Decreet betreffende het deeltijds kunstonderwijs

  • goedkeuringsdatum
    9/03/2018
  • publicatiedatum
    B.S. 11/05/2018 (pagina 39122)
  • bron

    Numac : 2018011963
  • datum laatste wijziging
    08/05/2019

HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen

ART 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
 

ART 2.

De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op erkend, gefinancierd en gesubsidieerd deeltijds kunstonderwijs, tenzij het uitdrukkelijk anders vermeld wordt.
 

ART 3.

In dit decreet wordt verstaan onder :
1° academie : autonome entiteit die deeltijds kunstonderwijs organiseert. Zij staat onder leiding van een directie, vertrekt vanuit eenzelfde pedagogische visie en wordt door de Vlaamse overheid erkend, en desgevallend gefinancierd of gesubsidieerd. Een academie bestaat uit een of meerdere vestigingsplaatsen;
2° academieraad : een niet verplicht participatieorgaan van leerlingen, betrokken personen, personeelsleden en de lokale gemeenschap dat het schoolbestuur adviseert over aangelegenheden die hen rechtstreeks aanbelangen;
3° academiereglement : een reglement dat de betrekkingen tussen het schoolbestuur en de leerlingen en desgevallend de betrokken personen regelt;
4° afstand : de afstand gemeten over de openbare weg;
5° Agentschap voor Onderwijsdiensten : het agentschap, opgericht bij besluit van de Vlaamse Regering van 2 september 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Onderwijsdiensten;
6° alternatieve leercontext : een vorm van opleiding complementair aan de leeractiviteiten van de academie. Dit is mogelijk in een reële arbeidscontext bij een werkgever, waarbij de leerling onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers effectieve arbeid verricht, of in de context van een socio-culturele vereniging, waarbij de leerling deelneemt aan de werking van die vereniging, met de bedoeling bepaalde competenties te verwerven;
7° basiscompetenties : de doelen, afgeleid uit een referentiekader, voor de kennis, de vaardigheden en de attitudes die een leerling geïntegreerd inzet voor maatschappelijke activiteiten. De basiscompetenties worden binnen de domeinen vastgelegd per studierichting en per graad;
8° beroepskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties waarmee een beroep kan worden uitgeoefend;
9° betrokken personen : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben of de meerderjarige leerling zelf;
10° bewijs van beroepskwalificatie : een van rechtswege erkend studiebewijs, dat de academie uitreikt aan een leerling die met goed gevolg een langlopende studierichting heeft beëindigd en de overeenkomstige beroepskwalificatie heeft behaald;
11° bewijs van competenties : een van rechtswege erkend studiebewijs dat de academie uitreikt aan een leerling die met goed gevolg een eerste, tweede of derde graad van een langlopende studierichting heeft beëindigd;
12° bijdrage : een bedrag dat een schoolbestuur aan een leerling bij zijn inschrijving kan vragen bovenop het inschrijvingsgeld, vermeld in punt 30° ;
13° bijzondere vestigingsplaats : een gebouw of een gebouwencomplex waarin een orgel of beiaard tot het onroerend patrimonium behoort en waar uitsluitend het vak orgel of beiaard gegeven wordt;
14° capaciteit : het maximaal aantal leerlingen dat een schoolbestuur per opleiding vooropstelt om de onderwijskwaliteit te garanderen;
15° cluster : opsomming van opties of muziekinstrumenten waarvoor een schoolbestuur als geheel onderwijsbevoegdheid kan verwerven;
16° deeltijds kunstonderwijs : het artistiek onderwijs in de beeldende en audiovisuele kunsten, dans, woordkunst-drama en muziek dat door de Vlaamse overheid erkend wordt en geen deel uitmaakt van het basis-, secundair, volwassenenonderwijs of hoger onderwijs;
17° dichtbevolkte gemeente : een gemeente met meer dan 200 inwoners per km². Voor de bepaling van het aantal inwoners per km² wordt de meest recente berekening van het Nationaal Instituut voor de Statistiek gebruikt;
18° domein : een artistieke uitdrukkingsvorm in respectievelijk beeldende en audiovisuele kunsten, dans, woordkunst-drama en muziek;
19° domeinoverschrijdende initiatieopleiding : een opleiding op het niveau van de eerste graad waarin twee of meer domeinen maximaal aan bod komen;
20° dunbevolkte gemeente : een gemeente met 200 inwoners per km² of minder. Voor de bepaling van het aantal inwoners per km² wordt de meest recente berekening van het Nationaal Instituut voor de Statistiek gebruikt;
21° einddoelen : basiscompetenties, beroepskwalificaties of specifieke eindtermen;
22° elektronisch : een elektronische verwerking van gegevens die voldoet aan de voorwaarden van artikel 2281 van het Burgerlijk Wetboek van 21 maart 1804 en bovendien een bewijs oplevert van deze verwerking, van het tijdstip waarop ze is verricht en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens;
23° erkenning : de bevoegdheid die de Vlaamse overheid aan het schoolbestuur toekent om aan leerlingen de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen;
24° financierbare leerling : een regelmatige leerling in een kortlopende of langlopende studierichting die in dezelfde opleiding zijn leertraject met maximaal één leerjaar heeft verlengd en daarenboven aan artikel 67 voldoet;
25° financierings- en subsidiëringsregeling : de regeling van de betaling van salarissen, salaristoelagen en werkingsmiddelen;
26° fusie : de samenvoeging tot een academie van twee of meer academies;
27° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen;
28° graad : een niveautrap die een horizontale onderverdeling in een langlopende studierichting aanbrengt, bestaande uit een aantal leerjaren. De graden worden aangeduid met de nummers 1 tot en met 4;
29° individueel aangepast curriculum : een leertraject met leerdoelen op maat van een leerling in geval de leerling ondanks redelijke aanpassingen onvoldoende leerwinst kan boeken in het gemeenschappelijke curriculum;
30° inschrijvingsgeld : het geld dat een regelmatige leerling betaalt bij de inschrijving voor de deelname aan de leeractiviteiten van een leerjaar van de kortlopende of langlopende studierichtingen;
31° kortlopende studierichting : een leertraject van twee of drie leerjaren dat leidt tot een leerbewijs;
32° kunstacademie : een academie die minstens drie domeinen aanbiedt, waaronder beeldende en audiovisuele kunsten en muziek;
33° langlopende studierichting : een leertraject over de verschillende graden dat leidt tot een beroepskwalificatie of het specifieke gedeelte van een onderwijskwalificatie;
34° leefeenheid : één of meer meerderjarigen, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres, alsook één of meer minderjarige gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerlingen of studenten, ongeacht hun geslacht, met eventueel één of meer minder- en meerderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres;
35° leeractiviteit : een activiteit binnen of buiten de academie waarbij een leerproces tot stand komt hetzij door interactie tussen leerling en leerkracht, hetzij door zelfstandig werk of andere werkvormen;
36° leeractiviteiten op maat : leeractiviteiten op maat van leerlingen of afgestudeerden van een academie die een beperkte tijdspanne omvatten en flexibel ingepland worden in de loop van het schooljaar;
37° leerbewijs : een van rechtswege erkend studiebewijs, dat de academie uitreikt aan een leerling die met goed gevolg een kortlopende studierichting of een graad binnen het individueel aangepast curriculum heeft beëindigd;
38° leerjaar : een schooljaar als deel van een meerjarige opleiding, waarin een lesprogramma wordt gevolgd;
39° lestijd : een periode van vijftig minuten in het domein beeldende en audiovisuele kunsten of zestig minuten in de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek of vijftig of zestig minuten in de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als eenheid voor de duur van een leeractiviteit en eenheid voor de toekenning van de omkadering van het onderwijzend personeel;
40° lokaal comité : het lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan dat bevoegd is voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden;
41° omkadering : de salarissubsidiëring of -financiering van het ondersteunend, bestuurs- en onderwijzend personeel en desgevallend opvoedend hulppersoneel van de academie door de Vlaamse overheid;
42° omkaderingscoëfficiënt : de rekenfactor om de omkadering voor een bepaald structuuronderdeel te berekenen;
43° omkaderingseenheden : prestatie-eenheden voor een administratieve opdracht in het deeltijds kunstonderwijs;
44° onderwijsbevoegdheid : de toelating van de Vlaamse overheid om een optie of een muziekinstrument te organiseren;
45° onderwijsinspectie : de inspectie, vermeld in titel IV van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
46° onderwijskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties die noodzakelijk zijn om maatschappelijk te functioneren en te participeren, waarmee verdere studies in het secundair of in het hoger onderwijs kunnen worden aangevat of waarmee beroepsactiviteiten kunnen worden uitgeoefend;
47° onderwijsnet :
- het gemeenschapsonderwijs : het gemeenschapsonderwijs zoals vermeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;
- het gesubsidieerd officieel onderwijs : het onderwijs dat door andere publiekrechtelijke rechtspersonen dan het gemeenschapsonderwijs wordt georganiseerd en dat in aanmerking komt voor subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;
- het gesubsidieerd vrij onderwijs : het onderwijs dat door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen wordt georganiseerd en dat in aanmerking komt voor subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;
48° opleiding : Hieronder wordt verstaan :
- de domeinoverschrijdende initiatieopleiding;
- de eerste graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten, dans, woordkunst-drama of muziek;
- de tweede graad van het domein dans of woordkunst-drama;
- de tweede graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten ingevuld met een bepaalde optie;
- de tweede graad van het domein muziek ingevuld met een bepaald muziekinstrument;
- de derde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten, dans of woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie;
- de derde graad van het domein muziek ingevuld met een bepaalde optie in combinatie met een bepaald muziekinstrument;
- de vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten, dans of woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie;
- de vierde graad van het domein muziek ingevuld met een bepaalde optie in combinatie met een bepaald muziekinstrument;
- de kortlopende studierichting beeldende en audiovisuele cultuur;
- de kortlopende studierichting specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten ingevuld met een bepaalde optie;
- de kortlopende studierichting danscultuur;
- de kortlopende studierichting specialisatie dans ingevuld met een bepaalde optie;
- de kortlopende studierichting woordkunst- en dramacultuur;
- de kortlopende studierichting schrijver;
- de kortlopende studierichting specialisatie woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie;
- de kortlopende studierichting muziekcultuur;
- de kortlopende studierichting muziekgeschiedenis;
- de kortlopende studierichting specialisatie muziek ingevuld met een bepaalde optie in combinatie met een bepaald muziekinstrument;
49° optie : de inhoudelijke invulling van een studierichting die het karakteristieke van de opleiding bepaalt en die bestaat uit een of meer vakken, vastgelegd door de Vlaamse Regering;
50° overheveling : de overbrenging van een of meer structuuronderdelen op een bepaalde vestigingsplaats van de ene naar de andere academie, al dan niet op grond van onderlinge uitwisseling;
51° programmatienorm : het aantal regelmatige leerlingen dat op een welbepaalde teldag in een academie, domein of structuuronderdeel in een vestigingsplaats moet ingeschreven zijn om in de financierings- of subsidiëringsregeling te worden opgenomen;
52° rationalisatienorm : het aantal regelmatige leerlingen dat op een welbepaalde teldag in een academie, domein of structuuronderdeel in een vestigingsplaats ingeschreven moet zijn om na de programmatieperiode nog gefinancierd of gesubsidieerd te blijven;
53° redelijke aanpassingen : maatregelen die genomen zijn op basis van de principes en indicatoren vermeld in artikel 2 van het protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België krachtens de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding zodat leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften de leeractiviteiten in de academie kunnen volgen;
54° regelmatige leerling : een leerling die voldoet aan de voorwaarden vermeld in punt 63° en het inschrijvingsgeld betaald heeft;
55° schoolbestuur : de inrichtende macht vermeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet; dit is de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor een of meer academies;
56° schooljaar : de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar;
57° specialisatie : een kortlopende studierichting van een domein die gericht is op het geïndividualiseerd kunstenaarschap;
58° structuuronderdeel : een kortlopende studierichting in een domein, het geheel van langlopende studierichtingen in een bepaalde graad van een domein met uitzondering van de derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen en de tweede graad muziek voor volwassenen, de domein-overschrijdende initiatieopleiding of de derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen of de tweede graad muziek voor volwassenen;
59° studieomvang : de tijd die de leerling besteedt aan leeractiviteiten die de academie organiseert. De studieomvang wordt bepaald per studierichting en wordt uitgedrukt als een product van leerjaren en wekelijkse lestijden;
60° studieperiode : de afgebakende tijdspanne in leerjaren waarbinnen een leerling een bepaalde opleiding in een bepaalde graad afwerkt;
61° studierichting : een leertraject binnen een domein dat gericht is op het behalen van een bepaalde beroepskwalificatie, het specifieke gedeelte van een bepaalde onderwijskwalificatie of een bepaald leerbewijs;
62° teldag : dag waarop de leerlingen worden geteld met het oog op de toekenning van omkadering en werkingsmiddelen en -toelagen en het behalen van de rationalisatie- en programmatienormen;
63° toelatingsvoorwaarde : een voorwaarde waaraan een leerling moet voldoen om een opleiding te volgen;
64° traject : het aantal leerjaren dat een bepaald structuuronderdeel duurt;
65° unieke opties en muziekinstrumenten : opties en muziekinstrumenten die zeer weinig leerlingen volgen, zoals te bepalen door de Vlaamse Regering;
66° vak : het gedeelte van een opleiding waarin een leerling een inhoudelijk samenhangend aantal leeractiviteiten volgt;
67° vertrouwenspersoon : een persoon in wie de leerling of de betrokken personen vertrouwen stellen en die hen bijstaat in bepaalde gevallen;
68° vestigingsplaats : gebouw of gebouwencomplex waarin een academie of een gedeelte van een academie gehuisvest is;
69° Vlaamse Onderwijsraad : strategische adviesraad beschreven in titel IV van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad;
70° volwassene : leerling van het domein woordkunst-drama, dans of muziek die de leeftijd van 15 jaar bereikt heeft op 31 december van het schooljaar of leerling van het domein beeldende en audiovisuele kunsten die de leeftijd van 18 jaar bereikt heeft op diezelfde datum;
71° vrijstelling : het vak of het geheel van vakken waarvoor de leerling niet hoeft deel te nemen aan de leer- of evaluatieactiviteiten.
 

HOOFDSTUK 2 Opdracht en finaliteit van het deeltijds kunstonderwijs

Afdeling 1 Opdracht van het deeltijds kunstonderwijs

ART 4.

Het deeltijds kunstonderwijs ontwikkelt de artistieke aanleg en competenties van de leerlingen door kunst te beoefenen, te maken, te beleven en te beschouwen zodat ze kunnen uitstromen naar kunstbeoefening of -beleving in de vrije tijd of de arbeidsmarkt of doorstromen naar het hoger kunstonderwijs.

In het kader van de doelstelling, vermeld in het eerste lid, voert een academie de volgende opdrachten uit :
1° artistiek onderwijs organiseren dat in overeenstemming is met de bepalingen van dit decreet;
2° leerlingen begeleiden bij hun keuzes in de loop van het leertraject zodat ze zelfstandigheid verwerven in hun artistieke ontwikkeling;
3° verworven competenties beoordelen en certificeren.

Met het oog op verdieping of verbreding van het artistiek onderwijs, vermeld in het tweede lid, 1°, kan een academie een aanbod van leeractiviteiten op maat organiseren.

Dit aanbod speelt in op één of meer van de volgende doelstellingen :
1° interdisciplinaire samenwerking over de domeinen of over de studierichtingen in eenzelfde domein;
2° organisatie van terugkommomenten voor afgestudeerden;
3° innovatie van het onderwijs met betrekking tot de inhoud en methodiek.

Een academie kan een aanbod van leeractiviteiten organiseren met het oog op lokale samenwerkingsinitiatieven met scholen van het kleuter-, leerplicht- en hoger onderwijs.

Een academie kan geen andere opdrachten uitvoeren of bevoegdheden uitoefenen dan diegene die haar door toepassing van dit decreet zijn toegekend.
 

Afdeling 2 Einddoelen

ART 5.

Voor elke langlopende studierichting worden voor de eerste, tweede en derde graad basiscompetenties vastgelegd.

Voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding worden basiscompetenties vastgelegd.

Voor leerlingen van de vierde graad die uitstromen naar kunstbeoefening in de vrije tijd of de arbeidsmarkt gelden beroepskwalificaties. Voor leerlingen van de vierde graad die naar het hoger onderwijs willen doorstromen geldt het specifieke gedeelte van een onderwijskwalificatie.

Voor elke kortlopende studierichting selecteert het schoolbestuur een relevant en consistent geheel van specifieke eindtermen of basiscompetenties die uitsluitend uit het desbetreffende artistieke domein worden geput.
 

ART 6.

De specifieke eindtermen en basiscompetenties worden ontwikkeld gebruikmakend van descriptorelementen, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.

De specifieke eindtermen worden vastgelegd door het Vlaams Parlement bij wijze van bekrachtiging van een besluit van de Vlaamse Regering, genomen op advies van de Vlaamse Onderwijsraad.

Het voormelde besluit wordt uiterlijk zes maanden na de goedkeuring ervan door de Vlaamse Regering bekrachtigd bij decreet. Indien het Vlaams Parlement dat besluit niet bekrachtigt, houdt het op rechtskracht te hebben.

De beroepskwalificaties worden erkend volgens de procedure, vermeld in artikel 10 tot en met 13/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.

Voor langlopende studierichtingen die leiden naar een beroep waarvoor geen erkende beroepskwalificaties bestaan, en dit tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties bestaan, bepaalt de Vlaamse Regering de referentiekaders waarvan de basiscompetenties worden afgeleid. De basiscompetenties worden, zoals bij erkende beroepskwalificaties, vastgelegd gebruikmakend van descriptorelementen uit het kwalificatieraamwerk. De Vlaamse Onderwijsraad, de socioculturele sector, de sectorfondsen en de beroepsfederaties van artistieke beroepsbeoefenaars zullen om advies gevraagd worden bij het besluit dat de referentiekaders, het proces en de actoren om tot deze competenties te komen, zal vastleggen.

De basiscompetenties worden bepaald door de Vlaamse Regering.
 

ART 7.

§ 1. Als een schoolbestuur oordeelt dat de specifieke eindtermen of basiscompetenties onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen onderwijskundige opvattingen of daarmee onverzoenbaar zijn, dient het bij de Vlaamse Regering een aanvraag tot afwijking in. Die aanvraag is alleen ontvankelijk, als precies wordt aangegeven waarom die specifieke eindtermen of basiscompetenties voor zijn eigen onderwijskundige opvattingen onvoldoende ruimte laten of waarom ze daarmee onverzoenbaar zijn. De academie stelt in dezelfde aanvraag vervangende specifieke eindtermen of basiscompetenties voor waaruit die gelijkwaardigheid met de specifieke eindtermen en basiscompetenties blijkt.

§ 2. De Vlaamse Regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en beslist, in voorkomend geval, of de vervangende specifieke eindtermen of basiscompetenties in hun geheel gelijkwaardig zijn met de bij besluit vastgelegde en decretaal bekrachtigde specifieke eindtermen of de bij besluit van de Vlaamse Regering vastgelegde basiscompetenties en de mogelijkheid bieden om gelijkwaardige studie-bewijzen uit te reiken.

De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria :
1° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;
2° de vereiste inhoud : het onderwijsaanbod dat in de specifieke eindtermen en basiscompetenties vervat zit, omvat minstens inhouden voor de overeenstemmende studierichtingen. Die inhouden moeten alleen in hun geheel evenwaardig zijn met de inhouden waarvoor specifieke eindtermen bij besluit van de Vlaamse Regering zijn vastgelegd en vervolgens bij decreet bekrachtigd zijn of de inhouden waarvoor basiscompetenties bij besluit van de Vlaamse Regering zijn vastgelegd;
3° de vervangende specifieke eindtermen of basiscompetenties zijn geformuleerd in termen die aangeven wat van leerlingen verwacht kan worden;
4° de vervangende specifieke eindtermen of basiscompetenties slaan op kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes;
5° de vervangende specifieke eindtermen slaan op vaardigheden, specifieke kennis, inzichten en attitudes die de leerlingen toelaten vervolgonderwijs aan te vatten;
6° de vervangende specifieke eindtermen of basiscompetenties zijn zo geformuleerd dat nagegaan kan worden in welke mate de leerlingen ze verwerven.

De Vlaamse Regering vraagt voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid het advies van de onderwijsinspectie en van een commissie ad hoc van onafhankelijke deskundigen. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels van die procedure, met dien verstande dat de aanvrager gehoord wordt.

§ 3. De academie dient uiterlijk op 1 september van het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de specifieke eindtermen en basiscompetenties zullen gelden, een afwijkingsaanvraag in. De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.

Een besluit over een afwijkingsaanvraag in verband met specifieke eindtermen, wordt binnen een termijn van zes maanden bekrachtigd bij decreet. Als het besluit niet binnen de voormelde termijn decretaal bekrachtigd wordt, houdt het op rechtskracht te hebben.

§ 4. In afwijking van paragraaf 3 kan de academie een afwijkingsaanvraag indienen binnen een termijn van een maand na de bekendmaking van een bekrachtigingsdecreet, als dat bekrachtigingsdecreet bekendgemaakt wordt na 1 september van het schooljaar dat voorafgaat aan de inwerkingtreding.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, is de academie gebonden door de specifieke eindtermen vanaf de dag van 1 september die volgt op de bekendmaking van een decreet tot bekrachtiging van een besluit dat de gelijkwaardige specifieke eindtermen erkent of na de beslissing van de Vlaamse Regering die de afwijkingsaanvraag afwijst.
 

Afdeling 3 Leerplan en artistiek-pedagogisch project

ART 8.

§ 1. Met inachtneming van de door de Vlaamse Regering opgelegde of gelijkwaardig verklaarde basiscompetenties, beroepskwalificaties en specifieke eindtermen, beschikt elk schoolbestuur over een goedgekeurd leerplan en kiest het vrij zijn pedagogische methodes.

De leerplannen bevatten desgewenst de doelen die het schoolbestuur uitdrukkelijk formuleert voor zijn leerlingen vanuit het eigen artistiek-pedagogisch project. In de leerplannen worden op een herkenbare wijze opgenomen :
1° de basiscompetenties;
2° de beroepskwalificaties;
3° de specifieke eindtermen.

§ 2. Om de kwaliteit van het deeltijds kunstonderwijs te waarborgen, keurt de Vlaamse Regering op basis van de criteria die de Vlaamse Regering bepaalt en op advies van de onderwijsinspectie de leerplannen goed. De Vlaamse Regering spreekt zich niet uit over de geformuleerde didactische werkvormen of pedagogische methodes.
 

ART 9.

Het schoolbestuur bepaalt vrij de organisatie van zijn deeltijds kunstonderwijs en zijn artistiek-pedagogische visie. Het legt die organisatie en visie vast in het artistiek-pedagogische project.
 

HOOFDSTUK 3 Structuur van het deeltijds kunstonderwijs

Afdeling 1 Structuur

ART 10.

Het deeltijds kunstonderwijs omvat studierichtingen in de volgende artistieke domeinen :
1° beeldende en audiovisuele kunsten;
2° dans;
3° woordkunst-drama;
4° muziek.
 

ART 11.

De langlopende studierichtingen bestaan uit vier opeenvolgende graden die bestaan uit verschillende leerjaren.

De kortlopende studierichtingen bestaan uit twee of drie leerjaren. Zij worden niet ondergebracht in de gradenstructuur.
 

Afdeling 2 Domein beeldende en audiovisuele kunsten

ART 12.

§ 1. In het domein beeldende en audiovisuele kunsten kan een academie langlopende studierichtingen aanbieden die toeleiden tot de volgende beroepskwalificaties zoals bepaald door de socioculturele sector, de sectorfondsen en de beroepsfederaties van artistieke beroepsbeoefenaars :
1° beeldend kunstenaar;
2° cineast;
3° fotograaf;
4° juweelontwerper/goudsmid;
5° kantwerker;
6° ontwerper;
7° restauratievakman meubel;
8° siersmid/kunstsmid.

§ 2. De einddoelen van de eerste, tweede en derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk.

De einddoelen van de vierde graad zijn voor ieder van die studierichtingen verschillend.

§ 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste vier wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren.

De som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad bedraagt ten minste acht wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier leerjaren.

De som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad voor jongeren bedraagt ten minste vierentwintig wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van zes of zeven leerjaren.

De som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad voor volwassenen bedraagt ten minste acht wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren.

De som van de studieomvang van de leerjaren van de vierde graad bedraagt ten minste veertig wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van tien, vijf of vier leerjaren.
 

ART 13.

§ 1. In het domein beeldende en audiovisuele kunsten kan een academie de volgende kortlopende studierichtingen aanbieden :
1° beeldende en audiovisuele cultuur;
2° specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten.

§ 2. De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichting beeldende en audiovisuele cultuur bedraagt zes wekelijkse lestijden gespreid over een traject van drie leerjaren.

De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichting specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten bedraagt zestien wekelijkse lestijden gespreid over een traject van twee leerjaren.
 

Afdeling 3 Domein dans

ART 14.

§ 1. In het domein dans kan een academie langlopende studierichtingen aanbieden die toeleiden tot de volgende beroepskwalificaties zoals bepaald door de socioculturele sector :
1° choreograaf;
2° creërend danser;
3° vertolkend danser.

§ 2. De einddoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk.

De einddoelen van de vierde graad zijn voor ieder van die studierichtingen verschillend.

§ 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren.

De som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad bedraagt ten minste acht wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier of twee leerjaren.

De som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad bedraagt ten minste zeveneneenhalf wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.

De som van de studieomvang van de leerjaren van de vierde graad bedraagt ten minste negen wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.
 

ART 15.

§ 1. In het domein dans kan een academie de volgende kortlopende studierichtingen aanbieden :
1° danscultuur;
2° specialisatie dans.

§ 2. De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichting danscultuur bedraagt zes wekelijkse lestijden gespreid over een traject van drie leerjaren.

De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichting specialisatie dans bedraagt vier wekelijkse lestijden gespreid over een traject van twee leerjaren.
 

Afdeling 4 Domein woordkunst-drama

ART 16.

§ 1. In het domein woordkunst-drama kan een academie langlopende studierichtingen aanbieden die toeleiden tot de volgende beroepskwalificaties zoals bepaald door de socioculturele sector :
1° creërend acteur;
2° theaterregisseur;
3° vertolkend acteur.

§ 2. De einddoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk.

De einddoelen van de vierde graad zijn voor ieder van die studierichtingen verschillend.

§ 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren.

De som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad bedraagt ten minste vier wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier of twee leerjaren.

De som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad bedraagt ten minste zes wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.

De som van de studieomvang van de leerjaren van de vierde graad bedraagt ten minste zes wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.
 

ART 17.

§ 1. In het domein woordkunst-drama kan een academie de volgende kortlopende studierichtingen aanbieden :
1° woordkunst- en dramacultuur;
2° schrijver;
3° specialisatie woordkunst-drama.

§ 2. De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichting woordkunst- en dramacultuur bedraagt zes wekelijkse lestijden gespreid over een traject van drie leerjaren.

De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichting schrijver bedraagt negen wekelijkse lestijden gespreid over een traject van drie leerjaren.

De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichting specialisatie woordkunst-drama bedraagt vier wekelijkse lestijden gespreid over een traject van twee leerjaren.
 

Afdeling 5 Domein muziek

ART 18.

§ 1. In het domein muziek kan een academie langlopende studierichtingen aanbieden die toeleiden tot de volgende beroepskwalificaties zoals bepaald door de socioculturele sector :
1° beiaardier;
2° creërend muzikant;
3° dirigent;
4° dj;
5° vertolkend muzikant.

In afwijking van het eerste lid kan de studierichting beiaardier, vermeld in punt 1°, enkel georganiseerd worden in de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen.

§ 2. De einddoelen van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk.

De einddoelen van de vierde graad zijn verschillend voor ieder van die studierichtingen.

§ 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren.

Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor jongeren ten minste twaalf wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier leerjaren.

Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor volwassenen ten minste negen wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.

Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad ten minste negen wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie of vier leerjaren.

Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de vierde graad ten minste zes wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.

De Vlaamse Regering bepaalt de studieomvang en de trajecten van de tweede, derde en vierde graad van de studierichting beiaardier.
 

ART 19.

§ 1. In het domein muziek kan een academie de volgende kortlopende studierichtingen aanbieden :
1° muziekgeschiedenis;
2° muziekcultuur;
3° specialisatie muziek.

§ 2. De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichtingen muziekgeschiedenis en muziekcultuur bedraagt elk zes wekelijkse lestijden gespreid over een traject van drie leerjaren.

De som van de studieomvang van de leerjaren van de specialisatie muziek bedraagt vier wekelijkse lestijden gespreid over een traject van twee leerjaren.
 

Afdeling 6 Gemeenschappelijke bepalingen

ART 20.

In afwijking van artikel 10 tot en met 19 kan een academie in de eerste graad een domeinoverschrijdende initiatieopleiding organiseren waarin twee of meer domeinen maximaal aan bod komen. De som van de studieomvang van de leerjaren in de domeinoverschrijdende initiatieopleiding bedraagt twee lestijden gespreid over een traject van twee leerjaren.
 

ART 21.

De kortlopende studierichtingen specialisatie bieden uitmuntende leerlingen de kans om te excelleren en op die manier bij te dragen tot de uitstraling van de academie en het deeltijds kunstonderwijs. De overige kortlopende studierichtingen zijn niet gericht op actieve kunstbeoefening en bevorderen de culturele participatie van de leerlingen.
 

ART 22.

Het schoolbestuur verdeelt de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20, evenwichtig over de leerjaren. Met uitzondering van de derde graad van het domein dans bedraagt het aantal lestijden per leerjaar telkens een geheel getal. Elk leerjaar omvat een samenhangend geheel van leeractiviteiten.

De verdeling van de studieomvang maakt voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité.
 

ART 23.

Binnen de voorwaarden die de Vlaamse Regering oplegt, bepaalt het schoolbestuur per studierichting, per graad en in voorkomend geval per optie en voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding de vakken die de leerling volgt met het oog op het behalen van de basiscompetenties, specifieke eindtermen en beroepskwalificaties. Daarbij respecteert het de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20.
 

ART 24.

De Vlaamse Regering bepaalt per domein en per studierichting de mogelijke opties en vakken.
 

ART 25.

 In het domein muziek bepaalt de Vlaamse Regering de mogelijke muziekinstrumenten.
 

Afdeling 7 Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen

ART 26.

De Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen wordt als academie deeltijds kunstonderwijs erkend en gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering kan specifieke normen, structuren, vakken en bekwaamheidsbewijzen voor die academie vastleggen. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop die instelling gesubsidieerd wordt, de wijze waarop die academie rapporteert aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en welk statuut op het personeel van toepassing is.

Het besluit van de Vlaamse Regering over de aangelegenheden in het eerste lid wordt decretaal bekrachtigd.
 

Afdeling 8 Netoverschrijdend Samenwerkingsforum deeltijds kunstonderwijs Brussel

ART 27.

De schoolbesturen van de academies die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad maken deel uit van een netoverschrijdend Samenwerkingsforum.

Het Samenwerkingsforum :
1° optimaliseert het aanbod van opleidingen die door de academies voor deeltijds kunstonderwijs worden georganiseerd en stemt dit op elkaar af;
2° streeft naar een samenwerking met Nederlandstalige instellingen voor basisonderwijs of secundair onderwijs;
3° ontwikkelt socioculturele initiatieven en streeft daarbij naar een samenwerking met socioculturele organisaties en instellingen in de gemeenten van het Vlaamse Gewest, genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;
4° signaleert knelpunten, behoeften en oplossingen inzake deeltijdse kunstopleidingen aan de overheid;
5° optimaliseert de dienstverlening voor de leerlingen in de academies;
6° stimuleert en ondersteunt alle mogelijke vormen van samenwerking tussen de academies.

Het Samenwerkingsforum stelt bij gewone meerderheid van de totaal uitgebrachte stemmen een huishoudelijk reglement op en legt dit ter bekrachtiging voor aan de Vlaamse Regering.

§ 2. Het Samenwerkingsforum oefent tenminste de volgende opdrachten uit :
1° de realisatie van de doelstellingen, vermeld in paragraaf 1;
2° een met redenen omkleed advies aan de Vlaamse Regering verlenen over de aanvragen van de academies voor de programmatie van domeinen en structuuronderdelen, conform de voorwaarden vermeld in artikel 115 tot en met 118;
3° alle opdrachten, die een schoolbestuur apart aan het Samenwerkingsforum toewijst of die de academies gezamenlijk aan het Samenwerkingsforum toewijzen, uitvoeren.

§ 3. Het Samenwerkingsforum kan nooit zelf over onderwijsbevoegdheid beschikken.

§ 4. Het Samenwerkingsforum legt jaarlijks uiterlijk op 1 april een werkingsverslag voor aan de Vlaamse Regering, die bijsturingen kan voorstellen. Bovendien bezorgt het Samenwerkingsforum jaarlijks uiterlijk op 1 april een zelfevaluatierapport aan de bevoegde administratie van het Ministerie van Onderwijs en Vorming. In dit rapport komen minstens de volgende elementen aan bod :
1° een beschrijving van de evolutie van het deeltijds kunstonderwijs in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad sinds het schooljaar van de opstart van het Samenwerkingsforum;
2° een beschrijving en beoordeling van de sterke en de te verbeteren punten, de kansen en de moeilijkheden van de werking van het Samenwerkingsforum.
 

Afdeling 9 Overleg fundamentele onderwijshervormingen

ART 28.

De Vlaamse Regering informeert de afgevaardigden van de schoolbesturen en de representatieve vakorganisaties over elke geplande fundamentele onderwijshervorming.

Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de afgevaardigden van de schoolbesturen een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de afgevaardigden van de schoolbesturen.

Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de representatieve vakorganisaties een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de representatieve vakorganisaties.
 

HOOFDSTUK 4 Leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs

Afdeling 1 Toelatingsvoorwaarden

ART 29.

§ 1. Om tot het deeltijds kunstonderwijs toegelaten te worden moet een leerling de leeftijd van zes jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 kan een leerling die de leeftijd van zes jaar niet bereikt heeft op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar in het deeltijds kunstonderwijs worden ingeschreven als hij is ingeschreven in het lager onderwijs.

§ 3. In afwijking van paragraaf 2 wordt een leerling die de leeftijd van zes jaar niet bereikt heeft op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar en niet ingeschreven is in een erkende lagere school maar huisonderwijs volgt als vermeld in artikel 3, 24°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, ook toegelaten tot het deeltijds kunstonderwijs.
 

ART 30.

Een leerling die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs, vermeld in artikel 13, 14 en 14/1 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, kan worden toegelaten tot de eerste graad van het deeltijds kunstonderwijs.

ART 31.

Om toegelaten te worden tot de tweede graad van de domeinen dans of woordkunst-drama of de tweede graad voor jongeren van het domein muziek, moet de leerling voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° de basiscompetenties van de eerste graad verworven hebben of de leeftijd van acht jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar of minstens twee volledige schooljaren ingeschreven zijn in het lager onderwijs;
2° in het geval van woordkunst-drama niet ouder zijn dan veertien jaar op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.

Om toegelaten te worden tot de tweede graad voor volwassenen van het domein muziek moet de leerling de leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar. Mits toestemming van de directeur kan een leerling die op dat ogenblik minder dan vijftien jaar oud is toch om pedagogische redenen worden toegelaten tot de tweede graad voor volwassenen van het domein muziek.

Om toegelaten te worden tot de tweede graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
1° de basiscompetenties van de eerste graad verworven hebben;
2° de leeftijd van acht jaar bereikt hebben, maar niet ouder zijn dan twaalf jaar op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.

ART 32.

Om toegelaten te worden tot de derde graad van de domeinen dans of muziek moet de leerling de basiscompetenties van de tweede graad van het respectieve domein, verworven hebben.

Om toegelaten te worden tot de derde graad van het domein woordkunst-drama moet de leerling voldoen aan een van de volgende voorwaarden :
1° de basiscompetenties van de tweede graad van het domein woordkunst-drama verworven hebben;
2° de leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.

Om toegelaten te worden tot de derde graad voor jongeren van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling voldoen aan een van de volgende voorwaarden :
1° de basiscompetenties van de tweede graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten verworven hebben;
2° de leeftijd van twaalf jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.

Om toegelaten te worden tot de derde graad voor volwassenen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling de leeftijd van achttien jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.
 

ART 33.

§ 1. Om toegelaten te worden tot een studierichting in de vierde graad van de domeinen dans, woordkunst-drama of muziek moet de leerling de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben.

§ 2. Om toegelaten te worden tot een studierichting van de vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling voldoen aan een van de volgende voorwaarden :
1° de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben;
2° de leeftijd van achttien jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.
 

ART 34.

De Vlaamse Regering bepaalt de manier waarop de leerling kan aantonen dat hij aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29 tot en met 33, voldoet of de basiscompetenties verworven heeft op basis waarvan hij toegang kan verkrijgen tot een bepaalde graad in een bepaald domein of tot een studierichting in de vierde graad.
 

ART 35.

Het schoolbestuur bepaalt de minimumleeftijd voor de kortlopende studierichtingen en houdt daarbij rekening met de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29.

Met behoud van toepassing van de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29 tot en met 33, oordeelt de directeur op basis van de door de Vlaamse Regering vastgelegde modaliteiten, vermeld in artikel 34, na advies van de betrokken leerkrachten, of de leerling toegelaten wordt tot een van de kortlopende studierichtingen specialisatie, vermeld in artikel 13, § 1, 2°, 15, § 1, 2°, 17, § 1, 3°, en 19, § 1, 3°, op basis van de motivatie, de competenties en het potentieel van de leerling in relatie tot de finaliteit van de specialisatie, vermeld in artikel 3, 57°, en 21. De directeur motiveert zijn beslissing schriftelijk aan elke leerling.
 

ART 36.

 Het schoolbestuur bepaalt de toelatingsvoorwaarden voor de leeractiviteiten op maat, vermeld in artikel 4, derde lid, en houdt daarbij rekening met de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29.
 

Afdeling 2 Rechten en plichten van leerlingen en de betrokken personen

Onderafdeling 1 Inschrijving

ART 37.

§ 1. Elke persoon heeft, met behoud van de toepassing van de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29 tot en met 36, recht op inschrijving in de academie en opleiding van zijn keuze, rekening houdend met het aanwezige onderwijsaanbod. Een leerling schrijft zich voor elk leerjaar van de opleiding opnieuw in.

Als een academie voor een bepaalde opleiding verschillende trajecten aanbiedt, heeft de leerling de keuze in welk traject hij de opleiding volgt. Een leerling kan na toestemming van de directeur van traject veranderen op voorwaarde dat hij de globale studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20, niet overschrijdt.

Een leerling die in een bepaalde opleiding is ingeschreven kan zich niet meer opnieuw inschrijven voor dezelfde opleiding in dezelfde of een andere academie. Een leerling die in een bepaalde opleiding is afgestudeerd, kan zich niet meer opnieuw in dezelfde opleiding inschrijven.

§ 2. Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar. Het schoolbestuur maakt de start van zijn inschrijvingen bekend aan alle belanghebbenden.

Inschrijvingen kunnen uiterlijk tot 30 september van het lopende schooljaar plaatsvinden.

§ 3. In afwijking van paragraaf 2 kan het schoolbestuur de inschrijvingsperiode voor de leeractiviteiten op maat, vermeld in artikel 4, derde lid, vrij bepalen, als het daarover tijdig alle nodige informatie verstrekt aan de belanghebbenden.
 

ART 38.

De leerlingen worden ingeschreven in de volgorde dat ze zich bij de academie aanmelden en voldoen aan al de volgende voorwaarden :
1° ten minste 50% van het inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91 en 92, betaald hebben;
2° zich akkoord verklaard hebben met het academiereglement;
3° zich akkoord verklaard hebben met het eigen artistiek-pedagogische project van de academie.
 

ART 39.

In afwijking van artikel 38 heeft elke leerling die al les volgt in een academie voorrang op alle nieuwe leerlingen voor het vervolg op de opleiding die hij volgt, in diezelfde academie, als hij zich vóór 30 juni van het voorafgaande schooljaar waarop de inschrijving betrekking heeft, inschrijft.
 

ART 40.

Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een persoon als regelmatige leerling als hij niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29 tot en met 36. Een inschrijving in de loop van het voorafgaande schooljaar is mogelijk onder de opschortende voorwaarde dat de persoon op de dag van de effectieve instap aan de toelatingsvoorwaarden voldoet.
 

ART 41.

Een schoolbestuur kan de inschrijving van een persoon weigeren als het kan aantonen dat de capaciteit op het niveau van de opleiding waarvoor de regelmatige leerling zich wil inschrijven, ontoereikend is. Er kunnen wachtlijsten worden aangelegd.

Als de capaciteit overschreden wordt, informeert het schoolbestuur de persoon over mogelijke alternatieven in de eigen of een andere academie.
 

ART 42.

Een schoolbestuur kan de inschrijving weigeren in een academie waar de betrokken leerling het lopende, het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar, conform artikel 50, § 2, definitief werd uitgesloten.
 

ART 43.

Een schoolbestuur kan de inschrijving van een niet-regelmatige leerling weigeren.
 

ART 44.

Een schoolbestuur kan de inschrijving van een leerling die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3, 24°, weigeren op grond van ontoereikende capaciteit voor de financierbare leerlingen.

Een schoolbestuur kan een inschrijving in een bijkomende opleiding in hetzelfde domein weigeren op grond van ontoereikende capaciteit voor de financierbare leerlingen.
 

ART 45.

Het verloop van gerealiseerde en niet-gerealiseerde inschrijvingen en in voorkomend geval de weigeringsgronden kunnen onderworpen worden aan een controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten.
 

ART 46.

Een schoolbestuur dat een leerling weigert, deelt zijn beslissing schriftelijk of elektronisch mee binnen een termijn van tien werkdagen. De leerling en de betrokken personen krijgen op hun verzoek toelichting bij de beslissing van het schoolbestuur.

ART 47.

Bij de inschrijving informeert de directeur of zijn afgevaardigde de leerling en de betrokken personen schriftelijk of elektronisch over :
1° de juridische aard en de samenstelling van het schoolbestuur;
2° het artistiek-pedagogische project van de academie;
3° de organisatie van de leeractiviteiten;
4° het academiereglement, vermeld in artikel 58;
5° het inschrijvingsgeld en in het bijzonder het recht op verminderd inschrijvingsgeld en de bewijsstukken die daartoe moeten worden voorgelegd en de bijdrage-regeling;
6° in voorkomend geval het feit dat voor de academie een aanvraag tot voorlopige erkenning bij de bevoegde overheid werd ingediend of een voorlopige erkenning voor een schooljaar van de bevoegde overheid werd verkregen;
7° in voorkomend geval de samenstelling van de academieraad.

Het schoolbestuur informeert de leerling of de betrokken personen onmiddellijk tijdens het schooljaar van voorlopige erkenning, vermeld in het eerste lid, 6°, over de beslissing van de bevoegde overheid over de aangevraagde erkenning.
 

ART 48.

Als een leerling van academie verandert of in meerdere academies les volgt, kunnen de betrokken academies leerlingengegevens overdragen die betrekking hebben op de leerlingspecifieke onderwijsloopbaan, tenzij de leerling of de betrokken personen zich daar expliciet tegen verzetten.
 

ART 49.

Voor iedere leerling houdt de academie de volgende gegevens bij, die ze aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten bezorgt :
1° de naam, de voornaam en het adres;
2° de geboortedatum;
3° de nationaliteit;
4° de al gevolgde opleidingen in een academie voor deeltijds kunstonderwijs en de resultaten;
5° de huidige opleiding in het deeltijds kunstonderwijs;
6° het rijksregisternummer of bisnummer.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze en de data waarop de gegevens, vermeld in het eerste lid, uiterlijk bezorgd moeten zijn.

Onder bisnummer als vermeld in het eerste lid, 6°, wordt verstaan : het identificatienummer van de sociale zekerheid voor de personen die rechten hebben binnen de Belgische sociale zekerheid, maar niet opgenomen zijn in het Rijksregister.
 

Onderafdeling 2 Tijdelijke en definitieve uitsluiting van leerlingen

ART 50.

§ 1. De directeur kan in uitzonderlijke gevallen een leerling tijdelijk uitsluiten. Door de tijdelijke uitsluiting wordt de leerling het recht ontnomen om in de loop van het schooljaar de leeractiviteiten werkelijk en regelmatig te volgen gedurende een periode van, naargelang het geval, minimaal een lesdag en maximaal veertien opeenvolgende dagen.

§ 2. Het schoolbestuur kan in uitzonderlijke gevallen een leerling definitief uitsluiten. Een definitieve uitsluiting is een tuchtsanctie die inhoudt dat de gesanctioneerde leerling wordt uitgeschreven. Tegen die beslissing is beroep mogelijk conform het academiereglement, vermeld in artikel 58.

§ 3. In afwachting van een eventuele tijdelijke of definitieve uitsluiting, kan de leerling preventief worden geschorst door het schoolbestuur als bewarende maatregel. Bij preventieve schorsing wordt de leerling het recht ontnomen om in de loop van het schooljaar de leeractiviteiten werkelijk en regelmatig te volgen gedurende een periode van maximaal veertien opeenvolgende dagen.

Het schoolbestuur kan, op voorwaarde dat een duidelijke motivering aan de leerling en de betrokken personen wordt gegeven, beslissen om de aanvankelijke periode eenmalig met maximaal veertien opeenvolgende dagen te verlengen, indien door externe factoren het tuchtonderzoek niet binnen die eerste periode kan worden afgerond.

De schorsing kan onmiddellijk uitwerking hebben en de leerling en de betrokken personen worden daar in dat geval van op de hoogte gebracht.
 

ART 51.

Tijdelijke en definitieve uitsluitingen kunnen alleen uitgevoerd worden na een procedure die de rechten van verdediging waarborgt en waarin de volgende principes gehanteerd worden :
1° het voorafgaandelijke advies van de betrokken leerkrachten wordt ingewonnen;
2° de leerling en de betrokken personen worden schriftelijk of elektronisch op de hoogte gebracht van de intentie om een tuchtmaatregel te nemen;
3° de leerling en de betrokken personen hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling, met inbegrip van het advies van de betrokken leerkrachten, en worden gehoord, daarbij eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon;
4° de tuchtstraf is in overeenstemming met de ernst van de feiten;
5° de betrokken leerling en desgevallend de betrokken personen worden schriftelijk of elektronisch op de hoogte gebracht van de genomen beslissing. De academie verwijst in de kennisgeving naar de mogelijkheid tot het instellen van het beroep en neemt de bepalingen op uit het academiereglement, vermeld in artikel 58, die daar betrekking op hebben, in die kennisgeving.
 

Afdeling 3 Leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften

ART 52.

Een leerling die beschikt over een verslag als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, of een verslag als vermeld in artikel 294 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs, of erkend is als persoon met een handicap krachtens een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving, kan een individueel aangepast curriculum volgen als de directeur en de betrokken leerkrachten na overleg met de leerling en de betrokken personen motiveren dat de leerling ondanks redelijke aanpassingen onvoldoende leerwinst kan boeken in het gemeenschappelijke curriculum.

Een leerling met een individueel aangepast curriculum kan afwijken van een of meer van de volgende bepalingen :
1° de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20;
2° de bepaling over de einddoelen en de leerplannen, vermeld in artikel 5 en 8;
3° de bepalingen over de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29, § 2, tot en met 36;
4° de bepalingen over de evaluatie en de studiebekrachtiging, vermeld in artikel 59 tot en met 62.

De directeur en de betrokken leerkrachten ontwikkelen het individueel aangepast curriculum in samenspraak met de leerling en de betrokken personen, bewaken de ontwikkelingsgerichtheid en nemen de nodige pedagogische, didactische en organisatorische maatregelen. De directeur en betrokken leerkrachten kunnen een beroep doen op externe deskundigen of op de pedagogische begeleidingsdienst.

Een individueel aangepast curriculum duurt maximaal een leerjaar langer dan de graad waarin de leerling is ingeschreven. De leerling kan het leertraject niet verlengen. Bij het beëindigen van de graad reikt de academie aan de leerling een leerbewijs uit.

De onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten kunnen het individueel aangepast curriculum op elk moment inkijken in de academie.
 

ART 53.

Een leerling die beschikt over een gemotiveerd verslag, vermeld in artikel 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, of een verslag als vermeld in artikel 352 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs, of erkend is als persoon met een handicap krachtens een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving, kan na overleg met de directeur en de betrokken leerkrachten, binnen het gemeenschappelijk curriculum afwijken van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20, en de bepalingen over de evaluaties, vermeld in artikel 61 en 62.

In het eerste lid wordt onder gemeenschappelijk curriculum verstaan de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de basiscompetenties, de beroepskwalificaties of de specifieke eindtermen te bereiken.

De directeur en de leerkrachten motiveren de afwijkingen in relatie tot de leerwinst met het oog op het behalen van het bewijs van competenties of bewijs van beroepskwalificatie.
 

Afdeling 4 Les volgen in het deeltijds kunstonderwijs

ART 54.

Een regelmatige leerling heeft het inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 90 tot en met 92, betaald en is verplicht deel te nemen aan alle leeractiviteiten en zich te engageren om de vooropgestelde einddoelen te realiseren, behalve in geval van door het schoolbestuur gewettigde afwezigheid of behalve in geval van vrijstelling van een vak.

De academie is vrij om de indeling in klasgroepen te bepalen van de leerlingen die een bepaald vak volgen. Daarbij houdt zij rekening met de leeftijdsgebonden cognitieve en psychosociale ontwikkeling van kinderen, jongeren en volwassenen.
 

ART 55.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een leerling zijn opleiding kan spreiden over verschillende academies.
 

ART 56.

De Vlaamse Regering legt de procedures vast waardoor een leerling, die al vereiste competenties verworven heeft, recht heeft op een vrijstelling voor een vak.
 

ART 57.

§ 1. Een leerling kan na overleg met directeur en betrokken leerkrachten een vak waarin kennis, vaardigheden of attitudes geïntegreerd verworven worden, geheel of gedeeltelijk vervangen door leeractiviteiten in een alternatieve leer-context die relevant is voor het verwerven van de basiscompetenties, specifieke eindtermen of het behalen van de beroepskwalificatie, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de verantwoordelijke van de alternatieve leercontext biedt een kwaliteitsvolle leeromgeving aan;
2° de verantwoordelijke van de alternatieve leercontext voorziet structurele inhoudelijke begeleiding van de leerling die het realiseren van de basiscompetenties, specifieke eindtermen of beroepskwalificatie mee garandeert;
3° de leeractiviteiten in de alternatieve leercontext vinden plaats in een gebouw dat voldoet aan de normen inzake bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne.

De academie beschikt over een toetsingsinstrument dat door de onderwijsinspectie is gevalideerd om de kwaliteit van de leeromgeving te beoordelen.

De academie verzekert de opvolging van het leerproces en ontwikkelt daarvoor met toepassing van de reglementering inzake overleg en onderhandeling een afsprakenkader met alle betrokkenen.

De academie evalueert de leerling en neemt daarvoor de nodige maatregelen.

Opleidings- en vormingsactiviteiten van andere private of publieke opleidingsverstrekkers komen niet in aanmerking.

De academie informeert de leerlingen over de mogelijkheid om les te volgen in een alternatieve leercontext.
 

ART 58.

Een schoolbestuur stelt voor elk van zijn academies een academiereglement op.

Het academiereglement bevat de volgende elementen :
1° het reglement over de tucht en de schending van de leefregels van de leerlingen, met inbegrip van een tijdelijke of een definitieve uitsluiting, en over de beroepsprocedure, vermeld in artikel 50 en 51, met inbegrip van het hanteren van redelijke en haalbare termijnen;
2° de procedure die bepaalt hoe een bewijs van competenties, een bewijs van beroepskwalificatie of een leerbewijs deeltijds kunstonderwijs worden toegekend;
3° richtlijnen over afwezigheden en te laat komen;
4° afspraken in verband met de zelfstudie buiten de lessen, de agenda's en de leerlingenevaluatie, vermeld in artikel 60 en 61;
5° geldelijke en niet-geldelijke ondersteuning die niet afkomstig is van de Vlaamse overheid en de rechtspersonen die daaronder ressorteren;
6° de bijdrageregeling, vermeld in artikel 95 en 96;
7° de engagementsverklaring tussen de academie en de leerling of de -betrokken personen waarin wederzijdse afspraken worden opgenomen over ouder-contact, voldoende aanwezigheden en vormen van individuele leerlingenbegeleiding;
8° de afspraken over het rookverbod, vermeld in artikel 4 tot en met 8 van het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding van het rookverbod;
9° de wijze waarop in voorkomend geval de academieraad wordt samengesteld;
10° het recht op inzage door de leerling of de betrokken personen en hun recht op toelichting bij de gegevens die op de leerling betrekking hebben, waaronder de evaluatiegegevens, die de academie verzamelt. Als de academie een vergoeding vraagt voor het maken van een kopie als vermeld in het derde lid, is die voorzien in de bijdrageregeling van het academiereglement;
11° informatie over extramurosactiviteiten;
12° de vermelding dat bij verandering van academie leerlingengegevens worden overgedragen naar de nieuwe academie tenzij daar door de leerling of de betrokken personen expliciet verzet tegen wordt gepleegd nadat ze op hun verzoek die gegevens hebben ingezien;
13° het toetsingsinstrument als vermeld in artikel 57 met betrekking tot de relevante alternatieve leercontext.

Als na de toelichting, vermeld in het tweede lid, 10°, blijkt dat de leerling of de betrokken personen een kopie van de leerlingengegevens willen, hebben ze kopierecht.
Iedere kopie moet persoonlijk en vertrouwelijk behandeld worden, mag niet verspreid worden noch publiek gemaakt worden en mag alleen gebruikt worden in het kader van de leerloopbaan van de leerling. Als bepaalde gegevens ook een derde betreffen en volledige inzage in de gegevens door de leerling of de betrokken personen afbreuk zou doen aan het recht van de derde op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, wordt de toegang tot die gegevens verstrekt via een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage.
 

Afdeling 5 Evaluatie en studiebekrachtiging

ART 59.

De academie waar de leerling is ingeschreven, reikt het leerbewijs, het bewijs van competenties of het bewijs van beroepskwalificatie uit. Door de uitreiking ervan krachtens dit decreet is het leerbewijs, bewijs van competenties en bewijs van beroepskwalificatie van rechtswege erkend en bekrachtigd.

De Vlaamse Regering bepaalt de vorm van het leerbewijs, het bewijs van competenties en het bewijs van beroepskwalificatie, en de procedure en modaliteiten voor de toekenning.
 

ART 60.

De academie heeft een gedragen artistiek-pedagogische visie op het transparant, valide en betrouwbaar evalueren van leerlingen. De visie expliciteert op welke wijze de evaluatie het leerproces van de leerlingen ondersteunt.

De academie operationaliseert en motiveert die visie in concrete acties ten opzichte van de leerlingen en personeelsleden.

De academie neemt in haar academiereglement, vermeld in artikel 58, de basisprincipes van haar visie op leerlingenevaluatie op en communiceert over de wijze waarop de evaluatie verloopt.

De academie expliciteert de wijze waarop ze de kwaliteit van het evaluatie-proces bewaakt.

De academie bespreekt minstens twee keer per schooljaar met iedere leerling zijn leervorderingen aan de hand van een schriftelijke neerslag.

De leerlingen zijn verplicht deel te nemen aan de evaluatieactiviteiten.
 

ART 61.

De mate waarin de leerling de basiscompetenties, beroepskwalificaties of specifieke eindtermen bereikt, bepaalt of hij al dan niet geslaagd is voor een graad van een studierichting.

De leerlingen die meer dan een derde van de lessen niet hebben bijgewoond zonder dat hun afwezigheid gewettigd was, zijn niet geslaagd.
 

ART 62.

De directeur en betrokken leerkrachten bewaken het studierendement van de leerling tijdens de verschillende leerjaren van de opleiding en nemen daartoe de nodige maatregelen voor leerlingenbegeleiding.

Als de directeur en de betrokken leerkrachten oordelen dat een leerling ondanks de maatregelen voor leerlingenbegeleiding te weinig leerwinst geboekt heeft in relatie tot de einddoelen die hij moet bereiken, kunnen ze oordelen dat de leerling een verlengd leertraject kan krijgen. Per graad van een langlopende studierichting kan het leertraject met een leerjaar verlengd worden. Het leertraject van de kortlopende studierichtingen kan met een leerjaar verlengd worden.

Afdeling 6 Organisatie van het schooljaar

ART 63.

De Vlaamse Regering bepaalt de vakantieperioden, regelt de organisatie van het schooljaar en bepaalt in welke gevallen de leeractiviteiten geschorst kunnen worden.
 

ART 64.

De academie organiseert de leeractiviteiten voor leerplichtige leerlingen zodat ze niet overlappen met de leeractiviteiten van het leerplichtonderwijs.
 

HOOFDSTUK 5 Personeels- en werkingsmiddelen

Afdeling 1 Algemene bepalingen

ART 65.

Dit hoofdstuk is van toepassing op het gefinancierd of gesubsidieerd deeltijds kunstonderwijs.
 

ART 66.

Een schoolbestuur verkrijgt voor haar personeelsleden die tot de categorieën ondersteunend, bestuurs- en onderwijzend personeel en desgevallend opvoedend hulppersoneel behoren een salaris als die personeelsleden voldoen aan al de volgende voorwaarden :
1° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;
2° de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling, vermeld in punt 1° ;
3° houder zijn van de bekwaamheidsbewijzen, vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 5, 8°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
4° aangeworven zijn met inachtname van de reglementering over de reaffectatie en wedertewerkstelling;
5° in dienst zijn op grond van de reglementering over de omkadering;
6° in een gezondheidstoestand verkeren die de gezondheid van de leerlingen niet in gevaar brengt.
 

ART 67.

§ 1. Voor de berekening van de omkadering, vermeld in artikel 69 tot en met 72, worden alleen financierbare leerlingen geteld.

§ 2. Ongeacht het aantal opleidingen dat hij volgt, is een leerling per domein maar een keer financierbaar.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd.

Een leerling die meer dan een derde van de leeractiviteiten georganiseerd tussen de inschrijving en teldag voor de omkaderingberekening ongewettigd afwezig is, is niet financierbaar.

In afwijking van het eerste lid is een leerling die tegelijkertijd een opleiding volgt in de vierde graad en in een kortlopende studierichting specialisatie financierbaar voor beide opleidingen.

§ 3. Elke financierbare leerling telt voor een teleenheid.

In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen met een vrijstelling voor een of meer vakken in het domein beeldende en audiovisuele kunsten gewogen met de coëfficiënt 0,85.

In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen met een vrijstelling voor een of meer vakken in de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek gewogen met de coëfficiënt 0,70.

In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen die hun leertraject in de vierde graad of een kortlopende studierichting verlengen gewogen met de coëfficiënt 0,50.

In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen, met uitzondering van de leerlingen in de vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten en in de kortlopende studierichtingen, die hun volledige opleiding volgen in vestigingsplaatsen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of de gemeente Voeren gewogen met de coëfficiënt 1,4.

In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen, die hun volledige opleiding volgen in vestigingsplaatsen gelegen in een dunbevolkte gemeente gewogen met de coëfficiënt 1,05.

De wegingen, vermeld in het tweede, vierde en vijfde lid, en de wegingen, vermeld in het derde, vierde en vijfde lid, tellen cumulatief.

De wegingen, vermeld in het tweede, vierde en zesde lid, en de wegingen, vermeld in het derde, vierde en zesde lid, tellen cumulatief.

De wegingen, vermeld in het vijfde en het zesde lid, zijn niet cumulatief. De weging van het vijfde lid primeert.

§ 4. Voor de toepassing van de bepalingen in afdeling 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk wordt onder "leerlingen" "gewogen financierbare leerlingen" verstaan.
 

Afdeling 2 Omkadering onderwijzend personeel

Onderafdeling 1 Berekening van de omkadering voor langlopende en kortlopende studierichtingen

ART 68.

Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling worden de studierichtingen, vermeld in artikel 10 tot en met 20, ondergebracht in structuuronderdelen.

Alle langlopende studierichtingen van een bepaalde graad in een domein vormen daarbij eenzelfde structuuronderdeel.

Alle kortlopende studierichtingen en de domeinoverschrijdende initiatieopleiding vormen elk een afzonderlijk structuuronderdeel.

In afwijking van het tweede lid vormen de derde graad voor jongeren en de derde graad voor volwassenen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten afzonderlijke structuuronderdelen.

In afwijking van het tweede lid vormen de tweede graad voor jongeren en de tweede graad voor volwassenen van het domein muziek afzonderlijke structuuronderdelen.
 

ART 69.

§ 1. Voor het schooljaar X/X+1 heeft een academie recht op lestijden die berekend worden volgens de formule :
leerlingen x OC x S,
waarbij :
1° leerlingen : het aantal leerlingen per traject in een structuuronderdeel op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de academie;
2° OC : de omkaderingscoëfficiënt per traject van het structuuronderdeel, vermeld in artikel 70;
3° S : de solidariteitsfactor, berekend conform artikel 71.

Het aantal lestijden dat een academie voor een bepaalde graad verwerft, is de som van de lestijden van alle trajecten van alle structuuronderdelen in elke graad, over het geheel van de vestigingsplaatsen van die academie.

Per traject in een structuuronderdeel worden de leerlingen altijd afzonderlijk geteld. Daarbij worden in een academie met verschillende vestigingsplaatsen de leerlingen van alle vestigingsplaatsen samengeteld.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 worden de lestijden voor de kortlopende studierichtingen specialisatie als volgt berekend :
1° als in een domein in een academie het aantal leerlingen dat de specialisatie volgt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar kleiner dan of gelijk is aan 25% van het aantal leerlingen dat de vierde graad volgt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar, wordt het aantal leerlingen van de specialisatie op 1 februari van het voorafgaande schooljaar vermenigvuldigd met de omkaderingscoëfficiënt en de solidariteitsfactor, berekend conform artikel 71.
2° als in een academie en domein het aantal leerlingen dat de specialisatie volgt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar groter is dan 25% van het aantal leerlingen in de vierde graad op 1 februari van het voorafgaande schooljaar, wordt 25% van het aantal leerlingen van de vierde graad op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in dat domein vermenigvuldigd met de omkaderingscoëfficiënt en de solidariteitsfactor, berekend conform artikel 71.

§ 3. De resultaten van de berekeningen, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier en naar het lagere geheel getal als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier.

§ 4. In afwijking van paragraaf 1 en 2 is de teldag voor de berekening van de lestijden voor de structuuronderdelen van academies in oprichting en van domeinen waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 1 oktober van het lopende schooljaar.

In het geval van de oprichting van een academie geldt die teldag voor de hele academie vanaf het schooljaar van oprichting tot en met de elf daaropvolgende schooljaren.

In het geval van de oprichting van een domein waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 geldt die teldag enkel voor het domein in kwestie tot en met het schooljaar waarin alle leerjaren van de verschillende graden van het domein zijn uitgebouwd conform artikel 157.

§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de salarisschalen waarin een academie met de lestijden, vermeld in paragraaf 1, 2 en 4, betrekkingen kan organiseren en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de lestijden, vermeld in paragraaf 1, 2 en 4, naar die betrekkingen worden omgerekend.
 

ART 70.

De omkaderingscoëfficiënten per traject in de structuuronderdelen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten zijn :

   Omkaderingscoëfficiënt
1e graad tweejarig traject 0,14545
2e graad vierjarig traject 0,14545
3e graad voor jongeren zesjarig traject 0,29091
3e graad voor jongeren zevenjarig traject 0,24935
3e graad voor volwassenen tweejarig traject 0,29091
4e graad tienjarig traject 0,29818
4e graad vijfjarig traject 0,59636
4e graad vierjarig traject 0,74545
specialisatie tweejarig traject 0,59636
beeldende en audiovisuele cultuur driejarig traject 0,25625

De omkaderingscoëfficiënten per traject in de structuuronderdelen van het domein dans zijn :
   Omkaderingscoëfficiënt
1e graad tweejarig traject 0,12500
2e graad vierjarig traject 0,25000
2e graad tweejarig traject 0,50000
3e graad driejarig traject 0,31250
4e graad driejarig traject 0,38438
specialisatie tweejarig traject 0,38438
danscultuur driejarig traject 0,25625

De omkaderingscoëfficiënten per traject in de structuuronderdelen van het domein woordkunst-drama zijn :
   Omkaderingscoëfficiënt
1e graad tweejarig traject 0,06667
2e graad vierjarig traject 0,10782
2e graad tweejarig traject 0,21564
3e graad driejarig traject 0,42750
4e graad driejarig traject 0,76875
specialisatie tweejarig traject 0,76875
schrijver driejarig traject 0,76875
woordkunst- en dramacultuur driejarig traject 0,25625

De omkaderingscoëfficiënten per traject in de structuuronderdelen van het domein muziek zijn :
   Omkaderingscoëfficiënt
1e graad tweejarig traject 0,06667
2e graad voor jongeren vierjarig traject 0,44716
2e graad voor volwassenen driejarig traject 0,42750
3e graad driejarig traject 0,64400
3e graad vierjarig traject 0,48300
4e graad driejarig traject 1,12997
specialisatie tweejarig traject 1,12997
muziekcultuur 0,25625
muziekgeschiedenis 0,25625

De omkaderingscoëfficiënt voor het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding is 0,06667.
 

ART 71.

§ 1. De solidariteitsfactor wordt enerzijds berekend voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten en anderzijds voor het geheel van de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek.

§ 2. De solidariteitsfactor voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten wordt berekend volgens de formule :
S = de solidariteitsfactor = 1 - (A/B),
waarbij :
1° A : de lestijden voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, met toepassing van solidariteitsfactor 1, van alle structuuronderdelen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten in vestigingsplaatsen die op 1 februari van het voorafgaande schooljaar nog in oprichting zijn conform artikel 114 tot en met 118;
2° B : het totale aantal lestijden voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, met toepassing van solidariteitsfactor 1;
3° in afwijking van artikel 69 is de teldag voor de berekening van de solidariteitsfactor voor academies in oprichting conform artikel 114 en voor domeinen waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 conform artikel 157 1 februari van het voorgaande schooljaar.

§ 3. De solidariteitsfactor voor het geheel van de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek wordt berekend volgens de formule :
S = de solidariteitsfactor = 1 - (C/D),
waarbij :
1° C : de lestijden voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, met toepassing van solidariteitsfactor 1, van alle structuuronderdelen van de domeinen dans, drama-woordkunst en muziek in vestigingsplaatsen die op 1 februari van het voorafgaande schooljaar nog in oprichting zijn conform artikel 114 tot en met 118;
2° D : het totale aantal lestijden van de domeinen dans, drama-woordkunst en muziek voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, met toepassing van solidariteitsfactor 1;
3° in afwijking van artikel 69 is de teldag voor de berekening van de solidariteitsfactor voor academies in oprichting conform artikel 114 en voor domeinen waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 conform artikel 157 1 februari van het voorgaande schooljaar.

§ 4. Voor de toepassing van paragraaf 2 en 3 worden de lestijden voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, voor het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding in vestigingsplaatsen die op 1 februari van het voorafgaande schooljaar nog in oprichting zijn, conform artikel 114 tot en met 118, vermenigvuldigd met 0,25, opgeteld bij de berekening van A en B en vermenigvuldigd met 0,75, opgeteld bij de berekening van C en D.

Voor de toepassing van paragraaf 2 en 3 worden de lestijden voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, voor het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding in vestigingsplaatsen die niet verstaan worden onder het eerste lid, vermenigvuldigd met 0,25, opgeteld bij de berekening van B en vermenigvuldigd met 0,75, opgeteld bij de berekening van D.

§ 5. De impact van de solidariteitsfactor op de omkadering wordt jaarlijks gemonitord vanaf het schooljaar 2019-2020. Hierover wordt jaarlijks verslag uitgebracht aan het Vlaams Parlement.
 

ART 72.

De Vlaamse Regering kan, met in achtname van de beschikbare begrotingskredieten, een aanwendingspercentage vastleggen dat voor een of meer schooljaren toegepast wordt op het geheel of een gedeelte van de omkaderingsberekening, vermeld in artikel 69 en 70. Dat aanwendingspercentage is een rekenfactor die een omkaderingscoëfficiënt procentueel verlaagt of verhoogt.
 

Onderafdeling 2 Aanwending van de omkadering onderwijzend personeel

ART 73.

§ 1. Het schoolbestuur beslist, met toepassing van de reglementering over overleg en onderhandeling, over de aanwending van de lestijden.

Het schoolbestuur kan het totale aantal toegekende lestijden aanwenden voor de organisatie van leeractiviteiten, muzikaal begeleiden en leeractiviteiten op maat. Het schoolbestuur kan maximaal drie percent van het aantal toegekende lestijden aanwenden voor pedagogische coördinatie. Dat percentage kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité.

§ 2. Elke lestijd die voor leeractiviteiten aangewend wordt resulteert elke week van het schooljaar in een leeractiviteit van minstens vijftig minuten voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten en ministens zestig minuten voor de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek, of minstens vijftig of zestig minuten voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding, rekening houdend met de bepalingen over de organisatie van het schooljaar, vermeld in artikel 63 en 64.

In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder een academie de wekelijkse leeractiviteiten kan clusteren in grotere gehelen.

§ 3. Maximaal vijf percent van de lestijden berekend volgens de bepalingen, vermeld in artikel 69 tot en met 72, kunnen aangewend worden om voordrachtgevers in te zetten. Dat percentage kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité.

In het eerste lid wordt verstaan onder voordrachtgever : een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de academie. Een voordrachtgever geeft, in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, voordrachten in de academie of op een andere locatie in het kader van de realisatie van de basiscompetenties, specifieke eindtermen en beroepskwalificaties vanuit zijn deskundigheid of ervaring in de amateurkunsten, de professionele kunsten, de creatieve industrie of het cultureel erfgoed.

Bij de aanwending van lestijden voor voordrachtgevers worden lestijden omgezet in een krediet. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding ervan aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.

De aanwending van lestijden voor voordrachtgevers maakt voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité.

§ 4. Maximaal vijf percent van de lestijden, berekend volgens de bepalingen, vermeld in artikel 69 tot en met 72, kunnen aangewend worden om leeractiviteiten op maat, vermeld in artikel 4, derde lid, te organiseren. Leeractiviteiten op maat kunnen alleen ingezet worden voor de doelstellingen, vermeld in artikel 4, derde lid.

Het schoolbestuur kan de leeractiviteiten op maat vrij inplannen in de loop van het schooljaar.
 

ART 74.

Het schoolbestuur kan de lestijden van het domein beeldende en audiovisuele kunsten alleen in dat domein aanwenden. De lestijden van de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek kunnen onderling worden uitgewisseld.

De lestijden van de structuuronderdelen van de vierde graad kunnen aangewend worden in de eerste, tweede en derde graad. De lestijden van de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad kunnen niet aangewend worden in structuuronderdelen van de vierde graad maar kunnen wel onderling worden uitgewisseld.

De lestijden van de kortlopende studierichtingen kunnen alleen onderling worden uitgewisseld. Enkel wanneer het gaat om de oprichting van een nieuwe studierichting, optie of een nieuw muziekinstrument, kunnen de lestijden van de kortlopende studierichtingen worden uitgewisseld met die van de vierde graad of omgekeerd en dit voor de duur van de oprichting.

Voor de personeelsregelgeving worden de kortlopende studierichtingen beschouwd als een structuuronderdeel van de vierde graad.
 

ART 75.

Een schoolbestuur kan tijdens een bepaald schooljaar lestijden die het in een academie niet aanwendt, overdragen naar het volgend schooljaar of naar een ander schoolbestuur als het voldoet aan al de volgende voorwaarden :
1° het maximaal aantal lestijden van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen wordt uiterlijk op 1 november van dat schooljaar vastgelegd;
2° het maximaal aantal lestijden van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen, kan nooit hoger liggen dan 3% van het aantal lestijden van dat schooljaar. Het maximum aantal overgedragen lestijden wordt altijd naar boven afgerond naar een volledige lestijd;
3° de lestijden kunnen alleen in het lopende of het volgende schooljaar worden aangewend;
4° het schoolbestuur van de academie heeft op eer verklaard dat het tijdens dat schooljaar in de academie overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel moet uitspreken of als de leden van het onderwijzend personeel die nieuw of bijkomend ter beschikking werden gesteld wegens ontstentenis van betrekking, kunnen worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in een academie van het schoolbestuur voor de hele verdere duur van het schooljaar.

In afwijking van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, worden voor de toepassing van het eerste lid in een kunstacademie, het domein beeldende en audiovisuele kunsten en het geheel van de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek als een afzonderlijke academie beschouwd.

Als niet aan de voorwaarden voldaan is, vermeld in het eerste lid, en in het geval van een kunstacademie het eerste, tweede en derde lid, heeft een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking ten aanzien van de overheid.

In de overgedragen lestijden, vermeld in het eerste lid, kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. Als niet aan de voormelde voorwaarde voldaan is, hebben de vaste benoemingen geen uitwerking ten aanzien van de overheid.
 

Onderafdeling 4 Bijzondere bepalingen

ART 76.

§ 1. Kunstacademies hebben vanaf vierhonderd leerlingen zoals die geteld zijn op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de academie recht op twintig lestijden voor beleidsondersteuning. Onder dat minimum wordt het aantal lestijden voor beleidsondersteuning toegekend naar rato van 1/20 per volledige reeks van twintig leerlingen.
In afwijking van het eerste lid is de teldag voor academies in oprichting 1 oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt vanaf het schooljaar van oprichting en de elf daaropvolgende schooljaren.

Academies die op 1 september 2017 een tijdelijk project intergemeentelijke samenwerking of een tijdelijk project regionale samenwerking organiseerden, behouden de lestijden voor pedagogische coördinatie die hun krachtens de projectvoorwaarden zijn toegekend.

De Vlaamse Regering bepaalt de ambten waarin een academie met de les-tijden, vermeld in het eerste en derde lid, betrekkingen kan organiseren en de wijze waarop de lestijden naar die betrekkingen worden omgerekend.

§ 2. Vanaf het schooljaar 2019-2020 hebben academies, vermeld in bijlage 2 bij dit decreet, recht op extra lestijden. Deze extra lestijden worden jaarlijks berekend volgens de formule opgenomen in het tweede lid.

Als X voor de academies, vermeld in bijlage 2 bij dit decreet, kleiner is dan Z dan heeft de betrokken academie recht op Y extra lestijden, berekend volgens de formule :
Y = Z - X,
waarbij :
1° Z : het aantal lestijden, vermeld in bijlage 2, bij dit decreet voor de betrokken academie;
2° X gelijk is aan A - B,
waarbij;
a) A : de omkadering berekend volgens artikel 69;
b) B : de omkadering berekend volgens artikel 69, maar in afwijking van artikel 67, § 3, vijfde lid, worden de betrokken leerlingen aan 1 gewogen.
Y wordt afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier en naar het lagere geheel getal als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier.

Als de betrokken academie, conform artikel 155, recht heeft op additionele lestijden voor de eerste, tweede en derde graad dan wordt de helft van Y, voor de betrokken academie, afgetrokken van de lestijden bekomen voor de eerste, tweede en derde graad volgens artikel 155. Als het hierdoor bekomen aantal lestijden negatief is dan wordt het aantal lestijden volgens artikel 155 voor de betrokken academie voor de eerste, tweede en derde graad gelijkgesteld met nul.

Als de betrokken academie, conform artikel 155, recht heeft op additionele lestijden voor de vierde graad en de kortlopende studierichtingen dan wordt de helft van Y, voor de betrokken academie, afgetrokken van de lestijden bekomen voor de vierde graad en de kortlopende studierichtingen, conform artikel 155. Als het hierdoor bekomen aantal lestijden negatief is, wordt het aantal lestijden, conform artikel 155, voor de betrokken academie voor vierde graad en de kortlopende studierichtingen gelijkgesteld met nul.
 

76/1.

Afdeling 3 Omkadering bestuurspersoneel

ART 77.

Academies hebben vanaf tweehonderd leerlingen zoals die geteld zijn op 1 februari van het voorgaande schooljaar in de academie recht op een ambt van directeur. Onder dat minimum wordt het ambt van directeur toegekend naar rato van 1/20 per volledige reeks van tien leerlingen.

In afwijking van het eerste lid is de teldag voor academies in oprichting 1 oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt vanaf het schooljaar van oprichting en de elf daaropvolgende schooljaren.
 

ART 78.

Het personeelslid dat vastbenoemd is in het ambt van directeur in een academie en dat als gevolg van fusie van academies ter beschikking gesteld wordt wegens ontstentenis van betrekking, kan op persoonlijke titel tewerkgesteld worden in een niet-organieke betrekking van directeur die aan de gefuseerde academie wordt toegevoegd. De tewerkstelling in de niet-organieke betrekking wordt beschouwd als een reaffectatie en schort alle reaffectatie- en wedertewerkstellingsverplichtingen buiten de academie op.

De niet-organieke betrekking, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend op basis van dezelfde berekening als voor het ambt van directeur, vermeld in artikel 77. De niet-organieke betrekking wordt alleen toegekend zolang het personeelslid, vermeld in het eerste lid, erin tewerkgesteld wordt.

Zolang aan de kunstacademie een niet-organieke betrekking toegekend wordt als vermeld in het tweede lid, worden in die kunstacademie in afwijking van artikel 76, § 1, geen lestijden voor beleidsondersteuning gefinancierd of gesubsidieerd.
 

Afdeling 4 Omkadering ondersteunend personeel en opvoedend hulppersoneel

ART 79.

§ 1. Elke academie heeft recht op administratieve omkaderingseenheden die berekend worden volgens de formule :
(a x 0,001 x 38) - (b x 38/32),
waarbij :
1° a : het aantal leerlingen op 1 februari van het voorgaande schooljaar in de academie;
2° b : het aantal uren van een betrekking studiemeester-opvoeder; beperkt tot de omvang, vermeld in paragraaf 3;
3° 32 : het aantal uren van een voltijdse betrekking studiemeester-opvoeder;
4° 38 : het aantal omkaderingseenheden voor een voltijdse betrekking administratief medewerker.

In afwijking van de teldag, vermeld in het eerste lid, 1°, is de teldag voor academies in oprichting 1 oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt vanaf het schooljaar van oprichting en de elf daaropvolgende schooljaren.

§ 2. Als het eerste cijfer na de komma groter dan of gelijk is aan vijf, wordt de uitkomst van die formule naar boven afgerond. Als dat cijfer kleiner is dan vijf, wordt de uitkomst naar beneden afgerond.

§ 3. In een academie die op 30 juni 2007 beschikte over een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking in het ambt van studiemeester-opvoeder, waar een vastbenoemd personeelslid of een tijdelijk personeelslid in een vacante betrekking titularis van was, of waar op 30 juni 2007 een vast benoemd studiemeester-opvoeder ter beschikking gesteld was wegens ontstentenis van betrekking, wordt dat ambt gefinancierd of gesubsidieerd, zolang datzelfde personeelslid er titularis is.

Het recht, vermeld in het eerste lid, is beperkt tot de omvang van de betrekking waarvan dat personeelslid titularis was op 30 juni 2007.
 

ART 80.

De Vlaamse Regering bepaalt de ambten waarin een academie met de administratieve omkaderingseenheden, vermeld in artikel 79, § 1, betrekkingen kan organiseren en de wijze waarop de administratieve omkaderingseenheden naar die betrekkingen worden omgerekend.

ART 81.

§ 1. Voor de academies, vermeld in bijlage 1 bij dit decreet, wordt de administratieve omkadering berekend op basis van de volgende formule, rekening houdend met het aantal lestijden berekend conform artikel 69 :
[(15 x a + 16 x b + 13 x c)/5000-d/32] x 38,
waarbij :
1° a : aantal lestijden van de structuuronderdelen van de eerste en tweede graad;
2° b : aantal lestijden van de structuuronderdelen van de derde graad;
3° c : aantal lestijden van de structuuronderdelen van de vierde graad en van de kortlopende studierichtingen;
4° d : het aantal uren van een betrekking studiemeester-opvoeder beperkt tot de omvang, vernoemd in artikel 79, § 3;
5° 32 : het aantal uren van een voltijdse betrekking studiemeester-opvoeder;
6° 38 : het aantal omkaderingseenheden voor een voltijdse betrekking administratief medewerker.

De uitkomst van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt afgerond naar de onmiddellijk lagere eenheid.

§ 2. Vanaf het schooljaar waarvoor de methode, vermeld in artikel 79, voor de academies, vermeld in bijlage 1, bij dit decreet, evenveel of meer omkadering voor ondersteundend personeel en opvoedend hulppersoneel oplevert dan de methode, vermeld in paragraaf 1, wordt die omkadering berekend conform artikel 79.
 

Afdeling 5 Personeel ten laste van de werkingsmiddelen of van de eigen middelen

ART 82.

Het schoolbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 en 84, of van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDAB of van de eigen middelen personeel aanwerven.

In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel.

In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs.

De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt georganiseerd kan niet vacant worden verklaard en de inrichtende macht kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekking.

Het personeelslid dat door een schoolbestuur van een academie van het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven conform het tweede lid, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 is op hem van toepassing.

Het personeelslid dat door een schoolbestuur van een academie van het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven conform het derde lid, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.

Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug.
 

Afdeling 6 Werkingsmiddelen

ART 83.

Elke academie van het gesubsidieerd onderwijs heeft recht op werkingsmiddelen. Het werkingsbudget voor het schooljaar (X/X+1) wordt berekend volgens de formule : aantal toegekende lestijden voor het schooljaar (X/X+1) x bedrag per lestijd.

Het bedrag per lestijd in het domein beeldende en audiovisuele kunsten en de domeinoverschrijdende initiatie bedraagt 79,34 euro.

Het bedrag per lestijd in de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek bedraagt 26,45 euro.

Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden de bedragen van het voorgaande schooljaar jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A die als volgt berekend wordt :
A = (CX-1/CX-2),
waarbij :
1° CX-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-1;
2° CX-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-2.

De A-coëfficiënt wordt voor 100% in rekening gebracht.
 

ART 84.

§ 1. Voor het begrotingsjaar 2019, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2018-2019, is het bedrag dat bestemd is voor het deeltijds kunstonderwijs in het gemeenschapsonderwijs 1.729.877 euro.

Vanaf het schooljaar 2019-2020 wordt het werkingsbudget van het voorgaande schooljaar jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A die voor een schooljaar (X/X+1) als volgt berekend wordt :
A = (CX-1/CX-2),
waarbij :
1° CX-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-1;
2° CX-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-2.

De A-coëfficiënt wordt voor 100% in rekening gebracht.

§ 2. De Vlaamse Regering regelt de wijze waarop het bedrag, berekend conform paragraaf 1, uitbetaald wordt aan de academies.
 

ART 85.

Een schoolbestuur dat werken, leveringen of diensten aanneemt die geheel of gedeeltelijk betaald worden met de middelen, vermeld in artikel 83 en 84, sluit een overeenkomst volgens de toepasselijke procedure en onder de toepasselijke voorwaarden die voor het Rijk gelden.
 

ART 86.

Ieder schoolbestuur van een gesubsidieerde academie legt aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten verantwoording af over het gebruik van zijn werkingsmiddelen. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten kan ter plaatse controle uitoefenen zonder dat die controle betrekking mag hebben op de opportuniteit.

De Vlaamse Regering bepaalt de controlemaatregelen nader en ontwikkelt een methode die het mogelijk maakt om jaarlijks een zicht te krijgen op de besteding van de werkingsmiddelen.
 

Afdeling 7 Terugvorderingen en sancties

Onderafdeling 1 Terugvorderingen

ART 87.

 Conform artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, wordt elke ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring van het schoolbestuur teruggevorderd. Een ten onrechte uitbetaald salarisgedeelte wordt evenwel van het betrokken personeelslid teruggevorderd, als het schoolbestuur niet verantwoordelijk is voor de uitbetaling ervan.
 

Onderafdeling 2 Sancties

ART 88.

§ 1. Met behoud van toepassing van de strafvervolging waartoe een van onderstaande overtredingen aanleiding zou geven, kan het schoolbestuur gesanctioneerd worden voor :
1° elke onnauwkeurige verklaring, afgelegd met de bedoeling om de berekening van het bedrag van een salaristoelage of werkingsbudget te beïnvloeden, die de berekening van het bedrag voor financiering of subsidiëring beïnvloedt;
2° elke onnauwkeurige verklaring over de bezoldiging van het personeel;
3° elke inbreuk op de verplichting om gegevens mee te delen, conform artikel 49, op de wijze en op de data waarop die uiterlijk verstrekt moeten zijn;
4° elke inbreuk op de bepalingen van de vakantie- en de onderwijstijd;
5° elke inbreuk op de aanwending van de financiële middelen;
6° elke inbreuk op de verplichting om op de data, bepaald conform artikel 93, de inschrijvingsgelden te betalen;
7° elke inbreuk op de naleving van de verplichtingen tot behandeling van de leerling en van de personeelsleden met respect voor hun rechten en plichten en de uitvoering van de administratieve en organisatorische opdrachten en bevoegdheden die door dit decreet of door de Vlaamse Regering worden toegewezen aan de academies.

§ 2. De sanctie, vermeld in paragraaf 1, is een financiële sanctie van ten hoogste 10% van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 of 84.

In afwijking van het eerste lid bedraagt de financiële sanctie voor de inbreuk, vermeld in paragraaf 1, 3°, maximaal 0,75 euro per leerling, gegenereerd door leerlingen over wie de academie de gegevens, conform artikel 49, niet correct en tijdig aangeleverd heeft.

De financiële sanctie, vermeld in het eerste en tweede lid, kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat gebruikt wordt voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet getroffen zou worden.

De teruggave van de ten onrechte als subsidiëring gestorte bedragen wordt geëist tenzij de fout te wijten is aan de betalende overheid.
 

ART 89.

De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties. Het voormelde besluit waarborgt de rechten van de verdediging en voorziet in een mogelijkheid tot beroep.

HOOFDSTUK 6 Inschrijvingsgeld en bijdrageregeling

ART 90.

Een regelmatige leerling betaalt inschrijvingsgeld voor elk domein waarvoor hij zich inschrijft. Het volledige inschrijvingsgeld wordt betaald vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd.
 

ART 91.

Voor het schooljaar 2018-2019 bedraagt het inschrijvingsgeld :
1° 307 euro;
2° 129 euro als de leerling de leeftijd van 25 jaar niet heeft bereikt of voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel 92, § 1 of § 2;
3° 65 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie;
4° 42 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het betrokken schooljaar en voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel 92.

De inschrijvingsgelden voor het deeltijds kunstonderwijs worden jaarlijks vanaf het schooljaar 2019-2020 vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die als volgt berekend wordt :
A = (CX-1/CX-2),
waarbij :
1° CX-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-1;
2° CX-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-2.

Het bedrag wordt afgerond naar de hogere eenheid.
 

ART 92.

§ 1. Om in aanmerking te komen voor het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91, eerste lid, 2° of 4°, moet de leerling op de dag van de inschrijving aan minstens een van de volgende voorwaarden voldoen :
1° uitkeringsgerechtigd volledig werkloos zijn of daarmee gelijkgesteld zijn;
2° verplicht ingeschreven zijn als werkzoekende op grond van de reglementering in verband met de arbeidsvoorziening en de werkloosheid;
3° een leefloon van het OCMW ontvangen of een uitkering die daarmee gelijkgesteld is;
4° een inkomensgarantie voor ouderen of een rentebijslag ontvangen;
5° erkend zijn als persoon met een handicap en een tegemoetkoming van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid ontvangen;
6° voor ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn;
7° begunstigde zijn van een verhoogde kinderbijslag (erkend voor ten minste 66%);
8° in een gezinsvervangend tehuis of in een medisch-pedagogische instelling of in een pleeggezin verblijven;
9° het statuut van erkend politiek vluchteling bezitten;
10° begunstigde zijn van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming.

§ 2. Een leerling die ten laste is van een persoon die aan minstens een van de voorwaarden voldoet, vermeld in paragraaf 1, komt eveneens in aanmerking voor het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91, eerste lid, 2° of 4°.

§ 3. Een leerling die de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie, betaalt het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91, eerste lid, 4° :
1° als op de dag van de inschrijving een ander lid van de leefeenheid waartoe hij behoort het inschrijvingsgeld al heeft betaald in dezelfde of een andere academie;
2° voor iedere extra inschrijving in een ander domein aan dezelfde of een andere academie.

§ 4. In afwijking van paragraaf 1 en 2 komt een leerling die op de dag van inschrijving niet aan minstens een van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 en 2, voldoet, in aanmerking voor vermindering onder de voorwaarde dat de leerling in de maand september eraan voldoet.

§ 5. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het recht van een leerling aangetoond wordt.
 

ART 93.

Elk schoolbestuur betaalt jaarlijks aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten voor elk van zijn gesubsidieerde of gefinancierde academies een bedrag dat berekend wordt volgens de formule :
B = B1 + B2,
waarbij :
1° B1 uiterlijk 15 november van het schooljaar (X/X+1) wordt betaald en voor het gefinancierd onderwijs wordt berekend volgens de formule : B1= i, en voor het gesubsidieerd onderwijs berekend wordt volgens de formule :
B1 = i - w,
waarbij :
a) i : 95% van de inschrijvingsgelden van de regelmatige leerlingen die ingeschreven waren op 1 oktober van het schooljaar (X-1/X);
b) w : de werkingsmiddelen voor het schooljaar (X/X+1) berekend volgens artikel 83;
2° B2 uiterlijk 15 april van het schooljaar (X/X+1) wordt betaald en wordt berekend volgens de formule :
B2 = I - i,
waarbij :
a) I : 100% van de inschrijvingsgelden van de regelmatige leerlingen die ingeschreven waren op 1 oktober van het schooljaar (X/X+1);
b) i : 95% van de inschrijvingsgelden van de regelmatige leerlingen die ingeschreven waren op 1 oktober van het schooljaar (X-1/X).

In afwijking van het eerste lid, 1°, is de component B1 voor de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen gelijk aan i.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het schoolbestuur de inschrijvingsgelden overmaakt aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.
 

ART 94.

De bedragen, vermeld in artikel 91, worden volledig toegewezen aan het fonds "Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs", verder genoemd "het Fonds".

In het eerste lid wordt verstaan onder fonds : een begrotingsfonds als vermeld in artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof.

De middelen van het Fonds moeten worden aangewend voor uitgaven voor de betaling van salarissen en salaristoelagen in het deeltijds kunstonderwijs.

De boekhoudkundige verwerking van de verrichtingen gebeurt voor elk onderwijsnet afzonderlijk.
 

ART 95.

Als een schoolbestuur bijkomende bijdragen vraagt aan de leerling, dan moet deze een billijke behandeling van alle leerlingen garanderen en mag deze de participatiekans niet in het gedrang brengen.

Indien er een bijdrage gevraagd wordt voor cursusmateriaal of auteurs- of reprografierechten wordt deze aangerekend tegen kostprijs en moet deze bij het begin van elk schooljaar geraamd worden en moet voor de inschrijving aan de leerling meegedeeld worden.

In het tweede lid wordt verstaan onder cursusmateriaal : alle benodigdheden die door het schoolbestuur als noodzakelijk voor het volgen van de opleiding worden opgegeven en die door het schoolbestuur worden aangerekend.
 

ART 96.

Een schoolbestuur kan de bijdrage van niet-regelmatige leerlingen of leerlingen in leeractiviteiten op maat, vermeld in artikel 4, derde lid, vrij bepalen, op voorwaarde dat het bedrag niet hoger ligt dan het bedrag dat een regelmatige leerling voor zijn inschrijving in een domein zou betalen.
 

HOOFDSTUK 7 Erkennings-, financierings- en subsidiëringsvoorwaarden van academies

Afdeling 1 Algemene bepalingen

ART 97.

Een academie kan de volgende vormen van onderwijs organiseren :
1° onderwijs dat conform dit decreet is erkend, waarvoor de academie onderwijsbevoegdheid heeft en waarvan de lestijden volledig comform dit decreet zijn gefinancierd of gesubsidieerd;
2° onderwijs dat conform dit decreet is erkend, waarvoor de academie onderwijsbevoegdheid heeft en waarvan de lestijden geheel of gedeeltelijk door derden zijn gefinancierd of gesubsidieerd.

Middelen van de Vlaamse overheid kunnen niet aangewend worden voor de organisatie van onderwijs dat noch gefinancierd noch gesubsidieerd wordt door de Vlaamse overheid.
 

ART 98.

Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk worden de studierichtingen, vermeld in artikel 12 tot en met 20, ondergebracht in structuuronderdelen.

Alle langlopende studierichtingen van een bepaalde graad in een domein vormen daarbij eenzelfde structuuronderdeel.

Alle kortlopende studierichtingen en de domeinoverschrijdende initiatieopleiding vormen elk een afzonderlijk structuuronderdeel.

In afwijking van het tweede lid vormen de derde graad voor jongeren en de derde graad voor volwassenen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten afzonderlijke structuuronderdelen.

In afwijking van het tweede lid vormen de tweede graad voor jongeren en de tweede graad voor volwassenen van het domein muziek afzonderlijke structuur-onderdelen.
 

Afdeling 2 Erkenning van academies

ART 99.

Erkenning is noodzakelijk om in aanmerking te kunnen komen voor subsidiëring of financiering. Het opleidingsaanbod van erkende academies komt alleen in aanmerking voor subsidiëring of financiering als de onderwijsbevoegdheid is toegekend, conform artikel 131.
 

ART 100.

Een academie kan erkend worden als ze aan al de volgende voorwaarden voldoet :
1° ze is georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur;
2° ze is gevestigd in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden voor de hygiëne, de veiligheid en de bewoonbaarheid, voldoen;
3° ze neemt een structuur aan als vermeld in artikel 10 tot en met 25 van dit decreet;
4° ze vormt een pedagogisch geheel;
5° ze beschikt over voldoende didactisch materiaal en over een aangepaste schooluitrusting;
6° ze leeft de bepalingen over de taalregeling in het onderwijs en de taalkennis van het personeel na;
7° ze maakt de controle van de onderwijsinspectie mogelijk;
8° ze leeft de reglementering over de organisatie van het schooljaar na;
9° ze leeft de reglementering betreffende de einddoelen en leerplannen na;
10° ze eerbiedigt in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de Rechten van de Mens en van het Kind in het bijzonder;
11° ze voert een doeltreffend beleid om het rookverbod, vermeld in artikel 4 van het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, en dat controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid, vermeld in het academie- of arbeidsreglement.
 

ART 101.

Een academie die wordt opgericht, kan voorlopig erkend worden als ze voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 100, 1°, 2°, 3°, 7° en 10°.

Een schoolbestuur dat voor een academie de voorlopige erkenning wil verkrijgen, dient uiterlijk op de dag van 1 april die aan de oprichting voorafgaat een aanvraag in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die termijn geldt als vervaltermijn. De Vlaamse Regering legt het model van het aanvraagformulier vast.

In afwijking van het tweede lid dient het schoolbestuur een aanvraag tot voorlopige erkenning voor een oprichting van een academie die start vanaf het schooljaar 2018-2019, in vóór 1 mei 2018. Conform artikel 35, § 1, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, gaat de onderwijsinspectie na of de academie voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 100, 1°, 2°, 3°, 7° en 10°, van dit decreet. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat daaruit volgt, beslist de Vlaamse Regering, conform artikel 35, § 1, van het voormelde decreet van 8 mei 2009, een voorlopige erkenning voor één schooljaar te verlenen, ofwel geen voorlopige erkenning te verlenen.

Uiterlijk zes maanden na de start van het schooljaar waarin de academie voorlopig erkend wordt, onderzoekt de onderwijsinspectie, conform artikel 35, § 2, van het voormelde decreet van 8 mei 2009, via een doorlichting ter plaatse of de academie voldoet aan de voorwaarden voor een erkenning. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat daaruit volgt, beslist de Vlaamse Regering, conform artikel 35, § 2, van het voormelde decreet van 8 mei 2009, uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van de voorlopige erkenning, dat de academie voldoet aan de voorwaarden voor een erkenning als vermeld in artikel 100 van dit decreet, ofwel dat de academie niet erkend wordt vanaf het volgende schooljaar.
 

ART 102.

 Een schoolbestuur dat een structuuronderdeel of domein van een academie wil laten erkennen dient uiterlijk op 1 april van het schooljaar dat aan de erkenning voorafgaat een aanvraag in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

In afwijking van het eerste lid dient het schoolbestuur een aanvraag tot erkenning van een structuuronderdeel of domein van een academie dat start vanaf het schooljaar 2018-2019, in vóór 1 mei 2018.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere aanvraagprocedure voor erkenning.
 

ART 103.

De Vlaamse Regering kan de erkenning van een academie of een structuuronderdeel of domein ervan opheffen met inachtname van artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.

ART 104.

Een academie die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 100, of in geval van een voorlopige erkenning aan artikel 100, 1°, 2°, 3°, 7° en 10°, kan de benaming academie voor deeltijds kunstonderwijs niet dragen.

ART 105.

Als een academie uit meer vestigingsplaatsen bestaat, bepaalt het schoolbestuur vrij op welke vestigingsplaats de administratieve zetel van de academie wordt gevestigd. Deze vestigingsplaats wordt de hoofdvestigingsplaats genoemd.

ART 106.

De academies die op 31 augustus 2018 erkend zijn, behouden hun erkenning als academies voor deeltijds kunstonderwijs, met behoud van toepassing van artikel 100 en 103.
 

Afdeling 3 Financiering en subsidiëring van academies

Onderafdeling 1 Algemene bepalingen

ART 107.

Deze afdeling is van toepassing op de academies die erkend of voorlopig erkend zijn en in aanmerking komen om gefinancierd of gesubsidieerd te worden.
 

ART 108.

De academies voor deeltijds kunstonderwijs die op 31 augustus 2018 erkend zijn en in de financierings- en subsidiëringsregeling opgenomen zijn, komen in aanmerking om gefinancierd of gesubsidieerd te worden, met behoud van toepassing van artikel 111.

ART 109.

Elk schoolbestuur draagt de financiële verantwoordelijkheid en desgevallend de kosten voor de organisatie van het onderwijs in zijn academies en vestigingsplaatsen.

Voor de academies die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 111, komt de Vlaamse overheid financieel tussen, door een financiering voor het gemeenschapsonderwijs en door een subsidiëring in de vorm van omkadering en werkingsmiddelen, voor het gesubsidieerd onderwijs.
 

ART 110.

Voor het bereiken van de rationalisatie- en programmatienormen worden alleen regelmatige leerlingen geteld.

Elke regelmatige leerling telt in elke academie en in elke vestigingsplaats voor één teleenheid.

De teldag voor de programmatie is 1 oktober van het lopende schooljaar.

De teldag voor de rationalisatie is 1 februari van het voorgaande schooljaar.
 

ART 111.

§ 1. Met behoud van toepassing van de specifieke voorwaarden voor het verkrijgen van salarissen als vermeld in artikel 66 van dit decreet, verkrijgt een schoolbestuur financiering of subsidiëring voor elk van zijn academies die voldoen aan al de volgende voorwaarden :
1° voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 100, of voorlopig erkend zijn conform artikel 101;
2° voldoen aan de programmatie- en rationalisatievoorwaarden, vermeld in artikel 114 tot en met 130;
3° beschikken over een inspraakbeleid rond de afstemming van het opleidingsaanbod en de werking van de academie op haar lokale culturele omgeving, in het bijzonder de amateurkunstbeoefening.

§ 2. Een schoolbestuur dat voor een academie of onderdeel ervan financiering of subsidiëring wil verkrijgen, dient uiterlijk op 1 april van het schooljaar dat aan de opname in de financiering- of subsidiëringsregeling voorafgaat, een aanvraag in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten.

In afwijking van het eerste lid dient het schoolbestuur zijn financierings- of subsidiëringsaanvraag voor een oprichting van een onderdeel van een academie dat start vanaf het schooljaar 2018-2019, in vóór 1 mei 2018.

De Vlaamse Regering neemt de beslissing over de opname in de financierings- of subsidiëringsregeling. De beslissing wordt schriftelijk of elektronisch meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur en gaat in bij aanvang van het schooljaar dat volgt op de aanvraag tot financiering of subsidiëring.

§ 3. In een voorlopig erkende academie is affectatie, mutatie of vaste benoeming van personeelsleden niet mogelijk.
 

ART 112.

Een schoolbestuur verliest de financiering of subsidiëring van zijn academie of een onderdeel ervan als niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 111.
 

ART 113.

Als voor een gefinancierde of gesubsidieerde academie of een onderdeel ervan niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 100, of in geval van een voorlopige erkenning, in artikel 100, 1°, 2°, 3°, 7° en 10°, van dit decreet, kan de Vlaamse Regering na toepassing van artikel 41 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs :
1° de erkenning opheffen : de academie of een onderdeel ervan verliest de financiering of subsidiëring zodra de Vlaamse Regering de erkenning opheft;
2° de financiering of subsidiëring geheel of gedeeltelijk inhouden als het schoolbestuur kan aantonen dat de voorwaarden, vermeld in artikel 100, of in geval van een voorlopige erkenning, in artikel 100, 1°, 2°, 3°, 7° en 10°, van dit decreet binnen een termijn die met de Vlaamse Regering wordt overeengekomen, opnieuw vervuld zullen zijn.
 

Onderafdeling 2 Programmatievoorwaarden voor nieuwe academies, domeinen en structuuronderdelen

ART 114.

§ 1. Een nieuwe academie die vanaf 1 september 2018 is opgericht, organiseert, op het einde van haar programmatieperiode, alle structuuronderdelen van minstens het domein muziek of beeldende en audiovisuele kunsten, met uitzondering van de kortlopende studierichtingen.

Een nieuwe academie kan in plaats van de eerste graad van een domein het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten.

Een nieuwe academie moet het minimale aanbod, vermeld in het eerste lid, uiterlijk in het twaalfde schooljaar na de oprichting volledig uitgebouwd hebben. Daarbij kan ze de structuuronderdelen van een domein gelijktijdig oprichten, voor zover ze elk structuuronderdeel leerjaar per leerjaar opricht. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kan ze evenwel in een tijd oprichten.

§ 2. Een nieuwe academie wordt vanaf 1 september in de financierings- of subsidiëringsregeling opgenomen, als ze op 1 oktober van het oprichtingsjaar aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° minstens het eerste leerjaar van de tweede graad in de door haar opgerichte domeinen organiseren;
2° de programmatienormen van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, bereiken naar rato van het aantal opgerichte leerjaren van de structuuronderdelen in oprichting, in het traject met het meest aantal leerjaren, vermeld in artikel 70;
3° gelegen zijn in een gemeente waar in het schooljaar dat aan het oprichtingsjaar voorafgaat, de opgerichte opleidingen niet georganiseerd werden.

§ 3. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe academie gedurende elf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, a rato van het aantal opgerichte leerjaren van de structuuronderdelen in oprichting, in het traject met het meeste aantal leerjaren, vermeld in artikel 70.

Als dat niet het geval is, wordt de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd, tenzij de academie op de vorige teldag de programmatienormen gehaald heeft.

§ 4. Vanaf het dertiende bestaansjaar gelden de rationalisatienormen.
 

ART 115.

§ 1. Een academie kan domeinen oprichten vanaf het tweede schooljaar dat ze in de financierings- of subsidiëringsregeling is opgenomen. Daartoe moet de academie in al haar reeds opgerichte domeinen, de rationalisatienormen, vermeld in artikel 126, bereiken op de teldag van het schooljaar vóór de oprichting van het nieuwe domein.

De programmatie van een nieuw domein omvat de oprichting van de structuuronderdelen van minstens de eerste en tweede graad. Een academie kan in plaats van de eerste graad van het domein het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten of zowel de eerste graad van een domein als de domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten.

Een academie moet dit domein uiterlijk in het zesde schooljaar na de oprichting volledig uitgebouwd hebben. Daarbij kan ze de structuuronderdelen van een domein gelijktijdig oprichten, voorzover ze elk structuuronderdeel leerjaar per leerjaar opricht. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kan ze evenwel in één tijd oprichten.

Een nieuw domein in een academie kan vanaf 1 september in de financierings- of subsidiëringsregeling opgenomen worden, als het op de teldag van het oprichtingsjaar de programmatienormen, vermeld in artikel 119 en 120, bereikt naar rato van het aantal opgerichte leerjaren van de structuuronderdelen in oprichting, in het traject met het meest aantal leerjaren, vermeld in artikel 70.

§ 2. Voor een verdere financiering of subsidiëring moet het nieuwe domein gedurende vijf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken, vermeld in artikel 119 en 120, naar rato van het aantal opgerichte leerjaren van de structuuronderdelen in oprichting, in het traject met het meeste aantal leerjaren, vermeld in artikel 70.

Als de programmatienorm niet gehaald wordt, wordt het domein in de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd, tenzij het domein op de vorige teldag de programmatienorm gehaald heeft.

§ 3. Vanaf het zevende bestaansjaar van het nieuw opgerichte domein geldt de rationalisatienorm.
 

ART 116.

Onder de oprichting van een structuuronderdeel als vermeld in het tweede lid en in artikel 117, wordt verstaan :
1° de uitbreiding naar een nieuwe vestigingsplaats van een structuuronderdeel dat de academie al in een of meer vestigingsplaatsen organiseert;
2° de oprichting van een nieuw structuuronderdeel van een domein waarvan de academie al een of meer structuuronderdelen organiseert in een bestaande of nieuwe vestigingsplaats.

De oprichting van een structuuronderdeel gebeurt leerjaar per leerjaar. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kunnen evenwel in een tijd opgericht worden.
 

ART 117.

§ 1. Een academie kan vanaf het tweede schooljaar dat ze in de financierings- of subsidiëringsregeling is opgenomen een structuuronderdeel oprichten onder de volgende voorwaarden :
1° voor al haar domeinen en structuuronderdelen op 1 februari van het schooljaar vóór de programmatie van het nieuwe structuuronderdeel de rationalisatienormen bereiken;
2° het domein waarin het structuuronderdeel wordt opgericht in het oprichtingsjaar van het structuuronderdeel organiseren of met de oprichting ervan gestart zijn in het vorige schooljaar;
3° voor het opgerichte structuuronderdeel op de teldag van het oprichtingsjaar voldoen aan de programmatienorm, naar rato van het aantal opgerichte leerjaren in het traject met het meeste aantal leerjaren, vermeld in artikel 70.

§ 2. Tijdens de oprichtingsperiode moet de programmatienorm telkens naar rato van het aantal opgerichte leerjaren bereikt worden.

Het laatste schooljaar waarin de programmatienorm op de teldag bereikt moet worden, is het schooljaar waarin voor het eerst het hoogste leerjaar van het structuuronderdeel georganiseerd wordt.

Als de programmatienorm niet gehaald wordt, wordt het structuuronderdeel met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd, tenzij het structuuronderdeel op de vorige teldag de programmatienorm gehaald heeft.

§ 3. Vanaf het schooljaar na het laatste schooljaar van de programmatie gelden de rationalisatienormen.

§ 4. De bepalingen in paragraaf 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op de structuuronderdelen specialisatie.
 

ART 118.

Een academie kan vanaf het tweede schooljaar dat ze in de financierings- of subsidiëringsregeling is opgenomen een structuuronderdeel specialisatie oprichten onder de volgende voorwaarden :
1° voor al haar domeinen en structuuronderdelen op 1 februari van het schooljaar vóór de programmatie van het nieuwe structuuronderdeel de rationalisatienormen bereiken;
2° het domein waarin het structuuronderdeel specialisatie wordt opgericht organiseren of met de oprichting ervan gestart zijn in het vorige schooljaar;
3° het structuuronderdeel vierde graad in hetzelfde domein als waarin het structuuronderdeel specialisatie wordt opgericht organiseren of met de oprichting ervan gestart zijn in het vorige schooljaar.
 

Onderafdeling 3 Programmatienormen voor academies, domeinen en structuuronderdelen in vestigingsplaatsen

ART 119.

De programmatienormen voor domeinen van academies, geheel of gedeeltelijk gelegen in het Vlaamse Gewest, zijn :
1° domein beeldende en audiovisuele kunsten : 300;
2° domein dans : 30;
3° domein woordkunst-drama : 80;
4° domein muziek : 300.

ART 120.

De programmatienormen voor domeinen van academies, alleen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gelegen, zijn :
1° domein beeldende en audiovisuele kunsten : 120;
2° domein dans : 12;
3° domein woordkunst-drama : 32;
4° domein muziek : 120.

ART 121.

De programmatienormen voor structuuronderdelen in een vestigingsplaats die in het Vlaamse Gewest gelegen is in een dichtbevolkte gemeente zijn :

   programmatienorm
eerste graad domeinoverschrijdende initiatieopleiding 15
 
   programmatienorm
eerste graad beeldende en audiovisuele kunsten 14
tweede graad beeldende en audiovisuele kunsten 21
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor jongeren 21
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen 21
vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten 42
specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten niet van toepassing
beeldende en audiovisuele cultuur 24
 
   programmatienorm
eerste graad dans 8
tweede graad dans 12
derde graad dans 12
vierde graad dans 12
specialisatie dans niet van toepassing
danscultuur 24
 
   programmatienorm
eerste graad woordkunst-drama 15
tweede graad woordkunst-drama 21
derde graad woordkunst-drama 11
vierde graad woordkunst-drama 4
specialisatie woordkunst-drama niet van toepassing
woordkunst- en dramacultuur 24
schrijver 9
 
   programmatienorm
eerste graad muziek 15
tweede graad muziek voor jongeren 11
tweede graad muziek voor volwassenen 11
derde graad muziek 8
vierde graad muziek 3
specialisatie muziek niet van toepassing
muziekcultuur 24
muziekgeschiedenis 24

 

ART 122.

De programmatienormen voor structuuronderdelen in een vestigingsplaats die in het Vlaamse Gewest in een dunbevolkte gemeente gelegen is of die in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gelegen is, zijn :

   programmatienorm
eerste graad domeinoverschrijdende initiatieopleiding 11
 
   programmatienorm
eerste graad beeldende en audiovisuele kunsten 10
tweede graad beeldende en audio-visuele kunsten 15
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor jongeren 15
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen 15
vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten 29
specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten niet van toepassing
beeldende en audiovisuele cultuur 17
 
   programmatienorm
eerste graad dans 6
tweede graad dans 8
derde graad dans 8
vierde graad dans 8
specialisatie dans niet van toepassing
danscultuur 17
 
   programmatienorm
eerste graad woordkunst-drama 11
tweede graad woordkunst-drama 15
derde graad woordkunst-drama 7
vierde graad woordkunst-drama 3
specialisatie woordkunst-drama niet van toepassing
woordkunst- en dramacultuur 8
schrijver 6
 
   programmatienorm
eerste graad muziek 11
tweede graad muziek voor jongeren 7
tweede graad muziek voor volwassenen 7
derde graad muziek 5
vierde graad muziek 2
specialisatie muziek niet van toepassing
muziekcultuur 17
muziekgeschiedenis 17

 

ART 123.

De programmatienormen, vermeld in artikel 121 en 122, zijn niet van toepassing op bijzondere vestigingsplaatsen.
 

Onderafdeling 4 Rationalisatievoorwaarden voor academies, domeinen en structuuronderdelen in vestigingsplaatsen

ART 124.

§ 1. Een academie blijft na de oprichting financierbaar als elk van de domeinen die ze organiseert, voldoet aan de rationalisatienorm, vermeld in artikel 126.

Om na de oprichting nog financierbaar of subsidieerbaar te zijn, moet een domein voldoen aan de rationalisatienormen, vermeld in artikel 126.

§ 2. Om na de oprichting nog financierbaar of subsidieerbaar te zijn, moet een structuuronderdeel in een vestigingsplaats, naargelang zijn ligging, voldoen aan de rationalisatienormen, vermeld in artikel 127 of 128.

Een structuuronderdeel in een vestigingsplaats voldoet aan de rationalisatienormen als het totale aantal leerlingen in dat structuuronderdeel over alle vestigingsplaatsen heen waar de academie het organiseert, groter is dan of gelijk is aan
(X x a)+(Y x b),
waarbij :
1° X : de rationalisatienorm, vermeld in artikel 127;
2° Y : de rationalisatienorm, vermeld in artikel 128;
3° a : aantal vestigingsplaatsen in dichtbevolkte gebieden waar het structuuronderdeel ingericht wordt;
4° b : aantal vestigingsplaatsen in dunbevolkte gebieden waar het structuuronderdeel ingericht wordt.
 

ART 125.

Academies, domeinen en structuuronderdelen in vestigingsplaatsen die op de teldag niet aan de voor hen geldende rationalisatienormen voldoen, blijven gesubsidieerd of gefinancierd als op de vorige teldag al de volgende voorwaarden vervuld waren :
1° de academie voldeed in haar geheel aan de voor haar geldende rationalisatienormen;
2° alle domeinen en alle structuuronderdelen in de vestigingsplaatsen voldeden aan de voor hen geldende rationalisatienormen.
 

Onderafdeling 5 Rationalisatienormen voor academies, domeinen en structuuronderdelen in vestigingsplaatsen

ART 126.

§ 1. De rationalisatienormen voor domeinen van academies, geheel of gedeeltelijk in het Vlaamse Gewest gelegen, zijn :
1° domein beeldende en audiovisuele kunsten : 150;
2° domein dans : 15;
3° domein woordkunst-drama : 40;
4° domein muziek : 150.

§ 2. De rationalisatienormen voor domeinen van academies, alleen gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, zijn :
1° domein beeldende en audiovisuele kunsten : 60;
2° domein dans : 6;
3° domein woordkunst-drama : 16;
4° domein muziek : 60.

ART 127.

De rationalisatienormen voor structuuronderdelen in een vestigingsplaats die in het Vlaamse Gewest in een dichtbevolkte gemeente gelegen is, zijn :

   rationalisatienorm
eerste graad domeinoverschrijdende initiatieopleiding 15
 
   rationalisatienorm
eerste graad beeldende en audiovisuele kunsten 14
tweede graad beeldende en audiovisuele kunsten 14
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor jongeren 14
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen 14
vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten 14
beeldende en audiovisuele cultuur 8
 
   rationalisatienorm
eerste graad dans 8
tweede graad dans 8
derde graad dans 8
vierde graad dans 8
danscultuur 8
 
   rationalisatienorm
eerste graad woordkunst-drama 15
tweede graad woordkunst-drama 14
derde graad woordkunst-drama 7
vierde graad woordkunst-drama 3
woordkunst- en dramacultuur 8
schrijver 3
 
   rationalisatienorm
eerste graad muziek 15
tweede graad muziek voor jongeren 7
tweede graad muziek voor volwassenen 7
derde graad muziek 5
vierde graad muziek 2
muziekcultuur 8
muziekgeschiedenis 8

 

ART 128.

De rationalisatienormen voor structuuronderdelen in een vestigingsplaats die in het Vlaamse Gewest in een dunbevolkte gemeente gelegen is of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, zijn :

   rationalisatienorm
eerste graad domeinoverschrijdende initiatieopleiding 11
 
   rationalisatienorm
eerste graad beeldende en audiovisuele kunsten 10
tweede graad beeldende en audiovisuele kunsten 10
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor jongeren 10
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen 10
vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten 10
beeldende en audiovisuele cultuur 6
 
   rationalisatienorm
eerste graad dans 6
tweede graad dans 6
derde graad dans 6
vierde graad dans 6
danscultuur 6
 
   rationalisatienorm
eerste graad woordkunst-drama 11
tweede graad woordkunst-drama 10
derde graad woordkunst-drama 5
vierde graad woordkunst-drama 2
woordkunst- en dramacultuur 6
schrijver 2
 
   rationalisatienorm
eerste graad muziek 11
tweede graad muziek voor jongeren 5
tweede graad muziek voor volwassenen 5
derde graad muziek 4
vierde graad muziek 1
muziekcultuur 6
muziekgeschiedenis 6

 

ART 129.

De rationalisatienormen, vermeld in artikel 127 en 128, zijn niet van toepassing op :
1° bijzondere vestigingsplaatsen;
2° een structuuronderdeel dans dat gelegen is in een vestigingsplaats op meer dan 15 km van een vestigingsplaats waar een structuuronderdeel dans georganiseerd wordt;
3° de structuuronderdelen specialisatie;
4° op academies voor deeltijds kunstonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats gevestigd is in de gemeente Voeren.
 

Afdeling 4 Verwerven en behouden van onderwijsbevoegdheid

ART 130.

§ 1. Een academie kan in de structuuronderdelen waarvoor ze voldoet aan de voorwaarden vermeld in dit hoofdstuk alleen de clusters van opties, de clusters van muziekinstrumenten, een unieke optie of een uniek muziekinstrument organiseren waarvoor ze onderwijsbevoegdheid heeft verkregen.

§ 2. Een schoolbestuur kan onderwijsbevoegdheid aanvragen bij de Vlaamse Regering.

Schoolbesturen die structuuronderdelen overgeheveld krijgen van een ander schoolbestuur en voor bepaalde clusters van opties, een cluster van muziekinstrumenten, een unieke optie of een uniek muziekinstrument in dat betrokken structuuronderdeel geen onderwijsbevoegdheid hebben, moeten daarvoor onderwijsbevoegdheid aanvragen bij de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering kan de aangevraagde bevoegdheid weigeren of toestaan.

De Vlaamse Regering bepaalt de aanvraag- en beslissingsprocedure voor het toekennen van onderwijsbevoegdheid. Daarbij houdt ze rekening met :
1° het al aanwezige opleidingsaanbod in de academie;
2° de mate waarin de academie beschikt over een aangepaste infrastructuur en leermiddelen;
3° de unieke opties en muziekinstrumenten en de rationele spreiding ervan.

De Vlaamse Regering vraagt, voordat ze een beslissing als vermeld in het derde lid neemt, het advies van de Vlaamse Onderwijsraad en de Onderwijsinspectie.

§ 3. Een academie die gedurende twee opeenvolgende schooljaren geen enkele optie uit de clusters van opties, geen enkel muziekinstrument uit de clusters van muziekinstrumenten georganiseerd heeft, een unieke optie of een uniek muziekinstrument niet georganiseerd heeft, verliest vanaf het daaropvolgende schooljaar de onderwijsbevoegdheid voor die cluster van opties, cluster van muziekinstrumenten, unieke optie of dat uniek muziekinstrument.
 

Afdeling 5 Overheveling, fusie, verhuis en tijdelijke onderbrenging

ART 131.

§ 1. Een schoolbestuur kan een of meer structuuronderdelen in een vestigingsplaats overhevelen naar een andere academie, op voorwaarde dat de overheveling de studiecontinuïteit voor de leerling naar een volgende graad niet in het gedrang brengt.

De overheveling vindt in een keer plaats en heeft uitwerking op de dag van 1 september die volgt op de melding aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die melding moet gebeuren vóór 1 maart.

In afwijking van het tweede lid meldt het schoolbestuur een overheveling die ingaat op 1 september 2018 vóór 1 mei 2018.

§ 2. Elke overheveling maakt het voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité van zowel het overhevelende als het ontvangende schoolbestuur.

§ 3. Voor de subsidiëring of de financiering wordt de overheveling van het structuuronderdeel, vermeld in paragraaf 1, geacht al op de dag van 1 februari die aan de uitwerking van de overheveling voorafgaat, te hebben plaatsgevonden.
 

ART 132.

Een schoolbestuur kan een academie overnemen van een ander schoolbestuur.

De overname heeft uitwerking op de dag van 1 september die volgt op de melding aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die melding moet gebeuren vóór 1 maart.

In afwijking van het tweede lid meldt het schoolbestuur een overname die ingaat op 1 september 2018 vóór 1 mei 2018.

Elke overname maakt het voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité van zowel het schoolbestuur dat de academie overdraagt als het ontvangende schoolbestuur.
 

ART 133.

§ 1. Een fusie van academies heeft uitwerking op de dag van 1 september die volgt op de melding aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die melding moet gebeuren vóór 1 maart.

In afwijking van het eerste lid meldt het schoolbestuur een fusie die ingaat op 1 september 2018 vóór 1 mei 2018.

Een academie die door fusie ontstaat, wordt niet als een nieuwe oprichting beschouwd. De programmatienormen zijn niet van toepassing. Voor de clusters van opties, clusters van muziekinstrumenten, unieke optie of uniek muziekinstrument waarvoor reeds onderwijsbevoegdheid verworven werd, dient geen onderwijsbevoegdheid aangevraagd te worden.

De fusie vindt plaats door een van de volgende samenvoegingen :
1° door samenvoeging tot één academie van twee of meer academies die gelijktijdig worden afgeschaft;
2° door samenvoeging van twee of meer academies, waarbij één academie blijft bestaan die de andere opslorpt.

§ 2. Elke fusie maakt het voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité van alle betrokken academies.

§ 3. Voor de subsidiëring of financiering wordt de fusie, vermeld in paragraaf 1, geacht al op de dag van 1 februari die aan de uitwerking van de overheveling voorafgaat, te hebben plaatsgevonden.
 

ART 134.

Een academie of vestigingsplaats kan definitief van adres wijzigen waarbij alle leerlingen op hetzelfde moment naar het nieuwe adres verhuizen. Bij de verhuis van een volledige academie of een volledige vestigingsplaats zijn de programmatienormen niet van toepassing.

Indien slechts een deel van de leerlingen overgebracht wordt naar de nieuwe locatie heeft men te maken met de oprichting van een vestigingsplaats, dit is een programmatie.

De ingebruikname van gebouwen op een nieuwe locatie naar aanleiding van de verhuizing van een academie of een deel ervan moet aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten worden gemeld uiterlijk op het tijdstip van de ingebruikname.

ART 135.

Wegens uitzonderlijke redenen kan de Vlaamse Regering toelating geven om leerlingen onder te brengen in gebouwen buiten de bestaande vestigingsplaats. De programmatie- en rationalisatienormen zijn hier niet van toepassing voor de duur van de onderbrenging.

De Vlaamse Regering bepaalt de duur van de onderbrenging.

HOOFDSTUK 8 Lokale samenwerkingsinitiatieven tussen academies en scholen voor basisonderwijs of secundair onderwijs of instellingen hoger onderwijs

Afdeling 1 Doelstellingen

ART 136.

Vanaf het schooljaar 2019-2020 kunnen lokale samenwerkingsinitiatieven georganiseerd worden tussen academies en scholen voor basisonderwijs, secundair of hoger onderwijs. Die samenwerkingsinitiatieven realiseren de volgende doelstellingen :
1° het cultureel bewustzijn en de culturele expressie van de betrokken leerlingen basisonderwijs of secundair onderwijs versterken;
2° het cultureel bewustzijn en de culturele expressie van de studenten hoger onderwijs versterken met het oog op hun latere professionele activiteiten;
3° een duurzaam delend netwerk tussen leerkrachten basisonderwijs, secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs voor het organiseren van culturele leeractiviteiten tot stand brengen;
4° het toeleiden van leerlingen basisonderwijs of secundair onderwijs die blijk geven van artistieke interesse en aanleg naar het deeltijds kunstonderwijs bevorderen, in het bijzonder leerlingen uit scholen met een meerderheid van leerlingen die beantwoorden aan de leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de gelijkekansenindicatoren, vermeld in artikel 225, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs.

In het schooljaar 2022-2023 worden de lokale samenwerkingsinitiatieven die opgestart zijn in het schooljaar 2019-2020 geëvalueerd in functie van eventuele bijsturing. Daarbij wordt nagegaan of de duurtijd van de lokale samenwerkingsinitiatieven en de overige organisatievoorwaarden, de aanvraag- en gunningsprocedure en de toekenning van de ondersteuningsmiddelen bijdragen tot de realisatie van de doelstellingen, vermeld in het eerste lid.
 

Afdeling 2 Organisatievoorwaarden

ART 137.

Aan een lokaal samenwerkingsinitiatief nemen minstens één academie en één school voor basisonderwijs of secundair onderwijs of instelling voor hoger onderwijs deel. Op vraag van die partners kunnen andere externe partners die ze relevant achten voor het realiseren van de doelstellingen bij het samenwerkings-initiatief betrokken worden.

De schoolbesturen van alle betrokken academies, scholen en instellingen voor hoger onderwijs sluiten een samenwerkingsovereenkomst af die de volgende elementen bevat :
1° de planning van de leeractiviteiten;
2° de wederzijdse verantwoordelijkheden van de deelnemende scholen en/of instellingen voor hoger onderwijs en academies voor de algemene coördinatie en het ter beschikking stellen van personeelsleden, schoolinfrastructuur, leermiddelen, materiaal en vervoer;
3° als samengewerkt wordt met andere externe partners als vermeld in het eerste lid, de manier waarop de samenwerking wordt vormgegeven.

Een lokaal samenwerkingsinitiatief duurt drie schooljaren.
 

ART 138.

Het lokale samenwerkingsinitiatief gebruikt de puntenenveloppe en het werkingsbudget, vermeld in artikel 139 tot en met 141, voor de organisatie en coördinatie van culturele leeractiviteiten voor de deelnemende leerlingen van de basisschool of secundaire school of instelling voor hoger onderwijs.

Het schoolbestuur van de academie organiseert daartoe tijdelijke betrekkingen in het ambt van leraar in om de opdracht, vermeld in het eerste lid, te vervullen.

De leeractiviteiten vinden, wat betreft de samenwerkingsinitiatieven met het basisonderwijs of het secundair onderwijs, plaats tijdens de lessen van het basisonderwijs, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap op grond van artikel 48 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 12 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
 

Afdeling 3 Ondersteuning

ART 139.

De Vlaamse Regering kent aan een academie van een goedgekeurd lokaal samenwerkingsinitiatief jaarlijks een puntenenveloppe en een werkingsbudget toe.
 

ART 140.

§ 1. Voor de door de Vlaamse Regering goedgekeurde lokale samenwerkingsinitiatieven wordt in het schooljaar 2019-2020 een totaal volume van 2938 punten en 100.333 euro werkingsmiddelen ter beschikking gesteld.

§ 2. In het schooljaar 2020-2021 bedraagt dit maximale volume 6303 punten en 200.667 euro werkingsmiddelen.

§ 3. In het schooljaar 2021-2022 bedraagt dit maximale volume 9686 punten en 301.000 euro werkingsmiddelen.

§ 4. Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het totale volume punten berekend aan de hand van de volgende formule :
P(X/X+1) = P(X-1/X) x y,
waarbij :
1° P(X/X+1) = het totale volume punten voor lokale samenwerkingsinitiatieven in het schooljaar waarin het aangewend wordt;
2° P(X-1/X) = het totale volume punten voor lokale samenwerkingsinitiatieven in het voorgaande schooljaar;
3° y = A/B,
waarbij :
a) A : de omkadering voor het deeltijds kunstonderwijs voor het schooljaar (XX-1/X);
b) B : de omkadering voor het deeltijds kunstonderwijs voor het schooljaar (X-2/X-1).

Daarbij wordt de omkadering telkens berekend conform artikel 68 tot en met 75.

§ 5. Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het globale volume werkingsmiddelen berekend aan de hand van de volgende formule :
W(X/X+1) = W(X-1/X) x z,
waarbij :
1° W(X/X+1) : het globale volume werkingsmiddelen voor lokale samenwerkingsinitiatieven in het schooljaar waarin ze aangewend worden;
2° W(X-1/X) : het globale volume werkingsmiddelen voor lokale samenwerkingsinitiatieven in het voorgaande schooljaar;
3° z = A/B,
waarbij :
A : de werkingsmiddelen voor het deeltijds kunstonderwijs die berekend worden voor het schooljaar (X-1/X);
B : de werkingsmiddelen voor het deeltijds kunstonderwijs voor het schooljaar (X-2/X-1).

Daarbij worden de werkingsmiddelen telkens berekend conform de bepalingen in artikel 83 tot en met 84.

De totaliteit van het volume aan punten wordt berekend conform artikel 140, § 4.
 

ART 141.

§ 1. Het puntenvolume per samenwerkingsinitiatief wordt bepaald door het aantal deelnemende leerlingen aan de leeractiviteiten te vermenigvuldigen met 0,6682.

Voor de berekening van het werkingsbudget per samenwerkingsinitiatief wordt het aantal deelnemende leerlingen vermenigvuldigd met 20,8 euro.

§ 2. Het maximale puntenvolume per samenwerkingsinitiatief bedraagt 35 punten.

Het maximale werkingsbudget per samenwerkingsinitiatief bedraagt 1059 euro.

Het globale volume aan werkingsmiddelen wordt berekend conform artikel 140, § 5.
 

ART 142.

De Vlaamse Regering bepaalt de puntenwaarden op basis waarvan de betrekkingen in het ambt van leraar worden georganiseerd. Dit aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent. De Vlaamse Regering legt de puntenwaarde vast volgens de salarisschaal.
 

ART 143.

Het personeelslid wordt altijd aangesteld als tijdelijk personeelslid.

De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 zijn van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen :
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering over terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling. Het schoolbestuur kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking. Die reaffectatie, wedertewerkstelling of tewerkstelling vindt altijd plaats met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid. De tewerkstelling wordt beschouwd als een wedertewerkstelling;
2° het schoolbestuur is niet verplicht om in die betrekking een personeelslid aan te stellen dat voorrang heeft voor een tijdelijke aanstelling of dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven overeenkomstig de bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschaps-onderwijs van 27 maart 1991 en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekking.
 

ART 144.

Zonder afbreuk te doen aan de principes dat een personeelslid wordt aangesteld in de academie waar de betrekking reglementair wordt georganiseerd, kunnen de personeelsleden, vermeld in artikel 143, worden ingezet in de scholen die deelnemen aan het lokale samenwerkingsinitiatief.

Hierbij moeten de volgende principes worden nageleefd :
1° het personeelslid wordt altijd aangesteld aan de academie waar de betrekking reglementair wordt georganiseerd;
2° de afstand tussen de hoofdvestigingsplaats van de academie van aanstelling en de school waar het personeelslid wordt ingezet, mag nooit meer dan 25 km bedragen. Dit geldt niet als het personeelslid ermee instemt om over een grotere afstand ingezet te worden;
3° er wordt altijd rekening gehouden met de conform dit decreet bepaalde statutaire toestand van het personeelslid.

De bepalingen over de inzetbaarheid, vermeld in het eerste en tweede lid, worden, met behoud van toepassing van artikel 20 van het decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en artikel 18 van het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, opgenomen in de overeenkomst, het besluit of het geschrift waarin de aanstelling wordt vastgesteld, en in de functiebeschrijving.
 

ART 145.

De ondersteuningsaanvraag van het lokaal samenwerkingsinitiatief wordt ingediend uiterlijk 1 maart van het kalenderjaar dat aan de start van het schooljaar waarin de samenwerking begint, voorafgaat.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere aanvraag- en gunningsprocedure en houdt daarbij rekening met de doelstellingen en de organisatievoorwaarden, vermeld in artikel 136 tot en met 138.

De Vlaamse Regering bepaalt de manier waarop de lokale samenwerkingsinitiatieven rapporteren over de manier waarop de ondersteuning ingezet wordt. De Vlaamse Regering beperkt zich daarbij tot het opvragen van een jaarlijks beknopt verslag en een steekproefsgewijze financiële controle op het einde van de samenwerking.
 

Afdeling 4 Kwaliteitszorg

ART 146.

De lokale samenwerkingsinitiatieven laten de controle door de onderwijsinspectie toe, zoals bepaald in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.
 

HOOFDSTUK 9 Zorgvuldig bestuur

ART 147.

Een schoolbestuur mag informatie verstrekken over het eigen opvoedings- en onderwijsaanbod, maar het mag geen oneerlijke concurrentie voeren.
 

ART 148.

Er mag in de academie geen politieke propaganda gevoerd worden en er mogen geen politieke activiteiten worden georganiseerd.

In afwijking van het eerste lid kunnen politieke activiteiten in de academie worden toegelaten buiten de periodes waarin er schoolactiviteiten zijn en buiten de periode van negentig dagen vóór een verkiezing. Personeelsleden en leerlingen wordt niet gevraagd of worden niet aangezet om aan die activiteiten deel te nemen. Het schoolbestuur kan niet betrokken worden bij de organisatie van een politieke activiteit en houdt rekening met het beginsel van gelijke behandeling bij de toepassing van deze bepaling.

In het eerste en tweede lid wordt verstaan onder politieke activiteiten : alle activiteiten die worden georganiseerd door politieke partijen of politieke mandatarissen van politieke partijen, van wie de standpunten en gedragingen niet in strijd zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
 

ART 149.

Een schoolbestuur kan handelsactiviteiten verrichten als die geen daden van koophandel zijn en als ze verenigbaar zijn met zijn onderwijsopdracht.
 

ART 150.

Een schoolbestuur dat sponsoring of mededelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen, toelaat, waakt erover dat :
1° leermiddelen die door het schoolbestuur verstrekt worden, vrij blijven van de voormelde mededelingen;
2° de activiteiten vrij blijven van de voormelde mededelingen, behalve als die mededelingen louter attenderen op het feit dat de activiteit of een gedeelte van de activiteit georganiseerd werd door middel van een gift, een schenking of een prestatie om niet of verricht onder reële prijs door een bij name genoemde natuurlijke persoon, rechtspersoon of feitelijke vereniging;
3° de sponsoring en de voormelde mededelingen niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de academie;
4° de sponsoring en de voormelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de academie niet in het gedrang brengen.
 

ART 151.

Vragen in verband met de toepassing van de beginselen van dit hoofdstuk en klachten in verband met inbreuken op die beginselen kunnen door iedere belanghebbende ingediend worden bij de Commissie zorgvuldig bestuur, vermeld in artikel V.21 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek.
 

HOOFDSTUK 10 Overgangs-, opheffings-, wijzigings- en inwerkingtredingsbepalingen

Afdeling 1 Overgangsbepalingen

ART 152.

Leerlingen die in het schooljaar 2017-2018 in dezelfde of een andere academie ingeschreven zijn en zich opnieuw inschrijven voor het schooljaar 2018-2019, worden ingeschreven in het domein, de graad, het leerjaar en de opleiding die in de nieuwe structuur overeenkomen met hetzelfde of het volgende leerjaar van de opleiding in de graad en de studierichting in de structuur van voor 1 september 2018, naargelang ze geslaagd waren of niet.

De Vlaamse Regering bepaalt welke opleidingen in de nieuwe structuur overeenkomen met welke opleidingen in de oude structuur.
 

ART 153.

In afwijking van artikel 69 heeft een academie voor de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad voor het schooljaar 2018-2019 recht op het aantal lestijden berekend volgens de omkaderingreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de lagere en middelbare graad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2018.

In afwijking van artikel 69 heeft een academie voor de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen voor het schooljaar 2018-2019 recht op het aantal lestijden berekend volgens de omkaderingsreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de hogere en specialisatiegraad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2018.

In afwijking van het eerste en tweede lid is de teldag voor domeinen in oprichting, waarvan de programmatie vóór 31 augustus 2018 van start is gegaan, 1 oktober 2018, als die teldag een hogere omkadering oplevert dan de teldag 1 februari 2018.

De omkadering toegekend volgens het eerste, tweede en derde lid kan aangewend worden overeenkomstig de bepalingen in artikel 76, 77, tweede lid, en 78.
 

ART 154.

Er worden voor de schooljaren 2019-2020, 2020-2021 en 2021-2022 additionele lestijden toegekend aan de academies die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 155.

Voor de berekening van de additionele lestijden bepaalt de Vlaamse Regering welke opleidingen in de nieuwe structuur vanaf 1 september 2018 overeenkomen met welke opleidingen in de oude structuur voor 1 september 2018.

De betrekkingen die worden georganiseerd op basis van de additionele lestijden, vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen.
 

ART 155.

§ 1. Voor het schooljaar 2019-2020 zijn er 783 additionele lestijden beschikbaar voor het geheel van de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad, hierna L genoemd, en 775 additionele lestijden voor het geheel van de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen, hierna H genoemd.

§ 2. De additionele lestijden voor het schooljaar 2019-2020 worden toegekend aan academies die voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° voor het geheel van de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad :
A - B > 0 lestijden,
waarbij :
1) A : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad berekend volgens de omkaderingreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de lagere en middelbare graad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2019;
2) B : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de eerste, tweede en derde graad, berekend volgens artikel 69 op 1 februari 2019;
2° voor het geheel van de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen :
C- D > 0 lestijden,
waarbij :
1) C : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen berekend volgens de omkaderingreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de hogere en specialisatiegraad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2019;
2) D : het aantal lestijden voor de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen, berekend conform artikel 69 op 1 februari 2019.

§ 3. Een academie die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, 1°, voor de eerste, tweede en derde graad, heeft voor het schooljaar 2019-2020 recht op Z lestijden. Z wordt berekend volgens de formule :
Z = q x w,
waarbij :
1° q : A - B,
waarbij :
a) A : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad berekend volgens de omkaderingsreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de lagere en middelbare graad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2019;
b) B : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de eerste, tweede en derde graad, berekend conform artikel 69 op 1 februari 2019;
2° w = L/y,
waarbij :
y : de som van de resultaten van A - B voor alle academies waarvoor A - B > 0, waarbij :
1) A : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad berekend volgens de omkaderingreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de lagere en middelbare graad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2019;
2) B : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de eerste, tweede en derde graad, berekend volgens artikel 69 op 1 februari 2019;
3° Z gelijk wordt gesteld met q, als Z groter is dan q.

§ 4. Een academie die voldoet aan de voorwaarden in § 2, 2°, heeft voor het schooljaar 2019-2020 recht op Z lestijden. Z wordt berekend volgens de formule :
Z = q x w,
waarbij :
1° q = C - D,
waarbij :
a) C : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen berekend volgens de omkaderingreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de hogere en specialisatiegraad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2019;
b) D : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen, berekend conform artikel 69 op 1 februari 2019;
2° waarbij w= H/y,
waarbij :
y : de som van de resultaten van C - D voor alle academies waarvoor C - D > 0, waarbij :
1) C : het aantal lestijden van de betrokken academie voor de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen berekend volgens de omkaderingreglementering die in het schooljaar 2017-2018 van toepassing was op de hogere en specialisatiegraad en het aantal financierbare leerlingen in die graden op 1 februari 2019;
2) D : het aantal lestijden voor de structuuronderdelen van de vierde graad en de kortlopende studierichtingen, berekend conform artikel 69 op 1 februari 2019;
3° Z gelijk wordt gesteld met q, als Z groter is dan q.

§ 5. Een academie die voldoet aan de voorwaarden in paragraaf 2 heeft voor het schooljaar 2020-2021 recht op 50/100 van Z lestijden, berekend conform paragraaf 3 en 4.
Een academie die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, heeft voor het schooljaar 2021-2022 recht op 7/100 van Z lestijden berekend conform paragraaf 3 en 4.

§ 6. De resultaten van de berekeningen, vermeld in paragraaf 3, 4 en 5, worden afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier en naar het lagere geheel getal als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier.
 

ART 156.

 In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een academie het structuuronderdeel beeldende en audiovisuele cultuur organiseren in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad beeldende kunst organiseerde. Dit structuuronderdeel dient naargelang van toepassing te voldoen aan de rationalisatienormen vermeld in artikel 127 of 128.

In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een academie het structuuronderdeel danscultuur organiseren in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad dans organiseerde. Dit structuuronderdeel dient naargelang van toepassing te voldoen aan de rationalisatienormen vermeld in artikel 127 of 128.

In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een schoolbestuur het structuuronderdeel woordkunst- en dramacultuur organiseren in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad woordkunst organiseerde. Dit structuuronderdeel dient te voldoen aan de rationalisatienormen vermeld in artikel 127 of 128.

In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een schoolbestuur de structuuronderdelen muziekcultuur en muziekgeschiedenis organiseren in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad muziekgeschiedenis organiseerde. Dit structuuronderdeel dient te voldoen aan de rationalisatienormen vermeld in artikel 127 of 128.

In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een schoolbestuur van een academie die het domein beeldende en audiovisuele kunsten organiseert zonder de eerste, tweede en derde graad het structuuronderdeel derde graad voor volwassenen organiseren. Dit structuuronderdeel dient te voldoen aan de rationalisatienormen vermeld in artikel 127 of 128.
 

ART 157.

Op programmaties die vóór 31 augustus 2018 van start gegaan zijn, blijven de toen geldende programmatievoorwaarden van toepassing.
 

ART 158.

§ 1. De tijdelijke projecten regionale netwerken voor expertise-uitwisseling inzake kunst- en cultuureducatie worden onder dezelfde voorwaarden als vermeld in artikel II.54 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, verlengd tot 31 augustus 2019.

§ 2. De tijdelijke projecten, vermeld in artikel II.55, 3° en 10°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, worden met ongewijzigde voorwaarden verlengd tot 31 augustus 2019.

§ 3. De tijdelijke projecten inzake kunstinitiatie voor kansarme en/of allochtone minderjarigen die de onderwijsinspectie in haar eindevaluatie gunstig beoordeelt worden onder dezelfde voorwaarden als vermeld in artikel IV.46 tot en met IV.51 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, verlengd tot 31 augustus 2019.
 

Afdeling 2 Opheffingsbepalingen

ART 159.

Artikel II.1 tot en met II.60 van deel II van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, met uitzondering van artikel II.54, worden opgeheven.

Artikel II.54 en artikel IV.46 tot en met IV.51 van hetzelfde besluit worden op 31 augustus 2019 opgeheven.
 

ART 160.

De uitvoeringsbesluiten die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet van kracht zijn, blijven van toepassing tot ze door de steller ervan worden opgeheven.
 

Afdeling 3 Wijzigingsbepalingen

ART 161.

In artikel V.27, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs worden de woorden "en het deeltijds kunstonderwijs" opgeheven.
 

Afdeling 4 Inwerkingtreding

ART 162.

De bepalingen van dit decreet treden in werking op 1 september 2018, met uitzondering van de bepalingen, vermeld in artikel 97 tot en met 135, die in werking treden op de dag van de publicatie in het Belgisch Staatsblad.

De bepalingen, vermeld in artikel 10 tot en met 25, treden in werking de dag van de publicatie in het Belgisch Staatsblad, in de mate dat dit noodzakelijk is voor de toepassing van artikel 97 tot en met 135.

BIJLAGE 1

BIJLAGE Bijlage

Indicatief Naam Fusiegemeente
BKANDERLECHT Academie Beeldende Kunsten van het Gemeenschapsonderwijs Anderlecht
BKANTWERPENKASK Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Deeltijds Kunstonderwijs Antwerpen
BKARENDONK Gemeentelijke Academie voor Schone Kunsten Arendonk
BKBERCHEM Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten Berchem & Instituut Roger Avermaete Antwerpen
BKDENDERMONDE Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Dendermonde
BKEEKLO Stedelijke Academie voor Schone Kunsten Eeklo
BKETTERBEEK Academie Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap (RHOK) Etterbeek
BKGENTSABK Academie voor Beeldende Kunst Gent
BKGENTSINTLUCAS Sint-Lucasacademie Gent
BKHERENTALS Stedelijke Academie voor Beeldende Kunst Herentals
BKHOBOKEN Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten Antwerpen
BKHOOGSTRATEN Instituut voor Kreatieve Opvoeding Hoogstraten
BKMECHELENIKA Instituut voor Kunst en Ambacht van het Gemeenschapsonderwijs Mechelen
BKMOL Gemeentelijke Academie voor Beeldende Kunsten Mol
BKSCHAARBEEK Sint-Lukasacademie Schaarbeek

 

BIJLAGE 2

BIJLAGE Bijlage

Indicatief Naam Brusselvoordeel in lestijden/uren-leraar (2016-2017)
BKANDERLECHT Academie Beeldende Kunsten van het Gemeenschapsonderwijs 12
BKETTERBEEK Academie Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap (RHOK) 12
BKSCHAARBEEK Sint-Lukasacademie 3
MANDERLECHT Muziekacademie Anderlecht 91
MBRUSSEL Hoofdstedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans 87
METTERBEEK Muziekacademie van het Gemeenschapsonderwijs Etterbeek 46
MJETTE Jetse Academie Muziek - Woord - Dans 45
MSCHAARBEEKMAGO Muziekacademie Schaarbeek J. H. Fiocco 82
MSINTAGATHABERCHEM Academie Voor Muziek En Woord Sint-Agatha-Berchem 115
MSINTLAMBRECHTSWOLUWE Gemeentelijke academie voor muziek en woord Sint-Lambrechts-Woluwe 96
MSINTPIETERSWOLUWE Gemeentelijke muziekacademie van Sint-Pieters-Woluwe 72