Besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vast benoemd zijn

  • goedkeuringsdatum
    28/04/1998
  • publicatiedatum
    B.S. 28/05/1998 (pagina 17459)
  • bron

    Numac : 1998035561
  • datum laatste wijziging
    20/12/2017

HOOFDSTUK I TOEPASSINGSGEBIED

ART. 1.

§ 1. Dit besluit is van toepassing op de volgende personeelsleden als ze vastbenoemd zijn en hun ambt uitoefenen als hoofdambt :
1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
3° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.
4° de personeelsleden vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017;

§ 2. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden, genoemd in § 1, die:
1° tijdelijk belast worden met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt ter uitvoering van:
a) Hoofdstuk Vbis van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 1997;
b) Titel II, Hoofdstuk IVbis van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 1997;
c) hoofdstuk 12, afdeling 1, van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie;
2° als tijdelijk personeelslid aangesteld worden ter uitvoering van:
a) Hoofdstuk III van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;
b) Titel II, Hoofdstuk III van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra;
c) hoofdstuk 9 en 10 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.
3° tijdelijk een ambt uitoefenen ter uitvoering van :
a) artikel 50 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
b) artikel 42 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra;
c) artikel 11, § 2, van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.
d) hoofdstuk 11, van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.

§ 3. Dit besluit is niet van toepassing op de personeelsleden, genoemd in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.

HOOFDSTUK II ADMINISTRATIEVE TOESTAND VAN VASTBENOEMDE PERSONEELSLEDEN DIE TIJDELIJK EEN ANDERE OPDRACHT UITOEFENEN

ART. 2.

§ 1. De personeelsleden, genoemd in artikel 1, § 1, kunnen een verlof krijgen om tijdelijk een andere opdracht als bedoeld in artikel 1, § 2, uit te oefenen.

§ 2. Het personeelslid krijgt het verlof, bedoeld in § 1, ambtshalve als het tijdelijk aangesteld wordt voor of tijdelijk belast wordt met een andere opdracht door de Vlaamse regering of door de inrichtende macht die het vast benoemd heeft.

Als het personeelslid dat vast benoemd is door de Vlaamse regering tijdelijk aangesteld wordt voor of tijdelijk belast wordt met een andere opdracht door een inrichtende macht, kan de Vlaamse regering, op verzoek van het personeelslid het verlof toekennen.

Als het personeelslid tijdelijk aangesteld wordt voor of tijdelijk belast wordt met een andere opdracht door een andere inrichtende macht dan de inrichtende macht die het vast benoemd heeft, kan die laatste op verzoek van het personeelslid het verlof toekennen.

§ 3. Het verlof kan worden verleend voor de volledige opdracht waarvoor het personeelslid vast benoemd is of voor een gedeelte ervan. Het aantal uren waarvoor aan het vastbenoemde personeelslid het verlof wordt verleend, is gelijk aan een daarmee overeenstemmend gepondereerd aantal uren van de opdracht waarvoor het tijdelijk aangesteld wordt of waarmee het tijdelijk belast wordt, in voorkomend geval, afgerond naar de lagere eenheid. Voor het bepalen van het gepondereerde aantal uren wordt de ponderatieregeling toegepast die geldt voor de berekening van de wedde.

In afwijking van het eerste lid wordt aan de personeelsleden die vast benoemd zijn in een ambt dat slechts kan worden toegewezen aan één personeelslid of aan twee personeelsleden die elk met een halve opdracht worden belast, het verlof verleend voor de volledige opdracht of voor de halve opdracht. In dat geval is het niet nodig dat de omvang van dit verlof in overeenstemming is met het gepondereerde aantal uren van de opdracht waarvoor het personeelslid tijdelijk aangesteld wordt of waarmee het personeelslid tijdelijk belast wordt.

ART. 3.

Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het wordt toegekend voor de duur van de opdracht of de aanstelling en uiterlijk tot 31 augustus.

Onverminderd hoofdstuk III en IV van dit besluit heeft het personeelslid tijdens het verlof geen recht op wedde of weddentoelage voor de prestaties waarvoor het verlof werd toegekend.

ART. 4.

§ 1. In afwijking van artikel 2, § 1 kunnen de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1 het verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, ook krijgen om :
1° tijdelijk een ambt uit te oefenen in een hogeschool als vermeld in artikel 4 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
2° tijdelijk een ambt uit te oefenen als vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs onder de voorwaarden vermeld in artikel 98 tot en met 105 van hetzelfde decreet.

§ 2. De Vlaamse regering die het personeelslid vast benoemd heeft of de inrichtende macht die het personeelslid vast benoemd heeft, kan het verlof op verzoek van het personeelslid toekennen. Voor de toekenning van dat verlof gelden de bepalingen van artikel 2, § 3, van dit besluit.

§ 3. Het verlof, bedoeld in § 1, wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het personeelslid heeft tijdens het verlof geen recht op wedde of weddentoelage voor de prestaties waarvoor het verlof werd toegekend.

§ 4. De vastbenoemde personeelsleden, bedoeld in artikel 1, § 1, die in de periode van 1 september 1995 tot 31 augustus 1996 tijdelijk een ambt hebben uitgeoefend in een hogeschool als bedoeld in artikel 4 van voormeld decreet van 13 juli 1994, worden geacht, wat hun administratieve toestand betreft, in die periode, een verlof te hebben verkregen als bedoeld in § 1.

HOOFDSTUK III GELDELIJKE TOESTAND VAN VASTBENOEMDE PERSONEELSLEDEN DIE TIJDELIJK EEN ANDERE OPDRACHT UITOEFENEN

ART. 5.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op :
1° de personeelsleden aan wie een verlof wordt toegekend om tijdelijk een ambt uit te oefenen in een hogeschool als vermeld in artikel 4 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
2° de personeelsleden aan wie een verlof wordt toegekend om tijdelijk een ambt uit te oefenen als vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.

ART. 6.

§ 1. In dit artikel wordt voor het personeel van het gesubsidieerde onderwijs, de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra en de personeelsleden van de centra voor basiseducatie, onder wedde ook weddetoelage verstaan.

§ 2. Voor het vaststellen van de wedde van het personeelslid dat onder de voorwaarden, bedoeld in hoofdstuk I en II, een opdracht uitoefent, wordt de brutojaarwedde vastbenoemde vergeleken met de brutojaarwedde werkelijke opdracht.

De brutojaarwedde vastbenoemde is de brutojaarwedde waarop het personeelslid aanspraak kan maken voor het geheel van de opdracht waarvoor het vast benoemd is, met inbegrip van het deel van de opdracht waarvoor het verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.

De brutojaarwedde werkelijke opdracht is de brutojaarwedde waarop het personeelslid aanspraak kan maken voor het geheel van de opdracht die het werkelijk uitoefent, met uitzondering van de bruto-jaarwedde, bedoeld in § 3.

De brutojaarwedde is telkens de wedde à 100 %, vastgesteld in de weddenschaal, verbonden aan het ambt waarin het personeelslid zijn opdracht uitoefent of waarvoor het vast benoemd is, rekening houdend met het bekwaamheidsbewijs dat het personeelslid bezit. Die wedde schommelt met het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Het bedrag wordt aan het spilindexcijfer 138.01 gekoppeld.

§ 3. Voor het aantal uren van de opdracht waarvoor het personeelslid tijdelijk aangesteld is en dat het gepondereerde aantal uren overschrijdt waarvoor het als vastbenoemde een verlof verkregen heeft om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen overeenkomstig artikel 2 van dit besluit, verkrijgt het personeelslid een brutojaarwedde als tijdelijk personeelslid.

§ 4. Als de brutojaarwedde vastbenoemde hoger is dan of gelijk is aan de brutojaarwedde werkelijke opdracht verkrijgt het personeelslid de brutojaarwedde werkelijke opdracht. De wedde wordt hem uitgekeerd als vastbenoemd personeelslid.

Als de brutojaarwedde vastbenoemde lager is dan de brutojaarwedde werkelijke opdracht verkrijgt het personeelslid de brutojaarwedde vastbenoemde die hem uitgekeerd wordt als vastbenoemd personeelslid. Deze wedde wordt verhoogd met een toelage, vastgesteld krachtens hoofdstuk IV.

HOOFDSTUK IV TOELAGE VOOR HET UITOEFENEN VAN EEN BETER BEZOLDIGDE OPDRACHT

ART. 7.

§ 1. Het personeelslid dat overeenkomstig artikel 6, § 4, tweede lid, van dit besluit aanspraak kan maken op een toelage, krijgt de toelage voor het uitoefenen van een beter bezoldigde opdracht.

§ 2. De toelage wordt aan het personeelslid verleend vanaf de dag waarop het de andere opdracht die het toekennen van de toelage wettigt, daadwerkelijk uitoefent.

Het personeelslid behoudt de toelage gedurende de ontspanningsverloven en de kerst- en paasvakantie voorzover die vallen binnen de periode van de aanstelling voor de bedoelde opdracht.

Onder dezelfde voorwaarde behoudt het personeelslid de toelage gedurende de zomervakantie, behalve als het tijdelijk aangesteld is in of tijdelijk belast is met een wervingsambt in de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel, met uitzondering van de wervingsambten in de centra voor basiseducatie.

§ 3. Met uitzondering van de verloven en vakanties, bedoeld in § 2, is de toelage bij een onderbreking van de opdracht die het toekennen van de toelage wettigt, alleen verschuldigd als de onderbreking niet langer dan veertien opeenvolgende kalenderdagen duurt.

ART. 8.

§ 1. Het jaarbedrag van de toelage is gelijk aan het verschil tussen de brutojaarwedde werkelijke opdracht en de brutojaarwedde vastbenoemde, beide bepaald overeenkomstig artikel 6, § 2, van dit besluit.

§ 2. Het maandbedrag van de toelage is gelijk aan één twaalfde van het jaarbedrag. Als de toelage niet voor de volledige maand verschuldigd is, wordt ze in dertigsten verdeeld, overeenkomstig de regels voor de uitbetaling van de wedde.

§ 3. De toelage wordt maandelijks na vervallen termijn betaald.

HOOFDSTUK V SLOTBEPALINGEN

ART. 9.

(niet opgenomen)

(Heft het koninklijk besluit van 13 juni 1976 tot regeling van de toekenning van een toelage aan de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel van het rijksonderwijs die voorlopig aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt op)

ART. 10.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1996, met de beperking evenwel dat hieruit tijdens de periode van 1 september 1996 tot en met 31 augustus 1997 geen gevolgen met betrekking tot bezoldiging kunnen voortvloeien voor de personeelsleden en de inrichtende machten.

In afwijking van het eerste lid heeft artikel 4, § 4, echter uitwerking op 1 september 1995.

ART. 11.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.