Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het omstandigheidsverlof, het verlof wegens overmacht, het onbezoldigd ouderschapsverlof en het geboorteverlof in geval van overlijden of hospitalisatie van de moeder voor bepaalde personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties, gewettigd door sociale of familiale redenen en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding

  • goedkeuringsdatum
    03 JULI 2009
  • publicatiedatum
    B.S.13/10/2009
  • datum laatste wijziging
    20/12/2017

(opschrift gewijzigd bij B.Vl.R. 30-9-2011)

COORDINATIE

B.Vl.R. 30-9-2011 - B.S. 27-10-2011

B.Vl.R. 28-10-2016 - B.S. 29-12-2016

B.Vl.R. 17-11-2017 - B.S. 20-12-2017

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, artikel 77, eerste lid;

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 51, eerste lid;

Gelet op het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, artikel 68, eerste lid;

Gelet op het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, artikel 21;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 december 1967, genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;

Gelet op het koninklijk besluit van 28 november 1978 betreffende het uitzonderlijk verlof in gevallen van overmacht, toegestaan aan de leden van het gesubsidieerd personeel;

Gelet op het koninklijk besluit van 14 januari 1979 betreffende het omstandigheidsverlof toegekend aan sommige tijdelijk aangestelde personeelsleden van rijksonderwijsinrichtingen;

Gelet op het koninklijk besluit van 27 februari 1979 betreffende het uitzonderlijk verlof in gevallen van overmacht, toegestaan aan de leden van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra en diensten voor studie- en beroepsoriëntering;

Gelet op het koninklijk besluit van 19 mei 1981 betreffende de verlofregeling van het vastbenoemd technisch personeel van de centra voor leerlingenbegeleiding;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties, gewettigd door sociale of familiale redenen, en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende het ziekte-, bevallings- en borstvoedingsverlof, toegekend aan tijdelijk aangestelde personeelsleden van de onderwijsinstellingen, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende het bevallings- en borstvoedingsverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 30 september 2008 en 20 april 2009;

Gelet op protocol nr. 683 van 20 maart 2009 houdende de conclusies van de onderhandelingen, gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X en van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op protocol nr. 449 van 20 maart 2009 houdende de conclusies van de onderhandelingen, gevoerd in het overkoepelend onderhandelingscomité, vermeld in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op advies 46.562/1 van de Raad van State, gegeven op 4 juni 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied

Artikel 1.

§ 1. [Dit besluit is van toepassing op :

1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

3° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;

4° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.]

[5° de personeelsleden vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie].

§ 2. Voor de tijdelijk aangestelde personeelsleden gelden de bepalingen van dit besluit enkel voor de afwezigheid die ligt binnen de periode van hun aanstelling.

B.Vl.R. 30-9-2011 ; [] B.VL.R.17-11-2017

HOOFDSTUK II. - Omstandigheidsverlof en verlof wegens overmacht

Art. 2.

§ 1. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, krijgen omstandigheidsverlof naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen :

1° huwelijk van het personeelslid en het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door het personeelslid : één werkdag;

2° bevalling van de echtgenote of samenwonende partner : tien werkdagen, te nemen binnen een periode van dertig kalenderdagen vanaf de bevalling, of binnen een periode van vier maanden vanaf de bevalling voor de bevallingen vanaf 1 april 2009. Van deze tien werkdagen moeten er minimaal vijf dagen aaneen sluiten. Mits de inrichtende macht akkoord gaat, mogen de voornoemde vijf dagen ook niet aaneensluitend genomen worden;

3° overlijden van de echtgenoot of samenwonende partner, van een bloed- of aanverwant in de eerste graad van het personeelslid of van de samenwonende partner : vier werkdagen;

4° huwelijk van een kind van het personeelslid, van de echtgenoot of van de samenwonende partner : twee werkdagen;

5° huwelijk van bloed- of aanverwant in de eerste graad, die geen kind is, of in de tweede graad, van het personeelslid, van de echtgenoot of van de samenwonende partner : de dag van het huwelijk;

6° overlijden van een bloed- of aanverwant in om het even welke graad van het personeelslid of van de samenwonende partner, die onder hetzelfde dak woont als het personeelslid : twee werkdagen;

7° overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede graad van het personeelslid of van de samenwonende partner, die niet onder hetzelfde dak woont als het personeelslid : één werkdag;

8° bijwonen van een bijeenkomst van een familieraad, bijeengeroepen door de vrederechter : één werkdag;

9° oproeping als getuige voor een rechtscollege of persoonlijke verschijning op aanmaning van een rechtscollege : de nodige tijd;

10° de uitoefening van het ambt van voorzitter, van bijzitter of van secretaris van een stembureau of een stemopnemingsbureau : de nodige tijd;

11° om deel uit te maken van de jury van het hof van assisen : de duur van de zitting.

§ 2. In afwijking van § 1, 1°, krijgen de leden van het administratief personeel, de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel en de vastbenoemde leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel voor hun huwelijk of voor het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning vier werkdagen.

§ 3. Het verlof moet met volledige dagen worden genomen.

Art. 3.

§ 1. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, met uitzondering van het vastbenoemd meester-, vak- en dienstpersoneel en van de vastbenoemde personeelsleden van de kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalige hoofdstedelijke gebied Brussel, [artikel IV.19 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs], krijgen eveneens verlof wegens overmacht die het gevolg is van de ziekte of van een ongeval van één van de volgende personen, die onder hetzelfde dak woont als het personeelslid : de echtgenoot, de samenwonende partner, een bloed- of aanverwant van het personeelslid of van de samenwonende partner, een persoon, opgenomen met het oog op zijn adoptie of de uitoefening van een pleegvoogdij.

Uit een medisch attest moet blijken dat de aanwezigheid van het personeelslid bij één of meer van de voornoemde personen vereist is.

§ 2. De duur van het verlof mag per burgerlijk jaar niet meer dan vier werkdagen bedragen. Het verlof moet met volledige dagen worden genomen.

B.Vl.R. 28-10-2016

Art. 4.

De verloven, vermeld in artikel 2 en 3, worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Tijdens die verloven heeft het personeelslid recht op salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of een hogere salaristoelage.

HOOFDSTUK III. - Onbezoldigd ouderschapsverlof

Art. 5.

Het personeelslid, vermeld in artikel 1, dat in dienstactiviteit is, heeft bij de geboorte of adoptie van een kind recht op voltijds onbezoldigd ouderschapsverlof. Het personeelslid dat voor een gedeelte van zijn opdracht verlof wegens moederschapsbescherming tijdens de lactatie geniet, kan voor het resterend gedeelte van de opdracht onbezoldigd ouderschapsverlof nemen.

Het verlof bedraagt maximaal drie maanden. Het moet ononderbroken worden genomen en aanvangen binnen het jaar na de geboorte van het kind.

In geval van adoptie moet het onbezoldigde ouderschapsverlof aanvangen binnen het jaar na de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister in de gemeente waar zij hun verblijfplaats hebben.

Art. 6.

Het onbezoldigde ouderschapsverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

HOOFDSTUK IV. - [Geboorteverlof in geval van overlijden of hospitalisatie van de moeder]

B.Vl.R. 30-9-2011

Art. 7.

Als de moeder van het kind opgenomen wordt in het ziekenhuis, krijgt de vader van het kind [of de partner van de biologische moeder] op zijn [of haar] verzoek [geboorteverlof] om in de opvang van het kind te voorzien, op voorwaarde dat :

1° het kind het ziekenhuis heeft verlaten;

2° de opname van de moeder in het ziekenhuis meer dan zeven opeenvolgende kalenderdagen bedraagt.

Het [geboorteverlof] kan op zijn vroegst aanvangen vanaf de achtste dag, te rekenen vanaf de geboorte van het kind. Het verlof eindigt op het ogenblik dat de opname van de moeder in het ziekenhuis een einde neemt en uiterlijk bij het verstrijken van de periode die overeenstemt met het deel van het bevallingsverlof dat door de moeder op het ogenblik van haar opname in het ziekenhuis nog niet was opgenomen.

B.Vl.R. 30-9-2011

Art. 8.

Als de moeder van het kind overlijdt, krijgt de vader van het kind [of de partner van de biologische moeder] op zijn [of haar] verzoek [geboorteverlof] om in de opvang van het kind te voorzien. In dat geval is de duur van het [geboorteverlof] ten hoogst gelijk aan de duur van het bevallingsverlof dat de moeder bij haar overlijden nog niet had opgenomen.

B.Vl.R. 30-9-2011

Art. 9.

§ 1. Het [geboorteverlof] wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

§ 2. Tijdens het verlof heeft het personeelslid dat vastbenoemd of tot de proeftijd toegelaten is, recht op salaris of salaristoelage en op verhoging tot een hoger salaris of hogere salaristoelage.

De tijdelijke personeelsleden hebben tijdens het verlof geen recht op salaris of salaristoelage.

B.Vl.R. 30-9-2011

HOOFDSTUK V. - Wijzigingsbepaling

Art. 10.

In artikel 6, § 1, 2°, en in artikel 13, § 1, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties, gewettigd door sociale of familiale redenen en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 1991, wordt het woord "borstvoedingsverlof" vervangen door de woorden "loopbaanonderbreking voor medische bijstand".

HOOFDSTUK VI. - Opheffingsbepalingen

Art. 11.

§ 1. De volgende regelingen worden opgeheven : ...

§ 2. De volgende regelingen worden opgeheven voor de instellingen en de personeelsleden waarop dit besluit van toepassing is :

1° artikel 4bis van het koninklijk besluit van 8 december 1967, genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 1976 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 december 1981;

2° artikel 5bis van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 15 april 1977;

3° het koninklijk besluit van 28 november 1978 betreffende het uitzonderlijk verlof in gevallen van overmacht, toegestaan aan de leden van het gesubsidieerd personeel;

4° het koninklijk besluit van 14 januari 1979 betreffende het omstandigheidsverlof, toegekend aan sommige tijdelijk aangestelde personeelsleden van rijksonderwijsinrichtingen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 januari en 31 maart 2006;

5° artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende het bevallings- en borstvoedingsverlof voor de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;

6° artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993 betreffende het ziekte-, bevallings- en borstvoedingsverlof, toegekend aan tijdelijk aangestelde personeelsleden van de onderwijsinstellingen, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.

HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepalingen

Art. 12.

Het borstvoedingsverlof dat aanvangt vóór 1 april 2009 en na deze datum eindigt, wordt behandeld overeenkomstig de bepalingen die golden vóór die datum.

Art. 13.

Personeelsleden die vóór 1 april 2009 borstvoedingsverlof hebben opgenomen voor hun kind, kunnen geen aanspraak maken op onbezoldigd ouderschapsverlof voor datzelfde kind.

[Art. 13/1.

De perioden van verlof die door de personeelsleden van de centra voor basiseducatie opgenomen zijn vóór 1 januari 2018 voor dezelfde gebeurtenis, worden in rekening gebracht bij de berekening van het contingent dat vastgelegd is voor dat verlof.].

B.Vl.R.17-11-2017

HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen

Art. 14.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 2009, met uitzondering van hoofdstuk II, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1999, behalve artikel 2, § 1, 2°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2005.

Art. 15.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.