Wet houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen. (uittreksel)

  • goedkeuringsdatum
    15 MEI 1984
  • publicatiedatum
    B.S.22/05/1984
  • datum laatste wijziging
    30/03/2016

COORDINATIE

Wet 21-5-1991 - B.S. 20-6-1991

Wet 20-7-1991 - B.S. 1-8-1991

Wet 24-12-1999 - B.S. 31-12-1999

K.B. 20-7-2000 - B.S. 30-8-2000

Wet 2-8-2002 - B.S. 29-8-2002

Wet 11-12-2003 - B.S. 15-12-2003

K.B. 22-12-2004 - B.S. 27-12-2004

Wet 12-1-2006 - B.S. 3-2-2006

K.B. 28-12-2006 - B.S. 29-12-2006

Wet 13-12-2010 - B.S. 31-12-2010

K.B. 11-12-2013 - B.S. 16-12-2013

Wet 18-3-2016 - B.S. 30-3-2016

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

...

TITEL V - Persoonlijke bijdragen voor de financiering van de overlevingspensioenen

Art. 59.

De bepalingen van deze titel zijn toepasselijk op de personen die aanspraak zullen kunnen maken op een rustpensioen ten laste van :

a) de Openbare Schatkist met uitzondering van de statutaire personeelsleden van de NMBS Holding of van HR Rail;

b) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, van toepassing is;

c) bpost;

d) de Regie voor Maritiem Transport;

e) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, van toepassing is.

Zijn niet aan deze bepalingen onderworpen de vrijwillige redders, de bedienaars van de erediensten die niet in het huwelijk mogen treden en die een wedde ten laste van de Openbare Schatkist genieten en de gewezen leden van het beroepspersoneel van de kaders in Afrika.

IN VOEGE VANAF 1/1/2017 (Wet 18-3-2016 - B.S. 30-3-2016; Art. 108 en 195, 3°) : In artikel 59, eerste lid, a) worden de woorden "met uitzondering van de statutaire personeelsleden van de NMBS Holding of van HR Rail" opgeheven.

Art.60.

De aan de in artikel 59 bedoelde personen toegekende wedden evenals de andere bezoldigingselementen die in aanmerking genomen worden voor de berekening der rustpensioenen, zijn onderworpen aan een verplichte afhouding vastgesteld op 7,5 pct.

Art. 61.

De opbrengst van de in artikel 60 bepaalde persoonlijke bijdrage wordt gestort aan de Federale Pensioendienst en is bestemd voor de financiering van de pensioenen van de rechtverkrijgenden van de in artikel 59 bedoelde pensioenen. Het overschot van de opbrengst van deze bijdrage ten opzichte van de last van deze pensioenen is bestemd voor de financiering van de rustpensioenen ten laste van de Staatskas.

Art. 61bis.

§ 1. De opbrengst van de in artikel 60 bedoelde persoonlijke bijdrage die moet worden gestort door de openbare besturen, diensten en instellingen, alsmede door de onderwijsinrichtingen, die instaan voor de betaling van de bezoldiging van de in artikel 59 bedoelde personen, moet bij de Federale Pensioendienst toekomen uiterlijk de vijfde werkdag die volgt op de dag van de uitbetaling van de bezoldiging aan de betrokken personen.

Indien het totaal van de door een jaar verschuldigde bijdragen echter minder bedraagt dan 12 394,68 EUR, mogen zij er zich in de loop van het volgende jaar toe beperken slechts één enkele storting per kwartaal te verrichten. In dat geval moet het geheel van de voor een kwartaal verschuldigde bijdragen bij de Openbare Schatkist toekomen uiterlijk de laatste werkdag van de maand volgend op dat kwartaal.

§ 2. De in § 1 bedoelde besturen, diensten, instellingen en inrichtingen zijn verplicht om, vóór 1 maart van elk jaar, aan de Administratie der Pensioenen van het Ministerie van Financiën de lijst toe te sturen van de personen aan wie zij tijdens het voorbije jaar een bezoldiging hebben gestort die onderworpen is aan de in artikel 60 bepaalde afhouding. Deze lijst moet de verschillende vermeldingen bevatten voorgeschreven door de Minister die de Administratie der Pensioenen onder zijn bevoegdheid heeft.

§ 3. Indien de in § 1 bedoelde besturen, diensten, instellingen en inrichtingen niet voldoen aan de bij die paragraaf voorgeschreven verplichtingen, zijn zij van rechtswege aan de Federale Pensioendienst nalatigheidsinteresten op de niet-gestorte sommen verschuldigd. Deze interesten, waarvan het percentage op elk ogenblik gelijk is aan de wettelijke rentevoet, verhoogd met 2 pct., beginnen te lopen vanaf de zesde werkdag die volgt op de dag van de uitbetaling van de bezoldiging aan de betrokken personen. Indien het bestuur, de dienst, de instelling of de inrichting het bewijs levert dat het niet-storten van de bijdragen binnen de bepaalde termijn aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de minister van Pensioenen een vrijstelling verlenen voor het betalen van voormelde nalatigheidsintresten. De aanvraag tot vrijstelling moet bij de minister van Pensioenen toekomen binnen de maand die volgt op de dag waarop het bestuur, de dienst, de instelling of de inrichting door de administratie der Pensioenen op de hoogte werd gebracht van het feit dat niet voldaan werd aan voormelde verplichtingen.

Indien zij niet hebben voldaan aan de in § 2 voorgeschreven verplichtingen, zijn zij van rechtswege aan de Openbare Schatkist een boete verschuldigd die per maand vertraging gelijk is aan 0,1 pct. van het totale bedrag van de bezoldigingen die betrekking hebben op het beschouwde jaar. De toepassing van dit lid sluit de toepassing uit van artikel 12, § 5, tweede lid, van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut van hun rechtverkrijgenden. De voorgaande zin wordt, met ingang van 1 januari 1995, opgeheven.

De opbrengst van deze interesten en boeten is bestemd voor de financiering van de pensioenen van de rechtverkrijgenden van de in artikel 59 bedoelde personen.

Art. 62.

Alle andere personen dan die bedoeld in artikel 59 die een activiteit uitoefenen die hen recht geeft op een pensioen bedoeld in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen en die uit hoofde van deze activiteit niet aangesloten zijn bij de regeling voor werknemerspensioenen, zijn ertoe gehouden bij te dragen in de financiering van de pensioenregeling die op hen toepasselijk is door een verplichte afhouding die ten minste gelijk is aan die bepaald in artikel 60.

...