermeld in artikel 73, 2e lid, van het decreet, of de dag nadat de tuchtoverheid kennis heeft genomen van de beslissing van de kamer van beroep.

[Afdeling II Ontslag om dringende redenen (ing. BVR 3 juli 2009, art. 16)]

ART. 33undecies.

§ 1. Het personeelslid beschikt over de in artikel 24, vierde lid of artikel 52bis, vierde lid, van het decreet vermelde termijn om met een aangetekende brief beroep in te stellen bij de kamer van beroep.

Het beroep moet op straffe van niet-ontvankelijkheid gemotiveerd zijn.

Op hetzelfde ogenblik als het personeelslid het beroepschrift indient, stuurt het met een aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs een kopie daarvan naar gelang het geval naar de directeur, de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder.

Het beroep moet de naam en het adres van naar gelang het geval de directeur, de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder bevatten.

De termijn begint te lopen op de dag nadat het personeelslid met een aangetekende brief op de hoogte is gebracht van de dringende redenen.

§ 2. Na het verstrijken van de beroepstermijn, of nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, wordt het ontslag om dringende redenen definitief.

§ 3. Bij de ontvangst van het beroepschrift vraagt de secretaris onmiddellijk de aangetekende brief, vermeld in artikel 24, derde lid, of artikel 52bis, derde lid, van het decreet, op naargelang het geval bij de directeur, de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder.

ART. 33duodecies.

§ 1. Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters en leden van de kamer van beroep.

Binnen vijf werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en een of meer leden van de kamer, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.

De redenen tot wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.

Als de voorzitter of een lid van de kamer van beroep weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet hij zich van de zaak onthouden.

§ 2. Als zowel de effectieve voorzitter als beide plaatsvervangende voorzitters worden gewraakt, wijst de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.

ART. 33terdecies.

§ 1. De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de kamer van beroep die plaatsvindt binnen twintig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, dan wordt de termijn verlengd tot 31 augustus. Bij ontvangst van het beroepschrift tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt voornoemde periode van twintig werkdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode.

De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.

Naar gelang het geval kan de directeur, de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder of hun raadsman een verweerschrift indienen tot uiterlijk 5 werkdagen na de ontvangst van een kopie van het beroepschrift.

Het verweerschrift wordt aangetekend of tegen ontvangstbewijs verstuurd naar de kamer van beroep en naar de tegenpartij.

Verweerschriften die na de gestelde termijn zijn bezorgd, worden uit de debatten geweerd.

§ 2. De kamer van beroep kan een aanvullend onderzoek bevelen en kan ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid.

De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.

§ 3. De zittingen van de kamer van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.

Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.

§ 4. Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de kamer van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, dan kan het personeelslid binnen drie werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dat geval wordt de kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist ze, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk.

ART. 33quaterdecies.

De secretaris deelt de met redenen omklede beslissing binnen een termijn van vijf werkdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen, met een aangetekende brief mee aan, naargelang van het geval, de directeur, de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, en aan het personeelslid. De beslissing is bindend voor beide partijen.

De beslissing vermeldt de uitslag van de stemming.

[Afdeling IIbis Preventieve schorsing (ing. BVR 24 september 2010, art. 17, I: 1 september 2010)]

ART. 33quaterdecies/1.

§ 1. Het personeelslid beschikt over de termijn, vermeld in artikel 59ter, § 1 van het decreet om met een aangetekende brief beroep in te stellen bij de kamer van beroep.

De termijn begint te lopen op de dag nadat de aangetekende brief met de kennisgeving van de preventieve schorsing werd verstuurd.

Het beroep moet alle middelen bevatten die tegen de preventieve schorsing en, indien van toepassing, tegen de afhouding van salaris kunnen worden ingebracht.

Op hetzelfde ogenblik als het personeelslid het beroepschrift indient, stuurt het met een aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs een kopie daarvan, naargelang van het geval, naar de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder.

Het beroep moet de naam en het adres, naargelang van het geval, van de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder bevatten.

§ 2. Nadat de beroepstermijn verstreken is of nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, worden de preventieve schorsing en, indien van toepassing, de afhouding van salaris definitief.

§ 3. Bij de ontvangst van het beroepschrift vraagt de secretaris onmiddellijk de aangetekende brief en het dossier op, vermeld in artikel 59ter, § 1, van het decreet, naargelang van het geval, bij de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder.

ART. 33quaterdecies/2.

§ 1. Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters en van de leden van de kamer van beroep.

Binnen vijf werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en een of meer leden van de kamer, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.

De redenen tot wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.

Als de voorzitter of een lid van de kamer van beroep weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet hij zich van de zaak onthouden.

§ 2. Als zowel de effectieve voorzitter als beide plaatsvervangende voorzitters worden gewraakt, wijst de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.

ART. 33quaterdecies/3.

§ 1. De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de kamer van beroep die plaatsvindt binnen twintig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, wordt de termijn verlengd tot en met 31 augustus. Bij ontvangst van het beroepschrift tijdens een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt voornoemde periode van twintig werkdagen verlengd met de duur van de vakantieperiode.

De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.

Naar gelang het geval kan de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder of hun raadsman een verweerschrift indienen tot uiterlijk vijf werkdagen na de ontvangst van een kopie van het beroepschrift.

Het verweerschrift wordt aangetekend of tegen ontvangstbewijs verstuurd naar de kamer van beroep en naar de tegenpartij.

Verweerschriften die na de gestelde termijn zijn bezorgd, worden uit de debatten geweerd.

§ 2. De kamer van beroep kan een aanvullend onderzoek bevelen en kan ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid.

De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.

§ 3. De zittingen van de kamer van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.

Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.

§ 4. Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de kamer van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, kan het personeelslid binnen drie werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dat geval wordt de kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist ze, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk.

ART. 33quaterdecies/4.

De secretaris deelt de met redenen omklede beslissing binnen een termijn van vijf werkdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen, met een aangetekende brief mee, naargelang van het geval, aan de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder en aan het personeelslid. De beslissing is bindend voor beide partijen.

De beslissing vermeldt de uitslag van de stemming.

[Afdeling III Gemeenschappelijke bepalingen (ing. BVR 3 juli 2009, art. 16, I: 1 september 2009)]

ART. 33quinquiesdecies.

De werkingskosten van de kamer van beroep komen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.

De zetel van de kamer van beroep is gevestigd in Brussel.

ART. 33sexiesdecies.

De kamer van beroep maakt haar eigen werkingsreglement op.

HOOFDSTUK VI SLOTBEPALINGEN

ART. 34.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 1991.

ART. 35.

De Vlaamse minister van Onderwijs is belast met de uitvoering van dit besluit.