Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de loopbaanonderbreking van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding

  • goedkeuringsdatum
    09 SEPTEMBER 2011
  • publicatiedatum
    B.S.05/12/2011
  • datum laatste wijziging
    20/12/2017

COORDINATIE

B.Vl.R. 12-10-2012 - B.S. 21-11-2012

B.Vl.R. 6-9-2013 - B.S. 4-10-2013

B.Vl.R. 12-6-2015 - B.S. 6-7-2015

B.Vl.R. 3-7-2015 - B.S. 4-8-2015

B.Vl.R. 15-4-2016 - B.S. 19-5-2016

B.Vl.R. 30-8-2016 - B.S. 12-9-2016

B.Vl.R. 28-10-2016 - B.S. 29-12-2016

B.Vl.R. 21-4-2017 - B.S. 30-5-2017

B.Vl.R. 17-11-2017 - B.S. 20-12-2017

De Vlaamse Regering,

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, artikel 77, eerste lid, artikel 80, eerste lid, gewijzigd bij de decreten van 28 april 1993 en 13 juli 2001, en artikel 82, eerste lid;

Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 51, eerste lid, artikel 54, eerste lid, gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2001, en artikel 56, eerste lid, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2003;

Gelet op het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, artikel 21, vervangen bij het decreet van 8 mei 2009;

Gelet op het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, artikel 142;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 1997 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 26 april 2011;

Gelet op protocol nr. 752 van 10 juni 2011 houdende de conclusies van de onderhandelingen, gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X en van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op protocol nr. 519 van 10 juni 2011 houdende de conclusies van de onderhandelingen, gevoerd in het overkoepelend onderhandelingscomité, vermeld in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op advies 49.916/1 van de Raad van State, gegeven op 12 juli 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging,

Besluit :

HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied

Artikel 1.

[§ 1.] Dit besluit is van toepassing op :

1° de personeelsleden, vermeld in artikel 2, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° de personeelsleden, vermeld in artikel 4, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

3° de leden van de inspectie, vermeld in artikel 61 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;

4° de personeelsleden, vermeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.

[5° de personeelsleden vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.]²

[§ 2. De bepalingen van hoofdstuk 3, [[afdeling 1, afdeling 2 en afdeling 4]], over de loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof en de loopbaanonderbreking voor medische bijstand, zijn ook van toepassing op de contractuele personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding, voor zover ze vallen onder het toepassingsgebied van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen.]

B.Vl.R. 12-10-2012; [[ ]] B.Vl.R. 6-9-2013 ;[]² B.Vl.R.17-11-2017

[Art. 1/1.

In afwijking van artikel 12 en 13 kunnen de stelsels van loopbaanonderbreking, vermeld in hoofdstuk 2, uiterlijk ingaan op 1 september 2016.]

B.Vl.R. 30-8-2016

HOOFDSTUK 2. - Algemene stelsels

Afdeling 1. - Volledige loopbaanonderbreking

Art. 2.

De personeelsleden, vermeld in artikel 1, die vast benoemd of tot de proeftijd toegelaten zijn, mogen hun loopbaan volledig onderbreken op voorwaarde dat zij :

1° een ambt uitoefenen dat beschouwd wordt als hoofdambt;

2° belast zijn met een of meer betrekkingen die samen ten minste de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties.

Voor de toepassing van het eerste lid, 2° wordt het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, ook in aanmerking genomen.

Art. 3.

De personeelsleden, vermeld in artikel 1, die tijdelijk aangesteld zijn, mogen hun loopbaan volledig onderbreken op voorwaarde dat zij aangesteld zijn :

1° in een of meer betrekkingen die in hun geheel niet vatbaar zijn voor reaffectatie of wedertewerkstelling;

2° voor een volledig schooljaar in een of meer vacante of niet-vacante betrekkingen;

3° in een ambt dat beschouwd wordt als hoofdambt;

4° in een of meer betrekkingen die samen ten minste de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties.

Voor tijdelijke personeelsleden eindigt de loopbaanonderbreking in ieder geval als de aanstelling eindigt.

Art. 4.

De volledige loopbaanonderbreking omvat al de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde ambten die het personeelslid uitoefent in het onderwijs en in de centra voor leerlingenbegeleiding en die als hoofdambt beschouwd worden.

Afdeling 2. - Gedeeltelijke loopbaanonderbreking

Onderafdeling 1. - Halftijdse loopbaanonderbreking

Art. 5.

De personeelsleden, vermeld in artikel 1, die vast benoemd of tot de proeftijd toegelaten zijn, mogen hun loopbaan halftijds onderbreken op voorwaarde dat zij :

1° een ambt uitoefenen dat beschouwd wordt als hoofdambt;

2° een of meer betrekkingen blijven uitoefenen die samen de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties moeten altijd worden afgerond naar de hogere eenheid, naar gelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.

Voor de toepassing van het eerste lid, 2° wordt het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, ook in aanmerking genomen. Als het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking op het ogenblik dat het een gedeeltelijke loopbaanonderbreking krijgt, worden voor de loopbaanonderbreking eerst die prestatie-eenheden in aanmerking genomen waarvoor het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is.

Art. 6.

De personeelsleden, vermeld in artikel 1, die tijdelijk aangesteld zijn, mogen hun loopbaan halftijds onderbreken op voorwaarde dat zij :

1° aangesteld zijn in een of meer betrekkingen die in hun geheel niet vatbaar zijn voor reaffectatie of wedertewerkstelling;

2° aangesteld zijn voor een volledig schooljaar in een of meer vacante of niet-vacante betrekkingen;

3° aangesteld zijn in een ambt dat beschouwd wordt als hoofdambt;

4° een of meer betrekkingen blijven uitoefenen die samen de helft van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties moeten altijd worden afgerond naar de hogere eenheid, naar gelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.

Voor tijdelijke personeelsleden eindigt de loopbaanonderbreking in ieder geval als de aanstelling eindigt.

Onderafdeling 2. - Loopbaanonderbreking met een vijfde

Art. 7.

De personeelsleden, vermeld in artikel 1, die vast benoemd of tot de proeftijd toegelaten zijn, mogen hun loopbaan onderbreken met een vijfde op voorwaarde dat zij :

1° een ambt uitoefenen dat beschouwd wordt als hoofdambt;

2° aangesteld zijn in een ambt met volledige prestaties;

3° een of meer betrekkingen blijven uitoefenen die samen vier vijfde van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties moeten altijd worden afgerond naar de hogere eenheid, naar gelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.

Voor de toepassing van het eerste lid, 3° wordt het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, ook in aanmerking genomen. Als het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking op het ogenblik dat het een loopbaanonderbreking voor een vijfde krijgt, worden voor de loopbaanonderbreking eerst die prestatie-eenheden in aanmerking genomen waarvoor het personeelslid ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking en waarvoor het niet gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is.

Art. 8.

De personeelsleden, vermeld in artikel 1, die tijdelijk aangesteld zijn, mogen hun loopbaan onderbreken met een vijfde op voorwaarde dat zij :

1° aangesteld zijn in een of meer betrekkingen die in hun geheel niet vatbaar zijn voor reaffectatie of wedertewerkstelling;

2° aangesteld zijn voor een volledig schooljaar in een of meer vacante of niet-vacante betrekkingen;

3° aangesteld zijn in een ambt dat beschouwd wordt als hoofdambt;

4° een ambt met volledige prestaties uitoefenen;

5° een of meer betrekkingen blijven uitoefenen die samen vier vijfde van het aantal prestatie-eenheden omvatten die vereist zijn voor een ambt met volledige prestaties. De nog te verrichten prestaties moeten altijd worden afgerond naar de hogere eenheid, naar gelang van het geval, tot een volledige lestijd of tot een volledig uur.

Voor tijdelijke personeelsleden eindigt de loopbaanonderbreking in ieder geval als de aanstelling eindigt.

Onderafdeling 3. - Gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van [55 jaar]

B.Vl.R. 12-10-2012

Art. 9.

§ 1. De personeelsleden, vermeld in artikel 1, kunnen op 1 september of 1 oktober nadat ze de leeftijd van [55 jaar] hebben bereikt, tot aan de vooravond van hun pensionering, een gedeeltelijke loopbaanonderbreking krijgen in de vorm van :

1° een halftijdse loopbaanonderbreking, zoals vermeld in artikel 5;

2° een loopbaanonderbreking met een vijfde, zoals vermeld in artikel 7.

De personeelsleden die een loopbaanonderbreking genieten zoals vermeld in het eerste lid, 2° hebben telkens op 1 september de mogelijkheid om over te stappen naar een loopbaanonderbreking vermeld in het eerste lid, 1°.

[De personeelsleden die een loopbaanonderbreking genieten als vermeld in het eerste lid, 1°, hebben telkens op 1 september de mogelijkheid om over te stappen naar een loopbaanonderbreking als vermeld in het eerste lid, 2°, op voorwaarde dat de inrichtende macht daarmee instemt.]²

De betrokken personeelsleden moeten vast benoemd of tot de proeftijd toegelaten zijn, zowel voor de prestatie-eenheden waarvoor ze de gedeeltelijke loopbaanonderbreking krijgen, als voor de prestatie-eenheden die ze blijven uitoefenen.

§ 2. De personeelsleden die in toepassing van artikel 44 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2000 betreffende de overdracht van personeel van de psycho-medisch-sociale centra of de centra voor medisch schooltoezicht naar de centra voor leerlingenbegeleiding worden overgedragen, worden voor de toepassing van dit artikel beschouwd als ressorterend onder dit artikel, als zij :

1° ofwel op 31 augustus 2000 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking genoten zoals vermeld in paragraaf 1;

2° ofwel de leeftijd van 50 jaar bereikt hebben uiterlijk op 31 augustus 2000 en sedert 1 september 2000 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking genieten.

Artikel 5, eerste lid, 2° is niet van toepassing op de personeelsleden vermeld in het eerste lid, 1°.

[§ 3. In afwijking van paragraaf 1 wordt de leeftijd op vijftig jaar gebracht voor de personeelsleden die voor 1 juli 2012 al van een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van vijftig jaar genieten.

§ 4. In afwijking van paragraaf 1 wordt de leeftijd op vijftig jaar gebracht voor de personeelsleden van wie de eerste aanvraag of verlengingsaanvraag voor 1 september 2012 werd ontvangen bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, voor zover de inrichtende macht of de Vlaamse Regering vóór 16 maart 2012 de schriftelijke aanvraag van het personeelslid ontving.

§ 5. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor de personeelsleden die hun loopbaan onderbreken met een vijfde, de leeftijd op 50 jaar gebracht voor de personeelsleden die op het ogenblik van de begindatum van de loopbaanonderbreking een beroepsloopbaan van ten minste 28 jaar, zoals bepaald in artikel 3, § 4, van het Koninklijk Besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, doorlopen hebben.

De personeelsleden die een loopbaanonderbreking genieten zoals vermeld in het eerste lid, hebben telkens op 1 september de mogelijkheid om over te stappen naar een loopbaanonderbreking zoals vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, zodra zij de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben.]¹

[ ]¹ B.Vl.R. 12-10-2012; [ ]² B.Vl.R. 6-9-2013

Art. 10.

De personeelsleden die de gedeeltelijke loopbaanonderbreking vermeld in artikel 9 krijgen en die tijdens de vermelde periode hun ambt opnieuw volledig opnemen, behouden de onderbrekingsuitkeringen die aan hen werden uitbetaald op grond van artikel 4, § 3 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra.

De personeelsleden vermeld in het eerste lid, kunnen niet opnieuw het voordeel krijgen van artikel 9 en van voormeld artikel 4, § 3 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van de onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra.

Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen

Onderafdeling 1. - Prestatie-eenheden

Art. 11.

Voor het bepalen van het aantal prestatie-eenheden, vermeld in artikel 5, eerste lid, 2°, 6, eerste lid, 4°, 7, eerste lid, 3° of 8, eerste lid, 5° worden ook als prestatie-eenheden beschouwd :

1° de prestaties, verstrekt door personeelsleden met verlof wegens bijzondere opdracht of verlof wegens opdracht, vermeld in artikel 51quater, § 2 en § 3 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding en artikel 77quater, § 2 en § 3 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;

2° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof wegens vakbondsopdracht, vermeld in artikel 17 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en artikel 77 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;

3° de prestaties, verstrekt in het kader van de begeleiding en ondersteuning van de scholen en de centra voor leerlingenbegeleiding bij de implementatie van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen I, vermeld in artikel VI.21 van dit decreet;

4° de prestaties, verstrekt ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991 betreffende het verlof dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;

5° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 november 1980 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten;

6° de prestaties, verstrekt door personeelsleden in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel Algemene Beleidscoördinatie en een cel Algemeen Beleid bij een lid van de federale regering, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel Algemene Beleidscoördinatie en een cel Algemeen Beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;

7° de prestaties, verstrekt door personeelsleden als medewerker, door een regeringslid ter beschikking gesteld van zijn voorganger, vermeld in artikel 8, derde lid van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van een kabinet van een lid van een regering of van een college van een gemeenschap of een gewest;

8° de prestaties, verstrekt door een personeelslid ter ondersteuning van het college van commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen, vermeld in artikel 245, § 2 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;

9° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof vermeld in artikel 166, § 1 van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997;

10° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in artikel 53 van het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van de onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;

11° de prestaties, verstrekt door de personeelsleden met verlof, vermeld in [artikel 69 van de Codex Secundair Onderwijs];

12° de prestaties, verstrekt door personeelsleden belast met een opdracht aan een hogeschool, vermeld in artikel 2, 39° van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. De ambten, uitgeoefend in de hogescholen worden altijd beschouwd als hoofdambt.

B.Vl.R. 28-10-2016

[Art. 11/1.

Voor het bepalen van het opdrachtvolume waarvoor loopbaanonderbreking kan worden genomen krachtens de artikelen 2 tot en met 9 wordt eveneens rekening gehouden met de prestaties, verstrekt door de personeelsleden belast met een opdracht aan een hogeschool.]

B.Vl.R. 12-10-2012

Onderafdeling 2. - Begin en einde van de loopbaanonderbreking

Art. 12.

§ 1. Een loopbaanonderbreking wordt toegestaan voor een periode die begint op 1 september of 1 oktober van het school- of dienstjaar en eindigt op 31 augustus van hetzelfde school- of dienstjaar voor alle personeelsleden vermeld in artikel 1, met uitzondering van de personeelsleden vermeld in paragraaf 2 van dit artikel.

§ 2. Een loopbaanonderbreking wordt toegestaan voor periodes van ten minste zes maanden en van ten hoogste één jaar aan :

1° de leden van het administratief personeel;

2° de leden van het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel;

3° de administratief medewerker van het ondersteunend personeel;

4° de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel.

Deze periodes, vermeld in het eerste lid, moeten altijd aanvangen op de eerste dag van de maand.

§ 3. In afwijking van paragraaf 1 en paragraaf 2 eindigt de volledige of de gedeeltelijke loopbaanonderbreking ook als ze de maximumduur van [60 maanden] heeft bereikt.

B.Vl.R. 12-10-2012

Art. 13.

§ 1. In afwijking van artikel 12, § 1 wordt de volledige of de gedeeltelijke loopbaanonderbreking toegestaan voor een periode die begint de dag na het einde van het bevallingsverlof, met toepassing van artikel 39 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 of na een periode van verlof wegens moederschapsbescherming of bedreiging door een beroepsziekte, toegestaan door artikel 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971, en die eindigt op 31 augustus van het lopende school- of dienstjaar voor de personeelsleden, vermeld in artikel 12, § 1 die op 1 september of op 1 oktober van het school- of dienstjaar, of op beide data, met bevallingsverlof, met verlof wegens moederschapsbescherming of met verlof wegens bedreiging door een beroepsziekte zijn.

§ 2. In afwijking van artikel 12, § 1 wordt de volledige loopbaanonderbreking toegestaan voor een periode die begint de dag na het einde van het volledig ouderschapsverlof met toepassing van afdeling 1 van hoofdstuk 3 van dit besluit en eindigt op 31 augustus van het lopende school- of dienstjaar, op voorwaarde dat het personeelslid bij de aanvang van het volledig ouderschapsverlof heeft meegedeeld dat het zijn beroepsloopbaan na het verstrijken van het verlof verder wil onderbreken.

§ 3. In afwijking van artikel 12, § 1 wordt de halftijdse loopbaanonderbreking toegestaan voor een periode die begint de dag na het einde van het halftijds ouderschapsverlof toegestaan met toepassing van afdeling 1 van hoofdstuk 3 van dit besluit en eindigt op 31 augustus van het lopende school- of dienstjaar, op voorwaarde dat het personeelslid bij de aanvang van het halftijds ouderschapsverlof heeft meegedeeld dat het zijn beroepsloopbaan na het verstrijken van dit verlof verder wil onderbreken.

§ 4. In afwijking van artikel 12, § 1 wordt de loopbaanonderbreking met een vijfde toegestaan voor een periode die begint de dag na het einde van het ouderschapsverlof met een vijfde toegestaan met toepassing van afdeling 1 van hoofdstuk 3 van dit besluit en eindigt op 31 augustus van het lopende school- of dienstjaar, op voorwaarde dat het personeelslid bij de aanvang van het ouderschapsverlof met een vijfde heeft meegedeeld dat het zijn beroepsloopbaan na het verstrijken van dit verlof verder wil onderbreken.

§ 5. In afwijking van artikel 12, § 1 en § 2 wordt de loopbaanonderbreking beëindigd op het ogenblik dat het personeelslid het recht doet gelden op een loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand of voor palliatieve zorgen, op voorwaarde dat :

1° het personeelslid, vermeld in artikel 12, § 1, bij de aanvang van een van die onderbrekingen van de beroepsloopbaan heeft meegedeeld dat het de daaraan voorafgaande loopbaanonderbreking op dezelfde wijze wil voortzetten tot 31 augustus van het lopende school- of dienstjaar;

2° het personeelslid, vermeld in artikel 12, § 2, bij aanvang van één van deze onderbrekingen van de beroepsloopbaan heeft meegedeeld dat het de daaraan voorafgaande loopbaanonderbreking op dezelfde wijze wil voortzetten voor het nog resterend gedeelte van de oorspronkelijk aangevraagde periode van loopbaanonderbreking.

De periodes van loopbaanonderbreking, vermeld in het eerste lid, moeten onmiddellijk op elkaar aansluiten. In dat geval wordt afgeweken van de ingangsdatum, vermeld in artikel 12, § 1 en § 2 van dit besluit.

[§ 5/1. In afwijking van artikel 9, § 1 wordt de gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 55 jaar of vanaf de leeftijd van vijftig jaar indien artikel 9, § 3, § 4 of § 5 van toepassing is, beëindigd op het ogenblik dat het personeelslid het recht doet gelden op een loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand of voor palliatieve zorgen. Dit kan enkel op voorwaarde dat het personeelslid, vermeld in artikel 9, § 1, of vanaf de leeftijd van vijftig jaar indien artikel 9, § 3, § 4 of § 5 van toepassing is, bij de aanvang van een van die onderbrekingen van de beroepsloopbaan heeft meegedeeld dat het de daaraan voorafgaande gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van 55 jaar, of vanaf de leeftijd van vijftig jaar indien artikel 9, § 3, § 4 of § 5 van toepassing is, op dezelfde wijze wil voortzetten na beëindiging van de loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand of voor palliatieve zorgen.

De periodes van loopbaanonderbreking, vermeld in het eerste lid, moeten onmiddellijk op elkaar aansluiten. In dat geval wordt afgeweken van de ingangsdatum, vermeld in artikel 9, § 1 van dit besluit.]

§ 6. In afwijking van artikel 12, § 1 en § 2 wordt de volledige en de gedeeltelijke loopbaanonderbreking toegestaan tijdens de periode waarin het personeelslid een beroepsopleiding volgt.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder beroepsopleiding verstaan :

1°[de beroepsopleiding zoals bepaald door het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;]¹

2° elke andere vorm van onderwijs en opleiding georganiseerd, gefinancierd, gesubsidieerd of erkend door de Vlaamse overheid, waarvan het programma ten minste 120 uur op jaarbasis omvat.

§ 7. Het ziekteverlof, het bevallingsverlof, de afwezigheid wegens arbeidsongeval, wegens ongeval op weg naar en van het werk, wegens beroepsziekte, de terbeschikkingstelling wegens ziekte, de afwezigheid wegens een bedreiging door een beroepsziekte en het verlof wegens moederschapsbescherming maken geen einde aan de loopbaanonderbreking.

[ ]¹ B.Vl.R. 12-10-2012; [ ]² B.Vl.R. 6-9-2013

Art. 14.

Elke loopbaanonderbreking eindigt uiterlijk op de vooravond van de pensionering.

Onderafdeling 3. - Duur van de loopbaanonderbreking

Art. 15.

De totale duur van de volledige loopbaanonderbreking mag voor de hele loopbaan niet meer dan [60 maanden] bedragen.

B.Vl.R. 12-10-2012

Art. 16.

De totale duur van de gedeeltelijke loopbaanonderbreking mag voor de hele loopbaan niet meer dan [60 maanden] bedragen. De periodes van gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van [55 jaar zoals vermeld in artikel 9, § 1 of vanaf de leeftijd van vijftig jaar indien artikel 9, § 3, § 4 of § 5 van toepassing is] worden daarbij niet meegerekend.

B.Vl.R. 12-10-2012

Onderafdeling 4. - Toekenning van de loopbaanonderbreking

Art. 17.

§ 1. De volledige en de halftijdse loopbaanonderbreking moeten worden toegestaan als er een kandidaat-vervanger is die aan al de volgende voorwaarden voldoet :

1° hij is in het bezit van het vereiste bekwaamheidsbewijs;

2° hij voldoet aan de eisen van het opvoedingsproject van de inrichtende macht.

De inrichtende macht mag nagaan of de kandidaat-vervanger de eventueel vereiste nuttige ervaring heeft voor het bekwaamheidsbewijs, vermeld in het eerste lid, 1°. Dat onderzoek moet uitgevoerd worden op dezelfde wijze als de wijze die door de inrichtende macht gevolgd wordt bij de aanwerving van een personeelslid op grond van de bepalingen van de hierna volgende decreten :

1° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;

2° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.

§ 2. De bepalingen van paragraaf 1 gelden voor een periode van [vijf] jaar loopbaanonderbreking, ongeacht of de loopbaan volledig of halftijds onderbroken wordt. De bepalingen van paragraaf 1 gelden ook voor de vastbenoemde of tot de proeftijd toegelaten personeelsleden voor de volledige periode van de gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf 1 september of 1 oktober nadat het personeelslid de leeftijd van [55 jaar heeft bereikt of de leeftijd van vijftig jaar indien artikel 9, § 3, § 4 of § 5 van toepassing is].

§ 3. De loopbaanonderbreking met een vijfde kan door de inrichtende macht worden toegestaan.

B.Vl.R. 12-10-2012

Onderafdeling 5. - Procedure en administratieve verplichtingen

Art. 18.

§ 1. Het personeelslid dat zijn loopbaan wil onderbreken, dient daartoe een aanvraag in bij de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waar hij werkt, met uitzondering van de personeelsleden van de inspectie die hun aanvraag indienen bij de Vlaamse Regering. Bij de aanvraag vermeldt het personeelslid de datum waarop hij wil dat de loopbaanonderbreking zou aanvangen en de duur ervan.

De inrichtende macht dient haar principiële beslissing mee te delen aan het personeelslid binnen vijftien kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. Het invullen en overhandigen van het formulier vermeld in artikel 16, § 2 van het voormeld koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen geldt als definitieve toestemming.

§ 2. In geval van weigering moet de inrichtende macht haar weigering schriftelijk motiveren en uiterlijk zeven kalenderdagen voor de aanvang van de loopbaanonderbreking meedelen zowel aan het personeelslid dat de loopbaanonderbreking aanvraagt, als aan de kandidaat-vervanger.

Art. 19.

Het personeelslid dat zijn loopbaan wil onderbreken om een beroepsopleiding te volgen, voegt bij zijn aanvraag een attest van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling, afgekort VDAB, de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling, afgekort Actiris, en de onderwijs- of vormingsinstelling waaruit de inschrijving voor, de aanvangsdatum, de duur en het aantal lesuren van de beroepsopleiding blijken.

Art. 20.

§ 1. Als bij een beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau het recht op uitkeringen wordt ontzegd aan een personeelslid dat zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken, moet de overheid, vermeld in artikel 21, § 1, tweede lid, dit onmiddellijk meedelen aan het personeelslid en aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs, met vermelding van de datum waarop de beslissing ingaat.

§ 2. [...]¹

§ 3.[Het verlof van een personeelslid dat zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken, maar geen recht heeft op een loopbaanonderbreking op basis van een beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau of op basis van de bepalingen van dit besluit, wordt ambtshalve omgezet in een [[afwezigheid voor verminderde prestaties]].]¹

[In dat geval] mag de duur overschreden worden van de [afwezigheid voor verminderde prestaties]² waarop het betrokken personeelslid aanspraak kan maken krachtens de reglementaire bepalingen die terzake op hem van toepassing zijn. Deze [afwezigheid]² eindigt in elk geval bij het verstrijken van de lopende periode waarvoor de loopbaanonderbreking was aangevraagd.

[ ]¹ B.Vl.R. 6-9-2013; [ ]² B.Vl.R. 30-8-2016; [[ ]] B.Vl.R. 21-4-2017

Art. 21.

§ 1. Om uitzonderlijke familiale redenen en na een opzegtermijn van één maand, kan het personeelslid dat zijn loopbaan onderbroken heeft, van de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs of van zijn gemachtigde de toelating krijgen om zijn ambt opnieuw op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen vooraleer de periode van loopbaanonderbreking is verstreken.

De opzegging moet worden gericht aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, door tussenkomst en met akkoord van de inrichtende macht. Voor de personeelsleden van de inspectie wordt deze opzegging via hiërarchische weg gericht aan de Vlaamse Regering.

§ 2. Stopzetting van de loopbaanonderbreking om uitzonderlijke familiale redenen is niet mogelijk na 1 mei van het school- of dienstjaar, met uitzondering voor de personeelsleden, vermeld in artikel 12, § 2.

§ 3. Naast de mogelijkheid voorzien in paragraaf 1 en 2, kunnen de personeelsleden met een gedeeltelijke loopbaanonderbreking vanaf de leeftijd van [55 jaar of de leeftijd van vijftig jaar, indien artikel 9, § 3, § 4 of § 5 van toepassing is] hun ambt pas opnieuw volledig uitoefenen met ingang van 1 september. Ze moeten hun voornemen meedelen aan de inrichtende macht vóór 1 mei.

§ 4. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs of zijn gemachtigde brengt, binnen vijftien dagen na de beslissing, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op de hoogte van de datum waarop het personeelslid een einde maakt aan zijn loopbaanonderbreking.

§ 5. De bepalingen van paragraaf 1 zijn niet van toepassing op de personeelsleden die hun loopbaanonderbreking onderbreken om een beroepsopleiding te volgen.

B.Vl.R. 12-10-2012

HOOFDSTUK 3. - Specifieke stelsels

Afdeling 1. - Loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof

Art. 22.

De personeelsleden hebben recht op ouderschapsverlof om voor hun kind te zorgen. Ze kunnen :

1° ofwel hun loopbaan volledig onderbreken. De volledige loopbaanonderbreking moet worden genomen voor een aaneengesloten periode van maximaal [vier] maanden;

2° ofwel hun loopbaan gedeeltelijk onderbreken tot een halftijdse betrekking. De gedeeltelijke loopbaanonderbreking moet worden genomen voor een aaneengesloten periode van maximaal [acht] maanden;

3° ofwel hun loopbaan gedeeltelijk onderbreken door hun prestaties te verminderen met een vijfde, op voorwaarde dat het personeelslid een ambt met volledige prestaties uitoefent. De gedeeltelijke loopbaanonderbreking met een vijfde moet worden genomen voor een aaneengesloten periode van maximaal [twintig] maanden.

B.Vl.R. 12-10-2012

Art. 23.

[§ 1.]¹ In afwijking van artikel 22 kan de loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof in twee periodes aangevraagd worden, als het ouderschapsverlof onmiddellijk aansluit op :

1° het bevallingsverlof;

2° het verlof wegens moederschapsbescherming;

3° het onbezoldigd ouderschapsverlof;

4° het verlof met het oog op adoptie of pleegvoogdij;

5° het geboorteverlof.

In het geval vermeld in het eerste lid, eindigt de eerste periode van loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof de dag voor de vakantieperiode die valt in juli en/of augustus. De tweede periode van loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof begint in dat geval de dag na de vakantieperiode die valt in juli en/of augustus. De eerste periode mag maximaal 1 maand bedragen. Voor beide periodes moet een afzonderlijke aanvraag ingediend worden, met behoud van het aanvankelijk gevraagde volume van loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof.

[§ 2. In afwijking van artikel 22 kan een personeelslid dat al voor 1 september 2012 [[een volledige of halftijdse]] loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof genomen heeft, een bijkomende ononderbroken periode van loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof opnemen :

1° gedurende maximum één maand bij een volledige loopbaanonderbreking;

2° gedurende maximum twee maanden bij een halftijdse loopbaanonderbreking;

3° gedurende maximum vijf maanden bij een loopbaanonderbreking met een vijfde.

[[§ 2/1. In afwijking van artikel 22 kan een personeelslid dat al voor 1 september 2012 loopbaanonderbreking met een vijfde voor ouderschapsverlof genomen heeft, een bijkomende ononderbroken periode van loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof opnemen :

1° gedurende maximaal één maand bij een volledige loopbaanonderbreking;

2° gedurende maximaal twee maanden bij een halftijdse loopbaanonderbreking;

3° gedurende maximaal veertien maanden bij een loopbaanonderbreking met een vijfde.]]

§ 3. In afwijking van artikel 22 hebben de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie, het recht om :

1° gedurende een periode van vier maanden hun loopbaan volledig te onderbreken. Die periode kan naar keuze van de personeelsleden worden opgesplitst in maanden;

2° gedurende een periode van acht maanden hun loopbaan gedeeltelijk te onderbreken tot een halftijdse betrekking [[...]]. Die periode kan naar keuze van de personeelsleden worden opgesplitst in periodes van twee maanden of een veelvoud daarvan;

3° gedurende een periode van twintig maanden hun loopbaan gedeeltelijk te onderbreken door hun prestaties te verminderen met een vijfde, als zij voltijds tewerkgesteld zijn. Die periode kan naar keuze van de personeelsleden worden opgesplitst in periodes van vijf maanden of een veelvoud daarvan.

[[De personeelsleden hebben de mogelijkheid om bij het opnemen van hun ouderschapsverlof gebruik te maken van de verschillende opnamevormen, vermeld in het eerste lid. Bij een wijziging van opnamevorm wordt rekening gehouden met het principe dat één maand volledige loopbaanonderbreking overeenstemt met twee maanden halftijdse loopbaanonderbreking of met vijf maanden loopbaanonderbreking met een vijfde.]] ]¹

[§ 4. In afwijking van artikel 22, 3°, kan een tijdelijk personeelslid dat een loopbaanonderbreking met een vijfde voor ouderschapsverlof neemt tijdens een schooljaar, het daaropvolgende schooljaar het resterende gedeelte van de loopbaanonderbreking met een vijfde voor ouderschapsverlof aaneensluitend opnemen, op voorwaarde dat het tijdelijk personeelslid opnieuw een aanstelling heeft in een ambt met volledige prestaties op 1 september. In dat geval eindigt de voorgaande aanvraag voor loopbaanonderbreking met een vijfde voor ouderschapsverlof op 31 augustus. De volgende periode van loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof begint in dat geval op 1 september. De totale periode van loopbaanonderbreking met een vijfde voor ouderschapsverlof bedraagt maximaal twintig maanden vanaf de datum van de eerste aanvraag van loopbaanonderbreking met een vijfde voor ouderschapsverlof.]²

[ ]¹ B.Vl.R. 12-10-2012, [ ]² B.Vl.R. 6-9-2013; [[ ]] B.Vl.R. 6-9-2013

Art. 24.

Het personeelslid heeft recht op het ouderschapsverlof :

1° vanaf de geboorte van zijn kind tot op de vooravond van de dag waarop het kind twaalf jaar wordt;

2° in het kader van de adoptie van een kind, gedurende een periode die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het personeelslid zijn verblijfplaats heeft, uiterlijk tot op de vooravond van de dag waarop het kind twaalf jaar wordt.

Wanneer het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag, geldt de leeftijdsgrens van 21 jaar in plaats van 12 jaar.

Art. 25.

Het personeelslid dat zijn loopbaan wil onderbreken om voor zijn kind te zorgen in het kader van ouderschapsverlof, deelt dat mee aan de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waar hij werkt, met uitzondering van de personeelsleden van de inspectie, die dat meedelen aan de Vlaamse Regering. Bij die mededeling moeten de begin- en einddatum van het ouderschapsverlof worden vermeld.

Het personeelslid verstrekt uiterlijk op het ogenblik dat het ouderschapsverlof ingaat, naar gelang van het geval, de volgende bewijsstukken :

1° een uittreksel uit de geboorteakte van het kind;

2° een attest waaruit de adoptie blijkt;

3° een attest waaruit blijkt dat het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag.

Bij de documenten, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, moet altijd een uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister worden gevoegd, waaruit de samenstelling van het gezin blijkt.

Afdeling 2. - Loopbaanonderbreking voor medische bijstand

Art. 26.

De personeelsleden hebben recht op loopbaanonderbreking om bijstand of verzorging te verlenen aan een familielid tot de tweede graad of aan een gezinslid dat lijdt aan een zware ziekte. Ze kunnen :

1° ofwel hun beroepsloopbaan volledig onderbreken;

2° ofwel hun loopbaan gedeeltelijk onderbreken tot een halftijdse betrekking;

3° ofwel hun loopbaan gedeeltelijk onderbreken door hun prestaties te verminderen met een vijfde, op voorwaarde dat het personeelslid aangesteld is in een ambt met volledige prestaties.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder :

1° gezinslid : elke persoon die samenwoont met het personeelslid;

2° familielid : zowel de bloed- als de aanverwanten;

3° zware ziekte : elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende arts als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de arts oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging noodzakelijk is voor het herstel.

Art. 27.

[§ 1.]¹ De volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking kan alleen opgenomen worden in periodes van minimaal één en maximaal drie maanden, al dan niet aaneensluitend, tot een maximumperiode van twaalf maanden per patiënt bij een volledige loopbaanonderbreking of vierentwintig maanden per patiënt voor een gedeeltelijke loopbaanonderbreking.

[Als een periode van loopbaanonderbreking voor medische bijstand eindigt binnen een periode van 7 kalenderdagen voor een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie of eindigt gedurende een herfst-, kerst-, krokus- of paasvakantie, en het personeelslid neemt een nieuwe periode van loopbaanonderbreking voor medische bijstand gedurende diezelfde vakantie of binnen een periode van 7 kalenderdagen na diezelfde vakantie, dan wordt de tussenliggende vakantieperiode of een deel ervan, beschouwd als een [[afwezigheid voor verminderde prestaties]]. In dat geval mag de duur van de [[afwezigheid voor verminderde prestaties]] van zestig maanden overschreden worden waarop het betrokken personeelslid aanspraak kan maken krachtens de reglementaire bepalingen die op hem van toepassing zijn. Onverminderd de berekeningswijze van de geldelijke anciënniteit voor tijdelijke personeelsleden met het recht op uitgestelde bezoldiging, komen de voormelde dagen wel in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van [[afwezigheid voor verminderde prestaties]] waarop het personeelslid nog recht heeft.]²

[§ 2. Voor het personeelslid dat alleenstaand is, wordt, in geval van zware ziekte van zijn kind dat ten hoogste 16 jaar is, de maximumperiode van 12 maanden per patiënt, vermeld in paragraaf 1, voor de volledige loopbaanonderbreking uitgebreid naar 24 maanden per patiënt en wordt de maximumperiode van 24 maanden per patiënt, vermeld in paragraaf 1, voor de gedeeltelijke loopbaanonderbreking uitgebreid naar 48 maanden per patiënt.

Onder alleenstaande wordt het personeelslid verstaan dat uitsluitend en effectief samenwoont met een of meer van zijn of haar kinderen. Voor de toepassing van het eerste lid moet het personeelslid het bewijs leveren van de samenstelling van het gezin met een attest van de gemeentelijke overheid waaruit blijkt dat het personeelslid op het moment van de aanvraag van de loopbaanonderbreking uitsluitend en effectief samenwoont met een of meer van zijn kinderen. Voor iedere verlenging van een periode van volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking moet het personeelslid het vereiste attest indienen.]¹

[ ]¹ B.Vl.R. 12-10-2012; [ ]² B.Vl.R. 12-6-2015; [[ ]] B.Vl.R. 21-4-2017

[Art. 27/1.

§ 1. In afwijking van de duur van minimum één maand, vermeld in artikel 27, kan het personeelslid voor de bijstand of de verzorging van een minderjarig kind, tijdens of vlak na de hospitalisatie van het kind als gevolg van een zware ziekte, zijn beroepsloopbaan volledig onderbreken voor een duur van één week, eventueel verlengbaar met één week.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder zware ziekte, elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de geneesheer oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of psychologische bijstand of verzorging noodzakelijk is.

§ 2. De mogelijkheid tot onderbreking van de beroepsloopbaan voor de duur van één week, zoals vermeld in paragraaf 1, staat open voor :

1° het personeelslid dat bloed- of aanverwant is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en ermee samenwoont;

2° het personeelslid dat samenwoont met het zwaar zieke kind en belast is met de dagelijkse opvoeding.

Als de personeelsleden vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, geen gebruik kunnen maken van de mogelijkheid tot onderbreking van de beroepsloopbaan voor de duur van één week, zoals vermeld in paragraaf 1, dan kunnen ook de volgende personeelsleden op die mogelijkheid een beroep doen :

1° het personeelslid dat bloed- of aanverwant is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en er niet mee samenwoont;

2° als het personeelslid vermeld onder 1° geen gebruik kan maken van de mogelijkheid tot onderbreking van de beroepsloopbaan voor de duur van één week, een bloed- of aanverwant van het zwaar zieke kind tot de tweede graad.

§ 3. Als het personeelslid aansluitend op de mogelijkheid tot onderbreking van de beroepsloopbaan voor de duur van één week, zoals vermeld in paragraaf 1, zijn recht uitoefent op loopbaanonderbreking voor medische bijstand zoals vermeld in artikel 26 voor datzelfde zwaar zieke kind, kan de minimale periode voor de opname van de volledige onderbreking van de beroepsloopbaan korter zijn dan één maand.]

B.Vl.R. 6-9-2013

Art. 28.

Het personeelslid dat zijn loopbaan wil onderbreken voor de verzorging van een zwaar ziek gezinslid of zwaar ziek familielid deelt dat mee aan de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waarbij hij tewerkgesteld is, met uitzondering van de personeelsleden van de inspectie, die dit meedelen aan de Vlaamse Regering. Hij voegt bij deze mededeling een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van het zwaar ziek gezins- of familielid, waaruit blijkt dat het personeelslid bereid is bijstand of verzorging te verlenen aan de zwaar zieke persoon. [In geval van hospitalisatie van het kind wordt het bewijs van hospitalisatie geleverd door een attest van het betrokken ziekenhuis.]

De loopbaanonderbreking voor de verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid begint de eerste dag van de week die volgt op de week waarin voornoemde mededeling is gedaan of op een vroeger tijdstip, na akkoord van de inrichtende macht of van de Vlaamse Regering voor de personeelsleden van de inspectie.

[In geval van hospitalisatie van een zwaar ziek kind, kan worden afgeweken van de termijn voor de aanvraag bij de inrichtende macht wanneer de hospitalisatie van het kind onvoorzienbaar is. In dat geval bezorgt het personeelslid zo spoedig mogelijk een attest van de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind waaruit het onvoorzienbare karakter van de hospitalisatie blijkt. Deze mogelijkheid geldt ook als de onderbreking van de beroepsloopbaan verlengd wordt met één week.]

B.Vl.R. 6-9-2013

Afdeling 3. - Loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen

Art. 29.

De personeelsleden hebben het recht op loopbaanonderbreking om palliatieve verzorging te verstrekken aan een persoon krachtens de bepalingen van artikel 100bis en 102bis van de wet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen. Ze kunnen :

1° ofwel hun loopbaan volledig onderbreken;

2° ofwel hun loopbaan gedeeltelijk onderbreken tot een halftijdse betrekking;

3° ofwel hun loopbaan gedeeltelijk onderbreken door hun prestaties te verminderen met een vijfde, op voorwaarde dat het personeelslid aangesteld is in een ambt met volledige prestaties.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder palliatieve verzorging elke vorm van bijstand verstaan, in het bijzonder medische, sociale, administratieve en psychologische bijstand en verzorging van personen die lijden aan een ongeneeslijke ziekte en die zich in een terminale fase bevinden.

Art. 30.

De onderbrekingsperiode voor een volledige of een gedeeltelijke loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen kan alleen opgenomen worden in een periode van één maand, eventueel verlengbaar met één maand.

Art. 31.

Het personeelslid dat zijn loopbaan wil onderbreken om palliatieve verzorging te verstrekken, deelt dit mee aan de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waar hij werkt, met uitzondering van de personeelsleden van de inspectie, die dat meedelen aan de Vlaamse Regering. Hij voegt bij die mededeling een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van de persoon die palliatieve verzorging nodig heeft en waaruit blijkt dat het personeelslid bereid is de palliatieve verzorging te verstrekken, zonder dat hierbij de identiteit van de patiënt wordt vermeld.

De loopbaanonderbreking voor het verstrekken van palliatieve verzorging begint de eerste dag van de week die volgt op de week waarin de mededeling is gebeurd of op een vroeger tijdstip, na akkoord van de inrichtende macht of van de Vlaamse Regering voor de personeelsleden van de inspectie.

De inrichtende macht vult het formulier, vermeld in artikel 16, § 2 van het voormeld koninklijk besluit van 12 augustus 1991 in en overhandigt het aan het personeelslid.

Afdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen

Art. 32.

De loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand of voor palliatieve zorgen is een recht.

Art. 33.

[De volledige loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand of voor palliatieve zorgen omvat al de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde ambten die het personeelslid uitoefent in het onderwijs en in de centra voor leerlingenbegeleiding.

De gedeeltelijke loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand of voor palliatieve zorgen moet gebeuren overeenkomstig de voorwaarden vermeld in artikel 5, 2°, artikel 6, 4°, artikel 7, 2° en 3° en artikel 8, 4° en 5°.]

B.Vl.R. 15-4-2016

Art. 34.

Voor de berekening van de termijn van [60 maanden] voorzien in artikel 15 en artikel 16 wordt geen rekening gehouden met de periodes van loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand of voor palliatieve zorgen.

B.Vl.R. 12-10-2012

Art. 35.

Voor tijdelijke personeelsleden die hun beroepsloopbaan onderbreken voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand of voor palliatieve zorgen, eindigt de loopbaanonderbreking in ieder geval als hun aanstelling eindigt.

Art. 36.

[§ 1. Om uitzonderlijke redenen kan het personeelslid met loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, voor medische bijstand of voor palliatieve zorgen, van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of van zijn gemachtigde de toelating krijgen om zijn ambt opnieuw op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen voor de periode van loopbaanonderbreking is verstreken.

De opzegging wordt gericht aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn gemachtigde, door tussenkomst en met akkoord van de inrichtende macht. Voor de personeelsleden van de inspectie wordt de opzegging via hiërarchische weg gericht aan de Vlaamse Regering.

§ 2. Het personeelslid dat zijn loopbaan onderbroken heeft voor het verstrekken van palliatieve verzorging of voor medische bijstand, kan evenwel, na het overlijden van de persoon die de verzorging genoot, van de inrichtende macht van de instelling(en) of het/de centr(um)(a) waarbij hij tewerkgesteld is, de toelating krijgen om zijn ambt opnieuw op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen vooraleer de periode van loopbaanonderbreking verstreken is.]

B.Vl.R. 6-9-2013

[Art. 36/1.

Voor het bepalen van het opdrachtvolume waarvoor loopbaanonderbreking kan worden genomen krachtens de artikelen 22, 26 en 29 wordt eveneens rekening gehouden met de prestaties, verstrekt door de personeelsleden belast met een opdracht aan een hogeschool.]

B.Vl.R. 12-10-2012

[Art. 36/2.

Voor de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie worden de maximumperiodes van loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof en voor medische bijstand verminderd met de overeenstemmende periodes toegestaan op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende het verlof voor onderbreking of vermindering van de arbeidsprestaties voor sommige personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie.]

B.Vl.R. 12-10-2012

HOOFDSTUK 4. - Administratieve en geldelijke toestand

Art. 37.

Tijdens de onderbreking van zijn beroepsloopbaan is het personeelslid met verlof. Dat verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Voor het aantal prestatie-eenheden waarvoor het personeelslid zijn beroepsloopbaan onderbreekt, krijgt het noch een salaris of salaristoelage noch een wachtgeld of wachtgeldtoelage. Het personeelslid krijgt wel een onderbrekingsuitkering overeenkomstig de bepalingen van het voormeld koninklijk besluit van 12 augustus 1991.

[HOOFDSTUK 4/1. Specifieke bepalingen voor de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie

Art. 37/1.

Voor de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie wordt het maximum van 60 maanden volledige en 60 maanden gedeeltelijke loopbaanonderbreking verminderd met de overeenstemmende periode van loopbaanonderbreking toegestaan op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 betreffende het verlof voor onderbreking of vermindering van de arbeidsprestaties voor sommige personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie.

Art. 37/2.

[[Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen]]¹ vult, indien nodig, het bedrag van de aanmoedigingspremie voor de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie aan tot het bedrag conform de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 2002 tot instelling van de aanmoedigingspremies in de Vlaamse private sociale profit-sector.

[[Het eerste lid is alleen van toepassing op aanvragen die uiterlijk op 1 september 2016 ingaan.]]² ]

B.Vl.R. 12-10-2012; [[ ]]¹ B.Vl.R. 3-7-2015; [[ ]]² B.Vl.R. 30-8-2016

[Art. 37/3.

[[Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen]]¹ vult, indien nodig, het bedrag van de onderbrekingsuitkeringen, toegekend door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, voor de personeelsleden van de centra voor basiseducatie aan tot een bedrag dat toegekend wordt, naargelang van het opgenomen stelsel, overeenkomstig de bepalingen van :

1° het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking voor de onderbreking van de beroepsloopbaan of de vermindering van de arbeidsprestaties;

2° het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen;

3° het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot invoering van een recht op loopbaanonderbreking voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid;

4° het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan.

[[Het eerste lid is alleen van toepassing op aanvragen die uiterlijk op 1 september 2016 ingaan.]]² ]

B.Vl.R. 6-9-2013; [[ ]]¹ B.Vl.R. 3-7-2015; [[ ]]² B.Vl.R. 30-8-2016

HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen

Art. 38.

De personeelsleden die op 31 augustus 2011 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking genieten op basis van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 1997 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, kunnen op 1 september 2011 een gedeeltelijke loopbaanonderbreking nemen zoals vermeld in artikel 9, § 1, eerste lid, 2° van dit besluit.

Art. 39.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 1997 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 25 mei 1999, 7 september 2001, 21 september 2007 en 1 oktober 2010, wordt opgeheven.

Art. 40.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2011.

Art. 41.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.