Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de lokale samenwerkingsinitiatieven tussen scholen voor basis- en secundair onderwijs, instellingen voor hoger onderwijs en de academies voor deeltijds kunstonderwijs

  • goedkeuringsdatum
    4/05/2018
  • publicatiedatum
    B.S. 5/06/2018 (pagina 46905)
  • bron

    Numac : 2018012242
  • datum laatste wijziging
    23/08/2019

Aanhef

DE VLAAMSE REGERING,

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;

Gelet op het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs, artikelen 136 tot 146;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 15 december 2017;

Gelet op het protocol nr. 76 van 9 maart 2018, houdende de conclusies van de onderhandelingen gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X en van onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op het protocol nr. 76 van 9 maart 2018, houdende de conclusies van de onderhandelingen gevoerd in het Overkoepelend onderhandelingscomité bedoeld in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op het advies 63.139/1 van de Raad van State, gegeven op 6 april 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs;

Na beraadslaging,

Besluit :
 

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

ART 1.

Dit besluit is van toepassing op gefinancierde of gesubsidieerde academies van het deeltijds kunstonderwijs, de gefinancierde of gesubsidieerde scholen voor basis- en secundair onderwijs en de erkende instellingen voor hoger onderwijs.

Dit besluit regelt de voorwaarden waaronder lokale samenwerkingsinitiatieven kunnen worden toegewezen en georganiseerd.
 

ART 2.

In dit besluit wordt verstaan onder:
1° bevoegde dienst van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming: de Canon Cultuurcel van het Departement Onderwijs en Vorming;
2° decreet van 9 maart 2018: het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs;
3° externe partner: een externe partner als vermeld in artikel 137, eerste lid, van het decreet van 9 maart 2018, hetzij een organisatie of een individuele kunstenaar;
4° instelling: een instelling voor hoger onderwijs waarvan de opleidingen geaccrediteerd zijn krachtens de bepalingen van deel II, titel 3, hoofdstuk 9 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013;
5° lokaal samenwerkingsinitiatief: een samenwerkingsverband als vermeld in artikel 137 van het decreet van 9 maart 2018, dat door de Vlaamse Regering is goedgekeurd;
6° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs;
7° school: een gefinancierde of gesubsidieerde school voor gewoon of buitengewoon basis- of secundair onderwijs.
 

Hoofdstuk 2 Toekenning van de ondersteuning

Afdeling 1 Beschikbare middelen

ART 3.

§ 1. Met toepassing van artikel 141 van het decreet van 9 maart 2018 kent de minister binnen de totale beschikbare puntenenveloppe en het totale beschikbare werkingsbudget, bepaald en berekend conform artikel 140 van het voormelde decreet, na advies van de beoordelingscommissie, vermeld in artikel 9 van dit besluit, een puntenenveloppe en een werkingsbudget toe aan de academie die samenwerkt met minstens een school of de instelling, vermeld in artikel 137 van het voormelde decreet of met een vestigingsplaats van die school of instelling.

Elke academie en elke school voor basis-, secundair of instelling voor hoger onderwijs kan verschillende aanvragen voor een samenwerkingsinitiatief indienen.

Gedurende de drie schooljaren, vermeld in artikel 137, derde lid, van het voormelde decreet, worden de puntenenveloppe en het werkingsbudget jaarlijks toegekend aan de academie, tenzij de minister beslist om het samenwerkingsinitiatief vroegtijdig stop te zetten conform artikel 15, § 2.

Het toegekende aantal punten en werkingsmiddelen wordt berekend conform artikel 141 van het decreet van 9 maart 2018 op basis van het aantal deelnemende leerlingen of studenten dat in de aanvraag vermeld wordt.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan de bevoegde dienst van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, op verzoek van het samenwerkingsinitiatief, toestaan dat een samenwerkingsinitiatief in het tweede of derde schooljaar meer of minder punten inzet dan toegekend conform paragraaf 1, zolang dat niet raakt aan de inhoud van het samenwerkingsinitiatief, zoals beoordeeld door de beoordelingscommissie, en zolang er restpunten beschikbaar zijn en voor zover het maximale aantal punten per samenwerkingsinitiatief, conform artikel 141 § 2, eerste lid van het decreet van 9 maart 2018 niet overschreden wordt.

De academies, de scholen of de instellingen in kwestie stellen de vraag om meer of minder punten in te zetten na onderling overleg.

Als er restpunten vrijkomen door gehele of gedeeltelijke stopzetting van samenwerkingsinitiatieven, kunnen die indien nodig worden aangewend voor lopende samenwerkingsinitiatieven op voorwaarde dat daardoor niet geraakt wordt aan de essentie van het door de minister goedgekeurde samenwerkingsinitiatief. De bevoegde dienst van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming informeert de lopende samenwerkingsinitiatieven over de globale hoeveelheid restpunten die voor een bepaald schooljaar beschikbaar zijn.
 

ART 4.

De academie richt een of meer betrekkingen op in het ambt van leraar, conform artikel 142 tot en met 144 van het decreet van 9 maart 2018, en brengt daarbij de punten waarop ze jaarlijks recht heeft op de volgende wijze in rekening:
 

   aantal punten
1 uur opdracht salarisschaal 300 5
1 uur opdracht salarisschaal 301 5
1 uur opdracht salarisschaal 302 5
1 uur opdracht salarisschaal 384 5
1 uur opdracht salarisschaal 501 7
1 uur opdracht salarisschaal 346 7
1 uur opdracht salarisschaal 347 7

Een uur opdracht resulteert in veertig leeractiviteiten van vijftig minuten op schooljaarbasis als vermeld in artikel 138 van het decreet van 9 maart 2018.
 

ART 5.

De opdracht van de leraar die wordt aangesteld binnen de lokale samenwerkingsinitiatieven wordt gelijkgesteld met een van de vakken, vermeld in artikel 4, 6, 8 en 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2018 betreffende het opleidingsaanbod, de organisatie, de personeelsformatie, de inning van het inschrijvingsgeld en de certificering van het deeltijds kunstonderwijs.
 

Afdeling 2 Aanvraag- en gunningsprocedure

ART 6.

De oproep wordt bekendgemaakt via de kanalen van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming die daarvoor geschikt zijn. Het bericht vermeldt de vormelijke en inhoudelijke vereisten waaraan de voorstellen voor lokale samenwerkingsinitiatieven moeten voldoen.

ART 7.

Het voorstel voor een lokaal samenwerkingsinitiatief wordt uiterlijk ingediend op 15 februari van het schooljaar dat voorafgaat aan de opstart van het samenwerkingsinitiatief. Het volledig ingevulde online aanvraagformulier wordt ingediend op de website van de bevoegde dienst van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming. Alleen voorstellen die op die wijze zijn ingediend, zijn ontvankelijk.

De academie die een voorstel indient, wijst een verantwoordelijke aan die optreedt als contactpersoon voor de bevoegde dienst van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming.

Binnen twee werkdagen na de dag van de ontvangst van het elektronisch aanvraagformulier stuurt de bevoegde dienst van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming met een e-mail een ontvangstbewijs naar de verantwoordelijke.
 

ART 8.

De voorstellen worden beoordeeld op basis van volgende criteria:
1° de wijze waarop het delen, aanwenden en verhogen van expertise tussen leerkrachten en eventueel een externe partner op de klasvloer tot stand komt;
2° het aanwezig zijn van een gezamenlijke inschatting van de beginsituatie inzake kunst- en cultuureducatie van de school voor basis-, secundair of hoger onderwijs, daarbij kan het voorstel zich baseren op de eerdere kunst- en cultuurervaringen van de school;
3° de mate waarin het voorstel tegemoetkomt aan de specifieke behoeften en context van de scholen, de instellingen voor hoger onderwijs en de academie in kwestie;
4° het potentieel van het voorstel om leerlingen basis- of secundair onderwijs naar het deeltijds kunstonderwijs toe te leiden;
5° de mate waarin de leeractiviteiten die het cultureel bewustzijn en de culturele expressie verhogen, worden geïntegreerd in, of aansluiten bij de reguliere lespraktijk van de scholen of de instellingen voor hoger onderwijs in kwestie;
6° het procentueel aandeel van leerlingen die beantwoorden aan de leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, of de gelijkekansenindicatoren, vermeld in artikel 225, § 1, en artikel 233 § 1 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 of de deelname van een school voor buitengewoon onderwijs aan het samenwerkingsinitiatief;
7° de relevante deelname van een externe partner aan het samenwerkingsinitiatief wordt beoordeeld volgens de criteria, vermeld in 1° tot en met 5° ;
8° de deelname van een academie en een school of instelling voor hoger onderwijs, of beide, die nog niet eerder deelnamen aan een lokaal samenwerkingsinitiatief;
9° er wordt gestreefd naar een evenwichtige verdeling van de lokale samenwerkingsverbanden over de verschillende onderwijsnetten.

In het eerste lid, 5° wordt in het geval van scholen voor leerplichtonderwijs onder de reguliere lespraktijk de realisatie van de eindtermen verstaan.

In het eerste lid, 9°, wordt verstaan onder onderwijsnet: het onderwijsnet, vermeld in artikel 3, 47°, van het decreet van 9 maart 2018.
 

ART 9.

De minister stelt een beoordelingscommissie samen op voorstel van de bevoegde dienst van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming.

De beoordelingscommissie bestaat uit ambtenaren van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, een vertegenwoordiging van de Vlaamse Onderwijsraad en externe experts met deskundigheid in de doelstellingen, vermeld in artikel 136 van het decreet van 9 maart 2018.

Onder externe experts, vermeld in het tweede lid, worden experts verstaan die niet behoren tot de Vlaamse Overheid of de Vlaamse Onderwijsraad.

De beoordelingscommissie maakt voor 31 maart een gemotiveerde rangschikking van de voorstellen op basis van de criteria, vermeld in artikel 8 en legt die voor aan de minister. Het verslag bevat de afweging van de voorstellen ten opzichte van de criteria, vermeld in artikel 8.
 

ART 10.

De bevoegde dienst van het departement Onderwijs en Vorming deelt uiterlijk op 15 mei de beslissing van de minister, mee aan de academies, de scholen, de instellingen voor hoger onderwijs en de externe partners in kwestie.

Hoofdstuk 3 Organisatie van een lokaal samenwerkingsinitiatief

Afdeling 1 Planning

ART 11.

De indienende academie en de school voor basis-, secundair of de instelling voor hoger onderwijs sluiten voor de opstart van het samenwerkingsinitiatief een samenwerkingsovereenkomst af, conform artikel 137, tweede lid, van het decreet van 9 maart 2018, uitgaande van het ingediende online aanvraagformulier, vermeld in artikel 7.

ART 12.

De aanvraag, die uiterlijk op 1 maart voorafgaand aan het schooljaar waarin het samenwerkingsinitiatief van start gaat wordt ingediend, wordt vergezeld van een jaarplanning van dat schooljaar, conform artikel 137, tweede lid, 1° van het decreet van 9 maart 2018. Voor het tweede en derde schooljaar wordt een geactualiseerde jaarplanning bezorgd aan de bevoegde dienst van het departement Onderwijs en Vorming op uiterlijk 31 juli voorafgaand aan het schooljaar in kwestie.

De indienende academie kan de leeractiviteiten vrij inplannen in de loop van het schooljaar, na onderhandeling in het lokaal comité en in samenspraak met de school of de instelling voor hoger onderwijs en de externe partners in kwestie.
 

Afdeling 2 Aanwending van de middelen

ART 13.

De academie kan de puntenenveloppe uitsluitend aanwenden voor de opdracht, vermeld in artikel 138 van het decreet van 9 maart 2018.

De academie kan het werkingsbudget aanwenden voor:
1° materiaalkosten;
2° vervoerskosten en uitrustingskosten voor het lokale samenwerkingsinitiatief;
3° een vergoeding voor externe partners;
4° toegangsgelden.
 

Hoofdstuk 4 Kwaliteitszorg

Afdeling 1 Interne kwaliteitszorg

ART 14.

De academie en de scholen, instellingen voor hoger onderwijs en desgevallend externe partners zijn samen verantwoordelijk voor de kwaliteit van het lokale samenwerkingsinitiatief. Ze gaan na in welke mate de toegekende ondersteuning bijdraagt tot het realiseren van de doelstellingen, vermeld in artikel 136 van het decreet van 9 maart 2018.

Als een van de partners de samenwerking stopzet, wordt bij de bevoegde dienst van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming een verslag over de periode van samenwerking ingediend op uiterlijk 30 juni voor het begin van het daaropvolgende schooljaar.

Als de samenwerking met een externe partner stopgezet wordt, kan het samenwerkingsinitiatief ervoor kiezen die te vervangen of het initiatief zonder externe partner voort te zetten. De academie deelt die wijziging mee aan de bevoegde dienst van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming.
 

Afdeling 2 Verslaggeving en externe kwaliteitszorg

ART 15.

§ 1. De academie bezorgt jaarlijks in samenspraak met de betrokkenen in het samenwerkingsinitiatief een verslag aan de bevoegde dienst van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming uiterlijk 31 juli voor het begin van het daaropvolgende schooljaar waarop de ondersteuning, vermeld in artikel 3, betrekking heeft.

De verslaggeving gebeurt via een elektronisch formulier, waarvan het model door de minister wordt bepaald.

De academie houdt een overzicht van de kosten en de bewijsstukken van de uitgaven ter beschikking van controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

§ 2. De onderwijsinspectie kan het samenwerkingsinitiatief evalueren in het licht van een doorlichting, vermeld in artikel 2, 7° /1 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, die zij uitvoert in een academie of school die aan het samenwerkingsinitiatief deelneemt.

Op basis van het jaarlijkse verslag, vermeld in paragraaf een, eerste lid, of het ontbreken ervan, kan de minister de onderwijsinspectie gelasten om een onderzoek ter plekke te voeren.

De inspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten gaan na of de academie, de scholen, de instellingen voor hoger onderwijs en de externe partners de doelstellingen, vermeld in artikel 136 van het voormelde decreet van 9 maart 2018, nastreven en daarbij de toegekende puntenenveloppe en het toegekende werkingsbudget doelmatig gebruiken.

§ 3. Op advies van de onderwijsinspectie kan de minister beslissen om een lokaal samenwerkingsinitiatief stop te zetten.
 

Afdeling 3 Delend en lerend netwerk

ART 16.

In samenspraak met de pedagogische begeleidingsdiensten, zet de bevoegde dienst van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming een delend en lerend netwerk op waaraan leerkrachten, docenten en externe partners die betrokken zijn bij de lokale samenwerkingsinitiatieven, kunnen deelnemen.

Op basis van de opgedane ervaring en expertise ontwikkelen de deelnemers aan het netwerk, vermeld in het eerste lid, materialen die andere academies, scholen, instellingen voor hoger onderwijs kunnen helpen bij het opstarten en vormgeven van lokale samenwerkingsinitiatieven, in relatie tot de doelstellingen, vermeld in artikel 136 van het decreet van 9 maart 2018.
 

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

ART 17.

Dit besluit treedt in werking op 1 september 2018.

ART 18.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.