Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de regeling van de jaarlijkse vakantie voor de administratief medewerker en voor bepaalde personeelsleden van het administratief personeel in het onderwijs

  • goedkeuringsdatum
    27 MEI 2011
  • publicatiedatum
    B.S.29/06/2011
  • datum laatste wijziging
    29/06/2011

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, artikel 77, eerste lid;

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 51, eerste lid;

Gelet op het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs-XIV, artikel X.61, 1° en 2°;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 december 1967, genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 25 oktober 2002 houdende maatregelen betreffende het prestatiestelsel, het jaarlijks vakantieverlof, sommige administratieve standen en de bezoldigingsregeling van het ondersteunend personeel tewerkgesteld in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 27 januari 2011;

Gelet op protocol nr. 743 van 8 april 2011 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X en van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op protocol nr. 510 van 8 april 2011 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in het overkoepelend onderhandelingscomité, vermeld in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op advies 49.509/1 van de Raad van State, gegeven op 5 mei 2011, met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden die vastbenoemd zijn in een ambt van :

1° administratief medewerker in de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs;

2° administratief medewerker in de personeelscategorie van het ondersteunend personeel in het secundair onderwijs of het volwassenenonderwijs;

3° het administratief personeel in een instelling van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs of van het deeltijds kunstonderwijs.

Dit besluit is ook van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn in een ambt als vermeld in het eerste lid, als de vakantieperiodes, vermeld in dit besluit, binnen de periode van hun tijdelijke aanstelling vallen.

Art. 2.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° inrichtende macht : de inrichtende machten van instellingen van het basisonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs, het secundair onderwijs en het volwassenenonderwijs waarop de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van toepassing zijn;

2° herfstvakantie : de vakantie die begint op de maandag van de week waarin 1 november valt, en die één week duurt. Als 1 november op een zondag valt, begint de herfstvakantie op 2 november;

3° kerstvakantie : de vakantie die begint op de maandag van de week waarin 25 december valt, en die twee weken duurt. Als 25 december op een zaterdag of een zondag valt, begint de kerstvakantie de maandag na 25 december;

4° krokusvakantie : de vakantie die begint op de zevende maandag vóór Pasen, en die één week duurt;

5° paasvakantie : de vakantie die begint op de eerste maandag van april, en die twee weken duurt. Als Pasen in de maand maart valt, begint de paasvakantie op de maandag na Pasen. Als Pasen na 15 april valt, begint de paasvakantie op de tweede maandag vóór Pasen;

6° zomervakantie : de vakantie die begint op 1 juli en eindigt op 31 augustus.

7° wettelijke feestdagen : 1 januari, paasmaandag, 1 mei, Hemelvaartsdag, pinkstermaandag, 21 juli, 15 augustus, 1 november, 11 november en 25 december. Voor de toepassing van dit besluit wordt de dag na Hemelvaartsdag ook als een wettelijke feestdag beschouwd;

8° decretale feestdag : 11 juli;

9° facultatieve vakantiedagen : de facultatieve vakantiedag of -dagen die een instelling kan organiseren. Voor een instelling van het basisonderwijs gaat het om de facultatieve vakantiedagen, vermeld in artikelen 6 en 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Voor een instelling van het secundair onderwijs gaat het om de facultatieve vakantiedagen, vermeld in artikel 6, 3° en in artikel 7, 7° van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs. Voor een instelling van het volwassenenonderwijs gaat het om de facultatieve vakantiedagen, vermeld in artikelen 8quinquies en 8sexies van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2007 tot regeling van een aantal aangelegenheden voor de Centra voor Volwassenenonderwijs in uitvoering van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

HOOFDSTUK 2. - De jaarlijkse vakantie

Art. 3.

§ 1. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, genieten een jaarlijkse vakantie die bestaat uit de periodes vermeld in artikel 2, 2° tot en met 9°, eventueel verminderd met een aantal te presteren dagen als vermeld in artikel 5.

Een personeelslid heeft alleszins recht op een ononderbroken vakantie van 5 weken tijdens de zomervakantie, waarin in ieder geval de periode van 15 juli tot en met 15 augustus valt.

§ 2. Als een instelling een afwijkende regeling voor de vakantieperiodes heeft, wordt de jaarlijkse vakantie in afwijking van paragraaf 1 overeenkomstig aangepast.

Voor een instelling van het basisonderwijs betreft het de regeling, vermeld in artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.

Voor een instelling van het secundair onderwijs betreft het de regeling, vermeld in artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs.

Voor een instelling van het volwassenenonderwijs betreft het de regeling, vermeld in artikel 8septies van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2007 tot regeling van een aantal aangelegenheden voor de Centra voor Volwassenenonderwijs in uitvoering van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.

Voor een instelling van het deeltijds kunstonderwijs betreft het de regeling, vermeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 4.

De jaarlijkse vakantie, vermeld in artikel 3, wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

HOOFDSTUK 3. - Prestaties tijdens de jaarlijkse vakantie

Art. 5.

§ 1. De inrichtende macht kan de personeelsleden van het administratief personeel en de administratief medewerkers, vermeld in artikel 1, tijdens de jaarlijkse vakantie, vermeld in artikel 3, verplichten om maximaal twaalf dagen prestaties te leveren, waarvan maximaal tien prestatiedagen tijdens de zomervakantie.

Deze prestatiedagen zijn steeds volledige dagen. De inrichtende macht kan na akkoord met het betrokken personeelslid ook beslissen om de prestatiedagen in halve prestatiedagen op te delen.

§ 2. De inrichtende macht legt jaarlijks het globale aantal in paragraaf 1 vermelde prestatiedagen vast, alsook de verdeling van die prestatiedagen. Ze deelt uiterlijk vóór de kerstvakantie aan de betrokken personeelsleden voor het daaropvolgende kalenderjaar hun prestatiedagen mee evenals de verdeling ervan. Als de inrichtende macht - behoudens in geval van overmacht - vóór de kerstvakantie geen prestatiedagen meedeelt, betekent dit dat de inrichtende macht voor het daaropvolgende kalenderjaar geen gebruik maakt van paragraaf 1. Als een personeelslid in dienst treedt na de kerstvakantie, deelt de inrichtende macht aan dat personeelslid op het ogenblik van de indiensttreding het aantal volgens paragraaf 1 bepaalde prestatiedagen mee evenals de verdeling van die prestatiedagen over de resterende vakantieperiodes van het kalenderjaar.

In afwijking op het eerste lid deelt de inrichtende macht voor de zomervakantie van het kalenderjaar 2011 de te leveren prestatiedagen uiterlijk op 1 mei 2011 mee aan de betrokken personeelsleden. Deze bepaling geldt niet als de inrichtende macht de te leveren prestatiedagen, vermeld in paragraaf 1, al eerder heeft meegedeeld.

§ 3. De inrichtende macht spreidt de prestatiedagen, vermeld in paragrafen 1 en 2, over de betrokken personeelsleden volgens een regeling die zo veel mogelijk rekening houdt met de aard van het ambt, de omvang van de opdracht, de concrete mogelijkheden van de betrokkene en de werkzaamheden die in de instelling moeten worden verricht, en die bovendien rekening houdt met een billijke verdeling van de taken.

Die regeling maakt het voorwerp uit van onderhandelingen die worden gevoerd binnen het bevoegde onderhandelingscomité.

§ 4. Het personeelslid dat, naast de prestatiedagen, vermeld in paragraaf 1, om uitzonderlijke dienstredenen op vraag van de inrichtende macht instemt om een of meer extra prestatiedagen te werken tijdens de jaarlijkse vakantie, vermeld in artikel 3, krijgt voor deze extra prestatiedagen in evenredige mate vervangende vakantiedagen, die hij buiten de jaarlijkse vakantie kan opnemen.

Art. 6.

§ 1. De prestatiedagen tijdens de jaarlijkse vakantie, vermeld in artikel 5, gelden altijd voor personeelsleden die belast zijn met een voltijdse opdracht.

Als een personeelslid belast is met een deeltijdse opdracht, wordt het aantal gevraagde prestatiedagen verhoudingsgewijs aangepast.

§ 2. Een begonnen dag wordt altijd aangerekend als een volledige prestatiedag.

Als de inrichtende macht na akkoord met een personeelslid beslist heeft om de prestatiedagen in te delen in halve prestatiedagen, in overeenstemming met artikel 5, § 1, tweede lid, wordt een begonnen dag als een halve prestatiedag aangerekend.

HOOFDSTUK 4. - Wijzigingsbepalingen

Art. 7.

Aan hoofdstuk I van het koninklijk besluit van 8 december 1967, genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 mei 1975, 16 december 1981 en 20 juli 1982 en het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 1993, wordt een artikel 3bis toegevoegd, dat luidt als volgt : ...

Art. 8.

Artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 oktober 2002 houdende maatregelen betreffende het prestatiestelsel, het jaarlijks vakantieverlof, sommige administratieve standen en de bezoldigingsregeling van het ondersteunend personeel tewerkgesteld in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2006, wordt vervangen door wat volgt : ...

HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen

Art. 9.

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2011.

Art. 10.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.