Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het opvangverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de [centra voor leerlingenbegeleiding (ver. BVR 27 mei 2011, art. 1, I: 1 september 2011)] met het oog op adoptie en pleegvoogdij

  • goedkeuringsdatum
    9/11/1994
  • publicatiedatum
    B.S. 21/01/1995 (pagina 1456)
  • bron

    Numac : 0
  • datum laatste wijziging
    11/05/2018

ART. 1.

Dit besluit is van toepassing op :
1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
3° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
4° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.
5° de personeelsleden vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.

ART. 2.

§ 1. De in artikel 1 bedoelde personeelsleden hebben op hun aanvraag recht op een opvangverlof wanneer zij een kind beneden tien jaar in hun gezin opnemen met het oog op adoptie of pleegvoogdij.

De tijdelijk aangestelde personeelsleden hebben enkel recht op dit opvangverlof voor zover het geheel of gedeeltelijk valt binnen de periode van hun aanstelling.

Alleen het personeelslid dat adopteert, kan aanspraak maken op het opvangverlof.

§ 2. Het opvangverlof wordt toegekend door:
1° de inrichtende macht of het schoolbestuur voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 1°, en 2° ;
2° de inspecteur-generaal voor de inspecteur en de coördinerend inspecteur;
3° de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn gemachtigde, voor de inspecteur-generaal en voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 4° ;
4° het centrumbestuur voor de personeelsleden, vermeld in artikel 1, 5°.

ART. 3.

Het opvangverlof bedraagt:
- ten hoogste zes weken indien het opgenomen kind de leeftijd van drie jaar nog niet heeft bereikt bij de aanvang van dit verlof;
- ten hoogste vier weken indien het opgenomen kind de leeftijd van drie jaar reeds bereikt heeft bij de aanvang van dit verlof.

De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het opgenomen kind minder-valide is en aan de voorwaarden voldoet om kinderbijslag te genieten overeenkomstig artikel 47 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders of artikel 26 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.

Als het personeelslid een omstandigheidsverlof als vermeld in artikel 2, § 1, 2° van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende het omstandigheidsverlof, het verlof wegens overmacht, het onbezoldigd ouderschapsverlof en het geboorteverlof in geval van overlijden of hospitalisatie van de moeder voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties, gewettigd door sociale of familiale redenen en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, opneemt of opgenomen heeft, wordt dat omstandigheidsverlof in mindering gebracht van het opvangverlof.

ART. 4.

Het opvangverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Tijdens het opvangverlof heeft het personeelslid recht op wedde of weddetoelage en op verhoging tot een hogere wedde of weddetoelage.

Het opvangverlof wordt niet in aanmerking genomen om de duur van de proeftijd te berekenen.

ART. 5.

§ 1. Het opvangverlof moet een aanvang nemen binnen vier maanden volgend op de datum waarop het kind daadwerkelijk in het gezin wordt opgenomen. Het bewijs van dit tijdstip moet blijken uit een getuigschrift van domiciliëring, uitgereikt door het gemeentebestuur.  In geval van een intrafamiliale adoptie, zoals gedefinieerd in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2012 betreffende de voorbereiding en de nazorg bij interlandelijke adoptie, wordt bovendien het bewijs geleverd dat het verzoekschrift tot adoptie is ingediend.

§ 2. In afwijking van § 1 kan het opvangverlof ingaan op de dag van de afreis van het personeelslid naar het buitenland, op voorwaarde dat bij de terugkeer in België de adoptie tot stand is gekomen.

Indien echter bij de terugkeer blijkt dat geen adoptie heeft plaatsgehad, dan wordt deze periode van verlof omgezet in een afwezigheid voor verminderde prestaties. In dit geval mag de duur overschreden worden van de afwezigheid voor verminderde prestaties waarop het betrokken personeelslid aanspraak kan maken krachtens de reglementaire bepalingen die ter zake op hem van toepassing zijn. Deze afwezigheid neemt alleszins een einde bij het verstrijken van de periode waarvoor het opvangverlof was aangevraagd.

§ 3. Als de procedure voor de intrafamiliale adoptie niet in een adoptie resulteert, wordt het opvangverlof omgezet in een afwezigheid voor verminderde prestaties. In dat geval mag de duur overschreden worden van de afwezigheid voor verminderde prestaties waarop het betrokken personeelslid aanspraak kan maken krachtens de reglementaire bepalingen die ter zake op hem van toepassing zijn. Deze afwezigheid neemt in elk geval een einde bij het verstrijken van de periode waarvoor het opvangverlof was aangevraagd.

ART. 6.

Wanneer meer dan één kind op dezelfde datum in het gezin wordt opgenomen, wordt het opvangverlof tot één periode beperkt.

ART. 6/1.

De personeelsleden die het verplichte voorbereidingsprogramma volgen met het oog op adoptie, hebben recht op dienstvrijstelling om afwezig te zijn voor de nodige duur om het voorbereidingsprogramma te volgen. Na afloop staven zij hun aanwezigheid met een bewijs van deelname, al naargelang het geval, bij hun inrichtende macht of bij de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs of zijn gemachtigde.

Die dienstvrijstelling wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.

ART. 7.

(niet opgenomen)

(Opgeheven worden:

1° hoofdstuk IIbis van het koninklijk besluit van 8 december 1967 genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs;

2° hoofdstuk IIbis van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;

3° het koninklijk besluit van 13 oktober 1978 betreffende het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij van de personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs;

4° hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 19 mei 1981 betreffende de vakantie- en verlofregeling van het stagedoend en vastbenoemd technisch personeel van de rijks-psycho-medisch-sociale centra, de rijksvormingscentra en de inspectiediensten;

5° het koninklijk besluit van 1 oktober 1985 betreffende het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij toegekend aan de tijdelijke leden van het technisch personeel van de rijks-psycho-medisch-sociale centra;

6° het koninklijk besluit van 14 oktober 1985 betreffende het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij van de gesubsidieerde personeelsleden van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra en diensten voor studie- en beroepsorintering;

7° het koninklijk besluit van 12 november 1986 betreffende het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij toegekend aan sommige tijdelijk aangestelde personeelsleden van rijksonderwijsinrichtingen)

ART 7/1.

De perioden van opvangverlof met het oog op adoptie of pleegvoogdij, die door de personeelsleden van de centra voor basiseducatie opgenomen zijn vóór 1 januari 2018, worden in mindering gebracht van het contingent, vermeld in artikel 3.

ART. 8.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1994.

ART. 9.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.