Decreet betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding

  • goedkeuringsdatum
    27/04/2018
  • publicatiedatum
    B.S.25/06/2018
  • zie ook
  • datum laatste wijziging
    30/12/2019

COORDINATIE

(1) Decr. van 15/03/2019 (B.S. 08/05/2019) detail
Decreet tot uitvoering van maatregelen betreffende het onderwijs uit cao XI vanaf het schooljaar 2019-2020
;

(2) Decr. van 05/04/2019 (B.S. 24/06/2019) detail
Decreet betreffende het Onderwijs XXIX
;

(3) Decr. van 20/12/2019 (B.S. 30/12/2019) detail
programmadecreet bij de begroting 2020
;

Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt:

HOOFDSTUK 1. — Inleidende bepaling en definities

Artikel 1.

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2.

In dit decreet wordt verstaan onder:

1° bestuur: een of meer bestuursorganen die voor de centra voor leerlingenbegeleiding de bestuurshandelingen verrichten overeenkomstig de bevoegdheden die naargelang het geval, door of krachtens de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten, naargelang het geval, toegewezen zijn;

2° brede basiszorg: fase in het zorgcontinuüm zoals gedefinieerd in punt 8°quater van artikel 3 van het decreet basisonderwijs en in punt 9°/1 van artikel 3 van de Codex Secundair Onderwijs;

3° centrum: een centrum voor leerlingenbegeleiding. Bij het nemen van bestuurshandelingen wordt daarmee het bestuur van het centrum bedoeld;

4° centrumnet: de centra opgedeeld, volgens hun inrichtend bestuur, in de volgende driedeling:

a) centrum van het gemeenschapsonderwijs: een centrum dat opgericht is door een scholengroep van het gemeenschapsonderwijs en dat in aanmerking komt voor financiering door de Vlaamse Gemeenschap;

b) gesubsidieerd officieel centrum: een centrum dat opgericht is door andere publiekrechtelijke rechtspersonen dan het gemeenschapsonderwijs en dat in aanmerking komt voor subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;

c) gesubsidieerd vrij centrum: een centrum dat opgericht is door privaatrechtelijke rechtspersonen en dat in aanmerking komt voor subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;

5° doorlichting: de externe evaluatie van de werking van een school of een centrum;

6° gemeenschappelijk curriculum: gemeenschappelijk curriculum zoals bepaald in artikel 3, 17°bis, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 3, 14°/1, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;

7° gesubsidieerd centrum: een centrum van het vrij onderwijs of van het officieel onderwijs, met uitzondering van het gemeenschapsonderwijs, dat voldoet aan de voorwaarden om door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerd te worden, vermeld in dit decreet;

8° gewogen leerlingenaantal: het aantal leerlingen van een centrum berekend conform afdeling 6 van dit decreet;

9° gezondheid: een toestand van lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden bij de mens zoals bepaald in het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid;

10° inspectie: de onderwijsinspectie vermeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;

11° kernactiviteit: een aangeduide hulpactiviteit van het centrum als instrument om de opdrachten uit te voeren:

a) signaalfunctie: indien het centrum noden vaststelt in de leerlingenpopulatie of een probleem of onregelmatigheid vaststelt in het beleid op leerlingenbegeleiding brengt het centrum de school hiervan op de hoogte;

b) consultatieve leerlingenbegeleiding: een centrum biedt versterking aan de school bij problemen van individuele leerlingen of groepen van leerlingen;

c) onthaal: het centrum beluistert het aanmeldingssignaal;

d) vraagverheldering: het centrum werkt samen met de hulpvrager of een betrokken dienst, om de problemen van een leerling systematisch in kaart te brengen en te verkennen welke mogelijke activiteiten ingezet kunnen worden;

e) begeleiding: het centrum versterkt de leerling bij het omgaan met een problematische situatie, die weegt op de schoolcontext, door samen met hem op zoek te gaan naar oplossingen;

f) handelingsgerichte diagnostiek: een cyclisch zoek- en beslissingsproces van het centrum waarbij informatie over het individu en zijn omgeving wordt verzameld, geïntegreerd en afgewogen met als doel de problemen, de onderwijsnoden of de hulpvragen te objectiveren, te analyseren en te verklaren met het oog op adequate advisering voor het handelen. Voor de analyse wordt gebruikgemaakt van wetenschappelijk verantwoorde methoden, en als die voorhanden zijn, van vastgelegde standaarden. Bij leerlingen met een specifieke onderwijsgerelateerde behoefte wordt een handelingsgericht advies gegeven over ondersteunende maatregelen in onderwijs al of niet geformaliseerd als vermeld in de onderwijsregelgeving. Het proces verloopt volgens een systematische procedure, in samenwerking met de leerlingen, de ouders en de school met aandacht voor positieve kenmerken en met aandacht voor de wisselwerking en wederzijdse beïnvloeding van het individu en de omgeving;

g) handelingsgericht advies: het centrum geeft advies aan de leerling, de ouders of het schoolteam over keuzemogelijkheden en gedragsalternatieven of eventueel bepaalde hulp;

h) draaischijffunctie: het centrum zet deze activiteit in als het aanbod van een centrum ontoereikend is. In dat geval wordt de leerling op basis van een indicatiestelling van een centrum doorverwezen naar een schoolextern aanbod. Het centrum zorgt hierbij – in gedeelde verantwoordelijkheid met het schoolextern aanbod – voor een warme toeleiding naar het schoolextern aanbod en terugkoppeling van het extern aanbod naar de school in functie van een afstemming op het onderwijstraject en de leerlingenbegeleiding. Het centrum werkt hiervoor samen met relevante partners;

12° leerplicht: de leerplicht vermeld in artikel 1 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht;

13° lokaal comité: het lokale overleg- of onderhandelingsorgaan dat bevoegd is voor de arbeidsvoorwaarden en de personeelsaangelegenheden;

14° leerling: een leerling in het basis- of secundair onderwijs en het stelsel leren en werken;

15° leerlingenbegeleiding: een geheel van preventieve en begeleidende maatregelen. Leerlingenbegeleiding situeert zich op vier domeinen: de onderwijsloopbaan, leren en studeren, psychisch en sociaal functioneren en preventieve gezondheidszorg. De maatregelen vertrekken steeds vanuit een geïntegreerde en holistische benadering voor de vier begeleidingsdomeinen en dit vanuit een continuüm van zorg;

16° ouders: de personen die het ouderlijke gezag uitoefenen of in rechten of in feiten de minderjarige onder hun bewaring hebben zoals vermeld in artikel 3, 41°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 3, 32°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;

17° regelmatige leerling: een regelmatige leerling zoals vermeld in artikel 20 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 252, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;

18° school: een pedagogisch geheel in het basis- of secundair onderwijs of in het stelsel van leren en werken onder leiding van één directeur als vermeld in artikel 3, 49°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, of artikel 3, 38°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;

19° schooljaar: de periode van 1 september tot en met 31 augustus;

20° systematisch contact: een periodiek contact waarop de leerling en het centrum in persoon samenzitten en er een uniform aanbod voor populaties of doelgroepen wordt voorzien ter uitvoering van het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg;

21° uitbreiding van zorg: fase in het zorgcontinuüm zoals gedefinieerd in punt 53°bis van artikel 3 van het decreet basisonderwijs en in punt 44°/1 van artikel 3 van de Codex Secundair Onderwijs;

22° verhoogde zorg: fase in het zorgcontinuüm zoals vermeld in artikel 3, 55°bis, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, of artikel 3, 45°/1, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;

23° zorgcontinuüm: de opeenvolging van fasen van zorg in de organisatie van de onderwijsomgeving, vermeld in artikel 3, 59°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 3, 47°/2, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.

Art. 3.

Dit decreet is, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde basis- en secundaire scholen en centra voor leerlingenbegeleiding.

HOOFDSTUK 2. — Leerlingenbegeleiding door de centra voor leerlingenbegeleiding

Afdeling 1. — Opdrachtsverklaring

Art. 4.

§1. Centra hebben de opdracht leerlingen te begeleiden in hun functioneren op school en in de maatschappij. Het centrum biedt hiervoor kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding aan. Kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding bevordert de totale ontwikkeling van alle leerlingen, verhoogt hun welbevinden, voorkomt vroegtijdig schoolverlaten en creëert meer gelijke onderwijskansen. Op die manier draagt het bij tot het functioneren van de leerling in de schoolse én maatschappelijke context.

§ 2. Het begeleidingsdomein onderwijsloopbaan heeft tot doel de leerling te ondersteunen om voldoende zelfkennis te ontwikkelen, om inzicht te verwerven in de structuur van en de mogelijkheden binnen het onderwijs, een opleiding en de arbeidsmarkt en om adequate keuzes te leren maken op school en daarbuiten.

Het begeleidingsdomein leren en studeren heeft tot doel het leren van de leerling te optimaliseren en het leerproces te bevorderen door leer- en studeervaardigheden te ondersteunen en te ontwikkelen.

Het begeleidingsdomein psychisch en sociaal functioneren heeft tot doel het welbevinden van de leerling te bewaken, te beschermen en te bevorderen waardoor de leerling op een spontane en vitale manier tot leren kan komen en zich kan ontwikkelen tot een veerkrachtige volwassene.

Het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg heeft tot doel de gezondheid, groei en ontwikkeling van leerlingen te bevorderen en te beschermen, het groei- en ontwikkelingsproces op te volgen en tijdig risicofactoren, signalen, symptomen van gezondheids- en ontwikkelproblemen te detecteren.

Voor het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg omvat dit minimaal voor de centra het volgende:

1° het organiseren van systematische contacten. De Vlaamse Regering bepaalt de frequentie en de inhoud van de systematische contacten;

2° het aanbieden van vaccinaties om het ontstaan en de verspreiding van sommige besmettelijke ziekten tegen te gaan. De Vlaamse Regering legt het vaccinatieschema vast;

3° waar nodig het nemen van profylactische maatregelen om de verspreiding van besmettelijke ziekten tegen te gaan. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor de nadere regels.

§ 3. Het centrum kan tegen vergoeding opdrachten aanvaarden van andere personen dan de leerling, de ouders en de school. De uitvoering van die opdrachten mag in geen geval leiden tot een verminderde verwezenlijking of het in gevaar brengen van de realisatie van de opdrachten voor de leerling, de ouders en de school.

§ 4. De Vlaamse Regering kan de verdere operationalisering van de opdracht van de centra voor leerlingenbegeleiding bepalen.

Art. 5.

Voor het realiseren van zijn opdracht, vermeld in artikel 4, kan het centrum de volgende kernactiviteiten inzetten: signaalfunctie, consultatieve leerlingenbegeleiding, onthaal, vraagverheldering, handelingsgerichte diagnostiek, handelingsgericht advies, begeleiding en draaischijffunctie.

Ter versterking van de brede basiszorg van de school zet het centrum de kernactiviteit signaalfunctie in.

Ter versterking van de verhoogde zorg van de school zet het centrum de kernactiviteit consultatieve leerlingenbegeleiding in.

In de fase uitbreiding van zorg bespreekt het centrum met de school en de leerling de hulpvraag en bepaalt het centrum handelingsgericht welke kernactiviteit het zal inzetten om de hulpvraag te beantwoorden.

De Vlaamse Regering kan de verdere operationalisering van de kernactiviteit draaischijffunctie bepalen.

Art. 6.

§1. Centra begeleiden alle leerlingen, die ingeschreven zijn in een school die de Vlaamse Gemeenschap erkent, financiert of subsidieert.

§ 2. Als een leerling van school verandert, behoudt het centrum zijn bevoegdheid en verantwoordelijkheid voor die leerling tot de leerling is ingeschreven in een andere school. Als een leerling tijdens een bepaalde periode niet ingeschreven is in een school, behoudt het centrum zijn bevoegdheid en verantwoordelijkheid voor die leerling tot het einde van de periode van niet-inschrijving.

§ 3. In het kader van de controle op de leerplicht begeleiden de centra in afwijking van paragraaf 1 ook leerplichtigen die, behalve in geval van huisonderwijs, niet zijn ingeschreven in een school als vermeld in paragraaf 1, of die zijn ingeschreven maar die de school niet regelmatig bezoeken. Die begeleiding heeft tot doel leerplichtigen opnieuw in te schakelen in het onderwijsproces zodat ze opnieuw voldoen aan de bepalingen over de leerplicht.

§ 4. Leerplichtigen die huisonderwijs volgen, kunnen zich, al dan niet samen met hun ouders, aanmelden bij een centrum voor de kernactiviteiten onthaal en vraagverheldering.

Leerplichtigen die huisonderwijs volgen, waarvoor een verklaring huisonderwijs moet ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering, kunnen zich, al dan niet samen met hun ouders, aanmelden bij een centrum voor vaccinaties. [2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
...2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
]

Leerplichtigen die huisonderwijs volgen, waarvoor een verklaring huisonderwijs moet ingediend worden bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering, zijn verplicht deel te nemen aan de systematische contacten die een centrum organiseert, en melden zich daarvoor aan. Deze leerplichtigen en hun ouders kunnen zich niet verzetten tegen de uitvoering van systematische contacten, maar wel tegen de uitvoering ervan door een bepaalde medewerker van een centrum. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het voormelde verzet.

In afwijking van artikel 2, 16°, geldt voor het tweede en derde lid volgende definitie voor ouders: de personen die titularis zijn van het ouderlijk gezag of, bij ontstentenis van deze personen, de wettelijke vertegenwoordiger.

De organisator van huisonderwijs voor leerplichtigen die huisonderwijs volgen, is verplicht mee te werken aan de profylactische maatregelen die een centrum neemt bij besmettelijke ziekten. Het gaat daarbij over zij die een verklaring huisonderwijs indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering, waarbij het huisonderwijs wordt georganiseerd voor twee of meer leerplichtige kinderen samen en waarbij de plaats waar het huisonderwijs wordt georganiseerd verschilt van het domicilie adres van de leerplichtigen.

De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering brengen de leerplichtigen in huisonderwijs, waarvoor de ouders een verklaring huisonderwijs moeten indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering, en hun ouders op de hoogte van hun rechten en plichten met betrekking tot bovenstaande aspecten van leerlingenbegeleiding.

Een centrum ontvangt specifieke werkingsmiddelen voor de uitvoering van een systematisch contact en vaccinatie bij leerplichtigen in huisonderwijs zoals bepaald in het tweede en het derde lid. Deze werkingsmiddelen worden berekend op basis van het aantal leerplichtigen in huisonderwijs die een systematisch contact of vaccinatie laten uitvoeren door een centrum. De Vlaamse Regering bepaalt de grootorde van deze werkingsmiddelen en hoe de middelen worden toegekend.

Afdeling 2. — Werking

Art. 7.

Het centrum werkt vanuit een centrumbeleid op leerlingenbegeleiding. Dat beleid komt participatief tot stand, is afgestemd op de noden van de leerlingenpopulatie en de context waarin het centrum zich bevindt en respecteert het pedagogisch project van de scholen waarmee het samenwerkt. Het centrum implementeert dat centrumbeleid op leerlingenbegeleiding, evalueert het participatief, cyclisch en betrouwbaar vanuit de resultaten en effecten van de werking, en stuurt het bij als dat nodig is. Het centrum voert een professionaliseringsbeleid ter versterking ervan.

Bij de opmaak en evaluatie van het centrumbeleid op leerlingenbegeleiding vraagt het centrum ondersteuning aan de pedagogische begeleidingsdienst, permanente ondersteuningscel of een andere externe dienst.

Art. 8.

Het centrum werkt:

1° onafhankelijk en stelt het belang van de leerling centraal;

2° leerling- en schoolnabij;

3° kosteloos voor de leerling, de ouders en de school;

4° subsidiair;

5° multidisciplinair;

6° binnen de regels van het beroepsgeheim en ontwikkelt een deontologische code die het onafhankelijke optreden van de personeelsleden waarborgt;

7° met respect voor het pedagogisch project van de school;

8° netoverstijgend samen.

Art. 9.

. § 1. Het centrum werkt vraaggestuurd vertrekkende van vastgestelde noden, vragen van de leerling, de ouders of de school. De leerling en de ouders zijn daarbij de cliënten van het centrum, de school is een partner.

§ 2. Een centrum zet de individuele leerlingenbegeleiding alleen verder als de betrokken bekwame leerling daarmee akkoord gaat of de ouders van de niet bekwame leerling daarmee akkoord gaan.

Leerlingen en ouders kunnen zich niet verzetten tegen:

1° de uitvoering van een systematische contact, noch tegen de profylactische maatregelen die een centrum neemt, vermeld in artikel 4, § 2;

2° de leerplichtbegeleiding van het centrum vermeld in artikel 6, § 3;

3° het inzetten van de signaalfunctie en de consultatieve leerlingenbegeleiding door het centrum.

De ouders of de bekwame leerling kunnen zich verzetten tegen de uitvoering van een systematisch contact door een bepaalde medewerker van het centrum. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het voormelde verzet.

Leerlingen kunnen zich, al dan niet samen met hun ouders, aanmelden bij een centrum voor vaccinaties. [2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
...2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
]

In afwijking van artikel 2, 16°, geldt voor het derde en vierde lid volgende definitie voor ouders: de personen die titularis zijn van het ouderlijk gezag of, bij ontstentenis van deze personen, de wettelijke vertegenwoordiger.

Voor de toepassing van dit artikel wordt het begrip bekwaamheid gehanteerd zoals gedefinieerd in artikel 4 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp.

Art. 10.

De centra voor leerlingenbegeleiding verwerken gegevens van medische, somatische, psychologische, pedagogische en sociale aard in functie van de vier begeleidingsdomeinen, vermeld in artikel 4, § 2. De gegevens worden geregistreerd in het multidisciplinair dossier. Zodra een leerling een eerste keer ingeschreven is in een school wordt één multidisciplinair dossier aangemaakt.

Het multidisciplinaire dossier omvat:

1° alle gegevens van de leerling die de medewerkers van het centrum nodig hebben in het kader van hun opdracht leerlingenbegeleiding;

2° de gegevens die Kind en Gezin vanuit het kinddossier ter beschikking stelt waartegen de ouders zich niet verzetten;

3° in voorkomend geval de dossiers die de PMS- en MST-centra hebben overgedragen;

4° een chronologisch overzicht van alle contacten met en tussenkomsten bij de betrokken leerling, met vermelding van de aard van de tussenkomst en de naam van de betrokken medewerker van het centrum.

De opmaak, de bewaring en het gebruik van persoonsgegevens en van de persoonsgegevens die op de gezondheid betrekking hebben in het multidisciplinaire dossier zijn onderworpen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de [2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
] ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en betreffende de rechten van de patiënt.

Zodra een leerplichtige die huisonderwijs volgt zich aanmeldt bij een centrum of zodra zijn ouders zich aanmelden bij een centrum, maakt het centrum één multidisciplinair dossier aan indien er voor de leerling nog geen dossier is.

De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de samenstelling, de toegang en de overdracht van gegevens uit het dossier, het bewaren en de vernietiging van het dossier

Art. 11.

Het centrum is gesloten van 15 juli tot en met 15 augustus, op zaterdagen en zondagen en op de wettelijke en decretale feestdagen. Het centrum is ook gesloten van 25 december tot en met 1 januari.

Het centrum kiest buiten de verplichte periode van sluiting, vermeld in het eerste lid, maximaal veertien kalenderdagen waarop het gesloten is, na onderhandeling in het lokaal comité en afgestemd met de sluiting van de andere centra in de netoverstijgende regionale ondersteuningscel waarbij er in de regio ten minste steeds één centrum open is. Het centrum deelt de voormelde bijkomende sluitingsdagen mee aan de leerlingen, de ouders, de scholen en de schoolexterne diensten waarmee het samenwerkt.

Het centrum bepaalt zelf, na onderhandeling in het lokaal comité, zijn openingsuren tussen 7 uur ’s morgens en 21 uur ’s avonds. Het garandeert daarbij een vlotte en toegankelijke dienstverlening. Het centrum deelt die openingsuren mee aan de leerlingen, de ouders en de scholen en de schoolexterne diensten waarmee het samenwerkt.

Als het centrum open is, zorgt het ervoor dat minimaal de kernactiviteiten onthaal, vraagverheldering, de draaischijffunctie en informatieverstrekking in functie van onderwijsloopbaanbegeleiding ingezet kunnen worden.

Art. 12.

§ 1. Een centrum mag informatie verstrekken over de eigen kernactiviteiten, maar het mag geen oneerlijke concurrentie voeren.

§ 2. Er mag in een centrum geen politieke propaganda gevoerd worden en er mogen geen politieke activiteiten worden georganiseerd.

In afwijking van het eerste lid kunnen politieke activiteiten in een centrum worden toegelaten buiten de periodes waarin er centrumactiviteiten plaatsvinden en buiten de periode van negentig dagen die voorafgaat aan een verkiezing. Personeelsleden en leerlingen worden niet gevraagd of aangezet om aan die activiteiten deel te nemen. Het centrumbestuur kan niet betrokken worden bij de organisatie van een politieke activiteit en houdt rekening met het beginsel van gelijke behandeling bij de toepassing van deze bepaling.

In deze paragraaf wordt verstaan onder politieke activiteiten: alle activiteiten die worden georganiseerd door politieke partijen of politieke mandatarissen van politieke partijen, waarvan de standpunten en gedragingen niet in strijd zijn met het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.

§ 3. Een centrum kan handelsactiviteiten verrichten als die activiteiten geen daden van koophandel zijn en als die activiteiten verenigbaar zijn met zijn opdracht.

§ 4. Een centrum dat sponsoring of mededelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks tot doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen, toelaat, waakt erover dat:

1° materialen die het verstrekt, vrij blijven van de voormelde mededelingen;

2° diensten vrij blijven van de voormelde mededelingen, behalve als die mededelingen louter attenderen op het feit dat de dienst of een gedeelte van de dienst opgericht is met een gift, een schenking of een prestatie om niet of verricht is onder de reële prijs door een bij name genoemde natuurlijke persoon, rechtspersoon of feitelijke vereniging;

3° sponsoring en de voormelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de opdracht en doelstellingen van het centrum;

4° sponsoring en de voormelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van het centrum niet in het gedrang brengen.

Art. 13.

Vragen over de toepassing van de werkingsbeginselen, vermeld in artikel 8, 3°, en artikel 12 van dit decreet, en klachten over inbreuken op die werkingsbeginselen kunnen door iedere belanghebbende ingediend worden bij de Commissie Zorgvuldig Bestuur, vermeld in deel VII van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016.

Afdeling 3. — Samenwerking met scholen en tussen centra

Art. 14.

§ 1. Het centrum en de school maken afspraken over de schoolspecifieke samenwerking en leggen die vast. De school neemt daarvoor het initiatief. De Vlaamse Regering bepaalt welke samenwerkingsafspraken een school en een centrum minstens vastleggen.

Het centrum deelt relevante informatie over de leerlingen in begeleiding met de school. De school deelt relevante informatie die in de school aanwezig is over de leerlingen met het centrum. Leerlingen of de ouders van niet-bekwame leerlingen dienen hun toestemming te geven bij het doorgeven van de informatie verzameld door het centrum voor leerlingenbegeleiding. Bij het doorgeven en het gebruik van deze informatie gelden de regels inzake het ambts- en beroepsgeheim, de deontologie en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Voor de toepassing van dit artikel wordt het begrip bekwaamheid gehanteerd zoals gedefinieerd in artikel 4 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp.

§ 2. De samenwerking tussen een centrum en een school loopt voor onbepaalde duur en start in het begin van een schooljaar. Op basis van een evaluatie van de samenwerking kunnen de samenwerkingsafspraken in onderling overleg worden bijgestuurd.

De samenwerking tussen een centrum en een school kan door het centrum of de school worden stopgezet. Bij stopzetting van de samenwerking deelt het centrum of de school tegen uiterlijk 31 december, aan respectievelijk de school of het centrum mee dat de samenwerking wordt beëindigd. De samenwerking wordt stopgezet met ingang van het daaropvolgende schooljaar. Bij stopzetting van de samenwerking op initiatief van het centrum zal het de dienstverlening blijven verlenen tot de school een samenwerking met een ander centrum heeft vastgelegd. De dienstverlening blijft daarbij gegarandeerd tot het einde van hetzelfde schooljaar en maximaal voor de periode van het daarop volgende volledige schooljaar.

§ 3. Uiterlijk op 31 maart voorafgaand aan het schooljaar waarop een gewijzigde samenwerking ingaat, deelt elk centrum aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering mee met welke scholen het centrum zal samenwerken.

§ 4. Als een centrum en een school niet tot afspraken over een samenwerking komen, meldt de school dat aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten voor de bemiddeling en de samenstelling van de bemiddelingscommissie.

Art. 15.

Het centrum krijgt ondersteuning van de permanente ondersteuningscel in de ontwikkeling als professionele organisatie.

De permanente ondersteuningscellen werken samen in een netoverstijgende regionale ondersteuningscel.

De netoverstijgende regionale ondersteuningscel opgericht door de permanente ondersteuningscellen zet minimaal in op professionalisering voor de thema’s, zoals bepaald voor de netoverstijgende regionale ondersteuningscellen in artikel 16, § 2.

Art. 16.

§ 1. Om specifieke deskundigheid maximaal aan te wenden, kunnen twee of meer centra samenwerken in een regionale ondersteuningscel die reeds net-overstijgend kan zijn.

§ 2. Om specifieke deskundigheid maximaal aan te wenden, werken alle centra binnen eenzelfde regio samen in een netoverstijgende regionale ondersteuningscel. De Vlaamse Regering bepaalt in overleg met alle directeurs van de centra voor leerlingenbegeleiding de regio’s hiertoe. De netoverstijgende regionale ondersteuningscel is bevoegd om afspraken te maken over:

1° de werking van de cel rond minimaal volgende thema’s:

a) afstemmen van de bereikbaarheid, openingstijden en permanentiebezetting in alle centra van de regio;

b) bundelen van expertise in verband met kansarmoede met het oog op doelgerichte communicatie, efficiënte organisatie en een accurate begeleiding van leerlingen in kansarmoede in de regio;

c) aanspreekpunt voor de leerlingen huisonderwijs die zich aanmelden voor een verplicht systematisch contact. De netoverstijgende regionale ondersteuningscel informeert de leerlingen huisonderwijs over de werking van de centra voor leerlingenbegeleiding in de regio en faciliteert het contact tussen de leerling huisonderwijs en het centrum van zijn voorkeur voor de uitvoering van het systematisch contact;

d) praktische coördinatie van de systematische contacten en vaccinaties opdat die doorgaan in de infrastructuur die het dichtstbij de school ligt en voldoet aan de bepaling omschreven in artikel 19, 3°;

e) spijbelproblematiek in de regio in kaart brengen en in samenwerking met regionale actoren een doelgericht plan van aanpak opmaken en uitvoeren om spijbelen en vroegtijdig schoolverlaten tegen te gaan;

f) leerlingen opvolgen met een schoolcarrière die zich kenmerkt door veelvuldig spijbelen, uitsluitingen, schorsingen en schoolwissels, met het oog op het afronden van het secundair onderwijs met een onderwijskwalificatie;

g) bemiddelend optreden en herstelgericht werken wanneer de communicatie tussen de leerling, de ouders en de school vastloopt en uitsluiting, schorsing of schooluitval dreigt. De netoverstijgende regionale ondersteuningscel treedt op als derde neutrale actor die bijdraagt tot conflictoplossing;

h) objectieve informatieverstrekking over de structuur en de organisatie van het Vlaamse onderwijslandschap op scharniermomenten van alle leerlingen uit de regio;

i) bundelen van expertise rond radicalisering en binnen de regio werken rond deradicalisering waar nodig.

De Vlaamse Regering kan bijkomende thema’s bepalen;

2° de aanwending van de personeelsomkadering waarover de cel beschikt en het personeelsbeleid van de cel, meer bepaald over de criteria voor het aanwerven, de inzetbaarheid, het functioneren en evalueren van personeelsleden;

3° de aanwending van het werkingsbudget, bestemd voor logistieke en materiële ondersteuning, waarover de cel beschikt;

4° de interne kwaliteitszorg van de cel.

Binnen de beschikbare begrotingskredieten kent de Vlaamse Regering jaarlijks middelen toe voor de personeelsomkadering en het werkingsbudget van de netoverstijgende regionale ondersteuningscellen. Deze middelen worden berekend en toegekend per centrum zoals bepaald in artikel 41. Het centrum draagt vervolgens de middelen over aan de cel waartoe het behoort.

Bij de doorlichting van een centrum wordt ook de netoverstijgende regionale ondersteuningscel waaraan het deelneemt betrokken.

[2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019

§ 3. De centra maken netoverstijgend afspraken om onafhankelijke bemiddeling mogelijk te maken voor leerlingen of ouders over het ondersteuningsaanbod in functie van de leerling met specifieke onderwijsbehoeften.

De bemiddeling wordt ingezet op verzoek van leerlingen of ouders als ze klachten hebben over:

1° redelijke aanpassingen door de school;

2° ondersteuning door het ondersteuningsnetwerk of een school voor buitengewoon onderwijs;

3° een gemotiveerd verslag of een verslag door het centrum.

De bemiddeling kan alleen ingezet worden als de leerling of de ouders de klacht eerst rechtstreeks met de betrokken medewerker van het centrum hebben besproken:

1° bij klachten over redelijke aanpassingen wordt eerst de betrokken school voor gewoon onderwijs aangesproken, met ondersteuning van de betrokken medewerker van het centrum;

2° bij klachten over ondersteuning wordt eerst het betrokken ondersteuningsnetwerk en de school voor buitengewoon onderwijs aangesproken, met ondersteuning van de betrokken medewerker van het centrum;

3° bij klachten over een gemotiveerd verslag of een verslag wordt eerst de betrokken medewerker van het centrum aangesproken waarbij de klachtenprocedure van het centrum wordt gevolgd.

Een medewerker van een ander centrum die niet betrokken is bij de school waar de leerling ingeschreven is en de betrokken school voor buitengewoon onderwijs die voorziet in een ondersteuningsaanbod en de begeleiding van de leerling, treedt op als onafhankelijke bemiddelaar.

Met behoud van de toepassing van het eerste, tweede en derde lid wordt vanaf 1 september 2023 bemiddeling opgenomen als bijkomend thema voor de netoverstijgende regionale ondersteuningscel.

2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
]

Art. 17.

Om de Vlaamse Regering in staat te stellen beleidsopties te formuleren, bepaalt de Vlaamse Regering welke gegevens bezorgd worden, in welke vorm en aan welke diensten. Dat gebeurt na overleg met de centrumnetten.

Het centrum brengt jaarlijks verslag uit over een aantal gegevens uit het multidisciplinair dossier van de leerling, met behoud van de toepassing van de [2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
] .

Voor de samenwerking wisselen het centrum en de schoolexterne diensten waarmee het samenwerkt de nodige gegevens uit. Ze houden daarbij rekening met hun beroepsgeheim.

Art. 18.

De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare kredieten jaarlijks forfaitaire subsidies verlenen aan het gemeenschapsonderwijs en elke representatieve vereniging van de besturen van de centra voor leerlingenbegeleiding van het gesubsidieerd onderwijs. Hiermee kan de sector aan innovatie of digitalisering werken, steeds met het oog op het begeleiden, ondersteunen en versterken van centra in het uitvoeren van hun opdracht.

De Vlaamse Regering bepaalt:

1° de voorwaarden waaronder de subsidie kan worden toegekend;

2° de aanwendingsmogelijkheden van de subsidie, waaronder in elk geval de verplichting dat de diverse begunstigden van die subsidie de ontvangen middelen moeten samenleggen om ze optimaal en efficiënt te besteden;

3° de controle op de aanwending.

Afdeling 4. — Erkennings-, financierings- of subsidiëringsvoorwaarden van de centra

Art. 19.

Een centrum wordt opgenomen in de erkenning als het voldoet aan de volgende voorwaarden:

1° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een bestuur;

2° gevestigd zijn in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden voor de hygiëne, de veiligheid en de bewoonbaarheid voldoen;

3° beschikken over een infrastructuur en uitrusting waardoor de taken kwaliteitsvol uitgevoerd kunnen worden en de reglementering over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer nageleefd kan worden. De Vlaamse Regering bepaalt de normen voor de infrastructuur en uitrusting van de centra;

4° de controle van de inspectie mogelijk maken;

5° de bepalingen naleven over de taalregeling in het onderwijs en de taalkennis van het personeel;

6° de opdrachten uitvoeren conform dit decreet;

7° een kwaliteitsbeleid voeren conform afdeling 8;

8° een doeltreffend beleid voeren om het rookverbod kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefenen op de naleving van het verbod en overtreders sancties opleggen, conform het eigen sanctiebeleid, als vermeld in het arbeidsreglement;

9° samenwerken in een netoverstijgende regionale ondersteuningscel zoals bepaald in artikel 16, § 2.

Art. 20.

. § 1. Een centrum dat een voorlopige erkenning wil krijgen, dient hiervoor uiterlijk 1 april een aanvraag in bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering. Die termijn geldt als vervaltermijn. De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering stellen hiervoor het aanvraagformulier ter beschikking.

De inspectie gaat conform artikel 35, § 1, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs na of het centrum voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 19, 1°, 2°, 3° en 4°. Op basis van het advies van de inspectie dat uit dat onderzoek volgt, neemt de Vlaamse Regering conform artikel 35, § 1, het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs een beslissing tot hetzij voorlopige erkenning voor één schooljaar, hetzij geen voorlopige erkenning. De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 augustus volgend op de aanvraag van de erkenning. Uiterlijk zes maanden na de start van het schooljaar onderzoekt de inspectie, via een doorlichting ter plaatse, of het centrum voldoet aan de decretaal vastgelegde voorwaarden voor een erkenning zoals bepaald in artikel 19, 5°, 6°, 7°, 8° en 9°. Na de doorlichting bezorgt de inspectie een rapport met een advies aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van voorlopige erkenning over de erkenning.

§ 2. Een voorlopige erkenning vangt aan bij de aanvang van het schooljaar volgend op de aanvraag. Een erkenning vangt aan bij de aanvang van het schooljaar volgend op een positieve beslissing van de Vlaamse Regering zoals opgenomen in paragraaf 1.

Art. 21.

§ 1. Het bestuur van een centrum dat voorlopig is erkend of aan al de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 19 van dit decreet, voldoet, verkrijgt financiering of subsidiëring, als het centrum aan al de volgende voorwaarden voldoet:

1° de programmatienorm behalen voor een nieuw centrum of voor een bestaand centrum minstens de rationalisatienorm, vermeld in artikel 36, behalen;

2° deelnemen aan en samenwerken binnen een lokaal overlegplatform, indien dit in de regio bestaat, dat opgericht is overeenkomstig artikel IV.2, § 2, eerste lid, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I.

In het eerste lid, 2°, wordt verstaan onder “samenwerken”:

1° de gegevens, vermeld in artikel IV.4, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, leveren;

2° de afspraken, vermeld in artikel IV.4, eerste lid, van het voormelde decreet, naleven.

§ 2. De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering gaan bij elk centrum dat opgenomen wil worden in de erkenning en bij elk erkend centrum na of het centrum voldoet aan de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1.

§ 3. De opname in de financiering of subsidiëring vangt aan bij de aanvang van het schooljaar volgend op de aanvraag

Art. 22.

§ 1. De Vlaamse Regering kan de erkenning van een centrum intrekken en de financiering of subsidiëring van een centrum stopzetten.

§ 2. De intrekking van de erkenning kan na advies van de inspectie, wanneer aan één of meer voorwaarden van artikel 19 niet meer volledig voldaan is. Wanneer de erkenning van een centrum ingetrokken wordt, wordt ook de financiering of subsidiëring stopgezet.

§ 3. De financiering of subsidiëring kan worden stopgezet na advies van de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering wanneer aan de voorwaarden van artikel 21 niet meer voldaan is.

Indien het bestuur kan aantonen dat de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden, vermeld in artikel 21, binnen een termijn overeengekomen met de Vlaamse Regering opnieuw vervuld zullen zijn, kan in voorkomend geval de financiering of subsidiëring geheel of gedeeltelijk ingehouden worden tot wanneer de voorwaarden opnieuw vervuld zijn.

In die periode worden de scholen die door dat centrum werden bediend, verder bediend door één of meer naburige centra. De Vlaamse Regering kan maatregelen treffen om de continuïteit van de begeleiding van de leerlingen te verzekeren.

§ 4. Elk bestuur draagt de kosten van en de financiële verantwoordelijkheid voor de organisatie van de centra en de werking van zijn centra. Voor centra die aan al de voorwaarden, vermeld in artikel 21 voldoen, komt de Vlaamse Gemeenschap financieel tegemoet, voor het gemeenschapsonderwijs door een financiering, en voor het gesubsidieerd onderwijs door een subsidiëring, in de vorm van:

1° salarissen;

2° een werkingsbudget;

3° investeringsmiddelen.

Art. 23.

Een bestuur sluit een overeenkomst conform de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten als het werken, leveringen of diensten laat uitvoeren die geheel of gedeeltelijk betaald worden met middelen uit de dotatie van het gemeenschapsonderwijs, met het werkingsbudget dat ter beschikking gesteld is van gesubsidieerde centra of met middelen die ter beschikking gesteld zijn door de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering.

Art. 24.

Een bestuur verkrijgt voor zijn personeelsleden een salaris als deze personeelsleden:

1° voldoen aan al de voorwaarden:

a) onderdaan zijn van de Europese Unie of de Europese Vrijhandelsassociatie, behalve in geval van een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;

b) de burgerlijke en politieke rechten genieten, behalve in het geval van een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling, vermeld in punt a);

c) in het bezit zijn van een door de Vlaamse Regering bepaald bekwaamheidsbewijs voor het ambt waarin ze zijn aangesteld;

d) in een gezondheidstoestand verkeren die de gezondheid van de leerlingen niet in gevaar brengt;

e) voldoen aan de taalvereisten zoals bepaald in de artikelen 17bis tot en met 17quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, respectievelijk de artikelen 19bis tot en met 19quinquies van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;

2° aangeworven zijn conform de reglementering over de reaffectatie en wedertewerkstelling;

3° in dienst zijn op grond van de reglementering over de personeelsformatie.

De salarissen worden door de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering rechtstreeks en maandelijks aan de betrokken personeelsleden uitbetaald.

Art. 25.

De salarisschalen voor hetzelfde ambt zijn dezelfde in alle centra.

Art. 26.

leder schooljaar ontvangt het bestuur een werkingsbudget dat het gebruikt voor de werking en de uitrusting van zijn centra.

Art. 27.

Ieder bestuur van een gesubsidieerd centrum legt aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering verantwoording af over het gebruik van zijn werkingsbudget.

De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering kunnen ter plaatse controle uitoefenen zonder dat die controle betrekking mag hebben op de opportuniteit.

Art. 28.

§ 1. De representatieve verenigingen van de centrumbesturen van de gesubsidieerde vrije centra voor leerlingenbegeleiding bepalen, voor de centrumbesturen die dat willen, de boekhoudkundige verplichtingen betreffende de vereenvoudigde boekhouding en de dubbele boekhouding conform artikel 17, § 4, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen. Die boekhoudkundige verplichtingen houden er bijkomend rekening mee dat de saldi, bepaald conform het Europees rekeningenstelsel, door de Vlaamse Gemeenschap kunnen worden afgeleid uit de afgelegde rekeningen, zodat de Vlaamse Gemeenschap kan voldoen aan de Europese verplichtingen.

§ 2. De bedoelde vereenvoudigde boekhouding, vermeld in paragraaf 1, omvat, rekening houdend met de aard en de omvang van het centrumbestuur, alle verrichtingen betreffende de mutaties in contant geld of op de rekeningen.

De vereenvoudigde boekhouding, vermeld in paragraaf 1, omvat:

1° de basisregels voor het voeren van een vereenvoudigde boekhouding;

2° de staat van de ontvangsten en de uitgaven;

3° de jaarrekening;

4° de inventaris.

§ 3. De dubbele boekhouding, vermeld in paragraaf 1, omvat, rekening houdend met de aard en de omvang van de instellingen, alle verrichtingen, bezittingen en schulden, rechten en verplichtingen van welke aard ook, betreffende de toelagen die door de subsidiërende overheid werden toegekend, en de eigen middelen van de inrichtende macht.

§ 4. De regels, vermeld in paragraaf 1, voor de economische boekhouding omvatten:

1° de vorm en de inhoud van de jaarrekening;

2° de waarderingsregels;

3° de structuur van de jaarrekening;

4° het schema van de balans;

5° het schema van de resultatenrekening;

6° de inhoud van de toelichting;

7° de inhoud van de rubrieken van de balans en van de resultatenrekening;

8° het minimale algemeen rekeningenstelsel.

§ 5. De regels, vermeld in paragraaf 1, worden door elke representatieve vereniging van het centrumbestuur van de gesubsidieerde vrije centra voor leerlingenbegeleiding meegedeeld aan de Vlaamse Regering.

Art. 29.

[3Decr. van 20/12/2019
B.S. 30/12/2019
§ 1.3Decr. van 20/12/2019
B.S. 30/12/2019
] Het werkingsbudget van de gefinancierde en de gesubsidieerde centra wordt vastgesteld in de jaarlijkse begroting.

Voor de permanente ondersteuning wordt het bedrag per omkaderingsgewicht per jaar vastgelegd op 2 390 euro.

Het werkingsbudget van een centrum is gelijk aan het gegarandeerde werkingsbudget en een extra werkingsbudget.

Het gegarandeerde werkingsbudget is gelijk aan het werkingsbudget zoals toegekend voor het schooljaar 2017-2018 door de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering. Het extra werkingsbudget is gelijk aan het totaal bedrag verminderd met de som van het budget voor de permanente ondersteuningscellen en voor het gegarandeerde werkingsbudget. Het extra werkingsbudget wordt evenredig verdeeld over de centra die in de reële omkadering recht hebben op meer omkadering ten opzichte van de gegarandeerde omkadering.

Het werkingsbudget wordt vanaf het begrotingsjaar 2020 geïndexeerd conform de volgende formule:

B x (Cx-1/Cx-2), waarbij:

1° B gelijk is aan het voormelde bedrag voor het begrotingsjaar 2019;

2° Cx-1 gelijk is aan de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;

3° Cx-2 gelijk is aan de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2.

[3Decr. van 20/12/2019
B.S. 30/12/2019
§ 2. De werkingsbudgetten die worden vastgesteld in toepassing van paragraaf 1 worden vanaf het begrotingsjaar 2020 met 909.000 euro verminderd.3Decr. van 20/12/2019
B.S. 30/12/2019
]

Art. 30.

Het werkingsbudget van de gefinancierde centra vormt een onderdeel van de werkingsmiddelen die toegekend zijn aan het gemeenschapsonderwijs. Dat werkingsbudget wordt in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 % van de werkingsmiddelen van het schooljaar in kwestie vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.

Als het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de werkingsmiddelen voor het schooljaar in kwestie zijn opgenomen, aanleiding geeft tot meer middelen voor de gefinancierde centra, worden die bijkomende middelen uitbetaald binnen twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van het voormelde decreet.

Art. 31.

De werkingsbudgetten voor de gesubsidieerde centra worden in minstens twee schijven uitbetaald waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50 % van de werkingsmiddelen van het schooljaar in kwestie vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt.

Als het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin de werkingsmiddelen voor het schooljaar in kwestie zijn opgenomen, aanleiding geeft tot meer middelen voor de gesubsidieerde centra, worden die bijkomende middelen uitbetaald binnen twee maanden na de bekrachtiging door de Vlaamse Regering van het voormelde decreet.

Art. 32.

De besturen van de centra kunnen voor elk van hun centra een beroep doen op de investeringsmiddelen die de Vlaamse Gemeenschap heeft toegekend aan het gemeenschapsonderwijs voor de gefinancierde centra of aan AGION voor de gesubsidieerde centra indien:

1° het centrum voldoet aan de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden, vermeld in artikel 21;

2° de behoefte aan nieuwbouw, verbouwing of uitbreiding is aangetoond, en er binnen een bepaalde gebiedsomschrijving geen bestaande gebouwen of voorzieningen beschikbaar zijn die de Vlaamse Gemeenschap geheel of gedeeltelijk heeft gefinancierd of gesubsidieerd;

3° de werken beantwoorden aan de door de Vlaamse Regering vastgestelde fysieke en financiële normen.

Afdeling 5. — Programmatie en rationalisatie

Art. 33.

Een nieuw centrum kan vanaf 1 september in de financierings- of subsidieregeling worden opgenomen, op voorwaarde dat de scholen die met dat centrum samenwerken, in het voorgaande kalenderjaar op de eerste schooldag van februari samen een leerlingenaantal hebben waardoor voor het centrum de programmatienorm bereikt wordt.

Art. 34.

Een centrum kan worden opgericht als het scholen begeleidt die samen aanleiding geven tot een gewogen leerlingenaantal van tenminste 9 000. Vanaf 1 september 2023 kan een centrum worden opgericht als het scholen begeleidt die samen aanleiding geven tot een gewogen leerlingenaantal van tenminste 40 000.

Art. 35.

§ 1. Een fusie van centra kan alleen plaatsvinden bij de aanvang van een schooljaar. Het centrum dat door die fusie ontstaat, wordt niet als een nieuw centrum beschouwd. Een fusie van centra wordt gemeld aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering voor 1 mei van het schooljaar dat voorafgaat aan de fusie.

§ 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 moet elk centrum dat gevormd wordt door fusie één voltijdse betrekking van directeur uit haar personeelsomkadering aanwenden.

De vastbenoemde en tot de proeftijd toegelaten directeurs die na een fusieoperatie niet opnieuw als directeur van het centrum kunnen worden aangesteld, blijven voor het volume van de opdracht waarvan ze op 31 augustus vóór de fusie titularis waren, aangesteld in het ambt van directeur in een niet-organieke betrekking. Ze behouden voor datzelfde volume hun salarisschaal. Het bestuur van het CLB bepaalt met welke taken die directeur wordt belast, met dien verstande dat bij afwezigheid van de directeur die titularis is van het centrum dergelijke directeur alleszins als vervanger wordt aangesteld.

Een personeelslid dat op het ogenblik van de fusie tot de proeftijd is toegelaten in het ambt van directeur, wordt, na twaalf maanden effectieve prestaties vanaf zijn toelating tot de proeftijd, vastbenoemd in het ambt van directeur.

Art. 36.

De rationalisatienorm wordt op centrumniveau vastgesteld op 8 000 gewogen leerlingenaantallen.

Vanaf 1 september 2023 wordt de rationalisatienorm op niveau van de net-overstijgende regionale ondersteuningscel vastgesteld op 35 000 gewogen leerlingenaantallen voor alle centra samen binnen een netoverstijgende regionale ondersteuningscel zoals bepaald in artikel 16, § 2. Op centrumniveau blijft de rationalisatienorm steeds 8 000 gewogen leerlingen.

Art. 37.

Om gefinancierd of gesubsidieerd te blijven moet het gewogen leerlingenaantal van een centrum, geteld op de eerste schooldag van februari van het voorafgaand schooljaar, de rationalisatienorm van 8 000 bereiken.

Een centrum dat de rationalisatienorm twee aansluitende teldata niet bereikt, wordt vanaf het schooljaar volgend op de laatste teldag niet langer gefinancierd of gesubsidieerd. Bijkomend worden vanaf 1 september 2023 alle centra in een netoverstijgende regionale ondersteuningscel die de rationalisatienorm van 35 000 twee aansluitende teldata niet bereiken, vanaf het schooljaar volgend op de laatste teldag niet langer gefinancierd of gesubsidieerd.

Afdeling 6. — Personeelsomkadering

Art. 38.

De personeelsomkadering van een centrum wordt jaarlijks berekend.

Art. 39.

De gegarandeerde omkadering van ieder centrum is gelijk aan de omkaderingsgewichten zoals toegekend aan ieder centrum voor de omkaderingsperiode 2014-2017 door de bevoegde dienst van de Vlaamse Regering.

[2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019

Art. 39/1.

Een centrum dat de samenwerking met een school stopzet vanuit de intentie om minder leerlingen te begeleiden met de gegarandeerde omkadering, vermeld in artikel 39, verliest 10 % van die gegarandeerde omkadering die het voor de omkaderingsperiode 2014-2017 gekregen heeft. Het verlies van 10 % is recurrent als de samenwerking met die school uitblijft op jaarbasis. Het verlies van 10 % is cumulatief per school waarmee het centrum niet meer samenwerkt. De bevoegde dienst van de Vlaamse overheid beslist tot verlies van omkadering nadat de bemiddelingscommissie, vermeld in artikel 14, § 4, de bemiddelingsprocedure tot samenwerken heeft ingezet.

2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
]

Art. 40.

§ 1. De nieuwe omkadering wordt berekend op basis van 2898,85 omkaderingsgewichten met een voorafname voor de permanente ondersteuningscellen, een voorafname van 35 % op basis van de SES-kenmerken van de leerlingen en een lineaire verdeling op basis van gewogen leerlingen.

§ 2. De vooraf te nemen omkaderingsgewichten van het totale aantal te verdelen omkaderingsgewichten worden op de volgende wijze verdeeld:

1° aan de gefinancierde, de gesubsidieerde officiële en de gesubsidieerde vrije permanente ondersteuningscellen worden respectievelijk 5,89 omkaderingsgewichten, 1,99 omkaderingsgewichten en 12,49 omkaderingsgewichten toegekend;

2° 1015 omkaderingsgewichten worden verdeeld over de centra volgens het aantal leerlingen met SES-kenmerken in de scholen voor gewoon onderwijs waarmee ze samenwerken.

Bij de berekening wordt rekening gehouden met de leerlingenkenmerken 1 tot en met 3, vermeld in artikel 133 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, en artikel 242 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.

406 van de omkaderingsgewichten worden over de centra evenredig verdeeld op basis van het aantal regelmatige leerlingen in de scholen waarmee ze samenwerken die beantwoorden aan leerlingenkenmerk 1.

203 van de omkaderingsgewichten worden over de centra evenredig verdeeld op basis van het aantal regelmatige leerlingen in de scholen waarmee ze samenwerken die beantwoorden aan leerlingenkenmerk 2.

406 van de omkaderingsgewichten worden over de centra evenredig verdeeld op basis van het aantal regelmatige leerlingen in de scholen waarmee ze samenwerken die beantwoorden aan leerlingenkenmerk 3.

De teldag voor leerlingenkenmerk 1 en 3 is de eerste schooldag van februari van het kalenderjaar voorafgaand aan de omkaderingsperiode. Voor leerlingenkenmerk 2 is de telperiode twee schooljaren voorafgaand aan de omkaderingsperiode schooljaar X - (X+1). De leerling moet uiterlijk op 28 februari X aan het voormelde leerlingenkenmerk 2 voldoen voor het schooljaar (X-2) - (X-1).

§ 3. Het aantal gewogen leerlingen wordt berekend op basis van het aantal regelmatige leerlingen dat begeleid wordt door het centrum. De telling vindt plaats op de geldende tellingsdata in het voorgaande kalenderjaar.

Voor de weging van de leerlingen gelden de volgende coëfficiënten:

1° het aantal leerlingen met een verslag of inschrijvingsverslag met het oog op het volgen van een individueel aangepast curriculum of toegang tot het buitengewoon onderwijs wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt 3;

2° het aantal leerlingen met een gemotiveerd verslag of inschrijvingsverslag met het oog op ondersteuning in het gewoon onderwijs wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt 2;

3° het aantal leerlingen van het gewoon onderwijs wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt 1 met uitzondering van de leerlingen met een gemotiveerd verslag zoals opgenomen in punt 2°.

Art. 41.

§ 1. De reële omkadering van elk centrum wordt berekend op basis van de gegarandeerde omkadering, de nieuwe omkadering, de omkadering van het voorgaande schooljaar en een groei- of dalingsmechanisme.

§ 2. In de reële omkadering wordt de gegarandeerde omkadering steeds verzekerd. De vaste 2898,85 omkaderingsgewichten uit de gesloten enveloppe worden ingezet om de gegarandeerde omkadering te kunnen toekennen. De gesloten enveloppe wordt in de reële omkadering aangevuld met 180 extra omkaderingsgewichten die als volgt verdeeld worden:

1° in het schooljaar 2018-2019 worden 88 extra omkaderingsgewichten evenredig verdeeld over de centra die in de nieuwe omkadering recht hebben op meer omkadering ten opzichte van de gegarandeerde omkadering;

2° vanaf het schooljaar 2019-2020 worden 92 extra omkaderinggewichten via een groeipad verdeeld over die centra die in de nieuwe omkadering recht hebben op meer omkadering ten opzichte van de gegarandeerde omkadering of ten opzichte van het voorgaande schooljaar.

Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden volgende groei- of dalingsmechanisme in het reële omkaderingsysteem toegepast:

1° alle centra die stijgen in omkaderingsgewichten tegenover de omkaderingsberekening van de voorgaande omkaderingsperiode, ontvangen elk maximaal 3,15 % extra omkaderingsgewichten;

2° alle centra die minder dan 2 % dalen in omkaderingsgewichten tegenover de omkaderingsberekening van de voorgaande omkaderingsperiode, ontvangen hetzelfde aantal omkaderingsgewichten;

3° alle centra die volgens de berekeningswijze in paragraaf 2, 2 % of meer dalen in omkaderingsgewichten tegenover de omkaderingsberekening van de voorgaande omkaderingsperiode, ontvangen 2 % minder omkaderingsgewichten, tenzij deze daling minder is dan de gegarandeerde omkadering.

§ 3. Bij iedere herberekening in de reële omkadering controleren de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering of een centrum recht heeft op de gegarandeerde omkadering zoals bepaald op 31 augustus 2017. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden die de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering hanteren voor deze controle. Voor centra die fusioneren geldt voor de gegarandeerde omkadering de optelsom van de initiële gegarandeerde omkadering van de gefusioneerde centra.

§ 4. De 180 extra omkaderingsgewichten kunnen enkel worden toegekend zolang er extra omkaderingsgewichten ter beschikking zijn. In het schooljaar waarin de limiet van 180 omkaderingsgewichten bereikt wordt, worden de resterende extra omkaderingsgewichten evenredig verdeeld.

§ 5. In het eerste schooljaar nadat de extra 180 omkaderingsgewichten verdeeld zijn, blijft het dalingsmechanisme zoals omschreven in paragraaf 2 gelden. De omkaderingsgewichten die daardoor vrijkomen zullen evenredig verdeeld worden onder de centra die in de nieuwe omkadering stijgen. Dit mechanisme wordt in alle daaropvolgende schooljaren toegepast.

§ 6. De middelen die de Vlaamse Regering jaarlijks toekent voor de netoverstijgende regionale ondersteuningscellen, worden verdeeld over ieder centrum.

[1Decr. van 15/03/2019
B.S. 08/05/2019

Art. 41/1.

Aan de centra worden voor het schooljaar 2019-2020 globaal 4,6 organieke omkaderingsgewichten aanvangsbegeleiding toegekend. Vanaf het schooljaar 2020-2021 wordt het beschikbaar aantal organieke omkaderingsgewichten evenredig aangepast aan eventuele wijzigingen aan de totaliteit van de reële omkadering van alle centra ten opzichte van het voorafgaande schooljaar.

Die omkaderingsgewichten worden over de centra verdeeld in verhouding tot de reële omkadering van het centrum en het schooljaar in kwestie in de totaliteit van de reële omkadering van alle centra.

De aanwending van de omkaderingsgewichten aanvangsbegeleiding gebeurt in wervingsambten van het technisch personeel of van het ondersteunend personeel.

De omkaderingsgewichten aanvangsbegeleiding die elk centrum ontvangt, kunnen door elk centrum gedeeltelijk of volledig worden overgedragen aan een al dan niet netoverstijgend samenwerkingsverband van centra onderling, naar de permanente ondersteuningscel of een netoverstijgend samenwerkingsverband van de permanente ondersteuningscellen of naar een netoverstijgende regionale ondersteuningscel. Ook in het geval van overdracht kunnen die omkaderingsgewichten alleen voor aanvangsbegeleiding in wervingsambten van het technisch personeel of van het ondersteunend personeel worden aangewend.

1Decr. van 15/03/2019
B.S. 08/05/2019
]

Art. 42.

§ 1. Een centrum kan, na onderhandeling in het lokaal comité, jaarlijks aan een of meer andere centra omkaderingsgewichten als vermeld in artikel 41 [1Decr. van 15/03/2019
B.S. 08/05/2019
en 41/11Decr. van 15/03/2019
B.S. 08/05/2019
] , overdragen.

§ 2. Een centrum kan, na onderhandeling in het lokaal comité, de toegekende omkaderingsgewichten, vermeld in artikel 41, geheel of gedeeltelijk overdragen aan de permanente ondersteuningscel, aan een regionale ondersteuningscel en/of aan een netoverstijgende regionale ondersteuningscel voor de duurtijd van de omkaderingsperiode, vermeld in artikel 41.

Met de voormelde omkaderingsgewichten kunnen [2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
in de permanente ondersteuningscel2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
] betrekkingen worden opgericht in ambten als vermeld in artikel 46, met uitzondering van het bevorderingsambt van directeur.

Met de voormelde omkaderingsgewichten kunnen voor de regionale ondersteuningscel en de netoverstijgende regionale ondersteuningscel betrekkingen worden opgericht in ambten als vermeld in artikel 46. Aan de regionale ondersteuningscel en de netoverstijgende regionale ondersteuningscel kan met deze omkaderingsgewichten maximaal één voltijdse betrekking van directeur worden opgericht. Voor die betrekking van directeur wordt het desbetreffende omkaderingsgewicht van de overgedragen omkaderingsgewichten, vermeld in paragraaf 1, aangewend.

[2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
De betrekkingen die met de overgedragen omkaderingsgewichten worden opgericht voor de regionale ondersteuningscel of netoverstijgende regionale ondersteuningscel, worden administratief verbonden aan een of meer van de centra die deel uitmaken van deze regionale ondersteuningscel of netoverstijgende regionale ondersteuningscel.2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
]

§ 3. Elk centrum mag bij overdracht van omkaderingsgewichten als vermeld in paragraaf 1 en 2, aan een of meer andere centra, aan de permanente ondersteuningscel en/of aan de regionale ondersteuningscel en/of aan de netoverstijgende regionale ondersteuningscel ook het overeenstemmende werkingsbudget geheel of gedeeltelijk overdragen.

Art. 43.

Een centrum kan geen personeelsleden vast benoemen, muteren of definitief affecteren op basis van omkaderingsgewichten die een ander centrum overgedragen heeft of op basis van omkaderingsgewichten die conform artikel 42 overgedragen zijn aan een permanente ondersteuningscel, een regionale ondersteuningscel of aan een netoverstijgende regionale ondersteuningscel. De betrekkingen die op basis van deze omkaderingsgewichten worden opgericht komen niet in aanmerking voor vacantverklaring.

Het bestuur bezorgt voor de controle aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering een verklaring op erewoord, waarin het aangeeft het verbod vermeld in het eerste lid in acht te zullen nemen. De niet-naleving van het voormelde verbod heeft tot gevolg dat de vaste benoeming, mutatie of definitieve affectatie geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid.

Art. 44.

De overdracht van omkaderingsgewichten mag niet tot gevolg hebben dat het bestuur van het centrum dat de omkaderingsgewichten overdraagt in het schooljaar in kwestie, overeenkomstig de geldende reglementering nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking moet uitspreken, tenzij de terbeschikkinggestelde personeelsleden voor de hele verdere duur van het schooljaar in een centrum van hetzelfde bestuur overeenkomstig de geldende reglementering kunnen worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld.

Het bestuur bezorgt voor de controle aan de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering een verklaring op erewoord, waarin het aangeeft het verbod, vermeld in het eerste lid, in acht te zullen nemen. De niet-naleving van het voormelde verbod heeft tot gevolg dat een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid, noch ten aanzien van het betrokken personeelslid.

Afdeling 7. — Personeel van de centra voor leerlingenbegeleiding

Onderafdeling 1. — De personeelsformatie

Art. 45.

Op basis van de toegekende personeelsomkadering, vermeld in artikel 41, stelt het bestuur, na onderhandeling in het lokaal comité, elk schooljaar de personeelsformatie van het centrum vast.

Het bestuur wendt de personeelsomkadering aan:

1° voor de instandhouding van één voltijdse betrekking van directeur;

2° voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in de ambten bedoeld in artikel 46;

3° voor de oprichting van betrekkingen in ambten bedoeld in artikel 46, met uitzondering van het bevorderingsambt van directeur, op voorwaarde dat er na de toepassing van punt 1° en 2° nog personeelsomkadering ter beschikking is.

De Vlaamse Regering bepaalt voor de personeelsomkadering het omkaderingsgewicht dat aan elk ambt wordt toegekend.

Art. 46.

§ 1. De personeelsformatie van een centrum bestaat uit een voltijdse betrekking in het bevorderingsambt van directeur en uit betrekkingen in de wervingsambten van het ondersteunend personeel en het technisch personeel en uit betrekkingen in de selectieambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel.

§ 2. De personeelsformatie van een permanente ondersteuningscel kan bestaan uit betrekkingen van het bestuursen onderwijzend personeel, het ondersteunend personeel en het technisch personeel.

Onderafdeling 2. — Personeel voor rekening van het werkingsbudget of andere inkomsten

Art. 47.

Het bestuur kan met andere inkomsten personeel in dienst nemen.

Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Art. 48.

§ 1. Het bestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 26, personeel voor specifieke opdrachten aanwerven.

Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

§ 2. Het bestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 26, [2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDAB, of van subsidies toegekend door het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin2Decr. van 05/04/2019
B.S. 24/06/2019
] ook personeelsleden aanwerven op basis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, respectievelijk het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. In het gemeenschapsonderwijs kan een bestuur het voormelde principe aanwenden voor de personeelscategorieën die van toepassing zijn in de centra voor leerlingenbegeleiding, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een bestuur het voormelde principe aanwenden voor de personeelscategorieën die van toepassing zijn in de centra voor leerlingenbegeleiding vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.

De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt opgericht kan niet vacant worden verklaard en het bestuur kan in geen geval een personeelslid vastbenoemen, affecteren of muteren in die betrekking.

Het personeelslid dat door een bestuur in het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven, wordt als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 is op hem van toepassing.

Het personeelslid dat door een bestuur in het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven, wordt als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 is op hem van toepassing.

De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering betalen het salaris rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Diezelfde diensten vorderen het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, de bijslagen, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de werkgeversbijdrage, van het bestuur terug.

Onderafdeling 3. — Lokaal onderhandelingscomité op het niveau van de netoverstijgende regionale ondersteuningscel

Art. 49.

Deze onderafdeling is van toepassing op de netoverstijgende regionale ondersteuningscellen zoals bepaald in artikel 16, § 2.

Art. 50.

In elke netoverstijgende regionale ondersteuninsgcel wordt een lokaal comité opgericht op het niveau van de netoverstijgende regionale ondersteuningscel, verder OCNROC genoemd.

Art. 51.

§ 1. Elk OCNROC is samengesteld uit afgevaardigden van enerzijds de besturen en anderzijds de representatieve vakorganisaties. Als representatieve vakorganisaties worden beschouwd de vakorganisaties die zitting hebben in sectorcomité X – onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten – afdeling 2 – onderafdeling “Vlaamse Gemeenschap” en/of het overkoepelend onderhandelingscomité “gesubsidieerd vrij onderwijs”.

§ 2. De afvaardiging van de besturen bestaat uit minstens één lid van elk bestuur zonder dat haar totale afvaardiging groter mag zijn dan de totale afvaardiging van de representatieve vakorganisaties.

De vertegenwoordigers van de besturen moeten bevoegd zijn om hun respectief bestuur te verbinden.

§ 3. De afvaardiging van de representatieve vakorganisaties bestaat uit maximaal één lid per representatieve vakorganisatie per bestuur en wordt vrij door hen samengesteld.

In afwijking van het vorige lid mag voor de besturen van de netoverstijgende regionale ondersteuningscel die behoren tot het gesubsidieerd vrij onderwijs waar maar één representatieve vakorganisatie vertegenwoordigd is in het lokaal comité of de lokale comités, deze representatieve vakorganisatie maximaal drie vertegenwoordigers afvaardigen naar het OCNROC. Zijn er twee representatieve vakorganisaties vertegenwoordigd in het lokaal comité of de lokale comités, dan mag de representatieve vakorganisatie met het grootst aantal vertegenwoordigers in het lokaal comité of de lokale comités maximaal twee vertegenwoordigers afvaardigden naar het OCNROC. De andere representatieve vakorganisatie mag dan maximaal één vertegenwoordiger afvaardigen.

§ 4. De effectieve leden van het OCNROC kunnen zich laten vervangen op de wijze zoals bepaald in het werkingsreglement. De leden van de afvaardiging van de besturen kunnen zich alleen laten vervangen door een behoorlijk gemachtigde afgevaardigde.

Art. 52.

De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties vanuit het gesubsidieerd officieel onderwijs of Gemeenschapsonderwijs genieten de rechten en plichten voorzien in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en haar uitvoeringsbesluiten.

De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties vanuit het gesubsidieerd vrij onderwijs genieten de rechten en de plichten voorzien in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs.

Art. 53.

§ 1. De afgevaardigden van de besturen bepalen wie onder hen het voorzitterschap van het OCNROC waarneemt. De voorzitter waakt over de goede werking van het OCNROC.

§ 2. Het secretariaat van het OCNROC wordt waargenomen door een secretaris die onder en door de vertegenwoordigers van het personeel wordt gekozen. Mits akkoord van alle leden van het OCNROC kan het secretariaat ook worden waargenomen door een secretaris die geen deel uitmaakt van het OCNROC.

Art. 54.

. § 1. Het OCNROC is bevoegd om te onderhandelen over de aangelegenheden waarvoor de netoverstijgende regionale ondersteuningscel bevoegd is voor zover deze aangelegenheden een repercussie kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden of de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de centra voor leerlingenbegeleiding en/of van de netoverstijgende regionale ondersteuningscel zelf.

§ 2. De leden van het OCNROC hebben een informatierecht met betrekking tot alle aangelegenheden waarvoor de netoverstijgende regionale ondersteuningscel bevoegd is.

Ze hebben bovendien ten minste jaarlijks recht op inlichtingen in verband met de tewerkstelling.

Deze inlichtingen hebben betrekking op:

1° inlichtingen over de evolutie van het aantal omkaderingsgewichten dat toegewezen wordt aan het CLB en de weerslag ervan op tewerkstelling en infrastructuur in de centra die tot de netoverstijgende regionale ondersteuningscel behoren;

2° inlichtingen over de structuur van de centra die tot de netoverstijgende regionale ondersteuningscel behoren, inclusief over de mogelijke structuurwijzigingen die een weerslag kunnen hebben op de arbeidsomstandigheden en/of tewerkstelling;

3° inlichtingen over het personeelsverloop in de centra van de netoverstijgende regionale ondersteuningscel.

§ 3. De afgevaardigden van de besturen moeten aan de leden van het OCNROC inlichtingen verstrekken over beslissingen die een belangrijke weerslag kunnen hebben op de personeelsleden van de centra die deel uitmaken van de netoverstijgende regionale ondersteuningscel.

§ 4. De leden van het OCNROC ontvangen de informatie die nodig is om na te gaan of de onderwijswetgeving met betrekking tot centrum overschrijdende personeelsmateries correct wordt nageleefd.

§ 5. De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties kunnen bij de afgevaardigden van de besturen stappen zetten in het gemeenschappelijk belang van het personeel werkzaam in en voor de netoverstijgende regionale ondersteuningscel.

Art. 55.

De aangelegenheden waarover moet onderhandeld worden, worden op de agenda geplaatst door de voorzitter van het OCNROC. Ook de andere leden van het OCNROC kunnen punten op de agenda zetten. Met het oog op de onderhandelingen ontvangen de leden van het OCNROC vooraf alle documenten die nodig en nuttig zijn om met voldoende kennis van zaken standpunten te kunnen innemen.

Art. 56.

Noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de besturen, noch die van een of meer regelmatig opgeroepen afgevaardigden van representatieve vakorganisaties, maakt de onderhandelingen ongeldig.

Art. 57.

§ 1. De conclusies van iedere onderhandeling worden vermeld in een protocol waarin worden opgetekend:

1° ofwel het eenparig akkoord van al de afvaardigingen;

2° ofwel het akkoord tussen de afvaardiging van de besturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties, alsook het standpunt van de afvaardiging van een of meer representatieve vakorganisaties;

3° ofwel het respectieve standpunt van de afvaardiging van de besturen en dat van de afvaardigingen van de verschillende representatieve vakorganisaties.

§ 2. Ingeval van eenparig akkoord of ingeval van akkoord tussen de afvaardiging van de besturen en de afvaardiging van één of meer representatieve vakorganisaties kunnen, noch op het niveau van de individuele besturen, noch op het niveau van de individuele centra beslissingen genomen worden die afwijken van het protocol.

Art. 58

Maatregelen die na onderhandeling worden genomen, vermelden de datum van het protocol bedoeld in artikel 57.

Art. 59.

§ 1. Het OCNROC neemt bij eenparigheid een werkingsreglement aan. Het bepaalt minimaal:

1° de wijze waarop het OCNROC wordt samengeroepen, de termijn van bijeenroeping en het aantal vergaderingen per schooljaar met een minimum van drie;

2° de wijze waarop documenten zullen bezorgd worden;

3° de wijze waarop leden van het OCNROC een punt op de agenda van het OCNROC kunnen zetten en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren;

4° de taken van de voorzitter;

5° de taken van de secretaris;

6° de termijnen voor het beëindigen van de onderhandeling;

7° de wijze waarop de notulen en protocollen tot stand komen;

8° de wijze waarop de agenda, bijgevoegde documentatie, notulen en protocollen zullen bewaard worden;

9° de wijze waarop de effectieve leden zich kunnen laten vervangen en de wijze waarop en de gevallen waarin de afvaardigingen technici kunnen laten deelnemen aan de vergaderingen;

10° de concretisering van de bevoegdheden, vermeld in artikel 54;

11° de concretisering van de rechten en plichten bedoeld in artikel 52;

12° de nominatieve lijst van de effectieve vertegenwoordigers van de besturen en de effectieve vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties alsook de vertegenwoordigers die hen kunnen vervangen.

§ 2. Indien er binnen een termijn van drie maanden na de oprichting van het OCNROC geen akkoord is over een werkingsreglement, is het model van werkingsreglement bij eenparigheid opgesteld door sectorcomité X, onderafdeling “Vlaamse Gemeenschap” van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en het overkoepelend onderhandelingscomité van toepassing.

Art. 60.

De werkingskosten van het OCNROC komen ten laste van de besturen.

Afdeling 8. — Interne kwaliteitszorg

Art. 61.

De zorg voor kwaliteit is een taak van alle personeelsleden van het centrum en van het centrumbestuur. De voormelde personeelsleden en het centrumbestuur streven op basis van een centrumbeleid op leerlingenbegeleiding naar een kwaliteitsvolle dienstverlening met het oog op een maximale tevredenheid van de leerlingen, de ouders, en de scholen waarmee ze samenwerken en een optimale realisatie van de opdrachten, vermeld in afdelingen 1, 2 en 3.

Art. 62.

Als onderdeel van het centrumbeleid besteedt ieder centrum aandacht aan kwaliteit. Dat houdt in dat:

1° een verantwoorde dienstverlening aan de leerling, de ouders en de school wordt verleend, rekening houdend met de doeltreffendheid, de doelmatigheid en de continuïteit van de dienstverlening;

2° een respectvolle begeleiding van de leerling en de ouders wordt verzekerd met als elementen het persoonlijk onthaal, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de informatie en de inspraak van de leerling en de ouders en de behandeling van eventuele klachten;

3° een professionele samenwerking met de scholen binnen duidelijke afspraken wordt verzekerd;

4° een professionaliseringsbeleid voor de personeelsleden afgestemd op hun noden, wordt verzekerd. Elk centrum stelt daarvoor jaarlijks een vormingsplan op. Elk personeelslid heeft recht op een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal vormingsdagen per schooljaar. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het vormingsplan en de organisatie van de vorming.

Om het kwaliteitsbeleid, vermeld in het eerste lid, concreet gestalte te geven, wijst het centrum binnen zijn personeelskader een of meer personeelsleden aan die geheel of gedeeltelijk met het kwaliteitsbeleid worden belast.

Afdeling 9. — Terugvorderingen, inhoudingen en sancties

Art. 63.

Elke ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring wordt teruggevorderd van het bestuur. Een ten onrechte uitbetaald salaris of salarisgedeelte wordt evenwel teruggevorderd van het betrokken personeelslid als het bestuur niet verantwoordelijk is voor dat ten onrechte uitbetaalde salaris.

De ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring aan of voor rekening van het bestuur kan ook worden teruggevorderd door inhouding op het nog uit te betalen werkingsbudget.

Art. 64.

Met behoud van toepassing van artikel 63 leiden de volgende overtredingen, na aanmaning, tot sancties:

1° misbruik van werkingsbudgetten en investeringsmiddelen;

2° misbruik bij de aanwending van de personeelsformatie.

Het bestuur in overtreding kan gestraft worden met een gedeeltelijke terugbetaling van het werkingsbudget, zonder dat de terugvordering of inhouding meer kan bedragen dan 10 % van het werkingsbudget van het centrum waarbij de overtreding is vastgesteld.

Art. 65.

Het niet-naleven van de verplichtingen over het voeren van een boekhouding of over het invullen en tijdig doorsturen van de voorgeschreven formulieren of gevraagde gegevens voor elementen waar de directeur niet afhankelijk is van derden kan, na aanmaning, leiden tot tijdelijke inhouding van de betaling van het voorschot of het saldo op de werkingsbudgetten.

HOOFDSTUK 3. — Wijzigingsbepalingen

Afdeling 1. — Wijzigingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991

Art. 66. t.e.m. 80.

Niet opgenomen

Afdeling 2. — Wijzigingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991

Art. 81. t.e.m. 98.

Niet opgenomen

Afdeling 3. — Wijzigingen van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997

Art. 99. t.e.m. 103.

Niet opgenomen

Afdeling 4. — Wijziging van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad

Art. 104. t.e.m. 105.

Niet opgenomen

Afdeling 6. — Wijzigingen van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap

Art. 106. t.e.m. 108.

Niet opgenomen

Afdeling 8. — Wijzigingen van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010

Art. 109. t.e.m. 114.

Niet opgenomen

HOOFDSTUK 4. — Slotbepalingen

Afdeling 1. — Evaluatie

Art. 115.

In het schooljaar 2021-2022 wordt het omkaderingssysteem zoals bepaald in artikel 29, 38, 39, 40 en 41 geëvalueerd met het oog op een mogelijke bijsturing of het implementeren van een nieuw omkaderingssysteem vanaf 1 september 2023 opdat het tegemoet komt aan de noden van de sector. De Vlaamse Regering kan verdere thema’s van deze evaluatie bepalen.

Afdeling 2. — Opheffingsbepaling

Art. 116.

Het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, het laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juni 2017 betreffende het onderwijs XXVII, wordt opgeheven.

Afdeling 3. — Overgangsbepalingen

Art. 117.

De beleidsplannen en de beleidscontracten die bij de inwerkingtreding van dit decreet lopen, worden op dat ogenblik geëvalueerd en ze worden aangepast als dat nodig is. Op het einde van de looptijd worden de voormelde beleidsplannen en beleidscontracten vervangen door samenwerkingsafspraken.

Art. 118.

In afwijking van artikel 19 dienen centra voor leerlingenbegeleiding die bij de inwerkingtreding van dit decreet erkend zijn, geen nieuwe aanvraag tot erkenning in te dienen.

Art. 119.

Dit decreet treedt in werking op 1 september 2018, met uitzondering van artikel 16, § 2, en artikel 19, 9°, die in werking treden op 1 september 2023.