Besluit van de Vlaamse Regering houdende uitvoering van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen

  • goedkeuringsdatum
    8/07/2016
  • publicatiedatum
    B.S. 1/09/2016 (pagina 59251)
  • bron

    Numac : 2016036279
  • datum laatste wijziging
    29/08/2019

Aanhef

DE VLAAMSE REGERING,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20 en 87, § 1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;

Gelet op de Programmawet (I) van 24 december 2002, artikel 346, §§ 2 en 3;

Gelet op het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, artikel 13, gewijzigd bij decreet van 10 juni 2016;

Gelet op het decreet van 15 juli 2005 houdende de toekenning van de mogelijkheid tot sluiting van beroepsinlevingsovereenkomsten aan sommige rechtspersonen, artikel 3, tweede lid;

Gelet op de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, artikel 59;

Gelet op het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen, artikel 5, 7, 17 en 26;

Gelet op het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 2 september 2005 tot vaststelling van de voorwaarden waartegen beroepsinlevingsovereenkomsten kunnen worden afgesloten bij haar diensten;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2005 tot vaststelling van de voorwaarden waartegen beroepsinlevingsovereenkomsten kunnen worden afgesloten door sommige rechtspersonen;

Gelet op het koninklijk besluit van 1 september 2006 betreffende de start- en stagebonus;

Gelet op het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, gegeven op 16 juni 2016;

Gelet op het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, gegeven op 16 juni 2016;

Gelet op het advies van de Raad van Bestuur van Syntra Vlaanderen, gegeven op 17 juni 2016;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 17 mei 2016;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat de wetgevende procedure voor onderhavige regelgeving nog vóór het zomerreces 2016 moet afgerond zijn doordat op 1 september 2016 de overgangsmaatregel voor de industriële leerovereenkomsten, die in het kader van de zesde staatshervorming samen met de beroepsinlevingsovereenkomst werden overgeheveld naar de Gemeenschappen, afloopt. Deze overgangsmaatregel hield in dat op federaal vlak de paritaire leercomités bleven instaan voor het beheer van de industriële leerovereenkomsten waarbij op Vlaams niveau het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen de taken van de FOD WASO overnam. Vanaf 1 september 2016 moet op Vlaams niveau een alternatief voor de industriële leerovereenkomsten en het beheer ervan in werking treden zo niet ontstaat er voor jongeren en werkgevers tijdens het schooljaar 2016-2017 een vacuüm. Ook voor het decreet, waarvan dit ontwerpbesluit een uitvoering is, werd om dezelfde reden door de Raad van State een advies binnen een termijn van vijf werkdagen verstrekt (cfr. advies 59.325/1 van 29 april 2016);

Gelet op advies 59.684/1 van de Raad van State, gegeven op 4 juli 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport;

Na beraadslaging,

Besluit :
 

HOOFDSTUK 1 Definitie

ART 1.

In dit besluit wordt verstaan onder :
decreet van 10 juni 2016 : het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen.
 

HOOFDSTUK 2 Model van de stageovereenkomst alternerende opleiding en model van de overeenkomst van alternerende opleiding

ART 2.

Het model van de stageovereenkomst alternerende opleiding en het model van de overeenkomst van alternerende opleiding, vermeld in artikel 3 van het decreet van 10 juni 2016, zijn opgenomen in bijlage 1 en 2 die bij dit besluit zijn gevoegd.
 

HOOFDSTUK 3 Voorwaarden voor de onderneming

ART 3.

Het sectorale partnerschap of, bij afwezigheid van een sectoraal partnerschap, het Vlaams Partnerschap Duaal Leren bepaalt aan de hand van het uittreksel uit het Strafregister vermeld in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering wat moet worden verstaan onder van onberispelijk gedrag zijn als vermeld in artikel 7, § 1, eerste lid, 1°, a), van het decreet van 10 juni 2016. Het Vlaams Partnerschap Duaal Leren bepaalt hiertoe de richtlijnen.

Het uittreksel uit het Strafregister mag echter geen enkele vermeldingen bevatten betreffende feiten ten aanzien van minderjarigen.

ART 3/1.

De onderneming moet de mentor een mentoropleiding laten volgen alsook de bijkomende initiatieven die het sectorale partnerschap of, bij afwezigheid van een sectoraal partnerschap, het Vlaams Partnerschap Duaal Leren eventueel neemt nodig voor de professionalisering van de mentor.

Het sectorale partnerschap of, bij afwezigheid van een sectoraal partnerschap, het Vlaams Partnerschap Duaal Leren bepaalt de termijn waarbinnen de mentoropleiding en de eventuele bijkomende initiatieven vermeld in het eerste lid, moeten worden gevolgd, en beslist over eventuele vrijstellingen. De termijn voor het volgen van de mentoropleiding mag echter niet meer bedragen dan een jaar vanaf de erkenning.

De mentoropleiding moet minstens een opleiding in het coachen, motiveren, bijsturen en evalueren van leerlingen omvatten. Het sectorale partnerschap of, bij afwezigheid van een sectoraal partnerschap, het Vlaams Partnerschap Duaal Leren bepaalt welke opleidingen in aanmerking komen als mentoropleiding.

ART 4.

In dit artikel wordt verstaan onder jongere elke jongere die in de onderneming een alternerende opleiding als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 10 juni 2016 volgt.

Per vestigingsplaats mag het aantal jongeren in opleiding niet meer bedragen dan het aantal werknemers verbonden door een arbeidsovereenkomst.

Met behoud van de toepassing van het vierde en vijfde lid, kan een onderneming die geen werknemers met een arbeidsovereenkomst in dienst heeft, gelijktijdig één jongere opleiden.

Het sectoraal partnerschap kan het maximumaantal jongeren bepalen dat per mentor gelijktijdig kan worden opgeleid in de sector in kwestie.

In de sectoren waar geen maximumaantal jongeren per mentor is bepaald door een sectoraal partnerschap, kan het Vlaams Partnerschap Duaal Leren het maximumaantal jongeren bepalen dat per mentor kan worden opgeleid.
 

ART 4/1.

Bij de beoordeling van de financiële draagkracht, vermeld in artikel 7, § 1, eerste lid, 3°, van het decreet van 10 juni 2016, wordt onder meer rekening gehouden met achterstallige belastingen en met achterstallige bijdragen te innen door een instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen. Er wordt geen rekening gehouden met bedragen die het voorwerp uitmaken van een afbetalingsplan bij de instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen dat wordt geëerbiedigd.

ART 5.

Met toepassing van artikel 7, § 1, tweede lid, 1° en 2°, van het decreet van 10 juni 2016 oordeelt het Vlaams Partnerschap Duaal Leren of de mentor een bewijs van vooropleiding heeft.

Als bewijs van vooropleiding komt elk studiebewijs in aanmerking dat uitgereikt is door een reguliere onderwijsinstelling en dat betrekking heeft op de competenties die de onderneming volgens het opleidingsplan moet aanleren, alsook elk bewijs van elders verworven competenties of kwalificaties dat betrekking heeft op de competenties die de onderneming volgens het opleidingsplan moet aanleren.
 

HOOFDSTUK 4 Beroepsmogelijkheden

Afdeling 1 Beroep tegen de niet-erkenning van een onderneming, opheffing van de erkenning van een onderneming of uitsluiting van een onderneming

ART 6.

Binnen het Vlaams Partnerschap Duaal Leren wordt een beroepscommissie opgericht die is samengesteld uit :
1° de voorzitter van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren;
2° twee van de vier leden, vermeld in artikel 13, § 3, eerste lid, 2°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen";
3° twee van de vier leden, vermeld in artikel 13, § 3, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet;
4° de secretaris van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren.

De werking van de beroepscommissie wordt geregeld in het huishoudelijk reglement van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren.

Als de beslissing tot de niet-erkenning, de opheffing van de erkenning of de uitsluiting van een onderneming genomen werd door een sectoraal partnerschap in het kader van een samenwerkingsakkoord met het Vlaams Partnerschap, of door een personeelslid van het agentschap bij delegatie van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren, kan de onderneming tegen die beslissing binnen tien dagen na de schriftelijke mededeling van de beslissing, met een aangetekende brief een gemotiveerd verzoek tot herziening indienen bij de beroepscommissie, vermeld in het eerste lid. Na onderzoek en na het horen van de onderneming neemt de beroepscommissie een beslissing, uiterlijk binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verzoek een beslissing. Bij overschrijding van deze termijn, is de omstreden beslissing van rechtswege nietig.
 

ART 7.

Als de beslissing tot de niet-erkenning, de opheffing van de erkenning of de uitsluiting van een onderneming genomen werd door het Vlaams Partnerschap Duaal Leren, kan de onderneming binnen tien dagen na de schriftelijke mededeling van de beslissing met een aangetekende brief een gemotiveerd verzoek tot herziening indienen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor werk. Na onderzoek en na het horen van de onderneming neemt de Vlaamse minister, bevoegd voor werk, een beslissing uiterlijk binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verzoek. Bij overschrijding van deze termijn, is de omstreden beslissing van rechtswege nietig.
 

ART 7/1.

Zolang de beroepsprocedure tegen de niet-erkenning van de onderneming loopt, kan zij geen overeenkomsten sluiten.

Zolang de beroepsprocedure tegen de opheffing van de erkenning van de onderneming of tegen de tijdelijke uitsluiting van de onderneming loopt, kan de onderneming geen nieuwe overeenkomsten sluiten. De lopende overeenkomsten blijven uitgevoerd worden.

Zolang de beroepsprocedure tegen de definitieve uitsluiting van de onderneming loopt, kan zij geen nieuwe overeenkomsten sluiten. De lopende overeenkomsten worden beëindigd.

Afdeling 2 Beroep tegen de beëindiging van de overeenkomst van alternerende opleiding of de stageovereenkomst alternerende opleiding

ART 8.

Met toepassing van artikel 26, § 3, derde lid en artikel 28 van het decreet van 10 juni 2016 wordt het beroep ingesteld binnen een termijn van tien dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beëindiging van de overeenkomst met een aangetekende brief. Die aangetekende brief is gericht aan de voorzitter van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren en bevat als bijlage een afschrift van de kennisgeving van de beëindiging.

Het Vlaams Partnerschap spreekt zich binnen zestig dagen na de verzending van de brief, vermeld in het eerste lid, uit over de gegrondheid van de reden tot beëindiging van de overeenkomst. Daarbij hoort het Vlaams Partnerschap Duaal Leren de partijen die bij de overeenkomst betrokken zijn. De partijen kunnen zich hierbij laten bijstaan.

De onderneming stelt de leerling in staat om aanwezig te zijn op de vergadering van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren waarop de partijen conform het tweede lid gehoord worden.
 

HOOFDSTUK 5 Vergoeding van de overeenkomst van alternerende opleiding

ART 9.

De onderneming, verbonden door een overeenkomst van alternerende opleiding, is aan de leerling een leervergoeding verschuldigd.

De leervergoeding bedraagt het volgende percentage van het nationaal gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen zoals bepaald voor werknemers van achttien jaar bij collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de Nationale Arbeidsraad :
1° 29 % tijdens het eerste opleidingsjaar van een alternerende opleiding;
2° 32 % als de leerling een van de volgende jaren of graden met succes heeft beëindigd :
a) het eerste opleidingsjaar van een alternerende opleiding;
b) de tweede graad van het secundair onderwijs;
3° 34,50 % als de leerling een van de volgende jaren, kwalificatiefases of opleidingen met succes heeft beëindigd :
a) het tweede opleidingsjaar van een alternerende opleiding;
b) het eerste jaar van de derde graad van het secundair onderwijs;
c) de kwalificatiefase van het buitengewoon secundair onderwijs (opleidingsvorm 3);

Een leerling wordt geacht het opleidingsjaar met succes te hebben beëindigd als hij op basis van de competenties, verworven tijdens dat opleidingsjaar, studievoortgang kan maken.

De verhoging van de leervergoeding vangt aan bij de start van het volgende opleidingsjaar, op 1 september.

Het bedrag van de maandelijkse leervergoeding vastgesteld conform het tweede lid, wordt afgerond naar het hogere veelvoud van 10 cent.
 

ART 10.

De leervergoeding is niet hoger dan het bedrag dat een leerling maximaal mag verdienen om recht te hebben op een uitkering in het kader van de wetgeving op de kinderbijslagen.
 

ART 11.

De onderneming betaalt de leervergoeding aan de leerling, tenzij er verzet is door de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige leerling.

Bij verzet van de wettelijke vertegenwoordiger betaalt de onderneming de leervergoeding aan de wettelijke vertegenwoordiger.
 

HOOFDSTUK 6 Huishoudelijk Reglement van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren

ART 12.

De Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor werk, keuren gezamenlijk het huishoudelijk reglement van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren goed.

[HOOFDSTUK 6/1 Schorsing van de uitvoering van de overeenkomst wegens vakantie (ing. BVR 3 mei 2019, art. 3, I: 1 september 2019)]

ART 12/1.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, keuren samen de structurele afwijkingen, vermeld in artikel 19, eerste lid, 1°, van het decreet van 10 juni 2016, goed.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, bepalen samen, op voorstel van het Vlaams Partnerschap Duaal Leren, de criteria, vermeld in artikel 19, eerste lid, 3°, van het decreet van 10 juni 2016. In sectoren waar er een sectoraal partnerschap is, doet het Vlaams Partnerschap Duaal Leren het voorstel op advies van dit sectoraal partnerschap.

HOOFDSTUK 7 Wijzigingsbepalingen

ART 13.

In artikel 18 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 maart 2006 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 3 februari 2010, 2 april 2010 en 24 januari 2013 en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :

§ 1. De doelgroepvermindering voor de tewerkstelling tijdens de opleiding van jongeren bestaat uit een forfaitaire vermindering van G1 per kwartaal tijdens de duur van hun tewerkstelling.

In het eerste lid wordt verstaan onder jongeren :
1° de jongeren, vermeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° de jongeren, tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, derde lid van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen.

Na afloop van de opleiding van de jongere, vermeld in het eerste lid, kan de werkgever een beroep doen op de doelgroepvermindering voor jonge werknemers, vermeld in paragraaf 2 of 3.".
 

ART 14.

In artikel 20 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 januari 2004 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 april 2010 en 24 januari 2013 en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, wordt de zinsnede "artikel 18" telkens vervangen door de zinsnede "artikel 18, § 1, tweede lid, 2° ".
 

ART 15.

In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2005 tot vaststelling van de voorwaarden waartegen beroepsinlevingsovereenkomsten kunnen worden afgesloten door sommige rechtspersonen wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt :
"De alternerende opleiding vermeld in artikel 2, 2° van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen, komt niet in aanmerking als opleiding in alternerend leren vermeld in het eerste lid.".
 

ART 16.

In artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 september 2006 betreffende de start- en stagebonus wordt punt 4° vervangen door wat volgt :

4° opleidingsovereenkomst :
a) een leerovereenkomst, gesloten met toepassing van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst;
b) een leerovereenkomst, gesloten met toepassing van de regelgeving betreffende de voortdurende vorming in de Middenstand;
c) een overeenkomst van alternerende opleiding als vermeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;
d) een opleidingsovereenkomst als vermeld in artikel 20ter van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 houdende uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;
e) een beroepsinlevingsovereenkomst als vermeld in titel IV, hoofdstuk X, van de programmawet van 2 augustus 2002.".
 

HOOFDSTUK 8 Slotbepalingen

ART 17.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 2 september 2005 tot vaststelling van de voorwaarden waartegen beroepsinlevingsovereenkomsten kunnen worden afgesloten bij haar diensten wordt opgeheven.

ART 18.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 2 september 2005 tot vaststelling van de voorwaarden waartegen beroepsinlevingsovereenkomsten kunnen worden afgesloten bij haar diensten en het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 2005 tot vaststelling van de voorwaarden waartegen beroepsinlevingsovereenkomsten kunnen worden afgesloten door sommige rechtspersonen, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op de overeenkomsten die met toepassing van de voormelde besluiten zijn gesloten vóór 1 september 2016 en tot hun einddatum. Op die overeenkomsten zijn de bepalingen van dit besluit niet van toepassing.
 

ART 19.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2016 met uitzondering van artikel 1, 5, 6 en 7 die in werking treden op 1 juli 2016.

ART 20.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor werk, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
 

BIJLAGE Bijlage 1

BIJLAGE Bijlage 2