Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de toekenning van een [niet-verworven salarisschaal] aan personeelsleden die houder zijn van een getuigschrift of diploma buitengewoon onderwijs

  • goedkeuringsdatum
    30/09/2005
  • publicatiedatum
    B.S. 10/02/2006 (pagina 6811)
  • bron

    Numac : 2006035136
  • datum laatste wijziging
    26/06/2019

ART. 1.

§ 1. De in artikel 4 bedoelde niet-verworven salarisschaal wordt toegekend aan de tijdelijke, tot de proeftijd toegelaten of vastbenoemde personeelsleden die aangesteld of geaffecteerd zijn, in een betrekking en waarvoor het departement Onderwijs zijn/haar salaris uitbetaalt:
1° in een school of instelling of een afdeling voor buitengewoon onderwijs, met inbegrip van de opleidingsvorm 4;
2° in een door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerd internaat gehecht aan een instelling voor buitengewoon onderwijs, tehuis voor buitengewoon onderwijs, semi-internaat en internaat van het Gemeenschapsonderwijs dat voorziet in verblijf en begeleiding tijdens schoolvrije dagen.

§ 2. De niet-verworven salarisschaal wordt eveneens toegekend aan de in paragraaf 1 vermelde personeelsleden die uiterlijk op 31 augustus 2018:
1° aangewezen geweest zijn om deel te nemen aan het experimenteel project betreffende de ondersteuning van kinderen met een matige of ernstige verstandelijke handicap in het gewoon lager onderwijs;
2° tewerkgesteld geweest zijn in het gewoon onderwijs op basis van lestijden, lesuren, uren of uren-leraar in het kader van het geïntegreerd onderwijs.

§ 3. De niet-verworven salarisschaal wordt eveneens toegekend aan de zorgcoördinator in het gewoon en buitengewoon onderwijs.

§ 4. Vastbenoemde personeelsleden die krachtens de bepalingen van dit artikel recht hebben op de in artikel 4 bedoelde niet-verworven salarisschaal, behouden ten persoonlijke titel deze niet-verworven salarisschaal als zij aangesteld worden in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs.

Het personeelslid behoudt de overgangsmaatregel vermeld in het eerste lid zolang dit personeelslid in dienst blijft in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.

Tijdelijke personeelsleden die krachtens de bepalingen van dit artikel recht hebben op de in artikel 4 bedoelde niet-verworven salarisschaal behouden ten persoonlijke titel deze niet-verworven salarisschaal als ze aangesteld worden in een wervingsambt in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, op voorwaarde dat ze op de vooravond van de aanstelling in het gewoon basisonderwijs of in het gewoon secundair onderwijs, beschikken over minimaal 720 dagen dienstanciënniteit in het buitengewoon onderwijs, berekend volgens artikel 4 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 6 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.

Tijdelijke personeelsleden behouden de overgangsmaatregel vermeld in het derde lid zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap.

Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd :
1° de vakantieperioden;
2° de loopbaanonderbreking en zorgkrediet;
3° de militaire dienst;
4° de perioden van wederoproeping;
5° de ziekte- en bevallingsverloven;
6° onbezoldigd ouderschapsverlof
7° de perioden van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming;
8° de verloven van korte duur met behoud van salaris(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard;
9° de verloven zonder behoud van salaris(toelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar;
10° een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren.

ART. 2.

Om recht te hebben op deze niet-verworven salarisschaal moeten de in artikel 1, § 1 en § 2 bedoelde personeelsleden aangesteld zijn in een betrekking in een ambt van:
1° het bestuurs- en onderwijzend personeel, met inbegrip van de godsdienstleerkrachten;
2° het opvoedend hulppersoneel;
3° het paramedisch personeel;
4° het sociaal personeel;
5° het psychologisch personeel;
6° het medisch personeel;
7° het orthopedagogisch personeel;
8° het ambt van opvoeder in het ondersteunend personeel.

ART. 3.

§ 1. De in artikel 4 bedoelde niet-verworven salarisschaal wordt toegekend aan de houders van een hierna vermelde diploma of getuigschrift:
1° getuigschrift van bekwaamheid tot het opvoeden van abnormale kinderen uitgereikt door de Commissie ingesteld bij ministerieel besluit van 10 mei 1924;
2° getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van buitengewoon onderwijs uitgereikt door de Commissie ingesteld bij ministerieel besluit van 10 mei 1924;
3° getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van buitengewoon onderwijs uitgereikt door de Normaalleergang voor buitengewoon onderwijs;
4° bekwaamheidsgetuigschrift buitengewoon onderwijs uitgereikt door de Normaalleergang voor buitengewoon onderwijs;
5° getuigschrift van navorming buitengewoon onderwijs uitgereikt door de Centrale Examencommissie volgens besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991;
6° diploma voortgezette lerarenopleiding buitengewoon onderwijs;
7° diploma voortgezette lerarenopleiding buitengewoon onderwijs en remedial teaching;
8° bachelor in het onderwijs : buitengewoon onderwijs.

§ 2. De diploma's of getuigschriften, vermeld in § 1, die ingevolge de toepassing van artikel 5, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldiging in het buitengewoon onderwijs gelijkwaardig zijn verklaard, komen eveneens in aanmerking voor de toekenning van een niet-verworven salarisschaal vermeld in artikel 4, § 1 van dit besluit.

ART. 4.

§ 1. De personeelsleden vermeld in artikelen 1 en 2, die houder zijn van een diploma of getuigschrift vermeld in artikel 3, hebben recht op de niet-verworven salarisschaal 030 die vastgesteld wordt bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs. Zolang het personeelslid aan de voorwaarden voldoet, maakt de niet-verworven salarisschaal integraal deel uit van de salarisschalen waarop de betrokkene overeenkomstig zijn tijdelijke aanstelling, zijn toelating tot de proeftijd of zijn vaste benoeming recht heeft en vormt die schaal mede de grondslag voor de berekening van het salaris van het betrokken personeelslid.

Bij de berekening van de beperking van het salaris tot de eenheid of tot het best bezoldigd ambt, wordt met het bedrag van een niet-verworven salarisschaal echter geen rekening gehouden.

§ 2. Het jaarbedrag van de niet-verworven salarisschaal wordt vastgesteld naar rato van de omvang van de betrekking waarin het personeelslid geaffecteerd of aangesteld is.

§ 3. De personeelsleden aan wie op basis van de in artikel 3 opgesomde diploma's of getuigschriften een salarisschaal werd toegekend, hebben geen recht op een niet-verworven salarisschaal.

ART. 5.

De niet-verworven salarisschaal bedoeld in artikel 4 volgt de evolutie van het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994.

ART. 6.

De vergoedingen die vóór 1 september 2005 werden toegekend, hebben met betrekking tot de bezoldiging geen gevolgen voor de inrichtende machten en de personeelsleden en zijn in hoofde van de personeelsleden definitief verworven.

ART. 7.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2005.

ART. 8.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.