Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs wat de rechtspositie van het personeel van de inspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten betreft

  • goedkeuringsdatum
    5/02/2010
  • publicatiedatum
    B.S. 17/05/2010 (pagina 27161)
  • bron

    Numac : 2010202589
  • datum laatste wijziging
    28/08/2019

Aanhef

De Vlaamse Regering,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, artikel 3, 9° en 12°, gewijzigd bij het decreet van 15 juni 2007 en het decreet van 30 april 2009 en artikel 77, eerste lid;

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 5, 11° en 13°, laatst gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, en artikel 51, eerste lid;

Gelet op het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, artikel 16, artikel 19, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, en artikel 21, § 1, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009 en artikel 26;

Gelet op het decreet van 13 juli 2001 betreffende onderwijs-XIII-Mozaïek, artikel IX.2, § 2 en § 3, artikel IX.3, eerste lid en artikel IX.8;

Gelet op het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, artikel 46, § 3; artikel 49, § 7; artikel 64, § 1; artikel 67; artikel 72, eerste lid; artikel 73, vierde en zesde lid; artikel 79, § 6; artikel 81, § 1; artikel 84; artikel 87, § 4, vijfde lid; artikel 96, eerste en vijfde lid; artikel 105, eerste en zesde lid; artikel 117, § 4; artikel 122, tweede lid; artikel 126, vijfde lid; artikel 133, tweede lid; artikel 137, eerste lid; artikel 138; artikel 142, eerste en derde lid; artikel 144, eerste lid; artikel 146, eerste lid;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 1991 tot uitvoering van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot uitvoering van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 1998 tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vast benoemd zijn;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 29 mei 2009 en 3 december 2009;

Gelet op protocol nr. 154 van 9 juli 2009 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in de vergaderingen van sectorcomité X;

Gelet op protocol nr. 706 van 9 juli 2009 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X en van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op protocol nr. 472 van 9 juli 2009 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in het overkoepelend onderhandelingscomité, vermeld in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op advies 47.587/1 van de Raad van State, gegeven op 14 januari 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :

TITEL I. Algemene bepalingen

ART. 1.

In dit besluit wordt verstaan onder :
1° het decreet van 8 mei 2009 : het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
2° raadsman : een advocaat, een personeelslid van de inspectie, een ambtenaar, of een afgevaardigde van een erkende vakorganisatie.

TITEL II. Inspectie

HOOFDSTUK I. Definitie relevante beroepservaring

ART. 2.

§ 1. Onder beroepservaring als vermeld in artikel 46 van het decreet van 8 mei 2009, wordt verstaan : de ervaring die opgedaan is binnen onderwijs in een van de onderwijsniveaus, vermeld in artikel 46, § 2 van het decreet van 8 mei 2009, in de basiseducatie of in de centra voor leerlingenbegeleiding.

§ 2. De beroepservaring is relevant als die in de laatste tien jaar voor de tijdelijke aanstelling of de vaste benoeming bij de inspectie minstens twee jaar effectief gepresteerde diensten omvat.

De in aanmerking komende diensten worden berekend per dag en geteld van datum tot datum.

Gedurende een kalenderjaar kan een ervaring van maximaal 360 dagen worden verworven. De jaarlijkse vakantie, de weekends en de feestdagen worden als effectieve diensten beschouwd. Het aantal dagen, gepresteerd in een betrekking met onvolledige prestaties die niet de helft bedragen van het aantal uren dat vereist is voor een betrekking met volledige prestaties, telt voor de helft mee.

De beroepservaring in verschillende ambten binnen hetzelfde niveau kan worden samengeteld.

Het resultaat van de berekeningen moet minstens 600 dagen bedragen om als relevante beroepservaring te kunnen worden beschouwd.

§ 3. De diensten die gepresteerd zijn in het ambt van directeur, komen voor de berekening van relevante beroepservaring alleen in aanmerking in het niveau waartoe de instelling behoort.

§ 4. Een personeelslid kan over relevante beroepservaring beschikken in een of meer van de niveaus, vermeld in artikel 46, § 2 van het decreet van 8 mei 2009.

HOOFDSTUK II. Aanwervingsvoorwaarden

ART. 3.

§ 1.Voor de kandidaat-inspecteurs met diensten in het onderwijs wordt de dienstanciënniteit, vermeld in artikel 49, § 2 van het decreet van 8 mei 2009, als volgt berekend :
1° voor de dienstanciënniteit, verworven in het gemeenschapsonderwijs : overeenkomstig artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
2° voor de dienstanciënniteit, verworven in het gesubsidieerd onderwijs : overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

§ 2. Voor de kandidaat-inspecteurs met diensten in de hogescholen of de universiteiten wordt de dienstanciënniteit, vermeld in artikel 49, § 2 van het decreet van 8 mei 2009, verworven in de hogescholen of de universiteiten berekend overeenkomstig de regels die gelden voor de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding in het gemeenschapsonderwijs.

Voor de hogescholen en universiteiten worden als diensten beschouwd :
1° in het universitair onderwijs : de diensten, en daarmee gelijkgestelde prestaties, die een personeelslid heeft gepresteerd in de categorie van het academisch personeel, vermeld in hoofdstuk IV van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap;
2° in de hogescholen : de diensten, en daarmee gelijkgestelde prestaties, die een personeelslid heeft gepresteerd in de categorie van het onderwijzend personeel, vermeld in hoofdstuk II van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.

§ 3. Voor de kandidaat-inspecteurs met diensten in de basiseducatie, worden de gepresteerde diensten in de basiseducatie, vermeld in artikel 49, § 2 van het decreet van 8 mei 2009, berekend overeenkomstig artikel 4 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, meer bepaald conform de regels die gelden voor de personeelsleden van de centra voor leerlingenbegeleiding. Alleen de diensten die gepresteerd zijn in een centrum voor basiseducatie, het Vlaams Ondersteuningscentrum voor de Centra voor Basiseducatie of in het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, komen in aanmerking.

§ 4. In voorkomend geval wordt de dienstanciënniteit die verworven is in het gemeenschapsonderwijs, in het gesubsidieerd onderwijs, in de hogescholen en in de universiteiten, en de gepresteerde diensten in de basiseducatie samengeteld.

[HOOFDSTUK III. De selectie voor het ambt van inspecteur (verv. BVR 5 april 2019, art. 2, I: 15 april 2019)]

ART. 4.

Een vacature voor het ambt van inspecteur wordt ten minste bekend gemaakt:
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van de onderwijsinspectie;
3° op de website van VDAB;
4° via de geëigende communicatiekanalen van het Departement Onderwijs.

De vacature voor het ambt van inspecteur bevat ten minste de aanwervingsvoorwaarden, vermeld in artikel 49 van het decreet van 8 mei 2009, en de specifieke toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 63, § 4, van het voormelde decreet, alsook de wijze van solliciteren.

ART. 5.

De kandidaat bezorgt het digitaal ingevulde sollicitatieformulier uiterlijk op de uiterste sollicitatiedatum, vermeld in artikel 8, eerste lid, en op de wijze, vermeld in de vacature.

Het sollicitatieformulier staat op de website van de onderwijsinspectie.

Het sollicitatieformulier bevat al de volgende gegevens van de kandidaat:
1° de persoonsgegevens;
2° de gevolgde opleidingen;
3° de relevante werkervaringen;
4° het competentieportfolio dat de competenties en kwalificaties van de kandidaat inventariseert en alle elementen bevat waarmee de kandidaat zijn onderwijskundige inzichten heeft uitgebreid en verdiept. Het betreft competenties die zowel binnen als buiten het onderwijs verworven zijn.

ART. 6.

De diploma's, getuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen, vermeld in artikel 49 van het decreet van 8 mei 2009, geven toegang tot de wervingsprocedure voor het ambt van inspecteur.

ART. 7.

De aanwervingsvoorwaarden zijn uiterlijk vervuld op het ogenblik van de kandidaatstelling voor de selectieproef, vermeld in artikel 11.

ART. 8.

Er is een periode van ten minste twintig dagen tussen de datum waarop de vacature bekendgemaakt wordt in het Belgisch Staatsblad en de uiterste sollicitatiedatum.

De kandidaturen die na de uiterste sollicitatiedatum, vermeld in het eerste lid, binnenkomen of sollicitatieformulieren die niet digitaal zijn ingevuld als vermeld in artikel 5, worden niet in aanmerking genomen.

ART. 9.

Na de toepassing van de werkwijze, vermeld in artikel 65 van het decreet van 8 mei 2009, bezorgt de onderwijsinspectie de kandidaat een bevestigingsmail waarin wordt vermeld dat de elektronische sollicitatie is ontvangen en dat de kandidaat al dan niet voldoet aan de aanwervingsvoorwaarden.

De sollicitatieformulieren van de kandidaten die voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden worden voorgelegd aan de commissie, vermeld in artikel 10, § 2.

ART. 10.

§ 1. De informatie in het sollicitatieformulier wordt door de delegatie van de selectiecommissie, vermeld in artikel 13, met een eliminerend mandaat gescreend op de specifieke toelatingsvoorwaarden, die, in toepassing van artikel 63, § 4 van het decreet van 8 mei 2009, opgenomen zijn in het specifieke selectiereglement, opgesteld door de inspecteur-generaal en de betrokken coördinerend inspecteur.

Zoals bepaald in artikel 63, § 4, van het decreet van 8 mei 2009 concretiseert het specifiek selectiereglement de specifieke verwachtingen en bevat ten minste :
1° welke diploma's, getuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen toegang verlenen tot de selectieprocedure;
2° de aard en het aantal van de specifieke testen;
3° de criteria op basis waarvan wordt beoordeeld of de kandidaat geschikt is en geslaagd is;
4° de samenstelling en de werking van de selectiecommissies, die voor de helft bestaan uit personen uit de organisatie en de helft uit personen extern aan de organisatie.

§ 2. De delegatie van de selectiecommissie die de screening uitvoert bestaat uit:
1° de inspecteur-generaal of zijn gemachtigde, die hij aanwijst onder de coördinerend inspecteurs;
2° één lid van de onderwijsinspectie, aangewezen door de voorzitter;
3° twee leden die extern zijn aan de inspectie en die aangewezen worden door de voorzitter.

De inspecteur-generaal of zijn gemachtigde is de voorzitter van de delegatie van de selectiecommissie.

De voorzitter voegt aan de delegatie van de selectiecommissie een secretaris toe die belast is met de algemene organisatie.

§ 3. De delegatie van de selectiecommissie beraadslaagt geldig als ten minste twee derde van de leden aanwezig is.

§ 4. Na de screening krijgt de kandidaat een mail waarin ofwel bevestigd wordt dat hij kan deelnemen aan de selectieproef, vermeld in artikel 11, ofwel gemeld wordt dat de kandidatuur niet ontvankelijk is op basis van de specifieke toelatingsvoorwaarden.

De kandidaten die mogen deelnemen aan de selectieproef, worden met een mail op de hoogte gebracht van de modaliteiten van de selectieproef.

ART. 11.

De selectieproef voor het ambt van inspecteur bestaat uit een interview bij de selectiecommissie, vermeld in artikel 13, eventueel vooraf gegaan door een eliminerende test als vermeld in artikel 12.

De kandidaat stelt tijdens het interview zijn competentieportfolio voor en wordt ondervraagd door de leden van de selectiecommissie, vermeld in artikel 13, onder meer over de inhoud van het competentieportfolio.

Uit het interview moet blijken in welke mate de kandidaat beantwoordt aan de selectiecriteria, vermeld in artikel 14/2.

ART. 12.

De selectiecommissie, vermeld in artikel 13 kan beslissen om voorafgaand aan het interview een eliminerende test te organiseren.

De eliminerende test toetst een aantal van de selectiecriteria, vermeld in artikel 14/2.

ART. 13.

§ 1. De selectiecommissie bestaat uit:
1° de inspecteur-generaal of zijn gemachtigde, die hij aanwijst onder de coördinerend inspecteurs;
2° twee leden van de onderwijsinspectie, die aangewezen worden door de voorzitter, onder wie een inspecteur en een coördinerend inspecteur met affiniteit met het te werven profiel;
3° drie leden die extern zijn aan de inspectie en die aangewezen worden door de voorzitter.

§ 2. De inspecteur-generaal of zijn gemachtigde is de voorzitter van de commissie.

De voorzitter voegt aan de selectiecommissie een secretaris toe die belast is met de algemene organisatie.

§ 3. De selectiecommissie beraadslaagt geldig als ten minste twee derde van de leden aanwezig is. De samenstelling van de selectiecommissie is bij de beraadslaging dezelfde als tijdens het interview.

§ 4. De volgende personen mogen geen deel uitmaken van de selectiecommissie:
1° de echtgenoot van de kandidaat;
2° een bloed- of aanverwant van de kandidaat tot en met de vierde graad;
3° personen die een relationele band hebben met een kandidaat.

ART. 13/1.

...

ART. 14.

De selectiecommissie, vermeld in artikel 13, stelt haar werkingsreglement op, dat kenbaar gemaakt wordt aan de kandidaten.

ART 14/1.

De selectiecommissie, vermeld in artikel 13, kan beslissen om aanvullende externe testen te organiseren om bepaalde competenties, vermeld in artikel 14/2, bijkomend te laten testen.

Indien hiertoe beslist wordt, worden alle kandidaten aan die aanvullende externe testen onderworpen.

De resultaten van de testen, vermeld in het eerste lid, vormen een element voor de deliberatie van de kandidaten en in voorkomend geval voor de uitbouw van de aanvangsbegeleiding.

ART 14/2.

De volgende criteria worden door de selectiecommissie, vermeld in artikel 13, gebruikt om te bepalen of een kandidaat geschikt is:
1° de visie op en het inzicht in de functie;
2° de motivatie en de verwachtingen;
3° de beheersing van de generieke en de specifieke competenties of het leervermogen om ze te verwerven;
4° de inzetbaarheid in de functie en de organisatie.

ART 14/3.

De leden van de selectiecommissie, vermeld in artikel 13, beoordelen elk van de overblijvende kandidaten na de eventuele voorafgaande test waarvan sprake in artikel 12, op de vier criteria bepaald in artikel 14/2.

Het gewicht van de respectievelijke criteria wordt bepaald in het werkingsreglement bedoeld in artikel 14.

Er wordt voor alle overblijvende kandidaten een globale beoordeling gemaakt die de som is van de beoordelingen van alle leden van de selectiecommissie.

De selectiecommissie rangschikt de geslaagde kandidaten naar gelang de behaalde beoordeling.

ART 14/4.

De geslaagde kandidaten worden voor vier jaar opgenomen in een wervingsreserve.

[HOOFDSTUK III/1. ... (opgeh. BVR 5 april 2019, art. 3, I: 15 april 2019)]

ART. 14/1.

...

ART. 14/2.

...

ART. 14/3.

...

ART. 14/4.

...

[HOOFDSTUK IV. ... (opgeh. BVR 5 april 2019, art. 3, I: 15 april 2019)]

ART. 15.

...

ART. 16.

...

[HOOFDSTUK V. Toegang tot het ambt van coördinerend inspecteur en inspecteur-generaal (verv. BVR 5 april 2019, art. 4, I: 15 april 2019)]

ART. 17.

Voor de berekening van de dienstanciënniteit, vermeld in artikel 79 van het decreet van 8 mei 2009, komen alleen de diensten in aanmerking die het personeelslid heeft gepresteerd als lid van de inspectie.

Bij de berekening van de duur van de dienstanciënniteit, vermeld in artikel 79 van het voormelde decreet, zijn de bepalingen van artikel 3 van dit besluit van toepassing.

[Afdeling 2. Generiek selectiereglement voor het ambt van coördinerend inspecteur (ing. BVR 5 april 2019, art. 4, I: 15 april 2019)]

ART. 18.

Een vacature voor het ambt van coördinerend inspecteur wordt bij externe werving, zoals bedoeld in artikel 79, § 2, tweede alinea van het decreet van 8 mei 2009, ten minste bekendgemaakt:
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° op de website van de onderwijsinspectie;
3° op de website van VDAB;
4° via de geëigende communicatiekanalen van het Departement Onderwijs.

De vacature voor het ambt van coördinerend inspecteur bevat ten minste de aanwervingsvoorwaarden, vermeld in artikel 79 van het decreet van 8 mei 2009, en de specifieke toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 63, § 4, van het voormelde decreet, alsook de wijze van solliciteren.

ART. 19.

De kandidaat bezorgt uiterlijk op de uiterste sollicitatiedatum, vermeld in artikel 22, eerste lid, het digitaal ingevulde sollicitatieformulier op de wijze, vermeld in de vacature.

Het sollicitatieformulier staat op de website van de onderwijsinspectie.

Het sollicitatieformulier bevat al de volgende gegevens van de kandidaat:
1° de persoonsgegevens;
2° de gevolgde opleidingen;
3° de relevante werkervaringen;
4° het competentieportfolio dat de competenties en kwalificaties van de kandidaat inventariseert.

ART. 20.

De diploma's, getuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen, vermeld in artikel 49 van het decreet van 8 mei 2009, geven toegang tot de selectieprocedure voor het ambt van coördinerend inspecteur.

ART. 21.

De aanwervingsvoorwaarden zijn uiterlijk vervuld op het ogenblik van de kandidaatstelling voor de selectieproeven, vermeld in artikel 24.

ART. 22.

Er is een periode van ten minste twintig dagen tussen de datum waarop de vacature bekendgemaakt wordt in het Belgisch Staatsblad en de uiterste sollicitatiedatum.

De kandidaturen die na de uiterste sollicitatiedatum, vermeld in het eerste lid, binnenkomen of sollicitatieformulieren die niet digitaal zijn ingevuld als vermeld in artikel 19, worden niet in aanmerking genomen.

ART. 23.

Na de toepassing van de werkwijze, vermeld in artikel 65 van het decreet van 8 mei 2009, bezorgt de onderwijsinspectie de kandidaat een bevestigingsmail waarin wordt vermeld dat de elektronische sollicitatie is ontvangen en dat de kandidaat al dan niet voldoet aan de aanwervingsvoorwaarden.

De sollicitatieformulieren van de kandidaten die voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden, worden voorgelegd aan de selectiecommissie, vermeld in artikel 25.

ART. 24.

De testen voor de selectie in het ambt van coördinerend inspecteur zijn:
1° het opstellen van een beleidsnota waarbij de kandidaat de prioriteiten voorstelt die hij wil leggen in het ambt waarvoor hij kandideert;
2° een externe test. De resultaten van die externe test vormen een element voor de deliberatie van de kandidaten en in voorkomend geval voor de uitbouw van de aanvangsbegeleiding;
3° een interview bij de selectiecommissie, vermeld in artikel 25. Het interview bestaat uit een gesprek waaruit blijkt of de kandidaat voldoet aan de selectiecriteria, vermeld in artikel 26/1.

De kandidaat stelt tijdens het interview zijn competentieportfolio en zijn beleidsnota voor en wordt door de leden van de selectiecommissie, vermeld in artikel 25, ondervraagd over onder meer de inhoud van het competentieportfolio en de beleidsnota.

De commissie kan op basis van het aantal kandidaten beslissen om een voorafgaande, bijkomende eliminerende proef te organiseren. De eliminerende proef toetst een aantal van de selectiecriteria, vermeld in artikel 26/1.

ART. 25.

§ 1. De selectiecommissie bestaat uit:
1° de inspecteur-generaal of zijn gemachtigde;
2° vier leden die extern zijn aan de inspectie en die aangewezen worden door de voorzitter.

§ 2. De inspecteur-generaal of zijn gemachtigde is de voorzitter van de commissie.

De voorzitter voegt aan de selectiecommissie een secretaris toe die belast is met de algemene organisatie.

§ 3. De selectiecommissie beraadslaagt geldig als ten minste twee derde van de leden aanwezig is. De samenstelling van de selectiecommissie is bij de beraadslaging dezelfde als tijdens het interview.

§ 4. De volgende personen mogen geen deel uitmaken van de selectiecommissie:
1° de echtgenoot van de kandidaat;
2° een bloed- of aanverwant van de kandidaat tot en met de vierde graad;
3° personen die een relationele band hebben met een kandidaat.

ART. 26.

De selectiecommissie, vermeld in artikel 25, stelt haar werkingsreglement op, dat kenbaar gemaakt wordt aan de kandidaten.

ART 26/1.

De volgende criteria worden door de selectiecommissie, vermeld in artikel 25, gebruikt om te bepalen of een kandidaat geschikt is en geslaagd is:
1° de visie op en het inzicht in de functie;
2° de motivatie en de verwachtingen;
3° de beheersing van de generieke en de specifieke competenties, of het leervermogen om ze te verwerven;
4° de inzetbaarheid in de functie en de organisatie.

ART 26/2.

De leden van de selectiecommissie, vermeld in artikel 25, beoordelen elk van de kandidaten op de vier criteria bepaald in artikel 26/1.

Het gewicht van de respectievelijke criteria wordt bepaald in het werkingsreglement bedoeld in artikel 26.

Er wordt voor alle kandidaten een globale beoordeling gemaakt die de som is van de beoordelingen van alle leden van de selectiecommissie.

De selectiecommissie rangschikt de geslaagde kandidaten naar gelang de behaalde beoordeling.

ART 26/3.

De geslaagde kandidaten worden voor vier jaar opgenomen in een wervingsreserve.

HOOFDSTUK VI. De preventieve schorsing

ART. 27.

De preventieve schorsing, vermeld in artikel 122 van het decreet van 8 mei 2009, is een bewarende maatregel. Het personeelslid blijft tijdens die schorsing in de administratieve stand waarin het zich bevond op de dag voor de preventieve schorsing. Tijdens de preventieve schorsing wordt het personeelslid ontheven van de verplichting om dienstprestaties te leveren.

De preventieve schorsing kan worden voorgesteld voor :
1° de inspecteur door de inspecteur-generaal;
2° de coördinerend inspecteur door de inspecteur-generaal;
3° de inspecteur-generaal door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.

ART. 28.

De preventieve schorsing kan pas worden uitgesproken nadat het personeelslid werd gehoord door de persoon die de preventieve schorsing voorstelt.

De redenen om over te gaan tot de preventieve schorsing worden uiterlijk drie werkdagen voor dat verhoor met een aangetekende brief meegedeeld aan het betrokken personeelslid.

In spoedeisende gevallen kan de Vlaamse Regering de preventieve schorsing onmiddellijk uitspreken, met de verplichting de betrokkene na de uitspraak onverwijld te horen.

Tijdens het verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan door zijn raadsman.

ART. 29.

De preventieve schorsing wordt aan het betrokken personeelslid meegedeeld met een aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van de verzending van de kennisgeving. In spoedeisende gevallen heeft de preventieve schorsing onmiddellijk uitwerking.

De aangetekende brief moet de beroepsmogelijkheden vermelden.

ART. 30.

§ 1. De preventieve schorsing wordt uitgesproken voor een termijn van ten hoogste één jaar.

In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten kan de Vlaamse Regering die termijn met perioden van ten hoogste zes maanden verlengen zolang de strafrechtelijke procedure loopt.

§ 2. Als binnen de termijnen, vermeld in paragraaf 1, geen tuchtstraf wordt opgelegd, vervallen de effecten van de preventieve schorsing.

In geval van beroep tegen de uitgesproken maatregel kan de preventieve schorsing worden verlengd tot na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 53, derde lid of artikel 54.

§ 3. Aan de preventieve schorsing komt van rechtswege een einde bij de tuchtrechtelijke uitspraak over dezelfde feiten waarvoor het personeelslid preventief werd geschorst.

ART. 31.

Het personeelslid dat preventief wordt geschorst, kan beroep aantekenen bij de raad van beroep conform de procedure, vermeld in artikel 42 tot en met artikel 54.

HOOFDSTUK VII. Tuchtregeling

ART. 32.

§ 1. Elk initiatief dat ertoe strekt een tuchtstraf, als vermeld in artikel 125 van het decreet van 8 mei 2009, op te leggen, wordt schriftelijk geformuleerd, met redenen omkleed en per aangetekende brief meegedeeld aan het betrokken personeelslid.

De tuchtrechtelijke vervolging begint op de datum van de verzending van de aangetekende brief.

§ 2. De persoon die de tuchtstraf voorstelt, stelt een tuchtdossier samen.

§ 3. Een tuchtstraf mag pas worden voorgesteld nadat het personeelslid gehoord is door de persoon die de tuchtstraf voorstelt. De betrokkene mag zich laten bijstaan door zijn raadsman.

Het tuchtdossier, vermeld in paragraaf 2, mag door het betrokken personeelslid of zijn raadsman op verzoek worden geraadpleegd voor het verhoor plaatsvindt. Zij beschikken daarvoor over een termijn van ten minste tien werkdagen na de ontvangst van de oproepingsbrief, vermeld in paragraaf 4.

Desgewenst kan het personeelslid kosteloos een kopie van het dossier krijgen.

§ 4. De oproeping van het personeelslid om te verschijnen voor de persoon die de tuchtstraf voorstelt, moet betekend worden per aangetekende brief.

De oproeping moet op straffe van nietigheid melding maken van :
1° de ten laste gelegde feiten;
2° het voorstel van tuchtsanctie;
3° de plaats, de dag en het uur van het verhoor;
4° het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een raadsman;
5° de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier, vermeld in paragraaf 2 kan worden ingezien.

Er kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer ingesteld worden na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten.

In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten begint de termijn van zes maanden te lopen op de dag dat de persoon die een tuchtstraf kan voorstellen, door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt.

§ 5. Van het verhoor wordt op de zitting een proces-verbaal opgemaakt, dat getrouw de verklaringen van de gehoorde weergeeft. Het proces-verbaal wordt voorgelezen en de betrokkene wordt verzocht het te ondertekenen.

Als de betrokkene, die opgeroepen is met inachtneming van de te volgen procedure, niet verschijnt, beslist de persoon die de tuchtstraf voorstelt, bij verstek, over het voorstel tot tuchtstraf.

Als de verhindering gewettigd blijkt, kan het personeelslid tegen de beslissing verzet aantekenen binnen tien werkdagen nadat de beslissing hem per aangetekende brief werd betekend.

In dat geval wordt het dossier heropend en beslist de persoon die bevoegd is voor het voorstellen van de tuchtstraf, na een nieuwe oproep met inachtneming van de te volgen procedure, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, over het voorstel tot tuchtstraf.

§ 6. De persoon die bevoegd is om de tuchtstraf voor te stellen, kan op de zitting ambtshalve, en moet, op verzoek van de betrokkene, getuigen horen.

In dit geval vindt het verhoor plaats in aanwezigheid van de betrokkene.

§ 7. De persoon die bevoegd is om de tuchtstraf voor te stellen, beslist uiterlijk binnen zes weken na het opstellen van het proces-verbaal van verhoor of van niet-verschijnen over het voorstel tot tuchtstraf.

Nadat die termijn verstreken is, wordt hij geacht af te zien van de uitoefening van zijn tuchtrechtelijke bevoegdheid.

De beslissing waarbij een tuchtstraf wordt voorgesteld, wordt met redenen omkleed.

§ 8. De volledige beslissing waarbij de tuchtstraf wordt voorgesteld, wordt onmiddellijk aan het personeelslid betekend met een aangetekende brief, die uitwerking heeft vanaf de derde werkdag na de datum van de verzending.

Die brief vermeldt de beroepsmogelijkheden.

ART. 33.

Als verscheidene feiten die verband houden met elkaar, ten laste van het personeelslid worden gelegd, kan dit slechts aanleiding geven tot één tuchtprocedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf.

Als hem in de loop van de tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd dat geen verband houdt met de lopende tuchtprocedure, kan dat aanleiding geven tot een nieuwe procedure.

ART. 34.

De persoon die bevoegd is om de tuchtstraf voor te stellen, kan bij een strafrechtelijke vervolging betreffende feiten waarvoor een tuchtprocedure is ingesteld, de tuchtprocedure en de tuchtuitspraak opschorten.

Ongeacht de uitslag van de strafrechtelijke vervolging oordeelt alleen de persoon die bevoegd is om de tuchtstraf voor te stellen, over de toepassing van de tuchtstraffen.

In geval van strafrechtelijke vervolging moet de tuchtvordering ingesteld worden binnen zes maanden na de dag dat de persoon die bevoegd is om de tuchtstraf voor te stellen door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat er een onherroepelijke beslissing is uitgesproken of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt.

ART. 35.

Elke tuchtstraf wordt in het personeelsdossier van het betrokken personeelslid opgenomen.

HOOFDSTUK VIII. Raad van beroep

Afdeling I. Samenstelling en werking

ART. 36.

De raad van beroep is samengesteld uit een voorzitter, leden van wie het aantal wordt bepaald op basis van het aantal representatieve vakorganisaties die zitting hebben in het Sectorcomité X, en een secretaris. De secretaris is niet stemgerechtigd.

Het aantal leden is gelijk aan tweemaal het aantal vakorganisaties dat zitting heeft in Sectorcomité X.

ART. 37.

§ 1. De Vlaamse Regering wijst voor de raad van beroep aan :
1° een voorzitter en een plaatsvervangende voorzitter;
2° leden, van wie de Vlaamse Regering de ene helft rechtstreeks aanwijst onder de leden van de inspectie, en van wie de Vlaamse Regering de andere helft aanwijst uit kandidaten, voorgedragen door de representatieve vakorganisaties;
3° onder dezelfde voorwaarden, een plaatsvervanger per effectief lid. Een plaatsvervangend lid kan alleen zitting hebben als het effectieve lid afwezig is of als het effectieve lid gewraakt wordt.

§ 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, wijst een secretaris en een plaatsvervangend secretaris aan onder de personeelsleden van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming die behoren tot niveau A.

ART. 38.

§ 1. De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter,de leden en de plaatsvervangende leden worden aangesteld voor onbepaalde duur.

Het mandaat eindigt :
1° in geval van ontslagneming;
2° als de organisatie die de betrokkene heeft voorgedragen, om zijn vervanging verzoekt;
3° in geval van overlijden.

Bij het beëindigen van een mandaat van een voorzitter of van een lid stelt de Vlaamse Regering een vervanger aan.

§ 2. Tijdens hun mandaat kunnen de effectieve en de plaatsvervangende voorzitter en de leden geen personeelslid bijstaan of vertegenwoordigen in de raad van beroep.

§ 3. De effectieve of plaatsvervangende voorzitter ontvangt per zitting een vergoeding van 50 euro.

§ 4. De secretaris ontvangt een vergoeding van 25 euro per zitting als die geheel of gedeeltelijk plaatsvindt buiten de normale diensttijd.

§ 5. Het mandaat van de leden wordt niet vergoed. Zij kunnen evenwel aanspraak maken op de reis- en dagvergoeding voor binnenlandse reizen overeenkomstig de ter zake geldende reglementering die van toepassing is op de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid.

§ 6. De samenstelling van de raad van beroep wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

ART. 39.

De voorzitter regelt de werkzaamheden van de raad van beroep.

ART. 40.

De werkingskosten van de raad van beroep komen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.

De zetel van de raad van beroep is gevestigd in Brussel.

ART. 41.

De raad van beroep stelt een werkingsreglement op.

Afdeling II. Procedure in beroep

ART. 42.

§ 1. Een personeelslid kan per aangetekende brief beroep instellen bij de raad van beroep, naargelang van het geval, binnen :
1° ...;
2° vijf kalenderdagen na de ontvangst van het ontslag om dringende redenen;
3° twintig kalenderdagen na de ontvangst van het evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende";
4° twintig kalenderdagen vanaf de dag waarop het voorstel tot tuchtstraf ter visering wordt voorgelegd;
5° twintig kalenderdagen na de schriftelijke mededeling van de preventieve schorsing.

Het beroep moet, met uitzondering van punt 1° en 2°, op straffe van niet-ontvankelijkheid gemotiveerd zijn.

§ 2. Als de aangetekende brief waarbij het voorstel tot tuchtstraf, de evaluatie met eindconclusie onvoldoende, het voorstel tot ontslag na de beëindiging van de proeftijd, de preventieve schorsing of het ontslag om dringende redenen aan het personeelslid wordt bekendgemaakt de beroepsmogelijkheden niet vermeldt, begint de beroepstermijn niet te lopen.

§ 3. Na het verstrijken van de beroepstermijnen, voorzien in paragraaf 1, wordt de evaluatie met eindconclusie onvoldoende, het ontslag na de beëindiging van de proeftijd, de preventieve schorsing of het ontslag om dringende redenen definitief.

Na het verstrijken van de beroepstermijn, voorzien in paragraaf 1, eerste lid, 4° wordt het dossier voor beslissing voorgelegd aan de Vlaamse Regering, die bevoegd is om de tuchtstraf definitief uit te spreken. De tuchtstraf is in dit geval definitief op het moment dat de Vlaamse Regering de definitieve beslissing neemt over de tuchtstraf.

ART. 43.

De raad van beroep mag niet beraadslagen over een beroep als het personeelslid niet met een aangetekende brief is opgeroepen.

ART. 44.

Zodra een zaak bij de raad van beroep aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitter en de leden van de raad van beroep.

Binnen tien werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en van een of meer leden van de raad, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.

Als zowel de voorzitter als de plaatsvervangende voorzitter worden gewraakt, wijst de Vlaamse Regering een andere plaatsvervangende voorzitter aan om zitting te hebben in de zaak.

ART. 45.

De redenen van wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.

De voorzitter die, of een lid van de raad van beroep dat weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden.

ART. 46.

De raad van beroep heeft rechtsgeldig zitting zodra de voorzitter, twee leden, rechtstreeks aangewezen door de Vlaamse Regering onder de leden van de inspectie, en twee leden, aangewezen door de Vlaamse Regering uit door de representatieve vakorganisaties voorgedragen kandidaten, aanwezig zijn.

ART. 47.

§ 1. De raad van beroep kan een aanvullend onderzoek bevelen en kan ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman getuigen horen. In dat geval vindt het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van de betrokkene.

De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord.

§ 2. De zittingen van de raad van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of goede zeden.

Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.

ART. 48.

De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.

Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de raad van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, dan kan het personeelslid binnen tien werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, hiertegen verzet aantekenen. In dat geval wordt de raad van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist hij, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk over het uit te brengen advies.

ART. 49.

De stemming is verplicht en geheim.

De leden die rechtstreeks aangewezen zijn door de Vlaamse Regering en de leden die aangewezen zijn op voordracht van de representatieve vakorganisaties, moeten even talrijk zijn bij een stemming. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door loting. De raad van beroep beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen advies.

Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

ART. 50.

In afwijking van de artikelen 46 en 49 beslist de raad van beroep op een tweede zitting over het uit te brengen advies, ongeacht of de vertegenwoordigers, vermeld in de artikelen 46 en 49, aanwezig zijn.

ART. 51.

De raad van beroep beslist over het uit te brengen advies binnen :
1° dertig kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift in het geval van een ontslag na de proeftijd of een evaluatie met eindconclusie onvoldoende;
2° twintig kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift in het geval van een ontslag om dringende redenen en preventieve schorsing;
3° zestig kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift in het geval van een voorstel tot tuchtstraf.

De raad van beroep heeft de bevoegdheid om het voorstel of de beslissing waartegen beroep werd aangetekend, te bevestigen of te vernietigen. In het geval van een beroep tegen een voorstel tot tuchtstraf heeft hij daarnaast ook nog de mogelijkheid om een advies uit te brengen over een lichtere tuchtstraf.

ART. 52.

De instantie die na een beroep tegen een voorstel tot tuchtstraf de definitieve beslissing neemt, kan geen hogere tuchtstraf uitspreken dan het voorstel tot tuchtstraf waartegen het beroep is ingesteld.

ART. 53.

De tuchtstraf, de evaluatie met eindconclusie onvoldoende, het ontslag na de beëindiging van de proeftijd, de preventieve schorsing of het ontslag om dringende redenen wordt definitief op het ogenblik dat de raad van beroep een eenparig advies heeft uitgebracht.

Als de raad van beroep geen eenparig advies heeft uitgebracht, stuurt hij het dossier binnen vijftien kalenderdagen naar de Vlaamse Regering. Hij brengt de Vlaamse Regering op de hoogte van zijn gemotiveerde advies, waarin vermeld wordt met hoeveel stemmen, voor of tegen, het advies werd uitgebracht.

De secretaris deelt het advies en, bij eenparigheid, de beslissing van de raad van beroep met een aangetekende brief mee aan de partijen binnen tien kalenderdagen na de vergadering waarin het advies werd geformuleerd of de beslissing werd genomen. Het advies of de beslissing wordt met redenen omkleed.

ART. 54.

De Vlaamse Regering beslist binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de datum van de ontvangst van het advies. De tuchtstraf, de evaluatie met eindconclusie onvoldoende, het ontslag na de beëindiging van de proeftijd, de preventieve schorsing of het ontslag om dringende redenen worden in dit geval definitief op het ogenblik dat de Vlaamse Regering een beslissing neemt.

De beslissing van de Vlaamse Regering wordt met een aangetekende brief aan de partijen meegedeeld binnen tien kalenderdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen.

HOOFDSTUK IX. Bezoldigingen en vergoedingen

Afdeling I. Bezoldiging

Onderafdeling 1. Bezoldiging inspecteurs

ART. 55.

De salarisschalen die verbonden zijn aan het ambt van inspecteur, worden als volgt bepaald :
1° de inspecteur die in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van het niveau master, met uitzondering van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 541;
2° de inspecteur die in het bezit is van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 544;
3° de inspecteur die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in 1° en 2°, heeft recht op salarisschaal 354.

ART. 56.

Met bekwaamheidsbewijs van het niveau master wordt bedoeld : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, 1° tot en met 11°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregels in het secundair onderwijs.

De inspecteur die een bekwaamheidsbewijs als vermeld in artikel 55, 1° of 2°, behaalt na de aanstelling in het ambt van inspecteur, kan het recht op een hogere salarisschaal doen gelden op datum van het behalen van het diploma of de graad.

ART. 57.

De salarisschalen, vermeld in artikel 55, worden vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs.

Onderafdeling 2. Bezoldiging coördinerend inspecteurs

ART. 58.

De salarisschalen die verbonden zijn aan het ambt van coördinerend inspecteur, worden als volgt bepaald :
1° de coördinerend inspecteur die in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van het niveau master, met uitzondering van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 859;
2° de coördinerend inspecteur die in het bezit is van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 862;
3° de coördinerend inspecteur die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in 1° en 2°, heeft recht op salarisschaal 854.

ART. 59.

Met bekwaamheidsbewijs van het niveau master wordt bedoeld : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, 1° tot en met 11° van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregels in het secundair onderwijs.

De coördinerend inspecteur die een diploma als vermeld in artikel 58, 1° of 2°, behaalt na de aanstelling in het ambt van coördinerend inspecteur, kan het recht op een hogere salarisschaal doen gelden op datum van het behalen van het diploma of de graad.

ART. 60.

De salarisschalen, vermeld in artikel 58, worden vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs.

Onderafdeling 3. Bezoldiging inspecteur-generaal

ART. 61.

De salarisschalen die verbonden zijn aan het ambt van inspecteur-generaal, worden als volgt bepaald :
1° de inspecteur-generaal die in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van het niveau master, met uitzondering van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 869;
2° de inspecteur-generaal die in het bezit is van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 872;
3° de inspecteur-generaal die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in 1° en 2°, heeft recht op salarisschaal 864.

ART. 62.

Met bekwaamheidsbewijs van het niveau master wordt bedoeld : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, 1° tot en met 11° van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregels in het secundair onderwijs.

De inspecteur-generaal die een bekwaamheidsbewijs als vermeld in artikel 61, 1° of 2°, behaalt na de aanstelling in het ambt van inspecteur-generaal, kan het recht op een hogere salarisschaal doen gelden op datum van het behalen van het diploma of de graad.

ART. 63.

De salarisschalen, vermeld in artikel 61, worden vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs.

Afdeling II. Woon-werkverkeer en reis- en verblijfkosten

Onderafdeling 1. Vergoeding voor woon-werkverkeer en reis- en verblijfkosten voor inspecteurs [, coördinerend inspecteurs en inspecteur-generaal (ing. BVR 5 april 2019, art. 6, I: 15 april 2019)]

ART. 64.

§ 1. De inspecteurs van wie het ambtsgebied gelijk is aan standplaatsgebied-west of -oost, hebben recht op een forfaitaire vergoeding om de reis- en verblijfkosten te dekken die verbonden zijn aan de uitoefening van hun ambt. Die vergoeding wordt vastgesteld op 2.503,27 euro per jaar.

De inspecteurs van wie het ambtsgebied gelijk is aan standplaatsgebied-west en -oost, hebben recht op een forfaitaire vergoeding om de reis- en verblijfkosten te dekken die verbonden zijn aan de uitoefening van hun ambt. Die vergoeding wordt vastgesteld op 3.188,36 euro per jaar. Deze forfaitaire vergoeding geldt ook voor de coördinerend inspecteurs en de inspecteur-generaal.

Het ambtsgebied is het gebied waar inspectieopdrachten worden uitgevoerd en dat vastgesteld wordt door de inspecteur-generaal;

Het standplaatsgebied-west : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de provincie West-Vlaanderen, de provincie Oost-Vlaanderen, het arrondissement Antwerpen;

Het standplaatsgebied-oost : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de provincie Vlaams-Brabant, de provincie Limburg, het arrondissement Mechelen en het arrondissement Turnhout.

§ 2. De bedragen, vermeld in paragraaf 1 volgen de evolutie van het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994. Het bedrag wordt aan het spilindexcijfer 138.01 gekoppeld.

§ 3. De forfaitaire vergoedingen, vermeld in paragraaf 1, worden in maandelijkse schijven uitbetaald. De vergoedingen worden met 1/12 ingehouden voor elke onderbreking van de ambtsuitoefening gedurende een periode van dertig aaneensluitende kalenderdagen.

§ 4. De inspecteur die op basis van bewijsstukken kan aantonen dat de reële reis- en verblijfkosten die hij heeft gemaakt in de uitoefening van zijn ambt  hoger zijn dan de forfaitaire vergoeding waarop hij recht heeft op jaarbasis, krijgt het verschil tussen de reële kosten en de forfaitaire vergoeding uitbetaald. Hij dient hiervoor een gedetailleerde onkostenstaat in ten laatste in de maand februari die volgt op het jaar waarop de uitgaven betrekking hebben. Onkostenstaten die na deze termijn nog worden ingediend zijn onontvankelijk. De reële uitgaven voor reis- en verblijfskosten worden slechts terugbetaald tot het beloop van de maximale bedragen die gelden voor de ambtenaren van de Vlaamse overheid voor binnenlandse dienstreizen.

De betaling van het verschil tussen de reële kosten en de forfaitaire vergoeding gebeurt binnen twee maanden nadat de inspecteur de gedetailleerde onkostenstaat heeft ingediend.

[... (opgeh. BVR 5 april 2019, art. 8, I: 15 april 2019)]

ART. 65.

Inspecteurs en coördinerend inspecteurs die hun opdracht uitsluitend uitvoeren op het adres van de onderwijsinspectie, kunnen in plaats van de van toepassing zijnde forfaitaire vergoeding voor reis- en verblijfskosten, vermeld in artikel 64, § 1, kiezen voor de terugbetaling van het woon-werkverkeer en een reis-, maaltijd- en hotelvergoeding voor binnenlandse en buitenlandse dienstreizen conform de geldende regeling voor de ambtenaren van de Vlaamse overheid.

De inspecteur-generaal die zijn opdracht uitsluitend uitvoert op het adres van de onderwijsinspectie, kan in plaats van de forfaitaire vergoeding voor reis- en verblijfkosten, vermeld in artikel 64, § 1, tweede alinea kiezen voor een mobiliteitskrediet zoals uitgewerkt in artikel V 12bis van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 en een reis-, maaltijd- en hotelvergoeding voor binnenlandse en buitenlandse dienstreizen conform de geldende regeling voor de ambtenaren van de Vlaamse overheid.

Afdeling III. ICT-vergoeding

ART. 66.

§ 1. De leden van de inspectie die niet beschikken over een permanent kantoor in de gebouwen van de diensten van de Vlaamse Regering, hebben recht op een forfaitaire ICT-vergoeding. Deze vergoeding is bestemd voor de inrichting van het thuiskantoor met de noodzakelijke ICT-voorzieningen en wordt vastgesteld op 474,60 euro per jaar. De ICT-vergoeding wordt aangewend door de betrokken inspecteur om informatica en communicatiemiddelen te voorzien in functie van de uitvoering van zijn ambt.

§ 2. De ICT-vergoeding wordt in maandelijkse schijven uitbetaald.

§ 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 1, volgt de evolutie van het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994. Het bedrag wordt aan het spilindexcijfer 138.01 gekoppeld.

Afdeling IV. Vergoeding voor werkingskosten

ART. 67.

§ 1. De leden van de inspectie die niet beschikken over een permanent kantoor in de gebouwen van de diensten van de Vlaamse Regering, hebben recht op een forfaitaire vergoeding voor werkingskosten. Deze vergoeding is bestemd voor de werkingskosten verbonden aan de uitoefening van hun ambt en wordt vastgesteld op 476 euro per jaar.

§ 2. De vergoeding voor werkingskosten wordt in maandelijkse schijven uitbetaald. De vergoeding wordt met 1/12 ingehouden voor elke onderbreking van de ambtsuitoefening gedurende een periode van dertig aaneensluitende kalenderdagen.

§ 3. Het bedrag, vermeld in paragraaf 1, volgt de evolutie van het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994. Het bedrag wordt aan het spilindexcijfer 138.01 gekoppeld.

HOOFDSTUK X. Vakantie- en prestatieregeling

ART. 68.

§ 1. De prestatieregeling van de inspecteurs bedraagt 38 uur per week voor een voltijds ambt.

§ 2. De inspecteurs genieten een jaarlijkse vakantie die als volgt wordt vastgesteld :
1° de kerstvakantie begint op de maandag van de week waarin 25 december valt en duurt twee weken. Als 25 december op een zaterdag of een zondag valt, begint de kerstvakantie op de maandag na 25 december;
2° de paasvakantie begint op de eerste maandag van april en duurt twee weken. Als Pasen in de maand maart valt, begint de paasvakantie op de maandag na Pasen. Als Pasen na 15 april valt, begint de paasvakantie op de tweede maandag voor Pasen;
3° de zomervakantie begint op 6 juli en duurt tot en met 15 augustus.

In afwijking van het eerste lid kan een inspecteur, na goedkeuring door de inspecteur-generaal, één week vakantie van de zomervakantie verplaatsen naar een ander tijdstip.

§ 3. De vakantie- en prestatieregeling van de coördinerend inspecteurs en van de inspecteur-generaal is dezelfde als de vakantie- en prestatieregeling van de ambtenaren van de Vlaamse overheid.

HOOFDSTUK XI. Verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen

ART. 69.

Het vastbenoemde personeelslid van de inspectie dat tijdelijk wordt aangesteld in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal, krijgt een verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.

Het verlof wordt verleend door de inspecteur-generaal voor de inspecteur en door de Vlaamse Regering voor de coördinerend inspecteur voor de volledige opdracht waarvoor het personeelslid vastbenoemd is.

Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het wordt toegekend voor de duur van de tijdelijke aanstelling.

Met behoud van de bepalingen in artikel 70 en artikel 71 heeft het personeelslid tijdens het verlof geen recht op salaris voor de prestaties waarvoor het verlof werd toegekend.

ART. 70.

Het personeelslid, vermeld in artikel 69, heeft recht op het brutojaarsalaris vastbenoemde dat hem als vastbenoemd personeelslid uitgekeerd wordt, verhoogd met de toelage, vermeld in artikel 71.

Het brutojaarsalaris vastbenoemde is het brutojaarsalaris waarop het personeelslid aanspraak kan maken voor het geheel van de opdracht waarvoor het vastbenoemd is.

Het brutojaarsalaris is het salaris tegen 100 %, vastgesteld in de salarisschaal die verbonden is aan het ambt waarin het personeelslid zijn opdracht uitoefent of waarvoor het vastbenoemd is, rekening houdend met het bekwaamheidsbewijs dat het personeelslid bezit. Dat salaris schommelt met het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Het bedrag wordt aan het spilindexcijfer 138.01 gekoppeld.

ART. 71.

Het personeelslid heeft recht op een toelage voor de uitoefening van een beter bezoldigde opdracht.

De toelage wordt aan het personeelslid verleend vanaf de dag waarop het de andere opdracht die de toekenning van de toelage wettigt, daadwerkelijk uitoefent.

Met uitzondering van de jaarlijkse vakantie, vermeld in artikel 68, is de toelage bij een onderbreking van de opdracht die de toekenning van de toelage wettigt, alleen verschuldigd als de onderbreking niet langer dan veertien opeenvolgende kalenderdagen duurt.

Het jaarbedrag van de toelage is gelijk aan het verschil tussen het brutojaarsalaris werkelijke opdracht en het brutojaarsalaris vastbenoemde. Het brutojaarsalaris werkelijke opdracht is het brutojaarsalaris waarop het personeelslid aanspraak kan maken in het ambt dat hij werkelijk uitoefent.

Het maandbedrag van de toelage is gelijk aan een twaalfde van het jaarbedrag. Als de toelage niet voor de volledige maand verschuldigd is, wordt ze in dertigsten verdeeld, overeenkomstig de regels voor de uitbetaling van het salaris.

De toelage wordt maandelijks betaald nadat de termijn vervallen is.

HOOFDSTUK XII. Verlof om een mandaat uit te oefenen

ART. 72.

§ 1.Het vastbenoemde personeelslid bij de inspectie krijgt een verlof om het mandaat van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal uit te oefenen.

§ 2. Het verlof, vermeld in paragraaf 1, wordt voor de inspecteur toegekend door de inspecteur-generaal en voor de coördinerend inspecteur door de Vlaamse Regering.

Het verlof wordt verleend voor de volledige opdracht waarvoor het personeelslid vastbenoemd is.

Het verlof eindigt op het ogenblik dat het mandaat eindigt.

§ 3. Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Met behoud van de bepalingen in artikel 74 heeft het personeelslid tijdens het verlof geen recht op salaris voor de prestaties waarvoor het verlof wordt toegekend.

ART. 73.

De houder van een mandaat in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal kan elke vorm van verlof, terbeschikkingstelling, afwezigheid of non-activiteit verkrijgen als hij voldoet aan alle voorwaarden die ter zake gelden.

ART. 74.

§ 1. Het jaarsalaris tegen 100 % van de houder van een mandaat in het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal is het jaarsalaris tegen 100 %, vastgesteld in een van de salarisschalen voor het ambt van coördinerend inspecteur of inspecteur-generaal, vermeld in artikel 58 en artikel 61.

§ 2. De mandaathouder die vastbenoemd is in een ambt bij de inspectie, ontvangt een salaris dat als vastbenoemde wordt uitgekeerd. De andere mandaathouders ontvangen het salaris dat aan een tijdelijk personeelslid wordt uitgekeerd.

§ 3. Het personeelslid ontvangt het salaris vanaf de dag waarop hij het mandaat effectief opneemt.

Het personeelslid behoudt het salaris gedurende de jaarlijkse vakantie, vermeld in artikel 68.

§ 4. De geldelijke toestand van de mandaathouder, vermeld in artikel 73, wordt geregeld overeenkomstig de specifieke voorschriften van het verlof, de terbeschikkingstelling, de afwezigheid of de non-activiteit.

TITEL III. De pedagogische begeleidingsdiensten

HOOFDSTUK I. Vaststelling van ambten

ART. 75.

De ambten die de leden van de pedagogische begeleidingsdiensten kunnen uitoefenen, worden als volgt vastgesteld :
1° pedagogisch adviseur;
2° adviseur-coördinator.

Die ambten worden beschouwd als bevorderingsambten.

HOOFDSTUK II. Bezoldiging

ART. 76.

§ 1. De salarisschalen die verbonden zijn aan het ambt van pedagogisch adviseur, worden als volgt bepaald :
1° de pedagogisch adviseur die in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van het niveau master, met uitzondering van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 541;
2° de pedagogisch adviseur die in het bezit is van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 544;
3° de pedagogisch adviseur die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in 1° en 2°, heeft recht op salarisschaal 354.

Met bekwaamheidsbewijs van het niveau master wordt bedoeld : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6, 1° tot en met 11° van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregels in het secundair onderwijs.

§ 2. De pedagogisch adviseur die een bekwaamheidsbewijs als vermeld in paragraaf 1, 1° of 2° behaalt na de aanstelling in het ambt van pedagogisch adviseur, kan het recht op een hogere salarisschaal doen gelden op datum van het behalen van het diploma of de graad.

ART. 77.

§ 1. De salarisschalen die verbonden zijn aan het ambt van adviseur-coördinator, worden als volgt bepaald :
1° de adviseur-coördinator die in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs van het niveau master, met uitzondering van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 859;
2° de adviseur-coördinator die in het bezit is van de graad van doctor, heeft recht op salarisschaal 862;
3° de adviseur-coördinator die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in 1° en 2°, heeft recht op salarisschaal 854.

Met bekwaamheidsbewijs van het niveau master wordt bedoeld : een van de basisdiploma's, vermeld in artikel 6 1° tot en met 11° van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregels in het secundair onderwijs.

§ 2. De adviseur-coördinator die een diploma als vermeld in paragraaf 1, 1° of 2° behaalt na de aanstelling in het ambt van adviseur-coördinator, kan het recht op een hogere salarisschaal doen gelden op datum van het behalen van het diploma of de graad.

ART. 78.

De salarisschalen vermeld in artikel 76 en 77, worden vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs.

HOOFDSTUK III. Vakantie- en prestatieregeling

ART. 79.

De leden van de pedagogische begeleidingsdiensten genieten een jaarlijkse vakantie, die als volgt wordt vastgesteld :
1° de kerstvakantie begint op de maandag van de week waarin 25 december valt en duurt twee weken. Als 25 december op een zaterdag of een zondag valt, begint de kerstvakantie op de maandag na 25 december;
2° de paasvakantie begint op de eerste maandag van april en duurt twee weken. Als Pasen in de maand maart valt, begint de paasvakantie op de maandag na Pasen. Als Pasen na 15 april valt, begint de paasvakantie op de tweede maandag voor Pasen;
3° de zomervakantie bestaat uit zes weken te nemen tussen 1 juli en 31 augustus, waarvan minstens vier opeenvolgende weken.

ART. 80.

De prestatieregeling van de pedagogische adviseurs en de adviseur-coördinatoren bedraagt 38 uur per week voor een voltijds ambt.

TITEL IV. Wijzigingsbepalingen

HOOFDSTUK I. Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot uitvoering van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken

ART. 81.

In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot uitvoering van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 1999, worden de woorden "coördinerend inspecteur-generaal" telkens vervangen door de woorden "inspecteur-generaal".

ART. 82.

Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :

"Art. 3. De bepalingen van artikel 27, eerste lid, en de artikelen 28 tot en met 31 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010 tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs met betrekking tot de rechtspositie zijn van toepassing op de personeelsleden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken."

ART. 83.

Artikel 4 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :

"Art. 4. De bepalingen van titel II, hoofdstuk VII, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010 zijn van toepassing op de personeelsleden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken."

ART. 84.

In artikel 5 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :

"§ 1. De bepalingen van titel II, hoofdstuk VIII, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010 zijn van toepassing op de personeelsleden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken."

ART. 85.

In artikel 6 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° in paragraaf 1 worden de woorden "in artikel 77 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten" vervangen door de woorden "in artikel 21, § 3 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken";

2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :

"§ 3. De terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking gaat in op 1 september.";

3° er wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt :

"§ 4. Het wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde personeelslid geniet een wachtgeld dat de eerste twee jaar gelijk is aan zijn laatste activiteitswedde.

Vanaf het derde jaar wordt dat wachtgeld elk jaar met 20 % verminderd. Het mag evenwel niet lager zijn dan zoveel keer een dertigste van de laatste activiteitswedde als het personeelslid op de datum van zijn terbeschikkingstelling dienstjaren telt. De opeenvolgende verminderingen worden berekend met de laatste activiteitswedde als basis.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder dienstjaren verstaan : de jaren die in aanmerking komen voor de berekening van het rustpensioen. De bonificaties wegens diploma's tellen niet mee. De militaire dienst, verricht voor de indiensttreding, wordt echter niet in aanmerking genomen, en de in aanmerking komende militaire dienst wordt alleen meegerekend voor zijn gewone duur."

ART. 86.

Artikel 10 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :

"Art. 10. De bepalingen van titel II, hoofdstuk X, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010 zijn van toepassing op de leden van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken."

HOOFDSTUK II. Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 1998 tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vast benoemd zijn

ART. 87.

In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 1998 tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vast benoemd zijn, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :

"§ 1. Dit besluit is van toepassing op de volgende personeelsleden als ze vastbenoemd zijn en hun ambt uitoefenen als hoofdambt :
1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;
3° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.";

2° In paragraaf 2 wordt punt 3° vervangen door wat volgt :

"3° tijdelijk een ambt uitoefenen ter uitvoering van :
a) artikel 50 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;
b) artikel 42 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra;
c) artikel 11, § 2, van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken."

ART. 88.

In artikel 4 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :

" § 1. In afwijking van artikel 2, § 1 kunnen de personeelsleden, vermeld in artikel 1, § 1 het verlof om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen, ook krijgen om :
1° tijdelijk een ambt uit te oefenen in een hogeschool als vermeld in artikel 4 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
2° tijdelijk een ambt uit te oefenen als vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs onder de voorwaarden vermeld in artikel 98 tot en met 105 van hetzelfde decreet."

ART. 89.

Artikel 5 van het hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :

"Art. 5. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op :
1° de personeelsleden aan wie een verlof wordt toegekend om tijdelijk een ambt uit te oefenen in een hogeschool als vermeld in artikel 4 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
2° de personeelsleden aan wie een verlof wordt toegekend om tijdelijk een ambt uit te oefenen als vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs."

TITEL V. Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen

ART. 90.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 1991 tot uitvoering van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor Onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2007, wordt opgeheven.

ART. 91.

Het personeelslid van de pedagogische begeleidingsdiensten dat op 31 augustus 2009 tijdelijk is aangesteld of vast benoemd is in het ambt van pedagogisch adviseur of adviseur-coördinator behoudt zijn salarisschaal, tenzij hij recht heeft op een hogere salarisschaal.

ART. 92.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2009.

ART. 93.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.