Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het verlof wegens moederschapsbescherming voor de personeelsleden van het onderwijs

  • goedkeuringsdatum
    21/02/2003
  • publicatiedatum
    B.S. 28/03/2003 (pagina 15825)
  • bron

    Numac : 2003200503
  • datum laatste wijziging
    11/05/2018

ART. 1.

§ 1. Dit besluit is van toepassing op de vast benoemde, tot de proeftijd toegelaten of tijdelijk aangestelde:
1° personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
2° personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
4° personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;
5° personeelsleden vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.

§ 2. Dit besluit is van toepassing op de personen tewerkgesteld in de hoedanigheid van gesubsidieerde contractuelen in het gemeenschaps- en gesubsidieerd onderwijs en in de gemeenschaps- en gesubsidieerde psycho-medische sociale centra en de centra voor leerlingenbegeleiding.

§ 3. Dit besluit is van toepassing op de contractuelen ten laste van het departement Onderwijs (CODO's).

ART. 2.

[Het vrouwelijk personeelslid dat, bij toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 vrijgesteld is van arbeid, is ambtshalve met verlof voor de nodige periode. Het verlof eindigt van zodra het personeelslid recht heeft op prenataal verlof. (verv. B.V.R. 25 november 2005, art. 7, I : 1 juli 2004) ]

Als de gerechtigde borstvoeding geeft zoals bedoeld in artikel 7, 2°, van het koninklijk besluit van 2 mei 1995 inzake moederschapsbescherming, mag het verlof een periode van vijf maanden vanaf de dag van de bevalling niet overschrijden.

Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Tijdens dit verlof heeft het vrouwelijk personeelslid dat vast benoemd of tot de proeftijd toegelaten is recht op wedde of weddentoelage en op verhoging tot een hogere wedde of weddentoelage.

ART. 3.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999, met uitzondering van artikel 1, § 3, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2002.

ART. 4.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.