Koninklijk Besluit houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ten laste van de Schatkist bezoldigd ambt

  • goedkeuringsdatum
    23/10/1979
  • publicatiedatum
    B.S. 22/11/1979 (pagina 13459)
  • bron

    Numac : 0
  • datum laatste wijziging
    02/07/2014

Aanhef

Gelet op de artikelen 29 en 66, tweede lid, van de Grondwet;

Gelet op de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het rijksonderwijs, inzonderheid gewijzigd bij de wetten van 27 juli 1971, 11 juli 1973, 19 december 1974, inzonderheid op artikel 1;

Gelet op het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen en toelagen van alle aard toegekend aan het personeel der ministeries, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 februari 1967;

Gelet op het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de ministeries, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 januari 1974, houdende toekenning, in het raam van de sociale programmatie 1974-1975, van voordelen aan sommige titularissen van een ten laste van de Schatkist bezoldigd ambt;

Gelet op het advies van de algemene syndicale raad van advies;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 2 oktober 1979;

Gelet op het advies van de Raad van State;

ART. 1.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° “beloning”, ieder salaris, loon of in de plaats daarvan gestelde vergoeding, zonder rekening te houden met de vermeerderingen of verminderingen ten gevolge van de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen;
2° “bezoldiging”, de beloning zoals deze bedoeld is in 1°, eventueel vermeerderd met de haardtoelage of met de standplaatstoelage;
3° “brutobezoldiging”, de bezoldiging zoals deze bedoeld is in 2°, rekening gehouden met de vermeerderingen of de verminderingen ten gevolge van de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen;
4° “volledige prestaties”, de prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volkomen in beslag neemt;
5° “verwijzingsperiode”, de periode die zich uitstrekt van 1 januari tot 30 september van het in aanmerking genomen jaar;

ART. 2.

In de mate vastgesteld door de bepalingen van dit besluit zijn aan die bepalingen onderworpen de personeelsleden die, ongeacht hun activiteit, hun klasse of hun graad, behoren of tijdens de gehele verwijzingsperiode of een gedeelte ervan behoord hebben tot:
1° de rijksbesturen en andere rijksdiensten met inbegrip van de onderwijsinrichtingen van de Staat;
2° de gesubsidieerde vrije onderwijsinrichtingen, voor zover de personeelsleden van die inrichtingen rechtstreeks met een salaris worden bezoldigd.

ART. 3.

De in artikel 2 bedoelde personen genieten, voor de jaren 1978, [1979 (verv. KB 11 maart 1981, art. 1, I: 1 december 1)],[1980, 1981, 1982, 1983, (verv. KB 9 mei 1984, art. 2, I: 25 mei 1984)] [1984, (verv. KB 30 juli 1985, art. 1, I: 1 december 1985)][1985 (verv. KB 13 oktober 1986, art. 1, I: 1 december 1986)], [1986 (verv. KB 7 november 1987, art. 1, I: 1 december 1987)], [1987 en volgende jaren (verv. KB 3 december 1987, art. 1, I: 1 januari 1988)], een eindejaarstoelage onder de voorwaarden en volgens de regelen die in dit besluit worden bepaald.

ART. 4.

§ 1. De belanghebbende bekomt het volledig genot van het bedrag der in artikel 5 bepaalde toelage, indien hij als titularis van een ambt met volledige prestaties het volledig voordeel van zijn beloning heeft genoten tijdens de hele duur van de verwijzingsperiode.

§ 2. Wanneer de betrokkene niet het volledig voordeel der in § 1 bedoelde beloning heeft genoten, als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties, wordt het bedrag van de toelage verminderd naar rata van de beloning die hij werkelijk heeft ontvangen.

[§ 3. Wanneer de belanghebbende, als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties, tijdens de verwijzingsperiode:
1° met ouderschapsverlof was;
2° niet in dienst is kunnen treden of zijn ambtsverrichtingen heeft geschorst wegens de verplichtingen hem opgelegd door de militiewetten, gecoördineerd op 30 april 1962, of de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980, met uitsluiting in beide gevallen van de wederoproeping om tuchtredenen, worden deze periodes gelijkgesteld met periodes tijdens welke hij het volledig voordeel van zijn beloning heeft genoten (ing. KB 3 december 1987, art. 2, I: 1 januari 1988)].

ART. 4bis.

Als de personeelsleden twee of meer ambten met volledige of onvolledige prestaties in het onderwijs cumuleren, mag de eindejaarstoelage die op basis daarvan wordt toegekend, niet meer bedragen dan de hoogste toelage die ze krijgen als de toelagen van alle ambten berekend worden op basis van volledige prestaties.

ART. 5.

§ 1. Het bedrag van de eindejaarstoelage bestaat uit een forfaitair gedeelte en een veranderlijk gedeelte.

§ 2. Het bedrag van de eindejaarstoelage wordt als volgt berekend:
1° voor het forfaitair gedeelte:
- Voor het jaar 1999: 272,44 EUR;
- Voor het jaar 2000 en volgende jaren, wordt het forfaitair gedeelte toegekend tijdens het vorige jaar telkens vermeerderd met een breuk waarvan de noemer gelijk is aan het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober van het vorige jaar en de teller het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober van het bedoelde jaar; het bekomen resultaat wordt berekend tot op vier decimalen.

2° voor het veranderlijk gedeelte:
het veranderlijk gedeelte bedraagt 2,5 pct van de jaarlijkse brutobezoldiging die tot grondslag diende voor de berekening van de bezoldiging aan de gerechtigde verschuldigd voor de maand oktober van het in aanmerking genomen jaar.

§ 2/bis. In afwijking van paragraaf 2, 1°, wordt het forfaitaire bedrag vanaf 1 januari 2014 als volgt vastgelegd:
1° voor het jaar 2014 wordt het forfaitaire bedrag van de eindejaarstoelage van 2013, na toepassing van het indexmechanisme, vermeld in paragraaf 2, 1°, verhoogd met 232,86 euro;
2° vanaf het jaar 2015 wordt het forfaitaire bedrag dat toegekend is tijdens het vorige jaar, vermeerderd na toepassing van het indexmechanisme, vermeld in paragraaf 2, 1°;
3° voor het jaar 2019 wordt het forfaitaire bedrag verhoogd met een niet-geïndexeerd bedrag van 6,58 euro;
4° vanaf 2020 wordt het forfaitair bedrag verhoogd met een niet-geïndexeerd bedrag van 8,55 euro.

§ 3. Wanneer de betrokkene het voordeel van zijn bezoldiging niet heeft genoten voor de maand oktober van het in aanmerking genomen jaar, komt voor de berekening van het veranderlijk deel van de toelage die jaarlijkse brutobezoldiging in aanmerking welke voor de berekening van zijn bezoldiging voor deze maand tot grondslag zou hebben gediend, indien deze laatste bezoldiging verschuldigd was geweest.

ART. 5bis.

Met behoud van de toepassing van artikel 5, paragraaf 2/bis, wordt voor de personeelsleden die vallen onder de toepassing van artikel 4 van het koninklijk besluit van 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's lands algemeen bestuur, de eindejaarstoelage vermeerderd met het bedrag dat gelijk is aan het verschil ingevolge de berekening van het vakantiegeld volgens artikel 3 en artikel 4 van hetzelfde besluit. Dat bedrag wordt bijkomend verhoogd met de werknemersbijdrage die erop verschuldigd is.

Het bedrag dat verkregen wordt na toepassing van het eerste lid, wordt eveneens toegekend als eindejaarstoelage aan de personeelsleden die op basis van de bepalingen van het koninklijk besluit van 23 oktober 1979 houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ten laste van de Schatkist bezoldigd ambt, geen aanspraak kunnen maken op een eindejaarstoelage.

ART. 6.

Voor het personeelslid dat geniet van een gewaarborgde bezoldiging overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 29 juli 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de ministeries, zal het bedrag van de gewaarborgde bezoldiging in aanmerking moeten genomen worden voor de berekening van het veranderlijk deel van de eindejaarstoelage.

ART. 7.

[... (opgeh. KB 10 september 2010, art. 1, I: 24 september 2010)]

ART. 8.

De eindejaarstoelage wordt in eenmaal uitbetaald tijdens de maand december van het in aanmerking genomen jaar.

[... (opgeh. KB 4 maart 1993, art. 30, I: 23 maart 1993)]

ART. 9.

Voor de vereffening en de betaling van de eindejaarstoelage moet het ministerie of de dienst instaan, die belast was of belast geweest zou zijn met het vereffenen en het betalen van de beloning aan de gerechtigde, hetzij voor de laatste maand van de verwijzingsperiode, hetzij voor het eerste deel van die maand indien deze twee of meer voor de begrotingsaanrekening van die beloning onderscheiden periodes omvat.

ART. 10.

De Minister tot wiens bevoegdheid het Openbaar Ambt behoort, regelt op voorstel van de bevoegde Minister de gevallen, waarbij de interpretatie van [de artikelen 4, § 2, 4bis en 5 (verv. KB 9 mei 1984, art. 6, I: 25 mei 1984)]] moeilijkheden oplevert.

ART. 11.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 december 1978.

ART. 12.

Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.